Nadere onderzoeken_ ecologie
Tekst van het document
RAPPORTAGE Natuurwaardenonderzoek Tussen de Rails Utrecht
Natuurwaardenonderzoek Tussen de Rails, Utrecht Opdrachtgever
Gemeente Utrecht Postbus 16200 3500 CE Utrecht
Rapportnummer
22863.002
Versienummer
D1
Status
DEFINITIEF
Datum
16 februari 2023
Opsteller1 Kwaliteitscontrole
1
VRIJGAVE
In onze rapportages en offertes wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Middels ons kwaliteitssysteem worden offertes en rapporten aantoonbaar vrijgegeven.
KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.
Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van de gemeente Utrecht een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd in het plangebied ’Tussen de Rails’ te Utrecht. Dit onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie. In de basis zijn de geomorfologische omstandigheden op de onderzoekslocatie gevormd door fluviatiele processen. De centrale watergang langs het fietspad op de onderzoekslocatie is gelegen in een laagte die is ontstaan door een (rest)geul van de Oude Rijn. In deze geul is door verschillende stroomsnelheden door de jaren heen waarschijnlijk afwisselend grof sediment zoals zand en fijner sediment zoals klei afgezet. Op de stroomruggen, aan weerszijden van de (rest)geul vind je waarschijnlijk zandbanken. Deze processen hebben gezorgd voor een kalkhoudende bodem op de onderzoekslocatie. Daarnaast is door menselijke invloeden zoals het gronddepot en de aanleg van spoorwegen mogelijk nog meer kalk toegevoegd aan het lokale ecosysteem, wat tot gevolg heeft dat er veel kalkminnende soorten voorkomen op de onderzoekslocatie. Deze omstandigheden zijn schaars in de gemeente Utrecht. Door agrarisch landgebruik in het verleden en het vermoedelijke opvullen van sloten met organisch materiaal zijn er voedselrijke omstandigheden ontstaan aan de westkant van de onderzoekslocatie.
Dit heeft in combinatie met extensief beheer geresulteerd in een ruig begroeid terrein met veel structuur. De aanwezigheid van deze structuur verklaart bijvoorbeeld het voorkomen van soorten zoals de roodborsttapuit, wezel en ringslang op de onderzoekslocatie. Ruigte is rond het stedelijk gebied schaars en hierdoor van grote ecologische waarde bij het beschermen van de soorten die hiervan afhankelijk zijn. Voor de soorten die voorkomen op de onderzoekslocatie en vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming geldt een wettelijke beschermingsplicht. Dit houdt in dat in het kader van de voorgenomen herontwikkelingen, mogelijk ontheffing nodig is van de Wet natuurbescherming, wanneer negatieve effecten op beschermde soorten aan de orde zijn. Om ontheffing van de Wet natuurbescherming te kunnen verkrijgen dient nader ecologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Aan de hand van dit onderzoek wordt meer informatie verkregen over de aanwezige beschermde soorten, waardoor geschikte compenserende en mitigerende maatregelen kunnen worden bepaald. Deze maatregelen dienen ter goedkeuring te worden voorgelegd bij de Provincie doormiddel van een activiteitenplan. Voor de overige soorten in dit hoofdstuk (Rode lijst en Utrechtse soortenlijst) geldt geen wettelijke noodzaak tot uitvoering van nader ecologisch onderzoek.
Voor deze soorten geldt een beleidsmatige bescherming binnen de gemeente Utrecht. Wel zijn er verschillend maatregelen die genomen kunnen worden om deze soorten te beschermen. Uitgaand van het feit dat de ontwikkelingen op de onderzoekslocatie uitsluitend betrekking hebben op zone 1 t/m 15 dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar gierzwaluw, steenuil, roofvogels, kleine marterachtigen, steenmarter, vleermuizen (boom- en gebouwbewonend), ringslang, grote modderkruiper, grote weerschijnvlinder, grote vos en de teunisbloempijlstaart. Dit onderzoek dient per soortgroep te worden uitgevoerd in de voor deze soort meest geschikte periode. Voor de steenuil begint deze periode als eerst, in februari, en voor vleermuizen wordt dit onderzoek als laatste afgerond, rond eind september.
1
Voor de soorten die vallen onder de Utrechtse soortenlijst of de Rode lijst geldt geen wettelijke noodzaak tot uitvoering van nader ecologisch onderzoek. Voor de vervolgstappen ten aanzien van deze soorten geldt geen wettelijke verplichting. Wel geldt een beleidsmatige bescherming binnen de gemeente Utrecht. Het wordt daarom geadviseerd om de bescherming van de bijzondere biotopen en de bijbehorende soorten mee te nemen in de planvorming.
2
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING ................................................................................................................................................... 1 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 4
2
GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 5 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 5 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie .............................................................................. 7
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 9
4
ACHTERGROND EN ECOLOGISCHE ZONERING ........................................................................................ 10 4.1 4.2 4.3
5
ECOLOGISCHE WAARDE VOOR SOORTEN ............................................................................................... 28 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11
6
Fysische geografie en bodem ....................................................................................................... 10 Abiotische factoren ...................................................................................................................... 12 Ecologische zonering .................................................................................................................... 14
Vogels ........................................................................................................................................... 28 Grondgebonden zoogdieren ........................................................................................................ 33 Vleermuizen ................................................................................................................................. 35 Reptielen ...................................................................................................................................... 37 Amfibieën ..................................................................................................................................... 38 Vissen ........................................................................................................................................... 39 Insecten ........................................................................................................................................ 42 Weekdieren .................................................................................................................................. 48 Vaatplanten ..................................................................................................................................
49 Blad- en levermossen ................................................................................................................... 51 Korstmossen ................................................................................................................................. 52
ADVIES ..................................................................................................................................................... 53 6.1 6.2 6.3 6.4
Vervolgonderzoek en ontheffing Wet natuurbescherming ......................................................... 53 Behouden en mitigeren van rust- en voortplantingsplaatsen ..................................................... 54 Behouden en verbeteren van ecologische corridor ..................................................................... 56 Behouden van unieke biotopen ................................................................................................... 58
7
CONCLUSIES ............................................................................................................................................ 66
8
BRONNEN ................................................................................................................................................ 72
3
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van de gemeente Utrecht opdracht gekregen voor het uitvoeren van een natuurwaardenonderzoek in het plangebied ’Tussen de Rails’ te Utrecht. Het natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie. Het natuurwaardenonderzoek heeft als doel om in kaart te brengen welke natuurwaarden aanwezig zijn binnen het plangebied. Op basis van deze gegevens zal worden geadviseerd hoe rekening gehouden kan worden met deze natuurwaarden binnen de voorgenomen herontwikkeling. Hiervoor zal antwoord worden gegeven op de onderstaande onderzoeksvragen: •
•
• • •
Welke beleidsmatig beschermde natuurwaarden komen voor op de onderzoekslocatie en wat is het belang van het gebied voor deze soorten? Onder beleidsmatige beschermde soorten worden de soorten verstaan van de Utrechtse Soortenlijst, maar ook de beschermde soorten die op provinciaal niveau zijn vrijgesteld. Welke andere bijzondere natuurwaarden komen voor in het gebied? Denk daarbij aan soorten van de Rode Lijst, bijzondere vegetatietypen of soorten die op gemeentelijk of regionaal niveau zeer zeldzaam zijn. Wat is het belang van het gebied op gemeentelijk niveau voor de vastgestelde natuurwaarden? Welke terreindelen hebben de hoogste natuurwaarden? Welke maatregelen kunnen getroffen worden om deze natuurwaarden te beschermen of te versterken? Wat zijn de – naast hierboven genoemde natuurwaarden – andere waarden van het gebied voor zover samenhangend met de doelstelling van de Actualisatie groenstructuurplan 2017-2030? Denk aan de verbindingsfunctie tussen stad en buitengebied en recreatieve waarden, maar ook aan bodemkenmerken, geomorfologische waarden en historische (groen)structuren (groen erfgoed).
Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest bij ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
4
2
GEBIEDSBESCHRIJVING
2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 98.000 m²) betreft het plangebied ‘Tussen de Rails’ te Utrecht. In figuur 2.1 is de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie is gelegen ten zuidoosten van het stedelijk gebied van de stad Utrecht, ten oosten van de wijk Lunetten en is omsloten door infrastructuur. Zo ligt de onderzoekslocatie in de sporendriehoek LunettenKoningsweg. Aan de noordzijde loopt de spoorlijn van Utrecht Centraal richting Arnhem en aan de zuidwestzijde de spoorlijn richting Den Bosch. Ten oosten van de onderzoekslocatie loopt de snelweg A27, die onderdeel uitmaakt van de ring Utrecht. In het centrum van de onderzoekslocatie is een fietspad aanwezig van noord naar zuid, wat de Maarschalkerweerd en Lunetten verbindt. Daarnaast heeft dit fietspad ook een regionale functie door de verbinding tussen Nieuwegein, Houten en het Utrecht Science Park te vormen. Aan weerszijden van dit fietspad zijn bloemrijke bermen aanwezig.
5
Ten westen grenst de wegberm langs het fietspad aan een watergang met natuurlijke oevers. Achter deze watergang, die het gehele westelijke deel van de onderzoekslocatie omsluit, is een grasland aanwezig. Op een centrale positie in het grasland is een woonerf gelegen. In de meest westelijke punt van de onderzoekslocatie betreft een elzen-/wilgenbos, waarin verschillende poelen aanwezig waren ten tijden van het veldbezoek. Ten oosten van het fietspad is aan de zuidzijde een kruidenrijk grasland gelegen. Het noordelijke deel van dit gebied wordt gebruikt als gemeentelijk gronddepot en werkterrein voor de uitbreiding van de A27. De meest oostelijke strook van de onderzoekslocatie is begroeid met een gemengd bos, met onder andere schietwilg, Spaanse aak en populier. Historisch gezien maakt de onderzoekslocatie onderdeel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en diende hierin als inundatieveld. De Nieuwe Hollandse Waterlinie is in 2021 aangewezen als UNESCO Werelderfgoed en wordt hierdoor Cultuurhistorisch beschermd. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.3 t/m figuur 2.8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Figuur 2.2 Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
6
Figuur 2.3 Kruidenrijk grasland aan de westkant van de onderzoekslocatie.
Figuur 2.4 Wandelpad door bosstrook aan oostzijde van de onderzoekslocatie.
Figuur 2.5 Watergang met natuurlijke oever langs fietspad.
Figuur 2.6 Gemaaide strook grasland aan westzijde van de onderzoekslocatie.
Figuur 2.7 Gronddepot ten oosten van het fietspad op de onderzoekslocatie.
Figuur 2.8 Poel in elzen-/wilgenbos aan westkant van de onderzoekslocatie.
2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie De initiatiefnemer is voornemens om de onderzoekslocatie in twee fases te ontwikkelen. Het zal in eerste instantie tijdelijke woonruimte betreffen omdat het besluit over de lange termijn inrichting van de nieuwe stedelijke knoop Lunetten-Koningsweg pas over 10 tot 15 jaar genomen zal worden. De ambitie is om de nieuwe stedelijke knoop Lunetten-Koningsweg in stapjes te ontwikkelen, in goede samenhang met de Utrechtse barcode. Zo zal het gebied langzaam verkleuren van een plek waar vooral stadsrandfuncties (zoals een baggerterrein) en groen en natuur een plek hebben, naar een gebied waar mensen met plezier wonen, werken en elkaar ontmoeten. Hierbij wordt voor fase 1 op dit moment uitgegaan van de ontwikkeling van 200 tot 300 tijdelijke woningen. Dat kan zijn voor studentenwoningen, maar ook een ander type (sociale) woningen is denkbaar. Op basis van de verkenning tot nu toe is de inschatting dat er minimale ingrepen in de infrastructuur en ontsluiting nodig zijn om fase 1 te kunnen realiseren. De huidige inschatting is dat de bestaande auto-ontsluiting bij de Mereveldseweg volstaat uitgaande van een lage parkeernorm in fase 1 en het streven is om fase 1 aan te sluiten op de reeds aanwezige persleiding. Vooralsnog lijkt ook de aansluiting op het elektriciteitsnet mogelijk.
Deze woningen vormen de 1e fase van de tijdelijke invulling van het gebied ‘Tussen de Rails’.
7
Binnen de onderzoekslocatie is naast fase 1 nog ruimte voor meer tijdelijk programma met woningen en andere functies (fase 2). Omdat de realisatie van fase 2 naar verwachting meer infrastructurele investeringen vraagt om de locatie geschikt te maken voor gebruik en bewoning (zoals uitbreiding van de riolering, overige kabels en leidingen, auto-ontsluiting en herinrichting) is voor deze 2e fase nader onderzoek nodig om de vereiste maatregelen en investeringen in beeld te brengen. De inschatting is dat met fase 1 en 2 samen indicatief 500 à 700 tijdelijke woningen en overige functies kunnen worden gerealiseerd. Het beoogde programma is opgedeeld in twee fases. Fase 1 betreft bouwvlek A. Fase 2 bestaat uit de bouwvlekken B t/m F (figuur 2.9).
Figuur 2.9 Impressie van mogelijke bouwvolumes binnen de voorgenomen bouwvlekken.
8
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van ecologisch waardevolle elementen gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Voorafgaand aan het veldbezoek is een verkennend bureauonderzoek uitgevoerd. Aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” is nagegaan welke beschermde-, rode lijst-, bedreigde-, bijzondere- en Utrechtse soorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. Hiervoor is een buffer van 3 kilometer rond de onderzoekslocatie gebruikt. De geschiktheid van de onderzoekslocatie voor deze soorten is tijdens een veldbezoek beoordeeld. Het veldbezoek is afgelegd op 19 oktober 2023, tussen 8:00 en 16:00 door drie veldecologen. De weeromstandigheden tijdens het veldbezoek waren wisselvallig, met een temperatuur van 10 °C. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is doormiddel van zowel biotische- en abiotische landschappelijke kenmerken, zoals openheid, verkaveling, groenstructuren en de mate van bebouwing en infrastructurele elementen een eerste verdeling gemaakt in gebieden met vergelijkbare landschappelijke kenmerken.
