CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Milieueffectrapport incl. aanvulling beleidsnota warmte en warmteprogramma gemeente utrecht incl. bijlagen

Gemeenteraad 20 november 2025, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling Beleidsnota Warmte 2025-203537.880 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht

projectnummer 0495439.100 definitief revisie Versie 4 incl. aanvulling MER 4 juli 2025

www.anteagroup.nl

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 Versie 4 incl. aanvulling MER 4 juli 2025

Auteur(s) S. Baars M. Kuiper E. Nederkoorn G. Schuur M. Verhoeven

Opdrachtgever Gemeente Utrecht Postbus 10080 3505 AB UTRECHT

Gecontroleerd S. Zondervan J. Verhoeven

datum 4 juli 2025

beschrijving Definitief incl. aanvulling MER

vrijgave S. Zondervan

2

Inhoudsopgave Begrippenlijst

5

Aanvulling MER

8

Samenvatting

11

Leeswijzer

20

1.

Inleiding

21

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7

Aanleiding en doel Waarom een beleidsnota Warmte: de warmtetransitie De beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma? De mer-procedure voor de beleidsnota Warmte Reacties op Notitie Reikwijdte en Detailniveau Omgang met advies Commissie mer over de Notitie Reikwijdte en Detailniveau Wijzigingen ten opzichte van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau

21 21 21 22 23 24 26

2.

Methodiek van het planMER

27

2.1 2.2 2.3 2.4 2.4.1 2.4.2

Wat wordt er onderzocht: de voorgenomen activiteit Onderzoeksmethodiek Beoordelingsmethodiek Referentiesituatie en beleidskader De referentiesituatie gemeente Utrecht Beleidskader

27 27 29 30 30 31

3.

Beleidsnota Warmte gemeente Utrecht

35

3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.1.5

Alternatieven Alternatief 1 – Stadsbreed warmtenet Alternatief 2 – MT buurtwarmtenet Alternatief 3 – ZLT buurtwarmtenet Alternatief 4 – Individuele lucht-water-warmtepomp Alternatief 5 – Individuele bodem-warmtepomp

35 35 39 42 43 45

4.

Buurttypen

47

4.1 4.2 4.3

Wat is een buurttype? Beschrijving van de buurttypen in de gemeente Utrecht Kenmerken buurttype in Utrecht

47 50 55

5.

Milieueffecten

61

5.1 5.1.1 5.1.2 5.1.3 5.1.4 5.1.5 5.2 5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.3 5.3.1 5.3.2 5.3.3

Geluid en trillingen Beleidskader Referentiesituatie geluid, trillingen en laagfrequent geluid en elektromagnetische velden Effectbeschrijving cumulatieve geluidshinder Effectbeschrijving trillingen Effectbeschrijving elektromagnetische velden Luchtkwaliteit Beleidskader Referentiesituatie luchtkwaliteit Effectbeschrijving luchtkwaliteit Bodem en grondwater Beleidskader Referentiesituatie bodem, ondergronds ruimtegebruik en grondwater Bodemkwaliteit (netwerklaag)

61 61 62 64 74 79 83 83 83 85 92 92 92 94

3

5.3.4 5.3.5 5.4 5.4.1 5.4.2 5.4.3 5.4.4 5.5 5.5.1 5.5.2 5.5.3 5.6 5.6.1 5.6.2 5.6.3 5.6.4 5.6.5 5.6.6 5.7 5.7.1 5.7.2 5.7.3 5.8 5.8.1 5.8.2 5.8.3 5.8.4 5.9 5.9.1 5.9.2 5.9.3 5.9.4 5.10 5.10.1 5.10.2 5.10.3

Ondergrond en grondwater Ondergronds ruimtegebruik Ruimtelijke kwaliteit Beleidskader Referentiesituatie ruimtelijke kwaliteit Bovengronds ruimtegebruik en inpasbaarheid openbare ruimte Zichtbaarheid en beleving Water Beleidskader Referentiesituatie water Drinkwater Natuur en biodiversiteit Beleidskader Referentiesituatie natuur en biodiversiteit Effectbeschrijving beschermde soorten Oppervlaktewater Beschermde natuurgebieden Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Verkeer Beleidskader Referentiesituatie verkeershinder Verkeershinder Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Referentiesituatie archeologie en cultuurhistorie Archeologie Cultuurhistorie Circulariteit Beleidskader Referentiesituatie circulariteit Circulair materiaalgebruik Totaal materiaalgebruik Hittestress Beleidskader Referentiesituatie hittestress en koeling Hittestress

100 108 113 113 113 113 119 124 124 124 125 129 129 130 131 136 139 142 145 145 145 146 152 152 153 153 158 164 164 164 165 165 170 170 170 171

6.

Slotbeschouwing

176

6.1 6.1.1 6.1.2 6.1.3 6.1.4 6.1.5 6.1.6 6.1.7 6.2 6.3 6.4 6.5

Aandachtspunten en aanbevelingen Samenvatting beoordelingen Alternatief 1 Stadsbreed warmtenet Alternatief 2 MT Buurtwarmtenet Alternatief 3 ZLT buurtwarmtenet (bronnet) Alternatief 4 Individuele lucht-water-warmtepomp Alternatief 5 Individuele bodemwarmtepomp Algemene aanbevelingen Resultaten per buurttype Resultaten locatiespecifiek Leemten in kennis en aanbevelingen voor toekomstig onderzoek Aanzet tot evaluatie en monitoring

176 176 177 177 178 178 179 180 182 192 193 195

7.

Bijlagen

198

4

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht

Begrippenlijst Aardwarmte:

Warmte afkomstig uit de ondergrond (>500m). Ook wel geothermie genoemd en onderscheid te maken in ondiepe geothermie (500 tot 1500m), diepe geothermie (1500-4000m) en ultradiepe geothermie (>4000m).

Aquathermie:

Het winnen van warmte uit water, bijvoorbeeld uit oppervlaktewater (rivieren, kanalen, meren), drinkwater (leidingen) of afvalwater (riool of rioolwaterzuivering).

Back-up vermogen:

Installaties die in noodsituaties de warmtelevering kunnen overnemen, bijvoorbeeld bij het uitvallen van een grote installatie.

Biomassa:

Biomassa is organisch materiaal dat kan worden gebruikt als brandstof om energie op te wekken. Dit materiaal kan bestaan uit hout, plantenresten, landbouwafval, en zelfs dierlijke mest. Wanneer biomassa wordt verbrand of vergist, komt er energie vrij die kan worden gebruikt voor onder andere warmte. Het wordt beschouwd als een hernieuwbare energiebron, omdat de grondstoffen opnieuw kunnen groeien. In Utrecht is de grootste biomassa bron de BioWarmte installatie Lage Weide, waar houtresten uit regulier onderhoud worden verwerkt.

Bodemenergie:

Warmte gewonnen uit de ondiepe bodem (tot 500 meter), meestal is hier sprake van het gebruik van de bodem als opslag medium, er wordt zowel koude als warmte gewonnen waardoor de bodem in balans blijft.

Buurtwarmtenet:

Een kleinschalig warmtenet met gebruikmaking van duurzame warmtebronnen uit de directe omgeving.

Collectieve lucht-water-warmtepomp:

Een collectieve lucht-water-warmtepomp is een lucht-waterwarmtepomp die verschillende woningen of een heel gebouw voorziet in hun warmtevraag.

Drycooler:

Een drycooler vangt lucht af om daarmee en regenereert daarmee de warmte uit een WKO.

Duurzame energie:

Energie opgewekt uit natuurlijke bronnen die niet op raken, zoals windenergie, zonne-energie en aardwarmte. Ook wel schone energie genoemd.

EV:

Elektrische voertuigen

Geothermie:

Zie aardwarmte

GBES:

Gesloten Bodem Energie Systeem, hierbij wordt middels een lus in de bodem, zonder direct contact met grondwater, warmte en koude uitgewisseld. Zie ook bodemenergie.

Grootschalige elektrische boilers:

In plaats van individuele boilers in elke woning, zorgt een collectieve grootschalige elektrische boilers voor een centrale warmwatervoorziening waarbij elektriciteit wordt gebruikt om water op te warmen. 5

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht

Hoge Temperatuur (HT) warmte:

Warmte met een temperatuur > 75 0C die direct kan worden ingezet voor ruimteverwarming en warm tapwater.

