Milieueffectrapport incl. aanvulling beleidsnota warmte en warmteprogramma gemeente utrecht incl. bijlagen
Tekst van het document
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
buurtniveau voor de leefomgeving. De positieve effecten van de warmtetransitie zoals het besparen van energie en het verminderen van de CO 2 uitstoot is in die zin het doel van de warmtetransitie. Deze transitie en bijbehorende energiebesparing zal hoe dan ook uitgevoerd worden, los van de keuze in de Beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma. Deze positieve bijdrage is daarom niet meegenomen in voorliggend planMER.
1.7
•
Voorkeursalternatief: geef een navolgbare onderbouwing van het voorkeursalternatief per buurt. Geef helder aan welke (milieu)keuzes zijn gemaakt. o De gemeente Utrecht maakt op mede op basis van het planMER in de beleidsnota een nadere afweging voor het voorkeursalternatief per buurt. In deze afweging worden meegenomen: nationale kosten, ruimtebeslag in woning, wijk en ondergrond en mogelijk negatieve effecten op leefomgeving. Het planMER bevat de relevante milieu-informatie. Het uiteindelijke voorkeursalternatief voor de warmtevoorziening per buurt is opgenomen in de beleidsnota warmte. In de beleidsnota Warmte is ook de koppeling gemaakt van het VKA naar daarbij relevante milieueffecten zodat per buurt de beoordeling van de milieueffecten zijn af te leiden.
•
Monitoring: beschrijf de leemten in kennis. Geef aan op welke manier en met welke frequentie monitoring zal plaatsvinden en wie daarvoor verantwoordelijk is. Beschrijf of er maatregelen achter de hand zijn om negatieve milieugevolgen kunnen worden verkleind. o Leemten in kennis zijn in het planMER opgenomen in hoofdstuk 6.2.
Wijzigingen ten opzichte van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau Naar aanleiding van een nuancering en concretisering van de onderzoeksaanpak is een aantal wijzigingen doorgevoerd in voorliggend planMER ten opzichte van de NRD. Deze wijzigingen zijn als volgt: Wijzigingen beoordelingskader: - Het aspect grondwater was onderdeel van het thema water. Dit aspect is ondergebracht onder het thema bodem, vanwege de raakvlakken in de effectbeoordeling. - Het aspect oppervlaktewater is ondergebracht naar het thema natuur. Het thermische effect op het waterleven, door zowel de koudepluim als de filtering van het aquathermie-systeem. Hiermee bestaat het thema water enkel uit het aspect drinkwater en de effecten op de kwaliteit daarvan. - Het thema hittestress is als thema toegevoegd om inzicht te verkrijgen in effecten op de kwaliteit van de openbare ruimte en klimaatverandering door middel van de verschillende aardgasvrije alternatieven. Wijzigingen in buurttypen (voorheen wijktypen): - Om verwarring te voorkomen wordt in dit planMER na de introductie van het begrip wijktype gesproken over buurttype, om het abstractieniveau waarop de keuze voor een voorkeursalternatief per buurt te onderstrepen. - Het buurttype ‘Vernieuwd’ is niet separaat beoordeeld vanwege het ambigu karakter van dit buurttype.
Aangezien dit buurttype door middel van inbreiding of sloop/nieuwbouw meerdere kenmerken van verschillende wijkt buurttype kan bevatten, is ervoor gekozen de buurt die als tweede het meest voorkomt te gebruiken in de effectbeoordeling op buurttypeniveau. - Het buurttype ‘Groen’ is oorspronkelijk niet separaat beoordeeld. Na de constatering dat binnen de groen buurten verschillende vormen bebouwing aanwezig zijn is ervoor gekozen om deze buurten te classificeren en behandelen als het tweede meest aanwezige buurttype.
26
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
2.
Methodiek van het planMER In dit hoofdstuk wordt de opbouw van de onderzoeken en de manier van beoordelen van de effecten in het planMER toegelicht. In dit hoofdstuk is de onderzoeks- en beoordelingsmethodiek van het planMER uiteengezet.
2.1
Wat wordt er onderzocht: de voorgenomen activiteit Een voorgenomen activiteit is een geplande actie of project dat mogelijk significante milieueffecten kan hebben en waarvoor een milieueffectrapportage (MER) vereist is. Dit geldt vooral wanneer de activiteit onderdeel is van een breder plan of programma dat kaders stelt voor toekomstige ontwikkelingen of vergunningen. De voorgenomen activiteit voor dit planMER is de beleidsnota warmte van de gemeente Utrecht, die uiteen zet hoe de gebouwen in de hele gemeente aardgasvrij worden voor 2050. De gemeente onderzoekt daarvoor vijf alternatieven naar aardgasvrij. De gemeente Utrecht maakt in de beleidsnota warmte per buurt een keuze voor een voorkeursalternatief naar aardgasvrij. In dit planMER worden daarom de effecten van deze alternatieven op de leefomgeving op buurtniveau, per algemeen buurttype (in hoofdstuk 4 worden deze buurttypen uitgebreid toegelicht) onderzocht. Dit levert specifieke informatie per buurttype waarover een besluit moet worden genomen. Enkele aspecten zijn niet op buurtniveau te onderzoeken, omdat deze spelen op stadsniveau. Deze buurt overschrijdende effecten worden daarom apart stads breed beoordeeld, zodat deze als extra beslisinformatie in de afweging voor specifieke, geografisch bepaalde buurten kan worden meegenomen. De milieueffecten worden beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie.
De referentiesituatie is de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen (zoals vastgesteld beleid), dus zonder dat de beleidsnota warmte wordt uitgevoerd. Het dient als een basis om de milieueffecten van het project te vergelijken. Autonome ontwikkeling zijn de verwachte veranderingen in de omgeving die ook zouden plaatsvinden zonder de uitvoering van de beleidsnota warmte. Dit omvat veranderingen die het gevolg zijn van vastgesteld beleid. In hoofdstuk 3 wordt deze referentiesituatie en de autonome ontwikkeling in meer detail beschreven. In dit planMER wordt niet naar de haalbaarheid van de diverse alternatieven gekeken. Het uitgangspunt voor dit planMER zijn de vijf alternatieven die in de Beleidsnota Warmte zijn benoemd en onderzocht. In de beleidsnota Warmte wordt de technische haalbaarheid van deze alternatieven, de bijbehorende kosten, het onder- en bovengronds ruimtegebruik en de interactie met de (toekomstige) koelvraag beschreven. Hieruit blijkt dat de alternatieven in de basis haalbaar zijn. Alleen is niet elk alternatief voor elke buurt geschikt. Dit is nader uitgewerkt in de beleidsnota Warmte. Dit planMER brengt los van deze haalbaarheid in beeld welke milieueffecten kunnen optreden wanneer één van deze vijf alternatieven als voorkeursalternatief voor een buurt wordt gekozen.
Deze informatie over de milieueffecten wordt met de andere informatie meegewogen om tot een voorkeursalternatief per buurt te komen dat wordt vastgelegd in de beleidsnota Warmte. In dit planMER worden daarom de milieueffecten per buurttype (generiek) en daarna aan de hand van geografisch specifieke informatie van de gemeente Utrecht beschreven. Daarnaast wordt afgesloten met een beschouwing per alternatief over de mogelijke knelpunten waar vanuit milieu bezien rekening mee moet worden gehouden bij het afwegen van de alternatieven.
