Nadere onderzoeken_ ecologie
Tekst van het document
5.2.2
Utrechtse- en rode lijstsoorten
Ree De ree heeft een voorkeur voor een bosachtige omgeving met open plekken en weiland. Ten oosten van het stedelijk gebied van Utrecht is dit habitat aanwezig. Onverstoorde rustplaatsen zijn hier echter schaars. Ondanks de geïsoleerde ligging tussen spoorwegen en de A27 is het niet uitgesloten dat het bos in zone 1 mogelijk een belangrijke functie als rustplaats vervult voor de ree. Er zijn namelijk waarnemingen van de ree op de onderzoekslocatie bekend bij de NDFF, welke zijn gedaan op het grasland in zone 2. Verder vormen de graslanden geschikt foerageergebied voor deze soort. Gedurende de dag worden jonge reekalven door de moeder op een veilige locatie achtergelaten. Door de lengte van het gras en de rustige ligging zijn de graslanden in zone 2, 4 en 10 geschikt voor reekalven om gedurende de dag te schuilen. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden met
34
invloed op zone 1, 2, 4 en 10, wordt daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soort geldt geen strenge bescherming onder de Wet natuurbescherming. Vos In zone 6 is een vermoedelijk vossenhol aangetroffen. Daarnaast zijn waarnemingen van de vos op de onderzoekslocatie bekend bij de NDFF. De omliggende zones fungeren, door de aanwezigheid van geschikt habitat naar verwachting als primair foerageergebied voor de vos. Daarnaast dient het omliggende groen als verbinding met het buitengebied, waar het foerageergebied zich naar verwachting bevindt. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden op de onderzoekslocatie, wordt daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soort geldt geen strenge bescherming onder de Wet natuurbescherming. Konijn en haas Op de onderzoekslocatie zijn meerdere waarnemingen van konijnen bekend bij de NDFF en in de directe omgeving ook van de haas. In de bramenruigte in zone 1, 3, 6 en 24 zijn daarnaast mogelijk holen aanwezig van het konijn en legers van de haas. Het kort gemaaide grasland in zone 11 biedt daarnaast optimaal foerageergebied voor het konijn en de haas. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in deze zones, wordt het daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soorten geldt geen strenge bescherming onder de Wet natuurbescherming.
Muizen Van de bosmuis, huisspitsmuis, rosse woelmuis en de veldmuis zijn waarnemingen bekend bij de NDFF in de omgeving van de onderzoekslocatie. Waar de rosse woelmuis een voorkeur heeft voor bossen met voldoende ondergroei en veldmuizen een voorkeur hebben voor open grasland, komen de bosmuis en de huisspitsmuis en Nederland in vrijwel alle habitattypen voor. Op basis hiervan kan worden gesteld dat de aanwezigheid van muizensoorten voor alle ecologische zones, op de watergangen in zone 23 na, niet is uit te sluiten. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden, wordt het daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soortgroep geldt geen strenge bescherming onder de Wet natuurbescherming.
5.3 Vleermuizen Vleermuizen hebben een divers habitat bestaande uit verschillende onderdelen, zoals verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden, die met elkaar in verbinding staan. Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, Brandt's vleermuis, tweekleurige vleermuis, baardvleermuis, bosvleermuis, vale vleermuis, franjestaart en watervleermuis. Alle vleermuizen in Nederland vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. In deze paragraaf zijn alleen de soorten opgenomen die volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en de aanwezigheid van geschikt habitat mogelijk voor kunnen komen op de onderzoekslocatie.
5.3.1
Verblijfplaatsen
35
Er kan onderscheid worden gemaakt tussen gebouwbewonende vleermuizen en boombewonende vleermuizen. Gebouwbewonende vleermuizen kunnen onder andere verblijfplaatsen hebben in spouwmuren, achter gevelbetimmering, daklijsten, vensterluiken, onder dakpannen en gevelspleten. Op het woonerf in zone 5 (figuur 5.4) zijn geschikte verblijfsmogelijkheden voor vleermuizen aanwezig, vanwege de ruimte onder de overhangende kantpannen en de aanwezigheid van kieren in de geval en onder de daklijst. De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en de gewone grootoorvleermuis. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, kraamverblijf, baltsverblijf en als individueel winterverblijf. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 5, wordt het daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soortgroep geldt een strenge bescherming onder de Wet natuurbescherming. De aanwezige bomen in zone 1, 3, 5, 14 en 19 op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze konden door het bladerdek echter niet volledig geïnspecteerd worden en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen niet uit te sluiten.
Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 1, 3, 5, 14 en 19 wordt het daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). De gevoelige zones zijn weergegeven in figuur 5.4.
5.3.2
Vliegroutes
Vleermuizen gebruiken een netwerk aan vliegroutes om zich veilig te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Een vliegroute dient als een echo-oriënterende structuur, biedt de benodigde beschutting tegen weeromstandigheden en bescherming tegen predatoren. Donkere lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen, lanen en houtwallen genieten de voorkeur doordat zij aan de gestelde eisen van een functionele vliegroute voldoen. Bij gebrek aan dergelijke elementen worden lijnvormige elementen zoals gevels van gebouwen gebruikt. Enkele vleermuissoorten gebruiken daarnaast watergangen als vliegroute. Vleermuizen maken niet altijd gebruik van vliegroutes en kunnen zich ook diffuus verspreiden of op foeragerende wijze een patroon volgen om op de gewenste locaties uit te komen. In hoeverre een vliegroute essentieel wordt geacht voor een lokale populatie vleermuizen is van diverse factoren afhankelijk. Het zwaartepunt ligt op de frequentie waarin vleermuizen de vliegroute gebruiken, het aantal individuen en vleermuissoorten in combinatie met het aanbod aan alternatieven van éénzelfde of soortgelijke kwaliteit vliegroute in de directe omgeving. De lijnvormige elementen op de onderzoekslocatie betreffen de watergang in zone 12 en zowel de oost als de westkant van het wilgenbos in zone 19.
Doordat beide elementen voor een noord-zuid verbinding zorgen tussen potentiële verblijfplaatsen in de wijk Lunetten en de foerageergebieden in het buitengebied, is hier mogelijk sprake van een essentiële vliegroute. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 12 en 19 wordt het daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). De gevoelige zones zijn weergegeven in figuur 5.4.
36
Figuur 5.4. Gevoelige zones voor vleermuizen op basis van het uitgevoerde veldbezoek en gegevens van het NDFF-uitvoerportaal.
5.3.3
Foerageergebieden
Vleermuizen gebruiken een netwerk aan foerageergebieden om voedsel te vinden. De hoeveelheid aan foerageergebieden die een lokale vleermuispopulatie behoeft, is afhankelijk van de kwaliteit en kwantiteit van de foerageergebieden. Op basis hiervan in combinatie met overige factoren, kunnen sommige foerageergebieden als essentieel worden geacht voor lokale populaties vleermuizen. Foerageergebieden van vleermuizen variëren van voor- en achtertuinen in stedelijke omgeving tot stadsparken, begraafplaatsen, bosranden en open windstille percelen. In hoeverre een foerageergebied essentieel wordt geacht voor een lokale populatie vleermuizen is van diverse factoren afhankelijk. Het zwaartepunt ligt op de frequentie waarin vleermuizen het foerageergebied gebruiken, het aantal individuen en vleermuissoorten in combinatie met het aanbod aan alternatieven van éénzelfde of soortgelijke kwaliteit in de direct omgeving. Door de aanwezigheid van structuurrijk groen, fungeert de gehele onderzoekslocatie in potentie als foerageergebied voor vleermuizen. Wanneer ontwikkelingen zullen leiden tot significante afname van het oppervlak groen op de onderzoekslocatie, wordt het daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soortgroep geldt een strenge bescherming onder de Wet natuurbescherming.
