TAM-omgevingsplan Briljantlaan 11-15_Motivering wijzigingsbesluit
Tekst van het document
Het treinstation Utrecht Centraal ligt op 5 á 10 minuten fietsen. De binnenstad van Utrecht is met Ledig Erf vanaf 10 minuten lopen bereikbaar. De twee grote supermarkten op het Smaragdplein zijn binnen vijf minuten lopen bereikbaar. De bereikbaarheid per OV en van (dagelijkse) voorzieningen per voet/fiets is daarmee goed. Verkeersbewegingen In het onderzoek uitgevoerd door Goudappel is de verkeersgeneratie berekend door de omvang van elke functie te vermenigvuldigen met de bijbehorende CROW kencijfers (het aantal te genereren motorvoertuigbewegingen per woning/functie-eenheid; bijvoorbeeld per m² bvo). Aangezien het aantal parkeerplaatsen van de ontwikkeling fors is gereduceerd op basis van de mobiliteitscorrecties zal het autogebruik en daarmee de verkeersgeneratie lager liggen dan op basis van CROW-kencijfers wordt berekend. Om deze reden is per functie een verkeersgeneratie per parkeerplaats berekend door het kencijfer verkeersgeneratie te delen door het bijbehorende kencijfer voor parkeren conform CROW. Aan de hand van het functieprogramma, aanpak en uitgangspunten is de verkeersgeneratie voor de huidige situatie bepaald. De huidige functies genereren circa 475 verkeersbewegingen per weekdag- en werkdagetmaal. Dit resulteert in circa 50 verkeersbewegingen gedurende de spitsperioden. Deze zijn gelijk verdeeld over inkomende en uitgaande verkeersbewegingen.
Dit komt door de grote verkeersgeneratie van het tankstation met een korte verblijftijd. Aan de hand van het functieprogramma, aanpak en uitgangspunten is de verkeersgeneratie voor de toekomstige situatie eveneens bepaald. De toekomstige functies genereren circa 380 tot 430 verkeersbewegingen per weekdag- en werkdagetmaal, hierbij is nog geen rekening gehouden met de reductiemogelijkheden. Dit resulteert in circa 30 tot 40 verkeersbewegingen gedurende de spitsperioden. Tijdens de ochtendspits is vooral sprake van uitgaande bewegingen, in de avondspits zijn er met name inkomende bewegingen. Dit komt doordat er veel woningen worden gerealiseerd in de toekomstige situatie. Het aantal verkeersbewegingen neemt in de toekomstige situatie (inclusief reductie) sterk af ten opzichte van de huidige situatie. Dit geldt zowel voor de week- als werkdagetmaal, als de spitsperioden. De ontwikkeling aan de Briljantlaan leidt daarmee tot een sterke afname van verkeersbewegingen. 4.2.2
Parkeren
Uit het uitgevoerde Goudappel-onderzoek (zie bijlage) zijn uitgangspunten met betrekking tot autoparkeren en fietsparkeren beschreven. Voor de volledige berekeningen wordt verwezen naar het onderzoek in de bijlage. Autoparkeren Voor het autoparkeren is uitgegaan van de gemeentelijke parkeernormen zoals vastgelegd in de bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)
53
'Beleidsregel parkeernormen auto 2021 gemeente Utrecht' en de bij deze beleidsregel behorende bijlage. De ontwikkeling aan de Briljantlaan ligt in B-gebied, en specifiek in het B1 gebied vanwege de aanwezigheid van parkeerregulering. Tevens is de ontwikkellocatie gelegen in een gebied dat als maatwerkgebied is aangewezen (Rotsoord). De gemeente Utrecht geeft in haar parkeerbeleid afwijkingsmogelijkheden die een verlaging van de parkeernorm mogelijk maken, afhankelijk van het gebied waarin de ontwikkeling zich bevindt. Onderstaand zijn de afwijkingsmogelijkheden weergegeven die gehanteerd zijn bij de ontwikkeling van de Briljantlaan (B1 en maatwerk gebied): Aw2: percentage van de parkeereis dat mag worden omgezet in extra fietsparkeerplekken. Hierbij geldt dat 1 autoparkeerplaats wordt vervangen door 1,5 fietsparkeerplek of 1 plek voor bijzondere voertuigen zoals een bakfiets. In een maatwerkgebied betreft het percentage maximaal 20%. Aw3: percentage van de parkeereis minus het bezoekersdeel van woningen en bedrijven hoeft niet te worden aangelegd omdat gebruik kan worden gemaakt van een bestaande of geplande gemeentelijke of door de gemeente erkende mobiliteitshub binnen loopafstand van de bouwontwikkeling of mag worden omgezet in deelautoplekken met deelauto’s. Hierbij geldt dat 4 autoparkeerplaatsen worden vervangen door 1 autodeelplek.
De deelautoplekken kunnen voor maximaal 50% en met een maximum van 5 per ontwikkeling worden ingericht als deelmobiliteitsplek, waar deelfietsen, -bromfietsen en -bakfietsen worden aangeboden. Een deelmobiliteitsplek heeft een omvang van 12,5 m². In B1 gebied betreft het percentage 25% tot 50%. Aw4: percentage dat in totaal mag worden omgezet in parkeren buiten eigen terrein binnen loopafstand in een bestaande gemeentelijke of particuliere garage. In B1 gebied betreft het percentage 100%. Aw5: percentage mag in totaal worden omgezet in parkeren buiten eigen terrein op grote afstand (POA), alleen binnen bereik/invloedsgebied P+R. In B1 gebied betreft dit percentage 0% tot 20%. Voor de ontwikkeling van de Briljantlaan wordt maximaal ingezet op mobiliteitsalternatieven om het aantal te realiseren parkeerplaatsen voor auto te minimaliseren. Dit betekent dat wordt ingezet op het realiseren van extra fietsparkeerplaatsen voor alle doelgroepen bij de ontwikkeling (Aw2). Een reductie van 20% is hierbij van toepassing. Aanvullend wordt ingezet op het realiseren van parkeerplaatsen voor deelmobiliteit voor bewoners en medewerkers (Aw3), waarbij deze gedeeltelijk als deelmobiliteitsplek worden ingericht. Hiervoor is de maximale reductie van 50% gehanteerd. De parkeerplaatsen voor deelmobiliteit worden op de openbare weg gerealiseerd (conform artikel 12, lid 2).
