Conceptverslag VOWE 20 april 2023.docx
Tekst van het document
Mevrouw Al-Saqaff (VVD) wil weten wanneer het advies gereed is, gezien de wens om zo snel mogelijk duidelijkheid bieden. De heer Stam (Volt) heeft het juridisch advies pas aangevraagd na de technische sessie van 18 april 2023 en weet niet wanneer dat gereed is. Volt wil van de wethouder weten welke aanmoediging hij nodig heeft om een voorstel voor een overgangsregeling uit te werken. Of moet de raad zelf een initiatiefvoorstel indienen? Hoe snel kan de wethouder een voorstel uitwerken en aan de raad voorleggen? In het raadsvoorstel is niet vastgelegd voor welke verdelingsmethode wordt gekozen. Het college wordt slechts gevraagd om een methode vast te stellen. Daarmee wordt het een bevoegdheid van het college. Dat is voor Volt niet bespreekbaar nu er geen goed voorstel voorligt. Volt vraagt om een goed voorstel voor de branchering en om goede selectiecriteria. Zonder dat zal de fractie niet instemmen met het raadsvoorstel. Mevrouw Al-Saqaff (VVD) merkt op dat in de nadere regels in het voorstel staat dat onder andere loten een selectiecriterium is. Wil Volt ook een raadsvoorstel van het college? De heer Stam (Volt) ziet uit naar een reactie van het college. De nadere regel is volgens de tekst informatief. Volt kan dan ook niet instemmen met het voorliggende voorstel. Mevrouw Al-Saqaff (VVD) benadrukt dat loten wel degelijk als selectiemechanisme is opgenomen.
Daarom moet het raadsvoorstel worden teruggestuurd. De heer Stam (Volt) heeft met adviseurs van de wethouder gesproken. Die zeggen dat de gemeenteraad geen besluit neemt over de nadere regels. De gemeenteraad geeft het college het mandaat voor het bepalen van het selectiemechanisme. Mevrouw Al-Saqaff (VVD) stelt voor om dat mandaat uit het raadsvoorstel te schrappen.
50
De heer Stam (Volt) vindt dat er dan wel een alternatief moet komen. Dat is er nog niet. Is de wethouder bereid om het raadsvoorstel in te trekken en de raad later een nieuw concreet voorstel voor te leggen? Wat is het beoogde tijdpad en wat gaat ze doen om zekerheid te bieden aan de standhouders?
55
De heer Bosch (PVV) wil weten welke overgangstermijn Volt voorstelt.
60
De heer Stam (Volt) vindt dat dat de termijn zodanig moet zijn dat ondernemers in de gelegenheid moeten zijn om hun investering terug te verdienen, wellicht tussen de vijf en vijftien jaar. Dat is mede afhankelijk van het juridisch advies. 35
De heer Bosch (PVV) merkt op dat de ondernemers dan niet zullen investeren in bijvoorbeeld duurzaamheid. 5
De heer Stam (Volt) is het daarmee eens. Hij stelt voor om over deze details nu nog niet te spreken. Het college moet die zaken mede in overweging nemen bij een nieuw voorstel.
10
De heer Bosch (PVV) vindt het geen detail, maar een fundamentele kwestie waarmee kosten zijn gemoeid voor de ondernemers. Het is bij een dergelijke korte termijn niet billijk om van ondernemers investeringen te vragen op het gebied van duurzaamheid om zo de stad straks emissievrij te maken. De heer Stam (Volt) beaamt dat het belangrijk is, maar benadrukt dat het de taak van het college is om dit en ook andere belangrijke zaken mee te nemen in een nieuw voorstel.
15
20
25
30
35
40
45
50
55
60
De heer Peters (D66) was op de informatiebijeenkomst vorige week opnieuw geraakt door de verhalen van de standplaatshouders. Onzekerheid en wanhoop gun je niemand. Daarom moeten zij snel mogelijk zekerheid en perspectief krijgen en moet de raad snel keuzes maken. D66 sluit zich aan bij de opmerkingen van de VVD over de branchering. Daar moet de wethouder zo snel mogelijk mee aan de slag gaan. D66 pleit voor branchering op wijk- en winkelgebiedniveau. Zo heeft het centrum van Utrecht een heel ander karakter (en dus ook andere standplaatsen) dan Vleuten-De Meern. Kan de wethouder daar onderzoek naar doen? Daarmee kunnen de huidige standplaatshouders wellicht ook hun standplaats behouden. De standplaatsen moeten verder aansluiten bij de wensen van de inwoners. Is de wethouder bereid om onderzoek te doen naar de behoeften in de wijken en de mogelijkheden van branchering? De heer Otto (EenUtrecht) stelt voor om de bewoners mee te nemen in een soort pitchingcommissie. Ze kunnen dan aanwezig zijn bij en mede een beslissing nemen over de motivatie van de standplaatshouder voor een bepaalde standplaats. De heer Peters (D66) wijst op het probleem dat het commissielid dan namens de hele wijk moet spreken. Dat is moeilijk te borgen. Daarom vraagt D66 om een onderzoek. D66 stelt voor om goed te kijken naar een (met name gering) aantal selectiecriteria.
Daarbij moet aansluiting worden gezocht bij het sociaal beleid van de stad en aandacht zijn voor duurzame bedrijfsvoering, bijvoorbeeld het scheiden van afval. Wellicht kunnen voor verschillende wijken verschillende criteria worden toegepast. Voor wijken buiten het centrum bijvoorbeeld is ook het sociale aspect van een standplaats belangrijk. De heer Bosch (PVV) benadrukt dat de bestaande standplaatsen zich al decennia hebben bewezen. Daar moet de gemeente rekening mee houden. De heer Peters (D66) beaamt dat. Hij kan zich voorstellen dat uit het aangevraagde onderzoek zal blijken dat er op bepaalde plekken bloemenstallen gewenst zijn, juist omdat de ondernemer daar al heel lang aanwezig is. De heer Bosch (PVV) vindt het ook belangrijk dat het dezelfde ondernemer is. Daar hebben de mensen al jaren contact mee. De heer Peters (D66) beaamt ook dat. Het onderzoek focust op branchering. Daaruit zal blijken dat er in dit voorbeeld een bloemenstal moet komen. Daarnaast zullen de sociale selectiecriteria leiden tot de selectie van deze ondernemer. D66 wil waken voor een veelheid aan criteria en voor bureaucratische rompslomp. Als er meerdere gegadigden zijn voor een standplaats, kun je loten of veilen. Loten voorkomt dat de rijke ondernemers meer kans hebben. De heer Talhaoui (PvdA) is van mening dat een beperkt aantal selectiecriteria sneller leidt tot loten.
Veel ondernemers voelen dat als oneerlijk. De heer Peters (D66) stelt voor om per wijk te kijken waar behoefte aan is en vervolgens branchering en de selectiecriteria toe te passen. Daarmee wordt de kans klein dat veel partijen 36
zich kunnen inschrijven op een plek. De meest gewilde plekken zijn de plekken in het centrum. Daar zal eerder sprake zijn van loten. De plekken in de wijken, die juist sociaal zo belangrijk zijn, worden met het voorstel van D66 afgedekt. 5
Mevrouw Hessel (Utrecht Solidair) stelt voor om ondernemers in de wijken een overgangsregeling van minimaal twaalf jaar aan te bieden. In die periode kan gewerkt worden aan een goede criteria.
10
De heer Peters (D66) gunt het de huidige ondernemers van harte dat zij hun plek kunnen behouden. Dat is echter juridisch niet houdbaar. Dat zou ertoe kunnen leiden dat verleende vergunningen weer worden ingetrokken. Het lijkt een aanlokkelijke optie, maar die leidt ertoe dat advocaten en juristen er garen bij spinnen over de ruggen van de ondernemers.
15
Mevrouw Hessel (Utrecht Solidair) weet dat alle ondernemers dat risico willen nemen. Dat kan later door een rechter worden teruggedraaid, maar dan gebeurt dat niet door de eigen volksvertegenwoordigers.
