Nadere onderzoeken_ ecologie
Tekst van het document
Wilde marjolein is bijvoorbeeld een echte indicatorsoort voor een kalkrijke bodem en ook hebben soorten als bijenorchis en veldlathyrus ook een sterke voorkeur voor kalkhoudende bodems. Het kalksmaltandmos is tevens een soort die zijn weg heeft gevonden naar de onderzoekslocatie en vrijwel uitsluitend wordt aangetroffen in kalkrijke duingraslanden langs de kust en Zuid-Limburg. Soorten van kalkrijke bodems staan door de verhoogde stikstofdepositie in ons land onder druk. Calcium buffert namelijk de stikstof en verdwijnt hierdoor langzaam uit de bodem, waardoor verzuring op kan treden. Verschillende specialistische bijen, zweefvliegen en dagvlinders zijn afhankelijk van de planten die voorkomen in dit habitat als voedsel- of waardplant. Het is daarom belangrijk om kalkrijke ecosysteem te behouden.
64
Figuur 6.7 Weergave van de biotoop ‘kalkrijk en dynamisch grasland’ op de onderzoekslocatie.
Het kalkdoorntje, de gebandeerde dwergzandbij en de duinmaskerbij zijn rode lijstsoorten die tevens afhankelijk zijn van dit habitat. Het kalkdoorntje komt voor in graslanden met voldoende warme, zon beschenen open plekken. Door de zandige bodem langs het spoor en op de bouwplaats en het gronddepot zijn dit soort plekken in overvloed aanwezig, waardoor het kalkdoorntje zich succesvol weet te handhaven op de onderzoekslocatie. Doordat er nog altijd wordt gegraven en nieuwe grond wordt aangevoerd in zone 17 is een dynamisch ecosysteem ontstaan, waar pionierssoorten, zoals de gebandeerde dwergzandbij en de duinmaskerbij zich mogelijk hebben weten te vestigen. Het vergraafbare zand vormt een geschikte nestlocatie voor deze soorten. Het kalkdoorntje, de gebandeerde dwergzandbij en de duinmaskerbij zijn een unieke soorten voor de gemeente Utrecht en Nederland. Het talud van de spoorweg is waarschijnlijk een belangrijk element in het leefgebied van het kalkdoorntje. Door dit talud in de huidige staat te handhaven zal geschikt leefgebied aanwezig blijven voor deze zeldzame soort. Daarnaast kan meer geschikt leefgebied worden gerealiseerd door periodiek kalkrijk zand toe te voegen aan de graslanden op de onderzoekslocatie.
Hierdoor zal het dynamische ecosysteem met vergraafbaar zand en open plekken behouden blijven en daarnaast zal kalk worden toegevoegd aan de bodem, waar de kalkminnende flora van zal profiteren. Ook kunnen in de toekomstige situatie schelpenpaden worden aangelegd, die door uitspoeling van het kalk ook geschikte groeiplaatsen zullen realiseren.
65
7
CONCLUSIES EN VERVOLGSTAPPEN
Econsultancy heeft van Gemeente Utrecht opdracht gekregen voor het uitvoeren van een natuurwaardenonderzoek in het plangebied ’Tussen de Rails’ te Utrecht. Het natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie. Het natuurwaardenonderzoek heeft als doel om in kaart te brengen welke natuurwaarden aanwezig zijn binnen het plangebied. Op basis van deze gegevens zal worden geadviseerd hoe rekening gehouden kan worden met deze natuurwaarden binnen de voorgenomen herontwikkeling. In tabel 7.1 is een overzicht gegeven van de aanwezige natuurwaarden per zone en de te nemen vervolgstappen. Hier is een score aan toegevoegd die een waardering geeft van de aanwezige natuurwaarden per zone. De dikgedrukte soort(groep)en vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Wanneer een negatief effect op deze soorten als gevolg van de voorgenomen ingreep op basis van de huidige gegevens niet op voorhand is uit te sluiten, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd. Aan de hand van dit onderzoek wordt meer informatie verkregen over de aanwezige beschermde soorten, waardoor geschikte compenserende en mitigerende maatregelen kunnen worden bepaald. Deze maatregelen dienen ter goedkeuring te worden voorgelegd bij de Provincie doormiddel van een activiteitenplan.
Uitgaand van het feit dat de ontwikkelingen op de onderzoekslocatie uitsluitend betrekking hebben op zone 1 t/m 15 dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar gierzwaluw, steenuil, roofvogels, kleine marterachtigen, steenmarter, vleermuizen (boom- en gebouwbewonend), ringslang, grote modderkruiper, grote weerschijnvlinder, grote vos en de teunisbloempijlstaart. Dit onderzoek dient per soortgroep te worden uitgevoerd in de voor deze soort meest geschikte periode. Voor de steenuil begint deze periode als eerst, in februari, en voor vleermuizen wordt dit onderzoek als laatste afgerond, rond eind september. Voor de overige soorten in dit tabel 7.1 (Rode lijst en Utrechtse soortenlijst) geldt geen wettelijke noodzaak tot uitvoering van nader ecologisch onderzoek. Voor de vervolgstappen ten aanzien van deze soorten geldt geen wettelijke verplichting. Wel geldt een beleidsmatige bescherming binnen de gemeente Utrecht. Het wordt daarom geadviseerd om de bescherming van de bijzondere biotopen en de bijbehorende soorten mee te nemen in de planvorming. Op basis van voorliggend onderzoek kan worden geconcludeerd dat de onderzoekslocatie door de combinatie van unieke fysisch geografische omstandigheden, landgebruik en beheer zorgen voor een zachte overgang in de randzone van het stedelijk gebied van Utrecht.
Deze combinatie van omstandigheden is niet aanwezig op andere locaties in de gemeente Utrecht, wat resulteert in de aanwezigheid van zeldzame flora en fauna en een grote ecologische waarde van de onderzoekslocatie in het algemeen.
66
Tabel 7.1 Overzicht aanwezige natuurwaarden per zone en te nemen vervolgstappen. Verklaring ecologische score: 1 = zeer laag, 2 = vrij laag, 3 = gemiddeld, 4 = vrij hoog, 5 = zeer hoog. Zone
Score
Zone 1
4
Zone 2
4
(Potentieel) aanwezige soorten en functies • • • • • • • • • •
Roofvogels (nestlocatie); Holenbroeders, zoals mezen en spechten (nestlocatie); Tjiftjaf en merel (nestlocatie); Kleine marterachtigen en steenmarter (verblijfplaats); Ree (rustplaats); Konijn (verblijfplaats); Boombewonende vleermuizen (verblijfplaats); Ringslang (overwinteringslocatie); Amfibieën (landhabitat); Grote weerschijnvlinder en grote vos (voortplantingslocatie).