5.4 Reptielen Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. In deze paragraaf worden de soorten besproken die volgens gegevens van de NDFF en het aanwezige habitat voor zouden kunnen komen op de onderzoekslocatie.
37
Ringslang De ringslang is gebonden aan waterrijke omgevingen veelal gelegen op zandgronden en/of overgangen van veen- en kleigronden naar zandgronden. Om een volledige levenscyclus te volbrengen, moet het habitat aan verschillende eisen voldoen. Er dienen foerageergebieden langs oeverranden met voldoende beschutting aanwezig te zijn. Daarnaast dienen er open plekken aanwezig te zijn ter opwarming van deze thermofiele dieren. Om eieren in af te zetten, maken ringslangen gebruik van broeihopen. Deze broeihopen bestaan uit vochtig organisch materiaal die door zonlicht verwarmd worden. Uit het NDFF-uitvoerportaal zijn meerdere waarnemingen bekend van de ringslang nabij de watergang ten oosten van de onderzoekslocatie. De watergangen in zone 12 en 15 worden geschikt geacht als aquatisch foerageergebied voor de ringslang. De oeverzone loopt geleidelijk af, waarbij er een uitbundige watervegetatie aanwezig is. Ringslangen kunnen zich verplaatsen via (delen van) de watergang en gebruik maken van zonbeschenen rustplaatsen op de oevers. Daarnaast kunnen zij in potentie foerageren langs de oevers. Onder het dichte bramenstruweel in zone 1, 3, 10, 6 en 24 is mogelijk een strooisellaag aanwezig die in potentie geschikt wordt geacht als overwinteringshabitat. Daarnaast vormen de composthopen in zone 6 en 24 geschikte broeihopen voor de ringslang.
Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 1, 3, 6, 10, 12, 15 en 24 (figuur 5.5) wordt het daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soort geldt een strenge bescherming onder de Wet natuurbescherming.
Figuur 5.5. Gevoelige zones voor ringslang op basis van het uitgevoerde veldbezoek en gegevens van het NDFF-uitvoerportaal.
5.5 Amfibieën Amfibieën zijn gebonden aan zowel terrestrische als aquatische habitats en worden op verschillende manieren beschermd onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Op basis van de verspreidingsgegevens van de NDFF, de geïsoleerde ligging van de onderzoekslocatie en het aanwezige habitat, kan het voorkomen 38
van streng beschermde amfibieën op voorhand worden uitgesloten. In deze paragraaf worden wel de rode lijstsoorten en de soorten die worden beschermd onder de Utrechtse soortenlijst besproken, die volgens gegevens van de NDFF en het aanwezige habitat voor zouden kunnen komen op de onderzoekslocatie.
5.5.1
Utrechtse- en rode lijstsoorten
De gewone pad komt in vele habitats voor en heeft een voorkeur voor kleinschalig, gevarieerd landschap. Ze schuwen de mens niet en komen voor in tuinen, parken en ruderale terreintjes. In tegenstelling tot veel andere amfibieën is de gewone pad wel goed in staat om zich voort te planten in wateren met een hoge visstand. Uit het NDFF-uitvoerportaal zijn meerdere waarnemingen bekend van de gewone pad op de onderzoekslocatie. De bruine kikker heeft een uitgesproken voorkeur voor habitats met bos en struweel maar komt in Nederland voor in vrijwel alle habitattypen. De bastaardkikker heeft een lichte voorkeur voor zon beschenen wateren maar komt ook algemeen voor in vrijwel alle habitattypen net als de kleine watersalamander. De watergangen in zone 12 en 15 bieden door de aanwezigheid van voldoende waterplanten geschikt voortplantingshabitat voor amfibieën. Overwintering van deze amfibieën vindt op land (en in het water) plaats onder stenenstapels, takkenrillen of bladerhopen. Deze elementen zijn aanwezig in zone 1, 6, 9, 19 en 24. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 1, 6, 9, 12, 15, 19 en 24 (figuur 5.6) wordt het daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soorten geldt echter uitsluitend een beleidsmatige bescherming en de zorgplicht.
Figuur 5.6. Gevoelige zones voor amfibieën op basis van het uitgevoerde veldbezoek en gegevens van het NDFF-uitvoerportaal.
5.6 Vissen Vissen zijn gebonden aan aquatische habitats en worden op verschillende manieren beschermd onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Voor veel algemeen voorkomende soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling onder de Wet natuurbescherming. Deze zijn echter soms wel beschermd in
39
de gemeente Utrecht als onderdeel van de Utrechtse soortenlijst en daarnaast staan sommige vissoorten door de recente achteruitgang op de rode lijst. In dit hoofdstuk zijn de soorten opgenomen die volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en de aanwezigheid van geschikt habitat mogelijk voor kunnen komen op de onderzoekslocatie.
5.6.1
Wet natuurbescherming
Grote modderkruiper De grote modderkruiper komt vooral voor ondiepe wateren en verlandingszones van watergangen, waar een dikke sliblaag en een uitbundige waterplantengroei aanwezig is. De voortplanting vindt ook plaats in ondiepere warme delen van het water, op plekken met waterplanten, takken, boomwortels of andere structuurrijke elementen. De juveniele dieren groeien verder op in ondiepe plantenrijke oeverzones. De watergangen in zone 12 en 15 bieden door de aanwezigheid van voldoende waterplanten geschikt voortplantingshabitat en leefgebied voor de grote modderkruiper. De watergang in zone 15 is echter mogelijk alleen bij een hoog waterpeil bereikbaar voor de grote modderkruiper. Daarnaast is uit het NDFF-uitvoerportaal een waarneming bekend van de grote modderkruiper in de watergang in zone 12. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 12 en 15 (figuur 5.7), wordt daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soort geldt een wettelijke beschermingsplicht.
5.6.2
Utrechtse- en rode lijstsoorten
Kleine modderkruiper De kleine modderkruiper is op de rode lijst vermeld als kwetsbaar. Deze soort heeft een voorkeur voor ondiepe wateren met een rijke plantengroei en een zandige bodem, eventueel met een dunnen sliblaag. De soort komt voor in vrijwel alle wateren in Nederland, waaronder sloten, vaarten, kanalen, riviertjes, beken, plassen en meren. De eieren worden afgezet tussen waterplanten en als deze ontbreken tussen stenen, takken of boomwortels. De watergangen in zone 12 en 15 (bij hoog waterpeil) bieden door de aanwezigheid van voldoende waterplanten geschikt voortplantingshabitat en leefgebied voor de kleine modderkruiper. Daarnaast is uit het NDFFuitvoerportaal een waarneming bekend van de kleine modderkruiper in de watergang in zone 12. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 12 en 15 (figuur 5.7) wordt daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soort geldt echter uitsluitend een beleidsmatige bescherming en de zorgplicht.
40
Figuur 5.7. Gevoelige zones voor grote- en kleine modderkruiper op basis van het uitgevoerde veldbezoek en gegevens van het NDFF-uitvoerportaal.
41
5.7 Insecten Insecten zijn vaak gebonden aan specifieke habitats en de aanwezigheid van bepaalde plantensoorten als voedselbron van waardplanten voor hun voortplanting. Door het verlies van deze habitats staat deze soortgroep enorm onder druk. Toch worden slechts enkele soorten beschermd onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Om deze reden krijgen sommige insectensoorten een extra bescherming in de gemeente Utrecht als onderdeel van de Utrechtse Soortenlijst. In deze paragraaf worden de rode lijstsoorten en soorten die worden beschermd onder de Wet natuurbescherming of de Utrechtse soortenlijst besproken, die volgens gegevens van de NDFF en het aanwezige habitat voor zouden kunnen komen op de onderzoekslocatie.
