CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Onderzoek Discriminatie op de woningmarkt - Verwey-Jonker Instituut.pdf

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsbrief Aanpak discriminatie op de woningmarkt23.815 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Draagt bij aan beter herkennen van discriminatie en aan het verminderen van – vooral risicomijdende en onbedoelde – discriminatie. Maatregelen die enkel via de brancheorganisaties verlopen zijn minder effectief door de geringe organisatiegraad van verhuurders en verhuurbemiddelaars en dat maakt het zelfreinigend vermogen van de sector beperkt (zie hiervoor paragraaf 4.4).

Actoren Algemeen voorlichtingsmateriaal wordt bij voorkeur landelijk ontwikkeld door BZK en gemeenten (VNG) in samenwerking met o.a. het College voor de Rechten van de Mens, antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s) en brancheorganisaties. Brancheorganisaties kunnen voor hun leden aanvullend voorlichtings- en trainingsmateriaal ontwikkelen. Ook in opleidingen voor bemiddelaars zou dit een prominentere plek moeten krijgen. Randvoorwaarden Ontwikkel algemeen voorlichtingsmateriaal in begrijpelijke taal en toegankelijk voor mensen met een beperking en lage taalvaardigheid. Zorg voor breed draagvlak bij zoveel mogelijk spelers op de woningmarkt en laat de brochure breed en actief verspreiden. Overheden kunnen dit doen via het publiceren van materiaal op goed vindbare sites, maar kunnen ook actief huurders aanschrijven. ADV’s, het College voor de Rechten van de Mens en brancheorganisaties kunnen ook gevraagd worden om het voorlichtingsmateriaal actief onder de aandacht te brengen. Voorlichtings- en trainingsmateriaal voor professionals moet zowel kaders bieden als handelingsperspectief.

3.3.

Verplicht antidiscriminatiebeleid ontwikkelen

Achtergrond van de maatregel De maatregel om leden van brancheorganisaties antidiscriminatiebeleid te laten ontwikkelen, is afkomstig uit de uitzendbranche en kan mogelijk ook werken om discriminatie op de particuliere huurwoningmarkt aan te pakken. Inhoud van de maatregel Brancheorganisaties kunnen expliciet in hun gedragscodes opnemen dat leden niet discrimineren en/of niet meewerken aan discriminerende verzoeken. Zo kan bijvoorbeeld verplicht in een opdrachtbevestiging een clausule opgenomen worden waarin staat dat de verhuurbemiddelaar niet meewerkt aan discriminatie. Het zou nog beter zijn als de verschillende brancheorganisaties dit uitwerken in (bij voorkeur gezamenlijk) antidiscriminatiebeleid, en daarop handhaven, zodat de gedragscode geen dode letter blijft. Ook kunnen brancheorganisaties leden verplichten zelf antidiscriminatiebeleid te ontwikkelen: individuele leden moeten dan expliciet nadenken hoe zij discriminatie gaan voorkomen en bestrijden. De kans dat dit dan ook in uitvoering wordt omgezet is bij zelf ontwikkeld beleid groter (al leidt het maar tot bewustwording) en bovendien geef je hiermee ondernemers de vrijheid om zaken op hun eigen manier te regelen. Zeker bij deze maatregel is het belangrijk het uitgangspunt mee te nemen dat het ontwikkelen van antidiscriminatiebeleid 19

alleen gevraagd moet worden aan de grotere professionele verhuurders (uiteraard wel aan alle verhuurbemiddelaars). De brancheorganisatie kan dan een actieve rol hebben in controle en handhaving. Leden die geen (adequaat) beleid ontwikkelen krijgen bijvoorbeeld een waarschuwing en de gelegenheid om dit te herstellen. Bij hercontrole kan de branche overgaan tot sancties. Beoogd effect van de maatregel De maatregel zou moeten laten zien dat de branche het onderwerp discriminatie serieus neemt. Daarnaast worden leden door het verplicht ontwikkelen van beleid ertoe gedwongen om over antidiscriminatiebeleid na te denken en te bedenken hoe zij dat vormgeven in de eigen praktijk. Dat draagt bij aan bewustwording onder de leden.

deel van de partijen die actief zijn op de woningmarkt. Daarbij is het mogelijk dat partijen die zich aansluiten bij brancheorganisaties vaker partijen zijn die zaken netjes willen regelen en dat deze maatregel zich daarmee richt op degenen zijn die al van goede wil zijn. De maatregel zou dus een groter bereik hebben als dit een verplichting is voor de gehele beroepsgroep. In hoofdstuk 4 bespreken we een maatregel om dit te realiseren (de bemiddelingsvergunning). Een onbedoeld neveneffect van de verplichting alleen opleggen aan leden van brancheorganisaties kan zijn dat er voor sommige partijen een disbalans ontstaat in de baten en lasten van lidmaatschap, waarbij zij de lasten als zwaarder gaan ervaren. Dat kan ertoe leiden dat nog minder partijen door de brancheorganisaties vertegenwoordigd worden en dat daardoor hun bereik en zelfregulerend vermogen geringer wordt. Verwachte effectiviteit van de maatregel

Actoren Hoewel de brancheorganisaties bewust bezig zijn met het thema discriminatie op de woningmarkt, varieert de wijze waarop ze aandacht hebben voor dit thema. Net als bij de overheid zie je dat sommigen het aanpakken van discriminatie onderdeel laten zijn van Goed verhuurderschap, terwijl anderen het thema expliciet op de kaart zetten. Ook zijn er tussen de brancheorganisaties verschillen in de mate waarin er voor leden specifieke informatie beschikbaar is over discriminatie en hoe expliciet dit is opgenomen in gedragscodes en richtlijnen. Wanneer brancheorganisaties hun leden verplichten om antidiscriminatiebeleid te ontwikkelen zijn zij ook zelf de aangewezen partij om hierop toe te zien en te handhaven. Randvoorwaarden Zoals we in hoofdstuk 2 bespraken is de organisatiegraad van brancheorganisaties beperkt. Als het verplicht ontwikkelen van beleid wordt opgelegd door brancheorganisaties aan de eigen leden treft dit dus slechts een relatief klein

Draagt bij aan beter herkennen van discriminatie en aan het verminderen van – vooral risicomijdende en onbedoelde – discriminatie.

3.4.

Standaardiseren van wervings- en selectieproces

Achtergrond maatregel Verhuurders en verhuurbemiddelaars geven het wervings- en selectieproces op hun eigen manier vorm, waardoor het tamelijk ondoorzichtig en weinig systematisch is. De meeste verhuurbemiddelaars beschrijven het proces – kort of uitgebreid – vaak wel op hun website, maar dat maakt het nog niet altijd transparant, noch objectief. Er blijft bij veel kandidaat- huurders onduidelijkheid bestaan over welke informatie op welke wijze wanneer tijdens het selectieproces wordt gebruikt. Bovendien bestaat bij kandidaat-huurders soms het idee dat hun privacy wordt geschonden.

