CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Conceptverslag Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken 3 april 2025

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 15 mei 2025, gemeente UtrechtBij agendapunt: Verslagen21.098 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5

10

15

20

25

30

35

40

45

Daarnaast wijst hij op de hoogbouwkaart die onderdeel is van de visie. Volgens hem zijn de grenzen op deze kaart niet scherp. Hij noemt als voorbeeld de Jumbo, die volgens de kaart binnen de XL-zone valt. Hij vraagt zich af of de Jumbo dan op het dak mag gaan bouwen. Aangezien het niet de bedoeling is dat daar gebouwen worden gesloopt, zou de kaart volgens hem scherper moeten worden gemaakt. Hij stelt voor om aan de kaart digitale regels toe te voegen die geüpload kunnen worden, bijvoorbeeld via een GIS-bestand. De heer Snijder (Student&Starter) begrijpt niet waarom zulke technische details in de visie zelf zouden moeten worden opgenomen. Hij vraagt zich af waarom dat niet later, bij de uitwerking, kan gebeuren. De heer Te Hoonte (VVD) legt uit dat de omgevingskaart gebaseerd is op uitnodigingsplanologie. Dat betekent dat de kaart een uitnodiging is aan de maatschappij om in bepaalde gebieden ontwikkelingen op gang te brengen. De gemeente moet dan heel stevig in haar schoenen staan om vervolgens te zeggen dat iets toch niet mag. Voor gebieden als Leidsche Rijn zijn er volgens hem nog vrijliggende kavels aan te wijzen, en daar zou een GIS-bestand voor gemaakt kunnen worden. Voor Galgenwaard is het voor hem bijvoorbeeld volkomen helder dat er geen torens gebouwd mogen worden op het veld van FC Utrecht.

Hij wil dat de XL-zones alleen die plekken aanwijzen waar torens wél gewenst zijn, en dus niet op bijvoorbeeld het veld van FC Utrecht. De heer Snijder (Student&Starter) geeft aan dat hij het principe van uitnodigingsplanologie begrijpt, en ook delen van wat de heer Te Hoonte zegt. Toch begrijpt hij zijn punt over de kaart niet helemaal. Volgens hem is de kaart bedoeld als vlekkenkaart die richtinggevend is, en dat wordt ook duidelijk zo gecommuniceerd in de visie. De heer Te Hoonte (VVD) vindt dat de zonering niet specifiek genoeg is. Hij had liever gezien dat dit op kavelniveau werd aangegeven. Wat hem betreft moet duidelijk zijn bij welke straat de XLzone begint en waar deze ophoudt. Hij noemt als voorbeeld deelgebied 6, waar het volgens hem lijkt alsof het kaartje overlapt met een gebied waarvoor al uitgangspunten zijn vastgesteld. Hij vraagt zich af of die uitgangspunten daarmee ter discussie komen te staan. Als dat niet het geval is, moet het kaartje aangepast worden zodat dit duidelijk is. Volgens hem moeten de kaarten goed zijn, en daarover zijn eerder afspraken gemaakt met de raad. De heer Dekkers (GroenLinks) is van mening dat de omgevingsvisie een gelaagd instrument is waarin zaken in algemene termen worden beschreven.

Hij vraagt zich af of het juist niet verstandig is om de grenzen wat ruimer te houden en bepaalde onderdelen op een lager niveau verder uit te werken. De heer Te Hoonte (VVD) ziet wel iets in het kaderen van de verhouding tussen documenten, maar benadrukt dat bij de Raad van State zaken wel uitgelegd moeten kunnen worden wanneer er tegenstrijdigheden in documenten staan. Hij pleit daarom voor helderheid. Hoewel hij voorstander is van het versnellen van woningbouw, merkt hij op dat in plaats van regels “in de ijskast” te zetten, er in deze visie juist elf nieuwe regels bijkomen. Hij noemt de formulering dat “je je thuis voelt als je jezelf herkent in de mensen om je heen” erg wollig. Tegelijkertijd ziet hij dat de gemeenschappelijke binnentuin in de nota als dé oplossing voor alles wordt gepresenteerd. Volgens hem zijn er kiezersgroepen die zich hierin niet herkennen en dreigt hiermee juist diversiteit te verdwijnen. Hij mist in de visie een borging dat verschillende doelgroepen toegang houden tot verschillende woningtypes in de stad.

50

De heer Dekkers (GroenLinks) begrijpt de kritiek niet goed. Volgens hem worden in de nota juist de verschillen tussen buurten benadrukt en staat er expliciet dat verschillende wijken hun eigen identiteit behouden. Hij vraagt waar de VVD het idee vandaan haalt dat stedelijke blokken met binnenhoven de norm worden. Over de lintbebouwing is hij het met de heer Te Hoonte eens.

55

De heer Te Hoonte (VVD) reageert dat het vooral gaat over de ontwikkeling van nieuwbouwprojecten waar ook hoogbouw een rol speelt, en dat juist in die context dit soort regels worden toegepast. Hij ziet dat in gebieden als de Merwedekanaalzone en het Beurskwartier deze stedelijke blokken met binnentuinen telkens terugkomen. Wat hem betreft komt dit te vaak voor, en hij zou graag meer variatie zien. Pagina 18 van 34

De heer Dekkers (GroenLinks) merkt op dat in het debat gesuggereerd wordt dat er alleen nieuwbouw plaatsvindt op lege terreinen. Volgens hem vinden er juist ook veel ontwikkelingen plaats in bestaande buurten, die als ‘basis’ en ‘basis plus’ worden aangeduid. 5

10

15

20

25

30

35

40

45

De heer Te Hoonte (VVD) erkent dat de punten onder hoofdstuk 2 allemaal belangrijk zijn, maar vindt dat ze te dwingend worden vastgelegd. Bijvoorbeeld: het opnemen van gemeenschappelijke tuinen die openbaar toegankelijk moeten zijn, wordt nu vastgelegd in deze nota. In Merwede worden setbacks geëist en moet windhinder voorkomen worden, maar volgens hem worden zulke zaken te specifiek voorgeschreven. Hij waarschuwt ervoor dat de regels niet te scherp worden geformuleerd. Daarbij verwijst hij naar de zorgen binnen de raad over de lange doorlooptijden van projecten. Als voorbeeld noemt hij het Beurskwartier, waar negen architecten zijn betrokken. Hij verwacht niet dat het lukt om dat plan binnen anderhalf jaar te realiseren en vreest dat hierdoor de gehele woningbouw vertraagd raakt. Hij noemt ook de voortuintjes als voorbeeld. Aan de ene kant wordt gevraagd om een zachte overgang tussen publiek en privaat, waarbij voortuintjes juist kunnen helpen. Aan de andere kant staat er in de nota dat gebouwen zonder voortuinen moeten worden ontworpen. Nu is er ineens sprake van een ‘intermediaire zone’ die door iedereen opeisbaar is, en volgens hem komt dit de grondexploitatie niet ten goede. Hij vraagt waarom voortuintjes feitelijk verboden worden, terwijl groen voor elke voordeur juist gewenst is. Dit is voor hem een van de redenen waarom de VVD het document niet kan steunen.

Tot slot doet hij een oproep richting de omgevingsvisie. Hij constateert dat er telkens nieuwe stukken aan de omgevingsvisie worden toegevoegd, maar dat er niets wordt verwijderd. Hij vraagt het college om een visie op hoe toegewerkt kan worden naar een kortere, duidelijkere en slankere omgevingsvisie, met minder losse deeldocumenten. De heer Usta (DENK) kan zich in veel punten vinden die de VVD naar voren heeft gebracht over het belang van één grote, samenhangende omgevingsvisie, en sluit zich daarbij aan. De stedenbouwvisie klinkt volgens hem als een ambitieus plan, maar DENK plaatst daar kritische kanttekeningen bij, omdat het document geen garanties biedt dat het daadwerkelijk bijdraagt aan een kwalitatief leefbare stad voor álle Utrechters. In de praktijk mist hij scherpe keuzes ten gunste van kwetsbare groepen. Hoewel er veel mooie woorden worden gewijd aan leefbaarheid, ziet hij weinig concrete toezeggingen als het gaat om betaalbare woningen. Hij mist vooral harde garanties voor het behoud van sociale huurwoningen, en voor het tegengaan van verdringing van bestaande bewoners om gentrificatie te voorkomen. Ook het participatieproces roept bij hem vragen op. Het is volgens hem onduidelijk wat er met de opgehaalde input van bewoners is gedaan. Zorgen over verkeersdrukte en het verdwijnen van parkeerplaatsen lijken ondergesneeuwd.