Binnen elk van deze landschappelijke zones zijn vervolgens op verschillende locaties vegetatie opnames gedaan. Tijdens deze vegetatieopname werd getracht om de meest algemeen voorkomende plantensoorten binnen de landschappelijke zone in kaart te brengen. Deze gegevens werden vastgelegd op een veldformulier. Bij het aantreffen van beschermde soorten (zowel Wet natuurbescherming als Utrechtse Soorten) zijn de ruimtelijke gegevens opgeslagen via het programma Locus Maps. Wanneer uit de vegetatieopnames bleek dat er verschillende plantengemeenschappen aanwezig waren binnen dezelfde landschappelijke zone, is op basis hiervan een verdere onderverdeling gemaakt in gebieden met een vergelijkbare vegetatie. Hieropvolgend zijn de ecologische functies van deze zones en de mogelijke aanwezigheid van beschermde-, rode lijst-, bedreigde-, bijzondere- en Utrechtse soorten in kaart gebracht. Hierbij is onder andere gelet op de aanwezigheid van geschikt habitat voor de potentieel aanwezige soorten. Daarnaast is gezocht naar sporen van de mogelijk voorkomende soorten, zoals holen, prenten en uitwerpselen. Op basis van deze ecologische potenties van de verschillende landschappelijke zones en de vegetatieopname is de uiteindelijke zonering vastgesteld. Hierin beschikken alle zones over een vergelijkbare natuurwaarde.
Dit onderzoek betreft een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen volledige inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar. Aan de hand van de vastgestelde ecologische zones zal worden geadviseerd over te nemen vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en mogelijke kansen en risico’s voor de lokaal aanwezige natuurwaardes met het oog op de voorgenomen ontwikkelingen binnen de onderzoekslocatie. 9
4
ACHTERGROND EN ECOLOGISCHE ZONERING
Om de ecologische omstandigheden op de onderzoekslocatie te kunnen verklaren is het belangrijk dat meer inzicht wordt verkregen in het ontstaan van deze specifieke omstandigheden. Daarnaast kunnen de omstandigheden op waarde worden ingeschat door ze in het perspectief van de omgeving te plaatsen. In dit hoofdstuk zal aan de hand van historisch kaartmateriaal, bodemeigenschappen, abiotische factoren en landschappelijke kenmerken het ontstaan van de lokale omstandigheden worden verklaard.
4.1 Fysische geografie en bodem De onderzoekslocatie ligt in een deel van Nederland dat is gevormd door een dynamisch rivierensysteem waar de rivier de Rijn tot hij ingedijkt werd de vrije loop had. In dit dynamische systeem vormde zich zo’n 6300 jaar geleden de Oude Rijn, waarvan de hedendaagse Kromme-Rijn een onderdeel was. Ook de Kromme-Rijn had in deze periode de vrije loop ten Oosten van Utrecht zo ook tussen het hedendaagse Achterdijk in Bunnink en de wijk Lunetten in Utrecht (figuur 4.1).
Figuur 4.1 Paleogeografische kaart (3850 VC) van de omgeving van de onderzoekslocatie (Bron: Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed).
10
Als gevolg van het ontstaan van de Oude-Rijn, ontstond in dit gebied een afwisselend landschap met stroomruggen, (rest)geulen en kommen. In deze periode werd, in vergelijking met de omliggende laagten (kommen), meer zand afgezet op de hoger gelegen stroomruggen, langs de oever en in de rivierbedding. De hoeveelheid kalk in deze hoger gelegen gebieden is hierdoor nog altijd vaak relatief hoger dan in de lagere delen in het landschap. Eén van de stroomruggen die in deze periode is ontstaan is de Oud Wulvenbroekse stroomrug, waar een (rest)geul van de Oude-Rijn doorheen stroomde. Deze processen die zich in deze periode afspeelden vormden een belangrijke factor in de vorming van het hedendaagse landschap op de onderzoekslocatie. Dit is terug te zien op de geomorfologische kaart van de onderzoekslocatie (figuur 4.2). Het centrale deel van de onderzoekslocatie bestaat uit een lager gelegen (rest)geul, waar aan weerszijden hiervan een hoger gelegen stroomrug is gesitueerd. Stroomruggen bestaan doorgaans uit zandafzettingen en in (rest)geulen wordt vaak een gelaagde bodem aangetroffen, met afhankelijk van de stroomsnelheden zand- en kleilagen. Daarnaast wordt in binnenbochten van meanderende riviergeulen vaak fijner sediment (klei) aangetroffen in vergelijking met de buitenbocht. Hier wordt door de hogere stroomsnelheid relatief meer zand aangetroffen.
Door deze dynamiek kan op de onderzoekslocatie nog altijd vrij lokaal sprake zijn van verschillen in kalkhoudendheid van de bodem. Binnen de gemeente Utrecht komen deze door (rest)geulen gevormde bodems niet meer voor op andere onbebouwde locaties. Omdat bodemkarakteristieken een belangrijke factor spelen in de samenstelling van de vegetatie, maakt de unieke bodem de groeiomstandigheden op de onderzoekslocatie ook uniek voor deze regio.
Figuur 4.2 Geomorfologische kaart van de onderzoekslocatie.
11
4.2 Abiotische factoren De (rest)geul die op de onderzoekslocatie te vinden is werd zo rond de 13 e eeuw, gebruikt om de lager gelegen delen (kommen) te ontginnen voor de landbouw. Dit was de Oud-Wulfse wetering, tegenwoordig de Oud Wulverbroekerwetering genoemd. Deze wetering was ooit tot 100 meter breed en zeven meter diep maar is vandaag de dag alleen nog zichtbaar als een smalle watergang. De watergang ten westen van het fietspad op de onderzoekslocatie vormt een onderdeel van de Oud Wulverbroekerwetering. Op kaartmateriaal uit 1862 is te zien hoe de Oud Wulverbroekerwetering, begeleid door dijken, door het landschap stroomde (figuur 4.3).
Figuur 4.3 Topografische kaart van de onderzoekslocatie uit 1862 (bron: topotijdreis.nl).
Het deel van de onderzoekslocatie dat aan de westkant van de Oud Wulverbroekerwetering ligt is sinds halverwege de 19e eeuw in gebruik als landbouwgrond. Op landbouwgrond wordt vaak bemest om de productiviteit te verhogen. Dit verklaart mogelijk de voedselrijke situatie met veel ruigtesoorten, zoals bramen en brandnetels, ten westen van het fietspad. Dit is niet het geval aan de oostkant van de onderzoekslocatie. Dit deel was, zoals te zien op kaartmateriaal uit 1940 (figuur 4.4), volledig begroeid met loofbos, wat het gebruik van mest onwaarschijnlijk maakte.