2.2
Onderzoeksmethodiek Onderstaande paragraaf beschrijft de stappen die zijn doorlopen voor het opstellen van het planMER. De onderzoeksmethodiek is verdeeld is verschillende twee niveaus: buurt- en stadsniveau. Figuur 2.1 laat de verschillende onderzoeksstappen zien die tijdens het opstellen van dit MER zijn uitgevoerd. Inventarisatie Tijdens de inventarisatie is allereerst de referentiesituatie onderzocht en vastgesteld. Dit is voor de gemeente Utrecht de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen (het vastgesteld beleid). Ook is dit voor elk onderzoeksthema uitgewerkt. In de eerste fase is voor verschillende thema’s en de bijbehorende aspecten in beeld gebracht welke potentiële milieueffecten kunnen optreden bij de aanleg en tijdens het gebruik van de vijf alternatieven uit de Beleidsnota Warmte. Dit leidt voor een ieder aspect tot een beoordeling op mogelijk
27
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
optredende milieueffecten per alternatief. Deze beoordeling van de alternatieven wordt voor de aanleg- en gebruiksfase in een tabel weergeven. Nuancering naar buurttype De impact van de diverse alternatieven naar aardgasvrij verschilt per buurt. Om dit inzichtelijk te maken worden de milieueffecten (waar mogelijk) gerelateerd aan buurttypen, om zo ruimtelijke verschillen in de milieu impact van alternatieven inzichtelijk te maken. Daarbij worden de onderscheidende kenmerken van buurttypen gebruikt (zie hoofdstuk 4). Waar een onderscheidend kenmerk van invloed kan zijn op de optredende milieueffecten, zoals het aantal woningen in een buurt (uitgedrukt in woonequivalenten per hectare) bij ondergrond en grondwater, wordt aan de hand van dit kenmerk de algemene beoordeling bijgesteld. Dit resulteert in een beoordeling per aspect voor de alternatieven in de aanleg- en gebruiksfase uitgesplitst naar buurtype. Er wordt benadrukt dat de buurtypologie in de planMER gebruikt wordt om de milieueffecten per alternatief te bepalen. Deze worden niet gebruikt bij de keuze van het voorkeursalternatief per buurt. Utrecht specifieke, geografische informatie: Locatiespecifiek Aspecten die een specifieke geografische component met zich meebrengen, oftewel die buurttype overstijgend zijn, zijn op gemeenteniveau onderzocht (het plangebied).
Zo is er gekeken naar: De werfkelders, Romeinse limes, en overige archeologische en cultuurhistorische waarden (m.b.t. aspecten geluid, trillingen, archeologie en cultuurhistorie); De emissiezone (m.b.t. aspect luchtkwaliteit); Ligging van het huidige warmtenet (m.b.t. aspecten bodem en grondwater, drinkwater en verkeer) Drinkwaterwingebieden- en beschermingszones (m.b.t. aspecten bodem en grondwater); Leefgebieden van beschermde soorten in de gemeente Utrecht (m.b.t. aspecten natuur en biodiversiteit); Oppervlaktewateren voor thermische energie opwekking (m.b.t. aspecten natuur en biodiversiteit); Nabijgelegen Natura 2000-gebieden (m.b.t. stikstofdepositie en natuur). Allereerst zijn de mogelijke milieueffecten van de alternatieven op deze aspecten beschreven die op gemeenteniveau spelen. Daarna worden de milieueffecten specifiek gemaakt aan de hand van de situatie voor het betreffende aspect in de gemeente Utrecht. Slotbeschouwing De belangrijkste knelpunten die op buurt- en stadsniveau spelen per alternatief zijn besproken in een afsluitend hoofdstuk. Dit hoofdstuk moet worden gelezen als een opsomming van belangrijke aandachtspunten per alternatief naar aardgasvrij waarbij bij het kiezen van een voorkeursalternatief per buurt rekening gehouden moet worden.
In dit hoofdstuk is ook een tabel opgenomen met de beoordelingen per alternatief voor alle aspecten in de aanleg- en gebruiksfase. Daarnaast zijn in de bijlage ook totaaltabellen op genomen per buurttype met alle naar buurttype genuanceerde beoordelingen voor alle aspecten in de aanleg- en gebruiksfase met daarbij verwijzingen wanneer er locatiespecifieke uitzonderingen zijn. De betreffende uitzonderingen behorende bij deze verwijzingen zijn ook in deze bijlage toegevoegd. De analyses per thema zijn uitgevoerd op basis van onder andere literatuuronderzoek, (openbare) geografischedata en expert judgement. De wijze waarop de analyse tot stand is gekomen, is per thema in het betreffende hoofdstuk aangegeven.
28
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
0
Beschrijving 5 alternatieven
Kenmerken buurttypen
1
Generieke effectbeoordeling per alternatief
2
Effectebeoordeling rekening houdend met buurttypen
3
Locatie speci eke aandachtspunten voor de gemeente Utrecht
Beschrijving referentiesituatie
Slotbeschouwing Figuur 2.1 Processchema van de onderzoeksmethodiek gebruikt voor dit planMER
2.3
Beoordelingsmethodiek Wijze van bepalen en beoordelen van effecten De effecten zijn bepaald door de toekomstige situatie die ontstaat door het voornemen (de plansituatie) te vergelijken met de situatie die ontstaat zonder de voorgenomen ontwikkeling (de referentiesituatie, zie hoofdstuk 3). De effectbeoordelingen op milieu zijn gedaan op drie niveaus: allereerst een generieke beoordeling van de milieueffecten per aspect voor elk alternatief in de aanleg- en gebruiksfase. Ten tweede is deze generieke beoordeling aan de hand van onderscheidende kenmerken bijgesteld per buurttype waar mogelijk. Als laatste is, waar van toepassing, een verdiepende analyse toegevoegd waarbij het effect van buurttype overstijgende (geografische) aspecten in de leefomgeving is onderzocht. Er is gebruik gemaakt van een zevenpuntsschaal om de effecten voor alle relevante milieuthema’s te beoordelen. Tabel 2.1 Effectbeoordeling op basis van een zevenpuntschaal
Score ++ +
0/+ 0 0/-
--
Toelichting Zeer positief effect ten opzichte van referentiesituatie. Positief effect ten opzichte van referentiesituatie. Licht positieve effect ten opzichte van referentiesituatie. Neutraal / geen effect ten opzichte van referentiesituatie. Licht negatief effect ten opzichte van referentiesituatie Negatief effect ten opzichte van referentiesituatie. Zeer negatief effect ten opzichte van referentiesituatie.
Effecten tijdens de aanleg en na ingebruikname Dit planMER gaat in op de effecten die optreden als gevolg van de aanleg van de verschillende warmtetechnieken en de effecten die optreden tijdens het gebruik van de verschillende technieken. Per aspect kan het verschillen in welke fase de effecten optreden. Dit is aangegeven in het beoordelingskader en tevens uiteengezet in de effectbeschrijving. Beoordelingskader Onderstaande tabel geeft het beoordelingskader weer waarin bovenstaande wijzigingen en aanvullingen zijn meegenomen. In het overzicht staan de onderzoeksthema’s die in het planMER aan bod komen. De indicatoren laten vervolgens zien op welke wijze een aspect beoordeeld wordt. Daarnaast wordt in de laatste kolom aangegeven of het milieueffect in de aanleg- of gebruiksfase van een alternatief optreedt.
29
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht Tabel 2.2 Beoordelingskader planMER Warmteprogramma gemeente Utrecht Thema
Aspect
Indicator
Aanleg- en/of gebruiksfase
Geluid en trillingen
Cumulatieve geluidshinder
Toename geluidsbelasting
Aanleg- en gebruiksfase
Trillingen
Hinder of schade door trillingen
Aanlegfase
Elektromagnetische straling
Elektromagnetische velden
Toename hinder door elektromagnetische velden
Gebruiksfase
Bodem
Bodemkwaliteit (netwerklaag)
Impact op de biologische, chemische en fysische kwaliteit van de bodem in de netwerklaag.
