CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Stedenbouwkundig Programma van Eisen Tussen de Rails

Gemeenteraad 26 september 2024, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Stedenbouwkundig Programma van Eisen Tussen de Rails19.578 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De boerderij is kenmerkend voor de geschiedenis van het gebied en kan mogelijk een rol spelen als historische icoon van de nieuwe gebiedsontwikkeling.

Toetsing Met een toevoeging van circa 4000 m2 bvo voor werkfuncties draagt het ruimtelijk plan voor Tussen de Rails bij aan de ambities beschreven in de RSU. Op basis van de RSU zou het economische werkprogramma 12.000m2 zijn, een kwantitatieve benadering. Daarbij is het wel van belang aan te tekenen dat dit bezien is vanuit permanente ontwikkeling. Voor een tijdelijke ontwikkeling is de investeringsbereidheid vanuit beleggers lager en ook de vraagkant is minder groot dan je bij een permanente ontwikkeling. Tegelijkertijd blijkt uit een gehouden marktconsultatie dat er behoefte is aan werkplaatsen in een tijdelijke setting op deze locatie. Bij de stedenbouwkundige opzet, welke haar kwalitatieve en kwantitatieve grenzen kent, is er prioriteit gegeven aan wonen omdat het de ontwikkeling van het totale programma kansrijker maakt vanwege subsidies van derden voor de realisatie van flexwoningen en huisvesting van aandachtsgroepen. Daarnaast beperken de specifieke locatiekenmerken en de tijdelijkheid de kansen voor werken zoals eerder aangegeven. Door het toevoegen van de in totaal circa 4.000 m2 bvo wordt er toch in belangrijke mate werkprogramma toegevoegd aan het gebied en ontstaat er een aantrekkelijke en levendige buurt, die een tipje van de sluier oplicht van hoe de toekomstige stedelijke knoop LunettenKoningsweg zou kunnen gaan functioneren.

37 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

4.3. Cultuur

Het culturele beleid voor het gebied wordt gevormd door diverse beleidsdocumenten, waaronder de RSU2040, Cultuurnota 2021-2024, De Utrechtse Nachtvisie 2030 & Beleidsnota Nachtcultuur, en de Kadernota Huisvesting Culturele en Creatieve Sector. Belangrijke elementen uit deze kaders zijn de ambitie voor groei in de culturele sector, de behoefte aan extra werkplekken, en de wens voor levendige ontmoetingsplekken in de stad. In de RSU2040 staat beschreven dat elk Stedelijk Knooppunt een centrale rol heeft op het gebied van culturele of maatschappelijke voorzieningen. Het benoemt de behoefte aan 80.000 m² extra werkplekken voor de culturele sector, verspreid over de stad. Ook wordt het gebied Oost genoemd als zoekgebied voor een stedelijke culturele publieksvoorziening en culturele broedplaatsen. De Cultuurnota 2021-2024 geeft aan dat meer fysieke ontwikkelruimte voor cultuur en creatieve bedrijvigheid essentieel is om een aantrekkelijke, creatieve en inclusieve stad te behouden. De Kadernota huisvesting culturele en creatieve sector beschrijft de ambitie om tussen 2030-2040 een extra stedelijke voorziening toe te voegen bij het knooppunt Lunetten-Koningsweg, vanwege de groei aan de zuid/oostzijde van de stad. Met de Utrechtse Nachtvisie 2030 en Beleidsnota Nachtcultuur wordt de nachtcultuur, het uitgaansleven en de culturele sector in Utrecht gestimuleerd.

Er is een focus op spreiding van nachtcultuur over de stad en kansen voor gebiedsontwikkeling van tijdelijke locaties voor nachtcultuur. In de Kadernota Huisvesting Culturele en Creatieve Sector wordt specifiek aandacht besteed aan de beoogde ontwikkeling tussen 2030 en 2040 in het gebied rond het knooppunt Lunetten-Koningsweg. Deze nota benadrukt de groei van de stad aan de zuid/oostzijde en stelt als

ambitie om een extra stedelijke voorziening te integreren in dit gebied. De Kadernota identificeert de noodzaak om de culturele en creatieve sector te ondersteunen in lijn met de bredere stedelijke groeiplannen. De geplande stedelijke voorziening zal dienen als een hub voor culturele en creatieve activiteiten, en het onderzoek naar de meest geschikte invulling zal plaatsvinden in samenwerking met lokale partners, zoals het broedplaatsennetwerk. In de Omgevingsvisie Lunetten wordt de behoefte aan levendige ontmoetingsplekken en plekken voor culturele activiteiten benoemd. De rol van de Stedelijke Knoop Lunetten-Koningsweg moet nog duidelijk worden, en er wordt onderzocht welke invulling het meest passend is voor de inwoners en bezoekers van de wijk, in samenwerking met lokale partners zoals het broedplaatsennetwerk. Toetsing Het initiatief in Tussen de Rails sluit aan bij de ambities van de stad, zoals beschreven in de beleidsdocumenten. Het ruimtelijk plan voor Tussen de Rails bouwt voort op de culturele ambities van de Omgevingsvisie Lunetten, met een culturele voorziening als significante bijdrage aan de groei in werkplekken voor de culturele sector. Het omvat inclusieve culturele programmering, ruimtelijke integratie met Oost als cultureel zoekgebied, betrokkenheid van culturele partners, creatieve placemaking, en een benadering van adaptieve architectuur.

De tijdelijke invulling van het gebied omvat niet alleen woningen maar ook culturele instellingen en werkgebouwen, waardoorr meer ruimte kan ontstaan voor een culturele broedplaats, een (muziek)zaal, restaurant en horeca. Deze programmering sluit aan bij de ambities van de beoogde doelgroep die zich mogelijk in tijdelijkheid in het gebied gaat vestigen en draagt bij aan de levendigheid en aantrekkelijkheid van de wijk.

38 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

Bij verdere ontwikkeling houdt men rekening met specifieke voorwaarden, gebaseerd op beleidskaders zoals RSU2040, Cultuurnota 2021-2024, de Utrechtse Nachtvisie 2030 & Beleidsnota Nachtcultuur, en Kadernota Huisvesting Culturele en Creatieve Sector. Deze voorwaarden fungeren als leidraad voor een gebied dat niet alleen aan culturele ambities voldoet, maar ook bijdraagt aan bredere maatschappelijke en duurzaamheidsdoelen. Specifieke aandachtspunten omvatten slim ruimtegebruik, duurzaamheid, betaalbaarheid, betrokkenheid van gemeente en gemeenschap, fasering en samenhang, bereikbaarheid en toegankelijkheid, behoud van bestaand vastgoed, en meervoudig ruimtegebruik.

•

4.4. Verkeer en parkeren

•

Het gebied is beperkt bereikbaar met de auto en tegelijkertijd goed ontsloten met fiets en openbaar vervoer (bus en trein). De ervaring leert dat een groot deel van de beoogde doelgroepen geen of beperkt een auto bezit. Omdat we wensen aan te sluiten bij de beperkingen van de locatie, gericht in te spelen op het beperkte autobezit van de beoogde doelgroep en rekening te houden met het tijdelijke karakter van deze ontwikkeling gelden de volgende voorwaarden:

• •

• • • • • •

Het aanwijzen van het gebied Tussen de Rails als maatwerkgebied en daarmee uit te gaan van betaald parkeren in Lunetten tijdens of kort na de oplevering van de eerste woningen. Het aanpassen van de beleidsregel parkeernormen auto met het oog op een lagere norm voor tijdelijke woningbouw en woningbouw voor bijzondere doelgroepen. Voldoende restcapaciteit in de wijk Lunetten om binnen Lunetten het bezoekers parkeren vanuit Tussen de Rails binnen bestaande beleidsregels (max. 500m loopafstand, max. 90% parkeerbezetting) op te lossen. Uit parkeerdrukmetingen gedaan in 2023 blijkt dit uit te komen op 84%. Het invoeren van betaald parkeren zal de parkeerdruk verder verlagen. Uitwerken van een plan voor stimuleren van actieve mobiliteit en aanbieden van vormen van deelmobiliteit. Dit zal plaatsvinden in de vervolgfase van de planuitwerking. De keuze voor fiets, OV, of fiets/voet wordt zoveel mogelijk gestimuleerd. Autoverkeer gaat zo min mogelijk over de fietsroute langs de Wulverbroekerwetering. Er komt minimaal één extra oversteek over de Oud Wulverbroekerwetering ten behoeve van voetgangers, fietsers en nood- en hulpdiensten. De fietsen voor bewoners worden inpandig gestald, dicht bij de entree van de woningen. De fietsen worden zo dicht mogelijk bij de entree van de blokken gesitueerd, om het gebruik van de fiets te stimuleren.