20

Inhoud van de maatregel Standaardiseer welke informatie op welk moment aan en/of over huurders wordt gevraagd en op welke wijze deze gegevens worden gebruikt bij het selectieproces (inclusief verwerking van informatie). Deze maatregelen kan in lichtere en zwaardere vorm worden ingezet. In de lichte vorm dragen verhuurders en verhuurmakelaars zelf zorg voor een transparant en gestandaardiseerd selectieproces. De verplichting geldt hier dus alleen dat er sprake moet zijn van transparantie en standaardisering (iedere kandidaat-huurder volgt hetzelfde proces). Partijen kunnen bijvoorbeeld bij het College voor de Rechten van de Mens hun wervings- en selectieproces door laten lichten op mogelijk discriminerende gevolgen van het gebruik van de gevraagde persoonsgegevens (zowel bij interne als externe screening). In een zwaardere vorm wordt een transparant en gestandaardiseerd proces ontwikkeld dat verhuurders en bemiddelaars verplicht moeten volgen.

of verplicht). Voor toetsing van het wervings- en selectieproces kunnen de Autoriteit Persoonsgegevens en het College voor de Rechten van de Mens worden ingeschakeld. Het zou aan te raden zijn als verhuurders en bemiddelaars vaker van deze mogelijkheid gebruik maken. Een gestandaardiseerd en transparant wervings- en selectieproces zou gebaseerd moeten worden op basis van informatie vanuit de overheid waarin meer duidelijkheid wordt gegeven over welke informatie met welk doel mag worden verzameld (zie ook paragraaf 3.2, evenals 2.4 en 2.5) Randvoorwaarden Beschikbaarheid van relevante informatie voor verhuurders en verhuurbemiddelaars (zie ook paragraaf 3.2), waarbij helder moet zijn welke informatie geoorloofd is voor de selectie van kandidaat-huurders. Verwachte effectiviteit van de maatregel

Beoogd effect van de maatregel Door het transparanter maken van welke informatie op welke wijze wanneer gebruikt wordt voor selectie wordt aan (kandidaat-)huurders meer inzicht geboden in het proces. Dat kan hun gevoel van grip vergroten en mogelijk het gevoel van onmacht of procedurele onrechtvaardigheid verminderen. Bij verhuurders en bemiddelaars kan een gestandaardiseerd proces, mits dit zoveel mogelijk objectief selecteren beoogt, eraan bijdragen dat er minder onbedoelde discriminatie plaatsvindt. Actoren Verhuurders en verhuurmakelaars dienen transparant te zijn met welk doel gegevens worden gevraagd en op welke wijze deze worden gebruikt in het selectieproces. Brancheorganisaties zouden ook – in navolging van IVBN – een gestandaardiseerd proces kunnen aanbieden aan hun leden (vrijwillig

Door meer transparantie in het wervings- en selectieproces kunnen eventuele discriminerende mechanismen in het proces eerder worden herkend: zowel door de verhuurders als de verhuurmakelaars én bij eventuele toetsing door onafhankelijke derden.

3.5.

Motiveringsplicht bij verhuur

Achtergrond van de maatregel Kandidaat-huurders weten vaak niet op basis waarvan een keuze voor een huurder is gemaakt (de informatie blijft voor hen veelal beperkt tot de mededeling dat zij het niet geworden zijn) en dat kan vermoedens van discriminatie in de hand werken. Een motiveringsplicht, waarin duidelijk gemaakt wordt op welke gronden een keuze is gemaakt zou kunnen bijdragen aan een gevoel van procedurele rechtvaardigheid. 21

Inhoud van de maatregel Bedrijfsmatige verhuurders hebben te maken met Algemene Wet Gelijke Behandeling en de keuze van een huurder moet objectief gerechtvaardigd kunnen worden. Verhuurders moeten dus desgevraagd kunnen uitleggen welke ‘regel’ is toegepast om uit de kandidaat-huurders de uiteindelijke selectie te maken. Dit kan onderdeel zijn van een gestandaardiseerd en transparant proces (zie paragraaf 3.4). Mogelijke regels kunnen bijvoorbeeld zijn: de eerst passende kandidaat met een compleet dossier is geselecteerd, de kandidaat met de langste wachttijd is geselecteerd, of de kandidaat is at random geselecteerd. Deze maatregel gaat vooral over het kunnen expliciteren van de regel. Het verdient natuurlijk aanbeveling als daarbij aandacht wordt besteed aan de regel zelf en getoetst wordt of deze niet (indirect) discriminerend is. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de regel is dat de kandidaat met het hoogste inkomen de woning mag huren. Beoogd effect van de maatregel Vergroten van de transparantie in het selectieproces en versterken van de (gepercipieerde) procedurele rechtvaardigheid.

kandidaat-huurder het vermoeden hebben dat er sprake is van discriminatie en dat deze verhuld wordt met verwijzing naar een andere afwijzingsreden dan kan deze kandidaat-huurder hiervan een melding maken bij een instantie als een ADV, het College voor de Rechten van de Mens of de politie die verder onderzoek kan doen. Randvoorwaarden Tools meegeven aan verhuurders en verhuurbemiddelaars om de motivatieplicht praktisch vorm te kunnen geven. Dit zal veelal betekenen dat het selectieproces transparant moet zijn, d.w.z. duidelijk maken welke regels en systematiek is gevolgd. Verwachte effectiviteit van de maatregel Motiveringsplicht alleen leidt waarschijnlijk tot nietszeggende uitleg. De effectiviteit kan vergroot worden door de motiveringsplicht onderdeel te maken van een transparanter wervings- en selectieproces (zie paragraaf 3.4).

3.6.

Meer regulatie van het woningaanbod

Actoren

Achtergrond van de maatregel

Verhuurders moeten kunnen motiveren hoe het selectieproces heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat zij vooraf moeten nadenken over hoe zij het proces van selecteren van huurders willen inrichten. Door dit onderdeel te laten uitmaken van een gestandaardiseerd en transparant proces kunnen kandidaat-huurders opvragen hoe de selectie tot stand is gekomen. Verhuurders of bemiddelaars moeten hier in algemene termen op kunnen antwoorden, met verwijzing naar de ‘regel’ of systematiek die is gehanteerd. Een partij hoeft in deze fase dus niet uit te kunnen leggen waarom een specifiek persoon is afgewezen voor de woning, maar wel hoe tot de selectiebeslissing is gekomen. Mocht de

Naast het transparanter en objectiever maken van het wervings- en selectieproces kan het particuliere woningaanbod (gedeeltelijk) gereguleerd worden, zodat de toewijzing op basis van andere regels kan plaatsvinden en bijvoorbeeld meer vergelijkbaar is met die van woningcorporaties. Uit onderzoek blijkt dat de kans op discriminatie bij woningcorporaties geringer is dan in de particuliere huursector (vgl. Böcker e.a. 2019: 41-42).

22

Inhoud van de maatregel Gemeenten kunnen via regels in de huisvestingsverordening de woningvoorraad reguleren. Meestal geldt dit alleen voor toewijzing van corporatiewoningen, maar deze maatregel kan ook worden ingezet voor particuliere huurwoningen.17 Meer regulering zou onder andere kunnen plaatsvinden door particuliere woningen te laten verhuren via een bestaand verdelingssysteem bv. Woningnet. In Utrecht gebeurt dit bijvoorbeeld al voor middenhuur nieuwbouw van na 1 januari 2020. De woningtoewijzingsregels die voor corporatiewoningen kunnen dan ook worden toegepast op particuliere huurwoningen.18 Er kan een keuze gemaakt worden in de mate van afdwingbaarheid van deze maatregel. Verhuurders kunnen gestimuleerd worden om vrijwillig hun woning aan te bieden via Woningnet, maar er kan ook voor gekozen worden om in de huisvestingsverordening op te nemen dat woningen tot een bepaalde huurprijs verplicht via Woningnet moeten worden aangeboden. Beoogd effect van de maatregel Woningnet hanteert een transparant en objectief systeem van woningtoewijzing. Door ook andere partijen hiervan gebruik te laten maken wordt ook de transparantie in andere delen van de huurwoningmarkt vergroot. Door

17 Via de huisvestingsverordening kunnen gemeenten ook de zogenaamde ‘Rotterdamwet’ inzetten. Hoogenbosch & Dibbets (2019) wijzen op de mogelijk discriminerende werking van de wet. Door een onderscheid te maken op basis van inkomen wordt een indirect onderscheid gemaakt naar ras en geslacht, omdat immigranten en alleenstaande moeders het zwaarst getroffen worden door werkloosheid. 18 In Utrecht valt ook nieuwbouw in het middensegment onder huisvestingsverordening. Voor deze woningen gelden twee voorrangsregels, namelijk of je een sociale huurwoning achterlaat (en zo de doorstroming bevordert) en een minimale en maximale inkomenseis. Woningnet geeft alle kandidaat-huurders door aan de verhuurder of de verhuurbemiddelaar met een toevoeging wie aan de voorrangsregels voldoet. De verhuurder heeft de vrijheid een huurder uit de hele lijst te kiezen en hoeft daar geen verantwoording over af te leggen.