•
• •
• •
•
Roofvogels (foerageergebied); Vos, kleine marterachtigen en steenmarter (foerageergebied); Ree (foerageergebied); Muizen (foerageergebied); Teunisbloempijlstaart (voortplantingslocatie); Bijen (drachtplanten aanwezig); Dagvlinders Rode lijst (waardplanten en leefgebied aanwezig); Veldlathyrus, brede lathyrus (groeiplaats).
• • • • •
Kneu en roodborsttappuit (nestlocatie); Kleine marterachtigen en steenmarter (migratieroute); Konijn (verblijfplaats); Ringslang (overwinteringslocatie); Amfibieën (landhabitat).
• •
• • • • •
Zone 3
3
Vervolgstappen indien zone wordt herontwikkeld
•
• •
• • •
• •
Zone 4
2
• •
•
Roofvogels (foerageergebied); Ree (foerageergebied).
•
Zone 5
2
• • • • •
Gebouwbewonende vogelsoorten (nestlocatie); Steenuil (nestlocatie en foerageergebied); Gebouwbewonende vleermuizen (verblijfplaats); Roofvogels (foerageergebied); Steenmarter (verblijfplaats).
• • •
67
Nader onderzoek naar categorie 1-4 broedvogels, dagvlinders, marterachtigen, vleermuizen en ringslang; Nestlocaties holenbroeders, merel en tjiftjaf beschermen door minimaal 50% leefgebied te behouden/nestkasten te plaatsen; Voor roofvogels een verstoringsvrije zone van 75 meter rond de potentiële nestlocatie aanhouden; De algemene zorgplicht in acht nemen en werken conform ecologisch werkprotocol. Nader onderzoek naar marterachtigen; Voldoende vergelijkbare foerageermogelijkheden behouden om noodzaak ontheffingsaanvraag roofvogels te voorkomen; Behoud en verbetering van biotoop kruidenrijk grasland en bermen (zie 7.4.1); Utrechtselijst plantensoorten markeren voor werkzaamheden. De algemene zorgplicht in acht nemen en werken conform ecologisch werkprotocol. Nader onderzoek naar marterachtigen; Behouden van groene corridor op onderzoekslocatie (oost-west); Behoud en verbetering van biotoop structuurrijk struweel en ruigte (zie 7.4.2); De algemene zorgplicht in acht nemen en werken conform ecologisch werkprotocol. Voldoende vergelijkbare foerageermogelijkheden behouden om noodzaak ontheffingsaanvraag roofvogels te voorkomen; De algemene zorgplicht in acht nemen en werken conform ecologisch werkprotocol.
Nader onderzoek naar gebouwbewonende categorie 1-4 vogelsoorten, steenuil, vleermuizen en steenmarter; Alternatieve nestlocaties integreren in de gebiedsinrichting van de toekomstige situatie; De algemene zorgplicht in acht nemen en werken conform ecologisch werkprotocol.
Zone 6
Zone 7
4
3
• • • • • •
Kneu en roodborsttappuit (nestlocatie); Kleine marterachtigen en steenmarter (verblijfplaats); Vos (burchtlocatie); Konijn (verblijfplaats); Ringslang (overwinterings- en voortplantingslocatie); Amfibieën (landhabitat).
•
• • • •
Kleine marterachtigen en steenmarter (migratieroute); Dwerg-korfslak (functioneel leefgebied); Rietorchis, grote kaardenbol (groeiplaats); Kalkrozijnenmos (groeiplaats).
•
• •
• • • • •
Zone 8
2
•
•
Roofvogels (foerageergebied).
• Zone 9
4
• • • •
Kneu en roodborsttappuit (nestlocatie); Kleine marterachtigen en steenmarter (verblijfplaats); Amfibieën (landhabitat); Teunisbloempijlstaart (voortplantingslocatie).
• • •
Zone 10
Zone 11
5
2
• • •
•
• • • •
Roofvogels (foerageergebied); Kneu en roodborsttappuit; Vos, kleine marterachtigen en steenmarter (foerageergebied); Ree (foerageergebied; Muizen (foerageergebied); Ringslang (overwinteringslocatie); Amfibieën (landhabitat)
• •
Roofvogels (foerageergebied); Konijn (foerageergebied.
•
• • •
•
68
Nader onderzoek naar kleine marterachtigen en ringslang; Behoud en verbetering van biotoop structuurrijk struweel en ruigte (zie 7.4.2); De algemene zorgplicht in acht nemen en werken conform ecologisch werkprotocol. Nader onderzoek naar kleine marterachtigen; Behouden van groene corridor op onderzoekslocatie (oost-west); Voldoende vergelijkbaar habitat behouden voor dwerg-korfslak in de toekomstige situatie; Utrechtselijst plantensoorten markeren voor werkzaamheden; Kalkrozijnenmos markeren voor werkzaamheden; De algemene zorgplicht in acht nemen en werken conform ecologisch werkprotocol. Voldoende vergelijkbare foerageermogelijkheden behouden om noodzaak ontheffingsaanvraag te voorkomen; De algemene zorgplicht in acht nemen. Nader onderzoek marterachtigen en teunisbloempijlstaart; Behoud en verbetering van biotoop structuurrijk struweel en ruigte (zie 7.4.2); De algemene zorgplicht in acht nemen en werken conform ecologisch werkprotocol. Nader onderzoek ringslang en marterachtigen; Behoud en verbetering van biotoop structuurrijk struweel en ruigte (zie 7.4.2); Voldoende vergelijkbare foerageermogelijkheden behouden om noodzaak ontheffingsaanvraag te voorkomen; De algemene zorgplicht in acht nemen en werken conform ecologisch werkprotocol. Voldoende vergelijkbare foerageermogelijkheden behouden om noodzaak ontheffingsaanvraag te voorkomen; De algemene zorgplicht in acht nemen.
Zone 12
5
• • • • • • • • • •
IJsvogel (foerageergebied); Kleine karekiet (nestlocatie en foerageergebied); Vos, kleine marterachtigen en steenmarter (foerageergebied); Vleermuizen (vliegroute en foerageergebied); Ringslang (foerageergebied); Amfibieën (voortplantingshabitat); Grote- en kleine modderkruiper (functioneel leefgebied); Teunisbloempijlstaart (voortplantingslocatie); Gevlekte witsnuitlibel (voortplantingslocatie); Grote kattenstaart, grote kaardenbol, grote wederik, zwanenbloem (groeiplaats).
•
• •
Nader onderzoek ringslang, grote modderkruiper, teunisbloempijlstaart, gevlekte witsnuitlibel, vliegroute vleermuizen en marterachtigen; Behoud en verbetering van biotoop natuurlijke oevers en watergangen (zie 7.4.3); De algemene zorgplicht in acht nemen en werken conform ecologisch werkprotocol.