12
Figuur 4.4 Topografische kaart van de onderzoekslocatie uit 1940 (bron: topotijdreis.nl)
In het gebied tussen het woonerf en het centrale fietspad op de onderzoekslocatie waren tot 2009 enkele watergangen aanwezig. Deze zijn inmiddels opgevuld. Hier werden in het verleden allerlei materialen voor gebruikt. Vaak was dit organisch materiaal zoals snoeiafval dat op het erf werd verzameld door de jaren heen. Maar vaak werd hier ook puin met chemische stoffen voor gebruikt. Het dumpen van organisch materiaal in de sloten heeft mogelijk ook bijgedragen aan de voedselrijkere omstandigheden in dit gebied. Van nature komt kalk voor in mergel, kalksteen of via schelpen in zand in de duinen. Kalk kan echter ook door antropogene ingrepen op andere plaatsen terecht komen. Dit is mogelijk het geval op de onderzoekslocatie. Kalkrijke grond of schelpengranulaat wordt bijvoorbeeld gebruikt om verzakking van spoorwegen, zoals aanwezig op de onderzoekslocatie, tegen te gaan. Kalk verbetert namelijk de bodemstructuur. Daarnaast is het mogelijk dat kalkrijke grond is verstoven vanaf de bouwplaats of het gronddepot aan de oostkant van de onderzoekslocatie, waardoor het mogelijk zorgt voor een kalkrijker ecosysteem in de omgeving.
13
4.3 Ecologische zonering Op basis van de achtergrondinformatie uit hoofdstuk 4.1 en 4.2 en ecologische factoren zoals vegetatie, habitat en ecologische potenties voor soorten is de onderzoekslocatie in dit hoofdstuk onderverdeeld in verschillende ecologische zones (figuur 4.4). Deze ecologische zones beschikken over vergelijkbare natuurwaarden. In tabel 4.1 zijn de vastgestelde zones met benaming weergegeven. In hoofdstuk 5 zal per ecologische zone een omschrijving van de betreffende natuurwaarden van de zone worden gegeven en zullen de ecologische potenties worden getoetst aan de voorgenomen herontwikkelingen.
Figuur 4.5 Topografische kaart met ecologische zones aangegeven.
14
Tabel 4.1 Benaming van ecologische zones. Zone Benaming 1
Vochtig wilgen-/elzenbos (west)
2
Kruidenrijk grasland (west)
3
Struweel langs oever (noord)
4
Grasland (noord)
5
Woonerf
6
Houtwal met vossenburcht
7
Struweel langs oever (zuidwest)
8
Grasland (zuidwest)
9
Takkenril
10
Ruigteveld
11
Kort gemaaid grasland
12
Sloot en oever (hoge kwaliteit)
13
Overwoekering door reuzen berenklauw
14
Wilgenbos
15
Sloot met rietruigte
16
Kruidenrijke bermen langs fietspad
17
Gronddepot en bouwplaats
18
Kruidenrijke ruigte en struweel
19
Gemengd wilgenbos
20
Bosranden en open plekken
21
Kruidenrijke ruigte (oost)
22
Grasland (oost)
23
Sloot en oever (lage kwaliteit)
24
Bramenruigte
15
Zone 1: Vochtig wilgen-/elzenbos
Figuur 4.6 Luchtfoto van zone 1.
Figuur 4.7 Impressiefoto van zone 1.
Deze ecologische zone betreft het vochtige bos in de noordwestelijke punt van de onderzoekslocatie (figuur 4.6). De vegetatie wordt hier gedomineerd door zwarte els en schietwilg. Binnen deze zone is reliëf aanwezig, waardoor nattere en drogere delen zijn ontstaan. De ondergroei in de vochtige delen wordt gedomineerd door riet en late guldenroede en in de drogere delen en langs de bosrand door gewone braam. Figuur 4.7 geeft een impressie van zone 1 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname. Zone 2: Kruidenrijk grasland (west)
Figuur 4.8 Luchtfoto van zone 2.
Figuur 4.9 Impressiefoto van zone 2.
Deze ecologische zone betreft het kruidenrijke grasland aan de westkant van de onderzoekslocatie (figuur 4.8). Dit grasland is verruigt en er is een gemengde kruidenrijke vegetatie aanwezig. Tot 1955 heeft er een dijkje met een landbouwweg door deze zone gelopen, waardoor mogelijk lokaal schralere groeiomstandigheden aanwezig zijn in vergelijking met de omgeving. De vegetatie wordt gedomineerd door planten van een matig voedselrijke tot voedselrijke bodem, zoals akkerdistel, smeerwortel, grote brandnetel, ooievaarsbek en fluitenkruid. Figuur 4.9 geeft een impressie van zone 2 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname.
16
Zone 3: Struweel langs oever (noord)
Figuur 4.10 Luchtfoto van zone 3.
Figuur 4.11 Impressiefoto van zone 3.
Deze ecologische zone betreft het struweel langs de oever aan de noordwestkant van de onderzoekslocatie (figuur 4.10). Langs deze oever zijn verschillende boomsoorten aanwezig, zoals schietwilg, gewone esdoorn, populier, ruwe berk, zwarte els en boswilg. De ondergroei is beperkt kruidenrijk en wordt gedomineerd door zwarte braam. Figuur 4.11 geeft een impressie van zone 3 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname. Zone 4: Grasland (noord)
Figuur 4.12 Luchtfoto van zone 4.
Figuur 4.13 Impressiefoto van zone 4.
Deze ecologische zone betreft het grasland aan de noordkant van de onderzoekslocatie (figuur 4.11). In dit grasland is ten opzichten van zone 2 minder kruidenrijke vegetatie aanwezig. In tegenstelling tot zone 2 is dit gebied tot 1984 in gebruik geweest als fruitboomgaard. De vegetatie wordt gedomineerd door planten van een matig voedselrijke tot zeer voedselrijke en vochtige bodem, zoals pitrus, grote brandnetel en klein hoefblad. Figuur 4.13 geeft een impressie van zone 4 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname.
17
Zone 5: Woonerf
Figuur 4.14 Luchtfoto van zone 5.
Figuur 4.15 Impressiefoto van zone 5.
Deze ecologische zone betreft het woonerf op de onderzoekslocatie en wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van bebouwing, tuin en erf (figuur 4.14). Dit woonerf is aanwezig op de onderzoekslocatie sinds halverwege de 19e eeuw. Omdat de vegetatie in deze zone is grotendeels is aangeplant en onderhavig is aan intensief beheer is geen vegetatieopname van zone 5 gemaakt. Figuur 4.15 geeft een impressie van zone 5 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname. Zone 6: Houtwal met vossenburcht
Figuur 4.16 Luchtfoto van zone 6.
Figuur 4.17 Impressiefoto van zone 6.
Deze ecologische zone betreft de houtwal ten westen van het woonerf, waar een vossenburcht aanwezig is (figuur 4.16). Het struweel in deze houtwal bestaat uit gewone vlier, gewone braam en meidoorn. Figuur 4.17 geeft een impressie van zone 6 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname.
18
Zone 7: Struweel langs oever (west)
Figuur 4.18 Luchtfoto van zone 7.
Figuur 4.19 Impressiefoto van zone 7.
Deze ecologische zone betreft het struweel langs de oever aan de westkant van de onderzoekslocatie (figuur 4.18). Langs deze oever zijn schietwilgen en populieren aanwezig. Daarnaast bestaat de ondergroei voornamelijk uit gewone braam en enkele kruidachtige pionierssoorten. Figuur 4.19 geeft een impressie van de zone 7 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname. Zone 8: Grasland (west)
Figuur 4.20 Luchtfoto van zone 8.
Figuur 4.21 Impressiefoto van zone 8.
