Conceptverslag Commissie Volksgezondheid Onderwijs Werk en Economie 23 maart 2023.docx
Tekst van het document
25
De heer Stam (Volt) hoort dat de wethouder zegt dat er dingen zijn die mogelijk zijn, en vraagt of de wethouder branchering dan ook gaat toevoegen aan het beleid dat zij voorstelt.
30
De wethouder antwoordt dat zij verder wil uitwerken welke opties daarin zijn. Voor een branchering waarbij na de vestiging van één kaasboer geen tweede of derde op hetzelfde plein wordt toegestaan hoort zij steun. Zij hoort de raad echter ook zeggen dat een specifieke branchering per plek mogelijk moet zijn. De wethouder geeft aan dat het zeer te betwijfelen is dat dat mogelijk is. Daarom wordt dit verder uitgewerkt. Voor wat betreft het eerste deel wil zij toezeggen dat zij dat opneemt in het beleid, mits dat mogelijk is. Voor het bredere stuk wil zij eerst het juridisch advies bespreken.
35
De heer Stam (Volt) vraagt waarom dat nog niet in het beleid zit dat de wethouder voorstelt, als VBK zegt dat het juridisch mogelijk zou zijn. De wethouder antwoordt dat er in eerste instantie werd gedacht dat er minder ruimte voor was. De afgelopen tijd is hierover steeds verder aanvullend advies gevraagd. Er zijn nu ook opinies van externen ontvangen. Er lijkt nu een kleine verschuiving in het juridisch advies te ontstaan, maar die leidt nog niet tot een duidelijke toezegging van de wethouder.
40
45
De heer Stam (Volt) vraagt of de wethouder zegt dat het beleid dat er nu ligt, met de kennis van vandaag niet opnieuw zo geschreven zou worden. De wethouder antwoordt dat zij heeft aangegeven dat de mogelijkheden voor branchering wel beperkt zijn. Zij wil niet het beeld geven dat iedere vorm van branchering tot de opties behoort. Misschien zijn er in tweede instantie, in specifieke situaties zoals zij heeft beschreven, iets meer mogelijkheden dan dat er in eerste instantie werd gedacht. Ze baalt dat dat nu naar boven komt. Mevrouw Al-Saqaff (VVD) geeft aan dat de commissie nu heel hard moet duwen en trekken om van de wethouder toegezegd te krijgen dat ze nog met anderen gaat spreken. De VVD vraagt wat 50
de wethouder van haar eigen informatiepositie vindt als ze zegt dat ze nu nog onderzoeken krijgt en verdere gesprekken gaat voeren.
5
10
De wethouder antwoordt dat ze juist is begonnen met aan te geven dat ze die gesprekken aangaat. Dit is al eerder onderbouwd, ook met de juridische opinie die de commissie eerder heeft ontvangen. Er zit dus al een second opinion bij. Ze deelt de frustratie met de VVD dat er toch andere juridische opinies binnenkomen. Mevrouw Al-Saqaff (VVD) had verwacht dat de wethouder zich had verdiept in de andere juridische opinies bij zo’n gevoelig onderwerp. Ze maakt zich zorgen over de informatiepositie van de wethouder en wil haar vragen of ze het gevoel heeft dat ze, als ze met een nieuw voorstel komt, echt een goede afweging heeft gemaakt ook met de opinies van de advocaten van de standplaatshouders. De wethouder betreurt ook dat CVAH niet eerder in gesprek is gekomen en is blij dat dat alsnog gebeurt. Tot een hoe sterke eensluidende opinie zal worden gekomen, dat moet uit het gesprek blijken.
15
De heer Talhaoui (PvdA) merkt op dat er nog steeds juridische opinies worden ontwikkeld. Hij vraagt hoe zeker het is dat het voorstel dat er straks komt juridisch dichtgetimmerd is.
20
De wethouder antwoordt dat het gebruikelijk is dat de eigen juristen er een juridische onderbouwing bij maken, en in gevoelige situaties wordt een second opinion gevraagd. Dat is in dit geval gedaan. Nu geven meerdere juristen verschillende opinies die eigenlijk allemaal gaan over wat er onderbouwd kan worden. Alles moet worden onderbouwd op basis van beleid. De wethouder zegt nogmaals toe met de drie genoemde partijen om de tafel te gaan en op basis daarvan het stuk te schrijven dat zij heeft toegezegd. De verschillende gezichtsvelden zullen in één stuk gecombineerd worden.
25
De heer Talhaoui (PvdA) zegt dat het begint met de politieke wil om ergens te komen, en vraagt de wethouder om die wil uit te spreken.
30
De wethouder antwoordt dat de wil van het college is dat er een zo helder, transparant en eerlijk mogelijk systeem komt voor de verdeling van deze schaarse vergunningen. Er is maximaal gekeken naar de verschillende opties die daar in zitten. Het college is tot een opinie gekomen waarvan zij denken dat het de beste optie is. De raad geeft nu aan dat zij meer interesse heeft in die andere optie. De wethouder wil dit heel helder inzichtelijk maken. Zij denkt dat loten nog steeds de betere optie zal zijn, en dat is de reden dat het college dat heeft voorgesteld. Maar als deze raad daarna nog zegt dat ze liever punten wil scoren, dan behoort dat tot de mogelijkheden en daar kan de raad toe beslissen. De wethouder zal haar best doen om ervoor te zorgen dat de raad een goede afweging kan maken.
35
De heer Nyqvist (Stadsbelang Utrecht) is benieuwd of de wethouder heeft stilgestaan bij zijn variant vanuit privaat-publiek naar privaat-privaat. De voorzitter geeft aan dat die vraag is gesteld in de bijdrages en de wethouder zal die dus beantwoorden.
40
45
50
De wethouder gaat verder met de beantwoording van de vragen, en stelt de vraag over de schaarste van de vergunningen aan de orde. Dit heeft betrekking op het feit dat er een beperkt aantal vergunningen is in de openbare ruimte waarmee standplaatsen dus schaars zijn. Het CDA stelde een aantal opties voor mogelijke criteria voor. Ten eerste de lokale binding. Selectiecriteria zijn mogelijk maar dit is wettelijk wel beperkt. Dit moet worden onderbouwd op basis van het discriminatieverbod en dwingende reden van algemeen belang. Dit is in de Dienstenrichtlijn niet gedefinieerd als het private belang van specifieke ondernemers. Maar als er wordt getoetst op lokale binding dan is de vraag of dat soelaas biedt voor de ondernemers. Veel van de huidige standplaatshouders hebben hun onderneming niet in Utrecht gevestigd. De wethouder denkt dat er gerede kans is dat veel van de huidige ondernemers niet teruggezien zullen worden. Selectie op lokale binding resulteert al snel in een discriminerend aspect. Als hiermee wordt bedoeld dat het klantenbestand lokaal is, dan gaat dat in tegen het gelijke 51
speelveld en daarmee tegen de vrije toegang voor nieuwe ondernemers. Hierdoor is geconcludeerd dat criteria geen betere optie bieden voor de verdeling van de standplaatsen. De wethouder zegt nogmaals toe dat dit nogmaals wordt onderbouwd, met verschillende juristen en aan de commissie wordt toegezonden. 5
De heer Stellinga (CDA) is blij met die toezegging, maar merkt op dat de wethouder zich vooral uitdrukt in waarschijnlijkheden. Hij is dan ook benieuwd naar wat de juristen hierover gaan zeggen en hoopt dat dat iets stelliger is dan de wethouder nu is. De wethouder antwoordt dat zij zich daar ten zeerste voor zal inspannen, hoewel dat voor juristen soms een uitdaging is.
10
Zij vervolgt de beantwoording van de vragen door te wijzen op het criterium voor kwaliteit, dat moeilijk objectief te maken is en daardoor moeilijk te toetsen. Nieuwe ondernemers kunnen bovendien ook heel veel kwaliteit bieden. De heer Stellinga (CDA) stelt voor om een commissie in te stellen die hier verstand van heeft, zoals er ook een welstandscommissie is.