Lage Temperatuur (LT) warmte:

Warmte met een temperatuur tussen de 30-55 0C die direct kan worden ingezet voor ruimteverwarming bij voldoende isolatie van een woning en LT-warmteafgiftesysteem. Warm tapwater door middel van boosterwarmtepomp.

Midden Temperatuur (MT) warmte:

Warmte met een temperatuur tussen de 55-75 0C die direct kan worden ingezet voor ruimteverwarming en warm tapwater.

Milieueffectrapportage (MER):

Een rapport waarin de mogelijke milieueffecten van een voorgesteld project, beleid of plan worden beschreven, meestal vereist door weten regelgeving.

Netcongestie:

Het probleem dat het stroomnet vol en daarmee overbelast raakt. Congestie vindt plaats op het moment dat het transport van stroom groter is dan de capaciteit van het net. Er wordt dus meer stroom gevraagd of teruggeleverd dan dat het elektriciteitsnet aan kan.

OBES:

Open Bodem Energie Systeem, zie ook WKO.

Piekvermogen:

Het maximale warmtevermogen wat moet worden geleverd bij momenten van grote warmtevraag, voornamelijk in de winter tijdens koude perioden, voor < 800 uur per jaar.

PV-panelen:

Fotovoltaïsche panelen, ook wel zonnepanelen genoemd, zetten zonlicht om in elektriciteit.

PVT:

Photo-Voltaïsch-Thermisch, dit zijn panelen waarmee zowel elektriciteit als warmte wordt opgewekt.

RES:

Regionale Energie Strategie

Restwarmte:

Warmteopwekking door restwarmte is het proces waarbij warmte die vrijkomt bij industriële processen of elektriciteitsproductie wordt hergebruikt. In plaats van deze warmte verloren te laten gaan, wordt deze opgevangen en gebruikt voor het verwarmen van gebouwen of voor andere toepassingen. Dit helpt om energie te besparen en de efficiëntie te verhogen, omdat de warmte die anders verloren zou gaan, nuttig wordt ingezet. Het is een duurzame manier om bestaande energiebronnen beter te benutten.

RWZI:

Rioolwaterzuiveringsinstallatie

Schone energie:

Energie opgewekt uit natuurlijke bronnen die niet op raken, zoals windenergie, zonne-energie en aardwarmte. Ook wel duurzame energie genoemd.

Stadsbreed warmtenet:

Een warmtenet op midden temperatuur wat warmte levert vanuit centrale bronnen via een grootschalig warmtenet tot aan de woning, waar de warmte direct kan worden gebruikt voor ruimteverwarming en warm tapwater.

TEA:

Thermische Energie uit Afvalwater: zie aquathermie. 6

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht

TED:

Thermische Energie uit Drinkwater: zie aquathermie.

TEO:

Thermische Energie uit Oppervlaktewater: zie aquathermie.

Warmtebuffer:

Een warmtebuffer is een groot collectief buffervat waarmee warmte een paar maanden kan worden opgeslagen om piekvraag op te vangen. Warmtewisselaars in de wanden warmen het water in de zomer op en een isolatielaag houdt die warmte vast. Het buffervat levert in de winterperiode voldoende warmte om honderden huizen van warmte te voorzien.

WKO:

Warmte en Koudeopslag is een systeem, waarbij de woningen in een wijk of buurt zijn aangesloten op een collectieve, ondergrondse bron voor warmte en koude. In de zomer wordt warmte ondergronds opgeslagen en kan er koud water uit de WKO worden gehaald om woningen te koelen. In de winter wordt de opgeslagen warmte gebruikt als warmtebron.

WOS:

In een warmteoverdrachtstation (WOS) komt de hoofdleiding van een warmtenet binnen. Vanuit de WOS vertakt het warmtenet zich naar woningen en gebouwen die zijn aangesloten op het warmtenet. In het WOS wordt het water op de gewenste temperatuur doorgepompt naar het vertakte leidingennetwerk.

7

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht

Aanvulling MER De Commissie Mer1 heeft een advies uitgebracht over voorliggende rapportage. In haar advies licht de Commissie met name de aspecten geothermie, hittestress, ruimtegebruik, geluid en trillingen, drinkwater en cultuurhistorie en archeologie uit en geeft aanbevelingen voor verduidelijking of vervolgonderzoek. Naar aanleiding van dit advies is het rapport aangevuld om de milieugevolgen van de Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma van de gemeente Utrecht vollediger in beeld te brengen. In onderstaande paragraaf zijn de adviezen en aanbevelingen weergegeven en aangeven op welke manier met het advies is omgegaan. In onderstaande paragraaf is aangegeven in welk hoofdstuk wijzigingen zijn doorgevoerd. In het rapport zijn aanpassingen dik gedrukt en donkergrijs gekleurd gemarkeerd. Een deel van de adviezen heeft betrekking op de vervolgfase of vraagt een nog verdere verdieping van de uitgevoerde onderzoeken. Deze verdere verdieping geeft geen informatie die tot andere beoordelingen in dit planMER zal leiden. De aanbevelingen over de vervolgonderzoeken zijn meegenomen in hoofdstuk 6. Naast het advies van de Commissie Mer zijn er zienswijzen binnengekomen op deze planMER die hebben geleid tot aanvulling. Aanpassingen die naar aanleiding van deze zienswijzen zijn gedaan, zijn eveneens beschreven en gemarkeerd.

1 2

1.

Wonen en niet-woningen a. De Commissie beveelt aan om de definitie van gebouwen te verduidelijken. Dit betreft woningen en niet-woningen (zoals utiliteitsgebouwen). In paragraaf 4.1 is deze definitie uitgewerkt.

2.

Onderbouwing netverzwaringsopgave voor warmtetransitie a. De Commissie adviseert om voor het alternatief stadsbreed warmtenet het bovengronds ruimtegebruik beter te onderbouwen vanwege mogelijke uitbreiding van het elektriciteitsnet. In paragraaf 3.1 is de referentie naar het Datarapport Beleidsnota Warmte toegevoegd, ter onderbouwing van de beoordeling van dit alternatief. Tevens is ingegaan op de zeer beperkte extra benodigde netverzwaring voor alternatief 1 en 2 in relatie tot andere alternatieven met referentie naar het Datarapport Beleidsnota Warmte in respectievelijk paragraaf 3.1.1.2 en 3.1.2.2.

3.

Buurttypologie a. De Commissie beveelt aan om de indeling in buurttypen te verfijnen of te verduidelijken op basis van de bouwfysische eigenschappen (bouwjaar, bouwtype, bebouwingsdichtheid). De buurttypologie is gebaseerd op bouwfysische kenmerken van gebouwen. Dit betreft bouwjaar, bouwhoogte en dichtheid van de gebouwen. De buurttypologie wordt gebruikt om de milieueffecten per alternatief te bepalen. Deze worden niet gebruikt bij de keuze van het voorkeursalternatief per buurt. Dit is verduidelijkt in paragraaf 2.2.

4.

Geothermie en HTO a. De Commissie geeft aan dat de effectbeschrijving met betrekking tot geothermie en HTO aangevuld moet worden2. Dit betreft verschillende milieueffecten die bestaan tijdens de aanleg en gebruik van geothermie en/of HTO: o De opmerkingen van de Commissie over geothermie gaan met name over een verdieping van de reeds vermelde effecten. Zo is dieper ingegaan op het risico van aardbevingen door geothermie (5.1.4.1) en is het ruimtebeslag verduidelijkt in paragraaf 3.1.1.1. In 5.3.3.1 is een referentie toegevoegd waarin het beperkte risico op lekkages wordt onderbouwd. Er zijn geen aanbeveling gedaan die zouden leiden tot een andere inschatting van de risico’s en daarmee andere beoordeling.