Zone 13
1
•
Geen beschermde of bijzondere soorten.
• •
Bestrijden van reuzenberenklauw; De algemene zorgplicht in acht nemen.
Zone 14
3
• • • • •
Roofvogels (nestlocatie); Holenbroeders, zoals mezen en spechten (nestlocatie); Tjiftjaf en merel (nestlocatie); Boombewonende vleermuizen (verblijfplaats); Grote weerschijnvlinder en grote vos (voortplantingslocatie).
•
Nader onderzoek uitvoeren naar roofvogels, vleermuizen en dagvlinders; Nestlocaties holenbroeders, merel en tjiftjaf beschermen door minimaal 50% leefgebied te behouden/nestkasten te plaatsen; Voor roofvogels een verstoringsvrije zone van 75 meter rond de potentiële nestlocatie aanhouden; De algemene zorgplicht in acht nemen en werken conform ecologisch werkprotocol.
•
• •
Zone 15
Zone 16
3
5
• • • •
Kleine karekiet (nestlocatie en foerageergebied); Ringslang (foerageergebied); Amfibieën (voortplantingshabitat); Grote- en kleine modderkruiper (functioneel leefgebied bij verbinding met zone 12).
•
•
• • • • •
Roofvogels (foerageergebied); Vos, kleine marterachtigen en steenmarter (foerageergebied); Teunisbloempijlstaart (voortplantingslocatie); Bijen Utrechtse soortenlijst (drachtplanten aanwezig); Dagvlinders rode lijst (waardplanten en leefgebied aanwezig); Duinmaskerbij (functioneel leefgebied); Kalkdoorntje (functioneel leefgebied); Bijenorchis, wilde reseda, wilde marjolein (groeiplaats); Veldlathyrus, brede lathyrus (groeiplaats); Kalksmaltandmos (groeiplaats).
• • • • •
Gebandeerde dwergzandbij (functioneel leefgebied); Duinmaskerbij (functioneel leefgebied); Kalkdoorntje (functioneel leefgebied); Dwerg-korfslak (functioneel leefgebied); Kalksmaltandmos (groeiplaats);
•
• • • • •
Zone 17
2
69
• •
• • •
• •
Nader onderzoek ringslang en grote modderkruiper; Behoud en verbetering van biotoop natuurlijke oevers en watergangen (zie 7.4.3); De algemene zorgplicht in acht nemen en werken conform ecologisch werkprotocol. Nader onderzoek marterachtigen en teunisbloempijlstaart; Behoud en verbetering van biotoop kalkrijk en dynamisch grasland (zie 7.4.4); Utrechtselijst plantensoorten markeren voor werkzaamheden. De algemene zorgplicht in acht nemen en werken conform ecologisch werkprotocol.
Behoud en verbetering van biotoop kalkrijk en dynamisch grasland (zie 7.4.4); Utrechtse- en rode lijst plantensoorten markeren voor werkzaamheden. De algemene zorgplicht in acht nemen en werken conform ecologisch werkprotocol.
Zone 18
3
• • • •
Vos en marterachtigen (foerageergebied); Teunisbloempijlstaart (voortplantingslocatie); Bijen Utrechtse soortenlijst (drachtplanten aanwezig); Dagvlinders rode lijst (waardplanten en leefgebied aanwezig); Duinmaskerbij (functioneel leefgebied); Kalkdoorntje (functioneel leefgebied); Dwerg-korfslak (functioneel leefgebied); Bijenorchis, wilde reseda, wilde marjolein (groeiplaats); Polei (groeiplaats); Kalksmaltandmos (groeiplaats);
•
Roofvogels (nestlocatie); Holenbroeders, zoals mezen en spechten (nestlocatie); Tjiftjaf en merel (nestlocatie); Kleine marterachtigen en steenmarter (migratieroute); Vleermuizen (verblijfplaats (boombewonend) en migratieroute); Amfibieën (landhabitat); Grote weerschijnvlinder en grote vos (voortplantingslocatie); Bijen Utrechtse soortenlijst (drachtplanten aanwezig); Ruig klokje, brede wespenorchis (groeiplaats); Gewone- en welriekende agrimonie (groeiplaats);
•
Vos, kleine marterachtigen en steenmarter (foerageergebied); Teunisbloempijlstaart (voortplantingslocatie); Bijen Utrechtse soortenlijst (drachtplanten aanwezig); Dagvlinders rode lijst (waardplanten en leefgebied aanwezig); Grote kattenstaart, veldlathyrus, brede lathyrus (groeiplaats); Gewone- en welriekende agrimonie (groeiplaats);
•
•
•
Roofvogels (foerageergebied); Vos, kleine marterachtigen en steenmarter (foerageergebied); Muizen (foerageergebied); Teunisbloempijlstaart (voortplantingslocatie); Bijen Utrechtse soortenlijst (drachtplanten aanwezig); Dagvlinders rode lijst (waardplanten en leefgebied aanwezig); Dwerg-korfslak (functioneel leefgebied); Grote kattenstaart, veldlathyrus, brede lathyrus (groeiplaats); Kalksmaltandmos (groeiplaats).
•
Roofvogels (foerageergebied);
•
• • • • • • Zone 19
4
• • • • • • • • • •
Zone 20
4
• • • • • •
Zone 21
3
• • • • • • • •
Zone 22
2
• • •
•
• • •
• •
•
• • •
•
70
Nader onderzoek marterachtigen en teunisbloempijlstaart; Behoud en verbetering van biotoop kalkrijk en dynamisch grasland (zie 7.4.4); Utrechtse- en rodelijst plantensoorten markeren voor werkzaamheden; De algemene zorgplicht in acht nemen en werken conform ecologisch werkprotocol.
Nader onderzoek uitvoeren naar roofvogels, vleermuizen, dagvlinders en marterachtigen; Nestlocaties holenbroeders, merel en tjiftjaf beschermen door minimaal 50% leefgebied te behouden/nestkasten te plaatsen; Voor roofvogels een verstoringsvrije zone van 75 meter rond de potentiële nestlocatie aanhouden; Utrechtse- en rodelijst plantensoorten markeren voor werkzaamheden; De algemene zorgplicht in acht nemen en werken conform ecologisch werkprotocol. Nader onderzoek naar marterachtigen en teunisbloempijlstaart; Behoud en verbetering van biotoop structuurrijk struweel en ruigte (zie 7.4.2); Utrechtse- en rodelijst plantensoorten markeren voor werkzaamheden;
Nader onderzoek naar marterachtigen en teunisbloempijlstaart; Voldoende vergelijkbare foerageermogelijkheden behouden om noodzaak ontheffingsaanvraag roofvogels te voorkomen; Behoud en verbetering van biotoop kruidenrijk grasland en bermen (zie 7.4.1); Utrechtse- en rodelijst plantensoorten markeren voor werkzaamheden. De algemene zorgplicht in acht nemen en werken conform ecologisch werkprotocol. Voldoende vergelijkbare foerageermogelijkheden behouden om noodzaak ontheffingsaanvraag roofvogels te voorkomen; De algemene zorgplicht in acht nemen.