De fietsvoorziening voorziet naast ruimte voor reguliere fietsen ook ruimte voor bijzondere types (bakfietsen etc.).

39 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

4.5. Groen, water en natuur

Het gebied Tussen de Rails is een bijzonder groengebied. Het maakt deel uit van de stedelijke groenstructuur en voorziet in natuurbeleving en mogelijkheden voor extensieve recreatie. Het gebied is gelegen in het stroomgebied van de Rijn en herbergt daarmee divers cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden. Deze waarden zijn belangrijk voor de identiteit van het gebied, de huidige en toekomstige beleefbaarheid en dragen bij aan gezond stedelijk leven. Algemeen uitgangspunt is dat bij de ontwikkeling van het gebied rekening wordt gehouden met deze waarden en dat deze zoveel mogelijk worden ingepast en behouden. Voor zover dat niet mogelijk is vindt compensatie plaats buiten het plangebied. 4.5.1. Algemeen • De openbare ruimte heeft voldoende verblijfskwaliteit om het ontbreken van privé buitenruimte te compenseren. • Leidraad voor de inrichting is het “Handboek Inrichting Openbare Ruimte”. • Straatmeubilair is conform de Atlas Straatmeubilair. • Afvalinzameling geschiedt met ondergrondse afvalcontainers. • Groei- en standplaatsinrichting van bomen conform Handboek Openbare ruimte en de bomenmonitor. • In de openbare ruimte is een informatiepaneel gewenst met uitleg over de ontstaansgeschiedenis van het gebied en de natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

Dit heeft tot doel identiteit aan het gebied te geven en gedeeld eigenaarschap en verantwoordelijkheid voor de bijzondere waarden te creëren. 4.5.2. Wet natuurbescherming • Beheer, gebruik en inrichting mag niet strijdig zijn met de Wet natuurbescherrming ten aanzien van beschermde soorten. Indien negatieve effecten optreden op beschermde soorten of als gevolg van het plan in de toekomst te verwachten zijn, dient ontheffing te

•

worden aangevraagd. Negatieve effecten worden gecompenseerd of gemitigeerd, zoveel mogelijk binnen het plangebied of in de directe omgeving daarvan. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is van toepassing. Dit betekent dat voorafgaand aan de start van werkzaamheden aanwezige dieren (waaronder konijn, egel e.d.) worden verplaatst. Indien de werkzaamheden leiden tot aantasting of verlies van konijnenburchten, worden deze elders in de omgeving gecompenseerd. Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt door een ecologisch adviesbureau een werkprotocol opgesteld en wordt aangeven waar welke maatregelen worden getroffen ter bescherming van biodiversiteit.

4.5.3. Beleid Stedelijke groenstructuur • Het plangebied maakt onderdeel uit van de stedelijke groenstructuur. Bestaande elementen van de stedelijke groenstructuur worden beschermd. Vermengen van het stedelijk groen met andere stedelijke functies is in principe mogelijk. Voorwaarde hiervoor is dat het groene karakter, de kwaliteiten en het gebruik van het groen worden behouden of verbeterd. Een eventuele aantasting van bestaand stedelijk groen wordt elders in de groenstructuur gecompenseerd: i. Binnen het plangebied worden bestaande waarden behouden en verbeterd. De Oud Wulverbroekerwetering wordt een belangrijke landschappelijke drager die ruimtelijk en voor langzaam verkeer de verbinding legt met Maarschalkerweerd en Lunetten. De watergang krijgt een natuurlijker karakter middels het aanbrengen van natuurvriendelijke oevers, inhammen en plasdraszones, waarmee rechte lijnen en strakgetrokken oevers worden voorkomen. De wetering wordt verbeterd als leefgebied voor de grote modderkruiper. Verbreding van de wetering draagt bij aan waterberging en biodiversiteit in het gebied. En door ook het oorspronkelijke kronkelende karakter te behouden koesteren én

40 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

•

benutten we hiermee bovendien de cultuurhistorisch waarde van deze waterloop. Daarnaast worden verbindingen voor dieren naar de groene punt behouden door langs de sporen een 10 meter groene verbinding in te richten. Deze verbinding is tenminste 10 meter breed (exclusief huidige sloot), wordt niet verlicht en bestaat uit een kruidenrijke grazige vegetatie met her en der inheemse bomen en struiken en een uitgemaaid (onverhard) wandelpad. Doelsoorten voor de verbinding zijn ringslang en egel. ii. Aantasting van groen en verlies van biodiversiteit wordt daarnaast gecompenseerd in de directe omgeving. De compensatie geeft invulling aan het Ontwikkelperspectief Maarschalkerweerd, is zowel kwantitatief als kwalitatief en voorziet in nieuw leefgebied voor de karakteristieke soorten die negatieve effecten ondervinden, passend bij het natuurlijke karakter van het rivierengebied en bestaat uit een vergelijkbaar natuurtype (grasland, ruigte, struweel, spontane natuur). Dit groen is toegankelijk middels struinpaden en voorziet in natuurbeleving in de stadsrand. iii. De tijdelijke invulling van Tussen de Rails loopt in tijd voor op de definitieve ontwikkeling van de Stedelijke Knoop Lunetten Koningsweg. Met deze ontwikkeling wordt gefaseerd verder invulling gegeven aan de groene onderdelen van de barcode RSU, waaronder de ontwikkeling van het Kromme Rijn Linielandschap.

De westpunt is aangelegd als natuurcompensatieterrein in het kader van de spoorverbreding. Deze punt functioneert als rustgebied voor natuur en wordt (fysiek) voor mensen ontoegankelijk gemaakt, bijvoorbeeld middels een hek. Een groenzone van tenminste 10 meter breed vanaf de eigendomsgrens met ProRail scheidt deze punt als buffer van bebouwing of infrastructuur. In deze groenzone is extensieve recreatie (wandelen) mogelijk, de ontsluiting voor nood- en hulpdiensten ligt niet in deze zone.

4.5.4. Beleid Utrechtse Soorten • Soorten van de Utrechtse Soortenlijst worden beschermd; het plan leidt tot verbetering van het leefgebied en versterking van de populaties van aanwezige Utrechtse Soorten binnen het plangebied. Voor zover versterking binnen het plangebied niet mogelijk is vindt dit plaats buiten het plangebied in de directe omgeving. 4.5.5. Bomenbeleid • Alle bestaande bomen worden ingepast. Indien dat onverhoopt niet mogelijk is worden bomen verplant binnen het plangebied. Als verplanten niet mogelijk is wordt de boom elders gecompenseerd. 4.5.6. Groen, tenzij • De openbare ruimte is zoveel mogelijk groen, niet verhard waar dit niet nodig is en geschikt voor verblijf en bewegen (het inrichtingsprincipe “groen, tenzij”). • Voor de inrichting van het groen worden in principe inheemse soorten gekozen, waarbij wordt aangesloten op de van oorsprong in het gebied van nature aanwezige soorten. • Het groen versterkt de natuurlijke identiteit en (recreatieve) beleefbaarheid van het gebied. 4.5.7. Natuurinclusief bouwen (RSU) • Nieuwbouw wordt voorzien van maatregelen ter stimulering van planten en dieren. Hierbij kan worden gedacht aan groene daken en gevels, kasten voor wilde bijen en vogelnestkasten.