objectivering van het selectieproces wordt (onbedoelde) discriminatie verminderd. De regelgeving in de huisvestingsverordening kan zo dwingen tot meer transparantie in de toewijzing van woningen. Actoren De gemeente kan in de huisvestingsverordening opnemen op welke woningen de regulering van toepassing is. Verhuurders in dat segment kunnen dan gestimuleerd of verplicht worden om hun woningen te verhuren via een bestaand verdelingssysteem. De gemeente beslist ook welke voorrangsregels voor deze woningen gelden. Dit kunnen dezelfde regels zijn die ook gelden voor de corporatiewoningen, maar er kunnen ook specifieke voorrangsregels worden opgesteld. Bijvoorbeeld voorrangregels die betrekking hebben op het achterlaten van een corporatiewoning om doorstroom te bevorderen, of voorrangregels die betrekking hebben op specifieke doelgroepen (de gemeente Amsterdam doet dit onder andere voor mensen uit de zorg en het onderwijs ). Met de organisatie die de toewijzing verzorgt (in Utrecht is dat SWRU) moeten afspraken gemaakt worden over de wijze waarop het proces van toewijzing wordt vormgegeven. Dat kan op twee manieren: z

z

Verhuurders krijgen rechtstreeks toegang tot het woningverdeelsysteem (bijv. Woningnet). Dit betekent dat zij ook toegang krijgen tot data van huurders. Hiervoor moet dan een verwerkersovereenkomst gesloten worden. Daarnaast is training nodig om met het systeem om te kunnen gaan. De selectie blijft in handen van de partij die ook de corporatiewoningen verdeelt. Deze partij levert aan de verhuurder een gesorteerde kandidatenlijst aan op basis van het geldende toewijzingssysteem. Deze kandidaten kunnen dan bijvoorbeeld de woning bezichtigen en aangeven wel of geen belangstelling te hebben. De persoon die het hoogst geplaatst is op de lijst en belangstelling heeft voor de woning krijgt deze dan toegewezen.

23

Randvoorwaarden Aangezien het hier een vergaande maatregel betreft die diep ingrijpt in de praktijk van verhuren is het belangrijk verhuurders te betrekken bij regulatie, en daarbij te kijken waar eventuele barrières liggen en of daar aan tegemoet gekomen kan worden. Daarnaast is nodig dat er aandacht is voor de toenemende administratieve lasten en financiële kosten bij de uitvoering van het proces. Voor de gemeente Utrecht betreft dit zowel SWRU als Woningnet: zij screenen de huurders én de verhuurders en zouden bovendien een verwerkersovereenkomst moeten sluiten met de verhuurders. Daarnaast kan een toename van het aantal verhuurders en woningen ook meer vragen van woningzoekenden aan het klantcontactcentrum opleveren. De kosten hiervoor moeten ergens belegd worden. Belangrijk is verder dat wanneer verhuurders zelf de selectie verzorgen zij zich committeren aan de waarden transparantie en accountability en dus transparant zijn over het toewijzingsproces. Tot slot is het belangrijk dat kandidaat-huurders ervan op de hoogte zijn dat woningen van particuliere verhuurders (en vrije sectorwoningen van corporaties) via deze gereguleerde manier van toewijzen beschikbaar zijn.

Verwachte effectiviteit van de maatregel De maatregel vermindert discriminatie doordat in een groter deel van de woningmarkt gewerkt wordt met een transparant en objectief toewijzingssysteem.

24

4 4.1.

MAATREGELEN GERICHT OP SANCTIONEREN BIJ DISCRIMINATIE Inleiding

In dit hoofdstuk richten we ons op maatregelen om partijen die zich (herhaaldelijk) schuldig maken aan discriminatie aan te pakken. Het gaat dus om sancties die opgelegd kunnen worden nadat andere maatregelen niet geleid hebben tot verbetering. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat door onvoldoende kennis van regelgeving iemand de fout in is gegaan. Op dat moment zijn andere maatregelen, zoals meer voorlichting en professionalisering meer op zijn plaats. Wanneer echter blijkt dat een partij ook na implementatie van de ‘zachtere’ maatregelen geen verandering laat zien dan bieden de in dit hoofdstuk voorgestelde maatregelen handvaten om steviger op te treden. Voordat we ingaan op die maatregelen besteden we daarom eerst aandacht aan manieren waarop vastgesteld kan worden op wie dergelijke maatregelen van toepassing zijn.

4.2.

Identificeren van de ‘rotte appels’

Om tot sanctioneren over te kunnen gaan moeten de overtreders geïdentificeerd worden. Het is dus zaak vast te stellen of er sprake is van herhaaldelijk discrimineren door dezelfde partij. Achterhalen of sprake is van discriminatie kan via twee routes die eventueel gecombineerd kunnen worden: proactief en reactief.

Bij proactief vaststellen kan de gemeente zelf actief proberen om makelaars en verhuurders die discrimineren op te sporen. Dit kan door het laten uitvoeren van praktijktests en mystery calls door een andere partij, zoals een antidiscriminatievoorziening (ADV). Uit de interviews blijkt dat er bezwaren kleven aan het uitvoeren van deze methodieken door de gemeente zelf. Ten eerste wordt genoemd dat als de gemeente de tests zelf uitvoert of door een onafhankelijk onderzoeksbureau laat uitvoeren weinig met de resultaten kan worden gedaan (anders dan het vaststellen van discriminatie op de woningmarkt). Degene die is gediscrimineerd is immers een fictief persoon, dus deze kan zelf geen aangifte doen van het vermoeden van een strafbaar feit. Een belangenorganisatie zou dat wel kunnen doen. Daarnaast is er discussie of deze methode een vorm van uitlokking van een strafbaar feit betreft. Om als gemeente toch de route van proactief opsporen te bewandelen, kan zij dus onderzoek ondersteunen in de vorm van praktijktesten en mystery calls door een ADV. Deze kan steekproefsgewijs testen waar sprake is van discriminatie en vervolgens in gesprek gaan met die partijen om bewustwording te stimuleren. De ‘verdachte’ verhuurder of verhuurbemiddelaar kan na verloop van tijd opnieuw gecontroleerd worden, zodat duidelijk is dat er geen sprake is van toeval.

De ADV zal vervolgens in gesprek gaan met de betreffende verhuurder of verhuurbemiddelaar om deze te adviseren en handelingsperspectieven te bieden. Mocht de verhuurder of verhuurbemiddelaar structureel discrimineren – eventueel ook ondersteund door individuele praktijktesten van huurders zelf (zie paragraaf 5.5) – dan kan een klacht worden ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens of aangifte worden gedaan bij de politie.19 Zij kunnen dan onderzoek doen of er sprake is van discriminatie en waar nodig sanctioneren. Binnen het strafrecht is de bewijslast zwaarder (er moet onomstotelijk

19 Voor statistisch bewijs dat een partij discrimineert zijn meerdere tests (circa 10) per partij nodig. Om een vermoeden van bewijs juridisch te ondersteunen kan één test volstaan.

25

bewezen worden dat er sprake is van discriminatie). Bij de route via het College voor de Rechter van de Mens moet de verweerder kunnen motiveren dat er geen sprake is geweest van verboden onderscheid in de selectie.

4.3.

Bij het proactief opsporen is het belangrijk om draagvlak te organiseren bij de brancheverenigingen. Dit kan bijvoorbeeld door hen te betrekken bij de praktijktesten en mystery calls die worden uitgevoerd. Een goede communicatie over het doel van deze tests is daarbij belangrijk: de tests zijn echt bedoeld om de malafide partijen te ontdekken en deze aan te pakken. Het vermoeden is dat de partijen die zich herhaaldelijk schuldig blijven maken aan discriminatie, ook na inzet van zachtere maatregelen, wellicht ook op andere aspecten geen Goed verhuurderschap vertonen. Het is ook in het voordeel van de branche zelf dat malafide verhuurders en verhuurmakelaars worden geïdentificeerd.