Aanvullend geldt dat een deel van de parkeereis wordt opgelost in de nabij gelegen parkeerlocaties binnen acceptabele loopafstand (Aw4). Een terugvaloptie is hierbij om gebruik te maken van parkeren op afstand bij P+R Westraven (Aw5). De ongewogen parkeerbehoefte betreft, met inachtneming van de parkeernormen van de woningen (van verschillende groottes) en de commercieel-maatschappelijke ruimten 127,50 parkeerplaatsen. Hiervan mag maximaal 20% worden omgezet in fietsparkeerplaatsen, waarbij geldt dat 1 autoparkeerplaats wordt vervangen door 1,5 fietsparkeerplek. Dit betekent dat als gevolg van de reductie op autoparkeren in totaal (127,50 x 20% x 1,5 =) afgerond 39 extra fietsparkeerplekken benodigd zijn. De reductie (extra fietsparkeerplaatsen) in acht nemende betreft de parkeereis voor bewoners en medewerkers in totaal 94,96 parkeerplaatsen. Hiervan mag 50% worden vervangen door de inzet van deelauto's. Hierbij geldt dat 4 autoparkeerplaatsen worden vervangen door 1 autodeelplek. Dit betekent dat de inzet van (94,96 x 50% / 4 =) afgerond 12 deelauto's passend is. Voor de Briljantlaan is het uitgangspunt dat hiervan 5 plekken worden ingericht als deelmobiliteitsplek (deelfietsen, deelbromfietsen, deelbakfietsen) met een omvang van 12,5 m² bvo. De resterende 7 plekken worden voorzien met deelauto's. Deze reducties in acht nemende betreft de parkeereis 61,55 parkeerplaats.
Parkeeroplossing De parkeeroplossing verschilt per doelgroep en is daarom per doelgroep uitgewerkt. Bewoners en medewerkers van de ontwikkeling hebben geen recht op een parkeervergunning op straat. In de omgeving van de ontwikkeling zijn geen gratis parkeerplaatsen beschikbaar, waarmee zij geen uitwijkmogelijkheden hebben. Daarom zijn bij de ontwikkeling van de Briljantlaan maximaal 30 parkeerplaatsen op eigen terrein voorzien, welke alleen te gebruiken zijn door bewoners en medewerkers. Hierbij is geen sprake van dubbelgebruik van de parkeerplaatsen. Voor de bewoners en medewerkers zijn in totaal 28,49 parkeerplaatsen benodigd). Conform gemeentelijk beleid wordt 5 4 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)
Utrecht
de parkeereis rekenkundig afgerond op hele getallen. Dat betekent dat 28 parkeerplaatsen benodigd zijn voor bewoners en medewerkers. Gegeven de 30 beschikbare parkeerplaatsen is voor deze doelgroep voorzien in een passende parkeeroplossing. Het realiseren van minder parkeerplaatsen (minimaal 28) is ook mogelijk. Voor de bezoekers van de ontwikkeling is het uitgangspunt gehanteerd dat de parkeereis binnen acceptabele op loopafstand van de ontwikkeling wordt opgelost, waarbij gebruik kan worden gemaakt van een bestaande gemeentelijke of particuliere parkeergarage. Voor bezoekers geldt een maximaal acceptabele loopafstand van 500 meter. Binnen deze acceptabele loopafstand vallen twee potentiële parkeergarages, namelijk parkeergarage Vaartsche Rijn, op circa 350 meter loopafstand en parkeergarage Rotsoord 19, op circa 250 meter loopafstand. In gemeentelijke parkeergarage Vaartsche Rijn zijn maximaal 7 parkeerplaatsen beschikbaar die door de ontwikkeling van de Briljantlaan kunnen worden gebruikt. In de huidige opzet van de parkeeroplossing wordt geen gebruik gemaakt van deze beschikbare parkeerplaatsen. De parkeergarage bij Rotsoord 19 betreft een particuliere parkeergarage waarbij een samenwerking met ParkBee is aangegaan om een deel van de parkeergarage beschikbaar te stellen voor bezoekers van (onder andere) de ontwikkeling van de Briljantlaan.
Afspraken zijn gemaakt om (een deel van) het bezoekersparkeren van het project Briljantlaan op te lossen, hierbij is aangetoond dat voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Toekomstige bewoners zullen worden geïnformeerd over deze parkeeroplossing voor de bezoekers. Daarmee is ook voor deze doelgroep voorzien in een passende parkeeroplossing. Een gedeelte van de deelmobiliteit wordt daarnaast ingezet in de vorm van 5 deelmobiliteitsplekken, in een deelmobiliteitsruimte van minimaal 62,5 m² bvo. Hier is bij de ontwikkeling van de Briljantlaan in voorzien op de begane grond nabij de entree. De resterende 7 deelauto's worden opgelost in de openbare ruimte in de directe omgeving van het plangebied. Door de deelauto's in de openbare ruimte te stallen, wordt de zichtbaarheid vergroot en daarmee het gebruik gestimuleerd. Daarmee is ook voor deze doelgroep voorzien in een passende parkeeroplossing. Fietsparkeren Voor het fietsparkeren is uitgegaan van de gemeentelijke parkeernormen zoals vastgelegd in de 'Beleidsregel parkeernormen fiets 2021 gemeente Utrecht' en de bij deze beleidsregel behorende bijlage. Gebruikmakend van deze parkeernormen en de beleidsregels wordt het fietsparkeren van bewoners op de kavel inpandig opgelost. Hierbij is een gezamenlijke fietsenberging voorzien. In totaal zijn voor de bewoners van de woningen (160 x 3 =) 480 fietsparkeerplekken benodigd.
Hiervan dienen ten minste (160 x 2 =) 320 fietsparkeerplekken in een laag te worden voorzien en ten minste (480 x 5% =) 24 fietsparkeerplaatsen moeten geschikt zijn voor zwaardere en/of grotere fietsen. Ook dient in de inpandige gezamenlijke fietsenberging rekening te worden gehouden met de 39 extra fietsparkeerplekken als gevolg van de reductie op autoparkeren. In totaal zijn (480 + 39 =) 519 fietsparkeerplekken benodigd in een inpandige voorziening. Waarvan ten minste 320 fietsparkeerplekken in een laag rek en 24 fietsparkeerplekken die geschikt zijn voor zwaardere en/of grotere fietsen. Wanneer hierin wordt voorzien is sprake van een passende parkeeroplossing voor bewoners van de woningen. Voor de overige doelgroepen (bewoners woningen en commercieel-maatschappelijke ruimte) is het voornemen om fietsparkeerplekken te voorzien in de openbare ruimte door middel van het realiseren van fietsnietjes. Door toepassen zonder dubbelgebruik is de realisatie benodigd van 51 fietsparkeerplekken. Met toepassing van dubbelgebruik is de parkeerbehoefte 45 fietsparkeerplekken. Wanneer hier door middel van fietsnietjes in de openbare ruimte wordt voorzien, wordt voorzien in voldoende fietsparkeerplekken voor deze doelgroepen. 4.2.3
Openbare ruimte en groen
De vrijgekomen ruimte om de gebouwde ontwikkeling wordt toegevoegd als nieuwe openbare ruimte. Dit maakt een nieuwe doorlopende wandelroute door Rotsoord mogelijk. De inrichting van de nieuwe openbare ruimte sluit aan bij het IPvE – FO OR Rotsoord (2020). De openbare ruimte wordt ingericht volgens het principe 'hergebruik, tenzij'. zoals opgenomen in het Handboek Openbare Ruimte (HOR). Waar mogelijk worden er bomen en groenvakken ingepast. Het beplantingsmateriaal in de vakken sluit zo veel mogelijk aan bij het industriële karakter van het gebied en de inrichting van de rest van de openbare ruimte van Rotsoord. Afvalinzameling zal worden geplaatst door middel van een uitbreiding van de bestaande containers in de omgeving.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)
55
4.3
Conclusie
De huidige, verouderde bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Met de nieuwe ontwikkeling, waarmee woningen en maatschappelijk-commerciële ruimten toegevoegd worden, wordt een nieuwe kwaliteitsimpuls aan het gebied gegeven - mede door de groene invulling van de nieuw toe te voegen openbare ruimte. Daarnaast wordt met de groeninvulling aangesloten bij het industriële karakter van het gebied.