Zone 23
2
•
Geen geschermde of bijzondere ecologische functies.
•
Behoud en verbetering van biotoop natuurlijke oevers en watergangen (zie 7.4.3);
Zone 24
3
• • • • •
Kneu en roodborsttappuit Kleine marterachtigen en steenmarter (migratieroute) Konijn (verblijfplaats); Ringslang (overwinterings- en voortplantingslocatie); Amfibieën (landhabitat).
•
Nader onderzoek ringslang en marterachtigen; Behoud en verbetering van biotoop structuurrijk struweel en ruigte (zie 7.4.2); De algemene zorgplicht in acht nemen en werken conform ecologisch werkprotocol.
71
• •
8
BRONNEN • • •
Alterra, Handboek Robuuste Verbindingen – Ecologische randvoorwaarden (2001), Alterra, Wageningen. Eekelder, P., Verspreiding en biotoop van het kalkdoorntje Tetrix tenuicornis in de Gelderse Poort (Orthoptera) (2014), Nederlandse Faunistische Mededelingen , Volume 42 p. 55- 61 Reemer, M., De bijenfauna van Zuid-Holland: trends, prioritaire soorten en belangrijke gebieden (2017), Eis kenniscentrum insecten Leiden, Provincie Zuid-Holland
Econsultancy Rotterdam, 16 februari 2023 72
Bijlage I: Vegetatieopnames per zone Zone 1 • • • • • • • • • • • • • • • • •
schietwilg; gewone braam; zwarte els; rode kornoelje; reuzenberenklauw; late guldenroede; riet; grote brandnetel; gewone hondsroos; heelblaadje; grauwe wilg; smeerwortel; watermunt; boeren wormkruid; gele lis; akkerwinde; luzerne.
Zone 2 • • • • • • • • • • • • • • • • • •
wikke spec. smeerwortel akkerdistel fluitekruid veenwortel honingklaver; heelblaadje; kruipend zenegroen; rolklaver; kruipende boterbloem; rode klaver; duizendblad; madeliefje; vijfvingerkruid; Franse aardkastanje; Engels raaigras; speenkruid; smalle weegbree
• • • • • • • • • • • • • • • • •
73
peen; boerenwormkruid; jacobskruiskruid; heermoes; grote brandnetel; gewone ooievaarsbek; paardenbloem; klein streepzaad; glad walstro; ridderzuring; beemdooievaarsbek; klein hoefblad; knoopkruid; wilde chicorei; riet; gewone berenklauw; Veldlathyrus (NDFF).
Zone 3 • • • • • • • • • •
ruwe berk; populier; boswilg; grauwe wilg; schietwilg; zwarte els; late guldenroede; gewone esdoorn; gewone fopzwam; gewone braam.
Zone 4 • • • • • • • • • • • •
Engels raaigras; grote brandnetel; gewone berenklauw; akkerdistel; pitrus; vijfvingerkruid; ridderzuring; rode klaver; fluitekruid; boerenwormkruid; klein hoefblad; rode ogentroost (NDFF)
Zone 6 • • • • •
gewone braam; speenkruid; grote brandnetel; gewone vlier; meidoorn.
Zone 7 • • • • • • • •
populier; schietwilg; gewone braam; gewone hondsroos; bezems kruiskruid; gewone klit; riet; bijvoet;
74
• • •
smalle weegbree; sint janskruid; Jacobs kruiskruid.
Zone 8 • • • • • • • • • • •
Engels raaigras; smalle weegbree; akkerdistel; gevlekte rupsklaver; klein streepzaad; paardenbloem; ridderzuring; duizendblad; vijfvingerkruid; wikke; gewone ooievaarsbek.
Zone 9 • • • • • • • • • • • • • • • • • • •
bijvoet; teunisbloem; Jacobs kruiskruid; gewone ooievaarsbek; gewone braam; sint janskruid; duizendblad; kamille; fluitekruid; smalle weegbree; ceropegia dichotoma; bezemskruiskruid; schietwilg; wilde chicorei; gewone hondsroos; rode kornoelje; Canadese fijnstraal; dauwbraam; grote brandnetel.
75
Zone 10 • gewone ooievaarsbek; • ridderzuring; • gewone smeerwortel; • gewone berenklauw; • vogelmuur; • bezemskruiskruid; • riet; • Engels raaigras; • kleefkruid; • raapzaad; • akkerdistel; • grote brandnetel; • fluitenkruid; • akkerwinde; • kropaar; • gewone braam; • blaassilene; • reuzenbovist (paddenstoel); • bruine bundel ridderzwam (paddenstoel); • geschubde ridderzwam (paddenstoel); • bijenorchis (NDFF); • wilde reseda (NDFF). Zone 11 • Engels raaigras • paardenbloem; • speenkruid; • vijfvingerkruid; • beemdooievaarsbek; • gevlekte rupsklaver. Zone 12 • watermunt; • zevenblad; • vogelmuur; • moeras vergeet-mij-nietje; • gewone smeerwortel; • kleefkruid; • perzikkruid;
76
• • • • • • • • • • • • • • •
riet; grote brandnetel; lisdodde; kruisbloem; akkerdistel; bijvoet; liesgras; heermoes; moerasspirea; moeraswalstro; pitrus; gewone engelwortel; gewone ooievaarsbek; blaartrekkende ooievaarsbek; grote kattenstaart (NDFF).
Zone 14 • Spaanse aak; • schietwilg; • gewone vlier; • gewone hondsroos; • gewone braam; • rode kornoelje; • grauwe wilg. Zone 15 • lisdodde; • riet; • bitterzoet; • eendenkroos; • kleine watereppe; • moeraswalstro. Zone 16 • • • • • • • • • •
Boerenwormkruid; Luzerne; bonte wikke; vogel wikke; akkerwinde; riet; knotwilg; ridderzuring; akkerdistel; fluitekruid;
• • • • • • • • • •
paardenbloem; Jacobskruiskruid; hondsroos; bijvoet; smalle weegbree; gewone smeerwortel; gewone berenklauw; grote kaardenbol; zevenblad; gewone vlier;
77
• • • • • • • • • •
smeerwortel; speerdistel; gewone esdoorn; klein hoefblad; witte abeel; watermuur; veelbloemige roos; robinia; echte lampionplant; heelblaadje;
• • • • • • • • •
grote brandnetel; moeras vergeet-mij-nietjes; zevenblad; kruiskruid; beemdooievaarsbek; knoopkruid; rode klaver; heermoes; Canadese fijnstraal
• • • • • • • • •
rode kornoelje; liesgras; wederik spec.; veldlathyrus; schietwilg; klein streepzaad; wikke spec.; riet; madeliefje
• • • • • • • •
gewone hondsroos; late guldenroede; bijenorchis (NDFF); wilde marjolein (NDFF); schijnraket (NDFF); rode ogentroost (NDFF); zwanenbloem (NDFF); grote kattenstaart (NDFF).