20
25
30
35
40
45
50
De heer Peters (D66) blijft erbij dat het voor de lange termijn geen slimme optie is. Bovendien leidt dit (als het standhoudt) na die overgangstermijn tot weer dezelfde discussie in de gemeenteraad. Mevrouw Hessel (Utrecht Solidair) geeft het voorbeeld van Hilversum. Daar heeft de gemeenteraad een overgangsperiode van twintig jaar bedongen. Utrechtse Heuvelrug heeft een termijn vastgesteld van minstens tien jaar. In die gemeenten is nog geen sprake van rechtszaken. De heer Peters (D66) schat de kans op een rechtszaak in Utrecht groter dan in die andere gemeenten, gezien de mooie plekken vooral in het centrum van de stad. Zonder een goed beleid is de kans aanzienlijk dat toewijzingen worden aangevochten. D66 vraagt de wethouder aan te geven binnen welke tijd de verzoeken van de fractie kunnen worden uitgewerkt. D66 wil de overgangsperiode zo lang mogelijk oprekken om de ondernemers ademruimte te geven. Vanaf 2025 worden emissievrije zones ingesteld. Dat vraagt ook om investeringen. Daarom vraagt D66 ook om een langere duur van de vergunning, het maximaal haalbare van het SEOonderzoek is twaalf jaar. De heer Stam (Volt) merkt op dat de advocaten van zowel de gemeente als de branche geen gedoogperiode willen. De heer Peters (D66) hecht belang aan een juridisch houdbaar besluit. Als blijkt dat de overgangstermijn oneerlijk is, zijn alle ondernemers daarvan de dupe.
Daarom kiest D66 voor deze lange gedoogperiode. De heer Stam (Volt) ziet uit naar het onafhankelijk advies hierover. Als blijkt dat een lange overgangsperiode verdedigbaar is, stemt D66 daar dan mee in? De heer Peters (D66) zal bij iedere nieuwe informatie zijn besluit heroverwegen, maar herhaalt dat de advocaten van de verschillende partijen daar al advies over hebben gegeven. De heer Peters prijst het werk van de taskforce van de gemeente en de ambulante handel en bedankt de ondernemers voor hun persoonlijke verhalen. Daarop moet het beleid gebaseerd zijn. Daarbij geeft de raad kaders mee en controleert en bepaalt het college het beleid. Mevrouw Al-Saqaff (VVD) vraagt meer informatie over het voorstel van D66 over de selectiecriteria per wijk.
55
60
De heer Peters (D66) noemt als voorbeeld de oliebollenkraam op de Amsterdamsestraatweg. De ondernemer heeft in de wijk waar een vast publiek komt, ook een sociale functie. Daarmee is dat een belangrijker criterium voor die wijk dan bijvoorbeeld in het centrum waar veel toeristen komen. Mevrouw Al-Saqaff (VVD) vindt dat oneerlijk. De meer mondige ondernemers en zij die hun motivatie het best op papier kunnen zetten, hebben dan meer kans voor een plek in het centrum. 37
De selectiecriteria zouden over de hele stad hetzelfde moeten zijn. De branchering kan per wijk worden geregeld. 5
10
De heer Peters (D66) legt uit dat met zijn voorstel de bestaande standplaatshouders in de wijken een grotere kans hebben om hun plaats weer in te nemen dan andere ondernemers die nog geen binding met de wijk hebben. Mevrouw Al-Saqaff (VVD) bestrijdt dat standplaatshouders in het centrum geen vaste klantenkring hebben en verwijst daarvoor naar de ophef bij de mogelijke verdwijning van Venezia uit de binnenstad. De heer Peters (D66) beaamt dat de standplaatshouders ook in het centrum een sociale functie kunnen hebben, maar benadrukt dat het vooral voorkomt in de wijken.
15
De heer Bosch (PVV) wil weten of D66 bereid is om een overgangstermijn te accepteren. De heer Peters (D66) herhaalt dat een (het liefst zo lang mogelijke) gedoogperiode de ondernemers het beste helpt. In die tijd kan gewerkt worden aan selectiecriteria en brancheringen.
20
De heer Bosch (PVV) weet dat een gedoogtermijn maximaal een jaar mag zijn. De heer Peters (D66) bestrijdt dat. Aan een overgangstermijn zitten allerlei haken en ogen en dat gaat ten koste van de ondernemers.
25
30
35
40
45
50
55
Mevrouw Hessel (Utrecht Solidair) vindt een gedoogtermijn slecht voor de ondernemers. Daarmee blijven zij nog een jaar in spanning zitten. Op 18 april 2023 is uitleg gegeven over de ontwikkelingen in de periode van 2011 tot 2013. Daaruit bleek dat in 2013 al besloten is dat de standplaatshouders sowieso weg moeten. Toen waren de EU-regels nog niet verwerkt in de Dienstenregeling. Dat had dus niets te maken met Europese regels. De advocaat van de gemeente gaf aan verheugd te zijn over de vooruitziende blik destijds van de gemeente. Dat de standplaatshouders weg moesten, was dus al eerder gepland. Dat zorgt voor een vieze smaak in de mond bij mevrouw Hessel. Zij heeft er alle vertrouwen in dat de standplaatshouders de rechtszaak winnen. De informatie van de gemeente is zeer eenzijdig. Zo staat er over de uitspraak van de kwestie in de Utrechtse Heuvelrug dat de gemeente is teruggefloten. De gemeente mocht de ondernemers niet bevoordelen. De rechter heeft de standplaatshouders echter in het gelijk gesteld. Een tijdelijke periode en een voorrang van twintig punten waren niet toegestaan. Daarmee konden de ondernemers hun investeringen niet terugverdienen. De heer Talhaoui (PvdA) is van mening dat er aan beide oplossingen juridische kanten zitten. De tweemaal drie jaar die in de Utrechtse Heuvelrug is afgekeurd, komt omdat er eerder sprake was van onbepaalde tijd.
Daar is dus sprake van een andere situatie. Mevrouw Hessel (Utrecht Solidair) bestrijdt dat. De rechter heeft niet gesproken over bepaalde of onbepaalde tijd. Het is ook onzin dat hier in Utrecht twee keer een bepaalde tijd niet is toegestaan. Dat staat nergens. Mevrouw Hessel heeft alle vertrouwen in een goede afloop van ondernemers, maar het had de Utrechtse gemeenteraad gesierd als hij zich achter de hardwerkende Utrechtse ondernemers had geschaard. De onafhankelijke advocaat zei op 18 april 2023 dat het nu nog moeilijk was om iets te regelen, want de ondernemers hadden de media ingeschakeld. Als ze dat niet hadden gedaan, waren ze per 1 januari 2024 failliet gegaan. De heer Stellinga (CDA) heeft waardering voor de zelfreflectie van de wethouder richting de standplaatshouders. In het voorstel is duidelijk aangegeven wat de juridische mogelijkheden en onmogelijkheden zijn, maar het is niet volledig. De insteek bij dit dossier is onjuist geweest door te starten met het aangeven van de juridische beperkingen. Het gaat om ondernemers die in Utrecht al jaren een standplaats hebben en voor wie de toekomst onzeker is. De politiek moet zich afvragen wat wenselijk is voor bestaande en voor nieuwe standplaatshouders en voor hun klanten. Pas daarna kun je onderzoek doen naar wat juridisch haalbaar is. 38
5
10
15
20
Het CDA juicht branchering toe met het oog op een zo divers mogelijk aanbod en ziet uit naar de resultaten van het door het college aangekondigde onderzoek. De fractie kan zich vinden in het plan om criteria als ondernemersplan, het plan van aanpak voor het versterken van de wijk en de duurzame bedrijfsvoering verder uit te werken. Waarom is een aantal andere selectiecriteria afgevallen? De Dienstenrichtlijn spreekt bijvoorbeeld over consumentenbescherming, bescherming van werknemers, het voorkomen van fraude, het beschermen van het milieu en bescherming van het stedelijk milieu. Het overzicht van dwingende redenen van algemeen belang in de dienstenrichtlijn kan nog verder worden aangevuld, zoals de selectie op de kwaliteit van de producten, zeker bij voedingsmiddelen. Uit de beantwoording van technische vragen hierover blijkt dat daarop nog geen beleid is geformuleerd. Dat zou de raad zelf kunnen doen. Deze criteria zouden in het nadeel kunnen zijn van de huidige standplaatshouders, maar klanten geven aan dat de ondernemers daar goed op scoren. Het CDA vraagt dan ook om deze criteria, maar ook andere, beter te onderzoeken en nader uit te werken met daarbij in het achterhoofd om ook de huidige standplaatshouders een faire kans te geven. De heer Otto (EenUtrecht) vraagt het CDA naar zijn voorstel voor uitwerking van zaken als gezonde oliebollen met minder suiker.