Participatie mag wat DENK betreft geen formaliteit zijn, maar moet een wezenlijke invloed hebben op het eindresultaat. Volgens DENK moet de stad van de toekomst gebouwd worden met en voor de mensen die er nu al wonen. De visie kan een stap in de juiste richting zijn, maar er moeten duidelijker keuzes worden gemaakt voor inclusie, betaalbaarheid en het beschermen van wat Utrechters nu al waardevol vinden. Tot slot vindt hij de visie ook erg dubbel, en ziet hij het nut en de noodzaak ervan nog onvoldoende van in. De heer Dekkers (GroenLinks) is blij met de visie. Hij ziet het als een belangrijke aanvulling op de RSU, omdat het inzichtelijk maakt hoe veel woningen, voorzieningen en werkplekken mogelijk kunnen worden gemaakt met een stevige norm voor kwaliteit en leefbaarheid.

50

De heer Usta (DENK) hoort de heer Dekkers zeggen dat het een belangrijke aanvulling is, maar vraagt zich af welke waardevolle nieuwe informatie deze visie toevoegt, gezien de tijd en de investeringen die ermee gemoeid zijn.

55

De heer Dekkers (GroenLinks) verwijst naar de elf uitgangspunten en vier hoofdthema’s die in de visie zijn opgenomen. Deze stonden volgens hem nog niet in de omgevingsvisie en vormen een goede koppeling tussen mensen en gemeenschappen. Juist dat ziet hij als een belangrijke toevoeging op de RSU. De heer Usta (DENK) waardeert de aanbevelingen, maar vraagt of deze wel echt nieuwe inzichten bevatten.

Pagina 19 van 34

De heer Dekkers (GroenLinks) vindt de kracht van de visie dat deze voortbouwt op de lessen uit het Beurskwartier en de Merwedekanaalzone. Volgens hem zijn de elementen wellicht niet allemaal nieuw, maar staan ze nu goed geordend als richtlijnen voor de toekomst. 5

10

15

20

25

30

35

40

45

De heer Usta (DENK) noemt het een herhaling van wat al bekend was en vraagt of de heer Dekkers vindt dat dit het geld waard is geweest. De heer Dekkers (GroenLinks) vindt het waardevol dat geleerde lessen zijn vastgelegd als richtlijn. Voor hem gaat de visie vooral over de inrichting van de stad op een manier die bijdraagt aan prettig en duurzaam samenleven in een stad met verschillende buurten, plekken en dichtheden. Het draait volgens hem om de vraag hoe fysieke en sociale ontwikkelingen elkaar versterken. Ruimtelijke ontwikkeling en gemeenschapsvorming zijn voor hem twee kanten van dezelfde medaille. Hij ziet deze visie als een goede verwerking van wat de afgelopen periode is geleerd, en als een belangrijk document voor de komende jaren. De heer Te Hoonte (VVD) is van mening dat stedelijke blokken kunnen bijdragen aan sociale ontwikkeling binnen zo’n blok, maar niet per se voor de omliggende omgeving. In buurten met rijtjeswoningen en bijvoorbeeld een centraal gelegen speeltuin kan er juist meer ontmoeting plaatsvinden tussen bewoners van de hele wijk. De heer Dekkers (GroenLinks) benadrukt dat de visie niet enkel gericht is op blokniveau. Hij ziet de stedelijke blokken niet als enige structurerende element; de visie bevat ook elementen zoals groene verbindingen en ontmoetingsplekken.

Bij de ontwikkeling van de visie is samengewerkt met diverse Utrechters, en niet-passende punten zijn doorgeleid naar andere onderdelen van de gemeente. Een belangrijk uitgangspunt is ruimte voor gemeenschappen, maar ook de ontmoetingen tussen gemeenschappen zijn volgens hem essentieel. Hij benadrukt dat de kracht van Utrecht juist zit in open en diverse wijken, waar mensen met verschillende achtergronden samenleven. GroenLinks wil bouwen aan gemengde gemeenschappen en is tegen gesloten woonvormen zoals gated communities. Hij vraagt de wethouder of in de tekst explicieter gemaakt kan worden dat gesloten gemeenschappen niet wenselijk zijn. De heer Dekkers (GroenLinks) vervolgt met een punt over terminologie in de visie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen hoogtes, maar de gebruikte termen zeggen volgens hem weinig. De stedelijke verbindingswegen worden in de nota getypeerd als “ruis”, net als werkgebieden. Het is voor hem onduidelijk welke wegen daar precies onder vallen. Volgens hem verdienen doorgaande wegen een eigen stedenbouwkundige aanpak. De typering als “ruis” past volgens hem niet bij het beleid waarin juist geprobeerd wordt om geluidsoverlast te verminderen. Hij vraagt het college om deze terminologie aan te passen. Ook is GroenLinks tegen een tramlijn op +1-niveau; dat past volgens hem niet bij deze stedenbouwkundige visie.

De heer Te Hoonte (VVD) vraagt of een tramlijn op -1-niveau dan wél past binnen het gemeentelijke budget. De heer Dekkers (GroenLinks) wil dat debat op een ander moment voeren. Hij begrijpt dat de kostenramingen voor verschillende varianten inmiddels dichter bij elkaar liggen. Wat hem betreft past een mooie stad op ooghoogte niet bij een tramlijn op een viaduct. De heer Te Hoonte (VVD) suggereert dat hij nog een voorstel op maaiveldniveau heeft.

50

De heer Dekkers (GroenLinks) wijst erop dat uit een eerdere quickscan al bleek dat die optie niet goed verenigbaar is met de doorstroming van verkeer. Hij sluit af met een punt over werklocaties, zoals Lage Weide. Voor deze gebieden is er beleid dat stelt dat er intensiever en met meer hoogte gewerkt moet worden, maar dat ziet hij onvoldoende terug in de visie.

55

Mevrouw Bode (Volt) is blij dat de visie stuurt op leefbaarheid en het behoud van de kwaliteit van wijken en buurten. Tegelijkertijd maakt dit het beleid ook subjectief en zal het ongetwijfeld vragen oproepen over hoe en wanneer dit toegepast wordt. Ze verwijst naar het debat over de omgevingsvisie voor Overvecht, waar al veel verschillende meningen bestonden over wat leefbaarheid precies inhoudt. Pagina 20 van 34

5

10

15

20

25

30

35

40

45

50

55

60

Volt vindt het belangrijk om een uitgangspunt toe te voegen aan de visie: de inrichting van de openbare ruimte moet benaderd worden vanuit het perspectief van mannen, vrouwen én nonbinaire personen. Dit gebeurt al langere tijd in Wenen en is recent ook in Amsterdam besloten. Het betekent bijvoorbeeld dat een vrouw zich in de openbare ruimte veilig moet kunnen bewegen, zonder zich onveilig te voelen. Zij vraagt of het college de mening deelt dat gendermainstreaming de norm zou moeten zijn. Daarnaast benadrukt Volt dat het belangrijk is dat alle Utrechters via een zienswijze hun suggesties kunnen geven. Ze constateert dat de reacties zijn samengevat in vijf blokken en dat alleen bij het onderwerp erfgoed tot een minimale inhoudelijke wijziging is overgegaan. Voor de overige thema’s zijn er volgens haar geen inhoudelijke aanpassingen gedaan. Dit vindt zij ontmoedigend. Mensen nemen de moeite om hun ideeën te delen, maar als die niet serieus lijken te worden genomen, kan dit ten koste gaan van het draagvlak en het vertrouwen in de politiek. Zij roept de wethouder op om in de reacties meer menselijke bewoordingen te gebruiken en te zorgen dat er echt ruimte ontstaat om goede ideeën te verwerken. Vaak dragen deze juist bij aan een beter plan.