5.7.1
Wet natuurbescherming
Dagvlinders Uit het NDFF-uitvoerportaal zijn meerdere waarnemingen bekend van de grote vos en de grote weerschijnvlinder in de omgeving van de onderzoekslocatie. Daarnaast zijn in zone 1, 14 en 19 zijn verschillende wilgensoorten aanwezig, zoals, grauwe wilg, boswilg, populier en zoete kers, welke door de grote vos (alle soorten) en de grote weerschijnvlinder (boswilg en grauwe wilg) worden gebruikt als waardplant. Gezien de aanwezigheid van geschikt leefgebied is het daarom niet uitgesloten dat zone 1, 14 en 19 worden gebruikt als voortplantingslocatie door de grote vos en de grote weerschijnvlinder. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 1, 14, 19 (figuur 5.8) wordt daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soorten geldt een wettelijke beschermingsplicht.
Figuur 5.8. Gevoelige zones voor grote vos en grote weerschijnvlinder op basis van het uitgevoerde veldbezoek en gegevens van het NDFF-uitvoerportaal.
42
Nachtvlinders Uit het NDFF-uitvoerportaal zijn waarnemingen bekend van de teunisbloempijlstaart in de omgeving van de onderzoekslocatie. Deze soort komt voor in habitats met vochtige loofbossen en warme open plekken, dit habitat is aanwezig op de onderzoekslocatie. Waardplanten van deze nachtvlinder zijn de teunisbloem, het wilgenroosje, de kattenstaart en de basterdwederik. Volgens de uitgevoerde vegetatieopname en gegevens van de NDFF is de, teunisbloem waargenomen in zone 9 en 18, de basterdwederik waargenomen in zone 21 en de grote kattenstaart in zone 12, 16, 18 en 20. In zone 2 zijn daarnaast vergelijkbare groeiplaatsen aanwezig. Gezien de aanwezigheid van geschikt leefgebied en waardplanten is het daarom niet uitgesloten dat zone 2, 12, 16, 18, 20 en 21 worden gebruikt als voortplantingslocatie door de teunisbloempijlstaart. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 2, 9, 12, 16, 18, 20 en 21 (figuur 5.9), wordt daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soort geldt een wettelijke beschermingsplicht.
Figuur 5.9. Gevoelige zones voor nachtvlinders en libellen (groen) op basis van het uitgevoerde veldbezoek en gegevens van het NDFF-uitvoerportaal.
Libellen Uit het NDFF-uitvoerportaal zijn diverse waarnemingen bekend van de gevlekte witsnuitlibel in het Beatrixpark, gelegen op 300 meter ten noordwesten van de onderzoekslocatie. Deze soort komt onder andere voor in laagveen moerassen of sloten met een rijke water- en oevervegetatie. Dit habitat is aanwezig in zone 12, waardoor het niet uitgesloten is dat deze zone wordt gebruikt als voortplantingslocatie door de gevlekte witsnuitlibel. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 12 (figuur 5.9), wordt daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soort geldt een wettelijke beschermingsplicht.
43
5.7.2
Utrechtse soortenlijst
Bijen Wilde bijen leiden in Nederland erg onder het verlies van geschikt habitat. Om deze reden zijn verschillende bijensoorten onderdeel van de Utrechtse soortenlijst. Het betreft de gewone slobkousbij, grote klokjesbij, kattenstaartdikpoot, klokjesdikpoot, lathyrusbij en de resedamaskerbij. Deze bijensoorten zijn specialisten die vrijwel uitsluitend op vaste drachtplanten worden gezien. Deze drachtplanten betreffen grote wederik (gewone slobkousbij), grote kattenstaart (kattenstaartdikpoot), soorten uit de klokjesfamilie (grote klokjesbij en klokjesdikpoot), vlinderbloemen zoals wikke, luzerne, klavers en veldlathyrus (lathyrusbij) en de wilde reseda en wouw (resedamaskerbij). Op basis van de uitgevoerde vegetatieopname en gegevens van de NDFF zijn (een deel) van deze drachtplanten in grote hoeveelheden aanwezig in zone 2, 16, 18, 19, 20 een 21. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 2, 16, 18, 19, 20 en 21 (figuur 5.10), wordt daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soorten geldt echter uitsluitend een beleidsmatige bescherming en de zorgplicht.
Figuur 5.10. Gevoelige zones voor bijen van de Utrechtse soortenlijst en rode lijst op basis van het uitgevoerde veldbezoek en gegevens van het NDFF-uitvoerportaal.
5.7.3
Rode lijstsoorten
Dagvlinders Uit het NDFF-uitvoerportaal zijn waarnemingen bekend van het icarusblauwtje en het bruinblauwtje op de onderzoekslocatie. Deze soorten komen in vrijwel heel Nederland voor in open landschappen met voldoende kruidenrijke vegetatie, dit habitat is aanwezig op de onderzoekslocatie. Waardplanten van het icarusblauwtje zijn vlinderbloemen zoals wikke, luzerne, klavers en veldlathyrus, de waardplanten van het bruin blauwtje zijn diverse soorten ooievaarsbek. Op basis van de uitgevoerde vegetatieopname en gegevens van de NDFF zijn (een deel) van deze drachtplanten in grote hoeveelheden aanwezig in zone 2, 16, 18, 20 een 21. Wanneer
44
ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 2, 16, 18, 20 en 21 (figuur 5.11), wordt daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soorten geldt echter uitsluitend een beleidsmatige bescherming en de zorgplicht.
Figuur 5.11. Gevoelige zones voor dagvlinders van de Utrechtse soortenlijst en Rode lijst op basis van het uitgevoerde veldbezoek en gegevens van het NDFF-uitvoerportaal.
Bebandeerde dwergzandbij Binnen de grenzen van de onderzoekslocatie zijn enkele zeldzame bijensoorten die op de rode lijst staan. Het betreft de gebandeerde dwergzandbij, die op de rode lijst als ‘bedreigd’ is opgenomen. Deze soort wordt zelden in Nederland waargenomen. Plantensoorten uit de kruisbloemfamilie worden voornamelijk gebruikt als voedselbron. Hoewel de nestelgewoontes van deze soort onbekend zijn, is uit onderzoek van EIS kenniscentrum insecten gebleken dat de gebandeerde dwergzandbij in Zuid-Holland alleen wordt waargenomen in dynamische pioniersmilieus (Reemer, 2017). Hieronder vallen dynamische zones in het rivierengebied en zijn waarnemingen bekend van de maasvlakte, een verstoven dijk bij Hoek van Holland en het talud van een recent aangelegde snelweg bij Rijswijk. Het gronddepot en de bouwplaats in zone 17 zorgen voor de aanwezigheid van een dergelijk ecosysteem op de onderzoekslocatie. De locatie van de waarneming uit het NDFF-uitvoerportaal, die enkele meters ten zuiden van zone 17 werd gedaan, ondersteund deze hypothese. In deze zone werden tevens geschikte voedselplanten, zoals de zandkool waargenomen. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 17 (figuur 5.12) wordt daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soort geldt echter uitsluitend een beleidsmatige bescherming en de zorgplicht.
45
Figuur 5.12. Verspreiding van bijen van de rode lijst op basis van gegevens van het NDFF-uitvoerportaal.