15
20
25
De wethouder geeft aan dat er is gekeken naar alle mogelijkheden, en ook naar welke leidt tot een beter resultaat. Voor het bepalen van de kwaliteit van standplaatsen heeft de gemeente geen beleid, anders dan bij de welstand. De Welstandsnota geeft een hele lijst aan ruimtelijke criteria die dit soort aanvragen ook heel complex maken. Het is vaak ontzettend moeilijk om aan die Welstandsnota te voldoen. De wethouder geeft aan dat dit opnieuw wordt uitgezocht en wordt gekeken naar de mogelijkheden daarin, maar ze vraagt zich af of dan de situatie wordt bereikt die zowel het CDA als het college prettig zou vinden. De wethouder gaat verder met de beantwoording van de vragen. Het CDA vroeg verder te kijken naar selectiecriteria in plaats van loting. Een puntentelling op basis van criteria en een beoordeling daarvan behoort tot de mogelijkheden maar het college is van mening dat loting de minst kwade oplossing is, zeker voor de zittende ondernemers. De heer Stellinga (CDA) hoort dat de wethouder nog steeds vast houder aan loting. Hij neemt aan dat de wethouder niet wegloopt voor de politieke realiteit dat de meerderheid van de raad loting afwijst.
30
35
40
45
50
De wethouder antwoordt dat als de raad, na een betere bestudering van de feiten, zegt dat dat de betere optie is dan is dat natuurlijk hetgeen zal worden uitgevoerd. Zij voelt zich wel geroepen om aan te geven wat het college verstandig acht, en waarom zij dat vinden. Dat is gedaan vanuit de gedachte wat er allemaal tegelijkertijd verandert voor de lokale ondernemers. Het betekent dat de ondernemer moet scoren op een heel aantal kwaliteiten die nieuw zijn en waar niet alle zittende ondernemers in gelijke mate goed op zal kunnen scoren. Dat betekent dat er heel veel verandert en er veel meer gevraagd zal worden van deze groep. De wethouder vindt het wel haar taak om dat uit te leggen. Zij gaat vervolgens in op de vraag of het een politieke keuze is, als blijkt dat er juridisch gezien weinig mogelijk is. De wethouder geeft aan dat het college hiervoor niet heeft gekozen omdat zij het moeilijk willen maken voor lokale ondernemers. Sterker nog, met die politieke bril op hebben zij bekeken wat zij zouden kunnen doen om zo eerlijk en gelijk mogelijke kansen te maken, juist voor de zittende ondernemers. Op de vraag of er, naast duurzaamheid en circulariteit, andere criteria mogelijk zijn antwoordt de wethouder dat die mogelijk zijn maar wel beperkt. Ze moeten een basis in beleid hebben, ze moeten voldoen aan het algemeen belang en er mag niet gediscrimineerd worden.
Verder is gevraagd waarom het CVAH niet is betrokken. De wethouder geeft aan dat in oktober met hen contact is geweest met het doel om hen te betrekken in het proces rondom de standplaatsen. Tijdens het contact heeft het CVAH aangegeven dat zij daar geen rol in konden spelen omdat de gemeente geen lid daarvan was. Pas recentelijk hoorden wij dat die bereidheid er wel was. Gezien de huidige betrokkenheid moet er sprake zijn geweest van een misverstand. De poging is toen wel gedaan. Met de kennis van nu had er veel harder op aangedrongen moeten worden. 52
5
Op de vraag van de PVV over de informatieavond antwoordt de wethouder dat die zeker beter had gekund. Ze wil tegenspreken dat de avond erop gericht was dat er zo min mogelijk vragen gesteld konden worden. De bedoeling was om eerst dingen plenair toe te lichten om daarin in te gaan op zaken die bij iedereen spelen en juist in kleinere tafels te zitten met een hele hoop ambtelijk betrokkenen zodat er juist zoveel mogelijk vragen konden worden gesteld. De ondernemers hebben ook heel veel vragen gesteld, vele daarvan zijn ter plekke beantwoord en sommige zijn later beantwoord. Er zijn er enkele die om een verdere uitwerking vragen. Ook bij loting moet de verdere uitwerking nog uitgezocht worden zodat dat proces goed gaat verlopen.
10
De heer Bosch (PVV) vraagt de wethouder te applaudisseren voor haarzelf, en een reactie te geven op de bejegening door degene die door de gemeente die avond was ingehuurd. Mevrouw Kendir (Student & Starter) wijst op de normen die zijn afgesproken rondom het voeren van debatten. De heer Bosch (PVV) wijst erop dat de raad zich blijkbaar ook ongemakkelijk voelt nu zij zo bejegend worden als de standplaatshouders tijdens die avond.
15
20
25
30
35
De wethouder antwoordt dat zij heeft gezegd dat de informatieavond op dat vlak niet goed is gegaan. Dat heeft zij ook van veel ondernemers op die avond en erna gehoord. Dat is absoluut niet de bedoeling geweest. De opmerkingen en suggesties daarover neemt zij mee in het verdere proces. Mevrouw Al-Saqaff (VVD) geeft aan dat de verwijzing van de PVV naar het applausje-voor-jezelf een verwijzing was naar de informatieavond en niet een aanval op de wethouder. De wethouder gaat verder met de vraag of de gemeente ook niets kan doen, zoals dat in andere landen ook niet gebeurt. Helaas is niets doen geen optie, want in 2013 is door de raad aangegeven dat dit de laatste periode is die maximaal tien jaar duurt. Per 1 januari 2024 eindigt dan ook de vergunning. Als we niets zouden doen eindigen dan alle vergunningen voor standplaatsen. Verder vroeg de PVV naar de adviezen van andere instanties. De gisteravond ontvangen reactie van de branchevereniging wordt bestudeerd en van reactie voorzien. Met het CVAH wordt het traject verder ingegaan om een heleboel zaken gezamenlijk te bespreken en van een richting te voorzien. Op de vraag of de wethouder contact op kan nemen met buitenlandse collega’s antwoordt zij dat zij inderdaad in Kopenhagen is geweest. De Europese regels gelden in alle landen die deel uitmaken van de Europese Unie.
Die landen moeten die Europese regels in hun eigen wet- en regelgeving opnemen en toepassen. In Nederland is dat de Dienstenwet. Dit gebeurt ook in andere gemeenten. In Utrecht komt dat nu zo sterk naar voren omdat hier in 2013 actief is besloten tot een bepaald tijd-constructie. Dat betekent dat veel gemeenten nu in een overgangsfase zitten, maar die optie is er in Utrecht niet. De heer Bosch (PVV) geeft aan dat het in Bunschoten wel kan. De Dienstenregel kwam pas in 2016 naar boven. Hij vraagt waarom het niet nog een keer kan.
40
45
50
De wethouder antwoordt dat die Dienstenregel al van eerder is, maar in 2016 is daar verder richting aan gegeven op welk wijze deze vergunning van toepassing is. In Utrecht was het al geen vergunning van onbepaalde tijd meer, wat de situatie anders maakt. Verder lopen alle vergunningen in Utrecht op hetzelfde moment af. Dat is in veel gemeenten ook anders. Zij vervolgt haar beantwoording door in te gaan op de criteria die door de PVV zijn genoemd. Zij geeft daarbij aan al te hebben toegezegd dat alle mogelijke criteria verder in beeld gebracht zullen worden, maar dat de wettelijke mogelijkheden wel beperkt zijn. Op de vraag van Utrecht Solidair naar een overgangstermijn laat de wethouder weten dat daar nogmaals met het CVAH over wordt gesproken. In 2013 is er expliciet besloten tot een overgangsperiode. Hierover is VBK helder, door aan te geven dat zij verlenging van de bestaande schaarse vergunningen niet als een juridisch houdbare optie ziet. Verder werd gevraagd naar een vergelijking met andere gemeenten. Sommige gemeenten zijn al eerder overgegaan van vergunningen voor onbepaalde naar bepaalde tijd. De reikwijdte van de 53
Dienstenrichtlijn was in 2013 nog niet bekend, maar de raad heeft in 2014 expliciet besloten dat de toenmalige standplaatshouders als overgang nog één keer voorrang zouden krijgen bij vergunningverlening, met opties voor vijf of tien jaar. De vergunninghouders hebben hun voorkeur doorgegeven en daarop is hun vergunningstermijn gebaseerd. 5
10
15
20
25
De heer Bosch (PVV) vraagt hoe eerlijk de wethouder het speelveld vindt als alle gemeenten het anders doen. Hoe eerlijk is het voor standplaatshouders om straks überhaupt nog ergens terecht te komen? De wethouder antwoordt dat zij hebben gestreefd naar een systeem dat tot de meest gelijke kansen leidt. De Dienstenwet is er helder over dat alle gemeenten eraan zullen moeten voldoen. Dat de situatie in Utrecht anders is door besluiten die eerder zijn genomen is nu heel vervelend, maar wel de realiteit. Zij vervolgt haar beantwoording door in te gaan op de vraag of het college bereid is om te lobbyen en aan te geven dat het belang van deze ondernemers onevenredig geraakt wordt. In de Tweede Kamer is dit ook al aan de orde gekomen. De minister heeft de Dienstenwet uitgelegd naar aanleiding van vragen. Nieuwe toetreders verdienen volgens haar een kans. De wethouder kan zich voorstellen dat het goed is om de effecten hiervan in Den Haag verder onder de aandacht te brengen. Dat zal de wethouder doen en ze zal daarover een stevige lobby voeren. Ze wil echter geen beeld scheppen dat er dan een optie is om niet aan de wet te voldoen. De wethouder reageert vervolgens op de vraag over vraag en aanbod van standplaatshouders. Het precieze aantal van geïnteresseerden is niet bekend. Er staan op dit moment ook geen nieuwe vergunningen open dus ze kunnen zich ook niet melden.