De heer Dekkers (GroenLinks) ziet de kracht van het participatieproces juist in het feit dat vanaf de eerste fase al veel participatie-input is meegenomen. Veel van de punten die via zienswijzen naar voren zijn gebracht, zijn volgens hem mogelijk eerder al besproken en verwerkt. Hij vraagt of mevrouw Bode dat herkent. Mevrouw Bode (Volt) deelt die mening deels. Ze erkent dat sommige punten al eerder kunnen zijn meegenomen, maar benadrukt dat er in de reactienota ook punten worden genoemd waar bewust níét iets mee is gedaan. Haar bezwaar richt zich vooral op de toon van de reactie en het gebrek aan zichtbare waardering voor de moeite die mensen doen. De heer Dijkstra (EenUtrecht) sluit zich aan bij wat Volt zegt. Hij voegt daaraan toe dat zijn tweede zorg over het participatieproces is dat er aan bewoners is gevraagd wat voor stad zij willen, maar dat uiteindelijk slechts zeventien zienswijzen zijn binnengekomen. De groep mensen die eerder wél betrokken was, is volgens hem in deze fase niet opnieuw benaderd. Hij vraagt of Volt die zorg deelt. Mevrouw Bode (Volt) vindt dat de stedenbouwvisie niet concreet genoeg is op het niveau van buurten en wijken. Daardoor is het voor bewoners lastig om in te schatten wat de visie precies betekent voor hun eigen leefomgeving.

Mevrouw Alblas (ChristenUnie) spreekt haar waardering uit voor het werk dat is verricht om deze visie tot stand te brengen, evenals voor de gevoerde gesprekken. Volgens haar moet de visie een antwoord geven op de vraag wat voor stad Utrecht wil zijn. Een van de jongeren verwoordde dat als: het gaat om gemeenschap, en mensen moeten het samen doen. De ChristenUnie is het daarmee eens, omdat een sterke gemeenschap zorgt voor een goede samenleving en bewoners betrokken houdt. Ruimte voor ontmoeting is voor de ChristenUnie van groot belang, zeker met het oog op de toekomst waarin mensen ouder worden en steeds meer mensen alleen wonen. De visie stelt dat er ruimte moet zijn om gemeenschappen te stimuleren via een goed ingerichte openbare ruimte. Hoewel de visie enkele voorbeelden noemt, hoopt zij dat de wethouder begrijpt dat deze lijst uitgebreider zou moeten zijn. Er moet bijvoorbeeld ook voldoende ruimte zijn voor geloofsgemeenschappen, levensbeschouwing, rust en bezinning. Ze wijst erop dat het begrip "dichtheid" niet genoemd wordt in de visie, terwijl een hoge dichtheid vraagt om het borgen van randvoorwaarden voor woon- en leefkwaliteit. Ze vraagt de wethouder of hier uitgangspunten voor zijn of hoe hij hiernaar kijkt. Ook bevat de visie geen specifieke uitspraken over het behoud van karakter en identiteit van bestaande wijken.

Utrecht bestaat uit vier woonplaatsen, tien wijken en nog veel meer buurten en gemeenschappen, elk met een eigen identiteit. Ze vraagt waarom dit niet is opgenomen in de visie en of de wethouder dit alsnog van plan is. De heer Dekkers (GroenLinks) wijst erop dat een van de uitgangspunten juist is dat voortgebouwd wordt op de bestaande identiteit, en hij begrijpt de opmerking van de ChristenUnie daarom niet goed. Mevrouw Alblas (ChristenUnie) bevestigt dat het benoemd is als uitgangspunt, en ze begrijpt ook dat niet elke buurt apart beschreven hoeft te worden. Toch vindt ze dat hier uitgebreider op Pagina 21 van 34

5

10

15

ingegaan mag worden. Bij sommige nieuwbouwprojecten ziet ze dat aan de bestaande identiteit voorbij wordt gegaan. Historisch en hedendaags erfgoed zijn volgens haar belangrijke dragers van identiteit, met de Dom als centraal oriëntatiepunt. Ook uit reacties blijkt dat men het belangrijk vindt dat de Dom zichtbaar blijft. In de vorige visie werd de Dom benoemd met ingetekende zichtlijnen. Ze vraagt waarom ervoor is gekozen deze zichtlijnen niet opnieuw op te nemen en wat dat betekent voor de Dom als oriëntatiepunt. Daarnaast sluit de ChristenUnie zich aan bij de Partij voor de Dieren wat betreft toegankelijkheid. Het lijkt haar goed om dit expliciet te verankeren in de visie, omdat het nog lang niet altijd goed gaat. De heer Usta (DENK) vraagt wat de ChristenUnie onder toegankelijkheid verstaat. Mevrouw Alblas (ChristenUnie) sluit aan bij de input van Solgu. Ze noemt als voorbeelden het rolstoeltoegankelijk maken van stoepen, zorgen dat mensen zonder moeite door parken kunnen bewegen, gebouwen toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en aandacht voor blinde mensen in de inrichting van de ruimte.

20

De heer Usta (DENK) merkt op dat het hier vooral gaat over mensen met een fysieke beperking, maar dat toegankelijkheid volgens hem breder is. Hij wijst bijvoorbeeld op ontoegankelijke wegen voor automobilisten.

25

Mevrouw Alblas (ChristenUnie) erkent dat haar voorbeelden beperkt waren en dat toegankelijkheid breder is. Ze stelt echter dat Utrecht goed toegankelijk is voor auto’s en dat alle wijken bereikbaar zijn. De ChristenUnie staat achter de mobiliteitsvisie, maar benadrukt dat haar punt over toegankelijkheid een ander perspectief betreft dan dat van DENK. De heer Usta (DENK) concludeert daarop dat de ChristenUnie selectief is in wat ze onder toegankelijkheid verstaat.

30

35

40

Mevrouw Alblas (ChristenUnie) wijst dit van de hand. Zij ziet de stad als toegankelijk voor auto’s en benadrukt dat haar toegankelijkheidspunt draait om inclusiviteit in de openbare ruimte voor mensen met een beperking. De mobiliteitsvisie onderschrijft zij, maar op dit punt verschilt ze van mening met DENK. Tot slot vraagt zij de wethouder of het een standaard uitgangspunt kan worden dat ruimtelijke ontwikkelingen ook dienen als investeringsmotor, zodat wijken daarvan kunnen meeprofiteren. Ze wil daarnaast weten hoe de keuzes in deze stedenbouwvisie doorwerken na 2040, en of het document daarvoor voldoende houvast biedt. De heer Dijkstra (EenUtrecht) vraagt of de ChristenUnie vindt dat de visie voldoende recht doet aan het behoud van de identiteit van buurten. Mevrouw Alblas (ChristenUnie) is van mening dat dat beter kan. Tegelijkertijd staat ze ervoor open als de wethouder haar hierover in de beantwoording gerust kan stellen.

45

De heer Dijkstra (EenUtrecht) stelt dat in Overvecht geen sprake is van behoud van identiteit en vraagt wat volgens haar de conclusie moet zijn, als toezeggingen op papier in de praktijk niet worden waargemaakt.

50

Mevrouw Alblas (ChristenUnie) antwoordt dat de visie nog vrij algemeen is en vooral als uitgangspunt dient dat per project verder uitgewerkt moet worden. Op die manier kan de identiteit van wijken en buurten behouden blijven. Wat betreft Overvecht heeft zij een andere kijk dan EenUtrecht, en daar wil ze nu niet het debat over voeren.

55

De heer Dijkstra (EenUtrecht) wil graag richting geven aan de visie en vraagt of de ChristenUnie ook twijfelt of het uitgangspunt, het behoud van identiteit, in de praktijk kan worden waargemaakt. Mevrouw Alblas (ChristenUnie) geeft aan dat zij het antwoord van de wethouder hierover wil afwachten.