Duinmaskerbij Een andere soort die volgens de gegevens van het NDFF-uitvoerportaal is waargenomen op de onderzoekslocatie is de duinmaskerbij. Deze soort is op de rode lijst opgenomen als ‘gevoelig’. Het is een soort die van nature voorkomt in de duinen in biotopen met stuifduinen en dauwbraamlandschappen. Nesten van de duinmaskerbij worden namelijk gevonden aan bramenstengels. De duinmaskerbij voedt zich voornamelijk met reseda en duizendblad. Het gronddepot en de bouwplaats in zone 17 simuleren in dit geval een stuifduinlandschap op de onderzoekslocatie. Daarnaast is uit de vegetatieopname en gegevens van het NDFF-uitvoerportaal gebleken dat bramen en dauwbramen aanwezig zijn op de onderzoekslocatie en dat de wilde reseda voorkomt in zone 18 en mogelijk zone 16, aangrenzend aan het gronddepot. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 16, 17 en 18 (figuur 5.12), wordt daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soort geldt echter uitsluitend een beleidsmatige bescherming en de zorgplicht. Gewone tubebij De laatste Rode lijst bijensoort die volgens de gegevens van het NDFF-uitvoerportaal is waargenomen op de onderzoekslocatie betreft de gewone tubebij. Deze soort is op de rode lijst opgenomen als ‘kwetsbaar’.
Het is een soort die parasiteert op de grote klokjesbij, de gewone tubebij en de tronkenbij en zal hierdoor profiteren van de aanwezigheid van een geschikt habitat voor deze waardsoorten. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in geschikt habitat van de waardsoorten, in zone 2, 16, 18, 20 en 21 (figuur 5.12), wordt daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soort geldt echter uitsluitend een beleidsmatige bescherming en de zorgplicht. Kalkdoorntje Een andere zeldzame soort waarvan een populatie aanwezig is op de onderzoekslocatie volgens de gegevens van het NDFF-uitvoerportaal, is het kalkdoorntje. Deze zeldzame sprinkhaan komt vooral voor in Zuid-Limburg en op een aantal locaties in het rivierengebied. Het habitat waarvan deze soort afhankelijk is, betreffen warme
46
zonbeschenen, kale bodems en kalkrijke graslanden, welke aanwezig zijn langs rivieroevers, zandafgravingen en onverharde wegen (Eekelder, 2014). Dit habitattype is door verschillende elementen aanwezig op de onderzoekslocatie. De waarnemingen van het kalkdoorntje zijn voornamelijk gedaan in zone 16 en 18, tussen de spoorweg en het gronddepot in zone 17. Het talud waarop de spoorweg is gelegen heeft hier een zuidelijke oriëntatie, waardoor hier en warm microklimaat ontstaat. Daarnaast is hier een onverharde weg aanwezig, die dienst doet als toegangsweg naar het gronddepot en de bouwplaats. De kale bodem op deze weg vormt tevens geschikt habitat voor het kalkdoorntje, doordat deze is omgeven door ruige bermen. Uit de vegetatieopname en gegevens van het NDFF-uitvoerportaal is daarnaast gebleken dat er in deze bermen meer kalkminnende soorten, zoals de bijenorchis, heelblaadje, wilde marjolein en echte lampionplant, aanwezig zijn dan op de rest van de onderzoekslocatie. Mogelijk is de bodem rond het gronddepot en de bouwplaats kalkrijker dan de rest van de onderzoekslocatie door uitspoeling en verstuiving van gebiedsvreemde, kalkrijke bodem vanuit het gronddepot. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 16, 17 en 18 wordt daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soort geldt echter uitsluitend een beleidsmatige bescherming en de zorgplicht.
Waarnemingen van het kalkdoorntje op d onderzoekslocatie zijn weergegeven in figuur 5.13.
Figuur 5.13. Verspreiding van het kalkdoorntje op basis van de gegevens van het NDFF-uitvoerportaal.
47
5.8 Weekdieren Dwerg-korfslak De dwerg-korfslak is een zeldzame soort waarvan waarnemingen bekend zijn op de onderzoekslocatie volgens de gegevens van het NDFF-uitvoerportaal. Deze soort komt in Nederland het meest algemeen voor op relatief droge plaatsen in het duin- en rivierengebied. De dwerg-korfslak wordt onder andere gevonden onder struweel en in mossen. Mogelijk heeft de uitspoeling van uitspoeling en verstuiving van gebiedsvreemde, kalkrijke bodem vanuit het gronddepot in zone 17 ook geschikt habitat gecreëerd voor de dwergkorfslak. Waarnemingen van de dwergkorfslak werden echter alleen gedaan in het struweel in zone 7 en 21. Vergelijkbaar habitat is aanwezig, dichterbij het gronddepot, in zone 18. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 7, 17, 18 en 21 wordt het daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Waarnemingen van de dwerg-korfslak op de onderzoekslocatie zijn weergegeven in figuur 5.14. Voor deze soort geldt echter uitsluitend een beleidsmatige bescherming en de zorgplicht.
Figuur 5.14. Verspreiding van de dwergkorfslak op basis van gegevens van het NDFF-uitvoerportaal.
48
5.9 Vaatplanten 5.9.1
Utrechtse soortenlijst
Vaatplanten zijn soms gebonden aan zeer specifieke groeiplaatsen en zijn hierdoor in sommige gevallen kwetsbaar. De Utrechtse soortenlijst biedt daarom bescherming aan diverse vaatplanten. Op basis van de vegetatieopname die is uitgevoerd op 19 oktober 2023 en de gegevens van het NDFF-uitvoerportaal zijn de volgende Utrechtselijstsoorten aanwezig op de onderzoekslocatie: bijenorchis, brede wespenorchis, rietorchis, grote kattenstaart, grote kaardenbol, veldlathyrus, zwanenbloem, wilde marjolein, wilde reseda, grote wederik, ruig klokje, brede lathyrus (figuur 5.15).
Figuur 5.15. Verspreiding van vaatplanten van de Utrechtse soortenlijst op basis van de uitgevoerde vegetatieopname en gegevens van het NDFF-uitvoerportaal.
Kalkminnende soorten De rietorchis, bijenorchis, brede wespenorchis, wilde reseda, wilde marjolein, ruig klokje hebben de voorkeur voor groeiplaatsen met een kalkhoudende bodem. Deze soorten worden, met uitzondering van de rietorchis, met name aangetroffen in zone 16, 18 en 19 in de noordoostelijke hoek van de onderzoekslocatie, rond het gronddepot en de bouwplaats in zone 17. Mogelijk is de bodem rond het gronddepot en de bouwplaats kalkrijker dan de rest van de onderzoekslocatie door uitspoeling en verstuiving van gebiedsvreemde, kalkrijke bodem vanuit het gronddepot. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 16, 17, 18 en 19 wordt het daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soorten geldt echter uitsluitend een beleidsmatige bescherming en de zorgplicht. Soorten van vochtige graslanden en oevers De grote wederik, grote kaardenbol, zwanenbloem, grote kattenstaart, rietorchis zijn planten die vaak langs oevers en op vochtige graslanden worden aangetroffen, in verschillende zones is dit habitat aanwezig op de 49
onderzoekslocatie. Waarnemingen van deze soorten van vochtige graslanden en oevers gedaan in zone 12, 21 en 23. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 12, 21 en 23 wordt het daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soorten geldt echter uitsluitend een beleidsmatige bescherming en de zorgplicht. Soorten van matig voedselrijke graslanden De veldlathyrus en de brede lathyrus zijn planten die voornamelijk te vinden in matig voedselrijke graslanden. Dit habitat is aanwezig in de kruidenrijke graslanden in zone 2, 16 en 21. Waarnemingen van de brede Lathyrus en de veldlathyrus hebben tevens betrekking op deze zones. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 2, 16 en 21 wordt het daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soorten geldt echter uitsluitend een beleidsmatige bescherming en de zorgplicht.
5.9.2
Rode lijstsoorten
Op basis van de vegetatieopname die is uitgevoerd op 19 oktober 2023 en de gegevens van het NDFF-uitvoerportaal zijn de volgende rode lijstsoorten aanwezig op de onderzoekslocatie: gewone agrimonie, welkriekende agrimonie, schijnraket en polei (figuur 5.16).