De heer Stellinga (CDA) heeft geen voorkeur voor een suikertaks. De heer Peters (D66) stelt vast dat het CDA vraagt om nader onderzoek naar andere criteria en niet om het toepassen van die criteria.
25
De heer Stellinga (CDA) vraagt slechts om een onderzoek naar een aantal criteria waarmee de gemeente de standplaatshouders tegemoet kan komen. De criteria die daaraan dienstig zijn, kunnen vervolgens worden toegepast. Ook het CDA wil daarbij, net als D66, waken voor te veel criteria.
30
De heer Peters (D66) stelt vast dat het CDA zoekt naar niet-generieke criteria om bestaande standplaatshouders te helpen. Dat riekt naar discriminatie en is juridisch wellicht niet mogelijk.
35
40
45
50
55
60
De heer Stellinga (CDA) vindt dat die mogelijkheden onvoldoende onderzocht zijn. Hij bestrijdt dat daarmee, bijvoorbeeld de selectie op kwaliteit, sprake is van discriminatie. Hij is blij dat het college openstaat voor een gedoogperiode totdat het nieuwe beleid ingaat. Binnen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is een dergelijke overgangsperiode soms zelfs verplicht om aan de gerechtvaardigde belangen van de standplaatshouders tegemoet te komen. Ook het CDA vindt dat het college de raad een nieuw raadsvoorstel moet voorleggen. De heer Van der Graaf (ChristenUnie) bedankt de standplaatshouders voor hun eerdere inbreng en hun aanwezigheid in deze commissievergadering en de ambtenaren, juristen en brancheverenigingen voor hun bijdragen in de technische sessie van 18 april 2023. De standplaatshouders moeten zo snel mogelijk helderheid krijgen voor een zo lang mogelijk periode. SEO heeft aangegeven dat die periode twaalf jaar kan zijn. De ChristenUnie ziet uit naar de resultaten van het door de wethouder aangekondigde onderzoek naar een stadsbrede branchering en branchering op diversiteit. Specifieke branchering is juridisch erg ingewikkeld. Het college noemt drie manieren van selecteren: het ondernemersplan, het plan voor het maatschappelijk versterken van de wijk en de gezonde leefomgeving.
Het ondernemersplan moet uitwijzen dat men streeft naar een duurzame en sociale bedrijfsvoering door betalingen zowel met pin als contant mogelijk maken, zo min mogelijk gebruik van plastic en bijvoorbeeld emissieloos vervoer. Ondernemers moeten daarbij worden ondersteund. Kan de wethouder dat organiseren? Gezien de precaire juridische situatie moet het aantal selectiecriteria worden beperkt en moeten criteria worden gekozen die juridisch de meeste kans van slagen hebben. De ChristenUnie ziet uit naar een zo snel mogelijke duidelijkheid voor de ondernemers. Daar moet de focus op liggen, zodat de ondernemers zich straks kunnen focussen op ondernemen in de stad. De heer Stam (Volt) vraagt de ChristenUnie naar haar opvatting over het voorliggende raadsvoorstel met een mandaat voor het college om een methode vast te stellen. 39
De heer Van der Graaf (ChristenUnie) sluit zich aan bij een aantal partijen die gevraagd hebben om een aanpassing van het voorstel, zodat het straks in een keer kan worden vastgesteld. Alles moet erop gericht zijn om snel duidelijkheid te geven. 5
10
15
20
25
30
35
40
De heer Stam (Volt) stelt vast de ChristenUnie niet instemt met het voorliggende voorstel. De heer Van der Graaf (ChristenUnie) ziet uit naar een reactie van de wethouder. Als blijkt dat het voorstel ook met enige aanpassingen duidelijkheid kan bieden, zal de fractie voor het voorstel stemmen, maar spreker betwijfelt dat. Mevrouw Sasbrink (Partij voor de Dieren) stelt vast dat voor de verdeling van de schaarse plekken het voorliggende raadsvoorstel uitgaat van loting en een ingangsdatum van 1 januari 2024. De gemeente Utrecht verleende eerder slechts vergunningen aan de bestaande standplaatshouders. Zij konden daarmee rekenen op continuïteit, maar er was geen ruimte voor vernieuwing. De wereld staat echter niet stil. De Partij voor de Dieren wil de schaarse plekken niet alleen verdelen op basis van loting of anciënniteit, maar ook andere criteria laten meewegen, bijvoorbeeld maatschappelijke relevantie voor de wijk. Standplaatsen die een ontmoetingsplek in de wijk zijn, moeten voorrang krijgen. Maar ook criteria als duurzaamheid (met aandacht voor energieverbruik, recycling en bijvoorbeeld het productaanbod), volksgezondheid en dierenwelzijn zijn van belang. De fractie vraagt de wethouder om deze criteria verder uit te werken. De Partij voor de Dieren kan zich vinden in de voorstellen voor branchering voor alle standplaatsen.
Daarbij moet het aantal plekken voor de verkoop van dierlijke producten tot een minimum worden beperkt. Het college geeft aan een half jaar nodig te hebben voor het uitwerken van de criteria. Biedt die periode voldoende tijd voor de zittende standplaatshouders om te voldoen aan deze criteria? Wellicht niet. De Partij voor de Dieren vraagt de wethouder dan ook om langer te wachten met de invoering en de standplaatshouders te steunen om aan de nieuwe criteria te kunnen voldoen. Aan een langere termijn kunnen (inhoudelijke) voorwaarden worden verbonden. Zo moeten ondernemers na bijvoorbeeld een periode van drie of vijf jaar aantonen dat ze aan de nieuwe criteria (gaan) voldoen. Is dat mogelijk? Mevrouw Al-Saqaff (VVD) vindt dat de nieuwe selectiecriteria al direct kunnen worden gehanteerd bij de tien nieuwe standplaatsen. Voor de bestaande standplaatshouders is er dan een overgangstermijn. Mevrouw Sasbrink (Partij voor de Dieren) benadrukt dat voor het gebruik van nieuwe criteria een reden nodig is, bijvoorbeeld duurzaamheid. Zij is het eens met een coulanceregeling voor de bestaande standplaatshouders, maar zij moeten dan binnen een paar jaar kunnen aantonen dat ze voldoen aan de nieuwe criteria. Dat mag geen lange periode van bijvoorbeeld tien of twaalf jaar zijn, want dat kan ertoe leiden dat deze discussie na die periode weer opnieuw wordt gevoerd.
Mevrouw Al-Saqaff (VVD) wil, om dat laatste te voorkomen, ondernemers daar ieder jaar over berichten.
45
Mevrouw Sasbrink (Partij voor de Dieren) is ook voor een heldere communicatie. Dat is mogelijk met een jaarlijks contact. Zij blijft, gezien de veranderingen in de wereld, waarde hechten aan criteria voor duurzaamheid. Daar moeten de ondernemers sneller dan binnen tien jaar aan voldoen.
50
Mevrouw Al-Saqaff (VVD) vraagt de Partij voor de Dieren of zij ook van mening is dat de wethouder de raad een nieuw voorstel voor moet leggen.
55
Mevrouw Sasbrink (Partij voor de Dieren) is het ermee eens dat dat een mogelijkheid is, maar het raadsvoorstel kan ook met (een aantal) amendementen worden aangepast. Mevrouw Hessel (Utrecht Solidair) sluit zich aan bij een groot aantal interrupties van de VVD. Sommige ondernemers hebben de afgelopen jaren flink geïnvesteerd. Hoe moeten zij omgaan met deze schulden?
40
Mevrouw Sasbrink (Partij voor de Dieren) merkt op dat ook zij kunnen meedingen naar een nieuwe plek. Ook zij kunnen een plan indienen voor een vergunning op een plek. Daarmee kunnen ze hun investering terugverdienen. 5
10
15
20
25
30
35
40
45
50
55
60
Mevrouw Hessel (Utrecht Solidair) merkt op dat meedingen geen zekerheid geeft. Mevrouw Sasbrink (Partij voor de Dieren) beaamt dat daar goed naar gekeken moet worden. Zo moeten de ondernemers geholpen worden om aan de nieuwe criteria te kunnen voldoen. Zij benadrukt dat er een nieuw beleid moet worden ingevoerd. De ingangsdatum van 1 januari 2024 komt dan snel, maar het zou jammer zijn om de komende tien jaar op dezelfde voet verder te gaan. De heer Talhaoui (PvdA) begrijpt de onzekerheid onder de huidige standplaatshouders en wil dan ook zo snel mogelijk duidelijkheid bieden. In de afgelopen periode is al veel gebeurd. Zo is het loten afgeschaft, blijven twee standplaatsen op de Oude Gracht behouden en krijgen de ondernemers extra tijd om hun investeringen terug te verdienen. Het zou mooi zijn als de bestaande ondernemers hun werk zouden kunnen voortzetten. De PvdA stelt voor om vier zaken te bespreken. Zo mag de duur van de schaarse vergunningen tussen de negen en twaalf jaar liggen, zodat de ondernemers hun investeringen kunnen terugverdienen. Dat is in lijn met het advies van het ministerie van Economische Zaken. Bij de overgang naar de nieuwe regeling kun je niets doen, een overgangstermijn invoeren of een gedoogtermijn hanteren waarin nieuw beleid wordt opgesteld. Aan alle scenario’s zitten juridische risico’s.