5 6 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 5 Onderzoek en randvoorwaarden 5.1
Inleiding
In toenemende mate wordt de milieukwaliteit van belang bij de ontwikkeling van functies in het landelijk en stedelijk gebied. Het milieubeleid heeft zich in de loop van enkele decennia ontwikkeld tot een complexe materie, die er in de praktijk toe leidt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen met verschillende milieuaspecten rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van de relevante (milieu)aspecten in het plangebied en de diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd.
5.2
Milieueffectrapportage
Kader Het doel van een milieueffectrapportage (mer) is om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over deze plannen en besluiten. Het maken van een milieueffectrapport is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten, die projecten mogelijk maken welke aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. In bijlage V van het Omgevingsbesluit wordt aangegeven welke projecten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Wanneer projecten mer-beoordelingsplichtig zijn moet worden beoordeeld of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Uit deze mer-beoordeling kan de conclusie volgen dat er een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Plansituatie Het in het plan opgenomen project valt onder categorie J11 (Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen) zoals deze is opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Hiervoor geldt een mer-beoordelingsplicht. Op basis van een aanmeldnotitie mer-beoordeling moet het bevoegd gezag (in dit geval de gemeente Utrecht) beslissen of er een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn is een aanmeldnotitie opgesteld.
In deze notitie wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten en er derhalve geen aanleiding is om een milieueffectrapportage op te stellen. De gemeente heeft dan ook op besloten dat voor dit plan geen milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld. De aanmeldnotitie is opgenomen in de bijlage. Conclusie Er is geen sprake van aanzienlijke milieueffecten door de beoogde ontwikkeling. Het opstellen van een milieueffectrapportage is dan ook niet noodzakelijk.
5.3
Bedrijven en milieuzonering
Kader De gemeente Utrecht streeft naar een situatie waarin wonen en werken in een stad op een goede manier samengaan. Beide functies zijn zeer belangrijk voor Utrecht, maar ook moet voorkomen worden dat milieuhinder van bedrijven een negatieve invloed heeft op de woonomgeving en andere gevoelige functies, of dat omgekeerd de milieubelastende activiteiten waaronder bedrijvigheid, wordt belemmerd door de aanwezigheid van woningen en andere gevoelige functies in de directe nabijheid. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. Plangebied Aan de hand van de VNG-systematiek Bedrijven en Milieuzonering 2009 zijn de verschillende bestemde bedrijfscategorieën en feitelijk aanwezige bedrijven rond het plangebied beschouwd. Omliggende bedrijvigheid Voor de beoordeling van milieuhinder wordt in eerste instantie niet gekeken naar de daadwerkelijk aanwezige bedrijven en functies maar naar de ruimtelijk toegestane functies volgens het geldende (tijdelijk deel van het) omgevingsplan, waaronder de bestemmingsplannen: Chw bestemmingsplan Rotsoord 7 en Pastoefabriek (d.d. 28 maart 2024), Chw bestemmingsplan Watervogelbuurt, bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)
57
Hoograven, Tolsteeg (d.d. 25 november 2012), Bestemmingsplan Briljantlaan 9, Tolsteeg (d.d. 21 september 2017) en bestemmingsplan De Trip, Tolsteeg Rotsoord (d.d. 6 juni 2014). In het kader van activiteiten en milieuzonering zijn de gemengde bestemmingen (licht oranje), bedrijfsbestemmingen (paars), horecabestemming (roodoranje), en maatschappelijke bestemming (donker oranje) relevant. Dit is weergegeven op onderstaande figuur. Overige geldende bestemmingen in de omgeving (wonen, groen, verkeer) zorgen niet voor relevante hinder naar het plangebied.
Geldende bestemmingen rondom plangebied (bron: Bouwenvelop) Enkele percelen tussen de Vaartsche Rijn en Heuveloord mogen over een milieucategorie 3.1 en 3.2 beschikken, waarvoor een richtafstand van 50 meter in gemengd gebied geldt. De afstand tussen het plangebied en deze percelen is meer dan 50 meter. Binnen de gemengde bestemmingen rondom het projectgebied wordt, naast onderwijs, culturele voorzieningen, horeca etc., ook bedrijvigheid tot maximaal categorie B2 mogelijk toegestaan. Dit is inpasbaar naast woningen. Ten zuid(oost)en van het projectgebied wordt een nutsvoorziening toegestaan, op meer dan 10 meter afstand waardoor deze geen belemmering vormt. De toegestane bedrijvigheid in de omgeving zorgt dan ook niet voor een onevenredige toedeling van functies aan locaties. Ten noordoosten van het projectgebied op circa 50 meter afstand is een maatschappelijke bestemming opgenomen. Ook ten zuiden van het plangebied geldt een maatschappelijke bestemming (circa 40 meter afstand) en wordt ter plaatse van de functieaanduiding een dierenasiel toegestaan (circa 60 meter afstand). Hier is Kinderboerderij Nieuw Rotsoord met een vogelopvangcentrum gevestigd. De richtafstand voor een dierenasiel is 50 meter in gemengd gebied, waarmee sprake is van voldoende afstand.
Voor overige toegestane maatschappelijke voorzieningen mag worden aangenomen dat een afstand van 10 meter in gemengd gebied toereikend is (zoals scholen, kerken, verpleeghuizen, kinderopvang of kinderboerderij), waar eveneens aan wordt voldaan. Ten westen van het projectgebied grenst horecagelegenheid NEEL/LE:EN/The Drain. NEEL betreft aan de horeca gelieerde ruimten, zoals vergader- en conferentieruimten. LE:En betreft een horecagelegenheid met restaurantfunctie en terras aan de zuidzijde. The Drain betreft een horecagelegenheid welke uit drie gekoppelde zalen bestaat.
5 8 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)
Utrecht
Beoog de nieuwbouw (oranje) t.o.v. LE:EN, NEEL en Pastoefabriek (bron: akoestisch onderzoek Peutz) Geluid LE:EN en NEEL Door Peutz is onderzoek uitgevoerd naar weg-, railverkeer- en industrielawaai. In paragraaf 5.4 wordt ingegaan op de resultaten van het onderzoek naar weg- en railverkeer. Hieronder worden de resultaten ten aanzien van industrielawaai weergegeven. Uit de resultaten van het onderzoek naar industrielawaai volgt dat de geluidbelasting ten gevolge van NEEL, LE:EN en the Drain, waarmee in de huidige situatie voldaan wordt bij de bestaande woningen, ten hoogste 53 dB(A)-etmaalwaarde is ter hoogte van het geprojecteerde appartementencomplex. Hiermee wordt de grenswaarde van 50 dB(A)-etmaalwaarde met 3 dB overschreden. Maatregelen om de geluidbelasting ter hoogte van geprojecteerde appartementengebouw met 3 dB te reduceren kunnen ofwel toegepast worden ter plaatse van de beoogde ontwikkeling ofwel bij het restaurant. Bij het restaurant kan overwogen worden het binnengeluidniveau met 3 dB te reduceren of toepassing van bouwkundige maatregelen. Verlaging van geluidniveaus in NEEL en the Drain heeft invloed op de (mogelijke) exploitatie. Verlaging van de geluidniveaus van LE:EN zijn niet effectief omdat de bijdrage ten gevolge van NEEL en the Drain bepalend is.