Zone 17 • • • • • • • • • • • • • •
wit vetkruid zwarte nachtschade; gewone ooievaarsbek; harig vingergras; sedum dispanicum; bezemskruiskruid; winterklokje; Robertskruid; straatgras; speerdistel; harig knopkruid; paarse dovennetel; hemelsleutel; melganzenvoet;
• • • • • • • • • • • • • •
grote zandkool; aster ageratoides; kleine ooievaarsbek; stalkaars; roze hemelsleutel; reukeloze kamille; tuinwolfsmelk; graanamarant; kransnaaldaar; kruisbladige wolfsmelk; groene naaldaar; varkensgras; blauw groene wolfsmelk; wilde reseda (NDFF).
Schietwilg; Kamille; smalle weegbree; rode klaver; bezemskruiskruid; bijvoet; boerenwormkruid; ruwe berk; rode kornoelje; Engels raaigras; grote kattenstaart; speerdistel; late guldenroede;
• • • • • • • • • • • • •
riet; klein streepzaad; teunisbloem; bitterkruid; zomerfijnstraal; klein hoefblad; zilverschoon; gewoon thujamos; mosklokje (paddenstoel); grauwe wilg; wilde kardinaalsmuts; Robertskruid; hondsdraf;
Zone 18 • • • • • • • • • • • • •
78
• • • • •
fluitenkruid; vijfvingerkruid; beemdooievaarsbek; zomereik; heelblaadje;
• • • •
vaste lupine; Jacobskruiskruid; polei (NDFF); wilde reseda (NDFF).
schietwilg; rode kornoelje; gewone ooievaarsbek; smalle weegbree; Spaanse aak; meidoorn; sleedoorn; wilde liguster; hondsdraf; akkerdistel; smeerwortel; gewone hondsroos; Gelderse roos; fluitenkruid; dauwbraam; gewone berenklauw;
• • • • • • • • • • • • • • • •
wilde kardinaalsmuts zomereik; ruwe berk; populier; populierenmelkzwam (paddenstoel); rode klaver; paardenbloem; zoete kers; duizendblad; bezemskruiskruid; guldenroede; grote wederik (NDFF); ruig klokje (NDFF); brede wespenorchis (NDFF); welriekende agrimonie (NDFF); gewone agrimonie (NDFF).
Zone 19 • • • • • • • • • • • • • • • •
79
Zone 20 • • • • • • • • • • • • • • •
brede wespenorchis; welriekende agrimonie; vijvingerkruid; veldlathyrus; grauwe wilg; sint janskruid; dauwbraam; geplooid navelmos; late guldenroede; bijvoet; populier; gewone hondsroos; schietwilg; ridderzuring; wikke;
• • • • • • • • • • • • • • •
Engels raaigras; gewone braam; boerenwormkruid; gewone berenklauw; madeliefje; gewoon smaragdsteeltje; ruwe berk; paardenbloem; rode klaver; hondsdraf; perzikkruid; Canadese fijnstraal; honingklaver; gewone esdoorn; beemdooievaarsbek;
• • • • • • • • • • • • • •
smalle weegbree; gewone smeerwortel; gewone esdoorn; gewone fopzwam; bemdooievaarsbek; gewone smeerwortel; zilverschoon; grote kattenstaart; pitrus; heelblaadje; rode ogentroots (NDFF); grote wederik (NDFF); ruig klokje (NDFF); gewone agrimonie (NDFF).
Zone 21 • • • • • • • • • • • • •
• • • • • • • • • • • • •
smalle weegbree; zilverschoon; akkerdistel; Engels raaigras; veldlathyrus; late guldenroede; schietwilg; fluitekruid; wikke; gewone berenklauw; bijvoet; boerenwormkruid; veenwortel;
Zone 22 • Engels raaigras; • gewone braam; • bijvoet; • gewone ooievaarsbek; • grote brandnetel; • ridderzuring. Zone 23 • watermunt; • riet. 80
paardenbloem; dauwbraam; pitrus; ridderzuring; echte guldenroede; heermoes; heelblaadje; klein hoefblad; gewone smeerwortel; grote brandnetel; riet; bijenorchis (NDFF); grote brandnetel.
Zone 24 • wilde Afrikaantjes; • zilverschildzaad; • grote kaardenbol; • smalle weegbree; • Japanse liguster; • bijvoet; • late gulderoede; • gewone vlier; • populier; • riet; • gewone braam.
81
RAPPORTAGE Nader onderzoek ecologie Tussen de Rails Utrecht
Rapport nader onderzoek ecologie Tussen de Rails, Utrecht Opdrachtgever
Gemeente Utrecht Postbus 16200 3500 CE Utrecht
Rapportnummer
22863.003
Versienummer
D1
Status
Definitief
Datum
21 november 2024
Opsteller1 Kwaliteitscontrole 1 Kwaliteitscontrole 2
1
Vrijgave
In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven.
KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.
Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Omgevingswet, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie .............................................................................. 4
3
RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK .................................................................................................. 6
4
ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 7
4.1 4.2 5
ONDERZOEKSRESULTATEN ...................................................................................................................... 17 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12 5.13 5.14
6
Huismus .......................................................................................................................................... 7 Gierzwaluw..................................................................................................................................... 7 Vleermuizen ................................................................................................................................... 7 Ransuil en steenuil ......................................................................................................................... 8 Roofvogels ...................................................................................................................................... 8 Ringslang ........................................................................................................................................ 9 Kleine marterachtigen, steen- en boommarter ........................................................................... 10 Gevlekte witsnuitlibel en grote modderkruiper ........................................................................... 12 Vlinders ........................................................................................................................................
13 Inventarisatie Utrechtse- en Rode lijst soorten ........................................................................... 13 Overzicht veldbezoeken ............................................................................................................... 14 Omstandigheden veldbezoeken................................................................................................... 15
Huismus ........................................................................................................................................ 17 Gierzwaluw................................................................................................................................... 17 Vleermuizen ................................................................................................................................. 17 Ransuil en steenuil ....................................................................................................................... 19 Roofvogels .................................................................................................................................... 20 Ringslang ...................................................................................................................................... 21 Kleine marterachtigen .................................................................................................................. 23 Steenmarter ................................................................................................................................. 26 Eekhoorn ......................................................................................................................................