Een woning verhuren wordt bij deze maatregel gezien als ondernemen: het is bedoeld om er geld mee te verdienen, maar daarbij moet je je – net als bij andere vormen van ondernemen – aan bepaalde voorwaarden houden. Op basis van de verordenende bevoegdheid die een gemeente heeft kan worden ingevoerd dat verhuurvergunningen worden verstrekt onder voorwaarden. Het doel van de maatregel moet een openbaar belang raken (bijvoorbeeld een gezonde woningmarkt, een eerlijke verdeling van schaarse woningen). In de huisvestingsverordening is geregeld hoe zelfstandige woonruimte verdeeld moet worden: eerlijk en doelmatig20 . Die verordening geldt in Utrecht tot middenhuur21 , maar kan opgerekt worden zodat meer woningen daaronder vallen. Verhuurvergunningen worden verstrekt voor een specifiek adres. Een gemeente heeft de mogelijkheid de vergunning in te trekken als de verhuurder structureel op dat adres ‘de fout’ in gaat. In extreme gevallen kan de gemeente de verhuurvergunning intrekken voor alle panden. Daarnaast zou een algemene verhuurdersvergunning kunnen worden verstrekt die vergelijkbaar is met een bemiddelingsvergunning/registratieplicht bij verhuurbemiddelaars (zie paragraaf 4.4). Juist bij discriminerend gedrag ligt het meer voor de hand dat instrumenten zich op de verhuurder richten en niet gekoppeld zijn aan woningen.

Het inzetten van een verhuur(ders)vergunning als instrument heeft dus in belangrijke mate te maken met de beoogde effecten. Liggen deze bijvoorbeeld in het weren van malafide verhuurders of meer bij een eerlijke en doelmatige woonruimteverdeling of bij de leefbaarheid van de woonomgeving.

Bij reactief vaststellen wordt geageerd op een melding van discriminatie door een kandidaat-huurder. Personen die het vermoeden hebben dat ze zijn gediscrimineerd bij het zoeken naar een huurwoning kunnen dit melden (zie ook hoofdstuk 5 over meldingsbereidheid en meldpunten) en vervolgens kan hier onderzoek naar gedaan worden. Zoals we in hoofdstuk 2 uiteen zetten is het onderbouwen van een vermoeden dat er sprake is van discriminatie niet altijd makkelijk, mede omdat niet transparant is welke gegevens van kandidaat-huurders op welke manier door wie worden gebruikt om de uiteindelijke selectie te maken. Bundelen van meldingen over dezelfde verhuurder of verhuurbemiddelaar kan een vermoeden sterker maken. Dit kan dan ook als input dienen voor een klacht bij het College voor de Rechten van de Mens of een aangifte bij de politie.

Invoeren verhuur- en/of verhuurdersvergunning

Achtergrond van de maatregel

20 Volgens een expert laat de huisvestingswet ruimte om in een verordening zaken rond schaarste te regelen. Hiervoor moet aangetoond worden dat discriminatie een negatief effect is van schaarste. 21 Sinds juni 2019 valt in Utrecht ook middenhuur nieuwbouw van na 1 januari 2020 onder de verordening.

26

Inhoud van de maatregel

Randvoorwaarden

Het verstrekken van een vergunning kan op verschillende wijzen wordt ingevuld. Dit ligt bij de betreffende gemeente en hangt af van de beoogde effecten. Het is mogelijk om voor elke woning (eventueel toegespitst op specifieke categorie woningen, bijvoorbeeld bij kamerverhuur) of aan elke verhuurder een vergunning te verstrekken. Deze vergunning kan als uiterste optie worden ingetrokken bij (vastgelegde) geconstateerde misstanden. Onder de intrekkingsgronden moet dan ook discriminatie worden opgenomen (naast eventueel andere zaken die je hier zou willen regelen).

z

z

Beoogd effect van de maatregel Meer zicht op wie in een gemeente verhuurt. Via een verhuurvergunning kan meer gestuurd worden op de verdeling van woningen en de leefbaarheid van de woonomgeving. Via verhuurdersvergunningen kunnen malafide verhuurders op andere gronden geweerd worden van de markt (het kaf van het koren scheiden).

z

Actoren Een vergunningsplicht kan zowel landelijk worden ingevoerd, maar ook lokaal via de verordenende bevoegdheid van een gemeente. De handhaving zou gemeentelijk belegd kunnen worden: de gemeente controleert naar aanleiding van meldingen of er sprake is van een overtreding. Bij constatering van een misstand kan de overtreder hiervan op de hoogte worden gesteld en krijgt deze gelegenheid om de praktijk te verbeteren. Als bij hercontrole22 blijkt dat er geen verbetering is opgetreden kan overgegaan worden tot sanctioneren: het opleggen van een bestuursrechtelijke dwangsom of het intrekken van de vergunning. Het daadwerkelijk intrekken van de vergunning is de uiterste optie.

22 Dit kan een eerste of een tweede hercontrole zijn.

z

z

Om een vergunningstelsel lokaal op te zetten op basis van de verordenende bevoegdheid van de gemeente moet getoetst worden of dit voldoet aan de juridische voorwaarden: dient het doel een openbaar belang, is er sprake van regelgeving op een hoger niveau hierover (en mag je eventueel aanvullend reguleren), en reguleer je binnen de gemeentelijke grenzen. Onderzocht moet worden of er voldoende wettelijke basis is om discriminatie onder te brengen in een verhuur(ders)vergunning. Om een vergunning in te trekken moet er een intrekkingsgrond zijn. Er moet vooraf door de gemeente goed gekeken worden wat er nodig is om een vergunning te kunnen intrekken of een dwangsom op te kunnen leggen. Andere vergunningstelsels (bijvoorbeeld rond horeca of prostitutie) kunnen hier als voorbeeld dienen. Een dergelijk stelsel betekent ook dat capaciteit vrij gemaakt moet worden bij handhaving en toezicht. Dit loopt via het bestuursrecht waarbinnen een sanctie wordt beschouwd als een reparatie van een onrechtmatige situatie (om een sanctie op te leggen hoeft men dus niet langs de rechter23). Voor toezicht en handhaving is een goed kader nodig: hoe constateer je dat sprake is van discriminatie? Deze expertise is nog niet aanwezig bij toezicht en handhaving, zo bleek uit de interviews die we hebben gehouden.

Om effectief te zijn moet de maatregel geen papieren tijger worden: als signaal aan de markt en de malafide verhuurders in het bijzonder is het belangrijk dat ook opvolging wordt gegeven aan het instrument. Er zal gekeken moeten worden of de capaciteit bij toezicht en handhaving voldoende is om deze extra taak op zich te nemen. Goede voorlichting over hoe discriminatie te voorkomen en op welke manier wel gehandeld kan worden (welke informatie mag wanneer over een potentiële huurder opgevraagd worden, op welke gronden mag selectie

23 Bezwaar en beroep tegen de sanctie verloopt wel via de rechter.

27

plaatsvinden, zie ook paragraaf 3.4) moet onderdeel uitmaken van de invoering van een dergelijk stelsel. Verwachte effectiviteit van de maatregel De effectiviteit van een verhuur(ders)vergunning is het grootst als er ook daadwerkelijk wordt gehandhaafd, en als deze wordt ondersteund met maatregelen gericht op voorlichting en professionalisering én in combinatie met een bemiddelingsvergunning (zie ook hoofdstuk 6). Voor de te verwachten effectiviteit kan ook gekeken worden naar de ervaringen met andere vergunningsstelsels (bijvoorbeeld in de horeca) en naar proeven met vergelijkbare achtergronden (bijvoorbeeld de pilot in Groningen met vergunningen voor kamerhuur). Bij de verwachte effectiviteit is het belangrijk rekening te houden met de mogelijke administratieve last. Dit is mede afhankelijk van de lokale situatie en ook of deze maatregel een breder doel dient dan alleen de aanpak van discriminatie. Als deze maatregel ook gericht is op andere vormen van slecht verhuurderschap is de administratieve last eerder acceptabel. Bij een algemene verhuurdersvergunning die vooral gericht is op het bevorderen van de professionaliteit van verhuurders zal de administratieve last waarschijnlijk gering zijn.