41 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

4.5.8. Water • De hemel- en afvalwaterstromen worden gescheiden en er wordt aan de lozings- en aansluiteisen voldaan.

•

•

•

Hemelwater

Minimaal 90% van de jaarlijkse neerslag wordt vastgehouden op de plek waar het valt en infiltreert in de bodem. Concreet betekent dit dat minimaal 15 mm berging op “eigen terrein” moet plaatsvinden. Op locaties waar het verhard oppervlak met meer dan 500 m2 toeneemt, zoals hier, streven we naar berging van 45 mm op eigen terrein. Deze berging wordt binnen het plangebied gerealiseerd in infiltratievoorzieningen (wadi’s, verlaagd groen, IT-riool etc.) tenzij aangetoond kan worden dat een andere hoeveelheid mm’s ook de vereiste 90% van de jaarlijkse neerslag kan vasthouden. • Toename van verharding (eis HDSR; waterschap) kan gecompenseerd worden door minimaal 70 mm neerslag van de totale verharding te compenseren via infiltrerende of waterbergende voorzieningen in samenhang met waterberging door extra oppervlaktewater te realiseren (richtlijn minimaal 22,5% van de totale verharde oppervlakte, op basis van een peilstijging 30 cm bij compensatie met alleen oppervlaktewater). • Volgen van de voorkeursvolgorde voor het lozen van hemelwater: 1. Vasthouden en nuttig gebruiken (geen lozing); 2. Infiltratie op de bodem (bovengronds); 3. Infiltratie in de bodem (ondergronds); 4. Directe lozing in het oppervlaktewater; 5. Lozing in een hemelwaterstelsel; 6. Wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is om gebruik te maken van bovenstaande lozingsroutes: Lozing in een vuilwaterriool.

• De openbare ruimte en het hemelwatersysteem zijn zo vormgegeven dat bij buien met een intensiteit tot en met 80 mm in

• •

één uur (kans 1x/100 jaar) geen schade optreedt in gebouwen en vitale infrastructuur. Bij een bui van 20 mm in één uur kan de openbare ruimte nog steeds gebruikt worden waarvoor die bedoeld is. Groenvoorzieningen, speelplekken etc. moeten binnen 24 uur weer toegankelijk zijn. Aangelegde bergings- en infiltratievoorzieningen moeten in minimaal 10 uur en maximaal 48 uur leeg kunnen lopen om weer beschikbaar te zijn voor nieuwe buien. Het vloerpeil van panden ligt minimaal 0,15 m boven het straatpeil.

Oppervlaktewater •

• •

Al het oppervlaktewater (totaal m2 van insteek tot insteek) zal volledig gecompenseerd moeten worden als dit gedempt, verlegd of versmald wordt. Nieuw oppervlaktewater met aansluiten op het watersysteem. Bij voorkeur worden de oevers van watergangen natuurvriendelijk ingericht, zodat de waterkwaliteit verbeterd van ‘laag’ naar categorie ‘zichtbaar’ of hoger. Minimale profielen en afmetingen van watergangen en eisen ten aanzien van beheer en onderhoud staan in de HOR van de gemeente en de Legger van HDSR.

Grondwater • • •

De drooglegging is minimaal 1 meter. (Drooglegging is de afstand tussen de maaiveldhoogte/uitgiftepeil en het oppervlaktewaterpeil). De ontwateringsdiepte is minimaal 70 cm. De ontwateringsdiepte is het verschil tussen de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) en het maaiveldniveau. Bouwwerken en percelen zijn minimaal bestand tegen grondwaterstanden die fluctueren tussen de representatieve hoogste en laagste grondwaterstand.

42 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

• • • •

Ondergrondse verblijfsruimtes zijn waterdicht (een van de regels uit het Bouwbesluit). Als de ontwateringsdiepte te klein is; zo min mogelijk technische voorzieningen toepassen om de grondwaterstand stand te verlagen/ontwatering te verbeteren. Ophogen van maaiveld of aanleg van oppervlaktewater i.c.m. waterrobuust bouwen heeft altijd de voorkeur boven de aanleg van drainage (of technische voorziening). Drainagewater mag niet op het vuilwater geloosd worden.

4.6. Gezonde leefomgeving

4.6.1. Gezonde Leefomgeving Iedere Utrechter heeft recht op een gezonde leefomgeving. Dit betekent enerzijds dat (toekomstige) bewoners worden beschermd tegen invloeden die de gezondheid negatief beïnvloeden zoals een slechte lucht- en geluidskwaliteit. Anderzijds betekent dit dat de omgeving gezond leven gemakkelijk maakt en gezond gedrag wordt gestimuleerd, en dat mensen zich prettig voelen in hun omgeving. De ontwikkeling zoals geschetst in dit SPvE biedt voldoende mogelijkheden om onderstaande aspecten die de gezondheid bevorderen te verwerken in het plan tijdens de uitwerkings- en realisatiefase.

Bevorderen • • •

Ontwerp de openbare ruimte zodanig dat deze groen en aantrekkelijk is en bewoners uitnodigt om te bewegen, elkaar te ontmoeten en te ontspannen in het groen. Ontwerp de openbare ruimte vanuit het principe ‘groen, tenzij’ Zorg dat er aantrekkelijke verbindingen zijn naar fiets- en wandelroutes naar groengebieden in de buurt, zoals Amelisweerd, Maarschalkerweerd en het Beatrixpark.

• •

Zorg bij het ontwerp van de woongebouwen dat het gebruik van trappen (i.p.v. lift) gestimuleerd wordt. Zorg ervoor dat ontmoeting tussen de bewoners gestimuleerd wordt door het creëren van gemeenschappelijke enontmoetingsruimten, en een aantrekkelijk binnenterrein.

Prettig voelen • •

Ontwerp de openbare ruimte zo dat deze als sociaal veilig wordt ervaren. Zorg dat er ruimte is voor placemaking in dit gebied, en bekijk hoe bewoners daarbij betrokken kunnen worden. Een tijdelijke plek als deze is ook geschikt om nieuwe, creatieve concepten uit te proberen.

4.6.2. Luchtkwaliteit De luchtkwaliteit beïnvloedt de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Bij lucht gaat het om de aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de buitenlucht. Wegverkeer is, samen met de achtergrondconcentratie in Utrecht, in belangrijke mate bepalend voor de luchtkwaliteit. Door het plan neemt de intensiteit van het wegverkeer in de omgeving van het plangebied in geringe mate toe. Het plan moet worden getoetst aan de Wet Milieubeheer. Artikel 5.16 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) geeft een opsomming van de bevoegdheden waarbij luchtkwaliteitseisen een directe rol spelen, zoals bij een planologische maatregel. Een planologische maatregel kan worden vastgesteld indien: • Aannemelijk is gemaakt dat geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Een project – al dan niet per saldo – niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

43 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

• •

Aannemelijk is gemaakt dat de ontwikkelingen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie PM10 (fijn stof) en NO2 (stikstofdioxide) inde buitenlucht; Het voorgenomen besluit is genoemd of is niet in strijd is met het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Er dient aangetoond worden of op grond van artikel 5.16, lid 1 onder (a, b, c, en/of d) van de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor de uitvoering van het plan.

WHO advieswaarden

De Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor gezonde lucht. Deze advieswaarden zijn voor fijnstof strenger dan de wettelijke (Europese) grenswaarden. De WHO stelt zelfs dat er géén veilige concentratie is aan te geven voor fijnstof; op grond van haalbaarheid heeft zij daarom een gezondheidskundige advieswaarde vastgesteld voor PM10 en PM2,5.