Toch hebben zich in de afgelopen periode circa 20 geïnteresseerden in Utrecht gemeld. De wethouder kan niet aangeven of dat een totale weergave is van de vraag. De heer Peters (D66) vraagt of er een betere peiling op kan plaatsvinden, zodat er beter zicht op komt. De wethouder antwoordt dat de vraag van nieuwe toetreders dan aangewakkerd wordt, die allemaal een kans op een nieuwe vergunning moeten krijgen. Als dat gewenst is kan dat verder worden onderzocht en onder de aandacht worden gebracht.
30
Zij vervolgt de beantwoording door in te gaan op de mogelijkheid tot het creëren van nieuwe plaatsen. In de brief is vermeld dat daar dan ook goede locaties voor gevonden moeten worden, waarbij het college met circa tien nieuwe plekken rekent. Voor nieuwe plekken wordt gezocht op de locaties waar de stad groeit. De heer Peters (D66) zou graag een inspanning zien om te bekijken wat er maximaal nodig is, en niet te beperken tot tien plekken.
35
De wethouder antwoordt deelt dat en wil maximaal kijken wat mogelijk is. Dat moeten wel goede plaatsen zijn. Dat zal tijd vragen en niet in dit proces mee kunnen gaan.
40
Zij vervolgt haar beantwoording door in te gaan op de suggestie om parkeerplaatsen te verwijderen voor het creëren van standplaatsen. Zij geeft aan zo breed mogelijk te gaan zoeken. Verder werd er gevraagd naar wat er kan worden gedaan voor standplaatshouders die na het systeem geen plek hebben. Voor standplaatshouders is bij Ondernemer Centraal een speciaal contactpersoon ingericht. Die kan verder helpen als het gaat om businessplannen en bedrijfsvoering maar ook helpen bij schulden en andere problemen.
45
Mevrouw Al-Saqaff (VVD) meldt dat er flinke investeringen worden gedaan voor een nieuwe kraam, van wel 250.000 euro. Zij vraagt hoe de wethouder daarop reflecteert en of zij daar een potje voor heeft. De wethouder antwoordt dat zij daar geen potje voor heeft. Via Ondernemer Centraal worden veel verschillende vormen van dienstverlening gedaan.
54
Mevrouw Al-Saqaff (VVD) vraagt of de wethouder erkent dat de ondernemers, terwijl ze niet wisten dat er loting aan zou komen, investeringen hebben gedaan die ze nooit meer terug kunnen verdienen als loting doorgaat. 5
De wethouder antwoordt dat in 2013 is besloten voor een vergunning voor tien jaar. Die zou dus altijd aan het einde van dit jaar aflopen. Loting of vergunnen op basis van criteria maakt daarvoor niet uit. Mevrouw Al-Saqaff (VVD) geeft aan dat in 2013 nog het idee was dat de vergunningen op de normale manier wel of niet verlengd zouden kunnen worden. Er is niet op tijd gecommuniceerd dat er andere regels zouden gelden. De investeringen zijn dus gedaan.
10
15
De wethouder antwoordt dat in de brief uit 2013 is aangegeven dat er niet automatisch recht is op de plek en dat die opnieuw beschikbaar zou komen. Geïnteresseerden zouden zich daar voor in kunnen schrijven. De standplaatshouders hadden in de periode daarna daar vaker aan herinnerd kunnen worden. Ze gaat vervolgens in op de vraag of ondernemers op meerdere dagen of met tijdsloten kunnen werken. Per standplaatslocatie is een vast aantal dagen per vergunning beschikbaar. Op sommige locaties worden meerdere tijdsloten uitgegeven. De heer Peters (D66) vraagt of dat verruimd kan worden.
20
De wethouder antwoordt dat op sommige plekken verruiming niet mogelijk is, omdat ze al volledig vergund zijn. Op het moment dat iemand aangeeft dat op een bepaalde plek verruiming een optie zou kunnen zijn wordt bekeken of dat past. De wethouder staat daar welwillend tegenover. Voor wat betreft de voorgestelde task force laat de wethouder weten dat er al sprake is van een projectgroep. Als het helpt om dat een task force te noemen zal dat gebeuren. De gedachte wordt in ieder geval overgenomen.
25
De heer Peters (D66) meldt dat het een groep zou moeten betreffen die volledig bezig zou moeten zijn om te zorgen dat dit probleem zo snel mogelijk wordt opgelost en dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt. De wethouder antwoordt dat de prioriteit zeker ligt op het zo snel mogelijk duidelijkheid verschaffen, en daar heeft het college zich ook al voor ingespannen.
30
35
40
45
50
Op de vraag waarom het college niet eerder is gekomen met een proces voor die vergunning antwoordt de wethouder dat het aanzienlijk beter was geweest als dat vier jaar geleden al was gedaan. Zij is ermee geconfronteerd dat het dossier veel complexer en veelomvattender, en juridisch ingewikkelder was dan eerder gedacht. Dat is van tevoren niet goed ingeschat. Op de vraag of de gemeente steken heeft laten vallen in de communicatie geeft zij aan dat ze daarmee haar beantwoording is begonnen. Er had hierover beter en vaker gecommuniceerd moeten worden. Voor wat betreft de verschillen en overeenkomsten met andere gemeenten laat zij weten dat de gemeente Utrechtse Heuvelrug haar beleid een paar maanden geleden heeft gewijzigd, en ook geen punten meer toekent aan ondernemers. Dit speelt dus net zo goed ook bij andere gemeenten. Omdat alle vergunningen in Utrecht tegelijkertijd aflopen is de omvang hier erg groot. Dat is het gevolg van de keuze uit 2013. Over welke criteria eventueel meegenomen kunnen worden heeft de wethouder al aangegeven dat dat met de drie partijen verder zal worden besproken. Er werd gerefereerd aan het beeldbepalende onderdeel van de historische schepen in Amsterdam. De wethouder vindt het lastig om aan te geven of Utrecht historische standplaatsen heeft en geeft aan dat het nooit een oplossing zal zijn voor alle zittende ondernemers.
Ze zal het verder weergeven zoals ze eerder al heeft toegezegd. Vervolgens gaat ze in op de twee plekken aan de Oudegracht, waar nu Venezia en Broodje Ben staan. Ze meldt nogmaals dat de communicatie hierover beter had gekund. De situatie is ontstaat doordat de Omgevingsvisie Binnenstad streeft naar minder van dit soort functies in het voetgangersgebied. Voor wat betreft de keuzen voor het verplaatsen van deze standplaatsen is, 55
naast ruimte voor veiligheid en calamiteitendiensten, het argument voor het verbeteren van de looproutes voor voetgangers ook van groot belang. Het is veel drukker geworden met voetgangers, ook vanwege de uitbreiding van het voetgangersgebied. Een betere doorstroming is ook van belang voor de ondernemers in de binnenstad. 5
De heer Peters (D66) vraagt of het echt onmogelijk is dat die standplaatsen daar blijven.
10
De wethouder antwoordt dat het op gespannen voet staat met het beleid dat de raad heeft vastgesteld. Er zijn metingen verricht, die aangeven dat op de Bakkersbrug 79.498 passanten per week passeren, en op de Oudegracht zijn het er ongeveer evenveel. Het zijn dus hele drukke plekken. Op basis van deze drukte, het beleid op de binnenstad en de doorgang van calamiteitendiensten is het college tot deze afweging gekomen. De heer Peters (D66) vraagt of ze zouden kunnen blijven als er een uitspraak van de raad zou komen.