Advies Commissie Mer Beleidsnota Warmte & Warmteprogramma Utrecht, 17 juni 2025 Deze aanbevelingen komen overeen met de strekking van de zienswijze op het planMER van Vitens. 8

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht

o

o o o

Er is een aanvulling gedaan met betrekking tot het huidige HTO beleid van de Provincie Utrecht en de gemeente Utrecht. Daarnaast is een aanvulling gedaan om in het vervolg temperatuur effecten te monitoren, zie paragraaf 3.1.1.1. en paragraaf 6.5. Nadere duiding van de onderbouwing van het beoogde ruimtebeslag van een geothermiecentrale is opgenomen in paragraaf 3.1.1.1. Tevens is een aanvulling gedaan met betrekking tot monitoring van bevingen in relatie tot geothermie en HTO. Dit is uitgewerkt in paragraaf 6.5. Het mitigeren van risico’s met betrekking tot lekkages zijn opgenomen in paragraaf 6.5.

5.

Toevoeging en uitwerking in aanbevelingen voor toekomstig onderzoek van grotere thermische straal bij OBES a. Op basis van advies van de provincie is nadere duiding gegeven over de reikwijdte van de thermische straal bij het gebruik van OBES. Dit is gedaan in paragraaf 5.3.5.2. b. Daarnaast is ingegaan op aanbeveling voor vervolgonderzoek over ordening en clustering van OBES aan 6.4.

6.

Hittestress a. De Commissie adviseert om de autonome ontwikkeling van airco’s nader toe te lichten en de beoordelingen te herzien en waar nodig aan te passen. In paragraaf 2.4 is de autonome ontwikkeling nader uitgewerkt. Daarnaast is in paragraaf 5.10.3.4 de beoordeling van alternatief 4 verduidelijkt en als aandachtspunt beschreven in paragraaf 6.1.5.

7.

Geluid en trillingen a. De Commissie beveelt aan om in het Warmteprogramma nader in te gaan op tonaliteit. Dit is toegevoegd in 5.1.3.4. Daarnaast is het advies aangescherpt door middel van monitoring van de maximale geluidsniveaus toe te voegen, inclusief tonaliteitscorrectie, voor warmtepompen in de praktijk in 6.1.5 en 6.5. b. De Commissie vraagt in haar advies planMER om een kwantitatieve uitwerking van het geluidsniveau tussen de verschillende alternatieven en trillingsniveau in de aanlegfase op te nemen. Voor geluid en trillingen is kwalitatief per alternatief in beeld gebracht welke activiteiten tot geluids- dan wel trillingshinder kunnen leiden in de aanleg- en gebruiksfase. Daarna is gekeken welke onderscheidende kenmerken van buurttypen deze effecten kunnen versterken. Dit planMER bekijkt geluids- en trillingshinder op stadsniveau en maakt keuzes per buurt. Kwantitatieve modelberekeningen op straatniveau voor de onderdelen uit alternatieven zijn te gedetailleerd voor de planMER fase. Een extra kwantitatieve analyse zal daarom naar verwachting geen verandering in de beoordeling geven. De focus ligt op het onderscheid tussen de alternatieven voor geluid- en trillingshinder. Hiervoor volstaat een kwalitatieve afweging. Bij de vertaling in de uitvoeringsprogramma kan de specifieke situatie per straat in ogenschouw worden genomen..

8.

Magneetvelden a. De Commissie geeft aan dat het gewenst is om inzicht te krijgen in het Warmteprogramma op welke (generieke) afstand er voldaan wordt aan de streefwaarde van 0,4 µT bij met name trafohuisjes in wijken en eventuele (boven- of ondergrondse) hoogspanningskabels. De Commissie beveelt aan dit in het warmteprogramma te verduidelijken. Afstanden tot transformatorhuisjes in relatie met de afname van elektromagnetische magneetvelden en referentie naar de richtlijn Elektromagnetische velden (EMV) en gezondheid van de GGD zijn toegevoegd in 5.1.5. Aanbeveling tot monitoring van opvolging van deze richtlijn is opgenomen in 6.5.

9.

Drinkwater a. De Commissie adviseert om de mitigerende maatregelen met betrekking tot opwarming van drinkwaterleidingen beter te duiden. In paragraaf 5.5.3 is dit uitgewerkt. Daarnaast wordt benadrukt dat specifieke data over drukte in de ondergrond is meegenomen in de onderbouwing van het voorkeursalternatief in de Beleidsnota Warmte.

10. Bodem, grondwater en ondergrond 9

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht

a.

De Commissie beveelt aan om de resultaten van het onderzoek met betrekking tot grondwaterverontreinigingen en eventuele risico’s door OBES mee te nemen in de vervolgfase van het Warmteprogramma. Dit is aangevuld in paragraaf 6.5.

11. Het advies van de Commissie met betrekking tot archeologie is meervoudig: a. De Commissie adviseert om in de samenvatting de effecten weer te geven op bekende en de te verwachten archeologische waarden. o Deze effecten zijn toegevoegd in de samenvatting. b. Te beschrijven hoe buurttypen (en het bouwjaar van de woningen) verschillen in de effectbeoordeling op archeologie: o In de historische binnenstad is het aannemelijk dat er in de bodem historische restanten te vinden zijn. Voor andere buurttypen is deze aanname niet mogelijk. Hierdoor is de beoordeling op basis van buurttype enkel gedaan voor het buurttype historische binnenstad. Overige buurttypen zijn beoordeeld op basis van de generieke beoordeling per alternatief. Het bouwjaar van de woningen is als kenmerkend aspect weggelaten op basis van voorgaande argumentatie. c. Onderscheid te maken tussen directe effecten (zoals aanleg) en indirecte effecten op archeologie en cultuurhistorie die optreden op de lange termijn. Verwerk dit in de effectbeoordeling, geef aan hoe monitoring plaats zal vinden en/of er mitigerende maatregelen mogelijk zijn en beschrijf de mogelijke effecten van cumulatie met andere beleidsplannen. Verwerk dit in de effectbeoordeling en besluitvorming. o In het MER worden deze effecten gesignaleerde en onderscheid gemaakt.

Tegelijkertijd is het niet mogelijk om de daadwerkelijke (lange termijn)-effecten in beeld te brengen. In het op te stellen MER van het Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer worden de effecten van het toepassen van OBES en bijbehorende fluctuaties in het grondwatersysteem opgenomen, en daarmee effecten door verdroging en oxidatie nader geduid, en daarmee ook de impact op archeologische waarden. Dit is extra verduidelijkt in paragraaf 6.4 zodat de effecten in andere beleidsplannen volwaardig meegenomen worden.

10

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht

Samenvatting Milieueffectrapportage bij de Beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma Het planMER bij de Beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma voor de gemeente Utrecht is opgesteld om de warmtetransitie te ondersteunen. Gemeenten in Nederland moeten volgens de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) vastleggen hoe zij buurten aardgasvrij willen maken. Utrecht heeft kaders vastgelegd in een Beleidsnota Warmte, die na goedkeuring verder worden uitgewerkt in een Warmteprogramma. Dit programma beschrijft hoe Utrecht de komende 10 jaar duurzame warmtebronnen efficiënt en eerlijk wil verdelen. De gemeente Utrecht selecteert in de Beleidsnota Warmte voor elke buurt een voorkeursalternatief naar aardgasvrij op basis van de hoogte van de nationale kosten, ruimtebeslag, belasting van het elektriciteitsnet en de effecten op de leefomgeving. In dit planMER zijn de milieueffecten van verschillende alternatieven voor het aardgasvrij maken van de gebouwen in kaart te gebracht die zijn meegenomen in de afweging om te komen tot een voorkeursalternatief per buurt. Informatie uit de planMER biedt daarmee transparantie in het besluitvormingsproces en zorgt ervoor dat de risico's en negatieve effecten beter beheerst en gemitigeerd kunnen worden.

Onderzochte alternatieven naar aardgasvrij Alternatief 1 – Stadsbreed warmtenet Gebouwen zijn geïsoleerd naar minimaal label C en worden verwarmd door Middentemperatuur (MT) (55-75ºC) warmte geleverd via een collectief stadswarmtenet. Deze warmte kan in het gebouw direct gebruikt worden voor ruimteverwarming en warm tapwater. Het warmtenet wordt gevoed door een mix van duurzame MTwarmtebronnen, zoals restwarmte en geothermie en bevat warmtebuffers voor de tijdelijke opslag van warmte.

