Milieueffectrapport incl. aanvulling beleidsnota warmte en warmteprogramma gemeente utrecht incl. bijlagen
Tekst van het document
Iedere woning
2 m2
Hoogspanningsstation (220/380 -> 110-150 kV)
1,5 extra
55.000 m2
Hoogspanningsstation (110-150 25-66 kV)
1,5 extra
5.000 m2
Middenspanningsstation kV --> 3 - 23 kV)
5 extra
2.000 m2
(25-66
44
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
3.1.4.3 Aansluiting woningen en gebouwen Voor alternatief 4 moeten woningen en gebouwen minimaal schillabel B geïsoleerd zijn. Afhankelijk van de woning of het gebouw moeten hiervoor aanpassingen uitgevoerd worden. Naast isoleren is er een aantal veranderingen nodig, zo wordt de buitenunit van de lucht-water-warmtepomp gemonteerd aan de buitenkant van de woning of het gebouw. Binnenshuis wordt de lucht-water-warmtepomp aangesloten op de bestaande verwarmingsleidingen van radiatoren of vloerverwarming. Voor de opwarming van tapwater is een boiler nodig en daarnaast nog een buffervat van ca. 150 liter.
3.1.5
Alternatief 5 – Individuele bodem-warmtepomp Bij het vijfde en laatste alternatief worden woningen en gebouwen verwarmd door individuele bodemwarmtepompen. Een individuele bodem-warmtepomp kan naast warmte ook koeling leveren.
3.1.5.1 Warmtebron Iedere woning of gebouw worden voorzien van één of meerdere bodemlussen, ook wel een gesloten bodemenergiesysteem (GBES) genoemd. Een GBES kan tot wel 300 meter diep geboord worden, mits er geen dieptebeperkingen zijn. In het geval van dieptebeperkingen kan het noodzakelijk zijn om meerdere bodemlussen aan te leggen om dezelfde opwekpotentie te krijgen. Het ondergrondse ruimtebeslag van een bodemlus is 7,5x7,5 meter. Het aanleggen van een bodemlus duurt ongeveer één tot twee dagen. Bij grootschalige inzet van GBES moet rekening gehouden worden met interferentie. Als de systemen te dicht bij elkaar staan, beïnvloeden ze elkaar en daalt het rendement. Door de bodemlus wordt water of water met antivries (monopropyleenglycol) gecirculeerd. Er zijn ook andere middelen beschikbaar om bevriezing tegen te gaan. Om bevriezing van de bodem te voorkomen moeten de bronnen worden geregenereerd. Dit kan met bijvoorbeeld zonthermie.
3.1.5.2 Benodigde energie-infrastructuur en aanleg Individuele bodem-warmtepompen hebben een relatief lage piekvraag voor elektriciteit in vergelijking met individuele lucht-water-warmtepompen, maar desondanks is verzwaring van de elektriciteit-infrastructuur nodig om de totale vraag aan te kunnen. Deze elektriciteits-infrastructuur bestaat uit transformatorhuisjes en bekabeling in de grond. De totale ruimtevraag en benodigde installaties die noodzakelijk zijn voor de individuele bodem-warmtepomp zijn weergeven in de onderstaande tabel. Voor de verzwaring van de elektriciteitsinfrastructuur gaat het alleen om de extra verzwaring voor de benodigde netcapaciteit voor de warmtetransitie. De in de tabel weergegeven aantallen zijn van toepassing wanneer individuele lucht-water-warmtepomp over de gehele gemeente wordt uitgerold. Deze getallen worden in de beoordelingen gebruikt om het aantal installaties bij de verschillende onderdelen relatief ten opzichte van elkaar te kunnen wegen. Tabel 3.5 overzicht bronnen en installatieonderdelen individuele bodemwarmtepomp (Bron: Data-analyses voor de onderbouwing van de Nota Warmte en het Warmteprogramma, gemeente Utrecht) Alternatief
Installatie
Aantal
Ruimtegebruik per stuk
Alternatief 5 – Individuele bodemwarmtepomp
GBES (lus bovengronds)
> 100.000
1 m2
Transformatorhuisjes
245 extra
20 m2
Binnenshuis: warmtepomp, boiler, buffervat
Iedere woning
4 m2
Hoogspanningsstation (220/380 -> 110-150 kV)
1 extra
55.000 m2
Hoogspanningsstation (110-150 25-66 kV)
1 extra
5.000 m2
Middenspanningsstation kV --> 3 - 23 kV)
2,5 extra
2.000 m2
(25-66
45
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
3.1.5.3 Aansluiting woningen en gebouwen Alternatief 5 heeft een hoofdzakelijke ondergrondse ruimtebeslag bij woningen en gebouwen, gezien er per WEQ minimaal één ondergrondse bodemlus geplaatst moet worden. Aangezien er voor iedere WEQ minstens een bodemlus nodig is, is hoogbouw vaak ongeschikt om alternatief 5 op toe te passen. Woningen en gebouwen moeten minimaal isolatie schillabel B hebben en over een lage temperatuurafgiftesysteem beschikken (zoals vloerverwarming of en/of lage radiatoren) om efficiënt te kunnen verwarmen en koelen met de bodemwarmtepomp. Qua ruimtebeslag moet, naast de warmtepomp, rekening worden gehouden met een boiler voor de opwarming van tapwater en een buffervat van ca. 150 liter.
46
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
4.
Buurttypen De gemeente Utrecht presenteert in de beleidsnota warmte een voorkeursalternatief per buurt. Deze aanpak komt overeen met de Handreiking Warmtetransitie Lokale Warmte 13 van het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie. De buurtaanpak maakt maatwerk mogelijk, omdat elke buurt unieke kenmerken heeft zoals de leeftijd van gebouwen en de beschikbare infrastructuur. Dit zorgt ervoor dat oplossingen beter aansluiten bij de specifieke behoeften van de buurt. Het is daarom van belang om informatie over milieueffecten te onderzoeken op datzelfde buurtniveau. De gemeente Utrecht heeft 111 buurten. Het is niet haalbaar om al deze buurten ten opzichte van elkaar te vergelijken of per buurt alle vijf alternatieven af te wegen binnen dit planMER. Daarom is gewerkt met wijktypen. Alhoewel hier gesproken wordt over wijktypen gaat het in de literatuur om onderscheidende kenmerken op buurtniveau. Dit is toegelicht in paragraaf 4.1. In dit planMER wordt om verwarring te voorkomen niet gesproken over de bovengenoemde term wijktypen, zoals gebruikelijk in de literatuur, maar buurttypen. De keuze voor de term buurttype onderstreept dat de beoordeling van milieueffecten in dit planMER op hetzelfde abstractieniveau plaatsvindt als waarop de keuze voor een voorkeursalternatief wordt gemaakt in de beleidsnota Warmte.
In het vervolg van dit hoofdstuk worden onderscheidende kenmerken van buurttypen en de relatie met de potentiële milieueffecten die per alternatief kunnen optreden verder uitgewerkt. Bij de beoordeling van de milieueffecten in hoofdstuk 5 wordt steeds aan deze onderscheidende kenmerken gerefereerd.
4.1
Wat is een buurttype? Het concept wijktypologie is ontwikkeld door de Hogeschool van Amsterdam in een consortium met gemeenten en kennisinstellingen in het kader van onderzoeksprogramma Urban Technology. De wijktypologie is voor het eerst gebruikt in relatie tot kwetsbaarheid en milieueffecten door Laura Kleerekoper in haar onderzoek ‘Urban Climate Design: Improving thermal comfort in Dutch neighbourhoods’ in 2016. De methodiek wijktypologie is in 2023 uitgebreid en verstevigd door onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam (‘Computer leert wijktypen bepalen voor heel Nederland’), in kader van samenwerkingsinitiatief Klimaateffectatlas. In het onderzoek zijn de gemeenten Den Haag, Amsterdam, Utrecht, Deventer en gemeente Berkelland onderzocht op typerende kenmerken van wijken. Aan de hand van deze kenmerken zijn wijktypen gedefinieerd. Wijktypen zijn categorieën waarin buurten of wijken worden ingedeeld op basis van hun kenmerken en eigenschappen en worden hierna, zoals hierboven besproken, als buurttypen aangeduid. Deze bouwfysische kenmerken kunnen onder andere het bouwjaar van de woningen, opbouw van de straten en het type bebouwing (zoals rijtjeshuizen of appartementen) omvatten. In Nederland kunnen 14 verschillende buurttypen worden onderscheiden: Tabel 4.1 Overzicht buurttypen Overzicht 14 buurttypen 1.