27 Konijn ........................................................................................................................................... 27 Grote modderkruiper en gevlekte witsnuitlibel ........................................................................... 29 Vlinders ........................................................................................................................................ 29 Inventarisatie Utrechtse soorten ................................................................................................. 30 Samenvatting ............................................................................................................................... 31
TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING.................................................................................................. 33 6.1
Huismus ........................................................................................................................................ 33
22863.003
6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9 6.10 6.11 6.12 6.13 6.14
Gierzwaluw................................................................................................................................... 33 Vleermuizen ................................................................................................................................. 33 Ransuil en steenuil ....................................................................................................................... 34 Roofvogels .................................................................................................................................... 34 Ringslang ...................................................................................................................................... 34 Kleine marterachtigen .................................................................................................................. 34 Steenmarter ................................................................................................................................. 35 Eekhoorn ...................................................................................................................................... 35 Konijn ...........................................................................................................................................
35 Vlinders ........................................................................................................................................ 36 Algemene broedvogels................................................................................................................. 36 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................................. 36 Utrechtsesoortenlijst en Rode lijstsoorten .................................................................................. 37
7
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN........................................................................................................... 38
8
GERAADPLEEGDE BRONNEN……………………………………………………………………………………………………………….40 BIJLAGE……………………………………………………………………………………………………………………………………………….41
22863.003
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Gemeente Utrecht opdracht gekregen voor het uitvoeren van een nader onderzoek ecologie aan het plangebied ‘Tussen de Rails’ te Utrecht. Het nader onderzoek ecologie is uitgevoerd in het kader van een omgevingsvergunning en herontwikkeling van het plangebied en naar aanleiding van de resultaten van het natuurwaardenonderzoek dat Econsultancy in november 2023 op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd (rapport 22863.002, versie D1, 16 februari 2024). Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.
22863.003 versie D1
1 / 39
2
GEBIEDSBESCHRIJVING
2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 117.000 m²) betreft het plangebied ‘Tussen de Rails’ te Utrecht en de directe omgeving. In figuur 2.1 is de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie is gelegen ten zuidoosten van het stedelijk gebied van de stad Utrecht, ten oosten van de wijk Lunetten en is omsloten door infrastructuur. Zo ligt de onderzoekslocatie in de sporendriehoek LunettenKoningsweg. Aan de noordzijde loopt de spoorlijn van Utrecht Centraal richting Arnhem en aan de zuidwestzijde de spoorlijn richting Den Bosch. Ten oosten van de onderzoekslocatie loopt de snelweg A27, die onderdeel uitmaakt van de ring Utrecht. De onderzoekslocatie wordt van noord naar zuid doorsneden door een fietspad, wat de Maarschalkerweerd en Lunetten verbindt. Daarnaast heeft dit fietspad ook een regionale functie door de verbinding tussen Nieuwegein, Houten en het Utrecht Science Park te vormen. Aan weerszijden van dit fietspad zijn bloemrijke bermen aanwezig.
22863.003 versie D1
2 / 39
De westelijke berm van het fietspad grenst aan een watergang met onbeschoede oevers, de Oud Wulverbroekerwetering. Binnen de omheining van de watergang die het gehele westelijke deel van de onderzoekslocatie omsluit, is een grasland aanwezig. Op een centrale positie in het grasland is een woonerf gelegen. De meest westelijke punt van de onderzoekslocatie betreft een elzen-/wilgenbos, waarin in periode met een hogere waterstand verschillende poelen aanwezig zijn. Ten oosten van het fietspad is aan de zuidzijde een kruidenrijk grasland gelegen. Het noordelijke deel van dit gebied wordt gebruikt als gemeentelijk gronddepot en werkterrein voor de uitbreiding van de A27. De meest oostelijke strook van de onderzoekslocatie is begroeid met een gemengd bos, met onder andere schietwilg, Spaanse aak en populier. Historisch gezien maakt de onderzoekslocatie onderdeel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en diende hierin als inundatieveld. De Nieuwe Hollandse Waterlinie is in 2021 aangewezen als UNESCO Werelderfgoed en wordt hierdoor Cultuurhistorisch beschermd. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.3 t/m figuur 2.8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens de veldbezoeken.
Figuur 2.2 Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
22863.003 versie D1
3 / 39
Figuur 2.3 Kruidenrijk grasland aan de westkant van de onderzoekslocatie.
Figuur 2.4 Wandelpad door bosstrook aan oostzijde van de onderzoekslocatie.
Figuur 2.5 Watergang met onbeschoeide oever langs fietspad.
Figuur 2.6 Gemaaide strook grasland aan westzijde van de onderzoekslocatie.
Figuur 2.7 Gronddepot ten oosten van het fietspad op de onderzoekslocatie.
Figuur 2.8 Poel in elzen-/wilgenbos aan westkant van de onderzoekslocatie.
2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie De initiatiefnemer is voornemens om de onderzoekslocatie te ontwikkelen tot een gebied met verschillende gebouwen met verschillende functies. Het zal in eerste instantie tijdelijke woonruimte betreffen omdat het besluit over de lange termijn inrichting van de nieuwe stedelijke knoop Lunetten-Koningsweg pas over 10 tot 15 jaar genomen zal worden. Het gebied zal veranderen naar een gebied waar mensen met plezier wonen, werken en elkaar ontmoeten. Hierbij wordt uitgegaan van de ontwikkeling van circa 450 tijdelijke woningen. Dat kan zijn voor studentenwoningen, maar ook een ander type (sociale) woningen is denkbaar. Wonen binnen het gebied kan maximaal 10 jaar, vanwege de Wet geluidhinder. Binnen de onderzoekslocatie is naast woningen ook nog ruimte voor meer ontwikkeling. In de vorm van een aanvullend cultureel en werkprogramma voor de duur van 15 jaar. Met de gekozen programmering ontstaat een gemengde invulling, vooruitlopend op de grootschalige integrale gebiedsontwikkeling met functies als werk en cultuur. Een gemengde invulling wordt gezien als een duurzame benadering die zorgt voor levendigheid, leefbaarheid in sociale activiteiten die horen bij een stadsbuurt naast een station. Ten aanzien van de tijdelijke woningen is het uitgangspunt deze te willen realiseren met een permanente uitstraling.