4.4. Invoeren bemiddelingsvergunning/registratieplicht Achtergrond van de maatregel Slechts circa 20-30% van de aan- en verhuurmakelaars is lid is van één van de brancheorganisaties (zie paragraaf 2.4). Hierdoor is het zelfreinigend vermogen van de sector beperkt. Lidmaatschap van een brancheorganisatie levert op dit moment leden iets op (zoals voorlichting en ondersteuning), maar kost ook iets (zoals lidmaatschapskosten, naleven van voorschriften uit de branche en vallen onder tuchtrecht). Wanneer de balans in kosten te ver doorslaat (leden worden onderworpen aan verregaande verplichtingen die niet worden onderschreven)

dan bestaat het gevaar dat de baten daar niet meer tegenop wegen en dat het lonender wordt gevonden om geen lid te zijn. De slagkracht van brancheorganisaties is door de lage organisatiegraad op dit moment beperkt. Door het invoeren van een vergunningstelsel of registratieplicht vallen alle bemiddelaars onder hetzelfde regime. Inhoud van de maatregelen Om te kunnen bemiddelen op de particuliere woningmarkt is een vergunning nodig. Deze vergunning kan worden ingetrokken bij geconstateerde misstanden. Het ligt voor de hand een registratieplicht in te voeren, zoals deze bijvoorbeeld ook voor taxateurs geldt, en deze te koppelen aan de bemiddelingsvergunning. Ieder erkende makelaar of bemiddelaar op de woningmarkt moet dan ingeschreven staan bij een register. Op dit moment verloopt registratie van bemiddelaars via Stichting Certificering voor Makelaars (SCVM) en via Vastgoedcert. Bij de brancheorganisaties voor makelaars – NVM, VBO en Vastgoedpro – is registratie een vereiste om lid te mogen zijn. Via de registers en de brancheorganisaties vallen bemiddelaars onder het tuchtrecht. Beoogd effect van de maatregel De maatregel zou moeten bijdragen aan een preventieve werking via voorwaarden voor vergunning en registratie.

Onderdeel van de vereisten kan kennis op het terrein van discriminatie zijn (wanneer is er sprake van discriminatie, hoe voorkom je discriminatoire praktijken en handelingen). Ook het houden aan een gestandaardiseerd en transparant proces hoort daarbij. De maatregel geeft mogelijkheden tot het bestrijden van discriminatie via sancties (intrekken van de vergunning of uitschrijven bij het register).

28

Actoren Op het moment dat een bemiddelingsvergunning gekoppeld aan een registratieplicht wordt ingevoerd kan via het onafhankelijk tuchtrecht worden opgetreden tegen misstanden. Tuchtrecht kan sowieso toezien op non-discriminatie, maar een extra stok achter de deur kan zijn als non-discriminatie expliciet wordt opgenomen in de gedragscodes van de betreffende brancheorganisaties (sommige hebben dit al). Randvoorwaarden Onderdeel van de certificering moet goede voorlichting over discriminatie zijn (zie ook paragraaf 3.2). Een bemiddelingsvergunning moet bij voorkeur landelijk worden ingevoerd omdat anders mogelijk verplaatsingseffecten gaan optreden naar andere gemeenten. Verwachte effectiviteit van de maatregel Men verwacht van deze maatregel een aanzienlijk effect vanwege de gevolgen voor overtreders: de ultieme sanctie is dat bemiddelaars hun beroep niet meer kunnen uitoefenen. Van deze dreiging wordt een afschrikwekkend effect verwacht. Bewijslast van discriminatie blijft lastig, maar zoals we in hoofdstuk 5 uiteenzetten kunnen antidiscriminatievoorzieningen ondersteuning bieden aan kandidaat-huurders om vermoedens van discriminatie steviger te maken en daarnaast op eigen initiatief systematisch en geregeld mystery calls uitvoeren.

4.5.

Sanctioneren via het strafrecht

Achtergrond van de maatregel Iemand die vermoedt gediscrimineerd te zijn bij de selectie voor een huurwoning kan hiervan aangifte doen. Ook andere partijen, zoals een antidiscriminatievoorziening (ADV) kunnen aangifte doen als zij vermoeden dat een verhuurder zich strafbaar maakt aan discriminatie. In het strafrecht geldt dat voor een daadwerkelijke veroordeling onomstotelijk moet worden vastgesteld dat er sprake is geweest van discriminatie op basis van uitsluitingsgronden. Böcker e.a. (2019:33) geven aan dat hun geen situaties bekend zijn van discriminatie bij de verhuur van woningen die strafrechtelijk zijn veroordeeld of zelfs maar voor de strafrechter zijn gebracht. Inhoud van de maatregel (Kandidaat)huurders met een gegrond vermoeden van discriminatie kunnen ondersteund worden bij het doen van aangifte. ADV’s kunnen ook zelf deze rol op zich nemen. Voor slachtoffers van discriminatie kan het een lange en (psychologisch) veeleisende route zijn, die ook nog eens erg onzeker is voor wat betreft de uitkomst. ADV’s of een andere partij die opkomt voor de belangen van huurders kunnen ook aangifte doen wanneer uit praktijktests blijkt dat een verhuurder stelselmatig discrimineert. Beoogd effect van de maatregel Strafrechtelijk aanpakken van stelselmatige plegers van discriminatie. Van veroordeling kan een afschrikkende werking uitgaan.

De vraag is echter of dit in praktijk ook zo werkt, aangezien er geen gevallen bekend zijn waarin een aangifte van discriminatie bij de verhuur van een woning tot vervolging heeft geleid.

29

Actoren Particulieren die een vermoeden hebben van discriminatie kunnen zelf deze weg bewandelen, al dan niet ondersteund door een ADV. Een ADV kan eventueel informatie inwinnen bij het LECD (Landelijk Expertise Centrum Discriminatie) van het OM wanneer een zaak kansrijk is, zodat zij melders hierin goed kunnen adviseren. ADV’s of andere belangenbehartigers kunnen ook zelf meldingen van huurders verzamelen en aangifte doen. Ook kunnen zij aangifte doen op basis van de uitkomsten van praktijktests. Nadat aangifte is gedaan beslist de politie of er een onderzoek komt of niet. Als de politie de zaak doorgeeft aan de officier van justitie kan deze besluiten de zaak niet verder te vervolgen (seponeren), zelf een straf te bepalen of de zaak door te sturen naar de strafrechter.

4.6.

Naming, shaming en faming

Achtergrond van de maatregel

De bewijslast binnen het strafrecht is zwaar: er moet onomstotelijk worden bewezen dat sprake is van discriminatie. De last hiervoor ligt uiteindelijk bij de officier van justitie.

Deze maatregel betreft het publiekelijk bekendmaken van de naam (naming) van een overtredende (shaming) of voorbeeldige ( faming) organisatie, verhuurder of bemiddelaar. De bekendmaking kan via verschillende kanalen. Het College van de Rechten van de Mens publiceert bijvoorbeeld de namen van verweerders op hun site; de gemeente publiceert adressen van handhavingsbesluiten. Andere mogelijke kanalen die bij deze methode worden gebruikt zijn inspectierapporten, openbare registers of persberichten in vakbladen, tijdschriften of kranten. De bedoeling hiervan is dat branchegenoten, belangenorganisaties en (kandidaat) huurders zelf hun goedkeuring (bij faming) of hun afkeuring (bij shaming) kunnen uitspreken over bepaald gedrag en op die manier bijdragen aan het positieve imago, dan wel de reputatieschade van een organisatie of partij. Er zijn effectstudies die beschrijven dat naming en shaming een effectieve handhavingstechniek is (zie bijv. Bavorova & Hirschauer 2012; Bevan & Wilson 2013; Van Erp 2008).

Verwachte effectiviteit van de maatregel

Inhoud van de maatregel

Doordat de strafrechtelijke bewijslast moeilijk rond is te krijgen is dit een onzekere route. Wanneer het lukt om een partij een sanctie op te leggen – hetzij door de officier van justitie, hetzij door de strafrechter – zal er zeker een signaalwerking van uit gaan.24 Voor individuele burgers kan deze weg erg belastend zijn. Ondersteuning door een ADV – of nog liever een procedure vanuit een ADV – verdient dan ook de voorkeur.