Pagina 22 van 34

De heer Usta (DENK) vraagt of de visie dan eigenlijk voor niets is opgesteld, omdat de ChristenUnie deze als te abstract en niet concreet genoeg ervaart, en blijkbaar ook twijfelt of de uitgangspunten daadwerkelijk waargemaakt kunnen worden. 5

10

15

20

Mevrouw Alblas (ChristenUnie) reageert dat zij dat niet heeft gezegd. Ze benadrukt dat er veel uitgangspunten in de visie staan waar zij zich goed in kan vinden, maar dat zij bij één daarvan, het behoud van identiteit, een vraag heeft gesteld. De heer Dijkstra (EenUtrecht) vraagt zich af of Utrechters werkelijk een stad willen zoals voorgesteld in de visie. Hij denkt van niet, omdat volgens hem het karakter van de stad drastisch verandert. Er wordt volgens hem gekozen voor massale hoogbouw op negen locaties, met extreem hoge flats dicht op elkaar. Daarbij komt ook nog dat er per woning minder groen beschikbaar zal zijn. Hij vindt dat het college hierover niet eerlijk is, omdat het wordt gepresenteerd als een visie die aansluit bij de identiteit van wijken en buurten. Dat noemt hij onzin. De heer Van der Zweth (PvdA) vraagt of de heer Dijkstra het stuk wel heeft gelezen, omdat hij begint over “overal massale torens”. Hij wil weten waar in het stuk staat dat er overal grote torens komen. De heer Dijkstra (EenUtrecht) bevestigt dat hij het stuk heeft gelezen.

25

De heer Van der Zweth (PvdA) vraagt opnieuw waar de heer Dijkstra dan heeft gelezen dat er sprake is van massale hoogbouw overal, aangezien het basis- en basis-plusprincipe in de visie juist stelt dat 80% van de stad is uitgesloten voor hoogbouw.

30

De heer Dijkstra (EenUtrecht) geeft aan dat het hem gaat om de negen locaties waar torens wél mogelijk zijn. Volgens hem gaat het om flinke aantallen torens op die plekken, wat hij ziet als “superhoogbouw”. Hij wijst erop dat hoogbouw al begint vanaf dertig meter. Vanuit zijn perspectief is dat veel. Hij erkent dat de PvdA daar anders tegenaan kijkt.

35

40

De heer Van der Zweth (PvdA) merkt op dat de heer Dijkstra zijn oorspronkelijke stelling nu nuanceert. Hij begon volgens hem met de suggestie dat overal in de stad grote torens verrijzen. Voor hem gaat het om realisme, niet om het verzinnen van zaken. De heer Dijkstra (EenUtrecht) vindt dat zijn woorden worden verdraaid en dat hij onterecht geframed wordt. Hij benadrukt dat hij heeft gezegd dat het om negen hoogbouwlocaties gaat, en dat vindt hij nog steeds veel. De voorzitter vraagt aan de commissie of zij eerst de inbreng van de heer Dijkstra willen afronden of meteen willen schorsen voor de pauze. Ze concludeert dat er geschorst wordt, maar staat nog twee interrupties toe.

45

De heer Dekkers (GroenLinks) stelt dat er wél gezegd is dat er overal massaal torens gebouwd zouden worden, en dat pas later gesproken werd over de negen locaties. Hij is het dan ook volledig eens met de opmerking van de heer Van der Zweth. Hij is van mening dat de visie onderscheid maakt tussen verschillende gebieden. Hij vraagt of de heer Dijkstra dat erkent.

50

De voorzitter grijpt in en geeft aan dat er niet ingehaakt mag worden op interrupties van anderen. Iedereen mag zijn eigen interruptie doen.

55

60

De heer Dijkstra (EenUtrecht) zegt dat hij de opmerking zal terugkijken, maar dat hij meent dat hij al aan het begin heeft benoemd dat het om negen locaties gaat. Hij benadrukt dat hij die hoeveelheid hoogbouw fors vindt. Het debat hoeft daar wat hem betreft niet over te gaan; zijn punt is dat deze visie een hele andere stad tot gevolg heeft, zowel op deze negen locaties en daar komen de andere plekken waar ook hoogbouw mogelijk is nog bij. De heer Snijder (Student&Starter) sluit zich aan bij de opmerkingen van de heer Van der Zweth. Hij verwijst naar de uitspraak van de heer Dijkstra dat "alle Utrechters" het niet eens zouden zijn met de visie. Volgens hem is dat slechts een persoonlijke mening van de heer Dijkstra. Hij wijst Pagina 23 van 34

erop dat het mandaat om hierover te besluiten in de raad ligt, en vraagt of de heer Dijkstra dat erkent. 5

De heer Dijkstra (EenUtrecht) geeft aan dat hij de roep vanuit de samenleving steeds sterker hoort om het mandaat meer te delen. Mensen voelen de afstand tot de politiek groter worden. Hij zegt dat hij feitelijk niet weet wat Utrechters van de visie vinden, omdat het hen niet is gevraagd. Daarom stelt hij voor om hierover een burgerberaad te organiseren.

10

De heer Snijder (Student&Starter) benadrukt dat de heer Dijkstra daarmee dus namens een specifieke groep spreekt, en dat ook mensen die nu nog geen plek hebben in de stad gehoord moeten worden.

15

20

25

30

35

40

De heer Dijkstra (EenUtrecht) erkent dat hij inderdaad spreekt namens een groep Utrechters maar dat hij ook niet hoeveel mensen deze visie steunen. Wat hij wel weet, is dat er veel kritiek leeft op de richting die de stad volgens deze visie opgaat. Hij wil die zorgen vertegenwoordigen. De heer Snijder (Student&Starter) waardeert dat EenUtrecht erkent niet namens álle Utrechters te spreken. Hij wijst erop dat er in het stadskantoor veel deskundigheid aanwezig is over hoe een stad ontwikkeld wordt. Volgens hem ontbreekt dat perspectief vaak in de bijdragen van de heer Dijkstra. In zijn ogen gaat het er in de raad niet om dat iedereen zijn zin krijgt, maar dat er keuzes worden gemaakt, en daar ligt ook de rol van het college. De heer Dijkstra (EenUtrecht) is het ermee eens dat niet iedereen zijn zin kan krijgen, maar benadrukt dat er ook oog moet zijn voor grote minderheden. Hij twijfelt of de visie een afspiegeling is van een meerderheidsstandpunt. Volgens hem wordt er te weinig actief aan bewoners gevraagd wat zij van deze stedenbouwvisie vinden. Hij erkent de kennis en kunde binnen het stadskantoor, maar benadrukt dat er in participatietrajecten óók veel waardevolle inbreng van bewoners is geweest, waar volgens hem niets mee is gedaan. De voorzitter schorst de vergadering om 13.06 uur en heropent deze om 14.00 uur na de lunchpauze.

De heer Te Hoonte (VVD) vraagt of de heer Dijkstra erkent dat er in het Beurskwartier al negen torens zijn opgenomen, dat op het naastgelegen Kazerneterrein twee torens zijn gepland en dat ook in de Merwedekanaalzone meerdere torens van circa zestig tot zeventig meter worden gebouwd. Hij wijst daarnaast op het puntje Westraven, waar volgens hem alleen hoogbouw gerealiseerd kan worden om het geplande aantal woningen te halen. Hij vraagt of dit is wat de heer Dijkstra bedoelt met “massaal”. De heer Dijkstra (EenUtrecht) bevestigt dat dit precies is wat hij bedoelt met massaal en overal. Hij had het zelf niet beter kunnen verwoorden. Voor veel Utrechters is dertig meter al hoog, en zo ontstaat een heel andere stad, en dat vindt hij te ver gaan.

45

De heer Te Hoonte (VVD) erkent dat het om forse aantallen gaat en vindt dat daar eerlijk over gecommuniceerd moet worden richting de stad. De VVD is niet principieel tegen hoogbouw, maar wil weten op welke plek het voor EenUtrecht te veel is.

50

De heer Dijkstra (EenUtrecht) vindt dat het bij het algemene beeld begint. Veel locaties moeten nog worden besproken, maar als de stedenbouwvisie als leidraad wordt gebruikt, vreest hij dat overal hoogbouw ontstaat. Hij wil kritischer kijken naar locaties en denkt dat dat aansluit bij de gevoelens van veel Utrechters.