15
De wethouder antwoordt dat als de raad aangeeft dat wat zij in de Omgevingsvisie Binnenstad heeft gesteld toch niet belangrijk vindt, dan kan zij daarin een andere keuze maken. Dat is echter niet conform het eerdere beleid. De heer Talhaoui (PvdA) hoort niet welk probleem wordt opgelost door deze twee standplaatsen te verplaatsen, anders dan dat er een Omgevingsvisie is.
20
De wethouder antwoordt dat de raad haar vraagt om hun eigen beleid als optioneel te zien. De raad heeft het college gevraagd om meer ruimte voor voetgangers en calamiteitendiensten in dit gebied. Op basis daarvan zegt het college dat deze plekken te druk zijn geworden om dit conform het beleid te doen. Daarom zijn twee andere locaties, ook in de binnenstad, als vervanging hiervan neergezet.
25
De heer Talhaoui (PvdA) kan zich voorstellen dat generiek beleid niet leidt tot zoiets specifieks dat precies die twee plekken weg zouden moeten zodat de visie op de stad zou blijven staan. Voor de PvdA hoeft dat niet. Hij vraagt de wethouder of dit ook op een andere manier kan worden opgelost.
30
35
40
45
50
De wethouder antwoordt dat het juist op deze plekken heel erg druk is. Juist deze pekken zijn heel smal. Als de raad aangeeft dat zij het niet meer belangrijk vindt dat de hulp- en nooddiensten er kunnen komen, en dat er extra ruimte is voor voetgangers, dan kan er een andere afweging worden gemaakt. Het college voert het beleid van de raad uit, ook op deze plek. Zij gaat verder met de beantwoording van de vragen. Voor wat betreft de vraag van GroenLinks over het inchecken sinds 2013 heeft zij al aangegeven dat dat toen wel in de brief heeft gestaan, maar ook dat de gemeente dat vaker had moeten benoemen. De lex silencio positivo, het stilzwijgend verlengen, kan worden toegepast als er een aanvraag is gedaan waarop de gemeente niet tijdig heeft gereageerd. Met de komst van de Omgevingswet wordt dit verder uit gefaseerd. Daarnaast is hij niet opgenomen in de APV en is daardoor niet mogelijk. Er is verder gevraagd om in gesprek te gaan met Venezia en Broodje Ben over hun unieke situatie. Tot op heden is er heel kort met hen over gesproken, maar het lijkt de wethouder goed om daarover verder met hen in gesprek te gaan. Op de vraag of ook nieuwe ondernemers terecht kunnen op de standplaatsen antwoordt de wethouder dat zowel bestaande als nieuwe standplaatsen op zullen staan voor nieuwe ondernemers.
De foodtrucks op de Uithof betreffen standplaatsvergunningen op de grond van derden. Dat betekent dat wel de regels van het bestemmingsplan gelden maar dat de grondeigenaar dit verder bepaalt. Deze is niet aan dezelfde regels gebonden als de gemeente. Op de vraag waarom niet wordt gekozen voor een vergunningstermijn van twaalf jaar antwoordt de wethouder dat uit landelijk onderzoek naar de reële terugverdientijd is een bandbreedte gekomen van negen tot twaalf jaar. Op basis daarvan is gekeken naar wat in Utrecht logisch zou zijn. Het is hier zodanig aantrekkelijk dat het niet logisch zou zijn om helemaal aan de bovenkant van de bandbreedte te gaan zitten. Daarom is gekozen voor het ronde getal van tien jaar. 56
5
10
15
20
25
30
35
40
45
50
55
De wethouder bevestigt dat de ondernemers die kozen voor een vergunningsduur van vijf jaar een brief hebben gekregen voor de verlenging van vijf jaar. Voor wat betreft de oplossing van plekken op het water geeft de wethouder aan dat een vergunning verleend zou kunnen worden op een openbare plaats, en daarmee ook op openbaar water. Op dit moment zijn er geen locaties op openbaar water maar dat kan in het verdere onderzoek worden meegenomen. Er moet wel rekening worden gehouden me rondvaartboten, de Visie Stadswater en de andere functies op het water. De wethouder vraagt zich daarom wel af hoe kansrijk deze optie is. Voor wat betreft de vergelijking met het beleid van de gemeente Valkenswaard geeft de wethouder aan dat dat beleid niet uitgebreid is getoetst. Die gemeente heeft een aantal selectieen beoordelingscriteria. Sommige van die criteria zouden wellicht toepasbaar kunnen zijn, bijvoorbeeld het kunnen pinnen in de kraam om ondermijning en witwassen tegen te gaan. Ook duurzaamheidseisen zouden daarvan onderdeel kunnen zijn. Met de drie partijen wordt hier verder naar gekeken. Op de vraag of ongewogen loting kan plaatsvinden bij standplaatsen die in de komende jaren vrijkomen antwoordt de wethouder bevestigend. Betreffende de vraag of het college bereid is na te denken over criteria heeft de wethouder al gezegd dat zij dat uitgebreid op een rij zal zetten.
Zij heeft ook al gewezen op de te verwachten effecten omdat de regelgeving juist expliciet bedoeld is om een gelijk speelveld tussen zittende en nieuwe ondernemers te creëren. Dat kan criteria niet veroorzaken. Er werd verder gevraagd of het mogelijk is om het aantal standplaatsen niet met tien, maar met twintig uit te breiden. De wethouder antwoordt dat zij zeker niet zal ophouden bij tien nieuwe standplaatslocaties. Verder was er een misverstand over het raadsvoorstel dat in het derde kwartaal ontvangen zou worden. Dat raadsvoorstel heeft de commissie inmiddels ontvangen. Betreffende de suggestie van Stadsbelang Utrecht voor het oprichten van een aparte NV, en via private regelgeving de publieke regelgeving te omzeilen, geeft de wethouder aan dat er dan een rechtspersoon zou worden opgericht voor het ontduiken van de Europese dienstenrichtlijn en de Nederlandse Dienstenwet. Dat vindt het college geen goed idee omdat de overheid zich aan de regels moet houden. Daarnaast is er het risico van onaanvaardbare doorkruising van een publieksrechtelijke regeling. Landelijk is nooit bedoeld dat dit een optie is, en daarmee is het juridisch kwetsbaar. Op de vraag waarom dit onderwerp zo lang op de plank heeft gelegen verwijst de wethouder naar de reflectie op het proces die ze eerder gaf.
Verder wijst ze op het Rekenkamerrapport dat aangaf dat er schaarse capaciteit op het programma economie zit. Daarop is de afgelopen jaren bovendien flink beslag op gelegd door de coronamaatregelen. Utrecht heeft naar rato de minste capaciteit op het economisch beleid van alle grote steden. Daarom heeft het college hier extra middelen voor vrijgemaakt en zal de capaciteit hierop de komende jaren toenemen. Verder werd gevraagd hoe kan worden voorkomen dat er alleen standplaatshouder met telefoonhoesjes komen. Onderdeel van de Dienstenrichtlijn is dat er gelijke kansen moeten zijn. Een totale uitsluiting van de verkoop van telefoonhoesjes behoort dan ook niet tot de mogelijkheden. Wel zal ernaar worden gekeken of een maximum toegepast kan worden voor bepaalde branches. Op de vraag of er een klein beetje uitgesteld kan worden als er overgestapt wordt op selectiecriteria antwoordt de wethouder dat er geen opties zijn tot verlenging van bestaande vergunningen, en ook het creëren van een overgangsperiode behoort niet tot de mogelijkheden. Er is wel nagedacht wat er zou kunnen gebeuren als het beleid nog niet op 1 januari in kan gaan. Daarbij is een gedoogverklaring geopperd, waarmee gedurende een korte periode de status quo kan worden behouden. Dan moet het beleid echt nog in ontwikkeling zijn. Hierbij is het lastige dat dit strikt genomen niet rechtmatig is.
Als iemand bezwaar maakt tegen een standplaatshouder die na het verlopen van zijn vergunning nog steeds zijn plek inneemt moet er dus worden gehandhaafd. Ook de nieuwe intreders zullen willen weten waar ze aan toe zijn. Wellicht kan er met een gedoogperiode een paar maanden aan toegevoegd kunnen worden, maar dat biedt dus geen zekerheid. Op de vraag of bewoners kunnen worden opgenomen in een selectiecommissie antwoordt de wethouder dat er bij selectie en een puntentelling inderdaad een beoordelingscommissie moet worden ingesteld. De bevoegdheden van die commissie en de criteria waarop gescoord kan worden moeten wel eerst verder worden vastgelegd. De heer Otto (EenUtrecht) vraagt of bewoners daar dan in kunnen plaatsnemen. 57
De wethouder antwoordt dat het beleid daarover verder gevormd zou moeten worden. Ze kan zich dat voorstellen maar stelt voor om hier in de verdere beschrijving op terug te komen.