Schone lucht in Utrecht

Sinds 2017 wordt overal in Utrecht voldaan aan de Europese grenswaarden, zoals opgenomen in de wet Milieubeheer. In 2015 heeft de gemeente Utrecht een motie aangenomen waarin de gemeente zich als doel stelt om in de toekomst (2030) niet alleen aan de wettelijke grenswaarden te voldoen, maar ook aan de strengere WHO advieswaarden uit 2005 voor fijnstof. Deze motie is uitgewerkt in het Raadsbesluit ‘Utrecht kiest voor gezonde lucht luchtkwaliteitsbeleid en uitvoeringsprogramma’ van december 2020, waarin is vastgelegd om toe te werken naar de WHOadvieswaarden-2005, die expliciet zijn benoemd in de samenvatting bij het Raadsbesluit. Ook neemt de gemeente Utrecht deel aan het Schone Lucht Akkoord, waarin rijksoverheid, provincies en gemeenten samenwerken aan maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, met als doel een gezondheidswinst te behalen van minimaal 50 procent in 2030 ten opzichte van 2016.

Plansituatie

Op 22 september 2021 heeft de WHO nieuwe advieswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide opgesteld, die (beduidend) lager liggen dan de WHO-advieswaarden uit 2005. Deze WHO-advieswaarden bedragen 15 µg/m3 voor PM10 en 5 µg/m3 voor PM2,5 en voor stikstofdioxide 10 µg/m3.

Gelet op de omvang van de ontwikkeling kan het plan als NIBM (niet in betekenende mate) worden beschouwd. Qua verkeersgeneratie leveren de woningen en arbeidsplaatsen 1073 motorvoertuigen per etmaal op voor de variant B1 (plan 1) en 1241 motorvoertuigen per etmaal voor variant B2 (plan 2). Met behulp van de NIBM tool (versie 2022) is de maximale toename van de concentraties berekend. Lokaal zal de luchtkwaliteit maximaal 0,75 ug/m3 toenemen voor NO2 en 0,19 ug/m3 voor fijnstof. Op basis van de meest recent gegevens van het CIMLK MT2023 (rekenjaar 2022) is gekeken wat de concentraties in de directe omgeving zijn, met name langs de snelweg A27. De hoogste concentraties voor 2022 rond het plangebied zijn 31,7 ug/m3 voor

44 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

NO2, 19,9 ug/m3 voor PM10 en 10,5 ug/m3 voor PM2,5. Voor het toekomstjaar 2030 is dit respectievelijk 24,9, 16.6 en 8,3 ug/m3.

Conclusie

De beoogde ontwikkeling draagt in niet-betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Ook wordt ruimschoots aan de wettelijke grenswaarden voldaan. In 2022 wordt voldaan aan de WHO-advieswaarde uit 2005 voor PM10, maar nog niet aan de advieswaarde voor PM2,5. In 2030 wordt zowel aan de advieswaarde voor PM10 als aan de advieswaarde voor PM2,5 voldaan. Vooralsnog wordt in 2030 niet aan de aangescherpte WHO-advieswaarden uit 2021 voldaan. De gemeente, provincie en rijk nemen maatregelen, waardoor de luchtkwaliteit in de toekomst verder zal verbeteren. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.6.3. Geur De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Gemeente Utrecht heeft geen eigen geurbeleid, en daarom wordt per situatie een afweging gemaakt voor wat betreft het aanvaardbaar hinderniveau. Voor het aspect geur zijn er geen specifieke afwijkingen voor tijdelijke situaties die niet meer dan tien jaar duren. Wel is er de mogelijkheid om, bijvoorbeeld analoog aan woningen op een bedrijventerrein of op een gezoneerd industrieterrein, een afwijkend, minder stringent toets kader te gebruiken. Te denken valt aan een lagere percentielwaarde voor het aanvaardbaar (geur)hinderniveau.

In de directe omgeving van de locatie zijn voor zover bekend geen bedrijven aanwezig zoals opgenomen in de VNG uitgave bedrijven en milieuzoneringen (richtafstandentabel versie maart 2009). Ook binnen het plan zijn er geen activiteiten opgenomen welke van zichzelf tot geuremissies zouden kunnen leiden. Hierbij wordt aangemerkt dat hout of pellet verbranding als mogelijk duurzaam alternatief voor ruimte- of sfeerverwarming niet passend zijn in het kader van geur.

Conclusie

Ten aanzien van geur zijn er geen belemmeringen voor vaststelling van een planologische maatregel. 4.6.4.

Stikstofdepositie

Wettelijk kader (gebiedsbescherming)

In Nederland zijn ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante effecten’ op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wet natuurbescherming vergunning. Alleen wanneer met een berekening met AERIUS Calculator wordt aangetoond dat er op voorhand geen significante gevolgen te verwachten zijn van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is een Wnb-vergunning niet van toepassing. Als dit niet het geval is wordt in het kader van een Wnb-vergunning eerst een voortoets uitgevoerd. Intern salderen is onderdeel van zo’n voortoets. Het project kan alsnog worden vergund als er geen significante negatieve effecten zijn in Natura 2000-gebieden of als de verslechtering van de stikstofdepositie optreedt op hectares, waarin de Kritische Depositiewaarde niet wordt overschreden.

45 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

Indien in de voortoets niet kan worden uitgesloten dat er geen significante effecten optreden is vervolgonderzoek nodig in de vorm van een Passende Beoordeling. Dit is een uitgebreid ecologisch onderzoek. Extern salderen, mitigatie of een ADC-toets zijn altijd onderdeel van een Passende Beoordeling.

4.6.5. Externe veiligheid Op basis van het d.d. 29 september 2023 van AVIV kan het volgende geconcludeerd worden.

Plansituatie

Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de planlocatie.

Om de effecten van de ontwikkeling op beschermde natuurgebieden in beeld te brengen is een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie en de effecten daarvan. Het onderzoek is uitgevoerd om te bepalen of er sprake is van mogelijke significante gevolgen en daarmee een eventuele vergunning- of meldingsplicht ingevolge de Wet natuurbescherming. De meest nabije Natura 2000-gebieden zijn de Oostelijke Vechtplassen. Zowel voor de gebruiksfase als voor de bouwfase is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Voor de gebruiksfase en de bouwfase komt de bijdrage aan stikstofdepositie op 0,00 mol/ha/jr.

Conclusie

Ten aanzien van gebiedsbescherming (Natura2000) zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen belemmeringen voor vaststelling van een planologische maatregel. Op basis van de voortoets stikstofdepositie blijkt dat significant negatieve effecten zijn uitgesloten.

A27

Plaatsgebonden risico

Groepsrisico

Het groepsrisico is in zowel de huidige als de toekomstige situatie kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde en neemt niet toe. Een verdere verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Wel dient conform art. 7 van het Bevt de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied.

Plasbrandaandachtsgebied

Het plasbrandaandachtsgebied vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Spoorlijn

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de planlocatie.

Groepsrisico

Het groepsrisico is in zowel de huidige als de toekomstige situatie kleiner dan de oriëntatiewaarde, maar neemt met meer dan 10%. Conform art. 8 van het Bevt dient het groepsrisico van dit traject te worden verantwoord en dient de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen over de mogelijkheden tot

46 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

voorbereiding van bestrijding en beperking van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied.

Plasbrandaandachtsgebied

Voor de spoorlijn geldt geen plasbrandaandachtsgebied. Bovengrondse propaantank Twee tijdelijke gebouwen liggen gedeeltelijk binnen de aan te houden veiligheidsafstand van 20 m rond de propaantank van de bestaande boerderij. Deze gebouwen kunnen worden aangemerkt als kwetsbaar. De propaantank vormt daarmee een belemmering voor het planvoornemen. Hier dient rekening gehouden te worden bij de planuitwerking.

4.6.6. Geluid en trillingen Flexwonen geluid Voor tijdelijke situaties die niet meer dan tien jaar duren, hoeft op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) niet te worden voldaan aan de waarden voor geluid (voor het geluid ín de woning geldt via het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) veelal een 10 dB lagere grenswaarde). Ondanks dat hebben we de ambitie aangegeven in Gezondheid voor iedereen om in Utrecht iedereen gelijke kansen te bieden op gezond stedelijk leven en gelijke gezondheidsbescherming. Het belang om de acute woningnood op te lossen wegen we af tegen het belang van een goede gezondheids-bescherming. De volgende maatregelen dragen bij aan het beschermen van de gezondheid. Hierbij is vereist dat iedere woning een ventilatiesysteem heeft dat minimaal voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit bouwwerken leefomgeving (Bkl) ten aanzien van ventilatiegeluid en luchtverversing. Daarnaast is het vereist dat iedere woning een acceptabel binnenniveau heeft van bij voorkeur 33 dB, en maximaal 38 dB.