Aanleg- en gebruiksfase
Ondergrond en grondwater
De hydrologische, chemische, biologische en thermische impact op de ondergrond en grondwaterkwaliteit en -kwantiteit
Aanleg- en gebruiksfase
Ondergronds ruimtegebruik
Inpasbaarheid in de ondergrond
Aanleg- en gebruiksfase
Lucht
Luchtkwaliteit
Uitstoot van fijnstof (PM10, PM2.5) en stikstofoxide (NOx)
Aanlegfase
Water
Drinkwater
Impact op de kwaliteit van het drinkwater in nabijgelegen leidingen van benoemde technieken
Gebruiksfase
Natuur en biodiversiteit
Beschermde gebieden
Impact op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden
Aanlegfase
Beschermde soorten
Impact op beschermde soorten
Aanleg- en gebruiksfase
Stikstofdepositie op Natura 2000gebieden
Stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden
Aanlegfase
Oppervlaktewater
Thermisch effect op waterleven
Gebruiksfase
Circulair materiaalgebruik
Hergebruik bestaand materiaal
Aanlegfase
Totaal materiaalgebruik
Hoeveelheid materiaal dat in totaal nodig is
Aanlegfase
Zichtbaarheid en beleving
Verrommeling van de buitenruimte
Gebruiksfase
Bovengronds ruimtegebruik en inpasbaarheid openbare ruimte
Totaal benodigd bovengronds ruimtegebruik & inpasbaarheid in de openbare ruimte
Gebruiksfase
Verkeer
Verkeer
Mate van verkeershinder voor gemotoriseerd verkeer, fietsers en voetgangers
Aanlegfase
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologische waarden
Behoud archeologische waarden, onder andere door toepassing (grootschalige) bodemenergie en energie-infrastructuur
Aanlegfase
Cultuurhistorische waarden
Behoud cultuurhistorische waarden, onder andere door toepassing (grootschalige) bodemenergie en energie-infrastructuur
Aanleg- en gebruiksfase
Effect van warmteopwekking of koeling op hittestress
Mate van verandering in hittestress in verschillende wijken na introductie alternatieve warmte techniek
Gebruiksfase
Circulariteit Ruimtelijke kwaliteit
Hittestress
2.4
Referentiesituatie en beleidskader
2.4.1
De referentiesituatie gemeente Utrecht De referentiesituatie voor de effectbeoordeling is de toekomstige situatie zonder het voornemen, oftewel de beleidsnota Warmte. Deze wordt in het milieueffectrapport bepaald aan de hand van de huidige situatie in de omgeving van het voornemen met daarbij (de milieugevolgen van) toekomstige autonome ontwikkelingen. Autonome ontwikkelingen betreffen ontwikkelingen die onafhankelijk van het voornemen plaats zullen vinden en waarover een definitief besluit is genomen. In totaal zijn op dit moment 42.000 woningen en utiliteitsgebouwen aangesloten op het stadsbrede warmtenet.
30
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
Figuur 2.2 Bestaand warmtenet in de gemeente Utrecht
Voor de referentiesituatie Utrecht is aangehouden dat: 1. De levering van warmte in het bestaande warmtenet blijft op het temperatuurniveau van 2020; 2. Alle huidige warmte-infrastructuur blijft behouden (bijvoorbeeld het aardgasnet, bestaande warmtenet en bestaande warmtepompen); 3. Het huidige stadsbreed warmtenet verduurzaamt richting 2040 maar er zijn geen uitbreidingen op het Warmtenet; 4. De bestaande gebouwen richting 2050 gemiddeld 35% energie besparen op hun warmtevraag onder invloed van isolatieprogramma’s; 5. Ten gevolge van een warmer wordend klimaat de warmtevraag afneemt en de vraag om actieve koeling toeneemt; in de referentiesituatie vertaalt deze stijgende koeltevraag zich naar meer airco’s. Aan de hand van schattingen naar de toekomstige elektriciteitsvraag van woningen door een toename aan het gebruik van airco’s6 heeft de gemeente Utrecht meerdere scenario’s voor koeling doorgerekend. In deze scenario’s is uitgegaan van verschillende aannames voor de toename van het gebruik van actieve koeling in woningen en utiliteitsgebouwen. Deze scenario’s zijn vastgelegd in de Beleidsnota Warmte. De referentiesituatie voor het planMER gaat uit van een bandbreedte van 24 – 48% van de woningen die richting 2050 gebruik gaan maken van actieve koeling. 6.
Onder invloed van autonome ontwikkelingen - meer zon PV en meer elektrisch rijden - het elektriciteitsnet wordt verzwaard en dat dit leidt tot meer kabels, HS/MS-stations en MS/LS-trafohuisjes. Meer over de technische aspecten rondom de koelvraag zelf zijn opgenomen in het verdiepingsdocument Dataanalyses voor de onderbouwing van de Nota Warmte en het Warmteprogramma.
2.4.2
Beleidskader Er zijn verschillende beleidskaders waarmee rekening gehouden moet worden bij de afweging voor een alternatief in Utrecht. In de onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de belangrijkste kaders en 6
Schatting van de elektriciteitsvraag van airconditioners in Nederlandse woningen 31
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
beleidsstukken op internationaal, nationaal, provinciaal en regionaal niveau. Daaronder volgt het relevante gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 zijn de thematische beleidskaders van geluid, luchtkwaliteit, bodem, ruimtelijke kwaliteit, water, et cetera nader uitgewerkt.
Tabel 2.3 Overzicht beleidskaders
Beleidskader Internationaal/Europees
Relevantie
Europese klimaatwet / Green Deal Met de Europese Klimaatwet heeft Europa in de wet vastgelegd klimaatneutraal te willen zijn in 2050. In vergelijking met 1990 moeten broeikasgassen in 2030 met 55% zijn afgenomen. De wet volgde op het klimaatakkoord. De warmtetransitie draagt voor Nederland in grote mate bij aan het behalen van deze doelstelling. Klimaatakkoord van Parijs (2015)
In 2016 heeft de Europese Unie mede namens Nederland het Klimaatakkoord van Parijs ondertekend. Doel van het akkoord is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius. Met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius. De EU-lidstaten hebben met elkaar afgesproken dat de EU in 2030 minimaal 55% minder moet uitstoten. In 2050 wil de Europese Unie klimaatneutraal zijn. Dat betekent dat er dan netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten.
Nationaal Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
In het Besluit activiteiten leefomgeving stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Deze gelden voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving: burgers, bedrijven en overheid.
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)
In het Besluit bouwwerken leefomgeving staan regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Daarnaast heeft het Bbl regels over de staat en het gebruik van een bouwwerk. En over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.
Besluit gemeentelijke instrumenten warmte transitie (Bgiw)
Aanvullende uitvoeringsregeling waarin belangrijke onderdelen van de Wgiw verder zijn uitgewerkt.
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden.
Klimaatwet
Met de Klimaatwet is wettelijk vastgelegd dat we in 2030 49% minder broeikasgassen moeten uitstoten en in 2050 95% minder ten opzichte van 1990. De warmtetransitie is een van de manieren waarmee Nederland deze doelstellingen wil behalen.
Mijnbouwwet
De mijnbouwwet reguleert het gebruik van bestaansbronnen in de diepe ondergrond. De Mijnbouwwet reguleert ook de informatieverstrekking over het gebruik van bestaansbronnen in de diepe ondergrond.
Nationaal Klimaatakkoord
Het Klimaatakkoord is een pakket van maatregelen en afspraken tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden om gezamenlijk de uitstoot van Broeikasgassen in Nederland in 2030 ongeveer te halveren (vergeleken met 1990). In 2050 moet de uitstoot van broeikasgassen met 95% afgenomen zijn. Een van de afspraken die daarvoor is gemaakt, is dat dat Nederland uiterlijk in 2050 volledig aardgasvrij is.
Nationaal plan energiesysteem
Het Nationaal Plan Energiesysteem is de kabinetsvisie voor het energiesysteem tot 2050. In dit plan geeft het kabinet aan hoe we kunnen bouwen, besparen, verdelen en verbinden voor een duurzaam en rechtvaardig energiesysteem - nu en in de toekomst
Nationale omgevingsvisie (NOVI)
De NOVI komt voort uit de Omgevingswet. In deze nieuwe aanpak wordt als uitgangspunt gesteld dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Op deze manier komt de gemeente Utrecht in gebieden tot betere en meer geïntegreerde keuzes.