5
10
15
Ze vervolgt haar beantwoording door te melden dat de Nota Inkoop een ander soort bevoegdheid betreft. Standplaatsvergunningen worden uitgegeven op grond van de APV. Inkoop is een heel ander soort proces. Ook bij inkoop kan de gemeente geen voorrang geven aan lokale ondernemers, maar deze kunnen wel worden uitgenodigd om zich in te schrijven. Dat zal bij de standplaatsen ook gebeuren. Op de vraag of criteria echt zullen helpen voor zittende ondernemers is de wethouder al ingegaan. Ze meldt dat een puntentellingsysteem of een veiling nog steeds geen algemene voorrang kan geven aan zittende ondernemers. Tenslotte meldt zij dat het doorverkopen van vergunningen niet is toegestaan, maar overdragen behoort in sommige gevallen wel tot de mogelijkheden. Dat kan bijvoorbeeld als de vergunninghouder de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, arbeidsongeschikt raakt, zijn onderneming staakt of komt te overlijden. De vergunning kan dan worden overgedragen aan een echtgenoot, geregistreerd partner, familielid in de eerste graad. De geldigheid van de vergunning verandert niet als de vergunning wordt overgedragen. De heer Stam (Volt) stelt dat als de vergunning op naam staat van een onderneming, de onderneming verkocht kan worden. De wethouder antwoordt dat de vergunning altijd op naam van de vergunninghouder staat.
20
25
30
De heer Nyqvist (Stadsbelang Utrecht) geeft aan dat hij graag hoort waarom de methode die hij heeft aangedragen niet verder is onderzocht, hoewel de wens van de raad is om een andere methode toe te passen dan het college voorstelt. De wethouder antwoordt dat zij heeft aangegeven wat de bedoeling is van de wet en dat de gemeente gehouden is aan het uitvoeren van de wet. De raad gaat over de lokale regels, maar dat betekent niet dat de landelijke regels niet gevolgd hoeven te worden. Zij heeft aangegeven dat zij zal onderzoeken of selectie op basis van criteria tot de juridische mogelijkheden behoort, en ook dat het college daar niet voor heeft gekozen omdat zij denken dat de zittende ondernemers daar niet mee geholpen zijn. De heer Nyqvist (Stadsbelang Utrecht) refereert aan het feit dat er bij de Uithof wel zelf kan worden bepaald welke standplaatshouders worden uitgenodigd, omdat het in private eigendom is. Als de bestemming in de stad wordt omgezet van publiek naar privaat wordt hetzelfde bereikt. Hij vraagt wat er niet in de stad en wel in de Uithof mag. De wethouder antwoordt dat een bestemming niet zozeer publiek of privaat is, het gaat erom in wiens handen de grond is. De gemeentelijke grond is in publieke handen.
35
De voorzitter wijst erop dat het debat al viereneenhalf uur duurt, en er nog steeds mensen op de publieke tribune zitten. Hij dankt hen daarvoor. Hij informeert of er no gemiste vragen zijn. Mevrouw De Vries (Partij voor de Dieren) vraagt om een reactie van de wethouder op duurzaamheidscriteria die betrekking hebben op impact op het klimaat en gezondheid en dierenwelzijn.
40
De wethouder antwoordt dat daarop in de brief wordt teruggekomen. Lijst met toezeggingen De voorzitter concludeert dat de wethouder de volgende toezeggingen heeft gedaan:
45
•
De wethouder stuurt een brief die een uitwerking is van een gesprek die de gemeente met de branchevereniging, juristen van de standplaatshouders, een externe jurist en de juristen van de gemeente en hierin geeft de gemeente aan wat zoveel mogelijk criteria zijn die we kunnen bedenken en op basis daarvan kijken we wat juridisch mogelijk is. Deze brief komt zeker voor de volgende commissievergadering. 58
In de brief gaat het college ook in op de branchering en welke mogelijkheden hier juridisch zijn. Verder komt de wethouder daarin terug op de obstakels die worden ervaren en zo mogelijk eventuele oplossingen daarvoor. 5
De heer Stellinga (CDA) neemt aan dat zowel criteria binnen als buiten de APV aan de orde komen, en waar buiten de APV beleid gemaakt kan worden en regelgeving kan komen. De wethouder zegt toe dat te zullen doen. De heer Nyqvist (Stadsbelang Utrecht) gaat ervan uit dat in de brief ook wordt ingegaan op de variant die hij heeft aangedragen, vooral op juridische gronden en niet op waardeoordeel. De voorzitter geeft aan dat dat niet is toegezegd.
10
De heer Nyqvist (Stadsbelang Utrecht) protesteert hiertegen.
15
De voorzitter geeft aan dat dat mag maar dat daar niets mee verandert. Hij gaat verder met het leggen van de planningspuzzel. Hij heeft begrepen dat er nog een technische sessie en een RIB gepland wordt. Verder moet bekeken worden naar het raadsvoorstel wat er ligt. Hij vraagt aan de wethouder welk logische pad zij voor zich ziet, en merkt daarbij op dat de commissie brief vóór de technische sessie zou willen ontvangen. De wethouder begrijpt die wens, maar vindt het wel belangrijk om zich te kunnen inspannen om al die criteria te benoemen. Zij verwacht die brief in de middag van 11 april te kunnen sturen, maar merkt op dat dat veel vraagt van alle partijen. Dat is dan voorafgaand aan de RIB van die avond, maar eerder dan dat zal niet gaan gegeven de complexiteit van het geheel.
20
25
De voorzitter vat samen dat de brief op zijn vroegst op 11 april kan komen. Op die avond kan de RIB plaatsvinden. Dat is iets anders dan de technische sessie. Er is ook een RIB mogelijk op 23 mei, waarbij daarvoor een technische sessie kan plaatsvinden. Hij vraagt aan de wethouder wat dit betekent voor het raadsvoorstel en de raadsbesluiten. De wethouder antwoordt dat elke vertraging ervoor zorgt dat het langer duurt voordat er duidelijkheid is. Als het raadsbesluit een maand later wordt genomen, duurt het ook een maand langer voordat er duidelijkheid is. De voorzitter zegt dat op 23 mei de RIB zou kunnen zijn en op 1 juni zou een commissievergadering over het raadsvoorstel kunnen plaatsvinden.
30
35
Mevrouw Al-Saqaff (VVD) vraagt of de RIB niet eerder kan plaatsvinden, omdat die erover gaat dat er een gesprek kan plaatsvinden met de standplaatshouders waarbij zij hun zorgen kunnen delen. De technische sessie heeft wat meer voorbereiding nodig qua leestijd, dus die zou wel wat later kunnen plaatsvinden. Dan hoeft het debat niet pas op 1 juni plaats te vinden. De heer Bosch (PVV) is van mening dat de RIB op 11 april door kan gaan met de ondernemers en dat de technische sessie daarna plaats kan vinden zodat daar verder op de brief kan worden ingegaan. De voorzitter concludeert dat de brief op 11 april zal komen, diezelfde avond vindt de RIB met de standplaatshouders plaats, en dan zou het raadsvoorstel in de commissie van 20 april kunnen terugkomen. De technische bijeenkomst moet daar dan nog tussen geplaatst worden, bijvoorbeeld dinsdag 18 april.
40
45
De heer Stam (Volt) geeft aan dat het wel prettig zou zijn om op 11 april een toelichting te krijgen van het team van de wethouder dat de brief heeft opgesteld. Hij heeft dan net zo lief de technische sessie op die avond. De voorzitter geeft aan dat er twee mogelijkheden zijn: óf de RIB is op 23 mei en in de tussentijd wordt een technische bijeenkomst gehouden, óf het gaat wat sneller waarbij wordt geaccepteerd dat de brief er is maar er kan nog niet zoveel mee. 59
De heer Stam (Volt) is geen voorstander van een RIB in mei omdat dan het raadsvoorstel er ook al ligt.