In overleg met NEEL, LE:EN en the Drain wordt afgestemd dat er ofwel adequate bouwkundige aanpassingen aan het restaurant worden gerealiseerd ofwel gebouwgebonden maatregelen getroffen worden bij het geprojecteerd appartementencomplex. Deze maatregelen zullen zodanig worden gedimensioneerd dat na het realiseren van de geluidreducerende maatregelen er voldaan zal worden aan de grenswaarden. Uit het door Peutz uitgevoerde akoestisch onderzoek (rapport O 17187-1-RA-003 d.d. 2 oktober 2025) blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van de nabijgelegen horecagelegenheden LE:EN, NEEL en The Drain in de huidige situatie bij de bestaande woningen voldoet aan de geldende grenswaarden. Ter hoogte van het beoogde appartementengebouw aan de Briljantlaan 11-15 bedraagt de berekende geluidbelasting maximaal 53 dB(A) etmaalwaarde, waarmee de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) met 3 dB wordt overschreden. Ter beperking van deze overschrijding zijn in het onderzoek diverse geluidreducerende maatregelen beschouwd. Een reductie van 3 dB kan worden gerealiseerd door: het verlagen van het binnengeluidniveau binnen NEEL/LE:EN/The Drain; het treffen van bouwkundige maatregelen aan de horecapanden (zoals vervanging van het bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)
59
huidige dak door een akoestisch gelijkwaardig type, bijvoorbeeld Merford AVW40i, en verbetering van de airco-installatie met minimaal 5 dB); of het toepassen van gebouwgebonden maatregelen bij het nieuw te realiseren appartementengebouw, zoals balkons met een verhoogde borstwering voorzien van een absorberend plafond (aw = 0,9).Het akoestisch onderzoek geeft aan dat hierover afstemming zal plaatsvinden met de exploitanten van de horecazaken, zodat wordt bepaald welke maatregelvariant wordt uitgevoerd. De noodzakelijke reductie kan echter ook eenzijdig aan de zijde van het appartementengebouw worden gerealiseerd. Daardoor is medewerking van de exploitanten wenselijk maar niet doorslaggevend voor de uitvoerbaarheid van het plan. Na realisatie van de gekozen maatregelen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde en worden de horecagelegenheden niet onevenredig in hun exploitatie beperkt. Ten aanzien van stemgeluid van het terras van LE:EN is de berekende geluidbelasting maximaal 43 dB(A) ter hoogte van de westgevel van het appartementengebouw. In de Beleidsnota Geluid en Trillingen Utrecht (2024) geldt hiervoor een richtwaarde van 55 dB(A).
Omdat het berekende niveau daar ruim onder blijft en een binnenniveau van maximaal 35 dB(A) wordt gewaarborgd, is sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat maatregelen wordt ter plaatse van de beoogde woningen voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. De aanwezigheid van LE:EN, NEEL en The Drain vormt daarmee geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Geur LE:EN en NEEL Voor de horeca geldt daarnaast nog het volgende. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels voor horeca en geur. Deze houden in dat de geur door een activiteit bij een geurgevoelig gebouw of locatie aanvaardbaar moet zijn. Het gaat daarbij om gebouwen met de volgende functies: wonen, gezondheidszorg, kinderopvang en onderwijs. De gemeente beoordeelt wat aanvaardbaar is. Maatregelen die nodig zijn voor de aanvaardbaarheid worden geborgd via regels in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld door het beperken van de openingstijden van het restaurant of het beperken het type horeca (bijvoorbeeld geen afhaalzaken). Er is sprake van een (richt)afstand van ruim 10 meter tussen de woningen in het plangebied en de horecavestigingen NEEL/LE:EN/The Drain. Op basis van de VNG-handreiking uit 2009 is met deze afstand geen sprake van een activiteit die onevenredige geurhinder veroorzaakt.
Bedrijvigheid in het plangebied De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit realisatie van woningen en minimaal 250 m² bvo commerciële en/ of maatschappelijke voorzieningen in de plint. De beoogde woningen veroorzaken zelf geen relevante geluid-, geur-, stofhinder of gevaar naar de omgeving. Ook de beoogde commerciële voorzieningen in de plint zijn inpasbaar naast/onder woningen, al dan niet bouwkundig afgescheiden van de woningen. Conclusie De bedrijvigheid in en om het plangebied leidt niet tot onevenredige hinder en omgekeerd is de ontwikkeling geen belemmering voor de uitvoering van bedrijfsmatige activiteiten in de omgeving.
5.4
Geluidhinder
Kader In het kader van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (bijvoorbeeld nieuwe woningen toestaan) of het wijzigen van geluidsbronnen (bijvoorbeeld wegen, industrieterreinen) moet de aanvaardbaarheid beoordeeld worden. Hierbij spelen de regels en normen van het Bkl, het omgevingsplan en de Beleidsnota Geluid en Trillingen een cruciale rol. Deze regels zijn er om bij ruimtelijke ontwikkelingen een objectieve afweging te kunnen maken. Hiervoor is veelal gericht geluidsonderzoek nodig. Het (wettelijk) kader wordt voornamelijk gevormd door het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), aangevuld met de Beleidsnota Geluid en Trillingen. In het Bkl is geregeld dat je bij het toedelen van functies aan locaties binnen aandachtsgebieden langs of om geluidsbronnen, zoals (spoor)wegen of industrie geluidsonderzoek moet doen en moet toetsen aan de geldende normen en regels. Dit stelsel is in de Beleidsnota Geluid en Trillingen voor Utrecht nader verfijnd. Hieronder is een samenvatting opgenomen van het (wettelijk kader) voor het toelaten van nieuwe geluidgevoelige functies. Geluidaandachtgebied 6 0 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)
Utrecht
Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). Het bevoegd gezag houdt bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied altijd rekening met het belang van het beschermen van de gezondheid en het milieu. Hiervoor bevat het Bkl een systematiek met waarden en eisen waarbinnen het bevoegd gezag de aanvaardbaarheid van geluid beoordeelt (artikel 5.78s Bkl). De waarden Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een nieuw geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor vier geluidbronsoorten gelden, staan in de onderstaande tabel. Geluidbronsoort Rijkswegen Gemeentewegen Hoofdspoorwegen Industrieterreinen
Standaardwaarden (5.78t Bkl) 50 Lden 53 Lden 55 Lden 50 Lden
Grenswaarde (5.78u Bkl) 60 Lden 70 Lden 65 Lden 55 Lden
De hoofdregel is het voldoen aan de standaardwaarde (artikel 5.78t Bkl). Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats. Bij deze afweging geldt een aantal eisen. Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele specifieke uitzonderingen. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als: Er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78u, lid 1a Bkl); De overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt is door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78u, lid 1 onder b Bkl); Bij voorwaarde 1 en 2 hoeft het bevoegd gezag geen beperkende maatregelen te overwegen die financieel ondoelmatig zijn of waartegen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78u, lid 3 Bkl); Het bevoegd gezag het gecumuleerd geluid1 beoordeelt (artikel 5.78ac Bkl); Het bevoegd gezag het gezamenlijk geluid2 bepaalt (artikel 5.78ad Bkl); Het bevoegd gezag het
belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel in bij het overwegen van geluidbeperkende maatregelen betrekt (5.78ab lid 1 Bkl). De hierboven genoemde waarden worden uitgedrukt in Lden. Dit is een gemiddelde van de geluidsniveaus in een etmaal, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillen in hinder in de te onderscheiden etmaalperioden. Het berekende geluidsniveau van de avondperiode wordt verhoogd met 5 dB; de nachtperiode met 10 dB. De geluidsbelasting wordt bepaald middels een wettelijk voorgeschreven rekenmethode voor een representatief maatgevend toekomstig jaar. Gemeentelijk geluidbeleid In de Beleidsnota Geluid en Trillingen wordt aan de landelijke standaard- en grenswaarde een ambitiewaarde en een Utrechtse-grenswaarde toegevoegd. De Utrechtse ambitiewaarde is de waarde die vanuit het oogpunt van gezondheid bij voorkeur niet wordt overschreden bij nieuwe ontwikkelingen. Bij het toedelen van functies aan locaties streven we ernaar om deze waarde niet te overschrijden. De Utrechtse grenswaarde is een lokale aanscherping van de (landelijke) grenswaarde in het Bkl met het oog op de gezondheid. Daarnaast geeft deze aanscherping de nodige beweegruimte (tot aan de landelijke grenswaarde) voor het toevoegen of aanpassen van infrastructuur of opvangen van autonome groei.