Figuur 5.16. Verspreiding vaatplanten van de rode lijst op basis van de uitgevoerde vegetatieopname en gegevens van het NDFF-uitvoerportaal.
De gewone- en welriekende agrimonie werden waargenomen in het gemengde wilgenbos in zone 19 en langs de bosranden in zone 21. De schijnraket werd waargenomen in de kruidenrijke wegbermen in zone 16 en de polei in het vochtige grasland in zone 18. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 16, 19 en 21, wordt het daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soorten geldt echter uitsluitend een beleidsmatige bescherming en de zorgplicht.
50
5.10 Blad- en levermossen Uit het NDFF-uitvoerportaal zijn waarnemingen bekend van het zeldzame kalksmaltandmos op de onderzoekslocatie. Het kalksmaltandmos staat als ‘bedreigd’ op de rode lijst. In Nederland groeit deze soort vooral in kalkrijke duingraslanden in de kustregio. Oorspronkelijk kwam de soort ook in Limburg voor, waar hij door de achteruitgang van de kalkgraslanden vrijwel is verdwenen. De aanwezigheid van kalkminnende plantensoorten op de onderzoekslocatie duidt op een kalkhoudende bodem, dit wordt mogelijk veroorzaakt door uitspoeling en verstuiving van gebiedsvreemde, kalkrijke bodem vanuit het gronddepot in zone 17. De waarneming van het kalksmaltandmos uit het NDFF-uitvoerportaal had betrekking op het kruidenrijke grasland in zone 21, daarnaast is vergelijkbaar habitat aanwezig in zone 16 en 18. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 16, 17, 18 of 21, wordt het daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soort geldt echter uitsluitend een beleidsmatige bescherming en de zorgplicht.
Figuur 5.17. Verspreiding van kalksmaltandmos op basis van de gegevens van het NDFF-uitvoerportaal.
51
5.11 Korstmossen Uit het NDFF-uitvoerportaal zijn waarnemingen bekend van het zeldzame kalksmaltandmos op de onderzoekslocatie. Het kalkrozijnenmos is een korstmos dat op zowel stenige ondergrond als bomen wordt aangetroffen. De soort leeft in synbiose met de algen van het geslacht Nostoc, de aanwezigheid van deze algen is daarom een vereiste voor het voorkomen van het kalkrozijnenmos. Het kalkrozijnenmos is in Nederland zeer zeldzaam en staat als ‘gevoelig’ op de rode lijst. De waarnemingen van het kalkrozijnenmos zijn onder andere gedaan op een esdoorn in de groenstrook in zone 7 (figuur 5.18). Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 7, wordt het daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soort geldt echter uitsluitend een beleidsmatige bescherming en de zorgplicht.
Figuur 5.18. Verspreiding van kalkrozijnenmos op basis van de gegevens van het NDFF-uitvoerportaal.
52
6
ADVIES
6.1 Vervolgonderzoek en ontheffing Wet natuurbescherming De voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie zal naar verwachting alleen direct effect hebben op zone 1 t/m 15. Dit zijn de zones die aan de westkant van het centrale fietspad zijn gelegen. Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. Voor de soorten die vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming geldt namelijk een wettelijke beschermingsplicht. Dit houdt in dat in het kader van de voorgenomen herontwikkelingen, mogelijk ontheffing nodig is van de Wet natuurbescherming, wanneer negatieve effecten op beschermde soorten aan de orde zijn. Om ontheffing van de Wet natuurbescherming te kunnen verkrijgen dient nader ecologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Aan de hand van dit onderzoek wordt meer informatie verkregen over de functie van de onderzoekslocatie voor deze soorten, waardoor geschikte compenserende en mitigerende maatregelen kunnen worden bepaald. Deze maatregelen dienen ter goedkeuring te worden voorgelegd bij de Provincie doormiddel van een activiteitenplan.
In tabel 6.1 wordt per zone weergegeven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen (werken volgens ecologische werkprotocol) overtreding is te voorkomen. Verder wordt weergegeven voor welke soorten nader onderzoek noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. Tabel 6.1. Benodigde nader onderzoeken per ecologische zone indien werkzaamheden worden uitgevoerd (verklaring tabel: N = Nader onderzoek noodzakelijk, Z = Werken conform de zorgplicht (ecologisch werkprotocol) en G = Geen vervolgstappen noodzakelijk).
53
Voor de overige soorten die in hoofdstuk 5 genoemd zijn, zoals het kalkdoorntje, het konijn, de gewone tubebij en het kalksmaltandmos, geldt een beleidsmatige bescherming in de gemeente Utrecht. Voor deze soorten geldt daarom geen wettelijke noodzaak tot het uitvoeren van nader onderzoek omdat overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soorten bij de uitvoering van een ruimtelijke ingreep niet aan de orde is.
6.2 Behouden en mitigeren van rust- en voortplantingsplaatsen Voor veel soorten zijn geschikte elementen aanwezig op de onderzoekslocatie om als rust- of voortplantingsplaats te dienen. Vleermuizen en vogels kunnen verblijven in de bebouwing in zone 5, of in holtes en nesten in zone 1, 14 en 19 Kleine marterachtigen kunnen bijvoorbeeld gebruik maken van de takkenrillen of stenenstapels in zone 1 en 9 of de (vermoedelijke) vossenburcht in zone 6. Amfibieën en de ringslang overwinteren mogelijk onder organisch materiaal in zone 1, 3, 10, 6 en 24 of in het sediment op de bodem van een watergang zoals zone 12. Zone 12 en zone 15 fungeren voor amfibieën daarnaast waarschijnlijk ook als voortplantingslocatie. Ook insecten zijn afhankelijk van specifieke elementen voor hun voortplanting, zoals de aanwezigheid van vergraafbaar zand of waardplanten. Door verblijfsmogelijkheden te behouden kan verstoring van de betreffende soorten vaak op voorhand worden voorkomen. Naast dat dit belangrijk is voor het behoud van de natuurwaarden binnen het gebied, kan het tijdig treffen van maatregelen het vergunningstraject versnellen. Wettelijk bestaan er verschillen tussen de bescherming van soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en Utrechtse- en rode lijstsoorten.
De genoemde maatregelen in deze paragraaf hebben hierdoor soms striktere betrekking op bepaalde soorten dan andere afhankelijk van het beschermingsregime/lijst. Verstoringsvrije zone rond verblijfplaatsen Om de vaste rust- en voortplantingsplaatsen in het leefgebied van de aanwezige soorten te beschermen dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van deze elementen wanneer werkzaamheden in de betreffende zones uitgevoerd zullen worden. Ten eerste is het van belang dat de potentiële rust- en voortplantingsplaatsen, zoals holen, takkenrillen, holtes en kieren in bebouwing of bomen en watergangen zoveel mogelijk behouden blijven. Hierbij is het fysiek behouden van een potentiële rust- of voortplantingsplaats niet het enige dat van belang is. Het verliezen van de verbinding met andere belangrijke elementen in het leefgebied zoals foerageergebieden kan ook leiden tot functionaliteitsverlies van de rust- of voortplantingsplaats. De functie van verbindende elementen in het landschap zal verder worden toegelicht in paragraaf 6.4. Verder kan verstoring optreden in de vorm van bijvoorbeeld geluid, trillingen, optiek, licht of chemie leiden tot het verloren gaan van de functionaliteit van de verblijfplaats. Het wordt daarom geadviseerd om verstoringsvrije zones aan te houden rond de betreffende verblijfplaats.