Deze ecologische zone betreft het grasland aan de westkant van de onderzoekslocatie (figuur 4.20). In dit grasland is ten opzichten van zone 2 minder kruidenrijke vegetatie aanwezig. Tot 1984 is deze zone in gebruik geweest als fruitboomgaard. De vegetatie wordt gedomineerd door planten van een matig voedselrijke tot voedselrijke bodem, zoals akkerdistel, smalle weegbree en gewone ooievaarsbek. Figuur 4.21 geeft een impressie van zone 8 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname.
19
Zone 9: Takkenril
Figuur 4.22 Luchtfoto van zone 9.
Figuur 4.23 Impressiefoto van zone 9.
Deze ecologische zone betreft de takkenril aan de westkant van de onderzoekslocatie (figuur 4.22). In deze takkenril is een verruigde kruidenrijke vegetatie aanwezig met diversie pionierssoorten, zoals teunisbloem, bijvoet en duizendblad. Figuur 4.23 geeft een impressie van zone 9 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname. Zone 10: Verruigt grasland
Figuur 4.24 Luchtfoto van zone 10.
Figuur 4.25 Impressiefoto van zone 10.
Deze ecologische zone betreft het verruigde grasland aan de westkant van de onderzoekslocatie (figuur 4.24). De oeverrand langs de watergangen maakt geen onderdeel uit van deze zone. In het verleden is dit perceel in gebruik geweest als landbouwgrond, waardoor door bemesting mogelijk voedselrijke omstandigheden zijn ontstaan. In dit grasland is ten opzichten van zone 2 minder diverse kruidenrijke vegetatie aanwezig. De vegetatie wordt door de voedselrijke bodem in grote mate gedomineerd door stikstofminnende plantensoorten, zoals akkerdistel, gewone braam en grote brandnetel. Figuur 4.25 geeft een impressie van zone 10 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname.
20
Zone 11: Intensief gemaaid grasland
Figuur 4.26 Luchtfoto van zone 11.
Figuur 4.27 Impressiefoto van zone 11.
Deze ecologische zone betreft het intensief gemaaide grasland aan de zuidwestkant van de onderzoekslocatie (figuur 4.26). In dit grasland is ten opzichten van zone 2 minder kruidenrijke vegetatie aanwezig. De vegetatie wordt in grote mate gedomineerd door soorten die een hoge tolerantie hebben voor frequent maaibeheer, zoals, paardenbloem, gevlekte rupsklaver en speenkruid. Figuur 4.27 geeft een impressie van zone 11 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname. Zone 12: Sloot met natuurlijke oever (hoge kwaliteit)
Figuur 4.28 Luchtfoto van zone 12.
Figuur 4.29 Impressiefoto van zone 12.
Deze ecologische zone betreft de watergang met de natuurlijke oever langs het fietspad, centraal op de onderzoekslocatie (figuur 4.28). Deze watergang is onderdeel van de Oud Wulverbroekerwetering en is gelegen in een laagte die is ontstaan door een (rest)geul van de Oude Rijn. Langs deze oever is veel kruidenrijke vegetatie aanwezig en groeien meer waterplanten dan in de overige watergangen op de onderzoekslocatie. Dit wordt mogelijk veroorzaakt door een betere doorstroming van het water, beheer en verschillende bodemkarakteristieken. De vegetatie wordt gekarakteriseerd door planten van een zeer vochtige bodem, zoals watermunt, moeraswalstro
21
en lisdodde. Figuur 4.29 geeft een impressie van zone 12 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname. Zone 13: Overwoekering met reuzenberenklauw
Figuur 4.31 Impressiefoto van zone 13.
Figuur 4.30 Luchtfoto van zone 13.
Deze ecologische zone betreft de ruigte die volledig is overwoekerd door reuzenberenklauw aan de noordkant van de onderzoekslocatie (figuur 4.30). In zone 13 is geen verdere vegetatieopname gedaan omdat er naast de reuzenberenklauw alleen incidentele waarnemingen van pionierssoorten zijn gedaan. Deze soorten vervullen geen substantiële rol in de karakterisering van de ecologische zone. Figuur 5.26 geeft een impressie van zone 13 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname. Zone 14: Wilgenbos
Figuur 4.32 Luchtfoto van zone 14.
Figuur 4.33 Impressiefoto van zone 14 (ontbreekt nog).
Deze ecologische zone betreft het wilgenbos ten oosten van het woonerf op de onderzoekslocatie (figuur 4.32). In dit bos staan een aantal oude schietwilgen. De struiklaag wordt gedomineerd door gewone vlier en rode kornoelje. Figuur 4.33 geeft een impressie van zone 14 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname.
22
Zone 15: Sloot met rietruigte
Figuur 4.34 Luchtfoto van zone 15.
Figuur 4.35 Impressiefoto van zone 15.
Deze ecologische zone betreft een sloot met een grote verlandingszone met rietruigte (figuur 4.34). De vegetatie wordt gekarakteriseerd door moerassoorten, zoals moeraswalstro en lisdodde. De aanwezigheid van een grote hoeveelheid eendenkroos duidt op een lage hoeveelheid zonlicht die de bodem kan bereiken. Figuur 4.35 geeft een impressie van zone 15 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname. Zone 16: Kruidenrijke bermen langs fietspad
Figuur 4.36 Luchtfoto van zone 16.
Figuur 4.37 Impressiefoto van zone 16.
Deze ecologische zone bestaat uit de kruidenrijke wegbermen langs het fietspad in het centrale deel van de onderzoekslocatie en aan de noordzijde langs het spoor (figuur 4.36). Langs het fietspad staat een rij knotwilgen en de vegetatie wordt verder gekarakteriseerd door planten van een matig voedselrijke tot voedselrijke en kalkhoudende bodem, zoals bijenorchis (NDFF), veldlathyrus, heelblaadje en echte lampionplant. De kalkhoudende bodem hier is ontstaan door een combinatie van fluviatiele processen en menselijke ingrepen. In deze zone is een verschil te zien in de soortensamenstelling tussen de vochtige delen en de drogere delen. Figuur 4.37 geeft een impressie van zone 16 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname.
23
Zone 17: Gronddepot en bouwplaats
Figuur 4.38 Luchtfoto van zone 17.
Figuur 4.39 Impressiefoto van zone 17.
Deze ecologische zone betreft het gronddepot en de bouwplaats aan de noordkant van de onderzoekslocatie (figuur 4.38). De vegetatie wordt gekarakteriseerd door pionierssoorten die een voorkeur hebben voor een bewerkte, kalkhoudende bodem, zoals zwarte nachtschade, wit vetkruid, grote zandkool, stalkaars en wilde reseda (NDFF). Verder heeft dit grond depot mogelijk indirecte invloed op de kalkhoudendheid van de bodem op de onderzoekslocatie door uitspoeling en verstuiving. Figuur 4.39 geeft een impressie van zone 17 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname. Zone 18: Kruidenrijke ruigte en struweel
Figuur 4.40 Luchtfoto van zone 18.
Figuur 4.41 Impressiefoto van zone 18.
Deze ecologische zone betreft de kruidenrijke ruigte met struweel, met boomsoorten als ruwe berk en schietwilg, aan de noordkant van het gronddepot (figuur 4.40). De vegetatie wordt gekarakteriseerd door planten van een matig voedselrijke tot voedselrijke en vochtige bodem en kalkhoudende bodem, zoals grote kattenstaart, teunisbloem, heelblaadje, klein hoefblad. De kalkhoudende bodem hier is ontstaan door een combinatie van fluviatiele processen en menselijke ingrepen. Figuur 4.41 geeft een impressie van zone 18 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname.