Ambitiewaarde Vanuit gezondheidsoogpunt willen we geen nieuwe geluidsgevoelige functies toestaan boven de 63 dB per geluidbronsoort. We passen de ambitiewaarde van 63 dB toe (heeft alleen effect wanneer de grenswaarde voor de geluidbronsoort hoger is dan 63 dB) bij het toedelen van nieuwe functies aan locaties; bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)
61
Overschrijding van de ambitiewaarde staan we alleen toe bij zwaarwegende belangen of wanneer het plan leidt tot een verbetering van de akoestische situatie ter plaatse (bijvoorbeeld doordat een bouwplan fungeert als een relevante afscherming voor een groot aantal andere woningen). Grenswaarden Er geldt een Utrechtse-grenswaarde, in plaats van de landelijke grenswaarde van 70 dB, voor het gemeentelijk wegverkeer bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige functies, te weten: 63 dB in de uitleggebieden zoals Leidsche Rijn en Vleuterweide en 68 dB voor de rest van de stad; Voor de overige geluidbronnen (rail, industrie, rijks- en provinciale wegen) gelden de (landelijke) grenswaarden. Voorwaarden en eisen geluidluwe gevel De gemeente Utrecht zet zich in voor een leefbare woonsituatie, juist op locaties met een hogere geluidsbelasting. Dit doen we door voorwaarden te verbinden aan het realiseren van woningen zoals het hebben van een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. De initiatiefnemer moet zich inspannen om hieraan te voldoen en een leefbare woonomgeving te creëren, als compensatie voor het bouwen in een lawaaiige situatie. Dit is planologisch verankerd in de regels in het omgevingsplan. De volgende regels en voorwaarden met betrekking tot een geluidluwe gevel gelden in Utrecht: Elke nieuwe woning moet een geluidluwe zijde c.q.
gevel krijgen; Een gevel is luw als deze voor alle bronsoorten voldoet aan de standaardwaarde; Minimaal 30% van de verblijfsruimten of het verblijfsoppervlak is aan de luwe zijde gelegen; Bij toepassing van dove gevels of gevels met bouwkundige maatregelen boven de reguliere grenswaarde dient 50% van de verblijfsruimten of het verblijfsoppervlak aan de luwe zijde te liggen; In aansluiting op de Ruimtelijke Strategie Utrecht stellen we dat aan de luwe zijde bij voorkeur de slaapkamers zijn gelegen; Bij onzelfstandige studentenwoningen en kleine woningen (<30 m2) (die conform het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bkl) geen buitenruimte hoeven te hebben) kan het soms lastig zijn om een luwe gevel te realiseren. Toch streven we hier wel naar. Als er echter zwaarwegende bezwaren bestaan vanuit stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard én er sprake is van een evenwichtige toedeling van deze woningen over het plangebied, kan hiervan worden afgeweken. Wel geldt altijd dat op gebouwniveau tenminste 50% van de wooneenheden is gesitueerd aan een gevel waar het geluid maximaal 5 dB boven de standaardwaarde is; Een suskast-achtige constructie voor een raam die alleen geluidarm ventileren mogelijk maakt, wordt door ons niet gezien als geluidluwe gevel.
Een buitenruimte kan, eventueel inclusief lokale afscherming, een instrument zijn om een luwe gevel te bewerkstelligen. Ten aanzien van een buitenruimte gelden de volgende eisen: Als de woning beschikt over een individuele buitenruimte dan ligt deze bij voorkeur aan de luwe zijde; het geluid is niet meer dan 5 dB boven de standaardwaarde. Als er meerdere buitenruimten zijn dan geldt deze eis voor één van de buitenruimten; Op hoog belaste locaties mag ook een volledig afsluitbare buitenruimte (balkon of loggia) worden toegepast om een luwe gevel te creëren. In geopende toestand dient hier nog wel een minimumkwaliteit van maximaal 5 dB boven de standaardwaarden te worden aangehouden, wat aansluit bij de eis voor buitenruimten; Woningen die kleiner zijn dan 50 m2 hoeven vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geen individuele buitenruimte te hebben maar kennen wel eisen met betrekking tot het hebben van een gemeenschappelijke buitenruimte. De eis voor het geluid in die buitenruimte bedraagt maximaal 5 dB boven de standaardwaarden. Andere typen geluid De beoordeling van andere typen geluid dan het geluid van rijkswegen, gemeentewegen, hoofdspoorwegen of industrieterreinen dient in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties plaats te vinden.