55

De heer Te Hoonte (VVD) geeft aan dat de VVD ook vindt dat op sommige plekken te intensief gebouwd wordt, met dichtheden en schaalgroottes die nieuw zijn voor de gemeente en waarvan de effecten nog onbekend zijn. Hij vraagt of het wel verstandig is om al te willen leren van projecten die nog niet zijn gerealiseerd.

60

De heer Dijkstra (EenUtrecht) noemt de voorgestelde verdichting ongekend. Hij vindt dat het eerlijke verhaal hierover niet met de Utrechters is gedeeld. Hij vraagt zich af of dit de stad is die mensen willen. EenUtrecht noemt de visie een slecht plan en verwijst naar hun eigen alternatief. Pagina 24 van 34

5

10

15

Daarin wordt de stad opgebouwd vanuit unieke buurten, met voorzieningen zoveel mogelijk in de eigen wijk, en met groen in plaats van meer verstening. De bouw moet passen bij de buurt, wat betekent: 50 tot 100 woningen per hectare en torens maximaal 50 meter hoog. Hoger bouwen is volgens hem ook niet duurzaam, duurder, minder efficiënt en lost de wooncrisis niet op. Hij vraagt zich af voor wie deze stad eigenlijk gebouwd wordt: voor bestuurders, of voor een rijke groep mensen die graag in het centrum van het land woont en overal op uit wil kijken? De heer Snijder (Student&Starter) werpt tegen dat de visie ook is bedoeld voor alle jonge mensen die nu geen plek kunnen vinden, voor studenten en voor mensen die hier zijn opgegroeid. Hij vraagt de heer Dijkstra om iets genuanceerder te zijn, omdat ook het alternatief van EenUtrecht niet zal zorgen dat iedereen een plek krijgt in de stad. De heer Dijkstra (EenUtrecht) benadrukt dat hoogbouw niet energiezuinig is en bovendien duurder in bouw en onderhoud. Volgens hem zullen de mensen die de heer Snijder noemt zich de woningen in de torens niet kunnen veroorloven. Hij is van mening dat er wél voldoende mensen in Utrecht kunnen wonen, maar dan moet er op een betaalbare en energiezuinige manier gebouwd worden. De problemen van de Randstad kunnen volgens hem bovendien niet door Utrecht alleen worden opgelost.

20

De heer Snijder (Student&Starter) reageert dat hij ook niet vindt dat Utrecht de hele Randstadproblematiek moet oplossen, maar dat er in het coalitieakkoord een norm van 40 procent sociale huur is afgesproken. Volgens hem is de inzet op sociale woningbouw groter dan ooit, en kan dat prima samengaan met hoogbouw.

25

De heer Dijkstra (EenUtrecht) stelt dat hij twijfelt of sociale huur past in hoge torens, gezien de hoge bouwkosten. Volgens hem is betaalbaar bouwen op deze manier niet haalbaar. Als afsluiting benadrukt hij dat EenUtrecht graag onderaan begint en de stedenbouwvisie graag voorlegt aan de inwoners via een burgerberaad in 2026.

30

De heer Van der Zweth (PvdA) vraagt aan de heer Dijkstra of hij zich erbij neerlegt als uit een burgerberaad zou blijken dat veel bewoners wél de hoogte in willen bouwen. De heer Dijkstra (EenUtrecht) bevestigt dat hij zich daarbij zou neerleggen.

35

De heer Van der Zweth (PvdA) vraagt vervolgens wat dan leidend is voor de heer Dijkstra: het alternatief van EenUtrecht of de uitkomst van het burgerberaad.

40

De heer Dijkstra (EenUtrecht) stelt dat de heer Van der Zweth het alternatief van EenUtrecht niet goed heeft gelezen. Volgens hem wordt het alternatief niet als optie voorgelegd, maar laat het vooral zien dat het ook anders kan. Hij wil het ook niet in stemming brengen. Het is juist bedoeld om de Utrechters verschillende keuzemogelijkheden voor te leggen, zodat zichtbaar wordt wat de stad zélf wil.

45

De heer Van der Zweth (PvdA) stelt dat mensen die nog niet in Utrecht wonen geen deel kunnen uitmaken van een burgerberaad en dat er daarmee belangrijke stemmen verloren gaan. Hij vindt het dubbel dat EenUtrecht wel met een eigen plan komt, maar de uiteindelijke keuze bij de bewoners legt zonder zelf echt positie te kiezen.

50

De heer Dijkstra (EenUtrecht) vreest dat de PvdA tegen het idee van een burgerberaad zal stemmen, waardoor deze toekomstvraag nooit aan de bewoners wordt voorgelegd. Als dat gebeurt, zou hij alsnog voor zijn eigen alternatief kiezen. Toch wil hij dat het beleid aansluit bij wat Utrechters willen.

55

De heer Van Vliet (D66) vraagt zich af of het betoog van EenUtrecht daadwerkelijk draait om een burgerberaad, of dat het in feite gaat om het doordrukken van een al ingevuld alternatief. Volgens hem wekt het de indruk dat het burgerberaad slechts een middel is om de visie van EenUtrecht aan een meerderheid op te leggen.

60

De heer Dijkstra (EenUtrecht) is het daar niet mee eens. Hij wil juist onderzoeken hoeveel Utrechters de stedenbouwvisie steunen en laten zien dat er een alternatief is. Pagina 25 van 34

5

10

15

20

25

De heer Te Hoonte (VVD) zegt geen voorstander te zijn van een burgerberaad. Hij vraagt zich af of het niet verstandiger was geweest om een burgerberaad te organiseren vóórdat de hoogbouwvisie werd losgelaten en niet pas nu, wanneer de hele visie al is uitgewerkt. De heer Dijkstra (EenUtrecht) geeft aan dat hij daar destijds al op heeft aangedrongen, maar dat hij het nu alsnog probeert te repareren. Hij had het ook liever één of twee jaar geleden georganiseerd. De heer Te Hoonte (VVD) vindt het vreemd dat pas bij het vaststellen van de visie wordt gevraagd om een burgerberaad. Volgens hem zou het logischer zijn om de visie af te keuren, en bij een nieuw traject ruimte te maken voor een burgerberaad. De heer Dijkstra (EenUtrecht) is het daarmee eens. De heer Te Hoonte (VVD) merkt op dat hij ook aanpassingsvoorstellen hoort vanuit coalitiepartijen. Hij vraagt zich af of dit leidt tot een strekt ter vervanging of dat er gewerkt gaat worden met amendementen. De heer Dijkstra (EenUtrecht) zegt dat een groot deel van de inwoners geen hoogbouw wil, maar juist meer groen, zoals blijkt uit de enquête. Veel mensen zijn volgens hem ontevreden over de koers die met deze visie wordt ingezet. De heer Dekkers (GroenLinks) stelt dat een burgerberaad een waardevolle vorm van inspraak kan zijn, maar dat het volgens hem géén betrouwbaar inzicht biedt in wat inwoners vinden.

De heer Dijkstra (EenUtrecht) vindt dat onjuist. Hij stelt zelfs dat een referendum nog beter zou zijn om een duidelijk beeld te krijgen van de mening van inwoners.

30

35

40

De heer Dekkers (GroenLinks) stelt dat een burgerberaad geen representatief beeld geeft en dat EenUtrecht hiermee het gehele participatietraject terzijde schuift. Veel punten die zijn ingebracht tijdens de participatie zijn volgens hem juist verwerkt in de nota. De heer Dijkstra (EenUtrecht) zegt blij te zijn dat er een participatieproces is geweest, maar dat dit halverwege is gestopt en slechts een ‘ophaaltraject’ is geweest. Volgens hem blijkt uit onderzoek dat 76 procent van de Utrechters hoogbouw slechts beperkt accepteert, bij voorkeur slechts enkele verdiepingen hoger dan bestaande bouw, en dat 74 procent meer groen in de buurt wil, terwijl dat juist afneemt. Hij stelt dat er geen oordeel is gevraagd over het eindresultaat, en dat hij het participatieproces wil afmaken met een burgerberaad waarin een eindoordeel wordt gevraagd over de gemaakte keuzes. De heer Dekkers (GroenLinks) vraagt of de heer Dijkstra dan ook heeft gelezen welke punten wél zijn verwerkt.