De grootte van een dergelijke verstoringsvrije zone hangt af van de gevoeligheid van de soort en de intensiteit van de verstoring. Fasering van werkzaamheden De werkwijze die gehanteerd wordt bij de uitvoering van de voorgenomen ontwikkelingen heeft een grote invloed op het al dan niet verloren gaan van rust- of voortplantingsplaatsen op de onderzoekslocatie. Zo kan verstoring worden beperkt door gefaseerd te werken. Wanneer altijd minimaal 50% van een bepaald habitat behouden blijft zullen er alternatieven aanwezig blijven in de directe omgeving. De onderzoekslocatie zal hierdoor niet direct zijn functie als voortplantingslocatie verliezen, voor de aanwezige soorten. Bijvoorbeeld: de koolmees is gebonden aan holtes in oude bomen om als voortplantingslocatie te dienen. Dit habitat is aanwezig in zone 1, 54
14 en 19. Door altijd minimaal 50% van het habitat in deze zones te behouden kan worden voorkomen dat de koolmees geen voortplantingsmogelijkheden meer heeft op de onderzoekslocatie, waardoor de noodzaak tot aanvullend onderzoek en een ontheffingsaanvraag wordt voorkomen.. Ecologisch werkprotocol Het onderhavige onderzoek betreft een potentie-onderzoek, waarin niet de exacte locaties van rust- en voortplantingsplaatsen kunnen worden bepaald. Om deze reden wordt geadviseerd om, naast de wettelijk beschermde soorten (paragraaf 7.1), tevens soortenspecifiek onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen voor beleidsmatig beschermde soorten (Utrechtse soortenlijst en soorten met een provinciale vrijstelling) en bijvoorbeeld rode lijstsoorten voor welke mogelijke vaste rust- en voortplantingsplaatsen aanwezig zijn op de onderzoekslocatie. Aan de hand van dit onderzoek kunnen specifieke maatregelen worden bepaald om behoud van de aanwezige rust- en voortplantingsplaatsen te garanderen. Deze maatregelen kunnen worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol, waarmee mogelijk het verlies van de functionaliteit van rust- en voortplantingsplaatsen kan worden voorkomen.
Alternatieve verblijfplaatsen Naast het behouden van de rust- en voortplantingsplaatsen die in de huidige situatie aanwezig zijn, kan worden voorgesorteerd door ruimte te behouden voor verblijfsmogelijkheden in de toekomstige situatie. Denk hierbij aan het inbouwen van vleermuiskasten en neststenen voor gebouwbewonende vogelsoorten in de nieuwbouw, het ophangen van nestkasten aan bomen of het aanleggen van takkenrillen, stenenstapels, poelen of broeihopen. Hierbij is het van belang dat deze verblijfsmogelijkheden in verbinding staan met andere elementen in het leefgebied van de doelsoort. Daarnaast zijn er diverse variabelen die het succes van alternatieve verblijfplaatsen bepalen, zoals de oriëntatie, de ophanghoogte van kasten, de aanwezigheid van een vrije aanvliegroute of bijvoorbeeld de aanwezigheid van voldoende dekkingsmogelijkheden of voedselbronnen in de omgeving. Het wordt daarom geadviseerd om een ecoloog in te schakelen bij het treffen integreren van alternatieve rust- en voortplantingsplaatsen in de toekomstige inrichting. Wanneer uit aanvullend onderzoek blijkt dat overtreding van de Wet natuurbescherming mogelijk aan de orde is met het oog op de voorgenomen ontwikkelingen, is ontheffing noodzakelijk. In veel gevallen zal het in deze situatie verplicht zijn om mitigerende maatregelen te nemen.
Voor vleermuis- en vogelkasten geldt een gewenningstermijn van 3-6 maanden in het actieve seizoen. Door mitigerende maatregelen vroegtijdig in de plannen te betrekken en ruim voorafgaand aan de ontwikkeling te treffen kan vertraging van de werkzaamheden in potentie worden voorkomen.
55
6.3 Behouden en verbeteren van ecologische corridor Volgens het document ‘Actualisatie Groenstructuurplan 2017’ van de gemeente Utrecht vervult de onderzoekslocatie een (wenselijke) groene verbinding in de gemeente (figuur 6.1). Hierin vormt de onderzoekslocatie een groene noord-zuid verbinding langs de A27 verbindt het onder andere de faunapassage over de A27 langs de Koningsweg, gelegen op ongeveer 350 meter ten noorden van de onderzoekslocatie, met park de Koppel. In het kader van deze functie dient minimaal een groene verbindingszone met een noord-zuid oriëntatie behouden blijven op de onderzoekslocatie. Afhankelijk van de doelsoorten dient deze corridor een minimale breedte te hebben van 25 (diverse kleine zoogdieren, amfibieën en insecten) tot 100 meter (boommarter of ree). Een schematische weergave van een corridor met een breedte van 100 meter is weergeven met het groene vlak in figuur 6.2. Gezien de locatie van de toekomstige nieuwbouw, ten westen van het centrale fietspad, dreigt deze functie niet verloren te gaan binnen de voorgenomen herontwikkeling.
Figuur 6.1 Visiekaart actualisatie groenstructuur 2017 (bron: gemeente Utrecht)
De spoorwegen ten noorden en ten zuiden van de onderzoekslocatie en de begeleidende hekwerken vormen op dit moment een ecologische barrière voor veel soorten. Hierdoor zal de ecologische corridor langs de A27 op dit moment niet optimaal functioneren. Om deze situatie te verbeteren dient de ecologische barrière doorbroken te worden, wat kan resulteren in een ecologische verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Het
56
doorbreken van de barrière aan de noordzijde van de onderzoekslocatie is tevens opgenomen in het document ‘Actualisatie Groenstructuurplan 2017’. Aanvullend hierop kan de barrière aan de zuidzijde ook verbeterd worden door maatregelen te treffen. De verbeterlocaties zijn weergegeven in figuur 6.2.
Figuur 6.2. Ecologische corridor (breedte 100 meter) op de onderzoekslocatie en potentiële verbeterlocaties.
Op de twee oostelijke verbeterlocaties kan en verbinding worden gerealiseerd door het aanleggen van faunapassages. Faunapassages kunnen op verschillende manieren worden gerealiseerd. Zo kunnen faunabuizen worden aangelegd onder het spoor door, welke afhankelijk van de diameter geschikt zijn voor diverse insecten, kleine zoogdieren (vos, marterachtigen, muizen), amfibieën en reptielen indien lichtroosters worden toegevoegd. Wanneer grotere passagemogelijkheden zoals tunnels of een ecoducten worden gerealiseerd kunnen deze ook worden gebruikt door grotere zoogdieren zoals de ree. De gekozen geschiktheid van de verschillende opties is hierdoor afhankelijk van de gekozen doelsoorten van de corridor. Aan zowel de noord- als de zuidkant van de onderzoekslocatie bevinden zich fietstunnels onder de spoorwegen door. Deze tunnels kunnen voor verschillende soorten, zoals vleermuizen en kleine zoogdieren, mogelijk al functioneren als faunapassage in de huidige situatie. Door de verlichting uit te schakelen kan deze verbinding verbeterd worden voor vleermuizen. Met het oog op de sociale veiligheid kan tevens gebruik worden gemaakt van ‘slimme’ verlichting, die aanslaat wanneer een fietser passeert, of vleermuisvriendelijke verlichting. Vleermuisvriendelijke verlichting is amberkleurig en wordt gericht toegepast, waardoor strooilicht wordt voorkomen.