5
De voorzitter benoemt de mogelijkheid van VVD/PVV: de brief is er op 11 april, de RIB is diezelfde avond, de technische bijeenkomst op 18 april, op 20 april wordt het commissiedebat gevoerd over het raadsvoorstel. Of de mogelijkheid van Volt de brief is er op 11 april, een of twee weken later volgt een technische bijeenkomst, de RIB op 23 mei, de commissie op 1 juni. De heer Van Bergen (CU) vraagt of het mogelijk is om een technische sessie voorafgaand aan een RIB op één avond te doen.
10
De voorzitter antwoordt dat dat kan maar dat dat niets oplost, omdat men tijd wil hebben tussen de ontvangst van de brief en de technische bijeenkomst. De heer Peters (D66) vraagt of de minder snelle Volt-variant de wethouder helpt om tot een meer gedegen inhoud komen.
15
20
De wethouder verwacht dat zij een gedegen verhaal in de brief kan neerleggen op 11 april. Zij adviseert de commissie om dit niet verder uit te stellen want de aanvraagprocedure kan pas opgestart worden nadat het raadsvoorstel behandeld is. Dat is niet in het belang van de ondernemers. Of het raadsvoorstel dat al is toegezonden nog wordt aangepast is afhankelijk van tot welke inzichten deze commissie nog komt. Mevrouw Al-Saqaff (VVD) vraagt of de RIB-avond van 18 april, van de commissie VBF, nog een optie zou kunnen zijn. Daar staat niets gepland. De voorzitter antwoordt dat dat het voorstel is dat al voorligt. Hij gaat over tot het doen van een voorstel aan de commissie: de brief is er op 11 april, de RIB is op diezelfde avond, op 18 april volgt dan de technische bijeenkomst, in de commissie van 20 april wordt dan het debat gevoerd. Hij vraagt of de commissie daarmee kan instemmen.
25
30
Mevrouw Al-Saqaff (VVD) herinnert zich van de gemeentelijke informatiebijeenkomst dat de standplaatshouders zelf ook behoefte hebben aan informatie. Het is dan belangrijk dat de commissie goed geïnformeerd is. Daarom stelt zij voor om de RIB op de 18e te doen. De voorzitter meldt dat de RIB-avonden door de commissies zelf worden gepland. Die andere commissie zou de RIB-avond nog kunnen volplannen, wat conflicten voor de woordvoerders op zou kunnen leveren. De heer Bosch (PVV) geeft aan dat tijdens een RIB vooral de mening van insprekers wordt opgehaald. Het is niet zo dat de commissie dan informatie geeft aan degenen die komen inspreken. Het informeren van de ondernemers zou het college zelf doen.
35
40
Mevrouw Al-Saqaff (VVD) is het daarmee eens, maar wil wel antwoord kunnen geven op hun vragen. De voorzitter geeft aan dat een RIB inderdaad is bedoeld om informatie op te halen uit de stad. Vervolgens wordt de commissie nog verder geïnformeerd op de inhoud via de technische bijeenkomst en in het debat gaan we horen wat de commissie ervan maakt. Het voorstel wordt nog een keer genoemd: de brief komt op 11 april, diezelfde avond is de RIB waarvoor vooral informatie wordt opgehaald, de technische bijeenkomst is op 18 april, op 20 april volgt de commissie van het raadsvoorstel, en wellicht volgt er daarna een raad. Hij vraagt wie van de leden met dit voorstel kan instemmen en concludeert dat er een meerderheid voor is. De heer Stellinga (CDA) vraagt of de brief een paar dagen eerder kan komen. In dat geval kan ook hij met het voorstel instemmen.
60
De wethouder antwoordt dat er om kwaliteit in de brief wordt gevraagd en dat zij zich erg zullen stretchen om het zo snel mogelijk te doen, maar de 11e is wel het maximale waarvoor ze kan gaan. De voorzitter vraagt of de brief op de 11e om 12:00 uur ontvangen kan worden. 5
De wethouder zegt toe daar haar best voor te zullen doen. Mevrouw Al-Saqaff (VVD) overweegt een motie om het loten van tafel te krijgen. Zij heeft het gevoeld dat de commissie daar draagvlak voor heeft. De voorzitter vraagt wanneer de VVD deze motie dan wil indienen: op 6 april of nadat het hele traject is doorlopen. Daar hoeft nu geen antwoord op gegeven te worden.
10
15
De heer Peters (D66) zegt dat het wat dubbel voelt. Het raadsvoorstel wordt nog besproken in de commissie, daarna komt het ook in de raad en dan wordt er ook besloten of er wordt geloot of niet. Het voegt weinig toe als de commissie daar eerst nog over gaat besluiten. De voorzitter besluit dat de zojuist vastgestelde volgorde is wat de commissie gaat doen. Het staat iedereen vrij om wat dan ook te agenderen voor de raad van 6 april, en merkt daarbij op dat het hele traject dat is afgesproken voor na 6 april is, dus is de raad erna logischer. De heer Talhaoui (PvdA) kondigt voor de raad van 6 april een motie aan over de twee stadplaatsen die gaan verdwijnen op de Oudegracht. De voorzitter geeft aan dat het de commissieleden vrij is om dat te doen. Hij schorst de vergadering voor 15 minuten.
20
- Schorsing – De voorzitter heropent de vergadering en heet de woordvoerders volksgezondheid en wethouder Eerenberg welkom.
9 Raadsvoorstel Preventie- en handhavingsplan alcohol 2023-2027 25
9.1 Landelijke stukken 9.2 Raadsbrief Herziening alcoholverbodsgebieden 9.3 Raadsbrief stadsgesprek Alcohol en Drugs
30
35
40
De voorzitter geeft aan dat het college voorstelt om het raadsvoorstel Preventie- en handhavingsplan alcohol 2023-2027 vast te stellen. Het beschrijft de belangrijkste maatregelen van de gemeente om te zorgen dat jongeren onder de 18 niet drinken of overmatig gebruiken en dat het overmatig gebruik boven de 18 afneemt. Er is ook een RIB over georganiseerd door verschillende fracties afgelopen week. Hij geeft het woord aan de fractie van GroenLinks voor de eerste bijdrage. Mevrouw Fattal (GroenLinks) meldt dat zij dit debat overneemt van haar collega Ingeborg Hornsveld die vanavond verhinderd is. Zij vertelt dat toen mevrouw Hornsveld een kind was, het volkomen normaal was dat er bij een feestje glaasjes met sigaretten op tafel werden gezet. Want dat was gastvrij. Haar nichtjes en neefjes kropen als kleuters rond in het huis van haar oma in wolken van sigarettenrook. Dat was heel normaal. Toen mevrouw Fattal een kind was, was het normaal om ontzettend veel te drinken. Dat was normaal, gezellig en gastvrij. Mevrouw Fattal geeft aan dat ze 14 was toen ze haar eerste slokje alcohol nam, en dat was nog relatief ‘oncool’ in haar omgeving. Gelukkig zijn we van de vanzelfsprekendheid van die sigaretten af, maar met alcohol zijn we er nog niet. Gelukkig doet Utrecht het niet slecht. Het alcoholgebruik onder jongeren en kinderen neemt licht af. Maar het probleem blijft wijd verspreid.
Ieder van ons kent wel 61
5
10
15
20
iemand die worstelt met een alcoholprobleem, met alle gevaarlijke en verdrietige gevolgen van dien. Dus het kan beter. Daarom ondersteunt GroenLinks het raadsvoorstel van harte. Het komt overeen met het landelijke handhavings- en preventiebeleid. GroenLinks zou wel meer nadruk willen zien op de afname van de vanzelfsprekendheid van het schenken van alcohol. In onze samenleving is het schenken van alcohol volkomen genormaliseerd. Natuurlijk kan het lekker en gezellig zijn, maar de vraag is of het ook gewoon moet zijn. Dit geldt ook voor bijeenkomsten van de gemeente en gemeentelijke organisaties. Het Trimbosinstituut pleitte tijdens de RIB vorige week voor het beperken van beschikbaarheid van alcohol. Dat is een van de drie meest effectieve maatregelen volgens de WHO. Het is beter voor ieders gezondheid omdat drinken minder makkelijk wordt gemaakt. Maar belangrijker nog: het helpt mensen die problemen met alcohol hebben of ebben gehad. Voor hen kan het heel lastig zijn als de serveerbladen met alcohol letterlijk onder hun neus langs komen. Het aan de ene kant pleiten voor het verminderen van alcoholgebruik en tegelijkertijd zelf regelmatig gratis glazen aanbieden, dat voelt dubbel.