Daarnaast wordt onderzocht hoe onderstaande maatregelen zo veel mogelijk kunnen worden nagestreefd, waarbij er ten minste twee worden toegepast: • Een geluidluwe zijde; • Slaapkamer aan de geluidluwe zijde; • Een geluidsluwe buitenruimte; • Een woonduur van, bij voorkeur, maximaal 5 jaar; Normaal zou je bij geluid wat getoetst moet worden aan de normen van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) uit moeten gaan van de situatie met gevuld Geluid Productie Plafond (GPP). Aangezien het onzeker is of dit a) ooit benut wordt en b) de ontwikkeling ten hoogste 10 jaar bedraagt wordt bij tijdelijk wonen voor ten hoogste 10 jaar niet getoetst aan gevuld GPP maar aan de feitelijke situatie. Deze feitelijke geluidssituatie is voor zowel rail- als wegverkeer gebaseerd op de brondata uit de geluidkartering 2021.

47 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

Rail

In onderstaande figuur zijn de geluidcontouren weergegeven van het railverkeer op basis van de uitgangspunten bij de geluidkartering. De grenswaarde voor railverkeer bedraagt 65 dB, de standaardwaarde is 55 dB. Als de geluidbelasting voldoet aan laatst genoemde waarde, kan gesproken worden van geluidluw.

Afbeelding 24: Geluidbelasting railverkeer op de gevel (noord)

Afbeelding 23: Geluidbelasting railverkeer (obv geluidkartering) Afbeelding 25: Geluidbelasting railverkeer op de gevel (midden)

Uit de figuur valt op te maken dat de geluidbelasting op het stedenbouwkundig plan de grenswaarde van 65 dB niet overschrijdt (paarse deel). Aan binnenzijde is het overal geluidluw (groen). In de figuren hieronder is de geluidbelasting op de bebouwing per bouwlaag nader in beeld gebracht. De maximale geluidbelasting op de gevel bedraagt 64 dB. Op basis van deze info is tijdelijk wonen vanwege de geluidbelasting van het railverkeer mogelijk.

Afbeelding 26: Geluidbelasting railverkeer op de gevel (zuid)

48 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

Rijksweg

In onderstaande figuur zijn de geluidcontouren weergegeven van de Rijksweg op basis van de uitgangspunten bij de geluidkartering 2021. De grenswaarde voor het geluid van de Rijkswegen bedraagt 60 dB, de standaardwaarde is 50 dB. Als de geluidbelasting voldoet aan laatstgenoemde waarde kan bij deze geluidbron gesproken worden van geluidluw. Afbeelding 27: Geluidbelasting Rijkswegen (obv geluidkartering)

Afbeelding 28: Geluidbelasting Rijkswegen op de gevel (noord)

Afbeelding 29: Geluidbelasting Rijkswegen op de gevel (midden)

Uit de figuur valt op te maken dat de geluidbelasting op het stedenbouwkundig plan voldoet aan de grenswaarde van 60 dB (paarse deel). Aan binnenzijde is het ook bij deze bron nagenoeg overal geluidluw (groen). In de figuren hieronder is de geluidbelasting van de Rijkswegen op de bebouwing van het stedenbouwkundig plan per bouwlaag nader in beeld gebracht. De maximale geluidbelasting op de gevel bedraagt 60 dB. Op basis van deze info is tijdelijk wonen ook vanwege de geluidbelasting van de Rijksweg mogelijk.

Afbeelding 30: Geluidbelasting Rijkswegen op de gevel (zuid)

49 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

Conclusie Op basis van bovenstaande informatie wordt er zowel voor het geluid van het railverkeer als van de Rijksweg voldaan aan de grenswaarden van beide bronnen. Er is hierbij geen gebruik gemaakt van de brondata uit het geluidregister, maar de data uit de geluidkartering. Ook lijkt er nagenoeg overal een geluidluwe gevel te kunnen worden gecreëerd. Er is gerekend met geheel gesloten bebouwing. 4.6.7 Trillingen Er bestaat in Nederland geen wettelijk kader voor de beoordeling van trillingshinder in gebouwen. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) van kracht geworden. In de Ow zijn geen streef- en grenswaarden opgenomen voor trillingen afkomstig van hoofd- en spoorwegen. Wel geldt dat in het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ of onder de Ow genoemd een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ kan worden verzocht om trillingen mee te nemen in de planvorming. Om inzicht te krijgen in de trillingen vanwege het spoor in het plangebied is er een trillingsonderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is met behulp van metingen op de bouwlocatie en modelberekeningen onderzocht wat de trillingen zullen zijn in de toekomstige bebouwing. Voor het inschatten van de mogelijke trillingshinder is gekeken naar streefwaarden, afgeleid van de SBR B-richtlijn, het in Nederland gebruikelijke kader voor de beoordeling van trillingshinder in gebouwen.

50 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

Resultaten trillingsonderzoek

De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat er overschrijdingen voor trillingshinder bij tijdelijke woningen worden verwacht in een deel van het plangebied in de nachtperiode (zie figuur hieronder). Het gaat om het oranje deel, de geplande bouwblokken zijn met zwarte kaders weergegeven).

De overschrijdingen komen vooral door de korte afstand tot het spoor, de passage van zware goederentreinen op de spoorlijn Utrecht-Den Bosch, de mate van onderhoud van het spoor en de lichte woningen. Als we de resultaten vergelijken met een onderzoek van 1,5 jaar geleden, dan lijkt er vooral in de zuidelijke hoek van het plangebied sprake van veel hogere trillingen rond 4 Hz, een indicatie van een slechtere spoorligging. Omdat de woningen vooral gevoelig zijn voor die trillingsfrequentie, zorgt dat voor relatief hoge trillingen. De huidige analyse is daarmee naar verwachting wel een bovengrens van de werkelijke situatie (conservatief).

In dit onderzoek zijn meerdere varianten beschouwd voor de gebouwen. Zo zijn de afmetingen, de afstand tot het spoor, de fundering en de eigenfrequentie van de vloer onderzocht. Uit dit onderzoek zien we dat met name de afstand tot het spoor, de fundering en de hoogte van de woningen een belangrijke rol spelen in de hoogte van de trillingen. Belangrijk bij de fundering is, hoe zwaarder deze is (dikke plaatfundering of palenfundering), hoe lager de trillingen zijn. Door zo ver mogelijk bij het spoor vandaan te bouwen en zo hoog mogelijke gebouwen te realiseren (5 of indien mogelijk 6 bouwlagen heeft de voorkeur, liever geen 4 bouwlagen), zijn de trillingen te beperken. Hieronder wordt het effect van de hoogte nader toegelicht.

51 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

In het stedenbouwkundig ontwerp varieert de hoogte van het gebouw tussen de 12 en 15 meter (4 of 5 bouwlagen). De hoogte heeft veel invloed op de trillingen. Dat komt vooral doordat hier sprake is van relatief laagfrequente trillingen, waarbij vooral bij gebouwen van 4 bouwlagen de 1e horizontale eigenfrequentie (buiging van het gebouw) samenvalt met de maatgevende trillingen van de goederentreinen. Bij 5 bouwlagen is daar al minder sprake van, bij 6 bouwlagen nog minder (zie de figuur hieronder). Ook bij 3 bouwlagen is minder sprake van opslingering. Wel geldt bij een lager gebouw dat deze lichter zijn (en dus gevoeliger voor trillingen), terwijl bij hogere gebouwen de massa toeneemt (en dus de trillingen afnemen), maar dat ook de invering van het gebouw op zichzelf toeneemt, waardoor de trillingen juist weer wat toenemen. Op basis van de resultaten zijn de volgende conclusies te trekken: • Het is zonder maatregelen niet mogelijk om te voldoen aan de streefwaarden voor trillingshinder voor nieuwe situaties uit de SBR B-richtlijn. • In de nacht zijn de trillingen lager, vooral omdat dan minder goederentreinen passeren. Zowel de maximale als de gemiddelde trillingssterkte is dan lager. • De trillingen van de reizigerstreinen voldoen aan de streefwaarden, alleen de goederentreinen zorgen voor overschrijdingen.