Het beoogde programma is opgedeeld bouwvlekken A t/m F (figuur 2.9). Deelgebouw D wordt naar verwachting in gebruik genomen door stichting Klank. Mogelijke invullingen voor het gebouw zijn: werkruimten voor professionele musici en/of een werkvoorziening voor sociaal
22863.003 versie D1
4 / 39
maatschappelijk achtergestelde in combinatie met een buurtvoorzieningen met bijvoorbeeld horeca. De gebouwen hebben een maximale hoogte van 5 bouwlagen (ca. 15 meter). De vorm- en maatvoering van de bouwvlekken is nog indicatief.
Figuur 2.9 Impressie van mogelijke bouwvolumes binnen de voorgenomen bouwvlekken.
22863.003 versie D1
5 / 39
3
RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK
In het natuurwaardenonderzoek is de onderzoekslocatie opgedeeld in verschillende zones met een vergelijkbare ecologische waarde. De vastgestelde ecologische zones zijn weergegeven op een topografische kaart in figuur 3.1.
Figuur 3.1 Topografische kaart met ecologische zones aangegeven.
Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat, om de effecten van de ingreep volledig te kunnen toetsen aan de Omgevingswet er nader onderzoek naar een aantal (beschermde) soorten benodigd is. Een overzicht van de benodigde vervolgstappen per zone is weergegeven in tabel 3.1 te vinden in de bijlage.
22863.003 versie D1
6 / 39
4
ONDERZOEKSMETHODIEK
Huismus Nesten van de huismus zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Wanneer tijdens deze onderzoeksrondes geen huismussen worden aangetroffen op de onderzoekslocatie kan met voldoende zekerheid worden gesteld dat de huismus niet tot broeden komt op de onderzoekslocatie. Gierzwaluw Voor het onderzoek naar de gierzwaluw zijn tussen 1 juni en 15 juli gedurende de avondschemering drie veldbezoeken uitgevoerd met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen. In de betreffende periode scheren groepen gierzwaluwen langs gevels van panden waarin zich nesten bevinden. De vrouwtjes die zich op het nest bevinden beantwoorden vervolgens het “gieren” van langs vliegende groepen soortgenoten. Bij deze onderzoeksrondes is daarom gebruik gemaakt van geluidsnabootsing. Bovendien zijn tijdens de avondschemering vaak invliegende vogels waar te nemen. De onderzoeksopzet is conform hetgeen is voorgeschreven in het kennisdocument voor de gierzwaluw (BIJ12, versie juli 2023). Vleermuizen Voor het onderzoek naar vleermuizen zijn in de zomer van 2024 tussen 15 mei en 15 oktober vijf veldbezoeken uitgevoerd. De veldbezoeken zijn in de avonduren en/of ochtenduren uitgevoerd.
De inventarisatiemethode is conform het protocol voor vleermuisonderzoek (versie januari 2021), dat is opgesteld door het vleermuisvakberaad van het Netwerk Groene Bureaus. De onderzoeksinspanning is gebaseerd op de functies zomerverblijfplaats, kraamverblijfplaats, paarverblijfplaats en individuele winterverblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en de gewone grootoorvleermuis. Het protocol heeft tot doel het belang van de functies van onderzoekslocaties voor soorten vleermuizen effectief en efficiënt vast te stellen dan wel uit te sluiten. Doordat vleermuizen iedere (verblijfs)functie slechts een beperkte periode van het jaar gebruiken, is onderzoek naar alle op de onderzoekslocatie mogelijke functies noodzakelijk. Iedere (verblijfs)functie afzonderlijk geniet een jaarronde bescherming. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van professionele batdetectors met opnamemogelijkheid (Pettersson M500-384). Een batdetector zet het voor het menselijk gehoor niet hoorbare ultrasone geluid van vleermuizen om naar frequenties die wel hoorbaar zijn. Op basis van de geluidsfrequenties en ritmes kunnen verschillende soorten vleermuizen worden onderscheiden.
De opnamemogelijkheid is belangrijk omdat de geluidsopnames kunnen worden gebruikt voor het determineren van soorten die op basis van hun geluid moeilijk zijn te onderscheiden (met name Myotis-soorten) en waarbij het sonogram uitsluitsel kan geven. Hierbij is gebruik gemaakt van analyseprogramma Batsound. De vijf onderzoeksrondes ten behoeve van vleermuizen zijn uitgevoerd met twee waarnemers per veldronde in de paarperiode, drie per avondronde in de zomer- en kraamperiode en vier tijdens de veldronde in de ochtend.
22863.003 versie D1
7 / 39
Het aantal waarnemers is bepaald aan de hand van het aantal vleermuisgeschikte gevels, boomholtes en de grootte van de onderzoekslocatie. Tijdens de avondronden in de zomer- en kraamperiode is in kaart gebracht waar zich rond de opstallen vleermuisactiviteit bevond, welke vleermuissoorten aanwezig waren en hoeveel individuen actief waren. Een kraamverblijf is te herkennen aan de lokale hoge vleermuisactiviteit en doordat een relatief groot aantal vleermuizen verspreid over de tijd uitvliegt en gedurende de avond ook weer terugkeert naar de verblijfplaats. Ook zijn vaak sociale geluiden en zwermactiviteiten waar te nemen. Door met twee waarnemers langs de opstallen te lopen, kon met voldoende zekerheid een kraamverblijfplaats worden aangetoond dan wel uitgesloten. Tijdens de ochtendronde heeft elke waarnemer een deel van het gebied onderzocht. Voorafgaand is bepaald welke locaties het meest kansrijk zijn voor invliegende vleermuizen tijdens de ochtendronde. Voordat vleermuizen invliegen, ‘tikken’ ze een aantal keer de verblijfplaats aan en vliegen ze laag langs de gevel met de verblijfplaats. Hierdoor zijn invliegende vleermuizen tijdens de ochtendronde makkelijker waar te nemen.
Doordat de waarnemers op een constante snelheid rondom de opstallen liepen, samen te allen tijde zicht hadden op minimaal 75% van de gevel, kansrijke locaties reeds waren bepaald, en het invliegproces vaak meerdere minuten in beslag neemt, kan met voldoende zekerheid worden gesteld dat zomer- en kraamverblijfplaatsen in de betreffende panden succesvol zijn aangetoond dan wel uitgesloten. Daarnaast vliegen niet alle vleermuizen op hetzelfde moment in, waardoor één waarnemer op meerdere plekken verblijfplaatsen kon aantonen. Tijdens de avondronden in de paarperiode hebben de waarnemers ieder op constante snelheid rond de opstallen gelopen. Daarnaast zijn de vleermuispalen langs de Utrechtseweg meegenomen in de onderzoeksinspanning om vast te stellen of zich hier al territoria bevonden. Tijdens deze rondes is in kaart gebracht bij welke opstallen baltsgedrag van mannelijke vleermuizen werd vertoond en op welke plekken mannelijke vleermuizen de verblijfplaats aantikten. Voor de paarperiode geldt dat mannelijke vleermuizen gedurende een groot deel van de avond baltsroepen maken rondom de paarverblijfplaats. Omdat deze baltsroepen de hele nacht worden uitgevoerd, konden paarterritoria en daarmee ook paarverblijfplaatsen goed in kaart worden gebracht.