Historische binnenstad
2.
Stedelijk bouwblok
3.
Tuindorp
4.
Volkswijk
5.
Vooroorlogse woonwijk
6.
Naoorlogse woonwijk
7.
Tuinstad laagbouw
8.
Tuinstad hoogbouw
9.
Hoogbouw
10.
Bloemkoolwijk
11.
Vinexwijk (Sub-urbane uitbreiding)
13
Handreiking Warmteprogramma 47
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht Overzicht 14 buurttypen 12.
Villawijk
13.
Vernieuwd
14.
Bedrijventerrein
Gebieden die niet onder deze categorieën vallen zijn geclassificeerd als groen of overig. In buurttypen die als Groen zijn aangeduid bestaat meer dan 70% van het oppervlak uit groen. Dit kan in steden gebeuren wanneer er bijvoorbeeld een park of stadsbos naast een stuk bebouwing samen worden gegroepeerd als buurt. Definitie van gebouwen in de strategie naar aardgasvrij In de buurttypologie zijn de bouwfysische kenmerken van gebouwen meegenomen in het classificeren van de buurttypen. Dit betreffen gebouwen die zowel worden gebruikt als woning en als niet-woning (utiliteitsgebouwen). In het MER is deze classificatie met name meegenomen in het buurttype ‘Bedrijventerrein’. In de Beleidsnota Warmte is dit nader uitgewerkt. 1. uwen te verduidelijken. Dit betreft woningen en niet-woningen (zoals utiliteitsgebouwen). In paragraaf het warmteprogramma te verduidelijken en te laten Kleerekoper (2016) 14 heeft deze kenmerken van de buurttypen gebruikt om de kwetsbaarheden door zien hoe niet-woningen zijn klimaatverandering per buurt in kaart te brengen. Aspecten zoals bijvoorbeeld de gevoeligheid van een buurttype voor hittestress kunnen ook informatie geven over potentiële milieueffecten die kunnen optreden bij de keuze voor één van de alternatieven naar aardgasvrij.
In hoofdstuk 5 zijn de potentiële milieueffecten en het risico daarom beschreven per thema en waar mogelijk gekoppeld aan de onderscheidende kenmerken per buurttype. Binnen de gemeente Utrecht zijn alle buurten gecategoriseerd naar een buurttype uit tabel 4.1. Alle buurttypen, behalve de Vooroorlogse woonwijk, Stedelijk bouwblok en Villawijk zijn terug te zien binnen de gemeente. Naast de 14 buurttypen heeft de typologie ook gebieden als Groen geclassificeerd in Utrecht. In figuur 4.1 is de geografische spreiding van de buurttypen over Utrecht weergegeven. De classificatie is gedaan door het samenwerkingsinitiatief Klimaateffectatlas met gebruik van kunstmatige intelligentie.
14 ‘
C
D
:I
D
’ (2016) 48
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
Figuur 4.1 Buurttypen in de gemeente Utrecht inclusief groen
Deze classificatie selecteert aan de hand van de kenmerken naar het meest overeenkomende buurttype. De buurttypen Vernieuwd en Groen zijn meerduidig van karakter: het zijn als ware buurten waarin diverse buurttypen voorkomen. Het buurttype Vernieuwd is een mengsel van oudere buurttype waar er naast de bestaande woningen inbreiding heeft plaats gevonden. Inbreiding is een stedelijke ontwikkelingsstrategie waarbij nieuwe woningen, voorzieningen of andere functies worden toegevoegd binnen het bestaande stedelijke gebied. Deze inbreiding zorgt er voor dat dit buurttype geen eenduidig onderscheidende kenmerken heeft ten opzichte van de andere buurttypen. Voor dit buurttype kunnen daarom geen milieueffecten op buurtniveau bepaald worden. Het buurttype Groen duidt buurten met veel groen aan, dit betekent echter niet dat hier geen woningen of gebouwen zijn. Deze meerduidigheid maakt dat deze buurttypen niet individueel beoordeeld kunnen worden per thema (er zijn voor deze buurten geen onderscheidende kenmerken), daarom is ervoor gekozen om deze buurten her in te delen. In de classificatie wordt altijd een rankschikking aangegeven: een buurt komt het meeste (uitgedrukt in een percentage) overeen met één specifiek buurttype en voor een kleiner percentage met andere buurttypen.
Voor de buurttypen Vernieuwd of Groen is er voor gekozen om het tweede meest overeenkomende buurttype te selecteren. Dit proces wordt toegelicht in bijlage 3. Dit leidt tot het volgende overzicht van buurttypen in Utrecht:
49
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
Figuur 4.2 Buurttypen in gemeente Utrecht aangepast
De volgende paragraaf geeft een korte beschrijving van de in Utrecht aanwezige buurttypen, waarbij voor iedere buurt enkele unieke kenmerken zijn toegelicht.
4.2
Beschrijving van de buurttypen in de gemeente Utrecht 1. H In de meeste Nederlandse steden bevindt het centrum zich in de historische binnenstad, die het begin vormde van de steden die wij vandaag kennen. Dit is daarmee ook de oudste buurt in veel steden, vaak grotendeels gebouwd voor 1910. Bebouwing bestaat uit gesloten bouwblokken van drie tot vijf verdiepingen waarin verschillende functies samen komen. Een gesloten bouwblok is een structuur van aaneengeschakelde gebouwen dat gesloten is of een besloten binnen gebied heeft. 15 Binnensteden staan vaak bekend om hun drukte, doordat hier wonen, winkelen, bedrijven en recreatie samenkomen. De straten zijn vaak smal en voor het grootste deel verhard met klinkers met enkele, soms monumentale, soorten groen. Dit groen kan ook in de vorm van losse bomen zijn, die door de binnenstad heen staan.
15
Rapport PBL: Krachtwijken met karakter verdieping 50
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
Figuur 4.3 Historische binnenstad Utrecht
De historische binnenstad van Utrecht heeft een geschiedenis van ruim 2.000 jaar, iets wat op veel plekken nog te zien is door architectuur uit verschillende tijdsperioden. Rondom de historische grachten en rondom de oude pleinen staan panden waarin de verschillende functies van de buurt samen komen: wonen, werken, winkels, horeca, musea en meer. Meer over de cultuurhistorische en archeologische elementen in de historische binnen stad is te lezen in paragraaf 5.8.16 2. T Tuindorpen bestaan uit eengezinswoningen in jaren 30-stijl, tot stand gekomen tussen 1910 en 1940. Woningen zijn twee tot drie verdiepingen hoog en hebben ruime voor- en achtertuinen. Straten zijn ruim (15 tot 20 meter breed) en er is veel groen. Langs de brede straten zijn ruime parkeerplaatsen, vaak aan beide zijden van de straat. Het niveau van groen verschilt per tuin, dit is afhankelijk van de inwoners.
Figuur 4.4 ©Het Utrechts Archief
3. V w Volkswijken bestaan uit gesloten bouwblokken met eengezinswoningen van twee tot drie verdiepingen hoog, verbonden door middel brede straten. Volkswijken hebben korte straten en kleine tuinen. Vaak ontbreken 16
https://omgevingsvisie.utrecht.nl/beschrijving-van-wijk-binnenstad 51
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
voortuinen en zijn de achtertuinen ondiep in vergelijking met de andere buurten. Er is weinig gemeentelijk groen, maar er is veel ruimte voor de auto door parkeerplekken aan beide zijden van de straat. Verder is er in de openbare ruimte veel verharding.