Het aantal overschrijdingen is daardoor beperkt (op korte afstand van het spoor (20 meter) zijn het er zo’n 7 per dag, op grotere afstand zijn er geen overschrijdingen meer). In de toekomst zal dat aantal afnemen omdat er een afname van het aantal goederentreinen is voorzien.

Advies voor maatregelen

Omdat er overschrijdingen zvan de streefwaardenvoor trillingshinder worden verwacht, is nader onderzoek gedaan naar maatregelen waarmee die overschrijdingen kunnen worden voorkomen. Hierbij is gekeken naar maatregelen aan de bron (het spoor of de treinen), in de bodem of aan de geplande woningen. Uit het maatregelenonderzoek volgt dat: 1. Maatregelen aan de trillingsbron zijn zeer kostbaar: de minst kostbare voldoende effectieve maatregel is een betonplaat onder de twee buitenste sporen op de spoorlijn Utrecht-Den Bosch, over een lengte van 300 meter. De kosten van deze maatregel (meer dan € 3 mln.) staan echter niet in verhouding tot de bouwkosten en exploitatiemogelijkheden van de tijdelijke woningen. Bovendien kent deze maatregel een zeer lange doorlooptijd en is er sprake van afhankelijkheid van ProRail. 2. Maatregelen in de bodem zijn minder effectief en zijn nog kostbaarder, en zijn daarom niet doelmatig. Het verdiepen van de spoorsloot (naar minimaal 2,5 meter onder maaiveld) is wel een relatief laagdrempelige maatregel om de trillingen te verminderen met maximaal 25 procent. Deze maatregel is voorzien in het huidige landschappelijk inpassingsplan. 3. Omdat het om cataloguswoningen gaat, zijn de mogelijkheden voor aanpassing van de gebouwen beperkt.

Soms zijn er wel mogelijkheden in de fundering (afveren, verzwaren of afschermen), en er zijn verschillen in eigenfrequentie van de vloer tussen de verschillende cataloguswoningen (door verschillen in beukmaat, vloertype en vloerdikte). De hoogte van de woningen is daarbij de meest bepalende factor in de trillingen.

52 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

Op basis van dit onderzoek adviseren we de volgende optimalisaties af te wegen tijdens het verdere proces: A. Positioneer de woningen zo ver mogelijk bij het spoor vandaan. B. Kies voor zo hoog mogelijke woningen, liefst 5 bouwlagen of meer. C. Kies voor een zo zwaar mogelijke fundering. D. Verdiep de spoorsloot (in ieder geval in de zuidoostelijke hoek van het plangebied) tot minimaal 2,5 meter onder maaiveld. Op deze locatie is al sprake van een (relatief ondiepe) spoorsloot, het verdiepen van de spoorsloot tot ca. 2,5 meter onder maaiveld zorgt ervoor dat de slappe kleilagen worden doorsneden, waardoor de trillingen veel minder worden doorgegeven. Door het verdiepen van de spoorsloot neemt het aantal overschrijdingen af, zie Figuur 14.

Met de hiervoor genoemde maatregelen is het mogelijk om in 3 van de 4 blokken te voldoen aan de streefwaarden. In het meest zuidelijke bouwblok blijft sprake van regelmatige overschrijdingen (maximaal 4 overschrijdingen per dag van de grenswaarde voor de nacht (Vmax = 0.8), aantal overschrijdingen is het grootst op bovenste bouwlaag, onderin het gebouw wordt wel voldaan aan de streefwaarden). Voor de voorkeursvariant (een verdiepte sloot en 5-laags bouwconcept) is grafisch de zone aangegeven die niet aan de streefwaarden en om hoeveel overschrijdingen per dag het gaat.

53 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

Nu is het zo dat, omdat de trillingen vooral resulteren in het ‘zwaaien’ van het gebouw (1e horizontale eigenfrequentie), de trillingen hoger in het gebouw ook hoger zullen zijn. Op de bovenste bouwlagen zijn de trillingen daarmee het hoogst. Het aantal overschrijdingen per bouwlaag van het zuidelijke blok is hieronder weergegeven in Tabel 6. Indien er 6 bouwlagen komen in plaats van 5 zullen de aantallen in onderstaande tabel (beperkt) nog wat lager zijn.

Om een indruk te geven van het percentage ernstig gehinderden (%EH) en ernstig slaapverstoorden (%ESV) is gebruik gemaakt van het onderzoek naar hinderbeleving door het RIVM. De percentages zijn weergegeven in Tabel 7. Hier is te zien dat het percentage ernstig gehinderden (vooral representatief voor de dag) 25% is (wat neerkomt op 37 van de 149 bewoners van het zuidelijke blok), en het percentage ernstig slaapverstoorden (vooral representatief voor de nacht) 19% is (wat neerkomt op 28 van de 149 bewoners van het zuidelijke blok). Om dit in perspectief te plaatsen: a. Ten opzichte van wat volgens de richtlijn voor trillingshinder aanvaardbaar is voor nieuwe, definitieve woningen (23 ernstig gehinderden, 17 ernstig slaapverstoorden voor dit bouwblok) is er dus een toename van 14 ernstig gehinderden en 11 ernstig slaapverstoorden. b. Ten opzichte van wat volgens de richtlijn voor trillingshinder aanvaardbaar is voor bestaande, definitieve woningen (35 ernstig gehinderden, 22 ernstig slaapverstoorden voor dit bouwblok) is er dus een beperkte toename van 2 ernstig gehinderden en 6 ernstig slaapverstoorden naar verwachting. Als toelichting bij ad a.: Voor definitieve woningen geldt een Vmax van maximaal 0.4 in de dag- en avondperiode en een Vmax van 0.2 in de nachtperiode.

Volgens het onderzoek naar ernstige hinder en ernstige slaapverstoring door het RIVM (2023) is ook dan reeds 16% ernstig gehinderd en 11% ernstig slaapverstoord. Bij 149 bewoners komt dit dan neer op 23 ernstig gehinderden en 17 ernstig slaapverstoorden. Maar er wordt dan wel voldaan aan de strengste streefwaarden die we aanvaardbaar vinden bij de bouw van nieuwe permanente woningen.

54 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

Als toelichting bij ad b.: Voor bestaande woningen geldt een Vmax van 0.8 in de dag- en avondperiode en een Vmax van 0.4 in de nachtperiode. Volgens het onderzoek naar ernstige hinder en ernstige slaapverstoring door het RIVM (2023) is ook dan reeds 23% ernstig gehinderd en 15% ernstig slaapverstoord. Bij 149 bewoners komt dit dan neer op 35 ernstig gehinderden en 22 ernstig slaapverstoorden. Daarbij wordt dan dus voldaan aan de streefwaarden die we aanvaardbaar vinden bij bestaande woningen. Onderzocht moet worden of er afspraken met ontwikkelende partijen kunnen worden gemaakt over doorstroming indien personen ernstig gehinderd / slaapverstoord raken. Namelijk niet iedereen is hier even gevoelig voor. In linker figuur en tabel zijn de correlaties tussen de trillingsterkte en het aantal gehinderden/slaapverstoorden verder verduidelijkt. Tot slot is relevant in de afweging dat het, gelet op het tijdelijke karakter van de woningen, de lichte constructie en de laagfrequente trillingen van de treinen, het niet mogelijk is om aanvullende maatregelen te treffen. Dat betekent dat de afweging dan primair moet gaan tussen wel woningen plaatsen op deze locatie (en de extra hinder accepteren) of geen woningen plaatsen.