45

50

55

60

De heer Dijkstra (EenUtrecht) weet dat het eindresultaat is voorgelegd aan de stad en dat dit slechts zeventien zienswijzen heeft opgeleverd. Volgens hem doet dat geen recht aan het belang van het stuk, en dat kan én moet beter. Mevrouw Bode (Volt) vraagt aan de heer Dijkstra of hij het ermee eens is dat het logisch zou zijn om een burgerberaad ná de vaststelling van de stedenbouwvisie te organiseren, aangezien de visie kaderstellend is. Zij is van mening dat een burgerberaad vooral passend zou zijn bij de concretisering op wijkniveau. De heer Dijkstra (EenUtrecht) geeft aan graag mee te denken met Volt. Hij erkent dat dit een haalbaardere route zou kunnen zijn. Hij wil bij de ontwikkeling van wijken ook ruimte laten voor bewoners om te bepalen of alle mogelijkheden maximaal benut moeten worden. In de visie worden volgens hem bepaalde grenzen gesteld, maar niet elke wijk zal die grenzen willen benutten Hij rondt zijn betoog af met een aantal vragen aan de wethouder. Ten eerste vraagt hij of de wethouder bereid is het alternatief van EenUtrecht te bekijken, en te onderzoeken of er onderdelen zijn die beter zijn dan de voorgestelde stedenbouwvisie. Ten tweede vraagt hij of de Pagina 26 van 34

5

10

wethouder bereid is een eerlijk verhaal te vertellen over het feit dat er in sommige gevallen minder groen zal zijn en dichter op elkaar gebouwd wordt, iets wat hij in de visie mist. Ten derde vraagt hij waarom de verslagen van de participatiebijeenkomsten niet actiever met deelnemers zijn gedeeld. Als vierde vraagt hij waarom er geen grotere bekendheid is gegeven aan de mogelijkheid om actief deel te nemen. Tot slot vraagt hij welke bezwaren de wethouder heeft tegen het houden van een burgerberaad. De heer Stellinga (CDA) vraagt aan de heer Dijkstra of het alternatief dat EenUtrecht heeft opgesteld bedoeld is als een ruimtelijke visie ter vervanging van de stedenbouwvisie, of dat deze breder gelezen moet worden. De heer Dijkstra (EenUtrecht) geeft aan dat het alternatief breder is geformuleerd en dat er een aantal extra elementen in zitten ten opzichte van de stedenbouwvisie.

15

20

De heer Stellinga (CDA) vraagt vervolgens of EenUtrecht van plan is om hierover een initiatiefvoorstel in te dienen ter vaststelling. De heer Dijkstra (EenUtrecht) antwoordt dat hij het alternatief niet in stemming wil brengen. Het is bedoeld om te laten zien dat het ook anders kan. Hij wil het terugleggen bij de Utrechters, zodat zij er een mening over kunnen vormen. De heer Stellinga (CDA) geeft aan graag samen met EenUtrecht naar de voorstellen te willen kijken.

25

30

35

40

45

50

55

60

De voorzitter concludeert dat hiermee alle fracties hun inbreng hebben geleverd, en ziet dat de wethouder direct kan starten met de beantwoording. Wethouder Eerenberg dankt iedereen voor het interessante debat. Hij heeft duidelijk de politieke meningsverschillen zien terugkomen over hoe de stad zich zou moeten ontwikkelen. Volgens hem is deze visie niet fundamenteel anders dan eerdere documenten, maar er wás nog geen stedenbouwkundige visie over hoe Utrecht een mooie, fijne en leefbare stad kan zijn. Het bestaan van zo’n visie nodigt bij ontwikkelingen meer uit tot het gesprek én voorkomt dubbel werk. Hij stelt dat er al veel lessen geleerd zijn die nu geborgd kunnen worden. De wethouder benadrukt dat deze visie zowel kaderstellend is als richtinggevend: enerzijds een stip op de horizon, anderzijds een set uitgangspunten die de visie concreet en hanteerbaar maken. De heer Stellinga (CDA) vraagt of het niet handiger was geweest om de visie op te splitsen, aangezien hij zich afvraagt of een combinatie van abstracte visie en concrete uitgangspunten wel in één document thuishoort. Wethouder Eerenberg ziet geen juridische belemmering voor een gecombineerd document. Hij geeft aan dat een deel abstract geformuleerd is, en dat een ander deel vertaald wordt naar uitgangspunten.

Volgens hem sluiten visie en uitgangspunten goed op elkaar aan, en ziet hij het als een gevarieerde menukaart. De heer Stellinga (CDA) vraagt wat er dan tegen een splitsing is. De hoogbouwvisie van 2005 had volgens hem een duidelijk beleidskader, wat deze visie in mindere mate heeft. Hij vraagt of het niet beter was geweest om een afzonderlijk hoogbouwbeleidskader en een stedenbouwkundige visie te maken. Wethouder Eerenberg vindt dit vooral een vormdiscussie. Volgens hem was het oude document ook niet heel precies, en komen veel van dezelfde vormen daarin terug. Wanneer het om een visie gaat, ontstaan nu eenmaal vergelijkbare documenten. Voor gedetailleerde uitwerkingen is er het beeldkwaliteitsplan. Hij benadrukt dat deze visie nog steeds onderdeel is van de RSU en uiteindelijk moet landen in de omgevingsvisie. De visie gaat nadrukkelijk ook over de balanskant van stedelijke groei, waar volgens hem weinig over gesproken wordt. Als de stad ontwikkelt, moeten daar eisen tegenover staan op het gebied van ontmoeting, groen en leefbaarheid. De visie borgt een aantal van die uitgangspunten. Hij benadrukt dat het níet de bedoeling is om een beeld te schetsen van ongebreidelde groei. De visie biedt juist ruimte om bestaande kwaliteiten te behouden, zonder vernieuwing uit te sluiten, zolang die een duidelijke toevoeging is. Pagina 27 van 34

10

Wat betreft participatie wijst hij op het intensieve traject dat is doorlopen. Bij “Samen stad maken” zijn 4600 mensen bevraagd via een enquête, er zijn 533 straatgesprekken gevoerd, en een reeks toekomstgesprekken georganiseerd waarbij hijzelf aanwezig was. Daarbij werd actief gevraagd naar afwegingen en dilemma’s. Uit die gesprekken kwam onder meer naar voren waar hoogbouw wel of niet passend werd gevonden. In Zijdenbaden is zelfs een buurtborrel gehouden om in gesprek te gaan met bewoners over hun ervaringen met hoogbouw. Volgens de wethouder is er ruimhartig geparticipeerd. Alle verwerkte input is traceerbaar en alle betrokkenen zijn op de hoogte gehouden van vervolgstappen. De deelnemers die hun e-mailadres achterlieten, zijn gemaild toen de visie werd afgerond en er een zienswijze kon worden ingediend, wat uiteindelijk zeventien zienswijzen opleverde.

15

De heer Usta (DENK) zegt te begrijpen dat er participatie heeft plaatsgevonden en snapt de redenatie van de wethouder, maar benadrukt dat participatie méér is dan mensen informeren en spreken. Volgens hem is de vertaling van de input in de uiteindelijke visie soms niet in lijn met wat deelnemers wilden. Hij vraagt of de wethouder dat herkent en of hij dat zorgelijk vindt.

5

20

Wethouder Eerenberg herkent dat beeld niet. Wat betreft de stedenbouwvisie is er volgens hem juist veel terug te vinden in het participatieverslag, dat maar liefst 61 pagina’s telt. Hij stelt dat het participatietraject serieus, zorgvuldig en uitgebreid is geweest, en vindt dat het niet terecht is om daar lichtzinnig over te spreken. Voor hem is participatie stap één in het democratisch proces. Nu ligt het bij de raad als volksvertegenwoordiging om politieke keuzes te maken.