Figuur 4.5 ©Het Utrechts Archief
4. N w w Naoorlogse woonwijken bestaan uit eengezinswoningen van twee tot drie verdiepingen hoog die gebouwd zijn sinds 1945. De straten in dit type buurten zijn relatief breed, met veel verharding voor parkeerruimte langs de wegen. De meeste woningen zijn rijtjeswoningen of twee-onder-een-kapwoningen met voor- en achtertuin. In de openbare ruimte is er weinig ruimte voor groen, hiervoor is tijdens de aanleg van deze buurten weinig ruimte voor gecreëerd.
Figuur 4.6 ©Het Utrechts Archief
5. Tuinstad laagbouw Tuinstad laagbouw bestaat uit open bouwblokken van eengezinswoningen met twee tot drie verdiepingen. Open bouwblokken zijn een structuur van gebouwen waarbij er geen besloten binnenruimte is, maar min of meer vrije ruimte rondom het bouwblok.17 Deze woningen hebben vaak een eigen tuin en daarnaast is er half-openbaar groen in de woonblokken. Ook langs de brede straten tussen de bouwblokken is ruimte voor groen, in de vorm van een rij met bomen of een groenstrook. Tuinstad laagbouw is tussen 1945 en 1960 gerealiseerd en heeft vooral een woonfunctie.
17
Rapport PBL: Krachtwijken met karakter verdieping 52
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
Figuur 4.7 ©Het Utrechts Archief
6. T w Tuinstad hoogbouw bestaat uit open bouwblokken van vier tot tien verdiepingen met veel open ruimte tussen de blokken. In deze buurten is geprobeerd om in een beperkte ruimte veel woningen te creëren met een focus op luchtigheid, licht en ruimte in binnen- en buitenruimtes. Dit is bijvoorbeeld vertaald in een ruime opzet tussen de gebouwen. Dit gebeurde tussen 1950 en 1965. Woningen hebben geen eigen tuinen en binnenplaatsen zijn soms verhard om voldoende parkeerruimte te creëren. Straten zijn breed en overal is het een middelverharde buurt.
Figuur 4.8 ©Het Utrechts Archief
7. H w Hoogbouw buurten bestaan uit vrije bouwblokken van minimaal zes verdiepingen hoog. Deze gebouwen hebben een brede mix van functionaliteiten: werken, wonen en recreatie komen er samen. Tussen de gebouwen zijn middelbrede geasfalteerde straten en parkeerruimte is veelal ondergronds te vinden. Langs de straten is minimaal ruimte voor groen, indien aanwezig betreffen het voornamelijk bomen.
53
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
Figuur 4.9 ©Het Utrechts Archief
8. w Bloemkoolwijken zijn gebouwd tussen 1970 en 1990, en bestaan uit eengezinswoningen in strokenbouw of open bouwblokken. Strokenbouw zijn rijen van gebouwen ten opzichte van een straat of dijk. 18 Het wegnetwerk van bloemkoolwijken is een unieke karakteristiek. Het wordt gekenmerkt door veel bochten en lussen, waar andere buurten meer kruisingen en rechte straten hebben. Ook is de grote hoeveelheid van groen direct aan woonerven uniek, woningen hebben een voor- en achtertuin. Bij de aanleg van bloemkoolwijken is bewust met groen omgegaan als middel voor woonkwaliteit. Hier tegenover staat dat er weinig rekening gehouden is met de auto. Bloemkoolwijken liggen vaak wat verder weg van centrumvoorzieningen, waardoor menig inwoners een of twee auto’s heeft. Als gevolg is er een hoge parkeerdruk in de meeste bloemkoolwijken. De hoofdfunctie van bloemkoolwijken is wonen.
Figuur 4.10 ©Het Utrechts Archief
9. V x w Vinex wijken, gebouwd tussen 1990 en 2010, bestaan uit een mix van eengezinswoningen en appartementen. Bebouwing is in verschillende vormen gerealiseerd: vrijstaand, twee-onder-een-kap of in strokenbouw. Tussen de woningen zijn brede straten met aan de zijde ruimte voor het parkeren van auto’s. Woningen hebben vaak een voor- en ruime achtertuin. In zowel de openbare ruimte als in privé tuinen is er relatief veel verharding.
18
Rapport PBL: Krachtwijken met karakter verdieping 54
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
Figuur 4.11 ©D.C. Goosen, via het Utrechts Archief
10. Bedrijventerreinen liggen vaak aan de rand van steden of dorpen en hebben als functie de huisvestiging van bedrijven. De ligging is meestal op logistieke aantrekkelijke punten, bijvoorbeeld langs snelwegen of waterwegen. Op bedrijventerreinen is er vaak weinig ruimte voor groen gereserveerd en is er veel verharding.
Figuur 4.12 ©Het Utrechts Archief
4.3
Kenmerken buurttype in Utrecht De verschillende buurttypen worden onderscheiden aan de hand van ruimtelijke en bouwfysische kenmerken. De kenmerken vormen de basis van de buurttypologie en zijn gedefinieerd en verfijnd door de onderzoekers van de HvA.19 In dit planMER zijn deze onderscheidende kenmerken gebruikt om de algemene beoordelingen voor de potentiële milieueffecten per alternatief te nuanceren naar buurttype. Naast de al door de HvA onderscheiden kenmerken zijn, met behulp van GIS analyses, enkele nieuwe onderscheidende kenmerken voor buurttypen toegevoegd. In bijlage 4 zijn deze GIS analyses beschreven. De onderscheidende kenmerken en hoe deze verschillen over de in Utrecht aanwezige buurttypen zijn uitgewerkt in tabel 4.1. De groen gearceerde kenmerken die volgen uit de buurttypologie, te vinden op de Klimaateffectatlas.nl en het onderzoek van Kleerekoper (2016). 20 De extra toegevoegde kenmerken voor dit
19
Kluck, J., Kleerekoper, L. A., Erwin, S., Corpel, L., Bons, P., Arif, Z., Geisler, L., Veenbos, K., & Koekoek, A. (2023). Computer leert wijktypen bepalen voor heel Nederland: een studie naar het inzetten van kunstmatige intelligentie voor het bepalen van wijktypen. Climate Adaptation Services. 20 HvA studie: C w N , 2023 55
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
planMER zijn blauw gemarkeerd. De analyse om tot de toegevoegde onderscheidende kenmerken te komen wordt hieronder kort beschreven en is in bijlage 4 verder uitgewerkt. De onderscheidende kenmerken zijn te verdelen in een aantal subcategorieën: straatbeeld, oppervlakte verdeling in een buurt, gevoeligheid van een buurt voor hittestress, en overig. Hieronder wordt voor elk onderscheidend kenmerk uitgewerkt bij welke aspecten (en de beoordeling daarvan) dit kenmerk van belang is. Wanneer een onderscheidend kenmerk in hoofdstuk 5 gebruikt wordt om de algemene beoordelingen naar buurttype te nuanceren, wordt het kenmerk win de tekst extra benadrukt door deze in cursieve blauwe tekst te vermelden.
Straatbeeld Het straatbeeld van een buurt refereert naar de kenmerken die samen een karakteristiek uiterlijk aan de buurt geven. w Het bouwjaar van een woning of buurt kan de bouwtendens van een periode weerspiegelen en illustreert wat er in de bouwperiode voor woningbehoeftes waren. Per postcode is het percentage van de bebouwing bekeken per interval van 5 jaar. Bouwjaar is een onderscheidend kenmerk voor de thema’s archeologie en cultuurhistorie. W Per postcode is het percentage van bebouwing bekend voor de categorieën ‘appartement’, ‘rijtjeshuis’, ‘2-onder1-kap’ en ‘vrijstaand’. Uiteindelijk is er besloten om de hoekwoning en tussenwoning samen te voegen tot rijtjeswoning. Dit is aangevuld met de bouwvorm van deze woningen: in blokken, vrijstaand of lintbebouwing bijvoorbeeld. In paragraaf 4.1.2. zijn de bouwvormen kort toegelicht wanneer relevant. Aan de hand van het kenmerk woningtype is het mogelijk om in te schatten hoe de verschillende alternatieven er in Utrecht uit kunnen zien, bijvoorbeeld in buurten met veel vrijstaande woningen zijn andere mogelijkheden vergeleken met buurten die bestaan uit appartementencomplexen. Dit kenmerk is draagt bij aan de analyse van het kenmerk grondgebonden woningen en is een belangrijke pijler in het onderscheid van buurttypen. W Eq (WEQ ) Een woning equivalent (WEQ) is een eenheid van warmtevraag voor een woning.