24
Zone 19: Gemengd wilgenbos
Figuur 4.42 Luchtfoto van zone 19.
Figuur 4.43 Impressiefoto van zone 19.
Deze ecologische zone betreft het gemengde wilgenbos aan de oostkant van de onderzoekslocatie (figuur 4.42). De ondergroei wordt gekarakteriseerd door planten die goed gedijen in de schaduw of halfschaduw, zoals rode kornoelje, grote wederik (NDFF), ruig klokje (NDFF) en wilde kardinaalsmuts. Figuur 4.43 geeft een impressie van zone 19 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname. Zone 20: Bosranden en open plekken
Figuur 4.45 Impressiefoto van zone 20.
Figuur 4.44 Luchtfoto van zone 20.
Deze ecologische zone betreft de bosranden en de open plekken met jonge pioniersbomen aan de zuidkant van de onderzoekslocatie (figuur 4.44). De ondergroei wordt gekarakteriseerd door planten die goed gedijen in halfschaduw tot lichte omstandigheden en op een vochtige bodem, zoals rode kornoelje, grote wederik (NDFF), ruig klokje (NDFF) en wilde kardinaalsmuts. Figuur 4.45 geeft een impressie van zone 20 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname.
25
Zone 21: Kruidenrijke ruigte (oost)
Figuur 4.46 Luchtfoto van zone 21.
Figuur 4.47 Impressiefoto van zone 21.
Deze ecologische zone betreft het kruidenrijke grasland aan de oostkant van de onderzoekslocatie (figuur 4.46). Dit grasland is stroken gemaaid en hierdoor gedeeltelijk verruigt. In de ongemaaide stroken is een gemengde kruidenrijke vegetatie aanwezig. De vegetatie wordt gedomineerd door planten van een matig voedselrijke tot voedselrijke bodem, zoals smeerwortel, grote brandnetel, ooievaarsbek en veldlathyrus. Figuur 4.47 geeft een impressie van zone 21 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname. Zone 22: Grasland (oost)
Figuur 4.48 Luchtfoto van zone 22.
Figuur 4.49 Impressiefoto van zone 22.
Deze ecologische zone betreft een grasland aan de oostkant van de onderzoekslocatie (figuur 4.48). Dit grasland is in tegenstelling tot zone 21 niet in stroken gemaaid en minder kruidenrijk. De vegetatie wordt gedomineerd door Engels raaigras en enkele pionierssoorten, zoals grote brandnetel en ridderzuring. Figuur 4.49 geeft een impressie van zone 22 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname.
26
Zone 23: Sloot (lage kwaliteit)
Figuur 4.50 Luchtfoto van zone 23.
Figuur 4.51 Impressiefoto van zone 23.
Deze ecologische zone betreft de sloot rond de randen van de onderzoekslocatie (figuur 4.50). Langs deze oever is in tegenstelling tot in zone 12 weinig kruidenrijke vegetatie aanwezig en groeien minder waterplanten. Dit komt mogelijk door de slechtere doorstroming, ander beheer en de verschillende bodemkarakteristieken. De vegetatie wordt gekarakteriseerd door oeverplanten, zoals riet. Figuur 4.51 geeft een impressie van zone 12 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname. Zone 24: Bramenruigte
Figuur 4.52 Luchtfoto van zone 24.
Figuur 4.53 Impressiefoto van zone 24.
Deze ecologische zone betreft de bramenruigte tussen het wilgenbos en het kruidenrijke grasland aan de zuidkant van de onderzoekslocatie (figuur 4.52). In deze strook is tevens een composthoop aanwezig. Deze ecologische zone is hoofdzakelijk overwoekerd door gewone braam, waardoor alleen langs de randen voldoende zonlicht de bodem bereikt voor andere soorten om tot bloei te komen. Figuur 4.53 geeft een impressie van zone 24 middels een foto. Bijlage I betreft de resultaten van de vegetatieopname.
27
5
ECOLOGISCHE WAARDE VOOR SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke ecologische zones belangrijke functies vervullen voor rode lijstsoorten en soorten die worden beschermd onder de Wet natuurbescherming of de Utrechtse soortenlijst. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de ontwikkelingen in de betreffende zones negatieve effecten kan hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven op welke wijze rekening gehouden kan worden met de aanwezigheid de soorten. Voor de soorten die vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming geldt een wettelijke beschermingsplicht. Dit houdt in dat in het kader van de voorgenomen herontwikkelingen, mogelijk ontheffing nodig is van de Wet natuurbescherming, wanneer negatieve effecten op beschermde soorten aan de orde zijn.
Om ontheffing van de Wet natuurbescherming te kunnen verkrijgen dient nader ecologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Aan de hand van dit onderzoek wordt meer informatie verkregen over de aanwezige beschermde soorten, waardoor geschikte compenserende en mitigerende maatregelen kunnen worden bepaald. Deze maatregelen dienen ter goedkeuring te worden voorgelegd bij de Provincie doormiddel van een activiteitenplan. Voor de overige soorten in dit hoofdstuk (Rode lijst en Utrechtse soortenlijst) geldt geen wettelijke noodzaak tot uitvoering van nader ecologisch onderzoek. Voor deze soorten geldt een beleidsmatige bescherming binnen de gemeente Utrecht.
5.1 Vogels Alle in Nederland inheemse Nederlandse broedvogels zijn op het moment van broeden beschermd onder de Wet natuurbescherming maar toch staan veel vogelsoorten door het verlies van geschikt leefgebied op de rode lijst. Om deze reden krijgen sommige vogelsoorten een extra bescherming in de gemeente Utrecht als onderdeel van de Utrechtse Soortenlijst. In deze paragraaf worden de rode lijstsoorten en soorten die worden beschermd onder de Wet natuurbescherming of de Utrechtse soortenlijst besproken, die volgens gegevens van de NDFF en het aanwezige habitat voor zouden kunnen komen op de onderzoekslocatie.
5.1.1
Wet natuurbescherming
Deze categorie betreft broedvogels waarvan de nesten beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming. Bij de categorie 1-4 broedvogels gaat het om een jaarronde bescherming, ook op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Nesten van categorie 5 broedvogels zijn alleen jaarrond beschermd op het moment de er ecologisch zwaarwegende omstandigheden aan de orde zijn, zoals een beperkt aanbod aan alternatieve nestlocaties. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie vogelsoorten waargenomen waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn.