Het is aan de politiek om de risico’s en de verschillende belangen af te wegen. De voorkeur van de PvdA gaat uit naar het instellen van een overgangstermijn van vijf of tien jaar. Juristen geven echter aan dat een overgangstermijn juridisch zeer risicovol is. De rechter kan het besluit vernietigen met grote gevolgen voor de ondernemers. De ondernemers moeten de zekerheid krijgen dat ze investeringen kunnen terugverdienen. Daarom zet de PvdA in op heldere branchering en selectiecriteria. Daar is tijd voor nodig. Daarom is een flinke gedoogtermijn nodig. In de commissie is gesproken over een extra marktonderzoek, het opstellen van criteria en het beoordelen van ondernemingsplannen. Op welke termijn worden de resultaten aan de raad voorgelegd? De heer Bosch (PVV) herhaalt dat er slechts een gedoogtermijn van maximaal een jaar mogelijk is. Is de PvdA een voorstander van een overgangstermijn? Dat een gedoogtermijn maximaal een jaar mag zijn is nieuw voor de heer Talhaoui (PvdA). Hij heeft onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van een overgangstermijn. Daaruit blijkt dat dat grote risico’s oplevert voor de ondernemers. Het gaat ook om veel kwetsbare ondernemers die hulp en begeleiding nodig hebben. Zo kunnen sommigen niet goed lezen en schrijven.
Krijgen zij hulp? En welke termijn is redelijk voor het schrijven, beoordelen, vergunnen en het innemen van de plaatsen? Dat is belangrijke informatie voor het bepalen van de gedoogtermijn. De PvdA vraagt aandacht voor een stadsbrede branchering, maar ook voor branchering per wijk en in sommige situaties per standplaats (het eerdergenoemde bloemenstalletje bij de begraafplaats). Belangrijke criteria voor vergunningen zijn het ondernemersplan (eventueel met hulp van de gemeente), het plan voor versterking van de wijk, aandacht voor een gezonde leefomgeving en een duurzame bedrijfsvoering. Het college moet die criteria verder uitwerken. De heer Otto (EenUtrecht) stelt vast dat ook juristen het erover eens zijn dat de gemeente op termijn niet kan ontkomen aan Europese regels, maar stelt ook vast dat er in de afgelopen jaren zaken niet goed zijn gegaan tussen de gemeente Utrecht, de standplaatshouders en hun klanten. Dat geldt voor de communicatie, de verwachtingen en de manier waarop zij met elkaar omgaan. Het college kan nu laten zien dat het de standplaatshouders tegemoetkomt met een redelijke termijn om toe te werken naar de invoering van een nieuw systeem met bijvoorbeeld een gedoogtermijn of het uitgeven van tijdelijke vergunningen. EenUtrecht stelt vast dat het criterium binding met de buurt niet is toegestaan. Dat is discriminerend voor toekomstige standplaatshouders.
De fractie stelt daarom voor om er verbinding met de wijk van te maken, gezien het belang van de meerwaarde voor de wijk. Ook de heer Otto vraagt de wethouder om de bewoners van de wijken actief mee te nemen in het beoordelen van aanvragen. Ook zouden standplaatshouders hun aanvraag fysiek moeten kunnen toelichten. De procedure moet volledig transparant en openbaar zijn. Is dat mogelijk? 41
Hij vraagt de wethouder verder om zich maximaal in te spannen om juridisch de grenzen op te zoeken om de termijn met een paar jaar te verlengen. 5
10
15
20
25
30
35
40
45
50
55
60
De heer Stevens (Student&Starter) is ook geraakt door de verhalen van de standplaatshouders. Zij moeten snel duidelijkheid krijgen, maar de gemeente moet ook realistisch zijn. Een nieuwe overgangstermijn is juridisch onhoudbaar en is slechts uitstel van executie. Student&Starter vraagt daarom extra tijd voor een soepele overgang en voor het ontwikkelen van een eerlijk systeem voor het herverdelen van standplaatsen met selectiecriteria als een deugdelijk ondernemersplan en een plan voor versterking van de wijk. Ondernemers die daar moeite mee hebben, moeten worden ondersteund. Hoe lang mag een gedoogperiode zijn? Ook Student&Starter is voor branchering op wijkniveau en op diversiteit. Dat zorgt voor een mooie variatie en voor nieuw aanbod. Mevrouw Al-Saqaff (VVD) herhaalt dat zowel aan het instellen als aan het niet instellen van een overgangsperiode juridische consequenties hangen. De heer Stevens (Student&Starter) is het daarmee eens, maar benadrukt dat de daadwerkelijke consequenties bij de twee verschillende mogelijkheden behoorlijk verschillen. Het instellen van een overgangsperiode kan ertoe leiden dat de rechter dit besluit terugdraait, waardoor de standplaatshouders alsnog hun plek kwijtraken en de gemeente veel geld kwijt is aan schadeloosstellingen.
De heer Nyqvist (Stadsbelang Utrecht) is ervan uitgegaan dat hij moest ingaan op de vraag of de Dienstenregeling op dit dossier van toepassing is. Daar wordt echter inhoudelijk niet op gereageerd. Hij bedankt de fracties van de PVV, VVD en Utrecht Solidair voor het organiseren van de technische informatieavond. Op die avond bleek dat er nog allerlei mogelijkheden zijn, zoals ook blijkt uit de brief van de advocaat van de gemeente van 7 april 2023. In de brief wordt ingegaan op de (schaarse) standplaatsvergunningen. In de APV is een maximum gesteld aan het aantal toegestane vergunningen voor standplaatsen (het limietenstelsel). Daarmee valt dit onder de Dienstenwet. Als er geen maximum wordt gesteld, is dat niet het geval en kan de gemeenteraad zelf de indeling bepalen. De heer Stellinga (CDA) merkt op dat, als er geen maximum wordt gesteld, op elke plek in de gemeente een standplaats kan ontstaan. De heer Nyqvist (Stadsbelang Utrecht) bestrijdt dat. In dat geval geeft de gemeente vergunningen uit zonder dat rekening hoeft te worden gehouden met de Dienstenwet. Met eigen criteria (buiten de APV) kan de gemeente een ongelimiteerde groei voorkomen. Met deze werkwijze kan de gemeente de huidige standplaatshouders een vergunning verlenen. De heer Stellinga (CDA) herhaalt dat er een maximum is aan het aantal standplaatsen in Utrecht.