Omgevingswet
De Omgevingswet bundelt 26 wetten op het gebied van de fysieke leefomgeving met elkaar op het vlak van ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Hierbij gaat het om de balans tussen beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving met het oog op duurzame ontwikkeling. 32
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
Programma Energiehoofdstructuur (PEH)
Het Programma Energiehoofdstructuur richt zich op de benodigde ruimte voor de nationale onderdelen van het energiesysteem op land voor een klimaatneutraal energiesysteem in 2050. Het PEH is een instrument om met gemeenten, provincies, havenbedrijven en netbeheerders afspraken te maken over de ruimte die hiervoor nodig is.
Structuurvisie Ondergrond (STRONG)
De structuurvisie richt zich op duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond waarbij benutten en beschermen met elkaar in balans zijn. Het is een gezamenlijke visie van de (toenmalige) ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en het ministerie van Economische Zaken en Klimaat.
Waterschapsverordening
De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Samen met het omgevingsplan bevat de waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. Er staan regels in voor verschillende soorten activiteiten.
Kaderrichtlijn Water
De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die op 22 december 2000 van kracht is geworden. De doelstellingen binnen de KRW ondersteunen bij het realiseren en behouden van chemisch schoon en ecologisch gezond oppervlaktewater en grondwater. De Europese lidstaten hebben gezamenlijk afgesproken dat uiterlijk in 2027 een goede toestand bereikt moet zijn.
Wet collectieve warmte (Wcw)
Naar verwachting treedt de Wet collectieve warmte op z’n vroegst vanaf 1 juli 2025 in. Met de wet wordt beoogd de warmtetransitie in de gebouwde omgeving te bevorderen door het gebruik van collectieve Warmtevoorziening te faciliteren en tegelijkertijd de publieke belangen duurzaamheid, leveringszekerheid en betaalbaarheid beter te borgen. Ook worden er met de wet CO2 eisen gesteld aan de te leveren warmte bij collectieve systemen. Met deze wet kan de gemeente Utrecht haar publieke waarden borgen.
Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw)
De Wgiw stelt gemeenten in staat om maatregelen te nemen voor de transitie naar duurzame warmte door bevoegdheid te geven om lokale instrumenten en regelingen in te zetten. De Wgiw is op 10 december 2024 aangenomen door de Eerste Kamer en zal gefaseerd in werking treden. Wgiw artikel IA, IB, en IIA treden op 1 januari 2025 in werking, en Artikel IC treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.
Provinciaal Omgevingsvisie (van provincie Utrecht)
Op 1 januari 2024 is de omgevingsvisie van provincie Utrecht in werking getreden. In de omgevingsvisie staat hoe de provincie er uit moet zien in 2050, verdeeld over zeven thema’s: stad en land gezond; klimaatbestendig en water robuust; duurzame energie; vitale steden en dorpen; duurzaam, gezond en veilig bereikbaar; leven landschap, erfgoed en cultuur; toekomstbestendige natuur en landbouw.
Programmaplan Energietransitie 2020-2025
In het Programmaplan Energietransitie heeft provincie Utrecht haar ambities voor de energietransitie vastgelegd.
Regionaal Regionale Energiestrategie U16 (RES)
In 2021 is er door de provincie Utrecht, 16 gemeenten en 4 waterschappen in de regio Utrecht besloten over de Regionale Energiestrategie (RES 1.0). Daarin staat hoe en hoeveel de regio Utrecht bijdraagt aan de overgang van fossiele energie naar duurzame elektriciteit (zoekgebieden voor zonnepanelen en windturbines) en een aardgasvrije toekomst tot 2030. De ambitie is om in 2025 gemaakte afspraken te actualiseren.
Gemeentelijk Beleidsnota Ondergrond
Concept verschijnt februari/maart 2025 op de website van de gemeente Utrecht. Het ligt ten tijde van oplevering van het MER ter inzage.
Beleidsnota Warmte (2025)
De Beleidsnota Warmte wordt opgesteld in aanloop naar het warmteprogramma en biedt een overkoepelend afwegingskaders en strategie voor de warmtetransitie. Dit wordt onder andere gedaan aan de hand van informatie over beschikbare warmtebronnen.
Omgevingsvisie
In de omgevingsvisie staat al het gemeentelijke beleid over de leefomgeving, de lange termijn visies en strategische keuzes die daarbij horen.
Transitievisie warmte deel 1 (2021)
In Transitievisie Warmte (TWV) deel 1 zijn de visie en strategie (het wat) vastgelegd. Het doel van de TWV is een houvast geven voor bewoners, bedrijven en 33
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
vastgoedeigenaren over aankomende aanpassingen aan gebouwen en de verwachte warmte-infrastructuur per buurt. Transitievisie warmte deel 2 (2021)
In TWV deel 2 wordt vastgelegd wanneer en welke buurten wordt begonnen met gebiedsgericht aardgasvrij maken van gebouwen. Hiermee is het een vervolg op TWV deel 1, het werkt de criteria verder uit.
Uitvoeringsplannen
In de uitvoeringsplannen leggen gemeenten vast hoe een gebied van het aardgas afgaat. De uitvoeringsplannen zijn een verdere uitwerking van de Transitievisie Warmte (en hierna het Warmteprogramma). De gemeente Utrecht is al met verschillende buurten bezig met uitvoeringsplannen. Nog geen enkel uitvoeringsplan is definitief vastgesteld.
Verordening Interferentiegebieden Bodemenergiesystemen gemeente Utrecht 2018
Een verordening om te voorkomen dat gesloten en open bodemenergiesystemen elkaar verstoren, of om het gebruik van de ondergrond voor bodemenergie efficiënter te maken, kan de gemeente een interferentiegebied aanwijzen.
Visie op de warmtevoorziening in Utrecht (2017)
Met de visie op de warmtevoorziening in Utrecht legde de gemeente vast hoe zij aankijkt tegen de warmtetransitie. In deze heeft de gemeente haar eerste kaders vastgelegd voor de warmtetransitie die voor de bestaande bouw verder zijn uitgewerkt en ingevuld in de TVW deel 1 en 2. De beleidsnota Warmte gaat deze visie vervangen.
Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer (2015)
In dit Gebiedsplan is vastgelegd hoe de gemeente omgaat met de grote grondwaterverontreinigingen in het eerste watervoerende pakket. Doel is om de drinkwaterwinningen, het oppervlaktewater en het tweede watervoerende pakket te beschermen. Anderzijds beoogt de gemeente met het beheer ook het grondwater in het eerste watervoerende pakket zoveel mogelijk te benutten voor o.a. de winning van bodemenergie. Een groot deel van de gemeente valt binnen het beheergebied van het gebiedsgericht grondwaterbeheer. Binnen dit beheergebied mag niet dieper geboord worden dan 50 m -mv., ook niet voor bodemenergiesystemen.
34
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
3.
Beleidsnota Warmte gemeente Utrecht In dit hoofdstuk is een inhoudelijke beschrijving gegeven van de verschillende aardgasvrije alternatieven. Per alternatief wordt beschreven welke duurzame warmtebronnen en systeemonderdelen nodig zijn. Daarnaast is ingegaan op de referentiesituatie van Utrecht en het beleidskader.
3.1
Alternatieven In dit planMER worden de milieueffecten van vijf alternatieven onderzocht en met elkaar vergeleken. In totaal zijn er drie collectieve alternatieven en twee individuele alternatieven. In de onderstaande tekst worden de vijf alternatieven beschreven. De onderbouwing van de benodigde aantallen installaties per alternatief is terug te vinden in de bijlage “Datarapport Beleidsnota Warmte” bij de Beleidsnota Warmte.