Een WEQ staat gelijk aan 27 tot 30 gigajoule per jaar (GJ/a), hierbij wordt ervan uitgegaan dat dit één woning representeert qua warmtevraag. In realiteit is WEQ een gemiddelde en varieert de exacte warmtevraag, bijvoorbeeld door verschil in isolatieniveau of grootte van een woning. Om de verschillen in warmtevraag per buurt in kaart te brengen is het kenmerk WEQ berekend, dit is gedaan per hectare. Het aantal WEQs per hectare is een onderscheidend kenmerk voor de thema’s grondwater, verkeershinder en circulariteit. H w De bouwhoogte van gebouwen zegt veel over de buurttypen, zo zijn de woonlagen in een volkswijk lager dan bijvoorbeeld in een tuindorp hoogbouw. Per postcode is het percentage van de bebouwing bekend per interval van 1 meter. De hoogste categorie is ‘> 30m’. Uit deze dataset is de meest voorkomende waarde per buurttype gekozen. Dit is naar verdiepingen vertaald. Dit kenmerk is een belangrijke pijler in het onderscheiden van buurttypen. 21 S Straatbreedte refereert naar hoe breed een straat is. Het kenmerk breedte van straten is geformuleerd op basis van onderzoek door Kleerekoper (2016) en later uitgewerkt in het kader van vervolg onderzoeken. De breedte van straten is een onderscheidend kenmerk voor de thema’s cumulatieve geluidshinder, ondergronds ruimtegebruik, drinkwater en verkeershinder.
21
Het buurttype bloemkoolwijk wordt in het onderzoek van HvA aangeduid als een buurttype met smalle straten. In Utrecht is de wijk Lunetten aangeduid als bloemkoolwijk. Belangrijk om te vermelden is dat dit voor Lunetten gebaseerd is op de vorm van de wijk en dat in de praktijk de straatbreedte niet als smal kan worden aangeduid. Voor Lunetten zullen de uiteindelijke beoordelingen op buurttype niveau niet voor cumulatieve geluidshinder, ondergronds ruimtegebruik, drinkwater en verkeershinder worden gecorrigeerd. 56
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
F w : w De fijnmazigheid van het wegennet refereert naar de hoeveelheid straat en de graad van vertakking van dit wegennet in een buurt. Om de fijnmazigheid per buurt in kaart te brengen is gekeken naar de meters straat per hectare. De fijnmazigheid van het wegennet, in meters weg per hectare, is een onderscheidend kenmerk voor de thema’s cumulatieve geluidshinder, luchtkwaliteit, bodemkwaliteit en verkeershinder. G w Een grondgebonden woning is een woning die direct toegankelijk is vanaf het straatniveau, vaak ter hoogte van het maaiveld en met een tuin. Het kenmerk grondgebonden woningen is geformuleerd op basis van onderzoek door Kleerekoper (2016) en later uitgewerkt in kader van vervolg onderzoeken. Dit is in de tabel groen gearceerd. Het kenmerk grondgebonden woningen is een onderscheidend kenmerk voor het thema natuur.
Oppervlakte in de wijk De subcategorie oppervlakte in een wijk refereert naar de (percentuele) verdeling van grond in een buurt. Openbare ruimte Openbare ruimte is ruimte die voor iedereen toegankelijk is, in dit geval specifiek in de buitenlucht. Voor dit kenmerk is gekeken naar het percentage openbare ruimte per buurttype. Het kenmerk openbare ruimte is een onderscheidend kenmerk voor de thema’s cumulatieve geluidshinder, elektromagnetische velden en bovengrondse ruimtekwaliteit.
G Sommige buurten zijn van nature groener dan andere en daarom van belang voor een betere buurttype-bepaling. Voor iedere postcode is het totale percentage groen berekend en de percentages in de categorieën ‘gras’, ‘heesters’ en ‘bomen’. V De verdeling van verhard en onverhard is meegenomen in de buurttype dataset omdat in een historische binnenstad vaak meer verharding op buurt- of straatniveau is dan bijvoorbeeld in een tuinstad of villawijk. Voor iedere postcode is het gemiddelde percentage verharding toegevoegd. Verharding openbare ruimte wordt indirect gebruikt voor het kenmerk hittestress gevoeligheid. Percentage klinkerbestrating Klinkerbestrating zijn rechthoekige of vierkante stenen van gebakken klei of beton. Het percentage klinkerbestrating per buurttype is geanalyseerd op basis van materialen van het wegennetwerk in Utrecht, minus wegen van andere materialen als klinkers. Het percentage klinkerbestrating is een onderscheidend kenmerk voor het thema trillingen. Gevoeligheid van de wijk voor hittestress Op basis van de sensitiviteit van wijken voor hittestress is duidelijk hoe klimaatbestendig buurten zijn. Dit is relevant voor enkele effecten die autonome klimaatontwikkelingen versterken of verminderen. H De inschatting voor alle buurttypen hoe gevoelig ze zijn voor hitte is gedaan op basis van onderzoek door Deltares en HvA.
Een aantal andere kenmerken dragen bij aan de analyse voor hittestress gevoeligheid per buurt. Dit zijn onder andere ventilatie en bouwhoogte. Het kenmerk hittestress gevoeligheid is een onderscheidend kenmerk voor de thema’s luchtkwaliteit en hittestress. V Ventilatie is het verversen van lucht door de afvoer van verontreinigde lucht en toevoer van schone lucht. Het doorlaten van wind in steden, de verversing van lucht dat plaatsvind, heeft een direct invloed op de gevoelstemperatuur. Het kenmerk ventilatie is geformuleerd op basis van onderzoek door Kleerekoper (2016) en later uitgewerkt in het kader van vervolg onderzoeken. Hoewel dit kenmerk niet direct wordt gebruikt als onderscheidend tussen de buurttypen, is het relevant voor kenmerken als hittestress gevoeligheid. 57
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
Overig F w Het percentage van panden die de functie 'wonen' hebben per buurt- of straatniveau wordt berekend om de typologie bedrijventerrein van de overige typologieën te onderscheiden. Daarnaast geeft de indeling van functies, anders dan wonen, ook inzicht in het bepalen van historische binnensteden. In de historische binnenstad zijn panden vaak opgedeeld in functies zoals winkels en wonen. De functie van de wijk (oftewel buurt) geeft een indicatie van hoe buurten gebruikt worden en wat voor bewegingen en handelingen er plaatsvinden. Hiermee draagt het kenmerk bij aan het algemene beeld en onderlinge onderscheid van buurttypen.