Figuur 0.1 Overzicht stadsbreed warmtenet

Alternatief 2 – MT buurtwarmtenet Gebouwen zijn geïsoleerd naar minimaal label C en worden verwarmd door Middentemperatuur (MT) (55-75ºC) warmte geleverd via een collectief buurtwarmtenet. Deze warmte kan in het gebouw direct gebruikt worden voor ruimteverwarming en warm tapwater. Dit net wordt gevoed door lokale lage temperatuur (LT) bronnen zoals oppervlaktewater, restwarmte en lucht die collectief worden opgewaardeerd naar midden temperatuur (MT). Dit net maakt gebruik van seizoensopslag van energie in de bodem (Warmte Koude Opslag WKO).

11

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht

Figuur 0.2 MT buurtwarmtenet

Alternatief 3 – ZLT buurtwarmtenet Gebouwen zijn geïsoleerd naar minimaal label B en hebben een individuele warmtepomp die wordt gevoed door een Zeer-Lage-Temperatuur (ZLT) warmtenet (10-30ºC), waarmee gebouwen zowel verwarmd als gekoeld kunnen worden. Dit warmtenet maakt gebruik van lokale zeer lage temperatuur (ZLT) bronnen zoals water, restwarmte en lucht die in de woningen worden opgewaardeerd tot het juiste temperatuurniveau voor ruimteverwarming en warm tapwater en maakt gebruik van seizoensopslag van energie in de bodem (WKO).

Figuur 0.3 ZLT buurtwarmtenet

Alternatief 4 – Individuele lucht-water-warmtepomp Gebouwen zijn geïsoleerd naar minimaal label B en worden verwarmd en eventueel gekoeld met een individuele luchtwarmtepomp waarbij een buitenunit warmte uit de lucht haalt. Alternatief 5 – Individuele bodem-warmtepomp Gebouwen zijn geïsoleerd naar minimaal label B en worden verwarmd en gekoeld met een individuele bodemwarmtepomp met bodemlussen die in de grond worden aangebracht.

12

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht

Figuur 0.4 Individuele alternatieven

Beoordelingskader Dit planMER beschrijft de effecten als gevolg van de aanleg en het gebruik van de verschillende alternatieven naar aardgasvrij. Onderstaande tabel geeft het beoordelingskader en de onderzoeksthema’s die in het planMER aan bod komen en de indicatoren op basis waarvan een aspect beoordeeld wordt. Tabel 0.1 Beoordelingskader planMER Warmteprogramma gemeente Utrecht Thema

Aspect

Indicator

Aanleg- en/of gebruiksfase

Geluid en trillingen

Cumulatieve geluidshinder

Toename geluidsbelasting

Aanleg- en gebruiksfase

Trillingen

Hinder of schade door trillingen

Aanlegfase

Elektromagnetische straling

Elektromagnetische velden

Toename hinder door elektromagnetische velden

Gebruiksfase

Bodem

Bodemkwaliteit (netwerklaag)

Impact op de biologische, chemische en fysische kwaliteit van de bodem in de netwerklaag.

Aanleg- en gebruiksfase

Ondergrond en grondwater

De hydrologische, chemische, biologische en thermische impact op de ondergrond en grondwaterkwaliteit en -kwantiteit

Aanleg- en gebruiksfase

Ondergronds ruimtegebruik

Inpasbaarheid in de ondergrond

Aanleg- en gebruiksfase

Lucht

Luchtkwaliteit

Uitstoot van fijnstof (PM10, PM2.5) en stikstofoxide (NOx)

Aanlegfase

Water

Drinkwater

Impact op de kwaliteit van het drinkwater in nabijgelegen leidingen van benoemde technieken

Gebruiksfase

Natuur en biodiversiteit

Beschermde gebieden

Impact op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden

Aanlegfase

Beschermde soorten

Impact op beschermde soorten

Aanleg- en gebruiksfase

Stikstofdepositie op Natura 2000gebieden

Stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden

Aanlegfase

Oppervlaktewater

Thermisch effect op waterleven

Gebruiksfase

Circulair materiaalgebruik

Hergebruik bestaand materiaal

Aanlegfase

Totaal materiaalgebruik

Hoeveelheid materiaal dat in totaal nodig is

Aanlegfase

Zichtbaarheid en beleving

Verrommeling van de buitenruimte

Gebruiksfase

Bovengronds ruimtegebruik en inpasbaarheid openbare ruimte

Totaal benodigd bovengronds ruimtegebruik & inpasbaarheid in de openbare ruimte

Gebruiksfase

Circulariteit Ruimtelijke kwaliteit

13

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht Verkeer

Verkeer

Mate van verkeershinder voor gemotoriseerd verkeer, fietsers en voetgangers

Aanlegfase

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologische waarden

Behoud archeologische waarden, onder andere door toepassing (grootschalige) bodemenergie en energie-infrastructuur

Aanlegfase

Cultuurhistorische waarden

Behoud cultuurhistorische waarden, onder andere door toepassing (grootschalige) bodemenergie en energie-infrastructuur

Aanleg- en gebruiksfase

Effect van warmteopwekking of koeling op hittestress

Mate van verandering in hittestress in verschillende wijken na introductie alternatieve warmte techniek

Gebruiksfase

Hittestress

Onderzoeksmethodiek De effecten van de vijf alternatieven naar aardgasvrij zijn bepaald voor de toekomstige situatie die ontstaat bij stadsbrede implementatie van elk van de alternatieven en deze te vergelijken met de situatie die ontstaat zonder de voorgenomen ontwikkeling (referentiesituatie). Het planMER presenteert de effecten van de alternatieven op de verschillende milieuaspecten op buurtniveau. Daarvoor is een analyse uitgevoerd in drie stappen: 1. Een generieke effectbeoordeling per alternatief 2. Een effectbeoordeling aan de hand van generieke buurttypen 3. Een effectbeoordeling op basis van specifieke kenmerken voor de gemeente Utrecht die buurtype overstijgend zijn (zie onderstaande figuur).

0

Beschrijving 5 alternatieven

Kenmerken buurttypen

1

Generieke effectbeoordeling per alternatief

2

Effectebeoordeling rekening houdend met buurttypen

3

Locatie speci eke aandachtspunten voor de gemeente Utrecht

Beschrijving referentiesituatie

Slotbeschouwing Figuur 0.5 Processchema van de onderzoeksmethodiek gebruikt voor dit planMER

Buurttypen De gemeente Utrecht presenteert in de beleidsnota warmte een voorkeursalternatief per buurt. Deze aanpak komt overeen met de Handreiking Warmtetransitie Lokale Warmte 3 van het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie. Het is daarom van belang om informatie over milieueffecten te onderzoeken op datzelfde buurtniveau. Door naar de onderscheidende kenmerken per buurttype te kijken is het mogelijk om milieueffecten naar buurttype te nuanceren. Daartoe zijn onderscheidende kenmerken uit eerder onderzoek 4 gebruikt en, met behulp van GIS analyses, enkele nieuwe onderscheidende kenmerken voor buurttypen toegevoegd.

3

Handreiking Warmteprogramma Kluck, J., Kleerekoper, L. A., Erwin, S., Corpel, L., Bons, P., Arif, Z., Geisler, L., Veenbos, K., & Koekoek, A. (2023). Computer leert wijktypen bepalen voor heel Nederland: een studie naar het inzetten van kunstmatige intelligentie voor het bepalen van wijktypen. Climate Adaptation Services. 4

14

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht

Figuur 0.6 Buurttypen in de gemeente

Wijze van beoordeling Er is gebruikt gemaakt van een zevenpuntsschaal om beoordelen.

de effecten voor alle relevante milieuthema’s te

Tabel 0.2 Effectbeoordeling op basis van een zevenpuntsschaal

Score ++ +

0/+ 0 0/-

--

Toelichting Zeer positief effect ten opzichte van referentiesituatie. Positief effect ten opzichte van referentiesituatie. Licht positieve effect ten opzichte van referentiesituatie. Neutraal / geen effect ten opzichte van referentiesituatie. Licht negatief effect ten opzichte van referentiesituatie Negatief effect ten opzichte van referentiesituatie. Zeer negatief effect ten opzichte van referentiesituatie.