Daarmee is er automatisch sprake van een limietenstelsel en moet de Dienstenrichtlijn worden toegepast. De heer Nyqvist (Stadsbelang Utrecht) verwijst naar het advies van de advocaat van de gemeente. In zijn brief staat de gemeente ook zelf criteria voor bijvoorbeeld branchering kan opstellen. De heer Stellinga (CDA) stelt vast dat Stadsbelang Utrecht net doet of het probleem niet bestaat en dat de fractie daarmee de mensen een rad voor ogen draait. De heer Nyqvist (Stadsbelang Utrecht) geeft aan dat dat niet zijn bedoeling is. Lacunes in de wet bieden mogelijkheden om de positie van de standplaatshouders te verbeteren. Daarmee kunnen nieuwe vergunningen voor een heel lange periode worden afgegeven. Stadsbelang Utrecht zal dan ook het voorstel van het college om de APV aan te passen afwijzen ten gunste van de positie van de standplaatshouders. Een goed uitgewerkte brancheringsregeling kan een groot deel van de ellende opvangen. De heer Şimşek (DENK) is voorstander van gelijke kansen voor een standplaats. Daarom steunt de fractie het raadsvoorstel. 42
De heer Talhaoui (PvdA) stelt vast dat DENK het eens is met selectie door loting. 5
10
15
20
25
30
35
40
45
50
55
De heer Şimşek (DENK) beaamt dat De voorzitter geeft na een korte schorsing het woord aan de wethouder. Wethouder Schilderman bedankt CVHH die onder flinke tijdsdruk meegewerkt heeft aan de voorliggende brief. Zij bedankt ook alle ondernemers voor hun bijdragen. De wethouder proeft uit de bijdragen van de fracties dat er voor veel onderdelen van het voorstel veel steun is, zoals voor branchering en voor de selectiecriteria. Het college heeft aanvankelijk gekozen voor zo min mogelijk extra eisen met een zo eenvoudig mogelijke verdeling, zo min mogelijk juridische onzekerheid en zoveel mogelijk snelheid. Zij kondigt aan naar aanleiding van de opmerkingen van de fracties de raad later een nieuw voorstel voor te leggen. Dat zal echter zorgen voor meer onzekerheid voor ondernemers, meer juridische onzekerheid en het zal langer duren. Er is ook minder garantie dat alles stand zal houden. Maar de wethouder zegt toe dat alles zoveel mogelijk te beperken. De fracties vragen om verder te brancheren dan het college voorstelt. Een meerderheid wil brancheren op wijkniveau; sommige fracties willen stadsbreed brancheren of meer specifiek brancheren. De bloemenstal op de begraafplaats gaat lukken, maar dat is niet mogelijk op iedere plek in de stad. Zij stelt dan ook voor om te focussen op brancheren op wijkniveau en op nabijheid met als uitzondering het bloemenstalletje op de begraafplaats.
Het college heeft in overleg met de branche drie selectiecriteria opgesteld. Daar zijn veel opmerkingen over gekomen, maar voor slechts één additioneel selectiecriterium is een meerderheid, namelijk het plan voor de wijk. Een minderheid vroeg aandacht voor duurzaamheid en een ondernemersplan. De heer Peters (D66) stelt vast dat de wethouder de signalen van de fracties zo goed mogelijk op wil nemen in een nieuw voorstel. Hij stelt voor dat de fracties in de tweede termijn hun specifieke voorkeuren uitspreken. De voorzitter vindt dat een goede suggestie. Dat scheelt weer interrupties. Hij legt uit dat met deze reactie van de wethouder de commissie de raad moet adviseren om het college te vragen om een nieuw besluit voor te leggen en kondigt aan daar later op terug te komen. Wethouder Schilderman deelt mee dat de fracties van D66, het CDA, de ChristenUnie, de Partij voor de Dieren en de PvdA voorstander zijn van het selectiecriterium duurzame leefomgeving. De fracties van GroenLinks, het CDA, de ChristenUnie, de PvdA en Student&Starter zijn voorstander van het selectiecriterium ondernemersplan. Daarmee hebben deze criteria geen meerderheid. Voor het wijkplan was wel een meerderheid. Een selectie op basis van één criterium is een grote uitdaging (voor bijvoorbeeld de selectiecommissie, zoals sommige fracties voorstellen) als zich meer ondernemers inschrijven voor een standplaats.
Daarmee komt loten (of veilen) in beeld. Mevrouw Al-Saqaff (VVD) merkt op dat het criterium wijkplan subcriteria bevat als pinnen, Nederlands aanspreekpunt en bijvoorbeeld U-paskorting. Wethouder Schilderman antwoordt dat ondernemers op die subcriteria een ja of nee kunnen scoren. Dan kunnen meerdere ondernemers dezelfde score behalen. Er zijn opmerkingen gemaakt over de periode van de nieuwe vergunning. Zo wensen sommige fracties (wellicht een meerderheid) een periode van twaalf jaar. De wethouder kondigt aan dat in het nieuwe voorstel op te nemen. Over de overgangstermijn is veel gediscussieerd en er zijn vergelijkingen gemaakt met andere gemeenten. Die andere gemeenten komen echter vanuit de situatie van vergunningen voor onbepaalde tijd. Daarmee is hun situatie niet vergelijkbaar met die in Utrecht, waar vanaf 2013 vergunningen voor bepaalde tijd zijn vergund. Een lange overgangstermijn zal dan ook bij de rechter, conform het juridisch advies, geen stand houden als iemand daar beroep tegen gaat aantekenen. Dan moeten de ondernemers alsnog vertrekken, ook als ze al geïnvesteerd hebben in bijvoorbeeld in een nieuwe wagen voor een emissieloze binnenstad.
43
Mevrouw Hessel (Utrecht Solidair) wil weten waarom de wethouder dat risico niet wil nemen. Tien jaar geleden is duidelijk aangegeven dat de ondernemers tien jaar krijgen om hun investering terug te verdienen. Zij is van mening dat ook de standplaatshouders dat risico willen nemen. 5
10
15
20
25
30
Wethouder Schilderman herhaalt dat dat besluit geen stand zal houden bij de rechter vanwege Europese regelgeving die ook in Nederland geldt. Juristen hebben dat bestudeerd. De overheid heeft juridisch gezien weinig ruimte om schaarse zaken aan vaste individuen te gunnen. Dat geldt ook voor bijvoorbeeld verkoop of verhuur van objecten. In 2013 heeft de raad al het besluit genomen om ondernemers gelijke kansen te bieden. Veel fracties hebben gesproken over de gedoogtermijn. De wethouder zegt toe dat onderbouwd op te nemen in het nieuwe voorstel. Voor het bepalen van de maximale lengte van de termijn is een realistische planning nodig. Die termijn heeft de wethouder zelf ook nodig om de vele verzoeken van de fracties uit te werken, maar ook de ondernemers hebben tijd nodig om nieuwe plannen uit te werken. Zij gaat uit van een periode van een tot anderhalf jaar vanaf 1 januari 2024. Zij zegt toe de raad voor de zomer van 2023 te informeren over de planning. Het nieuwe raadsvoorstel laat, in verband met de verzoeken voor verdere branchering, langer op zich wachten. De heer Peters (D66) stelt voor om dan ook de ondernemers tijdig te informeren. Wethouder Schilderman zegt dat – natuurlijk – toe. Mevrouw Al-Saqaff (VVD) vindt de periode van één of anderhalf jaar onvoldoende om bijvoorbeeld de investeringen in het afgelopen jaar terug te verdienen.
Wethouder Schilderman legt uit dat de gedoogtermijn gebaseerd moet zijn op de termijn die nodig is om het nieuwe beleid te onderbouwen. De heer Talhaoui (PvdA) is van mening dat, gezien het vele werk voor ondernemers met het schrijven van onder andere een ondernemingsplan, de periode langer moet duren. Wethouder Schilderman herhaalt dat de lengte van de gedoogtermijn onderbouwd moet worden op basis van de tijd die nodig is om het nieuwe beleid vast te stellen.
35
De voorzitter schorst vervolgens de vergadering om 17.13 uur tot (na enige discussie) 20.00 uur.
LIJST VAN TOEZEGGINGEN Wethouder Schilderman • 40
45
44
Verslag openbare avondvergadering commissie Volksgezondheid, Onderwijs, Werk en Economie 5
10
15
20
25
30
35
Datum Locatie Verslag door
20 april 2023 Stadhuisbrug 1, Utrecht mevrouw M. de Mul (Notuleerservice Nederland)
Aanwezigen
De voorzitters Ingeborg Hornsveld en Rick van der Zweth, wethouder Eelco Eerenberg, wethouder Susanne Schilderman, de leden Mariam Al-Saqaff (VVD), Hester Assen (PvdA), David Bosch (PVV), Job van den Broek (CDA), Rik van der Graaf (ChristenUnie), Yvonne Hessel (Utrecht Solidair), Esma Kendir (Student & Starter), Julia Kleinrensink (GroenLinks), Christiaan Nyqvist (Stadsbelang Utrecht), Juriaan Otto (EenUtrecht), Ralph Peters (D66), Margreet Ramaker (VVD), Anne Sasbrink (Partij voor de Dieren), Iskender Şimşek (DENK), Anton Stam (Volt), Hessel Stellinga (CDA), Vincent Stevens (Student & Starter), Mohamed Talhaoui (PvdA), Louise de Vries (Partij voor de Dieren), Berdien van der Wilt (D66), de commissiegriffier Willemien Kok
Verslag commissie Volksgezondheid, Onderwijs, Werk en Economie Verslag openbare avondvergadering commissie Volksgezondheid, Onderwijs, Werk en Economie ........................................................................................................................................................45 Aanwezigen.....................................................................................................................................45 9. Raadsvoorstel Wijzigingsbesluit APV Utrecht 2010, standplaatsen ...........................................46 LIJST MET TOEZEGGINGEN:....................................................................................................57 8. Raadsvoorstel Technische aanpassingen Verordening huisvesting scholen gemeente Utrecht58 LIJST MET TOEZEGGINGEN:....................................................................................................59 10. Raadsbrief Aanbieden rapporten met betrekking tot Bibliotheek Utrecht .................................59 LIJST MET TOEZEGGINGEN:....................................................................................................75
De voorzitter heropent de vergadering. Hij wijst op het programma van de avond en verzoekt de commissie om te streven naar het halen van deze planning.