58
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
Tabel 4.2 Wijktypen karakteristieken Wijktypen tabel standaard Straatbeeld
Oppervlakte in buurt
Gevoeligheid buurt
Overig
Bouwjaar
Woningtype
Woning equivalenten (WEQs) per hectare
Hoogte gebouwen
Breedte van straten
Fijnmazigheid wegennet
Grondgebonden woningen
Groen
Openbare ruimte
Verharding openbare ruimte
Percentage klinkers bestrating
Hittegevoeligheid
Ventilatie
Functie van wijk
Historische binnenstad
voor 1910
Gesloten bouwblok, combinatie van woningen en gebouwen
H
3 tot 5
S
H
M
16%
L
H
H
H
L
Woonfunctie, werkfunctie, recreatieve functie
Tuindorp
1910-19 0
Gesloten bouwblok, eengezinswoning
M
2 tot 3
B
H
H
33%
L
H
L
H
M
Woonfunctie
Volkswijk
1910-19 0
Eengezinswoningen, gesloten bouwblok
M
2 tot 3
M
H
H
15%
L
H
H
H
ZL
Woonfunctie
Naoorlogse woonwijk
na 19 5
Gesloten bouwblok, eengezinswoning: 2 onder 1 kap of vrijstaand
2 tot 3
B
L
H
33%
H
M
M
M
Woonfunctie
Tuinstad laagbouw
19 5-1960
eengezinswoningen
M
2 tot 3
B
M
H
39%
H
M
M
M
ZH
Woonfunctie
Tuinstad hoogbouw
1950-1965
Open bouwblok, appartementen
M
tot 10
B
M
L
35%
H
M
L
M
ZH
Woonfunctie
Toelichting afkortingen: • H = hoog • M = midden • L = laag • S = smal • B = breed • ZH = zeer hoog • ZL = zeer laag
59
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
Tabel 4.3 (vervolg) Wijktypen karakteristieken Wijktypen tabel standaard Straatbeeld
Oppervlakte in buurt
Gevoeligheid buurt
Overig
Bouwjaar
Woningtype
Woning equivalenten (WEQs) per hectare
Hoogte gebouwen
Breedte van straten
Fijnmazigheid wegennet
Grondgebonden woningen
Groen
Openbare ruimte
Verharding openbare ruimte
Percentage klinkers bestrating
Hittegevoeligheid
Ventilatie
Functie van wijk
Hoogbouw
na 1960
Verspreide bebouwing, appartementen
M
6 tot 20
M
L
L
11%
H
H
L
L
H
Woonfunctie, werkfunctie
Bloemkoolwijk
1970-1990
Eengezinswoningen, strokenbouw en open bouwblok
L
3 tot 5
S
H
H
36%
H
M
M
M
L
Woonfunctie
Vinexwijk
1990-2010
Eengezinswoningen: rijtjeshuizen, 2 onder 1 kap, appartementen, vrijstaand
L
3 tot 10
B
M
H
1%
M
H
M
M
M
Woonfunctie
Bedrijventerrein
van alle tijden
Verspreide bebouwing, dichte blokkendozen in vrije ruimte
L
2 tot 3
B
L
n.v.t.
9-35%
M
H
L
L
H
Werkfunctie
Toelichting afkortingen: • H = hoog • M = midden • L = laag • S = smal • B = breed • ZH = zeer hoog • ZL = zeer laag
60
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
5.
Milieueffecten In hoofdstuk 3 zijn de diverse alternatieven naar aardgasvrij die de gemeente Utrecht onderzoekt uitgebreid beschreven. Voor deze alternatieven is in beeld gebracht welke milieueffecten optreden tijdens de aanleg- en gebruiksfase voor de verschillende thema’s. In dit hoofdstuk is allereerst per thema de referentiesituatie beschreven, daarna zijn de algemene milieueffecten beschreven, vervolgens zijn deze gekoppeld aan een specifiek buurttype en daarna (indien relevant) de locatiespecifieke effecten voor Utrecht.
5.1
Geluid en trillingen Onderstaande paragraaf beschrijft de effecten met betrekking tot het thema geluid en trillingen. Hierbij zijn de cumulatieve geluidshinder, mate van trillingen en elektromagnetische velden maatgevend. Tabel 5.1 Beoordelingskader geluid
5.1.1
Thema
Aspect
Indicator
Geluid en trillingen
Cumulatieve geluidshinder
Toename geluidsbelasting
Trillingen
Hinder of schade door trillingen bij de aanleg
Laagfrequent geluid en elektromagnetische velden
Toename hinder door laagfrequent geluid en elektromagnetische velden
Beleidskader Tabel 5.2 Beleidskader geluid Kader
Omgevingswet geluid (2024)
Besluit bouwwerken leefomgeving (2025) Voorzorgbeleid voor magneetvelden bij elektriciteitsvoorzie ningen (2023)
Actieplan Geluid 2024 – 2029 (2024)
Beleidsnota geluid en trillingen (2023)
Belangrijkste randvoorwaarde / uitgangspunt Nationaal beleid ▪ Spoorweglawaai: onder de Omgevingswet stelt de gemeente in het omgevingsplan gebiedsgerichte normen op geluidsgevoelige objecten zoals woningen vast. De waarden uit de wet geluidhinder zijn hierbij kaderstellend. ▪ Wegverkeerslawaai: voor wegverkeer geldt ook dat de gemeente onder de Omgevingswet in het omgevingsplan normen op geluidgevoelige objecten vaststelt, waarbij normen uit de wet geluidhinder de basis vormen. ▪ Windturbinelawaai: Onder de Omgevingswet zal nog enige tijd gebruik moeten worden gemaakt van de tijdelijke regelgeving voor windturbines totdat het Besluit Windturbines in 2025 in werking treedt. Een windturbine of een combinatie van windturbines dient ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder te voldoen aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige objecten. ▪ Industrielawaai: De gemeente regelt in het omgevingsplan dat het geluid door activiteiten op het industrieterrein niet hoger is dan het geluidproductieplafond. Voor trillingen als gevolg van bouw- en sloopwerkzaamheden staan in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) regels voor het verrichten van de bouw- en sloopwerkzaamheden in de dagperiode. De regels gaan onder meer over het beperken van trillinghinder.
Deze regels hebben als doel om de veiligheid in de directe omgeving bij het bouwen en slopen te waarborgen en de gezondheid te beschermen. Het voorzorgbeleid magneetvelden is er op gericht om, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te voorkomen dat burgers (volwassen en kinderen) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden, die afkomstig zijn van de elektriciteits-infrastructuur. Gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek geeft het beleidsadvies richtafstanden voor hoogspanningslijnen bij woongebieden en bronmaatregelen voor nieuwe elektriciteits-infrastructuur. Met deze maatregelen wordt gestreefd naar een maximale veldsterkte van 0,4 microtesla gemiddeld over een jaar, in gebieden waar kinderen langdurig verblijven. Provinciaal beleid Het actieplan geluid geeft beleid voor de ambitie om onder andere de volgende doelen te realiseren: 2030: we streven ernaar dat de gezondheidsrisico’s als gevolg van geluidsbelasting minimaal zijn, waarbij we voor nieuwbouw streven naar het voldoen aan de WHO-advieswaarden voor geluid. 2040: voor bestaande woningen streven we naar het niet verder toenemen van de geluidhinder; een geluidsbelasting van maximaal 60 dB is, gegeven de huidige infrastructuur, acceptabel. Gemeentelijk beleid Geluid:
61
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht Er geldt een Utrechtse-grenswaarde, in plaats van de landelijke grenswaarde van 70 dB, voor het gemeentelijk wegverkeer bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige functies, te weten: o 63 dB in de uitleggebieden zoals Leidsche Rijn en Vleuterweide; o 68 dB voor de rest van de stad;
•
Voor de overige geluidbronnen (rail, industrie, rijks- en provinciale wegen) gelden de (landelijke) grenswaarden;
•
Niet geluidgevoelige gevels (zowel “dove gevels” als gevels met bouwkundige voorzieningen) zijn voor woningen toepasbaar vanaf de (Utrechtse) grenswaarde mits:
•
Het woningen betreft waarbij elke verblijfsruimte waarbij dit wordt toegepast (ook) een te openen deel heeft in een gevel onder de (Utrechtse) grenswaarde én;
•
Wordt voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in paragraaf 1.4, waaronder onder andere: o Tenminste 50% van de verblijfsruimten of het verblijfsoppervlak van de woning aan de luwe zijde liggen; o Tenminste één buitenruimte van de woning aan een gevel ligt waar het geluid niet meer is dan 5 dB boven de standaardwaarde.
•
Niet geluidgevoelige gevels zijn voor andere geluidsgevoelige functies dan woningen ook toepasbaar, uitgezonderd voor woonboten en woonwagens.
Trillingen: Het Utrechtse beleid is een voortzetting van de bestaande praktijk. Daaruit is gebleken dat het goed mogelijk is om aan deze voorwaarden te voldoen zodat trillingsoverlast voldoende kan worden voorkomen. De eisen bij nieuwbouwplannen zijn: • de SBR-streefwaarde van Vper voor ‘nieuwe situaties’ wordt niet overschreden; • de Vmax kan hoger zijn dan de streefwaarde voor ‘nieuwe situaties’ als met onderzoek is aangetoond dat dit niet te vermijden is;
• de soepelere richtwaarde van Vmax voor ‘bestaande situaties’ mag niet worden overschreden. Bij de bouw van woningen, onderwijs- of gezondheidszorggebouwen bij een weg zijn trillingen alleen relevant in de nabijheid van verkeersdrempels of andere trillingsopwekkende constructies. In die gevallen kan een trillingsonderzoek nodig zijn om te beoordelen of aan de beleidsmatige grenswaarden kan worden voldaan.