Resultaten generieke effectbeoordeling per alternatief De milieueffecten van de verschillende alternatieven zijn beschreven en beoordeeld per aspect voor de aanlegen gebruiksfase. Deze generieke beoordelingen zijn in tabel weergegeven. Tabel 0.3 Effectbeoordeling per thema, per alternatief

Thema

Aspect

Aanleg/ gebruiksfase

Stadsbreed warmtenet

Geluid

Cumulatieve geluidshinder

Aanlegfase

0/-

-

Gebruiksfase

0

0/-

15

MTBuurtwarm tenet

ZLTBuurtwarm tenet

Individuele luchtwaterwarmtepo mp

Individuele bodemwar mtepomp

-

0

0/-

0/-

--

0

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht

Trillingen

Aanlegfase

0/-

0/-

0/-

0

0/-

Gebruiksfase

0

0

0

0/-

0

Laagfrequent geluid

Gebruiksfase

0

0

0

0

0

Luchtkwaliteit

Luchtkwaliteit

Aanlegfase

0/-

-

-

0

0/-

Bodem en grondwater

Bodemkwaliteit

Gebruiksfase

0

0

0

0

0

Aanlegfase

0/-

0/-

0/-

0

0

Gebruiksfase

onbekend

onbekend

0

n.v.t.

0

Ondergronds ruimtegebruik

Aanleg- en gebruiksfase

0/-

-

-

0

--

Grondwater

Aanlegfase

0/-

-

-

0

---

Gebruiksfase

0/-

-

-

0

0/-

Bovengronds ruimtegebruik en inpasbaarheid

Gebruiksfase

0/-

-

-

0/-

0/-

Zichtbaarheid en beleving

Aanlegfase

0/-

0/-

0/-

0

0/-

Gebruiksfase

0/-

0/-

0/-

-

0/-

Water

Drinkwater

Gebruiksfase

0/-

0/-

0

0

0

Natuur

Beschermde soorten

Aanlegfase

0

0/-

0/-

0

0/-

Gebruiksfase

0

0/-

0/-

-

0/-

Oppervlaktewater

Gebruiksfase

0

0/-

0/-

0

0

Beschermde gebieden

Aanlegfase

0/-

0/-

0/-

0

0/-

Stikstofdepositie

Aanlegfase

0

0

0

0

0

Ruimtelijke kwaliteit

Verkeer

Verkeershinder

Aanlegfase

0/-

0/-

0/-

0

0/-

Archeologie Archeologie en Cultuurhistorie cultuurhistorie

Aanlegfase

0/-

0/-

0/-

0

-

Aanlegfase

0/-

0/-

0/-

0/-

-

Gebruiksfase

0/-

0/-

0/-

-

0/-

Circulariteit

Totaal materiaalgebruik

Gebruiksfase

0/-

0/-

-

-

-

Hittestress

Hittestress

Gebruiksfase

0

0

0/+

0/-

0/+

Resultaten buurttypen Historische binnenstad In de historische binnenstad geldt dat elk alternatief naar verwachting leidt tot negatieve milieueffecten op meerdere thema’s. Dit heeft met name te maken met de hoge dichtheid van woningen, smalle straten en lage hoeveelheid openbare ruimte, en de aanwezigheid van veel cultuurhistorische en archeologisch waardevolle elementen. Tuindorp Tuindorpen zijn oude wijken uit de jaren ’30, met name eengezinswoningen met tuinen. Voor dit buurttype geldt dat elk alternatief naar verwachting leidt tot negatieve milieueffecten op meerdere thema’s. In vergelijking met de historische binnenstad zijn de effecten relatief minder negatief, en dit is met name te verklaren vanwege de lagere dichtheid in woningen, grotere hoeveelheid aan tuinen en de afwezigheid van beschermde dorps- of stadsgezichten, waardoor de ruimtelijke kwaliteit minder wordt aangetast. Volkswijk Het buurttype volkswijk scoort op het gebied van alle alternatieven op verschillende milieuthema’s negatief. Dit is te verklaren vanwege de hogere dichtheid van woningen, lage hoeveelheid openbare ruimte en lage

16

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht

hoeveelheid tuinen. Daardoor ontstaan met name effecten op de thema’s geluid en trillingen, bodem en grondwater en ruimtelijke kwaliteit. Naoorlogse woonwijk Het buurttype naoorlogse woonwijk scoort op het gebied van alle alternatieven op verschillende milieuthema’s negatief. Dit is te verklaren vanwege de hogere dichtheid van woningen en fijnmazigheid van wegennet. Daardoor ontstaan met name effecten op de thema’s bodem en grondwater en ruimtelijke kwaliteit. Tuinstad laagbouw Het buurttype tuinstad laagbouw scoort over het algemeen neutraal tot licht negatief op verschillende milieuthema’s. Dit komt vanwege de ruime opzet van de buurt, breed straatprofiel en veel openbare ruimte. De belangrijkste knelpunten en negatieve effecten ontstaan bij de individuele alternatieven naar aardgasvrij. Dit heeft met name te maken met de dichtheid van WEQs/ha, wat zorgt voor een grote belasting in de bodem en het grondwater (met kans op verontreinigingen). Collectieve systemen zijn op basis van milieueffecten een betere optie. Tuinstad hoogbouw Het buurttype tuinstad hoogbouw scoort over het algemeen neutraal tot licht negatief op verschillende milieuthema’s. Dit komt veel overeen met het buurttype tuinstad laagbouw. Dit komt vanwege de ruime opzet van de buurt, breed straatprofiel en veel openbare ruimte.

De belangrijkste knelpunten en negatieve effecten ontstaan bij de individuele alternatieven naar aardgasvrij. Dit heeft met name te maken met de dichtheid van WEQs/ha, wat zorgt voor een grote belasting in de bodem en het grondwater (met kans op verontreinigingen). Collectieve systemen zijn op basis van milieueffecten een betere optie. Hoogbouw Het buurttype hoogbouw scoort over het algemeen neutraal tot licht negatief op verschillende milieuthema’s. Dit komt veel overeen met het buurttype tuinstad hoog – en laagbouw. Ook hierbij geldt dat door de hoge dichtheid van WEQs/ha de individuele systemen een negatief effect hebben op de thema’s ondergronds ruimtegebruik en grondwater. Bloemkoolwijk Bloemkoolwijken typeren zich door smalle straten, een dichte fijnmazigheid van straten en veel openbare ruimte en groen. Door deze kenmerken scoort het buurttype met name negatief op de thema’s zoals geluid en trillingen, bodem en grondwater, (drink)water en hinder voor verkeer tijdens de aanlegfase. Vinexwijk Vinexwijken zijn het jongste buurttype en dateren vanaf de jaren ’90. Vinexwijken zijn ruim opgezet, met veel groen, openbare ruimte en veelal eengezinswoningen. Vinexwijken scoren met name neutraal of licht negatief op de meeste milieuthema’s. Uitzonderingen zijn, vanwege de buurtkenmerken, op de thema’s geluid, grondwater, ondergrond en verkeer.

Bedrijventerrein Bedrijventerreinen zijn ruim opgezet met veel openbare ruimte. Ook typeren bedrijventerreinen zich door brede straten. Vanwege deze kenmerken zijn de effecten veelal gelijk met de Vinex wijken, en zijn de effecten met name te verwachten voor de thema’s geluid, grondwater, ondergrond en verkeer.