Ransuil en steenuil Voor het onderzoek naar de ransuil en de steenuil zijn in de periode half februari tot half april een drietal avondbezoeken uitgevoerd. Tussen de verschillende onderzoeksrondes bevonden zich minimaal 10 dagen. Hierbij is gebruik gemaakt van geluidsnabootsing. Van zowel de ransuil als de steenuil is bekend dat deze soort in vrijwel alle gevallen een vocale reactie geeft op geluidsnabootsing binnen zijn territorium. Naast de drie avondbezoeken is tevens één veldbezoek uitgevoerd overdag, waarbij op geschikte nest- en roestlocaties werd gezocht naar sporen van de ransuil en de steenuil. De steenuilkast en geschikte nesten zijn daarnaast geïnspecteerd doormiddel van een FLIR warmtecamera. Hiermee kan de aanwezigheid van een broedende uil in de kast of op een nest worden vastgesteld. Het onderzoek naar uilen is door één persoon uitgevoerd. De inventarisatiemethode is overeenkomstig met de methode die opgesteld is door Steenuilenoverleg Nederland (STONE) en conform de voorgeschreven werkwijze van SOVON en het kennisdocument ransuil (BIJ12, versie juli 2017). Roofvogels De onderzoekslocatie en de directe omgeving biedt geschikte nestgelegenheid voor de boomvalk, sperwer, buizerd, ransuil en havik. Voor het onderzoek naar de buizerd zijn twee veldbezoeken uitgevoerd in de periode
22863.003 versie D1
8 / 39
tussen 1 maart en 15 april. Daarnaast zijn voor het onderzoek naar roofvogels tussen 1 en 15 mei twee veldbezoeken uitgevoerd, voor alle potentieel aanwezige roofvogelsoorten. Hierop volgend is nog een veldbezoek uitgevoerd vóór 15 juli, ten behoeve van de sperwer en de boomvalk. In totaal zijn er dus vijf inventarisatiemomenten benodigd geweest voor deze soortgroep. Tussen de verschillende veldbezoeken zat altijd minimaal tien dagen. Deze veldbezoeken zijn door één persoon uitgevoerd in de ochtend of in de avond. Tijdens de veldbezoeken is, naast aanwezigheid, gelet op balts, bezetting van de aanwezige nesten nest, fel alarmeren en voedseltransport door deze soorten. Bij het aantreffen van roofvogels rond en/of op een nest mag worden aangenomen dat het nest in gebruik is door de betreffende soort. De inventarisatiemethode is overeenkomstig met de methode, zoals opgesteld door SOVON Vogelonderzoek Nederland en het kennisdocument Buizerd (BIJ12, versie juli 2017). Ringslang Voor het onderzoek naar de ringslang zijn vijf veldrondes uitgevoerd in de periode van april tot en met juli. Tijdens het eerste veldbezoek zijn in totaal acht transecten met vijf reptielplaten geplaatst. Deze platen warmen door hun donkere kleur op in de zon en hebben hierdoor een aantrekkende werking op reptielen zoals de ringslang. In figuur 4.1 zijn de locaties van de transecten weergegeven.
De reptielplaten zijn geplaatst op kansrijke locaties, zoals zuidelijk georiënteerde, zonbeschenen oevers, overgangen tussen hogere en lagere vegetatie en in de nabijheid van schuilmogelijkheden. In figuur 4.2, 4.3 en 4.4 zijn foto’s te zien van enkele van de locaties. Het zoeken naar zonnende dieren, afhankelijk van de weersomstandigheden, en het omdraaien van objecten als boomstronken, stenen en geplaatste reptielplaten, levert naar verwachting voldoende zekerheid op om de aanwezigheid van reptielen vast te stellen dan wel uit te sluiten. Aan de hand van de telgegevens en een habitatanalyse is een populatie inschatting gemaakt. De inventarisatiemethode is als voorgeschreven door RAVON (Handleiding voor het monitoren van reptielen in Nederland, herziene uitgave 2015).
22863.003 versie D1
9 / 39
Figuur 4.1 Locaties transecten met reptielplaten op de onderzoekslocatie.
Figuur 4.2 Foto transect 3.
van
reptielplaat-
Figuur 4.3 Foto transect 6.
van
reptielplaat-
Figuur 4.4 Foto transect 7.
van
reptielplaat-
Kleine marterachtigen, steen- en boommarter Voor het onderzoek naar kleine marterachtigen zijn wildcamera’s, gedeeltelijk in struikrover-/ monstelabehuizing of in BuBo opstelling verspreid over het onderzoeksgebied geplaatst (figuur 4.5). struikrover- en monstelabhuizingen zijn behuizingen voor de wildcamera’s waardoor marterachtige gelokt worden naar lokstof en zo makkelijkerer waar te nemen zijn op de wildcamera. Een BuBo opstelling is een wildcamera vastgemaakt aan een boom of paal met op circa twee meter afstand lokstof om zo makkelijker waarnemingen van marters en
22863.003 versie D1
10 / 39
voornamelijk bunzingen te verzamelen. In het eerste veldbezoek is gekeken waar potentiële vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebieden en verbindingszones zich bevinden. Vervolgens zijn wildcamera’s strategisch geplaatst om de functie van het onderzoeksgebied voor marters vast te stellen (figuur 4.6 en 4.7). Op voorhand is ingeschat dat met negen wildcamera's, gedurende 6 weken in de periode september tot oktober de functie van het plangebied onderzocht dient te worden voor marters. De camera’s werden gedurende het onderzoek op 14 verschillende locatie gepositioneerd om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen van de onderzoekslocatie. De inventarisatiemethode is uitgevoerd gebaseerd op het kennisdocument kleine marterachtigen (BIJ12, 2024). Voor het onderzoek naar de steen- en boommarter is een éénmalige intensieve inspectie uitgevoerd, waarbij alle geschikte verblijfsmogelijkheden grondig zijn onderzocht op verblijfsindicaties van de steenmarter en de boommarter. Daarnaast zijn in combinatie met het onderzoek naar kleine marterachtigen tevens camera’s geplaatst op voor de steenmarter en de boommarter geschikte locaties, zoals de bosschage aan de oost kant van de onderzoekslocatie (figuur 4.5).
Figuur 4.5 Locaties van wildcamera’s op de onderzoekslocatie.
22863.003 versie D1
11 / 39