GroenLinks stelt voor om de hand in eigen boezem te steken en het gratis aanbieden van alcohol binnen de eigen organisatie te beperken tot feestelijke momenten, en het sowieso niet meer actief aanbieden door ermee rond te lopen op serveerbladen. Zij vraagt de wethouder hierop de reageren. Mevrouw Assen (PvdA) kan alles wat GroenLinks inbrengt onderschrijven. Met betrekking tot de voorbeeldfunctie vindt zij dat het college persoonlijk moet kijken naar hoe zij zich met alcohol afficheren. Mevrouw Fattal (GroenLinks) weet niet helemaal waar de PvdA op doelt. Als het gaat om persoonlijk gebruik van alcohol mogen de wethouders dat helemaal zelf bepalen. Waar GroenLinks voor pleit is dat binnen de gemeentelijke organisatie, dat geldt voor de raad, voor ambtenaren en voor de wethouders, op werkgelegenheden wordt uitgekeken met alcoholgebruik.
25
30
Mevrouw Assen (PvdA) licht toe dat de wethouders wel eens op het werk een borrel drinken, en ook zo op de foto staan. Daar heeft zij nooit een probleem in gezien. Maar als je alcoholgebruik minder normaal wilt maken, moet ook daarnaar gekeken worden. Zij vraagt of GroenLinks ervoor open staat om het college te vragen daar wat terughoudend mee te zijn. Mevrouw Fattal (GroenLinks) zegt dat GroenLinks daar best voor open staat. Ze wil daar echter geen dwingende maatregel van maken. Mevrouw Stylianou (D66) vraagt of GroenLinks de keuze helemaal wil weghalen, waardoor de mensen die geen verleden hebben of worstelen met een verslaving ook geen mogelijkheid meer te geven om alcohol te nuttigen.
35
Mevrouw Fattal (GroenLinks) pleit er niet voor dat er helemaal geen alcohol meer wordt geschonken bij feestelijke gelegenheden in de gemeentelijke organisatie, maar om het minimaliseren van de bereikbaarheid van alcohol. Op die manier wordt minder genormaliseerd dat je alcohol moet drinken op een werkfunctie.
40
Mevrouw Stylianou (D66) hoort dat GroenLinks het over feestelijke gelegenheden heeft. Ze vraagt of dat ook betekent dat er bij de raadsgelegenheden geen alcohol meer moet worden geschonken.
45
Mevrouw Fattal (GroenLinks) geeft aan dat ze er niet voor pleit dat er geen alcohol meer mag zijn, maar wel dat het terughoudend wordt toegepast. Ze geeft aan dat het als raad ook goed zou zijn om na te denken over of het nodig is om alcohol bij die gelegenheden te hebben. We zijn ook groot voorstander van het legaliseren van drugs maar we geven ook geen gratis xtc-pillen weg op deze borrels. De voorzitter geeft het woord aan de Partij voor de Dieren.
50
Mevrouw De Vries (Partij voor de Dieren) geeft aan dat het consumeren van alcohol ernstige gezondheidsgevolgen heeft die door veel alcoholdrinkers worden onderschat of niet bekend zijn. Drinken is erg genormaliseerd, zoals GroenLinks net al opmerkte. Tegelijkertijd heerst er een taboe op drankproblemen en voelen mensen heel erg veel schaamte die in de weg staat bij het 62
5
10
15
20
25
30
zoeken van hulp. Het is dus hoog tijd voor een cultuurverandering, maar die is er niet morgen al. Daar gaan jaren overheen. De Partij voor de Dieren herkent wel dat er stappen in de goede richting zijn. Zo zijn er meer 0.0-biertjes, er zijn verschillende initiatieven in de stad actief met het informeren van mensen, er zijn hypes als dry January waardoor bewustwording steeds meer op de kaart staat. Het is ook goed dat dit bijgewerkte plan nu bij de raad ligt. Wat de Partij voor de Dieren betreft blijven we vooral hameren op preventie, want voorkomen is beter dan genezen. Daarbij helpt het om een omgeving te creëren die positief bijdraagt aan onze gezondheid, bijvoorbeeld een alcoholvrije omgeving. Daarin ziet de Partij voor de Dieren geen plek voor alcoholreclames want deze zetten letterlijk aan tot drinken. Over alcoholreclames wordt echter met geen woord gerept in het plan en ook niet in het specifieke deel over openbare ruimte. Dat moet anders, want reclamebeperking zien zij als een effectieve maatregel om alcoholgebruik terug te dringen. Mevrouw De Vries ontvangt graag een verklaring van de wethouder waarom dit niet is opgenomen in het plan en vraagt of het college het met haar fractie eens is dat reclamebeperking een belangrijke preventieve maatregel is om alcoholgebruik te verminderen.
Zo ja, kan de wethouder dan toezeggen om een verbod op alcoholreclame op te nemen in de hoofddoelstelling van dit plan en om dit mee te nemen in de reclamebrief die dit kwartaal naar de raad toe zou komen. Voor wat betreft de voorbeeldfunctie van de gemeente sluit de Partij voor de Dieren zich aan bij GroenLinks. Bij de informatiebijeenkomst van vorige week werd door Jellinek verteld dat het gemiddeld zeven jaar duurt voordat mensen zich melden voor hulp. De Partij voor de Dieren maakt zich daar grote zorgen over. Er werd verteld dat het vaak huisgenoten of familieleden zijn die als eerste herkennen dat er een probleem is, terwijl er tegenwoordig veel meer mensen alleen wonen. Daar schuurt iets. Zij vraagt of het college daar ook een risico in herkent, hoe het daarmee omgaat en hoe het ervoor gaat zorgen dat de drempel voor aankloppen ook voor mensen die in een eenpersoonshuishouden wonen verlaagd kan worden. Tenslotte mist de Partij voor de Dieren aandacht voor cultureel-sensitief beleid in het plan. Voor verschillende groepen zijn verschillende aanpakken misschien effectiever. Er kan angst zijn voor een kruisje achter je naam als je hulp zoekt. Mevrouw De Vries vraagt hoe het college deze sensitiviteit meeneemt in het beleid. Mevrouw Assen (PvdA) geeft aan dat bij de RIB Stichting Krachtwijken aanwezig was die expliciet maakten dat ze daar in werken.
Ze vraagt of dat is wat de Partij voor de Dieren voor zich ziet. Mevrouw De Vries (Partij voor de Dieren) antwoordt dat ze voor zich ziet dat in het plan specifiek wordt vermeld dat er cultureel-sensitief gewerkt wordt, dus bijvoorbeeld ook Krachtwijken noemen.
35
Mevrouw Assen (PvdA) vraagt of de Partij voor de Dieren daar meer aanpak bij vraagt, of is het meer dat het nu niet specifiek is opgenomen. Mevrouw De Vries (Partij voor de Dieren) denkt dat er in de stad veel kennis en expertise over is en dat veel mensen ermee werken. Dat wordt door haar onderschreven. Haar punt gaat er vooral om dat dit in het plan helemaal niet benoemd staat wat een gemiste kans is. De voorzitter geeft het woord aan de PvdA.