45
9. Raadsvoorstel Wijzigingsbesluit APV Utrecht 2010, standplaatsen De voorzitter geeft het woord aan wethouder Schilderman voor de verdere beantwoording van de vragen. 5
10
15
20
Wethouder Schilderman geeft aan dat ze de algemene duidingen, over waar het debat toe leidt, vanmiddag heeft gegeven. Het is duidelijk waar de meerderheden op ontstaan en wat dit betekent voor het voorstel dat het college zal doen toekomen. Dat heeft implicaties: er moet een onderbouwing komen en dat kost tijd. Ook voor de standplaatshouders duurt het dus langer voordat er duidelijkheid komt. Op de vraag van de VVD naar een nieuw raadsvoorstel antwoordt de wethouder dat als het voorliggende voorstel wordt aangehouden, zij met een nieuw voorstel en een nieuwe planning zal komen. De planning zegt zij toe voor de zomer, de planning voor het raadsvoorstel kan ze nog niet toezeggen. De wethouder zegt toe de standplaatshouders hierover te informeren. De wethouder is vanmiddag al ingegaan op de overgangstermijn. De wethouder is het eens met het VVD-verzoek om heldere en duidelijke communicatie over de nieuwe regels. De ondernemers worden de komende tijd meegenomen in die belangrijke stappen. Zij worden per brief geïnformeerd over de uitkomsten van dit debat, zij worden meegenomen in de planning en er zullen bijeenkomsten worden georganiseerd. Mevrouw Al-Saqaff (VVD) memoreert dat zij vroeg om een communicatieverplichting in het raadsvoorstel, zodat duidelijk wordt dat het college zichzelf oplegt om elk jaar duidelijk te communiceren met een brief en een informatiebijeenkomst.
Zij vraagt nog een toezegging daarop. Wethouder Schilderman antwoordt dat zij hier later op zal terugkomen.
25
30
35
40
45
50
Zij gaat door met de beantwoording van de vragen. Betreffende de bevoegdheid van de raad en het college geeft zij aan dat de raad wordt meegenomen in alle keuzes. Zij wil het proces niet al te erg verzwaren, en zegt toe dat er een nieuw raadsvoorstel komt. Iedere wijziging van het raadsbesluit zal langs de raad moeten gaan. De wijze waarop verdeeld wordt is onderdeel van dat voorstel. Dat neemt niet weg dat er soms nadere uitwerking nodig zal zijn. De VVD heeft gevraagd naar selectiecriteria, gevraagd naar de methode en zorgen geuit over de administratieve lasten die dat met zich mee zal brengen. De wethouder geeft aan dat zij die administratieve en investeringslasten heeft willen beperken, en daarom in eerste instantie niet heeft voorgesteld om te selecteren middels selectiecriteria. Nu dat wel de wens is nemen die lasten bij de ondernemers wel toe. Er zal wel worden gestreefd naar een beperking daarvan. Betreffende een jaarlijkse brief en de organisatie van een jaarlijkse informatiebijeenkomst zegt de wethouder toe dat er meermaals brieven zullen worden gestuurd en informatiebijeenkomsten zullen worden georganiseerd. Als gekozen wordt voor een periode van twaalf jaar vraagt de wethouder zich af of het verstandig is om ieder jaar zo’n bijeenkomst te organiseren. Dat zal wel meermaals in die periode gebeuren.
Op de vraag om rekening te houden met standplaatshouders die slecht kunnen lezen of schrijven geeft de wethouder aan dat er informatieavonden voor de standplaatshouders zullen worden georganiseerd. Als er sprake is van laaggeletterdheid wordt er aan deze personen een extra toelichting gegeven. De CVAH heeft aangegeven een rol te kunnen spelen in het ondersteunen van ondernemers hierin. De VVD heeft aangegeven dat het versterken van de wijk opgenomen moet worden als selectiecriterium. Dat heeft de wethouder opgenomen in het totaaloverzicht. De PVV heeft gevraagd naar een vergelijking met andere gemeenten en het opzoeken van de randen van de wet. De wethouder heeft bekeken wat de situatie in Utrecht anders maakt dan in andere gemeenten, waardoor het opzoeken van de randen van de wet hier moeilijker is. Dat komt omdat andere gemeenten niet afkomen van de situatie dat vergunningen voor onbepaalde tijd zijn verleend. Daarom zijn die situaties niet vergelijkbaar met de situatie in Utrecht. De gemeente wil niet het braafste jongentje van de klas zijn, maar wel besluiten nemen die houdbaar zijn. De Europese regel, die is vertaald in de Nederlandse Dienstenwet, is daarbij belangrijk. Er is bovendien een ontwikkeling merkbaar dat de eisen die aan de overheid worden gesteld om een gelijk speelveld te creëren heel hoog zijn en steeds toenemen, o.a. in jurisprudentie. 46
De heer Bosch (PVV) vraagt hoe het dan kan dat de gemeenten Houten nog vergunningen voor drie jaar afgeeft. Wethouder Schilderman geeft aan dat het besluit uit 2013 het anders maakt. Daarin is expliciet aangegeven dat de plaatsen na 2023 vrij zouden komen ter nieuwe gunning. 5
10
De heer Bosch (PVV) geeft aan dat er geen sprake is van een gelijk speelveld als alle gemeenten van alles zelf doen, waardoor men in Utrecht met de rug tegen de muur staat en men in andere gemeenten nog jaren door kan gaan. Wethouder Schilderman antwoordt dat het makkelijker zou zijn als alle gemeenten exact dezelfde verordening zouden hebben. Dat betekent wel dat de raad minder te besluiten heeft over hoe de standplaatsen in de eigen stad uit zouden moeten zien. De wethouder geeft aan dat zij niet gaat over wat andere gemeenten doen. De heer Bosch (PVV) geeft aan dat op andere plekken in Utrecht wel de randen van de wet worden opgezocht. Hij vraagt waarom het college geen mogelijkheden ziet om dat ook hier te doen.
15
20
Wethouder Schilderman antwoordt dat het instellen van een overgangstermijn het eerste punt is dat is uitgezocht. Daarvan gaven de juristen binnen de gemeente aan dat dat niet mogelijk is. Daarom is dat ook nog extern getoetst. Bovendien is het zo dat als incidenteel wel een overgangstermijn wordt aangehouden, die door een bezwaar ongedaan wordt gemaakt, vervolgens aan alle standplaatshouders gezegd zou moeten worden dat ze weg moeten. De wethouder ziet die ruimte dan ook niet.
25
Zij gaat verder met de beantwoording van de PVV-vraag of de gemeente ze weg wil hebben. Dat is niet het geval. Uit het debat van 2013 blijkt dat er toen wel een zoektocht was naar het opnieuw vergunnen van het systeem. Er was toen een duidelijke wens om het systeem anders te maken. Het huidige college heeft juist geprobeerd om, waar mogelijk binnen de wettelijke kaders, het zo veel mogelijk hetzelfde te houden. Mevrouw Hessel (Utrecht Solidair) geeft aan dat in 2013 is gezegd dat over 8 à 9 jaar geëvalueerd zou worden, samen met de standplaatshouders. Sinds 2018 is er echter niets gebeurd. Zij vraagt wat de wethouder daarvan vindt.
30
Wethouder Schilderman antwoordt dat het inderdaad beter was geweest als het beleid eerder was vormgegeven. Mevrouw Hessel (Utrecht Solidair) verwijst naar de Toeslagenaffaire, waar de burgers eveneens de dupe van waren. Ook nu is dat het geval en worden er excuses gemaakt door de overheid. De standplaatshouders mogen niet de dupe worden van het wanbeleid van de gemeente.