5.1.2
Referentiesituatie geluid, trillingen en laagfrequent geluid en elektromagnetische velden De groei van het aantal woningen in de gemeente Utrecht betekent dat het aantal geluidsgevoelige bestemmingen, en daarmee de mogelijke geluidshinder, toeneemt. Ook ontstaat door de groei van het aantal inwoners een toename in mobiliteit, en daarmee verkeersgeluid. In figuur 5.1 is de geluidsbelasting (Lden, 2021) voor wegen weergeven en Figuur 5.2 geeft de geluidsbelasting voor spoorwegen (Lden, 2021). De figuren tonen dat de geluidsbelasting rondom drukke verkeersaders en spoorwegen hoog is.
62
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
Figuur 5.1 Geluidsbelasting (Lden) wegverkeer
Figuur 5.2 Geluidsbelasting (Lden) treinverkeer
63
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
Bij specifieke vormen van industrie, zwaar vrachtverkeer en treinverkeer treedt in de referentiesituatie al trillinghinder optreden. Trillinghinder door verkeer is sterk afhankelijk van de staat van het wegdek. Ook kan bij constructiewerkzaamheden trillinghinder optreden bij het heien of door de aan- en afvoer van bouwmaterialen. Elektromagnetische straling is overal aanwezig. Eén van de bronnen van elektromagnetische straling zijn hoogspanningslijnen. De Nederlandse wet stelt geen directe grens aan magneetvelden. De Europese Unie beveelt een blootstellingslimiet aan van 100 microtesla. In de praktijk blijft het magneetveld van transformatorhuisjes en elektriciteitskabels die in Nederland ver onder deze blootstellingslimiet. De maximale veldsterkte voor een transformatorhuisje is maximaal 1,5 tot 40 microtesla, gemeten op de buitenmuur. De afstand waarbij het magneetveld zwakker is dan 0,4 microtesla is 1,5 tot 4 meter.
5.1.3
Effectbeschrijving cumulatieve geluidshinder Wanneer trillingen in de lucht optreden wordt door mensen waargenomen als geluid. De sterkte van geluid wordt uitgedrukt in decibel (dB) en de toonhoogte van het geluid wordt in Herz (Hz) uitgedrukt. De meeste mensen kunnen geluid waarnemen met een frequentie tussen de 20 en 20.000 Hertz (Hz). Hoe hoger de frequentie hoe hoger de toonhoogte. Om te berekenen of mensen mogelijk overlast kunnen ervaren van bepaalde geluidsbronnen wordt vaak gerekend met Lden (Level day-evening-night). Dit is de maat voor gemiddelde geluidsbelasting in decibel per etmaal, waarbij geluid in de avond en nacht zwaarder meegerekend wordt. Dit wordt gedaan omdat tijdens deze tijden mensen sneller overlast ervaren van harde geluiden. Gedurende de aanleg van onderdelen van een van de alternatieven en tijdens de gebruiksfase komt geluid vrij. Dit geluid kan tot geluidshinder leiden. Dit vrijkomen van geluid wordt ook emissie van geluid genoemd. C Wanneer er meerdere geluidsbronnen zijn neemt het cumulatieve geluidsniveau op een logaritmische schaal toe. Dit betekent dit dat het plaatsen van meerdere geluidsbronnen in elkaars nabijheid mogelijk minder geluidsoverlast creëert dan de som van het optellen van het aantal losstaande geluidsbronnen verwacht kan worden.
Ook betekent dit dat de toevoeging van een geluidsbron in een luide omgeving minder invloed op de totale geluidservaring zal hebben, dan een geluidsbron in een oorspronkelijk stillere omgeving. Het cumulatief geluidsbelastingniveau is het totale geluidsniveau dat wordt gemeten door de geluidsniveaus van verschillende bronnen en gebeurtenissen over een bepaalde periode samen te voegen. Dit wordt uitgedrukt in decibel (dB) en houdt rekening met de bijdrage van alle afzonderlijke geluidsbronnen. S Naast dat het cumulatief geluidsniveau afvlakt wanneer er meerdere geluidsbronnen in elkaars nabijheid geluid uitstoten, speelt de subjectieve geluidservaring ook een rol. De subjectieve geluidservaring verwijst naar hoe een individu geluid waarneemt en ervaart, wat sterk kan variëren door persoonlijke gevoeligheid, context, emotionele toestand en verwachtingen. In een drukke buurt centraal in de stad zal het geluid van bijvoorbeeld de buitenunit van een lucht-water-warmtepomp een minder grote toename van het cumulatieve geluidsbelastingniveau opleveren. Daarnaast zullen de bewoners van deze drukke buurt door de bestaande geluidsbronnen, zoals verkeer, de toevoeging van de extra geluidsbron als minder overlast gevend ervaren.
Bij de bewoners van een rustige buitenwijk kan dezelfde warmtepomp juist sneller voor persoonlijke ergernissen of overlast zorgen omdat de subjectieve geluidsbeleving verschilt. De geluidsbelasting rondom drukke verkeersaders en spoorwegen is al hoog, zoals in figuren 5.1 en 5.2 weergegeven. Voor bewoners in oranje tot donker rode zones zal de subjectieve geluidservaring anders zijn dan die van bewoners in een zijstraat waarbij het geluidsniveau in de referentiesituatie minder is. Er is nog weinig onderzoek gedaan naar de subjectieve geluidsbeleving, waardoor dit niet meegenomen kan worden in de effectbeoordelingen. T Een andere vorm van geluid dat voor overlast kan zorgen is tonaal geluid. Tonaal geluid is een constante zelfde toon. Tonaal geluid is van belang omdat het vaak meer opvalt en als storender wordt ervaren dan niet-tonaal geluid. Dit komt doordat het menselijk oor gevoeliger is voor regelmatige patronen en frequenties.
64
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
De meeste geluidsbronnen zullen tonen creëren die verspreid zijn over het frequentie spectrum. Tonaal geluid is vaak een erg specifieke frequentie. Dit valt op en kan als storend ervaren worden. Systeemonderdelen uit de alternatieven, zoals transformatorhuisje, warmteoverdrachtstations en warmtebuffers kunnen tonaal geluid produceren. Bij transformatorhuisjes veroorzaakt de transformator vaak een tonaal geluid in de vorm van een hoorbare bromtoon, meestal rond de frequentie van 50 of 60 Hz, afhankelijk van de netfrequentie. Warmteoverdrachtstations en warmtebuffers bevatten vaak apparatuur zoals pompen, ventilatoren en warmtewisselaars. Als deze onderdelen een constante frequentie hebben, kan dit resulteren in tonaal geluid. Dit tonaal geluid kan vooral merkbaar zijn in stille omgevingen of 's nachts. Om geluidsoverlast te minimaliseren, kunnen maatregelen zoals geluidsisolatie, onderhoud van apparatuur en optimalisatie van de installatie worden genomen. L q Laagfrequent geluid (LFG) is geluid met een frequentie tussen de 20 en 125 Hz. De meeste mensen kunnen geluid tussen de 20 en 20.000 Hz horen. LFG dempt minder uit op grotere afstanden dan hogere tonen. Dit betekent dat LFG van een geluidsbron verder weg hoorbaar is in vergelijking tot de hoge tonen die dezelfde geluidsbron kan produceren.
Daarnaast is LFG ook moeilijker om tegen te houden door middel van geluidsbescherming zoals isolatiemateriaal en geluidschermen. LFG wordt voornamelijk ervaren als een licht brommend geluid. Of dit storend is of überhaupt waargenomen wordt is per persoon verschillend. Verschillende factoren spelen hier in mee zoals de gevoeligheid van een persoon zijn gehoor, de mentale toestand van deze persoon (oververmoeidheid, stress etc.) of hoeveel cumulatief geluid in de omgeving aanwezig is. Het kan dus goed dat twee personen die in hetzelfde huis wonen niet in dezelfde mate de aanwezigheid van LFG ervaren. LFG kan veroorzaakt worden door veel verschillende bronnen. Een aantal voorbeelden hiervan die relevant zijn voor de verschillende alternatieven voor het warmtenet zijn transformatorhuisjes, zwaar verkeer en werktuigen.