40
45
50
Mevrouw Assen (PvdA) geeft aan dat de feiten die tijdens de RIB werden gepresenteerd over de schadelijke effecten van alcohol logen er niet om. Terwijl mevrouw Assen de effecten van alcoholverslaving en andere verslavingen van nabij in haar omgeving heeft meegekregen, is de norm in haar omgeving nog steeds dat alcohol nuttigen, soms fors en soms minder fors, de norm is. Niemand wil namelijk betuttelen maar tegelijkertijd is de noodzaak om alcoholproblematiek tegen te gaan en te voorkomen zo groot dat ze hoopt dat niemand in dit debat die dooddoener van betutteling erin gooit. Een andere afdronk na de RIB lijkt niet mogelijk. Niet voor niets is het advies van de Gezondheidsraad om helemaal niet te drinken in verband met de gezondheidsrisico’s. De PvdA is blij met het Preventie- en handhavingsplan alcohol. Zij zien de juiste interventies, juist ook gericht op preventie, maar achten het wel nodig om dit op grotere schaal te doen. In aantallen worden namelijk niet alle Utrechters bereikt die je wilt bereiken, ook qua bereik van studenten zoals door Jellinek is aangegeven, en andere doelgroepen door Stichting Krachtwijken benoemd. Mevrouw Assen vraagt of de wethouder deelt dat dat waardevol is, en of hij kans ziet om de capaciteit te vergroten om meer Utrechters te bereiken. 63
Mevrouw Kendir (Student & Starter) heeft begrepen dat besturen van studentenorganisaties de handschoen hebben opgepakt en aan de slag zijn met dit onderwerp. Zij vraagt of de PvdA de inzet erkent die tot dusverre door deze organisaties is gedaan. 5
10
15
20
25
30
Mevrouw Assen (PvdA) antwoordt dat zij dat zeker erkent, maar dat zij van Jellinek heeft begrepen dat zij idealiter een nog veel grotere groep studenten wil bereiken dan nu gebeurt. Zij vervolgt haar betoog door aan te geven dat het nodig is dat in de hele keten alle partners bewust zijn van de risico’s van alcohol. Juist bij volwassenen omdat vroegsignalering zo effectief is. Daar zij mensen, training van mensen en middelen voor nodig. Dat kan niet in een keer worden geregeld. Zij vraagt welke ruimte de wethouder ziet om ook in die lijn die vroegsignalering bij volwassenen nog scherper op te pakken. Verder kaart zij het ruimte toestaan van blurring aan. Waar dat raakt aan bureaucratie en te strenge regels kan de PvdA zich daar zeker iets bij voorstellen. Maar na de RIB is het de PvdA wel duidelijk geworden niet wat alcohol betreft. Ze vraagt aan de wethouder hoe hij dit ziet in relatie tot dit plan. Vervolgens geeft mevrouw Assen aan dat dit kwartaal de uitwerking zou komen van het nieuwe reclamebeleid. Zij vraagt de wethouder of reclames daarin een plek hebben. Dat zou volgens de PvdA daar in passen. Wat betreft sport geeft mevrouw Assen aan dat amateursport nog te vaak afhankelijk is van sponsordeals met alcoholproducenten. Zij vraagt of de wethouder zich er met de wethouder voor Sport voor kan inspannen dat hiervan minder afhankelijk worden.
Er wordt ook gesteld dat sportclubs überhaupt achterblijven in het Nationaal Preventie Akkoord. Aan de wethouder wordt gevraagd om in beeld te brengen hoe dit in Utrecht is. Ook wil zij de wethouder vragen welke stappen zijn of worden gezet om uitgaan zonder alcohol onder de 18 mogelijk te maken. Mevrouw Ramaker (VVD) vraagt of hoe PvdA het ziet dat er bij sportverenigingen, net als het rookverbod, een soort alcoholverbod komt, want je komt er om te sporten. Mevrouw Assen (PvdA) zou niet direct kiezen voor een verbod omdat mensen rondom sport ook de sportkantine erg waarderen. Vrijwel alle sportclubs hebben zich aan het Nationaal Preventie Akkoord gecommitteerd. Als blijkt dat het met name de sportclubs zijn die achterblijven is dat wel iets om het gesprek over te voeren. Mevrouw Ramaker (VVD) vraagt of de PvdA doelt op de sportclubs in Utrecht, of landelijk. Mevrouw Assen (PvdA) antwoordt dat die uiteindelijk ook in Utrecht actief zijn en hen leden onder de Utrechtse inwoners hebben. Gezien het belang moet er op alle niveaus op worden ingezet, dus ook gemeentelijk.
35
40
Mevrouw Stylianou (D66) vraagt welke oplossing de PvdA zelf ziet om sportclubs minder afhankelijk te maken van het schenken van alcohol. Mevrouw Assen (PvdA) antwoordt dat in de ideale wereld amateursportclubs niet afhankelijk zouden moeten zijn van sponsordeals met producenten van alcohol. Dat doen ze omdat ze die inkomsten nodig hebben. Zij zou graag zien dat de wethouder in gesprek gaat met die verenigingen om daarvan af te komen. Mevrouw Stylianou (D66) zegt dat ze die inkomsten niet voor niets nodig hebben, er moet ook iets betaald worden. Zij vraagt of de PvdA vindt dat de gemeente ook financieel moet bijpotten om die clubs financieel minder afhankelijk te maken.
45
Mevrouw Assen (PvdA) antwoordt dat ze, als ze er een zak bijhad, dat zeker zou voorstellen maar die heeft ze niet. Ze wil dus beginnen te vragen om daarover het gesprek te voeren. Wellicht zijn de clubs gewend om het te doen zonder dat ze zich bewust zijn van de nadelen ervan. Zij besluit haar betoog door aan de wethouder te vragen waarom er niet voor is gekozen om dit Preventieplan niet met de Nota Volksgezondheid gelijk te trekken. 64
De voorzitter geeft het woord aan Volt.
5
10
15
De heer Stam (Volt) complimenteert het college met de duidelijke doelstellingen in het plan. De evaluatie over de afgelopen jaren lijkt erg gebaseerd op de doelstellingen, maar Volt mist de koppeling met het beleid. Hij vraagt wat er in het beleid effectief was en wat niet, en wat er wordt geleerd kijkend naar de doelstellingen. Verder vindt hij naar dat de testkoperinspecties weinig plaatsvinden, in het afgelopen jaar 36 op 1800 verkooppunten. Volt vraagt of de wethouder kan toezeggen dat het aantal inspecties de komende jaren significant wordt verhoogd, aan welke aantallen hij dan denkt en of hij dit wil toevoegen als inspanningsdoelstelling aan het plan. De heer Otto (EenUtrecht) geeft aan dat er signalen zijn dat veel jongeren tussen 16 en 18 jaar de horeca niet meer inkomen en daardoor juist in het park alcohol gaan drinken. Hij vraagt of Volt zich daarvan bewust is. De heer Stam (Volt) antwoordt dat hij die signalen ook kent. De testkoperinspecties moeten ook plaatsvinden bij de supermarkt. Tegelijkertijd steunt hij de oproep van de PvdA dat er ook genoeg alternatieven moeten zijn voor mensen onder de 18. Mevrouw Stylianou (D66) vraagt naar welk aantal Volt dan op zoek is en hoeveel geld zij daarvoor over zouden hebben.
20
25
De heer Stam (Volt) antwoordt dat hij graag van de wethouder hoort wat er nodig is om dat aantal op te schroeven. Volt zou het mooi vinden als er voor ketensupermarkten en horecainstellingen naar één testkoperbezoek per jaar gaan. Dat lijkt qua aantal niet extravagant, maar van het bedrag zou hij kunnen schrikken. Volt zou graag meer informatie willen hebben om daar een goede keus in te kunnen maken. Hij vervolgt zijn betoog door op te merken dat over de invloed van covid niets is terug te lezen in het plan terwijl het alcoholgebruik en de mores daar omheen is veranderd door de lockdowns. Volt vraagt of dit niet had moeten terugkomen in het beleid. Eén van de mogelijkheden is die uitgaansmogelijkheden voor onder de 18, zodat men op een veilige manier ervaring kan opdoen in zo’n omgeving. Volt vraagt of dit onderwerp van gesprek is geweest in de beleidsvorming en of de wethouder zijn gedachten daarover kan delen. De voorzitter geeft het woord aan D66.
30
35
40
45
50
Mevrouw Sylianou (D66) zegt dat als alcohol nu op de markt zou komen, het wellicht zou worden gecategoriseerd als een harddrug. Dit terwijl het breed beschikbaar is en enorm veel mensen het drinken. Soms omdat je het lekker vindt, soms omdat je geen nee kunt zeggen, soms uit verveling, soms om te verdoven of om spanning weg te halen. Goed dat daarom wordt gesproken over het verminderen van het gebruik van alcohol. D66 pleit altijd voor regulering en preventie per middel. Interventies die werken en aansluiten bij het gebruik. Voor D66 is het uitgangspunt altijd dat mensen in vrijheid maar met goede informatie een keus kunnen maken. Die zien zij duidelijk terugkomen in de plannen en daar is D66 blij mee. Daarom brengt D66 een andere invalshoek in. Er wordt in de plannen maar ook tijdens de informatiebijeenkomst vooral gesproken over minderjarigen of mensen die al verslaafd zijn. Minder over volwassenen die drinken, die soms te vaak of overmatig drinken. Er wordt in deze integrale aanpak gekeken naar gezondheid, veiligheid, vergunningen maar de nachtcultuur wordt hierin gemist. Dat is namelijk een plek waar veel alcohol wordt gedronken. Mevrouw Stylianou geeft aan hoe zij denkt dat dit verminderd kan worden. Zij ervaart dat er extra drank wordt gehaald als er lange rijen voor de horecagelegenheden staan en de muziek niet helemaal lekker valt, om even in de sfeer te komen.