3.1.1
Alternatief 1 – Stadsbreed warmtenet Een warmtenet transporteert warm water naar afnemers, zoals particulieren of bedrijven, via een netwerk van leidingen. Een stadsbreed warmtenet op midden-temperatuur (MT) levert warmte van 55 tot 75 °C aan gebruikers in een groot gebied, zoals een hele stad of stadsdelen. De warmte is afkomstig uit een mix van relatief grootschalige duurzame MT-warmtebronnen. Het stadsbreed warmtenet kan geen koeling leveren.
Figuur 3.1 Overzicht stadsbreed warmtenet
3.1.1.1 Warmtebronnen Er kan onderscheid worden gemaakt tussen warmtebronnen die gedurende het hele jaar warmte leveren aan het warmtenet (basislast) en warmtebronnen die op specifieke momenten in het jaar (zoals tijdens een koude periode) bijspringen (pieklast). In de Bronnenstrategie behorende bij de Beleidsnota Warmte zijn de potentie en verdeling van deze bronnen ten behoeve van de piek- of basislast per alternatief verder uitgewerkt. Voor het stadsbreed warmtenet wordt uitgegaan van het gebruik van de volgende basislastbronnen als de hele stad (270.000 WEQ) deze strategie zou volgen: G Geothermie, ook wel aardwarmte genoemd, is het gebruik van warmte uit de ondergrond voor het verwarmen van woningen en gebouwen, waarbij gebruik wordt gemaakt van boringen met een diepte van 1.500 tot 5.000 meter onder maaiveld. Per systeem worden twee boringen (een doublet) in een geschikte aardlaag met warm water geplaatst: een productie- en een injectieput. Uit de productieput wordt warm water opgepompt en door een warmtewisselaar geleid waarmee water wordt opgewarmd en het warmtenet gevoed wordt. Het opgepompte en afgekoelde water wordt via de injectieput weer terug de grond in gepompt waar het weer opwarmt. Wanneer het water weer opgewarmd is, kan het opnieuw opgepompt en gebruikt worden.
Daarnaast zou ook rekening gehouden moeten worden met de aanleg van een hoge temperatuuropslag (HTO) in de nabijheid van het geothermiedoublet. Een HTO is nodig voor seizoensopslag van warmte uit de geothermiebron en vindt plaats in het 2e watervoerende pakket of dieper. Het opgeslagen water heeft een temperatuur van 4035
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
90°C. Het is nog niet zeker of een HTO gerealiseerd kan en zal worden, maar voor de volledigheid wordt deze vorm van warmteopslag al wel in het MER meegenomen. Ten tijde van de publicatie van dit planMER geldt er voor het gebruik van een HTO een “Nee, tenzij”-regeling vanuit de provincie Utrecht. De provincie Utrecht stelt voorwaarden ten aanzien van de monitoring en maatregelen om eventuele onverwachte ongewenste effecten te ondervangen7. Een HTO wordt door de provincie Utrecht alleen toegestaan in het tweede watervoerende pakket, wat conflicteert met het grondwaterbeleid van de gemeente Utrecht, die alleen OBES in het eerste watervoerende pakket toestaat. De realisatie van HTO is daarom onzeker. Bij het ruimtegebruik van een geothermiebron moet worden gekeken naar het ondergronds ruimtegebruik van het doublet en de bijbehorende geothermiecentrale bovengronds. Na de boring wordt de bron onder het maaiveld afgewerkt en bovengronds is enkel een putdeksel zichtbaar. Bovenop de bron kan daarna gebouwd worden, mits de bron toegankelijk blijft voor onderhoud. Het bovengronds ruimtebeslag van de geothermiecentrale met elektrische pompen, warmtewisselaars en een back-up ketel voor de piekvraag kan variëren afhankelijk van de schaal en het type installatie.
Voor installaties die worden gebruikt voor stadsverwarming is tijdens de aanleg fase een werkterrein met een oppervlak van ongeveer 10.000 m2 nodig8. In de gebruiksfase hangt het ruimtebeslag af van de inpassing. Uit de studie Resultaten SCAN boringen De Bilt en Ede door EBN9 blijkt dat de potentie voor geothermie binnen de grenzen van de gemeente Utrecht zeer beperkt en economisch niet rendabel is. Naar aanleiding van deze studie heeft de gemeente Utrecht besloten om geothermie niet mee te nemen als duurzame bron in het Warmteprogramma. Aq w (TEO) w (TEA) Aquathermie is het verwarmen en koelen van woningen en gebouwen met warmte en koude uit oppervlaktewater, afvalwater of drinkwater. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen aquathermie-systemen waarbij gedurende het hele jaar warmte uit het water wordt gehaald en seizoensgebonden systemen waarbij slechts gedurende een bepaalde tijd warmte uit het water onttrokken wordt. Deze warmte wordt opgeslagen in de bodem door middel van een open bodemenergiesysteem (OBES) ook wel aangeduid als warmte- en koudeopslag (WKO) en in het koudere seizoen weer aan de bodem onttrokken. De temperatuur van het water uit de WKO ligt tussen meestal de 9 en 17 °C. Voor het gebruik in een MT-warmtenet moet de temperatuur van het water nog worden verhoogd met behulp van een (collectieve) warmtepomp.
In Utrecht wordt gefocust op twee vormen van aquathermie: thermische energie uit oppervlaktewateren (TEO) en thermische energie uit afvalwater (TEA). Bij TEO wordt er warmte gewonnen uit het oppervlaktewater van plassen, rivieren of kanalen. Uitgangspunt voor een stadsbreed warmtenet is een grootschalige TEO-winning uit het Amsterdam-Rijnkanaal. Wat betreft TEA staat er sinds 2024 een installatie bij de rioolwaterzuivering in Overvecht (RWZI), gerealiseerd door Eneco in samenwerking met het waterschap (HDSR). Het afvalwater dat de zuivering binnenkomt is relatief warm, waardoor de warmte het hele jaar kan worden onttrokken. Doordat de aquathermie-installatie warmte uit het rioolwater haalt, daalt de temperatuur van het gezuiverde water. Het opgewarmde water moet bij TEA systemen met behulp van (collectieve) warmtepompen opgewaardeerd worden voordat het in het MT warmtenet gevoed wordt. Uit de Bronnenstrategie behorende bij de Beleidsnota Warmte blijkt dat het grootste deel van de potentie van TEA met de warmtepomp op de RWZI Overvecht al wordt gebruikt, dit is 0,6 PJ.
In een biomassacentrale worden vaste, duurzame biogrondstoffen (zoals houtpellets) verbrand waarbij warmte vrijkomt. Vaak gebeurt dit om elektriciteit op te wekken. Daarnaast kan de vrijkomende warmte gebruikt worden als bron voor een warmtenet. In Utrecht levert BioWarmte Installatie (BWI) Lage Weide nu al duurzame stadswarmte, waarbij jaarlijks 160.000 tot 180.000 ton biomassa, afkomstig uit reststromen hout van regulier park-, plantsoen- en bosonderhoud, wordt 7
https://www.provincie-utrecht.nl/sites/default/ les/2022-0 /Bodem%20en%20Waterprogramma%20provincie%20Utrecht%202022-2027.pdf 8 Data-analyses voor de onderbouwing van de Nota Warmte en het Warmteprogramma, gemeente Utrecht 9 https://www.ebn.nl/nieuws/resultaten-scan-boringen-de-bilt-en-ede/ 36
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
verwerkt. Op dit moment wordt de BWI ingezet als een basislastvoorziening voor het stadsbreed warmtenet (1,6 PJ). Biomassa wordt door de gemeente Utrecht gezien als een transitiebrandstof, wat betekent dat de inzet van biomassa, wanneer voldoende andere duurzame bronnen beschikbaar zijn, van basislastvoorziening naar pieklastvoorziening schuift en als mogelijk uiteindelijk wordt afgeschaald. R w Er is in Utrecht niet veel restwarmte op MT-niveau beschikbaar en de locaties zijn vooral in de buurt van het huidige stadswarmtenet. Vaak wordt de restwarmte in eigen processen ingezet, de potentie is daarom vrij beperkt (0,2-0,3 P). T (TEL) Warmte kan uit de lucht worden gewonnen door collectieve warmtepompen. Hierbij is de efficiëntie van de pomp afhankelijk van de buitentemperatuur. Wanneer er niet voldoende warmte geleverd kan worden door de reguliere bronnen, kan gekozen worden om extra bronnen in te zetten om de pieklast op te vangen. Voor de pieklast 10 zijn de volgende aanvullende warmtebronnen mogelijk: G In een grootschalige elektrische boiler (E-boilers) wordt water met behulp van hernieuwbare elektriciteit (uit bijv. zon of wind) naar een hogere temperatuur gebracht. Op piekmomenten kan het warme water uit de E-boiler naast de andere duurzame bronnen worden ingevoerd in het warmtenet.