55 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

4.7 Energie en duurzaamheid

Energie Gemeente Utrecht wil zo spoedig mogelijk klimaatneutraal zijn. Alle nieuwbouw moet voldoen aan de landelijke eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (de BENG-eisen), maar gemeente Utrecht wil meer bereiken dan wat minimaal verplicht is. De gemeente heeft in september 2022 het Convenant Duurzame Woningbouw provincie Utrecht ondertekend en committeert zich hiermee aan energiezuinig bouwen, het verlagen van de energievraag en het opwekken van energie uit duurzame bronnen.

•

•

Voor de invulling van de warmte- en koudevraag en energieopwek wordt zoveel mogelijk het Utrechts Energie Protocol (UEP) gevolgd, waarbij eerst energiebesparing en duurzame energiebronnen op gebouw- of perceelniveau gezocht worden, vervolgens binnen het plangebied en de directe omgeving en tenslotte buiten het plangebied. De woningen worden gasloos gebouwd en niet aangesloten op het hoge temperatuur-warmtenet (stadsverwarming).

Uitgangspunten: •

•

•

De gemeentelijke ambitie is een zo laag mogelijke energievraag (BENG 1) en een zo hoog mogelijk aandeel hernieuwbare energie (BENG 3). De gemeente gaat voor ‘goud’ (BENG 1 lager dan 58,5kWh/m2/jaar en BENG 3 minimaal 100%) binnen het kader van het Convenant Duurzame Woningbouw. Als ‘goud’ niet gehaald wordt moet gedegen onderbouwd worden waarom afgeweken wordt naar ‘zilver’, ‘brons’ of wettelijk minimum. Vóór de start van de ontwerpfase ligt er een energievisie op het totale energieconcept. Enerzijds om inzicht te krijgen in de verwachte warmte- en koudevraag, warmte- en koudeproductie, de stroomproductie en elektriciteitsvraag (per uur in het jaar, m.n. gericht op inzicht in de piekmomenten) en de benodigde netaansluiting. Op basis hiervan dient aangegeven te worden hoe en in welke mate duurzaam voorzien kan worden in de warmte- en koudevraag, de electriciteitsvraag en de mogelijke oplossingen voor netcongestie. In de energievisie wordt ook een relatie gelegd met het bouwprogramma. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het maximum aantal woningen waarvoor op de eigen kavel in de energievraag kan worden voorzien of de beschikbare ruimte voor PV-panelen op daken.

•

• • • •

Voor het tegengaan van oververhitting bij nieuwbouw geldt de wettelijke grenswaarde TOjuli van 1,20. TOjuli is onderdeel van de BENG berekening. Tegengaan van oververhitting is bij tijdelijke woonunits nog relevanter dan bij permanente woongebouwen. De eindgebruiker ervaart comfort en heeft geen hoge energielasten. Geen dak onbenut: daken optimaal benutten voor waterberging, energieopwekking en/of groen Het streven is de benodigde traforuimtes inpandig in te passen. E.e.a. afhankelijk van het te kiezen bouwconcept, maar dient wel onderzocht te worden. In Utrecht is sprake van netcongestie. Bouwaanvragen waarvoor een grootverbruikaansluiting nodig is komen op een wachtlijst bij

56 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

de netbeheerder. Mogelijke oplossingen kunnen zijn het beter balanceren van vraag en aanbod door strategische extra duurzame opwek op de kwetsbare piek-afnamemomenten, thermische en elektrische opslagsystemen, of groepsaansluitingen en andere innovatieve contractvormen. Om de gevolgen en risico’s voor de realisatie vroegtijdig in kaart te brengen, is door adviesbureau Merosch reeds een onderzoek gedaan voor Tussen de Rails. Zie ook de toelichting in de volgende alinea’s. Netcongestie Eind 2023 heeft Merosch een indicatief onderzoek gedaan naar netcongestie voor Tussen de Rails. Vooraf aan de resultaten eerst de volgende leeswijzer: alle getallen uit dit hoofdstuk zijn rechtstreeks uit dit onderzoek overgenomen. Netcongestie is dermate nieuw in de wereld van gebiedsontwikkeling dat de resultaten met enige mate van onzekerheid gelezen dienen te worden. Uit die studie blijkt dat dat de keuzes voor het energiesysteem en contractvormen significante impact hebben op de ruimtevraag voor aanvullende voorzieningen, met name batterijen (0-16 m2), investeringskosten (3,5-10,2 miljoen euro) en jaarlijkse kosten (510.000-810.000 euro per jaar) die nodig zijn om de ontwikkeling realiseerbaar te maken binnen de huidige kaders van Stedin.

Ook binnen de realiseerbare kaders zitten er nog grote verschillen tussen de maximale piekbelasting van het net (408-627 kW op de gemodelleerde ergste dag), waarbij elke kilowatt extra ten koste gaat van de capaciteit die over blijft voor andere ontwikkelingen. Concreet volgt uit het rapport een spagaat: een collectieve bodemWKO -warmtepompsysteem komt nadrukkelijk naar voren als meest duurzame en netbewuste optie, maar deze techniek is wel het meest complex richting een toekomstige permanente bebouwing en is relatief duur in aanleg, Jaarlijkse kosten zijn bij bodem-WKO het laagst van

alle systemen, maar financieel wordt deze techniek pas echt doorslaggevend de beste als de bronnen en direct verwante systemen ook ná de tijdelijke woningbouw nog ingezet kunnen worden Tegenover bodem-warmtepompsystemen staan individuele lucht-water warmtepompsystemen. Deze zijn het meest simpel en snelst uitvoerbaar, maar bieden de slechtste lange-termijn perspectief voor duurzaamheid, omgevingskwaliteit en netbewustheid ontwikkelen. Collectieve lucht-water warmtepompen zitten hierbij in het neutrale midden tussen bodem-WKO en individuele lucht-water warmtepompen. Uit het rapport volgde tevens dat een eerder gebruikte standaard oplossing – een specifiek model individuele lucht-lucht warmtepompen – op alle vlakken nadelig zijn. Mogelijk volgt nog een kostenreductie als gevolg van massale standaardtoepassing en bijkomend inkoopvoordeel, maar qua impact op het stedelijk stroomnet en qua milieuimpact scoort deze techniek zeer slecht. Uitgangspunten: In navolging van het rapport zetten we in beginsel in op de meest “energie & netcongestie bewuste oplossing“, waarbij bodem-WKO en daarna lucht-water warmtepompen de voorkeur hebben. In de vervolgfase (april/mei ‘24) is nader onderzoek, samen met de ontwikkelaars/corporaties, nodig over: • De aanpasbaarheid/keuzevrijheid voor energiesystemen in de bouwmodules, • Verificatie netprofielen.

• Dialoog over financiën en welk ‘standaard’ energiesysteem nu is begroot in de stichtingskosten. • Invloed van tijdelijkheid op de business case en het perspectief richting bouwproces voor evt. toekomstige permanente bebouwing conform RSU.

57 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

Circulariteit In de ruimtelijke Strategie Utrecht voor 2040 volgt de gemeente de doelstelling van het Rijk om in 2050 volledig circulair te zijn. Bij de transitie naar een circulaire stad is de ambitie om grondstoffen niet te onttrekken aan de aarde en bij nieuwe ontwerpprocessen al vroeg na te denken over hoe materialen (her)gebruikt kunnen worden. De gemeente wil in 2030 al op de helft zijn en 50% minder primaire, abiotisch grondstoffen gebruiken. Het actieprogramma Utrecht Circulair 2020-2023 is gericht op de gebouwde omgeving met vier ambities: • Ingaande materialen en ontwerpkeuzes: het verlagen van de milieubelasting van gebouwen door bewuste materiaal- en ontwerpkeuzes te maken. • Afval en grondstoffengebruik: het vermijden van afval, efficiënt grondstoffengebruik in de bouwfase. • Aanpasbaarheid in de gebruiksfase: zodanig ontwerpen dat het gebouw makkelijk aangepast kan worden in de gebruiksfase, om zo milieubelasting van de aanpassingen te verlagen en de levensduur van het gebouw te verlengen. • Herbruikbaarheid na gebruiksfase: zoveel mogelijk hergebruik van een gebouw aan het einde van een gebruiksfase. De gemeente Utrecht heeft het Convenant Duurzame Woningbouw ondertekend en streeft voor circulariteit naar ambitieniveau ‘goud’.