Resultaten locatiespecifiek Luchtkwaliteit In Utrecht geldt een milieuzone waar geen emissies meer mogen worden uitgestoot. De effectbeoordeling voor buurten die binnen deze milieuzone vallen moeten de effecten op de luchtkwaliteit daarom in positieve zin naar neutraal worden bijgesteld voor alle alternatieven. Beschermde soorten In de bebouwde kom van de gemeente Utrecht zijn veelal leefgebieden gevonden van beschermde soorten, zoals de huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Omdat de informatie gebaseerd is op waarnemingen, is het voor het 17

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht

toepassen van alternatieven essentieel om nader onderzoek te doen naar de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied om negatieve effecten te voorkomen dan wel te mitigeren. Oppervlaktewater In de gebruiksfase is de kans op negatieve milieueffecten bij de inzet van aquathermie bij kleinere en ondiepe wateren groter dan bij diepere wateren met veel doorstroming. Aanbevolen wordt om deze kenmerken van oppervlaktewateren mee te nemen in de afweging tot voorkeursbeslissing. Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden zijn mogelijk gevoelig voor stikstofdepositie. Er liggen enkele buurt die nabij (op minder dan 1,5 km) liggen. Er wordt dus verwacht dat de effecten op stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden beperkt blijven. Nabij beschermede gebieden kunnen negatieve effecten ontstaan bij de aanleg en gebruik van aardgasvrije alternatieven. Met name door een toename in verstoring op natuurgebieden door geluid en trillingen bij werkzaamheden in de nabijheid. Dit betekent dat er in Utrecht aandacht besteed moet worden aan buurten nabij NNN-gebieden om zo verstoringseffecten te beperken. Dit betreft de volgende buurten: Zuilen-Noord, Bedrijventerrein en omgeving, Poldergebied Overvecht, Voordorp en Voorveldsepolder, Maarschalkerweerd en Mereveld, Utrecht Science Park, Rijnsweerd, Galgenwaard en omgeving, Haarrijn en Haarzuilens en omgeving.

Deze buurten grenzen aan NNN-gebied of er bevindt zich NNN-gebied in de buurt zelf. Archeologie Naast de archeologische waardenkaart heeft Utrecht een twaalf archeologische rijksmonumenten. In principe geldt voor archeologische (rijks)monumenten in Utrecht een behoud situatie, dit betekent dat er geen bodemroering mag plaatsvinden als er geen alternatief is. Wanneer er geen alternatief is, dan is bodemroering enkel mogelijk met de afweging van groot maatschappelijk belang. Daarnaast zijn er drie Unesco werelderfgoed monumenten, zoals de Limes en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Op basis van de rijke Utrechtse archeologische geschiedenis is het van belang om per buurt de archeologische waarden in acht te nemen bij de keuze van een passend alternatief. Per buurt wordt geadviseerd de specifieke archeologische situatie mee te wegen in de keuze voor een voorkeursalternatief. Daarnaast is het belangrijk om inzichtelijk te maken welke langetermijneffecten bestaan op het archeologisch bodemarchief door middel van fluctuaties van het grondwater, met als gevolg een eventuele toename in oxidatie en verdroging. Cultuurhistorie De ruimte tussen de bovenkant van het keldergewelf en het straatoppervlakte varieert van 30 centimeter tot 1 meter.

In veel werfkelders zijn in het verleden pijpleidingen dwars door het keldergewelf aangelegd wanneer er onvoldoende ruimte hiervoor in de netwerklaag was. Het voorkomen van mogelijke aantasting van de structurele integriteit van werfkelders en de beperkingen in ruimte voor het plaatsen van infrastructuur en warmtebronnen leiden tot een extra uitdagingen en daardoor maatwerk in dit gebied. Bij de zoektocht naar een voorkeursalternatief per buurt moet rekening worden gehouden met de unieke cultuurhistorische waarden van Utrecht. Hiermee zal soms voor een maatwerkoplossing moeten worden gekozen, gezien de potentiële effecten van de alternatieven op de directe omgeving. Ook in voorbereidende stappen, zoals het isoleren en preparen van locaties, is het noodzakelijk om cultuurhistorische waarden mee te wegen.

Vervolg Leemten in kennis en aanbevelingen voor toekomstig onderzoek De planMER gaat in op leemten in kennis en aanbevelingen voor toekomst onderzoek om milieueffecten nog beter te kunnen duiden en mee te wegen in de verdere planuitwerking. Dit betreft leemten in kennis voor de volgende thema’s: • • •

Geluid; Externe veiligheid; Drinkwater; 18

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht

• • • • • •

Hittestress; Oppervlaktewater; Cumulatieve effecten van WKO’s (op de thema’s archeologie en grondwater); Netcongestie; Onderscheidende effecten per alternatief; F-gassen.

Hoewel er enkele leemten in kennis zijn geïdentificeerd in de planMER, vormen deze geen belemmering voor verdere besluitvorming met betrekking tot het de keuze voor het Voorkeursalternatief (VKA). De ontbrekende informatie heeft voornamelijk betrekking op specifieke technische details en lokale gegevens, maar de beschikbare informatie is voldoende om een gedegen keuze te maken op basis van milieu informatie. De besluitvorming kan doorgaan op basis van de huidige gegevens, waarbij eventuele leemten in kennis later kunnen worden aangevuld door aanvullende studies en onderzoeken. Aanzet tot evaluatie en monitoring Monitoring en evaluatie is onderdeel van de beleidscyclus van de Omgevingswet. In de planMER is een aanzet gedaan tot evaluatie en monitoring van de potentiële milieueffecten. Dit geldt o.a. voor de volgende onderwerpen: 1. 2. 3. 4. 5.

Verontreinigen in de bodem en grondwater Mogelijkheden tot winning van TEO in benedenstroomse gebieden Efficiëntie alternatieven en onderscheidende kenmerken per alternatief De woningbouwopgave van de gemeente Utrecht De aanlegfase voor geothermie

19

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht

Leeswijzer Voor u ligt het milieueffectrapport (planMER) bij de Beleidsnota Warmte voor de gemeente Utrecht. Het planMER beschrijft vijf mogelijke alternatieven voor het aardgasvrij verwarmen van woningen en gebouwen in Utrecht. Dit planMER is als volgt opgebouwd: •

Hoofdstuk 1 gaat in op de aanleiding, wat de beleidsnota warmte, de mer-procedure voor de beleidsnota, en de omgang met zienswijzen en advies van die Commissie mer op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD).

•

Hoofdstuk 2 gaat in op de methodiek van dit planMER en de milieuthema’s die zijn onderzocht.

•

Hoofdstuk 3 gaat in op de alternatieven voor aardgasvrij verwarmen.

•

Hoofdstuk 4 gaat in op de typologie waarop de alternatieven zijn beoordeeld.

•

Hoofdstuk 5 gaat in op de effectbeschrijving- en beoordeling per milieuthema.

•

Hoofdstuk 6 bevat de slotbeschouwing, met een samenvatting van de beoordelingen, aandachtspunten, aanbevelingen, leemten in kennis en aanzet tot monitoring en vervolg.

•

Hoofdstuk 7 bevat de bijlagen.

20

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel Voor u ligt het planMER bij de Beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma voor de gemeente Utrecht. Alle gemeentes in Nederland zijn bezig om in het kader van de warmtetransitie het gebruik van aardgas af te bouwen. Vanuit de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) 5 zijn gemeenten verplicht om de manier waarop zij de buurten in de betreffende gemeente aardgasvrij willen maken vast te leggen in een warmteprogramma. De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen kaders vast te leggen in een Beleidsnota Warmte. De beleidsnota wordt ter besluitvorming voorgelegd aan de raad. Na besluitvorming over de beleidsnota warmte worden de kaders in een Warmteprogramma verder uitgewerkt. Het Warmteprogramma beschrijft waar en hoe Utrecht binnen de vastgestelde kaders de komende 10 jaar in de stad aan de slag gaat in de bestaande bouw en de nieuwbouw en hoe Utrecht concreet gaat sturen op efficiënte en eerlijke verdeling van duurzame warmtebronnen. De Beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma bedienen samen de Wgiw. Het planMER is daarom op beide van toepassing.