W HTO Warmte geproduceerd met basislastbronnen kan in warmtebuffers worden opgeslagen om zo pieken in warmtevraag die gedurende de dag ontstaan (’s ochtends en ’s avonds) op te vangen. Warmtebuffers zijn geïsoleerde vaten met warm water erin, en worden meestal bovengronds geplaatst. Voor seizoensopslag van warmte op hogere temperaturen kan hoge temperatuuropslag (HTO) een mogelijkheid zijn, zie ook bij geothermie. Deze vorm van warmteopslag is nog in ontwikkeling en nog niet gerealiseerd in Utrecht. & STEG Waterstof gemaakt met duurzame elektriciteit of groen gas kan gebruikt worden om warmte op hoge temperatuur te produceren in een piekketel of STEG (Stoom en Gascentrale). Daarmee kan de piekvraag of backup van een warmtenet worden ingevuld.
3.1.1.2 Benodigde infrastructuur en aanleg De warmte-infrastructuur voor het stadsbrede warmtenet bestaat uit verschillende onderdelen: • (minimaal) 2-pijps warmtenet, met: o Transportleidingen, o Distributieleidingen, o Huisaansluitingen, • Warmteoverdrachtstations, • Hulpwarmteketels, • Warmteonderstations, • (eventueel) warmtebuffers. W Het warmtenet bestaat uit een transport- en distributienet met aan- en afvoerleidingen die naast elkaar worden gelegd in de netwerklaag. Uitgangspunt in dit alternatief is een tweepijps warmtenet. De leidingen variëren in formaat van diameter, transportleidingen zijn de grootste met een diameter tot maximaal één meter. Voor distributieleidingen en huisaansluitingen worden leidingen met een kleinere diameter gebruikt. Vanwege de hoge temperatuurniveaus zijn de leidingen voor een MT-net goed geïsoleerd, meestal met PUR.
10
Pieklast is het extra warmtevermogen dat op piekmomenten beschikbaar moet zijn. 37
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
De aanleg van een warmtenet gebeurt in de regel met een opensleuf aanlegmethode. De ruimte die een sleuf inneemt is afhankelijk van de aanlegdiepte, diameter van de leiding, niveau van het grondwater en de beschikbare ruimte in de grond. De leidingensleuf en werkstraat eromheen zijn gemiddeld ca. 10 meter breed, mits dit mogelijk is in de beschikbare ruimte. Als het niet mogelijk is om via een sleuf het warmtenet aan te leggen vanwege ruimtebeperkingen, is een sleufloze aanlegmethode mogelijk. Een sleufloze methode beperkt het bovengrondse grondgebruik in de aanlegfase en er zijn minder transportbewegingen voor aan- en afvoer van grond.11 W (WOS) In een warmteoverdrachtstation (WOS) komen transportleidingen met warm water binnen en wordt dit water op de juiste temperatuur gebracht om vervolgens naar aangesloten woningen en gebouwen te leiden. Ze dragen de warmte over van transportleidingen naar de hoofdleidingen op stads- of buurtniveau. In Utrecht zijn er momenteel acht WOS-locaties, waarop ongeveer 42.000 woningen, gebouwen en zwembaden zijn aangesloten. Voor een stadsbreed warmtenet worden dit er dertien. Een WOS heeft een ruimtebeslag van circa 4.000 m2. Om een warmteoverdrachtstation aan te leggen is ruimte nodig voor het warmteoverdrachtstation en leidingen ter aansluiting. W Warmteonderstations dragen warmte over naar woningen of gebouwen.
Momenteel zijn er 560 warmteonderstations in Utrecht. In alternatief 1 worden dit er 960. Het ruimtebeslag van een warmteonderstation is ongeveer 20 m2. Warmteonderstations kunnen zowel buiten als inpandig geïnstalleerd worden. H w Hulpwarmteketels zijn gasgestookte ketels waar het water in het warmtenet wordt bijgestookt om de juiste temperatuur te houden. Dit gebeurt nu met aardgas en in de toekomst met waterstof of groengas. W Warmtebuffers worden gebruikt voor het opvangen van piekvraag en heeft meestal de vorm van een boven- of ondergronds opslagvat waarin warm water tijdelijk wordt opgeslagen. De totale bovengrondse ruimtevraag en benodigde installaties die noodzakelijk zijn voor het stadsbreed warmtenet zijn weergeven in de volgende tabel. Daarbij wordt opgemerkt dat de installaties voor de opwek van de basis- en pieklast aan de rand van de stad zullen staan, niet in de wijken. De installatieonderdelen voor het warmtenet staan wel in de wijken. De in de tabel weergegeven aantallen zijn van toepassing wanneer het stadsbrede warmtenet over de gehele gemeente wordt uitgerold. Deze getallen worden in de beoordelingen gebruikt om het aantal installaties bij de verschillende onderdelen relatief ten opzichte van elkaar te kunnen wegen.
Tabel 3.1 Overzicht bronnen en installatieonderdelen stadsbreed warmtenet (Bron: Data-analyses voor de onderbouwing van de Nota Warmte en het Warmteprogramma, gemeente Utrecht) Alternatief
Installatie
Aantal
Ruimtegebruik stuk
Alternatief 1 – Stadsbreed warmtenet
Geothermie
2 doubletten plus HTO
10.000 m2
Aquathermie
1 TEA (reeds bestaand) 1 TEO
1.800 m2 1.800 m2
Biomassa- en warmtecentrale
1 (reeds bestaand, Lage Weide)
25.000 m2
Elektroboiler
4
15 m2
Collectieve warmtepomp (TEL)
2
8.300 m2
Warmte onderstations
400 extra
20 m2
Warmteoverdrachtstation
5 extra
4.000 m2
11
Rapport Aanleg en gebruik van warmteleidingen, door Warming UP & Deltares 38
per
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht Warmtebuffers
16 extra
400 m2
Hulpwarmteketels
50 extra
1.0
2
T In het Datarapport Beleidsnota Warmte is onderbouwd dat de extra netverzwaring ten behoeve van de het stadsbreed warmtenet is zeer beperkt is ten opzichte van de referentiesituatie (en andere alternatieven).
Aansluiting woningen en gebouwen Voor alternatief 1 is isolatie van woningen en gebouwen tot energielabel C (of beter) noodzakelijk zodat MTverwarming optimaal functioneert. Dit betekent voor woningen en gebouwen met een lager energielabel dan C dat hun isolatie moet worden verbeterd, vernieuwd of vervangen. Binnenshuis, om een stadsbreed warmtenet aan te sluiten moet een afgifteset (warmtewisselaar) geïnstalleerd worden (dit kan meestal in de meterkast). Afgifte van warmte in de woning kan via de bestaande radiatoren of vloerverwarming. Bij appartementen met een collectieve warmtevoorziening wordt op een vergelijkbare manier deze voorziening vervangen door een collectieve warmtewisselaar. Als ieder appartement nu een eigen cv-ketel heeft, is de aansluiting op het warmtenet een stuk complexer en moet er veel intern leidingwerk worden aangelegd.