25

De heer Usta (DENK) waardeert dat er contact is geweest met bewoners en geeft aan dat hij niet bagatelliseert wat er is opgehaald. Hij vindt niet dat de participatie te weinig of slecht is uitgevoerd, maar dat de vertaling van wensen naar beleid tekortschiet. Dat beeld heeft hij teruggekregen van bewoners. Hij vraagt of de wethouder zich daar bewust van wil zijn.

30

Wethouder Eerenberg stelt dat er juist op die punten waar meningen uiteenliepen, verdiepende gesprekken zijn gevoerd. Hij heeft ook mensen gesproken die het participatieproces als positief en zinvol hebben ervaren. Hij waarschuwt ervoor dat er niet eindeloos doorgepraat moet worden in een poging om iedereen tevreden te stellen. Er is volgens hem al aanzienlijk meer participatie gedaan dan bij andere trajecten.

35

De heer Usta (DENK) concludeert dat de visie dan overbodig is als toch niet iedereen tevreden gesteld kan worden. Volgens hem is het weggegooid geld, omdat de visie niets nieuws brengt en slechts de lijn van de coalitiepartijen volgt.

40

45

50

55

60

Wethouder Eerenberg geeft aan dat hij het echt anders ziet dan DENK. Volgens hem heeft het voeren van het gesprek en het luisteren naar mensen op zichzelf al waarde. Met het vaststellen van de visie ontstaat er eindelijk een kader waarin spelregels worden vastgelegd. Dat mensen het oneens zijn, vindt hij juist mooi, dat is iets anders dan zeggen dat het proces niets heeft opgeleverd. Hij is terughoudend met het toezeggen van een “strekt ter vervanging”, omdat er institutionele tegenstellingen zijn en hij niet zeker weet of zo’n tekst dan wel is wat de meerderheid van de raad wil. Tegelijkertijd benadrukt hij dat wijzigingen in de visie aan het politieke debat zijn, maar hij zal de vragen wel inhoudelijk duiden. Hij begint met het punt over gendermainstreaming, waar hij nadrukkelijk meer aandacht aan wil geven. In steden die hier werk van maken, wonen mensen prettiger en zijn ze over het algemeen vrolijker en vriendelijker. Wanneer Volt met een motie hierover komt, staat hij daar in beginsel positief tegenover. De wethouder vraagt daarnaast hulp van de commissie om teksten aan te wijzen die mogelijk segregatie rechtvaardigen, omdat dat nooit de bedoeling is geweest. Als dat zo is, wil hij dat corrigeren met een strekt ter vervanging. De heer Te Hoonte (VVD) verwijst naar dezelfde passage, waarin volgens hem een algemene oplossing voor alles wordt gepresenteerd.

Als die passage zou worden geschrapt, betekent dat in zijn ogen dat er geen oplossing meer is voor diversiteit. Hij stelt voor om de passage over “de eenheidsworst” te verwijderen. De voorzitter geeft aan dat tekstuele suggesties hierover aan de wethouder kunnen worden doorgegeven. Pagina 28 van 34

5

10

15

20

25

30

35

Wethouder Eerenberg reageert dat toegankelijkheid al op veel plekken in diverse beleidsnota’s is vastgelegd, maar hij begrijpt dat sommige partijen het jammer vinden dat dit niet expliciet in de stedenbouwvisie staat. Hij moedigt partijen aan om hierover met een motie te komen. Hij is het inhoudelijk eens met de punten die Solgu aandraagt. Wat betreft de intermediaire zones, het gebied tussen gevel en openbare ruimte, legt hij uit dat deze ruimte niet volledig openbaar is, maar wel bruikbaar moet zijn. Dat kan een voortuin zijn, maar ook een collectieve invulling. De visie schrijft niet voor of er wel of geen voortuin moet zijn. De heer Te Hoonte (VVD) geeft aan dat hij in de visie leest dat voortuinen juist níét zijn toegestaan. Wethouder Eerenberg benadrukt dat dit niet klopt. Elk gebouw moet een intermediaire zone hebben, en dat kan prima een voortuin zijn. Het hoeft niet, maar het mág dus wel. Hij vindt dat begrippen als bestendiging, placemaking, tijdelijke invulling en toekomstbestendigheid goed zijn opgenomen in de visie. Als Student&Starter iets anders bedoelt met "experimenteren", dan wil hij dat wegen. Hij ziet Student&Starter als de geestelijk vader van het concept "verticaal bestemmen", al is dat in bestemmingsplannen nog een grijs gebied. Wel is hij het ermee eens dat hoogbouw méér zou moeten zijn dan alleen een plint met woningen erboven.

Hij wil zeker nadenken over de invulling van tussenlagen. Als er meer ambitie nodig is, roept hij de raad op om voorstellen te doen bij de raadsbehandeling. Wat betreft middenbouw: dat is volgens de wethouder wel degelijk opgenomen in de hoogbouwkaart, zelfs op meer plekken dan hoogbouw zelf. Hij ziet het als een solide en realistische manier om te verdichten. De heer Snijder (Student&Starter) geeft aan zeker met voorstellen te komen richting de wethouder. Hij heeft echter in de stukken weinig concreets gelezen over het actief toepassen van middenbouw. Hij vraagt of de wethouder mogelijkheden ziet om middenbouw structureel als verdichtingsstrategie op te nemen, of dat er vastgehouden moet worden aan de basis- en basis+ categorieën. Wethouder Eerenberg legt uit dat de stedenbouwvisie een maximum bouwhoogte vastlegt, maar dat er in de praktijk zelden tot het maximum wordt gebouwd. Daardoor komt het in veel gevallen vanzelf neer op middenbouw. Dat is ook vaak een betere keuze. Hij erkent dat hoogbouw duurder is, maar dat het ook méér groen kan opleveren op andere plekken. Wanneer dezelfde aantallen woningen in lintbebouwing gerealiseerd zouden moeten worden, is daar meer ruimte voor nodig. Dat kan dus juist een reden zijn om in sommige gevallen tóch voor hoogbouw te kiezen.

De heer Dekkers (GroenLinks) vraagt of de wethouder ook ziet dat het verschilt per plek of middenbouw passend is, en dat dit afhankelijk is van de context.

40

45

50

55

Wethouder Eerenberg stelt dat er nooit één lijn getrokken kan worden voor de hele stad. In het geval van Rijnenburg is er bewust voor gekozen om meer tijd te nemen, omdat er nog onduidelijkheid bestaat over waar het hoogbouwcluster precies komt. Als hij nu al iets had ingetekend en het zou later toch op een andere plek blijken te moeten komen, zou dat alleen maar tot discussie leiden. Hoewel er al veel duidelijk is, is nog niet vastgesteld waar het knooppunt komt, of dat er wellicht zelfs twee komen. De wethouder benadrukt dat de stedenbouwvisie niet over programmering gaat. Wat betreft nachtcultuur geeft hij aan dat die op sommige plekken balanceert op het randje van rafelranden en de omgeving. Zolang het aanmoedigen daarvan niet vooruitloopt op programmeringsvraagstukken, staat hij daar in beginsel positief tegenover. Over de Dom zegt hij dat het absoluut een dogma is als het gaat om het icoon van de stad. Maar dat betekent niet dat de hoogte van de Dom als absolute grens voor alle stedelijke ontwikkeling moet gelden. In beginsel wil hij hier voorzichtig mee omgaan, maar in de praktijk zijn er echter maar een beperkt aantal plekken waar bouwen hoger de Dom überhaupt mogelijk is. Op veel plekken is negentig meter al het maximum en dat ligt ver onder de Dom, en dat komt overeen met wat de raad heeft uitgesproken.