35
40
45
50
Wethouder Schilderman gaat verder met de beantwoording van de vraag van de PVV naar het debat in 2013. In dat debat zijn ook moties ingediend over het borgen van een gelijk speelveld tussen zittende standplaatshouders en nieuwe toetreders. Er is ook gesproken over het direct aanbesteden aan bepaalde partijen, maar daar is toen niet voor gekozen. Er is expliciet gekozen voor een overgangstermijn. Verder vroeg de PVV naar de juridische ruimte, waarbij werd gerefereerd aan de uitgebreide gesprekken die daarover zijn gevoerd. De wethouder is het ermee eens dat er zo snel mogelijk duidelijkheid moet komen. Zowel de juristen van de gemeente als van de CVAH hebben aangegeven dat er sprake is van schaarse vergunningen. Die kunnen alleen voor een tijdelijke periode worden verleend. Verder vroeg de PVV naar de reden van de vertragingen. De wethouder geeft aan dat de communicatie naar de standplaatshouders beter had gekund. De coronacrisis was van invloed op het vrijmaken van ambtelijke capaciteit voor het standplaatsenbeleid. Op dat moment was de focus gericht op het ondersteunen van ondernemers. Daarnaast is in het Rekenkamerrapport bevestigd dat Utrecht een vrij kleine ambtelijke organisatie heeft, zeker op het gebied van economische zaken. Daardoor is het dossier pas later naar voren gekomen. De PVV vroeg verder naar het moment dat is besloten dat het anders moest.
Dat is in 2013 door 47
5
de gemeenteraad besloten. Op de vraag van GroenLinks over de Dienstenwet geeft de wethouder aan dat ze kan beamen dat er een verschil zit tussen wet en rechtspraak. De Dienstenrichtlijn uit 2006 is in Nederland vertaald in de Dienstenwet van 2009. De latere duiding doet niets af aan het feit dat de wet al in werking getreden was. Schaarse rechten en het bieden van gelijke kansen vallen ook onder de beginselen van behoorlijk bestuur. Zo zijn er meer richtlijnen waarbij de overheid gehouden is aan een gelijk speelveld, bijvoorbeeld het Didam-arrest. Mevrouw Al-Saqaff (VVD) vraagt of het klopt dat de vertaling van de Dienstenrichtlijn in de Dienstenwet na 2013 was.
10
15
20
25
30
35
Wethouder Schilderman antwoordt dat het woord ‘vertaling’ voor verwarring zorgt. Er zijn later uitspraken geweest waarbij de rechter heeft aangegeven dat het onder de reikwijdte valt. De wet is niet aangepast, maar er is jurisprudentie over gekomen. Zij gaat door met de beantwoording van de vraag van GroenLinks over snelle duidelijkheid. Zij heeft al iets aangegeven over de planning. Daarbij merkt zij op dat de vragen over brancheren en selecteren zorgen voor een lagere gedoogtermijn en voor een latere duidelijkheid voor standplaatshouders. GroenLinks heeft verder gevraagd naar branchering en daar voorkeuren bij aangegeven. Betreffende de vraag naar marktonderzoek en stadsbreed brancheren geeft de wethouder aan dat daar de komende tijd onderzoek naar wordt uitgevoerd. Bij het brancheren naar wijk moet sprake zijn van algemeen belang, dat moet worden onderbouwd. Hoe meer er gebrancheerd wordt, hoe moeilijker het is om te onderbouwen. Verder stelde GroenLinks dat selectiecriteria niet te ingewikkeld moeten zijn en eerder via een commissie dan via een knock-out-systeem. Dat begrijpt de wethouder. Zij geeft aan dat bij de beoordeling door een commissie sprake moet zijn van objectiveerbare criteria. Zij heeft de indruk dat een meerderheid van de partijen voor het instellen van een selectiecommissie is. Als er partijen zijn die dat anders hadden bedoeld hoort zij dat graag.
Op de vraag van GroenLinks over de mogelijkheden van een gedoogtermijn is zij vanmiddag al verschillende keren op in gegaan. Volt heeft gevraagd naar de verwachtingen die destijds gecreëerd zijn over het gelijke speelveld, en hoe de gunning er later uit zal zien. De toenmalige wethouder gaf destijds aan dat anciënniteit ingewikkeld was en dat de raad zich daar later over zou moeten uitspreken. Het is wel ter sprake gekomen, waarbij is aangegeven dat het onderbouwd moest worden, maar het is niet opgenomen als een van de afspraken en ook niet op die wijze gecommuniceerd. Mevrouw Hessel (Utrecht Solidair) geeft aan dat in de brief van 2013 was opgenomen dat men op dat moment een vergunning zou krijgen, en dat de vergunningverlening in de toekomst waarschijnlijk op basis van anciënniteit zou plaatsvinden. Ze vraagt de wethouder of zij ook vindt dat dat dan automatisch wordt aangenomen.
40
Wethouder Schilderman antwoordt dat in 2013 is gecommuniceerd dat na de vergunningsperiode de plek beschikbaar zou komen voor gunning en dat belangstellenden zich zouden kunnen inschrijven voor deze locatie. Het is niet aangegeven dat dat op basis van anciënniteit zou gebeuren. Er is in het debat wel besproken maar dat is niet toegezegd en ook niet vastgesteld.
45
Mevrouw Hessel (Utrecht Solidair) richt zich op de brief die op 20 november 2013 aan de standplaatshouders is gestuurd. Daarin is gevraagd of men een vergunning van 5 of 10 jaar wilde, en dat er daarna een gunning zou plaatsvinden. In de brief die een maand later is verstuurd staat dat het waarschijnlijk op basis van anciënniteit zou gebeuren. Ze vraagt de wethouder of zij vindt dat de mensen dat dan ook aan mochten nemen.
50
Wethouder Schilderman antwoordt dat zij al eerder heeft aangegeven dat in directe communicatie altijd is gezegd dat de vergunning vrij zou komen. Aan de reacties is te zien dat dat voor sommige mensen niet duidelijk is geweest. Er is aangegeven dat een van de gunningscriteria anciënniteit zou kunnen zijn. Dat is iets heel anders dan dat het waarschijnlijk zou zijn, dat het afgesproken zou zijn of dat daar rechten aan ontleend zouden kunnen worden. 48
Mevrouw Hessel (Utrecht Solidair) geeft aan dat ze het heeft over wat in de laatste brief is vermeld: “u krijgt een vergunning, als er te zijner tijd wordt verlengd dan is het waarschijnlijk op basis van anciënniteit.” Wat er is gezegd is niet meer na te trekken, wat er zwart-op-wit staat is van juridisch belang. 5
10
Wethouder Schilderman antwoordt dat het woord “waarschijnlijk” er niet in staat. Ze gaat verder met het verzoek van Volt om een third opinion. Ze geeft aan dat de raad daar zelf mee bezig is, en dat ze razend benieuwd is wat er gevraagd is en hoe het eruit komt te zien. Verder vroeg Volt naar wat er nodig is voor een verdere besluitvorming. Wat zou helpen is als de partijen zich duidelijk uitspreken over hoe zij het proces zouden willen zien. Dan gaat het over de op te nemen selectiecriteria, waar de wethouder al een meerderheid op heeft gezien, maar ook over de wijze van selecteren. De heer Stam (Volt) geeft aan dat hij specifiek vroeg naar wat de raad moet doen om ervoor te zorgen dat het college een voorstel voor een overgangstermijn gaat uitwerken.
15
Wethouder Schilderman antwoordt dat zij heeft aangegeven dat een overgangstermijn juridisch zo kwetsbaar is dat ermee een verkeerd beeld aan standplaatshouders wordt gegeven, namelijk dat het houdbaar zou zijn. Dat voorstel gaat zij niet doen. De heer Stam (Volt) geeft aan dat als de raad, ondanks het advies om het niet te doen, toch een overgangstermijn wil bieden, het college dat dan toch gaat voorstellen. Hij vraagt welke stappen de raad zou kunnen zetten om het college in die richting te laten bewegen.
20
Wethouder Schilderman antwoordt dat er een motie ingediend zou kunnen worden. Zij zou dat afraden om de reden die ze eerder benoemde. De heer Stam (Volt) zegt dat er tijdens de afgelopen raadsvergadering een motie is ingediend met die strekking. De raad is dus al bezig geweest om die richting op te bewegen.