1.2

Waarom een beleidsnota Warmte: de warmtetransitie In 2019 is het Klimaatakkoord gesloten tussen verschillende partijen in Nederland, waaronder de Overheid, bedrijven en maatschappelijke organisaties, met als doel de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en klimaatverandering tegen te gaan. Een belangrijk onderdeel van het Klimaatakkoord is de warmtetransitie. Dit houdt in dat Nederland stapsgewijs overstapt van fossiele brandstoffen, zoals aardgas, naar duurzame warmtebronnen voor het verwarmen van gebouwen. Dit kan bijvoorbeeld door over te stappen van een HR ketel op aardgas naar een warmtepomp of stadsverwarming die gebruik maakt van hernieuwbare energiebronnen. Het doel is om uiteindelijk alle woningen en gebouwen in Nederland aardgasvrij te maken. De gemeenten hebben een regietaak gekregen om deze transitie te realiseren in de gebouwde omgeving. Gemeenten moeten samen met woningcorporaties, netbeheerders, bedrijven en bewoners aan de slag. Hiervoor zijn wetten en handreikingen opgesteld of in voorbereiding om ervoor te zorgen dat gemeente over de juiste gereedschappen beschikken. Naast de directe beleidskaders van het Rijk, zijn er nationale en internationale (beleids)kaders van verschillende niveaus relevant voor het warmteprogramma, zie paragraaf 3.2.2.

1.3

De beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma? Figuur 1.1 schetst de positie van de Beleidsnota Warmte als onderdeel van de omgevingsvisie Utrecht en de samenhang met verschillende omgevings- en uitvoeringsprogramma’s. De Beleidsnota Warmte vervangt de Transitievisie Warmte (TVW) deel 1 en deel 2 en de Visie op de Warmtevoorziening. De beleidsnota wordt ter besluitvorming voorgelegd aan de raad. Na besluitvorming over de beleidsnota warmte worden de kaders in een Warmteprogramma verder uitgewerkt. Het Warmteprogramma beschrijft waar en hoe we binnen de vastgestelde kaders de komende 10 jaar in de stad aan de slag gaan in de bestaande bouw en de nieuwbouw en hoe we concreet gaan sturen op efficiënte en eerlijke verdeling van duurzame warmtebronnen. Inhoudelijk moet een warmteprogramma voldoen aan de eisen van de Omgevingswet en Wgiw, wat inhoudt dat elk warmteprogramma een omschrijving bevat van de voorkeursalternatieven naar aardgasvrij voor de buurten in de betreffende gemeente die in de daaropvolgende 10 jaar worden verduurzaamd. Een warmteprogramma moet iedere 5 jaar worden vastgesteld om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen in de energiemarkt en technologieën voor duurzame warmtebronnen.

5

De Wgiw is op 10 december 202 aangenomen door de Eerste Kamer en zal gefaseerd in werking treden. Wgiw artikel IA, IB, en IIA treden op 1 januari 2025 in werking, en Artikel IC treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. https://www.eerstekamer.nl/behandeling/202 1217/ 21

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht

Figuur 1.1 Relatie tussen de positie van de Beleidsnota Warmte als onderdeel van de Utrechtse omgevingsvisie en de samenhang met verschillende omgevings- en uitvoeringsprogramma’s binnen de opgave Energie

1.4

De mer-procedure voor de beleidsnota Warmte De gemeente Utrecht selecteert voor iedere buurt een voorkeursalternatief naar aardgasvrij. Daarvoor zijn in de Beleidsnota Warmte de kaders uitgewerkt. De gemeente Utrecht heeft onderzocht welke potentiële duurzame oplossingen aangewend kunnen worden als warmtevoorziening om buurten aardgasvrij te maken. Aan de hand van vijf alternatieven is de technische haalbaarheid en het bijbehorende gebruik van duurzame bronnen verder uitgewerkt. Om te komen tot een voorkeursalternatief naar aardgasvrij per buurt wordt niet alleen gekeken naar technische haalbaarheid en kosten, maar wordt ook in beeld gebracht wat voor milieueffecten een alternatief naar aardgasvrij op de leefomgeving kan hebben. Om deze effecten op de leefomgeving in beeld te brengen is dit planMER opgesteld. Informatie uit een planMilieueffectrapport (hierna planMER) helpt om de mogelijke milieueffecten van de warmtetransitie in kaart te brengen, waaronder de impact op luchtkwaliteit, geluid, bodem, water en biodiversiteit. Het planMER biedt inzicht in de milieueffecten van de vijf alternatieven voor de warmtetransitie zodat deze kunnen worden meegewogen in keuze voor een voorkeursalternatief voor de warmtevoorziening per buurt.

Daarnaast zorgt een planMER voor transparantie in het besluitvormingsproces en biedt het de mogelijkheid voor bewoners en andere stakeholders om te reageren op voorgestelde keuze. Tot slot maakt het planMER de mogelijke risico’s en negatieve effecten inzichtelijk. Zo kunnen de risico’s en effecten beter beheerst en gemitigeerd worden, wat bijdraagt aan een duurzamere en verantwoorde uitvoering van de warmtetransitie. 22

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht

Naast dat dit planMER beslisinformatie levert voor de beleidsnota warmte wordt hiermee ook voldaan aan de mer-plicht die geldt omdat er sprake is van kader stellende keuzes. In Bijlage 1 is verder uitgewerkt waarom de beleidsnota Warmte mer-plichtig kan zijn en welke onderdelen mer-beoordelingsplichtig zijn. Op wat voor manier de milieueffecten voor Utrecht worden onderzocht is vastgelegd in de concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau (hierna NRD). De NRD heeft 29 augustus tot en met 11 oktober 2024 ter inzage gelegen, waarbij belanghebbenden schriftelijk hebben kunnen reageren.

1.5

Reacties op Notitie Reikwijdte en Detailniveau Op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau zijn 6 reacties binnengekomen. De reacties zijn ingediend door de gemeente Bunnik, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, Stichting Utrechtse Woningcorporaties, ProRail, Veiligheidsregio Utrecht, gemeente Stichtse Vecht en Vitens. Onderstaand is aangegeven hoe met de binnengekomen adviezen op de NRD in het MER rekening is gehouden. De volledige reactienota van de gemeente Utrecht, met ook de antwoorden die geen betrekking hebben op het MER, is als bijlage bij de Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma te vinden. 1. Gemeente Bunnik De gemeente Bunnik vraagt aandacht voor de mate van beschikbaarheid van oppervlaktewateren en de bijbehorende warmte uit die oppervlaktewateren, in nabijheid van de gemeente Bunnik. In de planMER wordt gefocust op de milieueffecten op de oppervlaktewateren en niet op beschikbaarheid en verdeling van bronnen, dit is beschreven in de Beleidsnota warmte en in meer detail in de bijlage “ ” . 2. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden HDSR vraagt met name om rekening te houden met het beleid rondom Kader Richtlijn Water (KRW). In het MER wordt ingegaan op dit beleid en de verschillende oppervlaktewateren met KRW-doelstelling.

Daarnaast wordt gevraagd om bij het thema oppervlaktewater rekening te houden met afvalwater, rioolwater, de impact van filtering van aquathermie-installaties mee te nemen in de beoordeling. Deze onderdelen en aspecten zijn in hoofdstuk 5.6 meegenomen. Tevens wordt het grondwaterbeleid meegenomen van de gemeente met betrekking tot WKO-systemen in hoofdstuk 5.3. 3. Stichting Utrechtse Woningcorporaties De Stichting Utrechtse Woningcorporaties reageert op de wijze waarop netcongestie en de toenemende koudevraag geen onderdeel uitmaken van het MER. Op korte termijn heeft netcongestie zeker effecten op de leefomgeving omdat er langer gebruik moeten worden gemaakt van fossiele brandstoffen. Voor de Beleidsnota warmte worden de effecten onderzocht op de eindsituatie van 2050, waarbij de veronderstelling is dat alle bronnen dan fossiel-vrij zijn en netcongestie is opgelost. Dit is niet meegenomen in voorliggend MER. In de beleidsnota Warmte wordt bij de selectie van een voorkeursalternatief het effect dat alternatieven hebben op de piekbelasting van het elektriciteitsnet wel meegewogen. Alternatieven met een lage piekbelasting hebben de voorkeur boven alternatieven met een hoge piekbelasting. De toenemende koudevraag zal meegenomen worden in het MER.