In een aantal gevallen is hierover in de Beleidsnota Geluid en Trillingen reeds een beoordelingswijze of een kader opgenomen. Plangebied Door Peutz is onderzoek uitgevoerd naar weg-, railverkeer- en industrielawaai (zie bijlage XX). In voorgaande paragraaf is reeds ingegaan op de resultaten ten aanzien van industrielawaai. In deze paragraaf wordt ingegaan op de resultaten ten aanzien van weg- en railverkeerslawaai. De berekeningen ten behoeve van het geluid ten gevolge van wegverkeer zijn gebaseerd op 6 2 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)
Utrecht
verkeersgegevens die aangeleverd zijn door de gemeente Utrecht. De geluidbelasting ten gevolge van railverkeer is berekend met behulp van het geluidregister. Middels een akoestisch rekenmodel is de geluidbelasting ten gevolge van weg- en railverkeer op de verschillende bouwlagen berekend. Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer (inclusief rijsnelheidverlaging van de Briljantlaan naar 30 km/uur) ten hoogste 53 dB is. Hiermee wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB voor wegverkeerslawaai. De geluidbelasting ten gevolge van railverkeer is ten hoogste 59 dB. Hiermee treedt een 4 dB overschrijding op van de standaardwaarde van 55 dB. Uit een maatregel beschouwing blijkt dat brongerichte en overdrachtbeperkende geluidreducerende maatregelen in deze situatie niet effectief zijn of onzeker zijn. Derhalve worden in voorliggende situatie geluidreducerende maatregelen bij in het ontwerp van het appartementencomplex opgenomen zodat een geluidluwe gevel wordt gerealiseerd. In het ontwerp zal een balkon met een verhoogde borstwering worden opgenomen. Conform de NPR5272 “Geluidwering in gebouwen – Aanwijzingen voor de toepassing van het rekenvoorschrift voor de geluidwering van gevels op basis van NEN-EN 12354-3” is een 4 dB reductie met een verhoogde borstwering vanuit technisch oogpunt haalbaar.
Tot slot geldt dat de gecumuleerde geluidbelasting (vanwege wegverkeer en maximale invulling van de bedrijfsactiviteiten inclusief maatregelen bij NEEL/LE:EN/The Drain) ten hoogste 54 dB bedraagt, uitgaande van een rijsnelheid van 30 km/uur op de Briljantlaan. Het gezamenlijk geluid bedraagt ten hoogste 59 dB. Er dient ten hoogste een karakteristieke gevelwering van 26 dB te worden bewerkstelligd om een binnengeluidniveau van ten hoogste 33 dB te realiseren. Bij gevels zonder ventilatievoorzieningen in de gevel (hetgeen vanuit BENG-eisen het geval is) is een karakteristieke gevelwering van 26 dB haalbaar. Conclusie Voor het aspect geluid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de regels van dit TAM-omgevingsplan dienen de treffen maatregelen ten aanzien van railverkeerslawaai te worden geborgd.
5.5
Trillingen
Kader In paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat is het onderdeel trillingen geregeld. Er worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van de Bruidsschat en artikel 5.87 Bkl. Plangebied De regels uit het omgevingsplan van de Gemeente Utrecht over trillingen zijn niet van toepassing voor wonen (paragraaf 22.3.5). Voor woningen langs het spoor (vooral met goederenvervoer) gelden hierdoor geen instructieregels. De beoordeling moet plaatsvinden binnen de taak van 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' volgens artikel 4.2 van de Omgevingswet. Met de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen kunnen plannen worden gemaakt voor het beschermen van de leefomgeving. Uit deze handreiking volgt dat de gebruikelijk gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst een zone tot 100 meter van het spoor is. Uit verschillende trillingsonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden die boven de streefwaarde voor Vmax van 0,1 komen.
Een zone van 100 meter voldoet daarom in veel situaties. Er zijn echter ook enkele locaties in Nederland waar op een afstand groter dan 100 meter van het spoor toch sprake is van klachten van hinder door spoortrillingen. De oorzaak hiervan is dan een combinatie van verschillende factoren: er is sprake van een specifieke grondopbouw in combinatie met zwaar treinverkeer en trillingsgevoelige gebouwen. In dergelijke situaties kan hinder optreden tot grotere afstanden tot het spoor dan 100 meter tot aan 200-250 meter. De kans van optreden van trillingshinder door spoor op afstanden groter dan 250 meter wordt verwaarloosbaar klein geacht. Het plangebied is op circa 280 meter van het spoor gelegen. Conform de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen wordt dan ook geen trillingshinder verwacht. Daarmee is voor het aspect trillingen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie Voor het aspect trillingen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de regels van dit TAM-omgevingsplan hoeven geen regels opgenomen te worden met betrekking tot dit aspect.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)
63
5.6
Geur
Kader Bepaalde bedrijven kunnen geurhinder veroorzaken. Uit artikel 5.92 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) volgt dat in het omgevingsplan rekening gehouden moet worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Voor een aantal activiteiten is de gemeente verplicht om geurregels op te nemen, namelijk voor rioolwaterzuiveringsinstallaties, het houden van landbouwdieren en andere agrarische activiteiten. Bij rekening houden met geur geldt dat: gelet wordt op het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. Geurgevoelige gebouwen zijn alle gebouwen met woongebruik. Maar ook gevangenissen, hotels, asielzoekerscentra en recreatiewoningen kunnen door de gemeente aangewezen worden als geurgevoelig. Onder een geurgevoelig gebouw vallen ook ruimten met een nevengebruiksfunctie van de woonfunctie. De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Het bevoegd gezag bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Plangebied Uit paragraaf 5.3 Bedrijven en milieuzonering is al ingegaan op het aspect geur voor de omliggende bedrijvigheid.
Hierbij is geconcludeerd dat voldaan wordt aan de aan te houden richtafstand van 10 meter. Hieruit volgt dat de voorgenomen ontwikkeling op voldoende afstand van omliggende bedrijvigheid is gelegen, waarbij het aspect geur een rol speelt (te weten de horecagelegenheden LE:EN en NEEL). Daarnaast betreffen de voorgenomen commerciële functies in het plangebied geen functies die geurhinder veroorzaken (al dan niet bouwkundig afgescheiden van woningen). Conclusie Binnen het plangebied is geen sprake van industriële of agrarische geurhinder.
5.7
Omgevingsveiligheid
Kader Het werken met, de opslag van en het transport van gevaarlijke stoffen leidt tot veiligheidsrisico's voor omwonenden, bedrijven en passanten. De norm- en richtwaarden voor het risico van het transport van gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hierin staan twee soorten risico's beschreven waarop norm- en richtwaarden van toepassing zijn. Dit betreft: Het plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans dat een persoon die onbeschermd en continu aanwezig is buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht, overlijdt vanwege een ongewoon voorval, dat veroorzaakt wordt door die activiteit. Hierbij geldt voor (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties een grenswaarde van 1 op de 1.000.000 per jaar. Het groepsrisico (GR). Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Voor het plaatsgebonden risico geldt dat (beperkt) kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties niet binnen een bepaalde afstand mogen komen te liggen van aangewezen activiteiten met externe veiligheidsrisico's. Deze activiteiten en de daarbij behorende geldende afstanden zijn opgenomen in bijlage VII van het Bkl. Het groepsrisico is relevant als er binnen een aandachtsgebied een ontwikkeling plaatsvindt.
Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen die binnenshuis verblijven zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er zijn aandachtsgebieden voor de scenario's voor brand, explosie en voor een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen. Voor het groepsrisico geldt geen norm, maar een verantwoordingsplicht. Wanneer in een omgevingsplan een locatie is aangewezen als een (beperkt) kwetsbare, zeer kwetsbare gebouw of 6 4 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)
Utrecht
(beperkt) kwetsbare locaties binnen in een brand- of explosie aandachtsgebied, moeten we maatregelen overwegen om mensen te schermen tegen de gevaren van een brand, explosie of gifwolk. Maatregelen die genomen kunnen worden, zijn: afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied; aanvullende risicocommunicatie; beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron; vlucht- en schuilmogelijkheden; omgevingsmaatregelen; aanvullende bouwmaatregelen (brand/explosievoorschriftengebied). Bouwkundige maatregelen worden verankerd in het omgevingsplan door het aanwijzen van een brand,- of explosievoorschriftengebied. Binnen dit voorschriftengebied gelden voor nieuwbouw de extra bouweisen die in het Bbl staan. Het aanwijzen van een voorschriftengebied is verplicht als er op de locatie zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels uit het Bkl van toepassing. Dit geldt ook voor het thema omgevingsveiligheid. Naast deze beoordelingsregels heeft de gemeente Utrecht ook de Beleidsnota Omgevingsveiligheid Utrecht vastgesteld. Daarin is bijvoorbeeld beleid opgenomen voor het vestigen of uitbreiden van een risicovol bedrijf. In dit omgevingsveiligheidsbeleid wordt expliciet aangegeven dat rekening gehouden moet worden met het beperken van de effecten van een risicovol bedrijf op haar omgeving.
De gemeente stuurt hierop door maatregelen te adviseren die leiden tot een beperking van het groepsrisico binnen een aandachtsgebied. Plangebied Door Peutz is beoordeeld of, op het gebied van externe veiligheid, met de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een aanvaardbare situatie c.q. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het onderzoek van Peutz is opgenomen in de bijlagen van deze motivering. De resultaten worden hieronder weergegeven. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van kwetsbare bebouwing. In dat kader zijn de mogelijke risicobronnen in de omgeving geïnventariseerd. Hieruit volgt dat geen sprake is van de ligging binnen de brand- en explosieaandachtsgebieden van omliggende risicobronnen, en dat geen sprake is van risicobronnen die om een nadere beschouwing vragen. Wel dient bij de verdere uitwerking van de beoogde ontwikkeling rekening gehouden te worden met de ligging binnen een gifwolkaandachtsgebied. Op circa 270 meter afstand tot het plangebied bevindt zich namelijk een spoortraject waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Dit spoor behoort tot het Basisnet. Het plangebied is niet binnen het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar gelegen. Opgemerkt wordt dat de aandachtsgebieden thans nog niet zijn vastgelegd in het omgevingsplan van de gemeente.
Conform het Bkl bedraagt het brand- en explosieaandachtsgebied voor spoorwegen (die deel uitmaken van het Basisnet) respectievelijk 30 en 200 meter. De beoogde ontwikkeling is op een afstand groter dan 200 meter gesitueerd. De beoogde ontwikkeling bevindt zich hiermee niet binnen het brand- of explosieaandachtsgebied van het spoor. Mogelijk is het plangebied wel binnen het gifwolkaandachtsgebied van het spoor gesitueerd, zie ook figuur 3. Bij de beoogde ontwikkeling dient daarom rekening gehouden te worden met de mogelijke ligging in een gifwolkaandachtsgebied. Een gifwolk is een 'wolk' met een zodanige concentratie van giftige stoffen dat mensen vergiftigd worden. Bij een (dreigende) gifwolk is de meest effectieve vluchtweg loodrecht op de wind. Voor aanwezigen kan het echter lastig zijn om in het veld de windrichting vast te stellen. Door binnen te schuilen kan de blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij het vrijkomen van een gifwolk sterk worden gereduceerd. Schuilen is derhalve over het algemeen het meest uitvoerbaar handelingsperspectief. Er zijn drie soorten handelingen bij schuilen te onderscheiden: Ramen en deuren sluiten. Dit is de meest effectieve maatregel. Hierdoor kunnen schadelijke stoffen minder snel naar binnen dringen. De maatregel is makkelijk uitvoerbaar en communiceerbaar; Schuilen in een afgesloten inpandige of aan de lijzijde gelegen kamer.
Schuilen in een inpandige kamer of een kamer aan de lijzijde levert aanvullende bescherming op. Dit handelingsperspectief is echter lastiger te communiceren en uit te voeren. Dit pleit ervoor om dit handelingsperspectief alleen in zeer bijzondere gevallen te communiceren, bijvoorbeeld wanneer grote gezondheidsschade kan ontstaan; De natuurlijke en mechanische ventilatie in het gebouw zoveel mogelijk beperken. Door het uitschakelen van de mechanische ventilatie en het afsluiten/afdichten van de afvoerkanalen kan verdere bescherming worden geboden. bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)
65
Resumerend gesteld is de luchtdichtheid van het gebouw, de mogelijkheid tot het uitschakelen van de ventilatie en het sluiten van deuren en ramen van groot belang. Wat betreft de toxische wolk zijn daarbij aldus relatief eenvoudige maatregelen mogelijk, zoals centraal en eenvoudig uitschakelbare en afsluitbare ventilatie-voorzieningen en luchtbehandelingsinstallaties. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een decentraal ventilatiesysteem met mechanische afzuiging en een VENTT-ventilatiesysteem per verblijfsruimte voor de luchttoevoer. Dit maakt een scheiding van drager en inbouw (losmaakbaar bouwen) mogelijk en voorkomt ingestorte luchtkanalen. In het Besluit bouwwerken leefomgeving is geborgd dat de mechanische ventilatie daadwerkelijk wordt gerealiseerd conform de daarvoor gestelde eisen.
Uitsne de kaart omgevingsveiligheid Atlas Leefomgeving met mogelijk gifwolkaandachtsgebied (bron: Peutz) Tot slot wordt opgemerkt dat de beoogde ontwikkeling zelf niet gepaard gaat met relevante wijzigingen ten aanzien van de risico's in de omgeving. Er is geen sprake van het ontplooien van nieuwe risicovolle activiteiten binnen het plangebied. Conclusie In het kader van omgevingsveiligheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.8
Ontplofbare Oorlogsresten
Kader In het plangebied worden bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. De Arbeidsomstandighedenwet stelt dat er gezorgd moet worden voor een veilige werkplek. De gemeente heeft sinds maart 2025 een gemeentebrede kaart vastgesteld voor Ontplofbare Oorlogsresten. Deze is gebaseerd op uitgebreid bureauonderzoek (en alle eerdere onderzoeksgegevens). Plangebied Op de bommenkaart staan de plekken met een hogere kans op niet-ontplofte explosieven. Dit zijn de 'verdachte' plekken, ongeveer 2% van Utrecht. Op één plek kunnen één of meerdere explosieven liggen. Op de kaart staan verschillende soorten ontplofbare oorlogsresten (OO) die niet ontploft zijn. Dit zijn onder andere: handgranaten (inclusief geweergranaten); munitie voor zware wapens; 6 6 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)
Utrecht
vliegtuigbommen (ook wel blindgangers genoemd); landmijnen; raketten; kleine munitie. Het is ook mogelijk dat er explosieven liggen op plekken die niet op de kaart staan. Dit zijn 'onverdachte' plekken. De kans hierop is wel veel kleiner. Wanneer een ontwikkeling plaatsvindt binnen een verdacht gebied, dan wordt het uitvoeren van aanvullend onderzoek geadviseerd.