Shaming: Namen van verweerders, adressen in handhavingsbesluiten en eventueel partijen waar een dwangsom is opgelegd worden openbaar gemaakt. Om deze shaming effectief te laten zijn kunnen deze actief onder de aandacht worden gebracht van potentiële huurders (bijvoorbeeld via belangbehartigers zoals de woonbond).

Randvoorwaarden

24 Een rechter kan een (on)voorwaardelijke celstraf, geldstraf of taakstraf opleggen.

Faming: in voorlichting aan huurders wordt aangeraden om via verhuurder/ bemiddelaar te huren die is aangesloten bij een branchevereniging en is gecertificeerd/geregistreerd. Ook kunnen bemiddelaars die tijdens praktijktesten en mystery calls goed blijken om te gaan met discriminerende verzoeken een voorbeeldfunctie vervullen voor andere bemiddelaars. 30

Beoogd effect van de maatregel Door de angst voor reputatieschade en daarmee samenhangende financiële gevolgen zullen partijen proberen te voorkomen dat hun naam in verband wordt gebracht met overtredingen zoals discriminatie. Trots en andere positieve emoties die samenhangen met faming kunnen een stimulans vormen voor partijen om zich goed te gedragen.

werkt. Op de woningmarkt is sprake van grote schaarste. Huurders zijn nu al bereid om kwalitatief slechte woningen voor een hoge prijs te huren omdat er weinig alternatieven zijn. De schaarste maakt dat het middel waarschijnlijk niet heel effectief zal zijn als instrument om te sanctioneren. Als potentiële huurders weinig keus hebben zal er altijd wel iemand te vinden zijn die bereid is te huren bij een partij die bekend is gemaakt als overtreder.

4.7.

Meldcode en -plicht voor verhuurbemiddelaars

Actoren Het College voor de Rechten van de Mens publiceert al namen van verweerders, en ziet hiervan effect uitgaan. Vaak proberen verweerders de zaak te schikken om te voorkomen dat hun naam in verband wordt gebracht met discriminatie, zelfs als ze deze mogelijk zullen winnen. De gemeente kan samenwerking met het College en andere partijen opzoeken om shame- en famelijsten van deze partijen onder de aandacht te brengen.

Achtergrond van de maatregel De G4 hebben recent (december 2020) een landelijke invoering van een meldcode Discriminatie voorgesteld. Het gaat hierbij om een meldcode/meldplicht waarbij organisaties en bedrijven discriminerende verzoeken proactief moeten melden. Deze meldcode en -plicht zou moeten gelden voor sectoren waar cruciale maatschappelijke goederen en diensten worden verdeeld (arbeid, inkomen, huisvesting, onderwijs).

Randvoorwaarden Zeker bij shaming is het belangrijk dat er gegrond bewijs is dat er sprake is van discriminatie voor een partij publiekelijk daarmee in verband wordt gebracht. Van gegrond bewijs is bijvoorbeeld sprake na een uitspraak van het College van de Rechten van de Mens of van een bestuurs- of strafrechter. Mocht een partij in verband worden gebracht met discriminatie en dit blijkt later (bij door een rechter) niet bevestigd te worden dan kan de gemeente schadeplichtig gesteld worden. In samenspraak met de Autoriteit Persoonsgegevens moet zorgvuldig bekeken worden wat toegestaan is bij naming en shaming.

Inhoud van de maatregel Actieve meldplicht voor verhuurbemiddelaars. Een dergelijke maatregel kan inhouden dat bemiddelaars die een discriminerend verzoek van een verhuurder ontvangen deze moeten melden. Waar de melding neergelegd moet worden en wat verder met de melding gedaan wordt, is in het voorstel van de G4 nog niet uitgewerkt. De regie zou moeten liggen bij de nieuw in te stellen Nationaal Coördinator Discriminatie en Racisme. In welke mate en op welke manier deze coördinator samenwerkt met ADV’s in het registreren en behandelen van meldingen is nog niet duidelijk.

Verwachte effectiviteit van de maatregel Onderzoek wijst uit dat naming en shaming een effectief middel kan zijn om partijen zich te laten committeren aan wet- en regelgeving en vooral preventief 31

Beoogd effect van de maatregel

Verwachte effectiviteit van de maatregel

Een preventieve en normstellende werking. Door verantwoordelijkheid voor het melden van misstanden als discriminatie te delen wordt een aanspreekcultuur gecreëerd, waarin discriminerend gedrag wordt (h)erkend, gecorrigeerd én waarin het melden ervan een collectieve verantwoordelijkheid is. Een dergelijke maatregel kan een steun in de rug zijn van mensen die te maken krijgen met discriminatie.

De effectiviteit van een absolute meldplicht lijkt gering. Naast het feit dat er nog steeds veel onduidelijkheid bestaat over wanneer er sprake is van discriminatie en er bovendien enige bewijslast moet bestaan, is de maatregel lastig te handhaven. Door inzet van mystery calls kan gecontroleerd worden of partijen zich aan de meldplicht houden. Dit geeft wel een indicatie in welke mate partijen op de hoogte zijn van de plicht, en ernaar handelen. Het is lastiger zicht te krijgen op het bereiken van het achterliggende doel: in welke mate draagt een meldplicht eraan bij dat discriminerende verzoeken door verhuurders verminderen? Om dat in kaart te brengen zou voor invoering van de meldplicht geïnventariseerd moeten worden in hoeverre daar nu sprake van is. Na invoering van de meldplicht kan dan periodiek worden gemeten of daarin een daling zichtbaar is. De maatregel kan wel een signaal afgeven dat discriminatie een probleem is van de samenleving en niet alleen van de gediscrimineerde zelf. Daarmee kan het een steun in de rug vormen van (potentiële) gedupeerden.

Actoren De nieuw aan te stellen Nationaal Coördinator Discriminatie en Racisme dient in het voorstel van de G4 de regie te voeren. Dit kan inhouden dat zij zelf een meldpunt instelt, meldingen registreert en onderzoek doet. Een andere mogelijkheid is dat deze coördinator faciliteert dat een andere partij of partijen deze taken uitvoeren. Randvoorwaarden De code of plicht moet duidelijk omschrijven wanneer wat gemeld moet worden, en hoe meldingen opgevolgd worden. Sommige verzoeken zullen duidelijk herkenbaar zijn als discriminatie, zoals wanneer onomfloerst gevraagd wordt een bepaalde groep uit te sluiten als huurder. Maar discriminerende verzoeken kunnen ook meer verhuld worden gedaan. Omdat discriminatie een concept is met een sterk morele lading (Den Ridder e.a. 2017) zal een bemiddelaar zeker willen zijn dat zij niet onterecht beschuldigen, terwijl zij ook voldoen aan de meldplicht.

32

5 5.1.

MAATREGELEN GERICHT OP ONDERSTEUNING KANDIDAAT-HUURDERS BIJ DISCRIMINATIE Inleiding

Uit onderzoek blijkt dat één op de drie mensen die een huurwoning zochten, vermoedt dat hierbij gediscrimineerd is (Andriessen e.a. 2020: 83). Die vermoedens worden vaak niet omgezet in een melding. Zoals we in het voorgaande hoofdstuk zagen, kunnen meldingen aanleiding geven om verder onderzoek te doen en eventueel te handhaven. Om handhaving op meldingen meer in te kunnen zetten is het belangrijk dat de meldingsbereidheid toeneemt. Instanties als antidiscriminatievoorzieningen (ADV) kunnen kandidaat-huurders met een vermoeden van discriminatie ondersteunen in het vervolg geven aan een melding (zoals bijvoorbeeld een strafrechtelijke route).

5.2.

Oorzaken van lage meldingsbereidheid

Er zijn diverse oorzaken aan te wijzen die verklaren waarom meldingsbereidheid in het algemeen laag is onder mensen die discriminatie ervaren. Deze oorzaken lijken ook relevant te zijn bij ervaren discriminatie op de woningmarkt.