25
30
35
40
45
Wethouder Schilderman antwoordt dat haar is gevraagd om onderzoek te doen naar de mogelijkheden, en daar zo welwillend mogelijk naar te kijken. Zij heeft toen aangegeven dat dat in de periode hiervoor ook is gebeurd. Dat is in de technische sessie aan bod gekomen. In de brief die de commissie na het raadsdebat heeft ontvangen staat meer over de opties die zijn onderzocht. Zij gaat verder met de beantwoording van de vraag van Volt waarom loting in het raadsvoorstel staat. De wethouder heeft gevraagd om dit voorstel aan te houden zodat zij met een nieuw voorstel kan komen. Zij kan het voorliggende voorstel namelijk niet intrekken. Verder vroeg Volt naar het tijdspad. De wethouder heeft toegezegd voor de zomer een brief met een uitgebreide plannen te versturen. Verder vroeg Volt naar wat er nodig is om zekerheid te bieden aan standplaatshouders in het algemeen. Die zekerheid komt er door zo snel mogelijk vast te stellen wat de methode van selectie wordt. Hier wordt op dit moment hard aan gewerkt, maar de snelheid waarmee dit gaat is ook afhankelijk van hetgeen de commissie wenst uit te werken. Het betekent dat er ruimte is om langer te gedogen, maar ook dat het langer duurt voordat de standplaatshouders weten op welke plek zij komen te staan.
Mevrouw Hessel (Utrecht Solidair) verwijst naar het feit dat de advocaat van de branchevereniging heeft gezegd dat gedogen het allerslechtst is. Men kan daar niet tegen in beroep en het geeft extra spanning terwijl men al zo lang in spanning zit. Zij vraagt waarom het advies van die advocaat voor het instellen van een overgangstermijn niet wordt overgenomen. Wethouder Schilderman antwoordt dat zij eerder is ingegaan op de overgangstermijn. Voor wat betreft het gedogen geeft zij aan dat dit wordt voorgesteld omdat het meer tijd kost om met het andere voorstel te komen. Mevrouw Hessel (Utrecht Solidair) zegt dat dit komt omdat er vier jaar lang niets gedaan is. In 2019 is al gevraagd waar het nieuwe beleid blijft, maar pas in 2023 komt het college met een 49
voorstel, waarbij zij aangeeft dat de extra benodigde tijd door de raad komt. Zij vraagt of de wethouder dat geen kromme redenering vindt.
5
Wethouder Schilderman antwoordt dat zij al heeft aangegeven op welke momenten actie is ondernomen. Zij bestrijdt dat exact hierover vier jaar geleden vragen zijn gesteld en geeft toe dat het beter was geweest dat dit in een eerder stadium zou zijn opgepakt.
10
Ze gaat verder met de beantwoording van de vragen van D66. Op de vraag over snelheid heeft zij al antwoord gegeven, net als op de vraag over branchering. Verder vroeg D66 naar het onderzoeken van de behoefte in de wijk en op basis daarvan te brancheren. De wethouder geeft aan dat er nader onderzoek nodig is om het op wijkniveau te onderbouwen. D66 vraagt naar consumentenonderzoek. De wethouder geeft aan zich in eerste instantie te baseren op onderzoek dat al is gedaan, maar er zullen genoeg bureaus zijn die op basis van passantendata en kennis van de bestaande detailhandelsstructuur een uitspraak kunnen doen over branchering hiervoor.
15
Mevrouw Al-Saqaff (VVD) vraagt of het klopt dat in de raadsbrief van het college staat dat bescherming van de consument een belangrijke reden is om branchering te kunnen toepassen. Wethouder Schilderman antwoordt dat klopt.
20
Mevrouw Al-Saqaff (VVD) geeft aan dat het dan logisch is dat er per wijk kan worden gebrancheerd, en zelfs per standplaats. Als het gaat om bescherming van de consument dan moet rekening worden gehouden met wat de bewoners al een tiental jaar in hun wijk gewend zijn. Ze vraagt of de wethouder dat ook erkent.
25
Wethouder Schilderman antwoordt dat in de brief is aangegeven dat de mate van branchering onderbouwd moet worden. Hoe specifieker die wordt, hoe moeilijker de onderbouwing. De algemene inschatting is dat dat op stadsniveau kan, op wijkniveau verwacht zij ook dat er ruimte voor is. Bij specifieke plekken is dat lastiger. Zo zal het bij de begraafplaats waarschijnlijk wel lukken, maar dat betekent niet dat het op iedere plek ook zal lukken. Mevrouw Al-Saqaff (VVD) zegt dat diversificatie als aparte reden is benoemd, net als bescherming van de consument. Zij weet niet wat wordt bedoeld met bescherming van de consument. Zij vraagt om een nadere toelichting daarop.
30
35
40
45
50
Wethouder Schilderman antwoordt dat het niet zozeer gaat om wat het college ermee bedoelt, maar welke ruimte de wet geeft. Zij heeft toegezegd dat er verder onderzoek wordt gedaan naar hoe dit kan worden toegepast. De wens van de raad om branchering is heel helder. Zij gaat verder met het verzoek van D66 om te kijken naar een gering aantal selectiecriteria. Zij heeft iets gezegd over het versterken van de wijk. Zij hoort geen meerderheid in de raad over het opnemen van een criterium over duurzaamheid. Verder vraagt D66 naar de mogelijkheid om verschillende criteria voor verschillende wijken te hanteren. Dat lijkt de wethouder niet wenselijk. Dat betekent dat als voor de ene plek wordt ingeschreven aan andere criteria moet worden voldaan dan als voor een andere plek wordt ingeschreven. Dat betekent dat standplaatshouders die gedurende de week op verschillende plekken in de stad staan telkens aan andere selectiecriteria moeten voldoen. De wethouder verwacht dat het onderzoek naar brancheren in de wijk al oplossingen kan bieden. Zij is al ingegaan op de gedoogperiode. Utrecht Solidair heeft gevraagd of het besluit uit 2013 al toezag op het weghalen van standplaatshouders, en of dit iets te maken had met de Europese Unie.
De wethouder geeft aan dat zij afgelopen dinsdag al heeft aangegeven dat de zoektocht vanaf het begin van het traject was naar de vraag of het mogelijk was om de huidige vergunningen te verlengen. Zowel de interne als de externe advocaat heeft hier negatief op geantwoord. Dat heeft niet alleen te maken met de EU-wetgeving, maar ook met het besluit uit 2013 en de beginselen van behoorlijk bestuur. De overheid is aan een heel streng kader gehouden als het gaat om het verdelen van schaarse vergunningen. Dat was al de inschatting in 2013 en lag ten grondslag aan het besluit dat toen is genomen. 50
Mevrouw Hessel (Utrecht Solidair) zegt dat in 2013 het onderwerp schaarse vergunningen nog helemaal niet bestond. Dat is pas later ontwikkeld. Het hoofd Vergunningen zei dat ze al heel lang van de standplaatsen af wilden, los van de EU-wetgeving. Zij vraagt aan de wethouder of dat klopt. 5
10
15
20
25
30
Wethouder Schilderman herinnert zich deze uitspraken niet vanuit de technische sessie. De bedoeling nu is niet om het aantal standplaatsen weg te halen. Het aantal standplaatsen blijft gelijk en er wordt bekeken of er meer standplaatsen kunnen worden toegevoegd. Ook in het besluit van 2013 wordt gezocht naar het behouden van standplaatsen. Wellicht dat er wel een bedoeling is geweest om het beleid aan te passen, maar daarmee niet persé om standplaatshouders weg te halen. Zij gaat verder met het bespreken van de casus Utrechtse Heuvelrug. In de betreffende uitspraak ging het om een situatie dat vergunningen voor onbepaalde tijd werden omgezet naar bepaalde tijd. Daarbij oordeelde de rechter dat het verlenen van een vergunning voor twee keer drie jaar als overgangsperiode onredelijk was, omdat deze termijn als tekort werd gezien voor de terugverdientijd. Dat is dezelfde suggestie die gedaan werd in de uitspraak in Nijmegen. Maar in Utrecht is deze periode van tien jaar gegeven en dus niet van twee keer drie of een keer vijf. Het CDA heeft gevraagd naar branchering. Daar is de wethouder al op in gegaan. Het CDA vroeg verder naar criteria, De wethouder ziet dat alleen het stuk voor de wijk en de buurt een meerderheid heeft, dus die neemt zij op in de wijziging. Het CDA vroeg verder waarom een aantal selectiecriteria zijn afgevallen.