57
6.4 Natuur in de randzone van stedelijk gebied van Utrecht Rond de gemeente Utrecht is er, mede door de groei van het stedelijk gebied gedurende de afgelopen decennia, vaak sprake van een harde overgang tussen het stedelijk gebied en het buitengebied. In deze buitenste schil bevinden zich over het algemeen nieuwbouwwijken, industrie en sportcomplexen en parkachtig ingericht groen. Deze functies grenzen in veel gevallen direct aan agrarische percelen, hooguit gescheiden door een provinciale weg of de ring Utrecht. Omdat in deze agrarische gebieden weinig ruimte beschikbaar is voor bijvoorbeeld struweel of kruidenrijk grasland, is hier geen leefgebied aanwezig voor veel soorten. Hierdoor bestaat er rond het stedelijk gebied een strakke scheiding voor de aanwezige soorten, voorkomend in deze omgeving. Wat resulteert in een slechte verbinding tussen het stedelijk gebied en het buitengebied. In tegenstelling tot het bovenstaande is op de onderzoekslocatie sprake van een zachte overgang tussen het stedelijk gebied en het buitengebied. Zo voorziet de onderzoekslocatie in stedelijke functies zoals bewoning, recreatie en een gronddepot, maar heeft het extensief beheerde groen ook belangrijke functies voor de natuur.
Hierdoor is sprake van een minder harde overgang tussen het buitengebied en stedelijk gebied op deze locatie, waardoor soorten de kans krijgen om verder richting het stedelijk gebied te trekken. Daarnaast zijn er in deze randzone specifieke habitats aanwezig, welke vrij schaars zijn of volledig ontbreken binnen de gemeente Utrecht. Een dergelijke zachte randzone is daarom van groot ecologisch belang en belangrijk om te behouden. Dit kan door ruimte te bewaren in het plangebied waar ruigtevegetaties zich kunnen ontwikkelen door extensief beheer. Daarnaast dienen locaties met voldoende rust bewaard te blijven binnen het plangebied.
6.5 Behouden van unieke biotopen 6.5.1
Kruidenrijke graslanden en bermen
De kruidenrijke graslanden en wegbermen in zone 2, 16 en 21 zijn van grote ecologische waarde voor de lokale flora en fauna (figuur 6.3). Naast dat deze bermen groeiplaatsen bieden aan verschillende zeldzame plantensoorten, is de productiviteit van deze biotoop van belang als foerageergebied voor diverse diersoorten. Het blad en de nectar in de kruidenrijke vegetatie wordt gegeten door insecten. De diversiteit van de plantensoorten in deze zones zorgt voor geschikte voedselbronnen voor diverse specialistische soorten. Door het maaibeheer in deze zones heeft de aanwezige vegetatie de kans om zaad te ontwikkelen, wat ook wordt gegeten door verschillende insecten, kleine zoogdieren en zaad etende vogels, zoals de kneu. De insecten en muizen die op deze voedselbronnen afkomen vormen vervolgens zelf weer een voedselbron voor grotere zoogdieren, zoals de vos en marterachtigen, (roof)vogels, vleermuizen, reptielen en amfibieën. Deze biotoop biedt daarnaast een voortplantingslocatie voor diverse insecten, grondbroedende vogels en muizen.
58
Figuur 6.3 Weergave van de biotoop ‘kruidenrijk grasland’ op de onderzoekslocatie.
Om de belangrijke ecologische functies van de kruidenrijke graslanden en bermen te behouden op de onderzoekslocatie dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van deze biotoop bij de gebiedsinrichting in de toekomstige situatie. Het is daarbij van belang dat voldoende ruimte beschikbaar is om in te richten als kruidenrijk grasland, zowel in de tijdelijke als de permanente situatie. Indien kruidenrijk grasland verloren gaat binnen de voorgenomen ontwikkeling dient minimaal 50% van het totale oppervlak behouden te blijven. Dit geldt ook voor de tijdelijke situatie, indien mogelijk wordt geadviseerd om de werkzaamheden gefaseerd uit te voeren. Daarnaast kan rekening gehouden worden met de aanwezige ecologische functies door het maaibeheer hierop aan te passen. Door niet meer dan vier keer per jaar, gefaseerd in stroken te maaien (bijvoorbeeld door sinusbeheer) blijft een deel van de kruidenrijke vegetatie behouden. Dit resulteert in een divers kruidenrijk grasland, wat zich in verschillende stadia van successie bevindt. Dit komt de biodiversiteit ten goede en daarnaast is hierdoor jaarrond nectar beschikbaar voor insecten zoals zweefvliegen, wespen en bijen en heeft het zaad voldoende tijd om zich te ontwikkelen. Dit heeft ook effect op alle soorten die zich hoger in de voedselketen bevinden en aan deze biotoop gebonden zijn.
59
6.5.2
Structuurrijk struweel en ruigte
Het open landschap met struweel in zone 6, 10, 18, 20 en 24 is van grote ecologische waarde als schuil- en voortplantingslocaties voor diverse diersoorten (figuur 6.4). Door agrarisch landgebruik en het vermoedelijke opvullen van sloten met organisch materiaal zijn hier voedselrijke omstandigheden ontstaan, welke hebben geleid tot een ruig begroeid terrein. De bramenruigte die is ontstaan in deze zones zorgt voor structuur en verklaart hierdoor bijvoorbeeld het voorkomen van rode lijst vogelsoorten zoals de roodborsttapuit en de kneu op de onderzoekslocatie. De bramenruigte biedt geschikte nestlocaties aan deze soorten in het verder open landschap. Daarnaast worden deze struiken gebruikt als schuilplaats door grondgebonden zoogdieren zoals de wezel en het konijn. De struiken worden door grondgebonden zoogdieren graag gebruikt om holen onder te graven. Ook voor de ringslang en diverse amfibieën biedt de strooisellaag onder de ruigtevegetatie een geschikte overwinteringslocatie. Ringslangen gedijen daarnaast ook goed in een structuurrijke omgeving met voldoende afwisseling tussen beschutting en zonnige open plekken.
Figuur 6.4 Weergave van de biotoop ‘structuurrijk struweel en ruigte’ op de onderzoekslocatie.
In de toekomstige situatie dient voldoende struweel aanwezig te zijn zodat de structuur van het landschap op de onderzoekslocatie behouden blijft. De roodborsttappuit kan als indicatorsoort worden gezien voor de aanwezigheid van een open landschap met structuurelementen en is uniek zo dicht langs het stedelijk gebied. Wanneer maatregelen worden getroffen ten behoeve van deze indicatorsoort, zullen diverse andere soort(groep)en die gebonden zijn aan dit habitat meeprofiteren. De territoriumgrootte van en roodborsttappuit bedekt, 60
afhankelijk van de hoeveelheid voedsel, 1 tot 10 hectaren. Door minimaal 2 hectaren aaneengeschakeld open habitat met afwisselend kruidenrijke ruigte en struweel, zoals meidoorn of braam te behouden, kan deze soort binnen de voorgenomen herontwikkelingen mogelijk worden vastgehouden in het gebied. Dit habitat dient in verbinding te staan met vergelijkbaar habitat in de omgeving van de onderzoekslocatie, dit is aanwezig aan de noordkant van het spoor. Dit kan worden gerealiseerd door het langs de randen van de onderzoekslocatie of aangrenzend aan de ecologische corridor aan de oostkant van de onderzoekslocatie te realiseren. Door struweel te behouden in de omgeving van watergangen kunnen amfibieën en de ringslang optimaal meeprofiteren van deze maatregelen. Door plek te reserveren voor deze biotoop in de inrichtingsplannen van de voorgenomen herontwikkelingen kan worden voorgesorteerd op eventuele wettelijke vervolgstappen die bij aanwezigheid van beschermde soorten uit nader onderzoek naar voren kunnen komen op de onderzoekslocatie. Indien beschermde soorten worden aangetroffen en overtreding van de Wet natuurbescherming niet op voorhand kan worden voorkomen, dient ontheffing te worden aangevraagd. In dit geval is het vaak noodzakelijk om alternatief leefgebied in te richten om de verloren functies te compenseren.
Wanneer dergelijke maatregelen in een later stadium ingepast dienen te worden in de plannen is dit vaak lastig te realiseren.