5.1.3.1 Alternatief 1 – Stadsbreed Warmtenet Bij het stadsbreed warmtenet wordt er warmte geproduceerd op stadsniveau. Hiervoor worden collectieve luchtwater-warmtepompen, geothermie, thermische energie uit afval- en oppervlaktewater en incidenteel biomassa, warmtebuffers, grootschalige elektrische boilers en waterstof ingezet. De effecten van geluidshinder op de omgeving voor geothermie worden onderzocht voor 8 zoeklocaties binnen de gemeente Utrecht in het planMER t.b.v. Beleidsnota Opwekgebieden voor schone energie in Utrecht 22. Daarin is onderzocht hoeveel ruimte er voor geothermie is binnen de zoekgebieden, rekening houdend met de genoemde bufferzones. De locatie van de geothermiebron en centrale staat daarmee los van de afweging voor een alternatief per buurt in dit planMER. In algemene zin wordt het optreden van geluidshinder bij geothermie meegewogen in de beoordeling voor het stadsbreed warmtenet, waarbij er wordt meegewogen dat er op één locatie binnen de gemeente werkzaamheden plaatsvinden waarbij er mogelijk in de directe leefomgeving geluidshinder kan optreden. De specifieke buurten die binnen de zoekgebieden voor geothermie liggen, worden in 5.1.3.8 benoemd. Voor deze buurten wordt de beoordeling op buurtniveau iets negatiever bijgesteld. A Bij het stadsbrede warmtenet worden op strategische locaties binnen de gemeente installaties aangelegd.
Het gaat voor de basislast om één geothermie installatie, aquathermie installaties en collectieve lucht-waterwarmtepompen. Het gaat hierbij om grootschalige, collectieve installaties die in moeten worden gepast in de leefomgeving. Hierbij zal de omgeving gedurende een langere tijd geluidshinder kunnen ondervinden van de bouwlocaties. De bouwlocaties voor aquathermie-installaties zijn gebonden aan de locatie van de beschikbare wateren in Utrecht en kunnen zich door de hele gemeente Utrecht bevinden.
22
planMER t.b.v. Beleidsnota Opwekgebieden voor schone energie in Utrecht (202 ). Bosch & van Rijn. https://utrecht.bestuurlijkeinformatie.nl/Reports/Document/abce3ee5-25aa- 3c2-8eecdad b c587f0?documentId=256e8332-9a97- fe8-a5d9-8beecaf62129 (202 ) 65
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
Voor de pieklast blijft de biomassacentrale Lage Weide warmte leveren (al zijn er scenario’s waarin het gebruik van biomassa wordt afgebouwd, zie 5.2) en komen daar mogelijk grootschalige elektrische boilers en een piekketel op waterstof bij. Om deze warmte van deze installaties naar de buurten te transporteren moeten transportleidingen voor het warmtenet worden aangelegd. In de buurten zelf moeten warmteoverdrachtstations worden aangelegd. De mogelijke geluidshinder bij werkzaamheden tijdens de bouw van de installatie op de strategische locaties binnen de gemeente zijn locatie specifiek en komen in 5.1.3.8 terug. De werkzaamheden aan de installaties en het bijbehorende bouwverkeer kan geluidshinder opleveren. Daarnaast wordt er bij de aanleg van de transport- en distributieleidingen van een warmtenet gebruik gemaakt van machines die geluidshinder opleveren (deze machines zijn in de berekeningen van de stikstofuitstoot bij de aanleg van een warmtenet over 100 meter beschreven, zie bijlage 6). Binnen een buurt moet in elke straat een distributieleiding voor het warmtenet worden aangelegd. Gedurende deze periode kunnen omwonenden geluidshinder ondervinden van deze werkzaamheden. Het zware verkeer en werktuigen die gebruikt worden tijdens de bouw van de installaties en de aanleg van het warmtenet kunnen mogelijk laagfrequent geluid veroorzaken.
Deze effecten worden echter niet als maatgevend voor de totale hoeveelheid geluidshinder beoordeeld. Het stadsbreed warmtenet wordt voor de potentiële effecten op geluidshinder als licht negatief voor de aanlegfase beoordeeld. G De geluidsemissie van het warmtetransport door de distributieleiding heeft geen significante geluidshinder tot gevolg. De installaties voor de basislast of pieklast, zoals een aquathermie installatie, en andere installaties zoals een warmteoverdrachtstation, kunnen in de gebruiksfase wel een geluid uitstoten. Voor deze installaties moet bij de gemeente een vergunning worden aangevraagd waar ook wordt getoetst of de uitstoot van geluid aan de geldende richtlijnen voldoet. De installaties zijn grootschaliger en worden op strategische plaatsen binnen de gemeente geplaatst. Het uitgangspunt is dat bij de zoeklocaties voor deze grootschalige installaties en de inpassing daarvan rekening gehouden wordt met de richtlijnen voor richtlijnen. Indien nodig kunnen er extra maatregelen worden genomen om geluidshinder te voorkomen. In de buurt is alleen de inpassing van warmteoverdrachtstations, maatgevend voor mogelijke geluidshinder in de gebruiksfase. Het risico op geluidshinder op buurtniveau wordt daarom voor het stadsbrede warmtenet als laag ingeschat en wordt daarom neutraal beoordeeld.
5.1.3.2 Alternatief 2 – MT Buurtwarmtenet A Het risico op geluidshinder voor het MT buurtwarmtenet is voor de aanleg van de distributieleidingen voor het warmtenet vergelijkbaar met het stadsbreed warmtenet. De bronnen bevinden zich in of nabij de buurt, waardoor niet alleen de warmteoverdrachtstations (zoals bij het stadsbrede warmtenet), maar ook de installaties voor de basis- en pieklast, zoals een OBES of collectieve warmtepomp om de warmte uit de WKO op te waarderen, bij het MT Buurtwarmtenet in de buurt worden geconcentreerd. De installaties zijn minder grootschalig in vergelijking met het stadsbrede warmtenet. Doordat meer installaties binnen de buurten zijn gelokaliseerd, zal er een hoger risico op geluidshinder van de bouwlocatie en het bouwverkeer zijn voor omwonenden zijn gedurende de aanlegfase in vergelijking met het stadsbrede warmtenet. Daarnaast moeten er boringen worden uitgevoerd voor het OBES. Het MT buurtwarmte wordt daarom voor de aanlegfase als negatief beoordeeld. G Het warmtetransport door de distributieleiding heeft geen significante geluidshinder tot gevolg. De installaties kunnen wel (lichte) geluidshinder veroorzaken. Voor deze installaties moet bij de gemeente een vergunning worden aangevraagd waar ook wordt getoetst of de uitstoot van geluid aan de geldende richtlijnen voldoet.
In dit alternatief worden er relatief veel installaties binnen de buurt geplaatst die geluidshinder kunnen veroorzaken in de gebruiksfase. Het de vraag is of al deze installaties ingepast kunnen worden volgens de richtlijnen. Alhoewel
66
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
er richtlijnen zijn voor de inpassing van deze installaties wordt de opgave om alle installaties in te passen op buurtniveau als een risico gezien, waardoor het MT Buurtwarmtenet als licht negatief beoordeeld wordt.
5.1.3.3 Alternatief 3 – ZLT buurtwarmtenet A Bij een ZLT buurtwarmtenet wordt net als bij MT buurtwarmtenet gewerkt met bodemwarmte met seizoensopslag (WKO). Het opwaarderen van de warmte vindt in dit alternatief in de woning plaats. Voor het opwaarderen van de warmte in de woningen is elektriciteit benodigd, daarom worden er voor dit alternatief het warmtenet ook extra transformatorhuisjes en elektriciteitskabels geïnstalleerd. Bij het installeren van de transformatorhuisjes en elektriciteitskabels worden er werkzaamheden uitgevoerd die geluid maken. Daarnaast is er bijbehorend bouwverkeer wat tot geluidshinder kan leiden. Bij het ZLT buurtwarmtenet worden ook installaties in de wijk gerealiseerd. Deze installaties zijn kleinschaliger in vergelijking met alternatief 1 en 2, waardoor er minder geluidsoverlast wordt verwacht tijdens de realisatiefase. Er worden geen collectieve warmtepompen in de buurt geïnstalleerd om de warmte uit de WKO op te waarderen. Ook zijn er geen pieklast installaties die in de buurt moeten worden geïnstalleerd. Voor de emissie van geluid bij de aanleg van de distributieleidingen van het warmtenet geldt hetzelfde als voor alternatief 1 en 2. Het risico op geluidshinder voor het ZLT buurtwarmtenet is vergelijkbaar met het MT buurtwarmtenet.