28
Gebouwgebonden soorten Zone 5 biedt geschikt leefgebied voor gebouwbewonende soorten, zoals de huismus en de gierzwaluw die vallen onder categorie 2. De nestlocaties van deze soorten staan door grootschalige verduurzamingsprojecten en sloopwerkzaamheden onder druk. Beide soorten hebben in Nederland een sterke binding met mensen en komen tot broeden onder dakpannen en in of tegen gebouwen in dorpen en steden en bij boerderijen in het landelijk gebied. Het habitat van de huismus moet voldoen aan een combinatie van een aantal elementen, die ook nog eens binnen een straal van enkele meters (dekking bij voedselbronnen) tot enkele honderden meters (nestplek en voedselbronnen) van elkaar moeten liggen. Het habitat moet bestaan uit een combinatie van plekken voor nestgelegenheid, voedsel (voor volwassen en jongen), dekking (stekelige struiken, groenblijvende struiken en klimplanten, coniferen, klimop), plekken voor stofbaden en drinkwater. In zone 5 zijn al deze elementen aanwezig. De huismus blijft echter ook buiten het broedseizoen binnen een straal van enkele honderden meters van zijn nestlocatie en werd niet waargenomen tijdens het veldbezoek. Daarnaast zijn er ook geen waarnemingen van de huismus bekend op de onderzoekslocatie, waardoor het voorkomen van de huismus in zone 5 onwaarschijnlijk lijkt.
Aangezien het veldbezoek buiten het broedseizoen van gierzwaluw is uitgevoerd, is het niet uitgesloten dat zone 5 nestgelegenheid biedt aan de gierzwaluw. Ten aanzien van de gierzwaluw wordt het nemen van vervolgstappen bij ontwikkelingen in zone 5 daarom geadviseerd (hoofdstuk 6). Voor deze soort geldt een jaarronde bescherming onder de Wet natuurbescherming. De gevoelige zone is weergegeven in figuur 5.1. Naast de gierzwaluw is het voorkomen van andere gebouwgebonden soorten die vallen onder categorie 5, zoals de huiszwaluw, boerenzwaluw, spreeuw en de zwarte roodstaart ook niet uitgesloten in zone 5. Met het oog op de voorgenomen herontwikkeling zullen echter voldoende potentiële nestlocaties voor deze soorten in de omgeving behouden blijven, waardoor geen sprake is van ecologisch zwaarwegende omstandigheden. Vervolgonderzoek is daarom niet noodzakelijk maar ten aanzien van de deze soorten wordt in het kader van natuurinclusiviteit wel geadviseerd om maatregelen te treffen bij ontwikkelingen in zone 5 (hoofdstuk 6). Voor deze soorten geldt in dit geval echter geen jaarronde bescherming onder de Wet natuurbescherming. De gevoelige zone is weergegeven in figuur 5.1. Holenbroeders De oude bomen in zone 1, 14 en 19 bieden mogelijk geschikte holtes voor holenbroeders die vallen onder categorie 5, zoals de grote bonte specht, koolmees en pimpelmees.
Deze soorten werden tijdens het veldbezoek waargenomen op de onderzoekslocatie, de grote bonte specht vertoonde hierbij vooral binding met zone 14. Daarnaast kunnen holenbroeders, zoals de pimpelmees en de koolmees, tot broeden komen in de vogelhuisjes in zone 5. Ten aanzien van de genoemde soorten wordt het nemen van vervolgstappen bij ontwikkelingen in de betreffende ecologische zones daarom geadviseerd (hoofdstuk 6). Voor deze soorten geldt geen jaarronde bescherming onder de Wet natuurbescherming wanneer voldoende broedlocaties behouden blijven. De gevoelige zones zijn weergegeven in figuur 5.1. Roofvogels en uilen In de omgeving van/op de onderzoekslocatie zijn verschillende waarnemingen gedaan van roofvogels (buizerd en havik (categorie 4)) en uilen (steenuil (categorie 2) en ransuil (categorie 4)). De buizerd, havik en ransuil maken of hergebruiken grote nesten om in tot broeden te komen. De bomen in zone 1, 14 en 19 vormen een
29
geschikte broedbiotoop voor de ransuil, buizerd en havik. Van de ransuil zijn daarnaast bij de NDFF meerdere waarnemingen bekend in zone 19. Aangezien de bomen op de onderzoekslocatie door de bladeren niet volledig te inspecteren waren op de aanwezigheid van grote nesten worden vervolgstappen geadviseerd bij ontwikkelingen in zone 1, 14 en 19 (hoofdstuk 6). Voor deze soorten geldt een jaarronde bescherming onder de Wet natuurbescherming. De gevoelige zones zijn weergegeven in figuur 5.1. In zone 5 is tijdens het veldbezoek een nestkast van de steenuil aangetroffen in zone 5, hier werden geen sporen van gebruik waargenomen. Daarnaast zijn geen waarnemingen van de steenuil bekend bij de NDFF rond zone 5. Ondanks dat kan door de aanwezigheid van optimaal habitat en een geschikte broedlocatie niet worden uitgesloten dat de nestkast in gebruik zal worden genomen voor aanvang van de ontwikkelingen op de onderzoekslocatie. Het wordt daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen ten aanzien van de steenuil bij ontwikkelingen in zone 5 (hoofdstuk 6). Voor deze soort geldt een jaarronde bescherming onder de Wet natuurbescherming. De gevoelige zone is weergegeven in figuur 5.1. Het grasland in zone 2, 4, 5, 8, 10, 11, 16, 21 en 22 biedt geschikt foerageergebied voor roofvogels, waaronder ook de torenvalk (categorie 5).
Gezien de territoriumgrootte van een steenuil zal het foerageergebied van een potentieel aanwezige steenuil zich vermoedelijk beperken tot zone 2, 4, 5 en 8 en 11. Het wordt daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen ten aanzien van foerageergebieden voor roofvogels bij ontwikkelingen in deze zones (hoofdstuk 6). Voor deze de functie als foerageergebied geldt in dit geval echter geen strenge bescherming onder de Wet natuurbescherming door de aanwezigheid van voldoende alternatieven. IJsvogel Tijdens het veldbezoek werd een ijsvogel waargenomen langs de oever van zone 12. De knotwilgen langs deze oever vormen geschikte zitposten om te jagen voor de ijsvogel. Op de onderzoekslocatie is door het gebrek aan stijlwanden langs de oever echter geen geschikte nestlocatie voor de ijsvogel aanwezig, waardoor vervolgonderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming bij werkzaamheden aan de oevers niet noodzakelijk is. In het kader van natuurinclusiviteit wordt echter wel geadviseerd om vervolgstappen te nemen voor de ijsvogel bij ontwikkelingen in zone 12 en 23 (hoofdstuk 6). Voor deze soort geldt in dit geval echter geen jaarronde bescherming onder de Wet natuurbescherming. De gevoelige zones zijn weergegeven in figuur 5.1.
30
Figuur 5.1. Gevoelige zones voor vogels (Wnb) op basis van het uitgevoerde veldbezoek en gegevens uit het NDFF-uitvoerportaal.
5.1.2
Utrechtse soortenlijst
Van de Utrechtse soorten kleine karekiet, merel en tjiftjaf zijn meerdere waarnemingen op de onderzoekslocatie bekend bij de NDFF. De kleine karekiet komt mogelijk tot broeden in de rietkragen langs de watergangen in zone 12 en 15. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in deze zones, wordt het daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soorten geldt echter geen jaarronde bescherming onder de Wet natuurbescherming. De gevoelige zones zijn weergegeven in figuur 5.2. De merel en de tjiftjaf hebben beide de voorkeur voor bossen met een rijke ondergroei van bomen en struiken. Dit habitat is aanwezig in zone 1, 3, 6, 14, 19 en 20. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in deze zones, wordt het daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). Voor deze soorten geldt echter geen jaarronde bescherming onder de Wet natuurbescherming. De gevoelige zones zijn weergegeven in figuur 5.2.