6.5.3
Natuurlijke oevers en watergangen
De watergang en de oevers in zone 12 en 15 zijn van grote waarde voor plant- diersoorten die gebonden zijn aan oppervlaktewater in hun leefgebied (figuur 6.5). Waar vissen zoals de grote en de kleine modderkruiper de watergang in potentie jaarrond als leefgebied gebruiken, bevinden sommige amfibieën, zoals de grote pad, zich alleen tijdens de voortplantingsperiode in het water. Ook de ringslang is gebonden aan een leefomgeving met voldoende waterelementen, deze soort gebruikt de watergangen voornamelijk als foerageergebied en zont graag langs de zuidelijk georiënteerde oevers. Op de Utrechtse soortenlijst staan daarnaast verschillende plantensoorten, zoals de grote kaardenbol, de zwanenbloem en de grote kattenstaart die langs de oevers van de watergang in zone 12 zijn aangetroffen. Ook vogelsoorten van de Utrechtse soortenlijst, zoals de kleine karekiet, gebruiken de rietkragen langs de watergangen als nestlocatie.
61
Figuur 6.5 Weergave van de biotoop ‘natuurlijke oevers en watergangen’ op de onderzoekslocatie.
De ecologische functies van de watergangen op de onderzoekslocatie kunnen behouden blijven binnen de voorgenomen herontwikkeling door maatregelen te treffen. Zo dienen werkzaamheden aan de watergangen gefaseerd te worden uitgevoerd. Door aan maximaal 50% van de watergangen tegelijk werkzaamheden uit te voeren, hebben de aanwezige soorten alternatief leefgebied tot hun beschikking. Daarnaast dienen watergangen vanaf de oever, in de richting van het open water te worden gedempt, zodat de aanwezige soorten de mogelijkheid hebben om weg te komen. Door de kwaliteit van de reeds aanwezige watergangen te verbeteren kan het leefgebied voor de aanwezige soorten worden verbeterd. Met name de watergangen in zone 23 en zone 15 kunnen er kwalitatief op vooruit gaan door de doorstroom te verbeteren, dit kan bijvoorbeeld worden gedaan door de sloten tijdens de werkzaamheden te verdiepen. De waterkwaliteit kan ook worden verbeterd door bomen langs de oever te snoeien, waardoor minder blad in het water terecht zal komen en meer zonlicht het water bereikt. Dit zal resulteren in een grotere hoeveelheid waterplanten en hiermee en gezonder aquatisch ecosysteem. Naast het verbeteren van de kwaliteit van de sloten zullen soorten als de grote modderkruiper, de kleine modderkruiper en de gevlekte witsnuitlibel profiteren van enkele verlandingszones met veel waterplanten en een dikkere sliblaag.
Dit habitat is belangrijk voor de genoemde soorten voor de voortplanting. Dit habitat kan 62
worden gerealiseerd door enkele zijarmen uit te graven in de bestaande watergangen. Door deze habitatverbeteringen mee te nemen in de inrichtingsplannen kan worden voorgesorteerd op de aanwezigheid van beschermde soorten op de onderzoekslocatie. Indien beschermde soorten worden aangetroffen en overtreding van de Wet natuurbescherming niet op voorhand kan worden voorkomen, dient ontheffing te worden aangevraagd. In dit geval is het vaak noodzakelijk om alternatief leefgebied in te richten om de verloren functies te compenseren. Wanneer dergelijke maatregelen in een later stadium ingepast dienen te worden in de plannen is dit vaak lastig te realiseren. Verschillende vogelsoorten zijn gebonden aan een waterrijke leefomgeving, zoals de meerkoet, ijsvogel en de kleine karekiet. Voor de kleine karekiet is het van belang dat voldoende rietkragen aanwezig blijven op de onderzoekslocatie in de toekomstige situatie om tot broeden te komen. Voor de ijsvogel kan nestgelegenheid worden gerealiseerd door een ijsvogelwand te plaatsen langs één van de watergangen op de onderzoekslocatie. De kans op ingebruikname van een ijsvogelwand wordt door de frequente aanwezigheid van de ijsvogel op de onderzoekslocatie hoog ingeschat.
Voor het creëren van een geschikt biotoop voor amfibieën is het van belang dat de oevers, en dan met name de zon beschenen kant, een flauw verloop hebben (bij voorkeur een talud van 1:5). Door een flauwere oever warmt het water sneller op, wat een gunstig effect heeft op de ontwikkeling van de eieren en larven van amfibieën. Ook kunnen op een flauwere oever meer soorten oeverplanten een plek vinden, waartussen amfibieën eieren afzetten. Om verlanding tegen te gaan, is het belangrijk dat er voldoende afstand bestaat tussen de watergang en beplanting om inval van blad te voorkomen. In figuur 6.6 is een voorbeeld opgenomen van een natuurlijke watergang. Door poelen aan te leggen kan extra geschikt voortplantingshabitat worden gerealiseerd op de onderzoekslocatie. Dergelijke poelen zijn zeer geschikt voor amfibieën omdat veel soorten kwetsbaar zijn voor predatie door vissen. Vissen zullen niet aanwezig zijn bij deze waterpartijen. Voor het creëren van een geschikt biotoop voor amfibieën is het van belang dat er voldoende water aanwezig is in de poel (vijverbodem ≥ 50 cm onder de laagste grondwaterstand) circa van maart tot eind augustus. Zone 4 leent zich goed voor de aanleg van een poel, vanwege de afwezigheid van veel andere belangrijke ecologische functies in de huidige situatie.
Figuur 6.6
Natuurlijke oever watergang.
63
Door zowel een amfibieënpoel als voldoende schuilgelegenheid te realiseren op de projectlocatie, wordt voorzien in jaarrond geschikte biotoop voor amfibieën. Daarnaast kunnen broeihopen worden aangelegd van organisch materiaal, welke door de ringslang gebruikt kunnen worden voor de voortplanting. Indien het dempen of verleggen van de watergangen op de onderzoekslocatie noodzakelijk blijkt te zijn, dient rekening te worden gehouden met de aanwezige ecologische functies. Om dit te kunnen waarborgen wordt geadviseerd om te werken conform een ecologisch werkprotocol. Hierin kunnen de geschikte werkwijzen worden beschreven.
6.5.4
Kalkrijk en dynamisch grasland
Van nature komt kalk veel voor in mergel, kalksteen of via schelpen in zand in de duinen. Het zand dat door fluviatiele processen op de onderzoekslocatie terecht is gekomen zorgt nog altijd voor een kalkhoudende bodem. De (rest)geul die door het centrale deel van de onderzoekslocatie loopt heeft voor unieke bodemeigenschappen gezorgd. Vergelijkbare geomorfologische omstandigheden komen in de gemeente Utrecht niet meer onverstoord voor. Deze gebieden zijn namelijk grotendeels bebouwd. Naast natuurlijke processen kunnen menselijke ingrepen er ook voor zorgen dat kalk op andere plaatsen terecht komt en de bodem hier beïnvloed. Dit is mogelijk het geval op de onderzoekslocatie. Kalkrijke grond of schelpengranulaat wordt bijvoorbeeld gebruikt om verzakking van spoorwegen, zoals aanwezig op de onderzoekslocatie, tegen te gaan. Kalk verbetert namelijk de bodemstructuur. Daarnaast is het mogelijk dat kalkrijke grond is verstoven vanaf de bouwplaats of het gronddepot in zone 17, waardoor het mogelijk zorgt voor een kalkrijker ecosysteem in de omgeving. In zone 16, 17, 18 en 21 zijn opvallend veel soorten waargenomen die op de Utrechtse soortenlijst of de rode lijst staan (figuur 6.7). Wat veel van deze soorten gemeen hebben is dat ze goed groeien op een kalkrijke bodem.