Uitsnede Bodembelastingskaart Ontplofbare Oorlogsresten Utrecht (bommenkaart), plangebied ter plaatse van zwarte cirkel Op basis van de bommenkaart is het plangebied niet gelegen binnen een verdacht gebied. Een aanvullend onderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Op basis van de ligging van het plangebied op de bommenkaart, kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie Het aspect vormt geen belemmering ten aanzien van het planvoornemen.
5.9
Luchtkwaliteit
Kader Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging door gasvormige stoffen en verontreiniging van de lucht met fijnstof, door vooral verkeer, maar - naar mate het verkeer schoner wordt - ook door andere bronnen zoals houtstook. De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Een groot deel van de luchtkwaliteit komt van buiten Utrecht. Wegverkeer, mobiele (bouw)werktuigen en houtstook zijn de belangrijkste lokale bronnen van luchtverontreiniging. Omdat de gemeente Utrecht een aandachtsgebied is voor zowel stikstofdioxide (NO2) als fijnstof (PM10), moet de luchtkwaliteit getoetst en gemonitord worden. Als een plan in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties NO2 en/of PM10, moet de luchtkwaliteit worden beoordeeld. Dit volgt uit paragraaf 5.1.4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het beoordelen van de luchtkwaliteit betekent dat het bevoegd gezag motiveert dat: er geen overschrijding dreigt van de omgevingswaarden voor NO2, PM10 of andere stoffen, of de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 van het Bkl.
Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren: 1.
2.
Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Dit betreffen onder andere projecten voor kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Middels een kwalitatieve beschrijving of berekening (NIBM-tool) kan aannemelijk worden
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)
67
gemaakt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt. In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in artikel 5.54 Bkl kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit moet kwalitatief of kwantitatief aangetoond worden. Sinds 2017 wordt overal in Utrecht voldaan aan de Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit. Eind 2024 zijn nieuwe, aangescherpte Europese grenswaarden vastgesteld. Deze zullen uiterlijk eind 2026 opgenomen worden in landelijke wetgeving. Vanaf 2030 moet voldaan worden aan deze nieuwe grenswaarden. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft in 2021 advieswaarden opgesteld voor gezonde lucht. Deze WHO-advieswaarden zijn bedoeld om de gezondheid te beschermen. Deze zijn strenger dan de grenswaarden van de EU. Stof
OmgevingsGrenswaarde EU WHO-advies Toetsingsperiode waarde Bkl 2030 waarde-2021 NO2 (stikstofdioxide) 40 µg/m3 40 µg/m3 10 µg/m3 Jaargemiddelde 3 3 PM10 (fijnstof) 40 µg/m 20 µg/m 15 µg/m3 Jaargemiddelde PM2,5 (fijnstof) 25 µg/m3 10 µg/m3 5 µg/m3 Jaargemiddelde Omgevingswaarden en WHO-advieswaarden en grenswaarden EU voor NO2, PM10 en PM2,5 In januari 2025 is de nieuwe beleidsnota ‘Gezonde lucht voor iedereen’ vastgesteld door de raad, waarin is vastgelegd om toe te werken naar de WHO-advieswaarden-2021. Ook neemt de gemeente Utrecht deel aan het Schone Lucht Akkoord, waarin rijksoverheid, provincies en gemeenten samenwerken aan maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Plangebied De gemeente Utrecht is gelegen in het aandachtsgebied voor zowel NO2 als PM10. De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. De gemeenten en provincies binnen deze aandachtsgebieden verzamelen gegevens van hun wegen voor de monitoring. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 160 woningen en commerciële functies in de plint (minimaal 250 m2 bruto vloeroppervlak), op een locatie met één ontsluitingsweg. Op basis van artikel 5.54 Bkl kan derhalve geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteitsberekeningen kunnen daarom achterwege blijven. In het kader van een gezonde fysieke leefomgeving wordt in kaart gebracht wat de totale concentraties van fijnstof en stikstof ten opzichte van bijbehorende grenswaarden zijn. Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) zijn de totale concentraties ter plaatse van een rekenpunt nabij het plangebied inzichtelijk gemaakt in de hierna volgende tabel. NO 2 (µg/m³) 19,8
Monitoringsronde 2024 Monitoringsjaar 2025 Monitoringsronde 16,3 2024 Monitoringsjaar 2030 Grenswaarde 40
PM10 (µg/m³) 16,8
PM2,5 (µg/m³) 9,2
15,8
8,3
40
25
Receptor wegverkeer 30280353_614855 Receptor wegverkeer 30280353_614855
Uit de tabel blijkt dat de concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 ruimschoots onder de grenswaarden liggen. Tevens wordt voldaan aan de WHO-advieswaarden 2005. Naar verwachting voldoet de luchtkwaliteit in 2030 nog niet aan de WHO advieswaarden uit 2021. Dit beeld komt overeen met de rest van Utrecht.
Conclusie De conclusie is dat ter plaatse van het plangebied qua luchtkwaliteit sprake is van een gezonde fysieke leefomgeving. 6 8 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)
Utrecht
5.10 Bodem Kader Met de Aanvullingswet bodem Omgevingswet en het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet zijn de regels over bodem onderdeel gemaakt van de Omgevingswet. Het kader voor de regels in het Aanvullingsbesluit bestaat uit: het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; het evenwichtig toedelen van functies aan locaties; het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. In het Aanvullingsbesluit zijn algemene regels toegevoegd aan het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) voor een aantal milieubelastende activiteiten. Het gaat om activiteiten zoals graven in bodem, saneren van de bodem, opslaan van grond- en baggerspecie, toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie en het aanbrengen van meststoffen. Ook staan hierin de regels voor voorafgaand bodemonderzoek. In de Aanvullingswet Bodem moet voor historische verontreinigingen die onder de Wet bodembescherming vielen rekening gehouden worden met het overgangsrecht, en alsmede met verontreinigingen die zijn ontstaan voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hiervoor worden in artikelen 3.1 en 3.2 van de Aanvullingswet Bodem regels gesteld. In paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat dat er rekening gehouden moet worden bij de planvorming met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies.
Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden moet bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek worden vastgesteld. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Naast nieuwbouwactiviteiten kan ook aan andere activiteiten gedacht worden waarvoor de bodem geschikt moet zijn, zoals graven, saneren, grondwateronttrekkingen, het toepassen van verontreinigde grond en/of het uitvoeren van milieubelastende activiteiten. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt verschillende instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie.
De gemeente moet: op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn; op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde; op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Bij het plan wordt getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functie(s). Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten uit de voormalige Wet bodembescherming (nu: Omgevingswet met daarbij de bijhorende regelgeving met betrekking tot het thema bodem): Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en als er toch bodemverontreiniging ontstaat, moet de bodem direct worden gesaneerd. Een geval van bodemverontreiniging waarbij de verontreiniging geheel of grotendeels na 1987 is ontstaan, is een 'nieuw' geval. Deze zorgplicht houdt in dat nieuwe gevallen van bodemverontreiniging zoveel mogelijk ongedaan moeten worden gemaakt. Voor verontreinigingen die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn veroorzaakt geldt overgangsrecht, waarmee artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing blijft.