3.1.1.3 Bestaand warmtenet Utrecht Er zijn reeds warmtenetten aanwezig in Utrecht, paragraaf 3.2 gaat hierover dieper in op de referentiesituatie in Utrecht. Wanneer er gekozen wordt voor een stadsbreed warmtenet zal het bestaande warmtenet worden uitgebreid.
3.1.2
Alternatief 2 – MT buurtwarmtenet Een MT buurtwarmtenet is een vorm van warmtenet dat zich uitstrekt over een buurt of wijk (of meerdere). In een MT buurtwarmtenet worden woningen en gebouwen verwarmd met warmte van 55-75 graden. Een MT buurtwarmtenet kan geen koeling leveren.
Figuur 3.2 Overzicht MT buurtwarmtenet
39
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
3.1.2.1 Warmtebronnen Voor de basislast kunnen de volgende bronnen gebruikt worden in Utrecht, waarbij er overlap is met de mogelijke warmtebronnen voor een stadsbreed warmtenet. Potentiële warmtebronnen voor de basislast zijn: Aq (TEO TEA) & -w -w (TEL) TEO, TEA en TEL zijn beschreven in voorgaande paragraaf. TEO en TEA zijn geschikt wanneer er een lokale bron beschikbaar is. In tegenstelling tot alternatief 1 staan de TEO/TEA-installaties niet aan de rand van de stad maar in de wijk. In dit alternatief wordt rekening gehouden met in totaal 170 kleinschalige (6MW/stuk) TEO/TEAinstallaties. Z & ( VT) Bij zonthermie vangt een zonnecollector zonlicht op en zet dit om in warmte, deze warmte kan dan direct worden benut of worden opgeslagen in een warmteopslag (ook als regeneratiebron voor OBES). Het paneel dat voor zonthermie wordt gebruikt is anders dan een regulier PV-zonnepaneel. Een PVT-systeem kan warmte én elektriciteit opwekken, de opgevangen warmte is lager in temperatuur dan bij een zonnecollector. Dit betekent dat er, afhankelijk van de gewenste temperatuurkwaliteit, een additionele warmtepomp noodzakelijk is om de warmte op temperatuur te krijgen. Alle vormen van zonthermie zijn afhankelijk van de aanwezigheid van zonstraling, welk vaak (te) laag is gedurende de winter om de volledige warmtevraag te dekken.
12 R w (LT) Lage temperatuur (LT) restwarmte is een potentieel geschikte bron voor buurtwarmtenetten. De restwarmte kan betrokken worden bij datacenters, bedrijven met koelwarmte c.q. supermarkten of uit warmtewisselaars onder wegen of sportvelden. Deze bronnen hebben weinig ruimtebeslag. O (O ES) Een open bodemenergiesysteem wordt voor de opslag van warmte en koude gebruikt. OBES wordt regelmatig als WKO benoemd (of afwisselend gebruikt). WKO staat voor warmte koude opslag. Een OBES bestaat uit een twee boringen (doublet) tot maximaal 150 meter diep (mits geen dieptebeperking) en pompt grondwater uit de ene put op dat een warmtewisselaar ingaat. Nadat het warme grondwater warmte heeft afgestaan wordt het via de andere put weer terug de bodem ingepompt. De warmte uit de OBES-installatie heeft een lage temperatuur (maximaal 25˚C) en wordt in een lokale centrale met een collectieve warmtepomp op het MT-niveau gebracht en vervolgens kan het warmtenet hiermee worden gevoed. Met één OBES doublet kunnen 100 tot 150 WEQs voorzien worden in hun warmte- en koudevraag. Het ruimtebeslag van een OBES is hoofdzakelijk ondergronds. Dit betreft de thermische invloedsfeer van de warmteen koudebron met een doorsnede van ca. 40 meter per bron. Bovengronds wordt een OBES in de regel afgewerkt met een putdeksel.
Voor alternatief 2 wordt rekening gehouden met 2.200 OBES-doubletten, verdeeld over de verschillende buurten. Om de temperatuur van de bodem in balans te houden en afkoeling te voorkomen, is regeneratie van de warmtebronnen nodig. Hiervoor kan aquathermie, lokale restwarmte of lucht (drycoolers) worden ingezet.
3.1.2.2 Benodigde infrastructuur en aanleg De warmte-infrastructuur voor alternatief 2 bestaat uit verschillende onderdelen: • (minimaal) 2-pijps warmtenet, met: o Transportleidingen, o Distributieleidingen, o Huisaansluitingen, • Warmteonderstations • Energiecentrale met collectieve warmtepomp als aangesloten op het middenspanningsstation
12
www.rvo.nl/onderwerpen/zonne-energie 40
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
•
Zie voor aanvullende informatie over warmtenet en warmteoverdrachtstations de voorgaande paragraaf.
E w Bij een MT-buurtwarmtenet wordt een elektrische collectieve warmtepomp gebruikt om in een lokale energiecentrale warmte uit de LT-warmtebron of OBES op temperatuur te brengen. De pomp wordt geplaatst in een technische ruimte van ongeveer 15 bij 10 meter, die boven- of ondergronds gesitueerd is. Idealiter wordt deze technische ruimte in de buurt van een middenspanningsstation gerealiseerd of daar in ieder geval direct op aangesloten. Afhankelijk van een bovengrondse of ondergrondse installatie moet de bodem worden ontgraven, waarna de benodigde leidingen moeten worden aangesloten worden op de energiecentrale met warmtepomp. T Wanneer er warmtesystemen worden gebruikt die afhankelijk zijn van elektriciteit, kan het noodzakelijk zijn om het elektriciteitsnet te verzwaren. Voor een MT buurtwarmtenet zal de versterking nodig zijn bij de energiecentrales waar de centrale warmtepomp staat. Ook moet er extra hoogspanningscapaciteit buiten de wijken worden gerealiseerd. Dit verzwaren van het elektriciteitsnet komt bovenop de verzwaring die nodig is voor de transitie naar elektrisch vervoer, de levering van zon-PV en windenergie en het elektrificeren van processen. In het Datarapport Beleidsnota Warmte is onderbouwd dat de extra netverzwaring ten behoeve van de het MT buurtwarmtenet zeer beperkt is ten opzichte van de referentiesituatie (en andere alternatieven).
De totale ruimtevraag en benodigde installaties die noodzakelijk zijn wanneer het MT buurtwarmtenet over heel Utrecht wordt uitgerold, zijn weergeven in de onderstaande tabel. Voor de verzwaring van de elektriciteitsinfrastructuur gaat het alleen om de extra verzwaring voor de benodigde netcapaciteit voor de warmtetransitie. De in de tabel weergegeven aantallen zijn van toepassing wanneer het MT buurtwarmtenet over de gehele gemeente wordt uitgerold. Deze getallen worden in de beoordelingen gebruikt om het aantal installaties bij de verschillende onderdelen relatief ten opzichte van elkaar te kunnen wegen. Tabel 3.2 Overzicht bronnen en installatieonderdelen MT buurtwarmtenet (Bron: Data-analyses voor de onderbouwing van de Nota Warmte en het Warmteprogramma, gemeente Utrecht) Alternatief
Installatie
Aantal
Ruimtegebruik per stuk
Alternatief 2 – MT buurtwarmtenet
Warmte onderstations
400
20 m2
OBES (put bovengronds)
2.200 doubletten
2 m2
Aquathermie-installatie (inclusief warmtepomp)
170
360 m2
Energiecentrale warmtepomp
1 per buurt
250 m2
Hoogspanningsstation (220/380 - > 110150 kV)
1
55.000 m2
Hoogspanningsstation (110-150 - 25-66 kV)
1
5.000 m2
Middenspanningsstation (25-66 kV --> 3 - 23 kV)
3,5
2.000 m2
met
collectieve
3.1.2.3 Aansluiting woningen en gebouwen Voor alternatief 2 is isolatie van woningen en gebouwen tot energielabel C (of beter) noodzakelijk zodat MTverwarming optimaal functioneert. Dit betekent voor woningen en gebouwen met een lager energielabel dan C dat hun isolatie moet worden verbeterd, vernieuwd of vervangen. Binnenshuis, om een MT buurtwarmtenet aan te sluiten moet een afgifteset (warmtewisselaar) geïnstalleerd worden (dit kan meestal in de meterkast). Afgifte van warmte in de woning kan via de bestaande radiatoren of vloerverwarming. 41
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
3.1.3
Alternatief 3 – ZLT buurtwarmtenet Bij een zeer lage temperatuur (ZLT) warmtenet wordt ZLT-warmte van 15-20 graden geleverd aan woningen en gebouwen via een collectief warmtenet. Dit warmtenet wordt gevoed met lokale warmtebronnen. Een ZLT buurtwarmtenet kan ook (passieve) koeling leveren.