Alhoewel er minder installaties binnen de buurt worden geïnstalleerd, moeten er wel op grote schaal werkzaamheden ten behoeve van de verzwaring van het elektriciteitsnet worden uitgevoerd die voor geluidshinder kunnen zorgen. Het risico op geluidshinder tijdens de aanlegfase wordt daarom voor het ZLT buurtwarmtenet als negatief beoordeeld. G Het warmtetransport door de distributieleiding heeft geen significante geluidshinder tot gevolg. De installaties kunnen wel (lichte) geluidshinder veroorzaken. In dit alternatief worden er ten opzichte van het MT buurtwarmtenet minder installaties in de buurt geplaatst die geluid kunnen emitteren. Voor deze installaties moet bij de gemeente een vergunning worden aangevraagd waar ook wordt getoetst of de uitstoot van geluid aan de geldende richtlijnen voldoet. De extra transformatorhuisjes die benodigd zijn in de buurt voor dit alternatief emitteren geluid: bij een MS/LS station varieert de geluidssterkte tussen 28 dB(A) en maximaal 38 dB(A), op een afstand van 1 meter afstand van de buitenwand. Overdag is er meer elektriciteitsverbruik, waardoor het geluid harder is. De te installeren transformatorhuisjes zullen wel na de realisatiefase laagfrequent geluid emitteren. De kans dat een transformatorhuisje overlast geeft is echter klein omdat deze moeten voldoen aan internationale richtlijnen.
Om de mogelijkheid van overlast toch te beperken zijn richtlijnen opgesteld over de afstand van transformatorhuisjes ten opzichte van woningen. De minimale afstand voor een transformatorhuisjestransformatorhuisje tot een woning, bedrijfspand of andere gebouwen waar mensen langdurig verblijven is 4 meter. Alhoewel er richtlijnen zijn voor de inpassing van de installaties en transformatorhuisjes kunnen deze (lichte) geluidshinder veroorzaken. Het ZLT buurtwarmtenet wordt daarom als licht negatief beoordeeld.
5.1.3.4 Alternatief 4 – Individuele lucht-water-warmtepomp A Bij de aanleg van individuele lucht-water-warmtepompen worden werkzaamheden aan het huis van bewoners uitgevoerd. Voor deze werkzaamheden is geen zwaar materieel benodigd. Voor deze werkzaamheden volstaat het gebruik van busjes, wat geen significante extra geluidshinder geeft ten opzichte van bestaande verkeersbewegingen. In alternatief 4 moet het elektriciteitsnet het meest verzwaard worden, waarvoor transformatorhuisjes en elektriciteitskabels benodigd zijn. De werkzaamheden bij de aanleg hiervan kan tot geluidshinder kan leiden, maar zijn relatief kort van duur. De risico op geluidshinder wordt daarom voor alternatief 4 als neutraal ingeschat. 67
Milieueffectrapport Beleidsnota Warmte en Warmteprogramma gemeente Utrecht projectnummer 0495439.100 4 juli 2025 revisie Versie 4 incl. aanvulling MER Gemeente Utrecht
G Bij alternatief 4 worden in relatie tot de andere alternatieven de meeste transformatorhuisjes geplaatst in de buurt. Bij inpassing volgens de richtlijnen is het risico op geluidshinder voor omwonenden laag. De ventilator van de lucht-water-warmtepomp die bij iedere woning wordt geïnstalleerd veroorzaakt geluid. Hoe lager de omgevingstemperatuur of hoe hoger de gewenste binnentemperatuur, hoe harder de lucht-waterwarmtepomp moet draaien om warmte uit de buitenlucht te halen. Lucht-water-warmtepompen kunnen ook worden ingezet om de woning te koelen. In dat geval draait de lucht-water-warmtepomp ook in de zomer en emitteert daarmee geluid. Europese regels stellen eisen aan het maximale geluid van lucht-waterwarmtepompen. Lucht-water-warmtepompen tot 6 kW mogen maximaal 65 dB(A) produceren en lucht-waterwarmtepompen van 6 tot 12 kW maximaal 70 dB(A). Het maximale geluidsniveau van een lucht-waterwarmtepomp kan variëren afhankelijk van het model en de fabrikant. Door technologische ontwikkelingen zijn lucht-water-warmtepompen in de praktijk echter veel stiller. Warmtepompen kunnen ook tonaal geluid emitteren. Dit kan als extra hinderlijk worden ervaren. Daarom wordt een tonaliteitscorrectie toegepast. Leveranciers van warmtepompen kunnen informatie over het maximale geluidsniveau en de tonaliteitscorrectie leveren.
De gemeente Utrecht hanteert, overeenkomstig het Besluit Bouwwerk en Leefomgeving (BBL), een maximaal geluidsniveau van 40 dB voor een lucht-water-warmtepomp, gemeten op de perceelsgrens. Om aan deze eis te kunnen voldoen zijn er speciaal ontworpen, stillere varianten van lucht-water-warmtepompen op de markt. Daarnaast kan met het kiezen een geschikte locatie voor de lucht-water-warmtepomp en/of het plaatsen van een geluidskap het geluidsniveau van lucht-water-warmtepompen worden verlaagd: ASHP 23 heeft in een studie uit 2024 het cumulatieve geluidsniveau gemodelleerd voor de plaatsing van de buitenunits van lucht-water-warmtepompen op diverse locaties aan de gevel en in de buitenruimte van rijtjeshuizen en twee-onder-een-kapwoningen in dichtbevolkte woonwijken van Londen (Verenigd Koninkrijk). Daarbij is uitgegaan van het extreme scenario waarbij meerdere lucht-water-warmtepompen op het maximale geluidsniveau van 42 dB opereren. De onderzoekers concludeerden dat zelfs onder de meest ongunstige aannames, de cumulatieve geluidsimpact van meerdere lucht-water-warmtepompen niet significant groter is dan de impact van een enkele lucht-water-warmtepomp in de tuin van de dichtstbijzijnde buur. Het cumulatieve geluidsniveau neemt het meest toe bij de plaatsing van lucht-water-warmtepompen in een tuin zonder schuttingen.
Het plaatsen van warmtepompen naast een schutting verlaagt het cumulatieve geluidsniveau met 1-3 dB vergeleken met plaatsing in het midden van de achtergevel. In het gerefereerde onderzoek gaat het om één buitenunit per woning. Ten tijde van het opstellen van dit planMER waren er nog geen onderzoeken waarbij het cumulatieve geluidsniveau wordt bepaald in buurten met gebouwen met meerdere woonlagen waar in alternatief 5 meerdere buitenunit aan de gevel moeten komen te hangen. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat de resultaten doorgetrokken kunnen worden naar nog dichter bebouwde buurten, zoals de binnenstad van Utrecht. Los van de hoogte van het cumulatieve geluidsniveau moet worden geconcludeerd dat bij toepassing van alternatief 4 als voorkeursoplossing voor alle woningen in een buurt het cumulatieve geluidsniveau bij gelijktijdige inschakeling van deze warmtepompen voor een continue geluidsbelasting van 40 dB op de omgeving zullen zorgen, wanneer de richtlijnen overeenkomstig het BBL worden nageleefd. Lucht-water-warmtepompen draaien niet continu, wat in de praktijk een vermindering van het cumulatieve geluidsniveau oplevert. Daarnaast zijn moderne buitenunits vaak uitgerust met een stille modus waarbij minder geluid wordt geproduceerd en zijn er maatregelen mogelijk om de geluidshinder van een buitenunit te verminderen door deze te isoleren.