Weinig bekendheid van mogelijkheden tot melden Onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) toont aan dat een substantieel deel van de Nederlandse bevolking niet weet dat ze discriminatie kunnen melden bij een meldpunt of antidiscriminatievoorziening (49% is bekend met de mogelijkheid tot melden) of bij het College voor de Rechten van de Mens (41% is bekend met de mogelijkheid tot melden) (Andriessen e.a. 2020). Dat men discriminatie bij de politie kan melden is onder een groter deel van de bevolking bekend (71%). Bij de politie komen echter nauwelijks meldingen binnen die betrekking hebben op ongelijke behandeling (vooral negatieve bejegening en bedreiging en geweld), terwijl ongelijke behandeling bij de ADV’s de meest voorkomende wijze van discriminatie-ervaringen is (Discriminatiecijfers 2019). Dit suggereert dat mensen met specifieke ervaringen specifieke instanties opzoeken en dat de meldingen bij de politie van discriminatie op de woningmarkt dan ook zeer beperkt zullen zijn. Melden heeft weinig zin Andriessen en collega’s (2014) onderzochten de redenen waarom mensen geen melding maken van hun discriminatie-ervaring en splitsten deze uit naar het terrein waarop de discriminatie werd ervaren. Het terrein waaronder discriminatie-ervaringen bij het huren van een woning viel betrof ‘instanties’.

Tabel 5.1 geeft de redenen weer waarom mensen die discriminatie hadden meegemaakt door ‘instanties’ deze ervaring(en) niet hebben gemeld. Bijna de helft van de mensen met een discriminatie-ervaring die zich afspeelde in contact met instanties geeft aan dat zij niet melden omdat ze denken dat het toch geen zin heeft. Dit is nog steeds een brede antwoordcategorie waar meerdere zaken onder kunnen vallen, zoals de overtuiging dat melden niet tot vermindering van discriminatie leidt of het ontstane probleem (lastig een woning kunnen vinden) niet oplost. 33

In een recenter onderzoek is gevraagd naar de behoeften van mensen met een discriminatie-ervaring (Andriessen e.a. 2020). Bijna driekwart van de mensen met een discriminatie-ervaring gaf aan dat zij willen dat discriminatie ophoudt. Onder de mensen met een discriminatie-ervaring die daar melding van heeft gedaan is dit zelfs 91%. Maar iets meer dan de helft (53%) van deze 91% geeft aan dat melden aan deze behoefte heeft bijgedragen. Dat mensen aangeven dat melden geen zin heeft, kan betekenen dat zij het gevoel hebben dat een melding er niet voor zorgt dat de discriminatie ophoudt. Een melding kan mogelijk opvolging hebben doordat een instantie helpt bij het aanspreken van een makelaar of verhuurder door wie de potentiële huurder discriminatie vermoedt. Dit kan bijvoorbeeld de vorm hebben van hoor en wederhoor via een ADV. Er wordt dan uitgezocht of er mogelijk sprake is van discriminatie en men kan proberen te komen tot bemiddeling (of juist doorverwijzing). De gediscrimineerde kan tegen dit traject op zien, maar kan ook vooraf het gevoel hebben dat een woning door deze tijd- en energie kostende actie niet noodzakelijk dichterbij komt. Tabel 5.1: Redenen om discriminatie-ervaringen in contact met instanties niet te melden (meerdere antwoorden mogelijk), in procenten Reden

Percentage

Melden heeft toch geen zin

46%

Ik ben er niet zeker van dat het discriminatie was

23%

Ik vond het niet belangrijk genoeg

19%

Het kost me te veel tijd en moeite om te melden

18%

Ik wist niet dat je zoiets kan melden en waar dat kan

16%

Ik heb het zelf opgelost

11%

Ik ben bang dat ik dan in de problemen kom

8%

Andere reden

10%

Niet weten of je bent gediscrimineerd Een andere reden die veel wordt genoemd om niet te melden (23%) is dat mensen niet zeker weten of iets discriminatie was. Men heeft wel een vermoeden, bijvoorbeeld omdat er sprake is van veel afwijzingen, maar men kan niet hard maken dat de afwijzingen zijn vanwege een bepaald persoonskenmerk. Ook op de woningmarkt is het voor individuele huurders lastig te achterhalen of er sprake is van discriminatie. Dit heeft een aantal oorzaken. Ten eerste zal er ook bij bewust discrimineren door verhuurders en makelaars vaak sprake zijn van verhulling. Dat discriminatie bij wet verboden is, is algemeen bekend, en er zijn daarom niet veel professionals die een afwijzing zullen motiveren met een verwijzing naar een specifiek persoonskenmerk. Gezien de krapte op de woningmarkt zullen meerdere potentiële huurders voor elke woning worden afgewezen en is het dus relatief makkelijk om in de bulk van afwijzingen te verstoppen dat afwijzingen samenhangen met persoonskenmerken. Bovendien wordt aan verhuurders en makelaars vaak niet gevraagd om een afwijzing te motiveren. Een andere reden waardoor het voor (potentiële) huurders lastig is te weten of zij te maken hebben met discriminatie is dat het proces van verhuren weinig transparant is.

Huurders weten vaak niet hoe de informatie die zij aanleveren wordt gewogen en op basis van welke criteria een uiteindelijke keuze wordt gemaakt. Dit maakt het lastig te weten of in die afweging oneigenlijke gronden een rol hebben gespeeld. Tot slot beschikt een individuele huurder vaak over te weinig informatie om zeker te weten dat er sprake is van discriminatie. Om te weten of je bijvoorbeeld vanwege je migratie-achtergrond bent afgewezen moet je eigenlijk ook weten hoe het anderen is vergaan die geen migratie-achtergrond hebben. Maar individuele huurders beschikken voornamelijk over hun eigen ervaringen en niet over het bredere plaatje. Dat maakt het op individueel niveau lastig te weten of er sprake is van systematische achterstelling of uitsluiting (Andriessen 2017).

Bron: Andriessen e.a. (2014)

34

5.3.

Voorlichting verbeteren

Achtergrond van de maatregel Niet alleen verhuurders en bemiddelaars weten vaak niet goed wanneer er sprake is van discriminatie, ook voor huurders zelf is dit soms lastig. Transparantie over het proces van werving en selectie op de particuliere huurwoningmarkt helpt een huurder om te weten welke regels gelden. Voorlichting over de rechten en plichten tijdens het wervings- en selectieproces (welke informatie mag in welke fase gevraagd worden door een verhuurder of een bemiddelende instantie en wat gebeurt er met deze gegevens?) en hoe je discriminatie kan herkennen kan ertoe bijdragen dat kandidaat-huurders met een vermoeden van discriminatie minder twijfelen en eerder geneigd zijn te melden. In dat kader helpt het ook als breed onder de aandacht wordt gebracht waar men laagdrempelig kan melden (zie ook paragraaf 5.4). Inhoud van de maatregel Het ontwikkelen van een brochure voor kandidaat-huurders met informatie specifiek gericht op het huren van een woning: welke informatie mag in welke fase gevraagd worden door een verhuurder of een bemiddelende instantie en wat gebeurt er met deze gegevens? Voor concrete maatregelen hierover verwijzen we naar hoofdstuk 3. Daarnaast is het ook van belang kandidaat-huurders te informeren over wat ze kunnen doen bij een vermoeden van discriminatie en liefst zo concreet mogelijk.

Hierbij verwijzen we ook weer naar de brochure van het Belgische UNIA als voorbeeld.

zou een deel van de onzekerheid van kandidaat-huurders met een vermoeden van discriminatie weg moeten nemen en zo de bereidheid vergroten om melding te maken. Actoren De rijksoverheid zou een rol kunnen spelen in het (laten) ontwikkelen van een dergelijke brochure en deze actief te verspreiden. Het gaat er hierbij om dat huurders – en ook verhuurders en verhuurbemiddelaars – hun rechten en plichten kennen én dat ze geactiveerd worden om hun rechten te halen en hun plichten na te komen (zie voor een uitgebreidere bespreking paragraaf 3.2). Randvoorwaarden Maak de brochure goed toegankelijk voor een zo breed mogelijk publiek: in begrijpelijke taal. Het kan ook zinvol zijn de informatie in meerdere talen aan te bieden. Verwachte effectiviteit van de maatregel De maatregel zal discriminatie an sich niet verminderen, maar draagt wel bij aan het beter herkennen van situaties waarin sprake kan zijn van discriminatie. Dat en een betere bekendheid van waar men discriminatie laagdrempelig kan melden kan bijdragen aan het vergroten van de meldingsbereidheid.