Uitgangspunten: •

Vóór de start van de ontwerpfase ligt er een visie op circulair bouwen in dit project. In deze visie staat hoe de ambities om het project zo circulair mogelijk te ontwikkelen gerealiseerd worden. Onderdeel van deze visie is het leggen van een relatie met het bouwprogramma. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het maximum aantal verdiepingen dat met houtbouw gerealiseerd kan worden.

•

•

•

• • •

De gemeente streeft naar een MPG score naar ‘goud’, dus niet hoger dan €0,20/m²bvo/jaar. De Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning voor nieuwbouw van kantoren en woningen verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. De wettelijke eis in het Bouwbesluit ligt momenteel op 0,8 en wordt de komende jaren aangescherpt. De gemeente streeft naar minimaal 55% biobased of hergebruikte materialen op basis van massapercentage (‘goud’). Voor een deel van het project kan mogelijk gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden van het programma Building Balance. Indien niveau ‘goud’ voor de MPG of het massapercentage niet gehaald wordt dient goed onderbouwd te worden waarom van de ambitie afgeweken wordt en niveau ‘zilver’, ‘brons’ of het wettelijk minimum gerealiseerd wordt. Toepassen van zo min mogelijk verharding (en zoveel mogelijk groen). Sluiten van de grondbalans op de locatie Flexibel en demontabel bouwen zodat het gebouw aangepast kan worden aan veranderende functies en woningbehoefte, en materialen na de gebruiksfase gemakkelijk hergebruikt kunnen worden.

58 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

Hittestress In februari 2022 heeft de gemeente de Visie Klimaatadaptatie vastgesteld, tegelijk met de Visie Water en Riolering. De gemeente wil bereiken dat het in de stad niet meer dan 5 graden warmer voelt dan buiten de stad. Dit vraagt behouden van bestaand groen, toevoegen van extra groen en waar nodig extra schaduw in de straten met het oog op hittestress. In het Convenant Duurzame Woningbouw provincie Utrecht is de ambitie “goud” voor hittestress verwoord als: “Tijdens hitte biedt de gebouwde omgeving een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving”. Uitgangspunten om een hitte-eiland effect op en rond de locatie verminderen zijn: • 40% groen in het horizontale vlak. Dit kan met behoud van bestaand groen, toevoegen van nieuw groen en groen op daken. Behoud van bestaand groen draagt ook bij aan de opgave om het verlies van biodiversiteit in het gebied te beperken en beperkt de aantasting van de hoofdgroenstructuur. • De afstand van woningen tot een koele plek van >200m2 is niet meer dan 200 meter • Er is minimaal 30% schaduw op straat op het heetst van de dag. Op belangrijke loop- en fietsroutes is minstens 40% schaduw. • Geen dak onbenut: daken optimaal benutten voor waterberging, energieopwekking en/of groen • Er is genoeg en gezond (zwem)water voor mensen, dieren en planten.

4.8 Erfgoed

Op verzoek van Nederland is in 2021 een groot deel van de NHW door UNESCO aangewezen als Werelderfgoed Hollandse Waterlinies, omdat het voor de gehele mensheid van uitzonderlijke waarde is, en daarmee op mondiaal niveau uniek en onvervangbaar. Het Werelderfgoedverdrag van 1972, dat Nederland in 1992 heeft ondertekend, is bedoeld om het werelderfgoed beter te bewaren voor toekomstige generaties. Dit verdrag hebben het Rijk en de provincie, op grond van de Omgevingswet, vertaald in instructieregels. Deze bepalen dat de kernkwaliteiten van dit Werelderfgoed niet mogen worden aangetast. Het plangebied zelf ligt buiten de begrenzing (property) van het Werelderfgoed Hollandse Waterlinies, maar wel binnen de zogenaamde attentiezone. Deze zone heeft in de provinciale Omgevingsverordening de aanduiding Cultuurhistorische Hoofdstructuur “militair erfgoed”, met bijbehorende beschermende regels. Ook ontwikkelingen buiten de property mogen de kernkwaliteiten van het werelderfgoed niet aantasten. Afbeelding 31: Beleidskaart thema militair Erfgoed.

59 - Tussen de Rails - Stedenbouwkundig Programma van Eisen

Om te toetsten of de ontwikkeling geen onaanvaardbare aantasting vormt van het Werelderfgoed, is in samenwerking met de provincie (siteholder) en de Rijksdienst Cultureel Erfgoed een Heritage Impact Assessment (HIA) uitgevoerd. De conclusie van deze HIA is dat de ontwikkeling, in de globale vorm zoals die is beoordeeld, een matig negatief effect heeft op de visuele integriteit van de kernkwaliteiten van het Werelderfgoed. Dit is de middelste negatieve impactcategorie, tussen groot en gering in. Die mate van aantasting wordt vanuit Werelderfgoed-perspectief in principe niet aanvaardbaar geacht. De HIA schat echter in dat met mitigerende maatregelen de negatieve impact van de ontwikkeling te verlagen is naar een gering negatief effect (na neutraal de laagste impactcategorie). Dat is nog steeds een aantasting, maar in dusdanig beperkte mate dat deze aanvaardbaar lijkt, ook omdat het hier een ontwikkeling betreft in een gebied dat buiten de property ligt. Omdat het plangebied buiten de property ligt, en de bescherming van het Werelderfgoed Hollandse Waterlinies in essentie alleen betrekking heeft op de kernkwaliteiten van waterlinie-elementen die zich binnen de property bevinden, richt de HIA zich uitsluitend op de visuele effecten van de ontwikkeling op die kernkwaliteiten. Het gaat dan met name over het vrije schootsveld van de nabijgelegen Lunettenforten.

Daarmee doet de HIA dus geen directe uitspraken over mogelijk effecten op de waterlinie-elementen die zich bevinden binnen in het plangebied, gelegen in de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) militair erfgoed. De omgevingsverordening schrijft voor dat bij een ontwikkeling rekening gehouden moet worden met de cultuurhistorische waarden binnen deze CHS. In het plangebied gaat het dan hoofdzakelijk om de spooraccessen, om de verboden kringen van de Lunettenforten, en om de Houtense vlakte, die maar beperkt (en laat in de gefaseerde ontwikkeling van de waterlinie) als inundatieveld ingezet kon worden.

Binnen het plangebied heeft het inundatieveld in globale zin nog eenzelfde open, agrarisch karakter als in de periode dat de waterlinie operationeel was. Bezien vanuit de CHS, ontbreekt echter een herkenbare relatie van dit veld met de hoofdweerstandslijn en de omliggende forten. Er is bovendien sprake van flankerende verstedelijking in de vorm van de wijk Lunetten en grootschalige doorsnijdende infrastructuur. Daardoor is nog maar beperkt te beleven dat dit veld ooit onderdeel uitmaakte van een grootschalige inundatiesysteem, dat het zich bevond aan de onveilige zijde van de westelijke hoofdweerstandslijn, en dat in dit gebied bouwrestricties golden. Mede door de A27 is het bovendien niet meer beleefbaar dat het plangebied zich ten oosten van de tweede, vooruitgeschoven fortenring bevindt. Daarnaast is in de 21ste eeuw het kenmerkende slotenpatroon van de agrarische blokverkaveling in het plangebied vrijwel geheel verdwenen. Om bovenstaande redenen wordt het aanvaardbaar geacht dat door bebouwing en een nieuwe inrichting van de openbare ruimte grotendeels het open, cultuurhistorische agrarische karakter verdwijnt, ook al was dit de landschappelijke basis van het inundatieveld en open schootsveld als onderdeel van het militaire landschap. In het inrichtingsplan worden de spooraccessen, die zelf geen verandering ondergaan, wel nadrukkelijk in het ontwerp meegenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=9e36952f-38ca-4d0f-806c-3460265f9c64