31
Figuur 5.2. Gevoelige zones voor Utrechtse lijst vogelsoorten op basis van het uitgevoerde veldbezoek en gegevens van het NDFF-uitvoerportaal.
5.1.3
Rode lijst
Weidevogels Van de rode lijstsoorten watersnip, veldleeuwerik, graspieper en het paapje zijn waarnemingen bekend op de onderzoekslocatie bij de NDFF. Dit zijn broedvogels van kruidenrijke, open graslanden met voldoende structuur en een laag waterpeil of voldoende greppels en sloten. Al deze soorten hebben een sterke achteruitgang gekend in de afgelopen 50 jaar. De onderzoekslocatie is te kleinschalig en geïsoleerd om als broedlocatie voor deze soorten te fungeren. De kruidenrijke graslanden in zone 2, 10 en 21 bieden echter wel potentieel geschikt foerageergebied voor deze soorten door de aanwezigheid van insecten. Wanneer ontwikkelingen plaats zullen vinden in deze zones, wordt daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). De gevoelige zones zijn weergegeven in figuur 5.3. Voor deze soorten geldt geen jaarronde bescherming onder de Wet natuurbescherming. Kneu en roodborsttapuit De kneu en de roodborsttapuit zijn rode lijstsoorten die broeden in dichte struiken in allerlei halfopen landschappen met voldoende zitposten, zoals uitstekende takken, struiken en paaltjes. Deze soorten vertonen een negatieve trend op nationaal niveau. De afwisseling tussen grasland en struweel met doornige struiken zoals meidoorn en braam vormt in zone 3, 6, 9, 10, 24 een geschikt broedhabitat voor de kneu en de roodborsttapuit.
Van de roodborsttapuit is uit de gegevens van het NDFF uitvoerportaal bekend dat zich broedgevallen binnen de onderzoekslocatie bevinden. Van de kneu zijn waarnemingen binnen de onderzoekslocatie bekend, wat gezien het voorkomen van geschikt habitat, duidt op de potentiële aanwezigheid van broedgevallen. Om verdere achteruitgang van het oppervlak van geschikt leefgebied te voorkomen, wordt bij ontwikkelingen in deze zones daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen (hoofdstuk 6). De gevoelige zones zijn weergegeven in figuur 5.3. Voor deze soorten geldt geen jaarronde bescherming onder de Wet natuurbescherming.
32
Figuur 5.3. Gevoelige zones rode lijst vogelsoorten op basis van het uitgevoerde veldbezoek en gegevens van het NDFFuitvoerportaal.
5.2 Grondgebonden zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling onder de Wet natuurbescherming. Deze zijn echter in veel gevallen wel beschermd in de gemeente Utrecht als onderdeel van de Utrechtse soortenlijst. In dit hoofdstuk zijn de soorten opgenomen die volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) en de aanwezigheid van geschikt habitat mogelijk voor kunnen komen op de onderzoekslocatie. Gezien de brede verspreiding op de onderzoekslocatie is kaartmateriaal voor deze soortgroep achterwegen gelaten.
5.2.1
Wet natuurbescherming
Kleine marterachtigen Op de onderzoekslocatie is geschikt leefgebied aanwezig voor de kleine marterachtigen bunzing, wezel en hermelijn. Deze soorten komen volgens de verspreidingsgegevens en het NDFF-uitvoerportaal voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Tijdens het nader onderzoek ecologie dat Econsultancy in 2022 op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd (rapport 18936.005, versie D2, d.d. 21 december 2022 ) is tevens een wezel waargenomen in zone 10. De kleine marterachtigen hebben gemeen dat ze geen specifieke eisen stellen aan hun habitat behalve dat er veel elementen aanwezig dienen te zijn die dekking bieden, zoals houtwallen, takkenrillen en ruige vegetatie. Gezien de ruige vegetatie in zone 2, 10, 12, 16, 18, 20 en 21 is hier voldoende dekking aanwezig voor kleine marterachtigen. Daarnaast zorgt de aanwezigheid van kruidenrijke vegetatie ook voor meer muizen in deze zones, wat het hoofdvoedsel is voor deze soortgroep. In zone 1, 6 en 9 zijn daarnaast geschikte verblijfsmogelijkheden aanwezig in de vorm van holen, stenenstapels en een takkenril. De lijnvormige groenstructuren in zone 3, 7, 19 en 24 zorgen daarnaast voor verbinding tussen de verschillende elementen in het landschap.
33
Ten aanzien van kleine marterachtigen wordt daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen in het kader van de Wet natuurbescherming indien ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 1, 2, 3, 6, 7, 9, 10, 12, 16, 18, 19, 20, 21 en 24 (hoofdstuk 6). Voor deze soortgroep geldt vanaf september 2024 een strenge bescherming onder de Wet natuurbescherming. Steenmarter De steenmarter is een generalistische soort die voorkomt in verschillende landschapstypen met een voorkeur voor verruigd en gevarieerd kleinschalig cultuurlandschap. Het leefgebied van de steenmarter bestaat uit vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebieden en verbindingsroutes. Vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenmarter komen voor in oude holen van bijvoorbeeld konijn, vos en das, maar ook onder steenhopen, in holle omgevallen bomen, onder boomwortels, onder takkenhopen en in leegstaande schuurtjes of hooizolders. De onderzoekslocatie wordt geschikt geacht voor de steenmarter als rust- en voorplantingsplaats, foerageergebied en migratieroute. Er zijn geschikte elementen aanwezig in zone 1, 5, 6, 9 en 24 waar mogelijkerwijs vaste rusten voortplantingsplaatsen van de steenmarter aanwezig zijn. Geschikte foerageergebieden zijn aanwezig in zone 1, 2, 10, 12, 16, 18, 20, 21 en 24 en zone 3, 7, 19 en 24 zorgen voor verbinding tussen de verschillende elementen in het leefgebied.
Ten aanzien van de steenmarter wordt daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen in het kader van de Wet natuurbescherming indien ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 1, 2, 3, 5, 6, 7, 9, 10, 12 16, 18, 19, 20, 21 en 24 (hoofdstuk 6). Voor deze soort geldt een strenge bescherming onder de Wet natuurbescherming. Boommarter De boommarter komt vooral voor in bossen. Over het algemeen heeft hij hierbij een voorkeur voor oude loofbossen maar in Nederland komt de boommarter in vrijwel alle bostypen voor. Als verblijfplaats gebruikt de boommarter vaak boomholtes maar ook oude holen, takkenhopen en holtes tussen boomwortels worden gebruikt. De onderzoekslocatie wordt geschikt geacht voor de boommarter als foerageergebied en migratieroute. Dit betreffen met name zone 19 en 20, welke in potentie voor verbinding zorgen tussen de verschillende elementen in het leefgebied en functioneren als foerageergebied. Ten aanzien van de boommarter wordt daarom geadviseerd om vervolgstappen te nemen in het kader van de Wet natuurbescherming indien ontwikkelingen plaats zullen vinden in zone 19 en 20 (hoofdstuk 6). Voor deze soort geldt een strenge bescherming onder de Wet natuurbescherming.