Voor warmteoplossingen die geen koude kunnen leveren is in de effectbeoordeling meegenomen dat dit kan leiden tot het vergroten van hittestress, zie hiervoor de toelichting in hoofdstuk 5.10. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de methodiek om de verschillende alternatieven over de hele stad te onderzoeken, in plaats van in een mix van programma’s. Dit heeft te maken met het abstractieniveau van het MER. Door bij de beoordeling uit te gaan van de extreme ’ beeld. Daarna worden deze knelpunten in de weging meegenomen om te komen tot een voorkeursoplossing per buurt. D ’ . 23

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht

4. ProRail ProRail vraagt om aandacht in het MER om de effecten op omliggende infrastructuur, gebouwen en de ligging van de oplossingsmogelijkheden inzichtelijk te maken. Het MER gaat enkel in op de milieueffecten bij het toepassen van verschillende aardgasvrije alternatieven. De mate waarop trillingen potentieel effect hebben op de omgeving is in hoofdstuk 5.1 beschreven. De ligging van oplossingsmogelijkheden is geen onderdeel van het MER en wordt uitgewerkt in het verdere proces van de ’ op buurtniveau. 5. Veiligheidsregio Utrecht Veiligheidsregio Utrecht vraagt aandacht in het MER voor het thema externe veiligheid. Vanwege het abstractieniveau van het voorliggend MER wordt het thema externe veiligheid niet meegenomen. Het voornaamste risico met betrekking tot externe veiligheid is het risico op een blow-out. Dit risico moet onder externe veiligheid in een projectMER worden onderzocht wanneer er concrete plannen zijn voor de installatie van een geothermiebron op een specifieke locatie, zie hiervoor de aanbeveling in hoofdstuk 6.2. 6. Gemeente Stichtse Vecht De gemeente vraagt om duidelijkheid te scheppen over het studiegebied van het MER. In principe is het studiegebied de gemeente Utrecht. Waar mogelijk kunnen effecten ook buiten de gemeentegrenzen vallen. Waar dit het geval is, volgt dit uit de effectstudie. Derhalve was dit in de cNRD nog niet aan te geven.

Het ’ w ( 5.2), natuur (hoofdstuk 5.6) en oppervlaktewater (hoofdstuk 5.6). Ook wordt aandacht gevraagd over het thema netcongestie. Zie hiervoor het antwoord bij de Stichting Utrechtse Woningcorporaties. Verder is een kanttekening gemaakt in hoeverre de beoordelingsmethodiek onderscheidend genoeg is op basis van de vijfpuntsschaal. Op basis van het onderzoek in het MER is rekening gehouden met een grotere nuancering waardoor de beoordeling is gedaan op basis van een zevenpuntsschaal, zie de toelichting op de beoordelingswijze in paragraaf 2.2 en 2.3. (7. Vitens) Drinkwaterbedrijf Vitens vraagt aandacht voor verschillende onderdelen op het gebied van (drink)water. Zo wordt onder andere ingegaan op de potentiële thermische effecten op drinkwaterleidingen, door zowel klimaatverandering als aanleg van een warmtenet. Dit aspect wordt meegenomen in het aspect drinkwater, zie hiervoor paragraaf 5.5. Daarnaast is aandacht gevraagd voor de vergrijzing van het grondwater door middel van perforatie van kleilagen. Het bepalen van het risico voor de kwaliteit van het water in het tweede watervoerend pakket als gevolg van het doorboren van de kleilaag is onderdeel van de vraagstelling in de PlanMER en wordt behandeld in pargraaf 5.3.

Daarnaast wordt op dit moment het Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer geactualiseerd door de gemeente Utrecht waarmee deel van de vraagstelling is in hoeverre deze systemen invloed hebben op de verspreiding van verontreinigen in het grondwater.

1.6

Omgang met advies Commissie mer over de Notitie Reikwijdte en Detailniveau De Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie mer) speelt een belangrijke rol in het proces van milieueffectrapportages. Deze commissie geeft onafhankelijk advies over de inhoud en kwaliteit van 24

Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht

milieueffectrapportages. Dit advies helpt bij het verbeteren van de rapporten en zorgt ervoor dat alle relevante milieueffecten goed in kaart worden gebracht. De Commissie mer heeft op 25 november 2024 met de gemeente Utrecht gesproken over de NRD en daarna op 4 december 2024 haar advies uitgebracht op de NRD (Bijlage 2). De Commissie beschouwt de volgende punten als essentiële informatie in het planMER. Dat wil zeggen dat voor het meewegen van het milieubelang in het besluit over het warmteprogramma het planMER in ieder geval onderstaande informatie moet bevatten: •

Aanleiding en doel: beschrijf duidelijk het doel van het warmteprogramma en geef aan welke besluiten hierin worden genomen. Licht ook de relatie met andere besluiten toe, zoals de beleidsnota Warmte. o Aanleiding, doel en de relatie tussen planMER en beleidsnota Warmte zijn opgenomen in hoofdstuk 1 van dit planMER.

•

Omvang en mogelijkheden van het warmteprogramma: onderbouw de toekomstige energievraag voor warmte voor de gehele gemeente, en ook per buurt. Naast de warmtevraag is ook de koudevraag van belang. Geef verder een overzicht van de warmtebronnen- en technieken, en ga per bron/techniek in op de eigenschappen, ruimtegebruik, milieugevolgen en impact op het energienet. o De alternatieven in het planMER zijn ontworpen om per buurt in voldoende warmte (energie) te voorzien. De argumentatie voor het energiegebruik- en potentie is beschreven in Verdiepingsdocument: Data-analyses voor de onderbouwing van de Beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma van de gemeente Utrecht. Dit document is te vinden als bijlage bij de beleidsnota Warmte. Omdat voor sommige alternatieven mogelijk onvoldoende bronnen beschikbaar zijn voor de hele gemeente wordt naast het planMER een bronnenstrategie opgesteld waarin vraag en aanbod samen worden beschouwd. In hoofdstuk 3 zijn de toe te passen warmtetechnieken beschreven en is per alternatief ingegaan op de voor het beoordelen van milieueffecten relevante technieken en aspecten. Hierbij is ook uitgebreid ingegaan op de verschillende warmtebronnen die benodigd zijn per alternatief. In de referentiesituatie is uitgegaan van een toenemende koudevraag. Hiermee wordt bij de effectbeoordeling in het planMER rekening gehouden.

•

Alternatieven: nadere uitwerking van de vijf alternatieven die onderzocht worden. De Commissie kan zich vinden in de vijf alternatieven, maar adviseert wel de alternatieven locatiespecifiek per buurt te vergelijken en niet per algemene wijktypen. Daarbij hoeven niet-kansrijke alternatieven voor een buurt niet onderzocht te worden, wat de onderzoekslast beperkt. o In het planMER worden de wijktypen gekoppeld aan de buurten in Utrecht. Daarnaast worden locatie-specifieke effecten, bijvoorbeeld vanwege aanwezige omgevingswaarden, betrokken in de effectbeoordeling. Hiermee ontstaat een buurt-specifieke effectbeoordeling.

•

Milieugevolgen en doelbereik: vergelijk de milieugevolgen van de alternatieven en het voorkeursalternatief met de referentiesituatie. Beoordeel de milieugevolgen voor de aanlegfase en realisatiefase apart. Laat zien of de doelen worden gehaald. Beschrijf maatregelen waarmee milieugevolgen kunnen worden gereduceerd. o In hoofdstuk 5 zijn per aspect de milieugevolgen beschreven. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de aanleg en gebruiksfase. De alternatieven zijn zo ontworpen dat hiermee de beoogde doelen per buurt behaald kunnen worden. Hiermee komen de milieueffecten van de alternatieven volwaardig in beeld ten behoeve van de besluitvorming. Waar dat voor een aspect relevant is, zijn mitigerende maatregelen voorgesteld.

•

Positieve milieueffecten van de warmtetransitie: breng de positieve milieugevolgen in beeld te brengen van de warmtetransitie. Geef aan hoeveel reductie van CO2-equivalent (klimaat) maar ook stikstof (NOx en NH3) verwacht wordt. o Dit planMER biedt beslisinformatie door de milieueffecten van de alternatieven inzichtelijk te maken, zodat de gemeente Utrecht weloverwogen keuzes kan maken voor een duurzame en verantwoorde uitvoering van de warmtetransitie, met name toegespitst op de beste keuze op 25

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=8a62b3c4-47be-48f3-900e-20283bdd8dc5