5.4.

Inzet van praktijktests om meldingsbereidheid te stimuleren

Beoogd effect van de maatregel Kandidaat-huurders meer inzicht geven in hoe de woningmarkt zou moeten functioneren, welke rechten en plichten zij en andere spelers hebben en hoe ze mogelijke misstanden als discriminatie kunnen herkennen. Die informatiebasis

Achtergrond van de maatregel Zoals eerder vermeld zijn huurders er niet altijd zeker van dat zij te maken hebben met discriminatie. Hun vermoedens kunnen echter wel versterkt 35

worden doordat zij te weten komen dat er sprake is van discriminatie op de woningmarkt. Zeker wanneer dit feitelijk is vastgesteld. Zo nam het aantal meldingen van discriminatie bij verhuur van woningen spectaculair toe in Gent nadat daar via herhaalde praktijktests geconstateerd was dat er sprake is van feitelijke discriminatie op de woningmarkt en hier bekendheid aan is gegeven. Ook in Nederland zien we een dergelijk fenomeen: de ervaren discriminatie bij het zoeken naar een huurwoning is in 2018 fors hoger dan in 2013 (Andriessen e.a. 2020). Mogelijk heeft dit te maken met het onderzoek dat De Groene Amsterdammer in 2018 uitvoerde waaruit bleek dat woningzoekenden met een Nederlands klinkende naam aanzienlijk vaker een uitnodiging krijgen dan woningzoekenden met een Marokkaanse achternaam, en dat verhuurmakelaars veelal meegaan in discriminerende verzoeken (Elibol & Tielbeke 2018).

discriminatie (Andriessen e.a. 2020). Van degenen die discriminatie melden is dit vaak ook een reden om hun verhaal te delen. Ze willen hiermee laten zien dat discriminatie impact heeft op het leven van mensen. Door daar bekendheid aan te geven hopen zij een bijdrage te kunnen leveren aan het voorkomen dat andere mensen ook slachtoffer worden (bijvoorbeeld door bewustwording). Voor melders hoeven meldingen dus niet altijd tot ‘straf’ te leiden, maar is het ook voldoende als discriminatie als fenomeen door hun melding zichtbaarder wordt en daardoor beter bestreden kan worden. Actoren De gemeente kan periodiek subsidie verlenen voor het laten doen van praktijktests en/of mystery calls. Zie ook paragraaf 4.2.

Inhoud van de maatregel Praktijktests en mystery calls kunnen periodiek worden ingezet. Het hoofddoel hiervan kan zijn te monitoren in welke mate er sprake is van discriminatie op de particuliere huurwoningmarkt (monitoring) of in welke mate ingezette maatregelen effectief zijn (evalueren). Als bijvangst blijkt dat bekendheid geven aan de resultaten mensen sensitiever kan maken voor mogelijke discriminatie, en daarmee herkenning van discriminatoire situaties vergroot (Andriessen 2017). Betere herkenning kan een factor vormen in een grotere meldingsbereidheid. Beoogd effect van de maatregel Meldingsbereidheid vergroten doordat bevindingen uit praktijktest zorgen voor een betere herkenning van discriminatie door kandidaat-huurders op de particuliere huurwoningmarkt. Onderzoek laat zien dat 55% van de mensen met een discriminatie-ervaring er behoefte aan heeft dat duidelijk wordt gemaakt dat mensen last hebben van

Randvoorwaarden Het onderzoek waarbij praktijktests en mysterycalls worden gebruikt moet zorgvuldig en methodologisch correct worden opgezet en uitgevoerd, zodat de resultaten valide zijn. Verwachte effectiviteit van de maatregel Het breed onder de aandacht brengen van resultaten van praktijktests kan helpen in de bewustwording dat discriminatie op de woningmarkt een rol speelt. Dat kan leiden tot meer herkenning en/of een toename van meldingen van discriminatie, omdat discriminatie eerder als een van de mogelijke verklaringen wordt overwogen voor een negatief resultaat (afwijzing). Er spelen echter meer factoren een rol bij de meldingsbereidheid naast herkenning van een situatie als mogelijk discriminatie, zoals weten waar je kan melden, vertrouwen hebben in die organisatie, tijd nemen om te melden, etc. Als aan die voorwaarden niet wordt voldaan zal het effect van deze maatregel alleen beperkt zijn. 36

5.5.

Melden nog laagdrempeliger maken

Achtergrond van de maatregel Mensen weten vaak niet waar ze met hun vermoeden van discriminatie naartoe kunnen. Hier meer bekendheid aan geven is daarom een belangrijke stap in het vergroten van de meldingsbereidheid. Dit kan via diverse kanalen. Hierboven noemden we al het informatiemateriaal voor huurders waarin ook opgenomen moet worden waar men terecht kan bij (vermoede) misstanden. Voor het melden van discriminatie zijn dat bijvoorbeeld de antidiscriminatievoorzieningen en het College voor de Rechten van de Mens. Uit onderzoek blijkt echter dat mensen eerder geneigd zijn om een melding te doen bij de instantie, organisatie of het maatschappelijk domein waarop de discriminatie plaatsvond en minder bij een instantie die zich op alle vormen van discriminatie richt (Andriessen e.a. 2020). Zo melden mensen discriminatie op de werkvloer bijvoorbeeld eerder bij een leidinggevende dan bij een ADV. Dat betekent dat het aanbeveling verdient om naast de hiervoor genoemde kanalen ook een meldpunt te installeren bij een loket of dienst waar huurders ook voor andere zaken omtrent huren terecht kunnen. In Utrecht kan zo’n meldpunt bijvoorbeeld worden ondergebracht bij Huurteam Utrecht.

Huurteam Utrecht staat in opdracht van de gemeente Utrecht huurders bij op de particuliere huurmarkt als er (mogelijke) misstanden zijn met betrekking tot de huurprijs, servicekosten, onderhoud, en/of contractuele bepalingen. Op de site van het huurteam zou een digitale meldknop voor discriminatie ingericht kunnen worden. Meldingen die hier worden gedaan kunnen doorgeleid worden naar Art1Midden-Nederland, zodat er centrale bundeling van meldingen plaatsvind. Ook op de site van de Woonbond zou zo’n meldknop met doorgeleiding naar een centraal landelijk meldpunt ingericht kunnen worden.

Inhoud van de maatregel Op diverse goed vindbare plekken meldknoppen instellen die doorleiden naar een centraal punt. Logisch lijkt om meldingen van Utrechtse huurders door te leiden naar Art1 Midden-Nederland, en om meldknoppen op landelijke sites als die van de Woonbond door te laten leiden naar een landelijk meldpunt. Ook brancheverenigingen kunnen mensen met vermoedens van discriminatie ondersteunen in het doen van een melding, door een meldpunt in te stellen. Een aantal brancheverenigingen hebben dit al. NVM heeft bijvoorbeeld een meldpunt voor niet-integer handelen waar ook discriminatie gemeld kan worden. Een branchevereniging behoort dan onderzoek in te stellen naar dit vermoeden en bij geconstateerde misstanden een uitspraak laten doen via de tuchtrechter. Tot op heden wordt er bij deze meldpunten nauwelijks discriminerend gedrag gemeld, zo werd ons tijdens de interviews verteld. Beoogd effect van de maatregel Melden laagdrempeliger maken en daarmee de meldingsbereidheid vergroten. Door diverse goedvindbare meldknoppen door te leiden naar een centraal meldpunt, worden meldingen centraal gebundeld en wordt het beter mogelijk om op basis van de meldingen inzicht te krijgen in hoe het probleem er uitziet. Actoren Samenwerking tussen verschillende partijen die meldknoppen op hun websites plaatsen die meldingen doorleiden naar antidiscriminatievoorzieningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=b9377adb-1ddf-4c80-98ad-e8308f3d276c