Figuur 3.3 Overzicht ZLT buurtwarmtenet
3.1.3.1 Warmtebronnen Een ZLT buurtwarmtenet maakt gebruikt van dezelfde bronnenmix in combinatie met OBES-systemen als een MTbuurtwarmtenet, zie hiervoor paragraaf 3.1.2. Anders dan alternatief 2 wordt de warmte niet centraal tot MTkwaliteit opgewaardeerd maar lokaal bij de woning of het gebouw. Een tweede verschil tussen alternatief 2 en 3 is de mogelijkheid tot koeling, door de lage temperatuur is het mogelijk om met alternatief 3 ook te koelen. Net als in alternatief 2 is het nodig om de bodem rond de OBES-systemen te regenereren. Hiervoor kunnen aquathermie, lokale restwarmte of lucht (drycoolers) worden ingezet.
3.1.3.2 Benodigde infrastructuur en aanleg De warmte-infrastructuur voor alternatief 3 bestaat uit verschillende onderdelen: • (minimaal) 2-pijps warmtenet, met: o Transportleidingen, o Distributieleidingen, o Huisaansluitingen, • Transformatorhuisjes en elektriciteitskabels. Omdat het warmtenet warmte van lage temperatuur transporteert hoeft het niet geïsoleerd te worden. Het ondergrondse ruimtebeslag is echter vergelijkbaar met een MT-warmtenet. Wel zijn de buizen een stuk flexibeler waardoor het makkelijker is om obstakels te ontwijken en bochten te maken. In tegenstelling tot alternatief 2 staan er geen centrale warmtepompen in energiecentrales opgesteld maar heeft ieder pand zijn eigen warmtepomp. Voor het elektriciteitssysteem betekent dit dat met name het laagspanningsnet extra verzwaard moet worden. In de wijken zorgt dat, naast verzwaring van elektriciteitskabels,
42
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
voor een veelvoud van het aantal MS-LS-transformatorhuisjes. Deze kunnen eventueel inpandig worden geplaatst. De totale ruimtevraag en benodigde installaties die noodzakelijk zijn voor het ZLT buurtwarmtenet zijn weergeven in de volgende tabel. Voor de verzwaring van de elektriciteitsinfrastructuur gaat het alleen om de extra verzwaring voor de benodigde netcapaciteit voor de warmtetransitie. De in de tabel weergegeven aantallen zijn van toepassing wanneer het ZLT buurtwarmtenet over de gehele gemeente wordt uitgerold. Deze getallen worden in de beoordelingen gebruikt om het aantal installaties bij de verschillende onderdelen relatief ten opzichte van elkaar te kunnen wegen. Tabel 3.3 Overzicht bronnen en installatieonderdelen ZLT buurtwarmtenet (Bron: Data-analyses voor de onderbouwing van de Nota Warmte en het Warmteprogramma, gemeente Utrecht) Alternatief
Installatie
Aantal
Ruimtegebruik per stuk
Alternatief 3 – ZLT Buurtwarmtenet
Warmte onderstations
100
20 m2
OBES (put bovengronds)
2.030 doubletten
2 m2
Aquathermie-installatie (inclusief warmtepomp)
120
360 m2
Binnenshuis: warmtepomp, boiler, buffervat
Iedere woning
2 m2
Transformatorhuisjes (MS/LS)
235
20 m2
Hoogspanningsstation (220/380 -> 110-150 kV)
1
55.000 m2
Hoogspanningsstation (110-150 25-66 kV)
1
5.000 m2
Middenspanningsstation kV --> 3 - 23 kV)
2,5
2.000 m2
(25-66
3.1.3.3 Aansluiting woningen en gebouwen Voor alternatief 3 is isolatie van woningen en gebouwen tot energielabel B (of beter) noodzakelijk zodat ZLTverwarming optimaal functioneert. Dit betekent voor woningen en gebouwen met een lager energielabel dan B dat hun isolatie moet worden verbeterd, vernieuwd of vervangen. Dit is een afwijking van de referentiesituatie, die uitgaat van energielabel C. Bij iedere woning en gebouw moet een elektrische warmtepomp (zonder buitenunit) de warmte opwaarderen tot gewenste temperatuur, een boiler voor tapwater plus een buffervat. Daarnaast moet er een geschikt warmteafgiftesysteem zijn, bijvoorbeeld in de vorm van vloerverwarming. Het ruimtebeslag in de woning van de warmtepomp plus boiler is een flinke koelkast en het buffervat heeft een volume van ca. 150 liter. Deze komen in plaats van de bestaande cv-ketel.
3.1.4
Alternatief 4 – Individuele lucht-water-warmtepomp Met een individuele lucht-water-warmtepomp worden woningen en gebouwen verwarmd zonder een aansluiting op een warmtenet. Met een buitenunit kan warmte uit de lucht worden gehaald en met de warmtepomp naar het gewenste temperatuurniveau worden opgewaardeerd. Via een warmtewisselaar wordt het water voor de verwarming en tapwater opgewarmd. Een individuele lucht-water-warmtepomp kan in principe ook (actieve) koeling leveren.
43
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
Figuur 3.4 Overzicht individuele alternatieven
3.1.4.1 Warmtebron Met individuele luchtwarmtepompen wordt warmte uit de lucht gehaald en opgewaardeerd naar het juiste temperatuurniveau met behulp van elektriciteit. Naast warmte kan ook koude worden geleverd.
3.1.4.2 Benodigde infrastructuur en aanleg Wanneer grootschalig individuele lucht-water-warmtepompen worden geïntroduceerd, is in de meeste buurten extra versterking van het elektriciteitssysteem nodig, bovenop de versterking die reeds nodig is voor elektrisch vervoer, zon-PV en elektrisch koken. Dit betekent meer elektriciteits-infrastructuur in de vorm van transformatorhuisjes) en elektriciteitskabels, zie hierover paragraaf hiervoor. De totale ruimtevraag en benodigde installaties die noodzakelijk zijn voor het individuele lucht-waterwarmtepomp zijn weergeven in de onderstaande tabel. Voor de verzwaring van de elektriciteitsinfrastructuur gaat het alleen om de extra verzwaring voor de benodigde netcapaciteit voor de warmtetransitie. De in de tabel weergegeven aantallen zijn van toepassing wanneer individuele lucht-water-warmtepomp over de gehele gemeente wordt uitgerold. Deze getallen worden in de beoordelingen gebruikt om het aantal installaties bij de verschillende onderdelen relatief ten opzichte van elkaar te kunnen wegen. Tabel 3.4 Overzicht bronnen en installatieonderdelen individuele lucht-water-warmtepomp (Bron: Data-analyses voor de onderbouwing van de Nota Warmte en het Warmteprogramma, gemeente Utrecht) Alternatief
Installatie
Aantal
Ruimtegebruik per stuk
Alternatief 4 – Individuele lucht-water-warmtepomp
Transformatorhuisjes
470 extra
20 m2
Binnenshuis: warmtepomp, boller, buffervat + buitenunit