Hij stelt dat het niet haalbaar is om iedere Utrechter een onbelemmerd uitzicht op de Dom te garanderen; dat zou neerkomen op feitelijke stilstand in de stad. Tegelijkertijd benadrukt hij dat dit geen vrijbrief is om onzorgvuldig met het zicht op de Dom om te gaan. Hij daagt de raad uit om eens te bekijken hoeveel zichtlijnen uit het oude beleid behouden zijn. Volgens hem moet de herkenning van de Dom ook op andere manieren terugkomen, bijvoorbeeld in de herkenbaarheid van buurten en wijken. Pagina 29 van 34

5

10

15

20

25

30

35

40

45

50

55

De wethouder zegt toe dat de raad betrokken blijft bij eventuele afwijkingen van de visie. Het document is geen vrijbrief voor het college; als er buiten het kader wordt gehandeld, moet het college de raad daarin blijven betrekken. Ten aanzien van de inbreng van D66 zegt hij het volledig eens te zijn met het beter benutten van daken. Hij vraagt de raad om richting te geven aan het college op dit punt. Ook over multifunctioneel gebruik is hij het eens met D66: het vergroot de veerkracht van wijken en bevordert ontmoeting. De wethouder onderstreept dat de kracht van goede architectuur niet onderschat mag worden, deze draagt direct bij aan leefbaarheid en herkenbaarheid van de stad. Tot slot benadrukt hij dat hij al eerder heeft aangegeven dat er niet méér verdicht wordt langs de as van de visie, volgens hem is het eerder omgekeerd. Wat betreft het debat over sloop en nieuwbouw verwijst hij naar het domein van de wethouder Wonen, waar dat gesprek volgens hem thuishoort. De heer Van der Zweth (PvdA) merkt op dat de kern van zijn betoog was dat de visie mogelijk te veel gericht is op nieuwbouw, in verhouding tot de bestaande wijken. Wethouder Eerenberg is het daarmee eens en verwijst daarom naar het uitgangspunt dat het bestaande “geëerd” moet worden. Tegelijkertijd benadrukt hij dat dit geen zaligverklaring is van alles wat er al staat.

De heer Van der Zweth (PvdA) overweegt een voorstel in te dienen om dit punt beter in het stuk terug te laten komen, zoals hij het bedoelde. Wethouder Eerenberg noemt het debat rond de analyse van de Correspondent spannend, waarin gesteld wordt dat als er slimmer met de bestaande woningvoorraad wordt omgegaan, alle woningzoekenden geplaatst zouden kunnen worden. Volgens hem is het beeld in de praktijk complexer. Gezinswoningen worden nu bijvoorbeeld ook bewoond door stellen of alleenstaanden. Het plan van Alkemade om woningen te splitsen roept mogelijk weerstand op bij huidige bewoners. Hij licht toe dat de nota Omgevingskwaliteit na vaststelling van de stedenbouwvisie wordt aangepast, zodat zaken daar preciezer vastgelegd kunnen worden. De spellingscontrole vindt na vaststelling plaats. Moties worden tegenwoordig na besluitvorming in het document verwerkt, waarna het opnieuw wordt vastgesteld en gepubliceerd. Dat is volgens hem beter navolgbaar voor inwoners. De wethouder was blij met de opmerking van de PvdD dat de visie “niet heel erg tegenviel”. Hij stelt dat het debat over minder verdichten thuishoort bij de RSU. Veel uitgangspunten, zoals het groenblauwe netwerk, biodiversiteit en mensvrije zones, zijn volgens hem al opgenomen in de visie.

De inrichting van de stad moet afgestemd zijn op waterfuncties, bodemsoorten, natuurtypes en doelsoorten, waaronder ook dieren vallen. Tegelijkertijd geeft hij aan dat hij ontwikkelingen niet zal beginnen met het belang van dieren als vertrekpunt. De hoofdgroenstructuur is verankerd in het ruimtelijke beleid, maar dit betekent niet dat er nooit iets in mag gebeuren. Er geldt een spelregel dat als er iets in de groenstructuur wordt veranderd dit royaal moet worden gecompenseerd. Wat de openbare ruimte betreft kan de wethouder niet garanderen dat het aantal vierkante meters per inwoner gelijk blijft. Het college kijkt niet alleen naar kwantiteit, maar ook naar kwaliteit. Verdichting kan volgens hem elders ruimte besparen en daarmee de biodiversiteit helpen. Mevrouw Sasbrink (PvdD) wijst erop dat de wethouder haar punten noemt als bestaande uitgangspunten, terwijl haar verzoek juist was om deze explicieter als uitgangspunten op te nemen in de visie. Wethouder Eerenberg geeft aan dat hij op intentieniveau wil laten zien dat het niet voor niets is opgenomen. Hij benadrukt dat het altijd een afweging blijft. Als het als harde eis wordt vastgelegd, bijvoorbeeld dat er pas ontwikkeld mag worden als er een mensvrije zone is, dan zou hij dat helaas moeten afwijzen omdat woningen voor gaan op mensvrijezones.

Wat betreft de lintbebouwing waar de VVD naar verwees: die is niet specifiek opgenomen in de visie, maar hij erkent dat dit een historisch belangrijk patroon is binnen de stad. Als er een voorstel komt om het wel op te nemen, staat hij daar in beginsel positief tegenover. De hoogbouwvisie die het in concept niet haalde werkte volgens hetzelfde mechanisme: een grofmazige verdeling voor hoogbouw met fijnmazige invulling in de plannen zelf. De wethouder adviseert om de vlekkenkaart nu niet preciezer te maken op kavelniveau. Dat zou juridische Pagina 30 van 34

consequenties kunnen hebben. Door eerst grof en later fijn in te tekenen, blijft er beleidsruimte behouden. Wel moet er een tussenstap komen om de zone vervolgens concreter te bepalen. 5

10

15

20

25

30

35

40

45

50

55

De heer Te Hoonte (VVD) stelt voor om de plekken waar evident géén hoogbouw komt nu al aan te merken, zodat die niet binnen een zone vallen. Wethouder Eerenberg begrijpt zijn punt, maar stelt dat dit feitelijk niet zoveel verandert. In Rijnenburg kan hij bijvoorbeeld nog geen grenzen aangeven. Hij is benieuwd of de heer Te Hoonte suggesties heeft hoe dit wél duidelijk gemaakt kan worden zonder het zonesysteem los te laten. Hij benadrukt dat gebieden die wit zijn op de kaart buiten de hoogbouwzones vallen. Ook noemt hij het belang van “setbacks” om windoverlast tegen te gaan, iets wat in Rotterdam goed werkt en ook de beleving van torens verbetert. Wat betreft de opmerkingen van de VVD over de veelheid aan visiedocumenten onderstreept de wethouder dat hij dit nu niet kan oplossen. Het college kan niet alle documenten tegelijk in de omgevingsvisie verwerken; dit gebeurt in tranches. Wel kan het college kijken om een duidelijkere leeswijzer op de website te plaatsen. De wethouder stelt dat deze stedenbouwvisie zaken vastlegt die al eerder zijn ‘uitgevonden’ en dat het daardoor sneller mogelijk wordt om plannen concreet uit te werken, zonder telkens het wiel opnieuw uit te vinden. De visie overrulet geen gebiedskaders, het is juist een overkoepelend kader waarbinnen gebiedskaders verder uitgewerkt worden.

De discussie over sociale huurwoningen hoort volgens hem bij de beleidsnota Wonen, die binnenkort besproken wordt. De basis- en pluszones zijn bedoeld om aan te geven waar de bouwzones zich bevinden en welke bouwhoogtes daar ongeveer mogelijk zijn. Ze zeggen niets over de sociale samenstelling van een wijk. Over het begrip "ruis" verduidelijkt hij dat het niet over geluidsoverlast gaat, maar over drukke verkeersaders waar veel omheen gebeurt. Het betekent dus niet dat lawaai van verkeer daar ineens “oké” is. Als Utrecht een MBO-stad wil zijn, dan zijn er ook plekken nodig waar vakmensen kunnen werken, klussen, lassen of lawaai maken. Dat kan tegenwoordig goed samengaan met circulaire economie. De stedenbouwvisie draagt daar volgens hem aan bij, al verwacht hij dat zulke werklocaties niet op plekken met hoge dichtheid zullen verschijnen. De heer Dekkers (GroenLinks) vraagt of in de visie voldoende is verwoord dat, wanneer er op Lage Weide intensiever gebruik van de ruimte gewenst is, dit ook kan betekenen dat er de hoogte in gebouwd moet worden. Wethouder Eerenberg geeft aan dat alles wat in de visie staat ook geldt voor de grote werklocaties zoals Lage Weide. Tegelijkertijd moet op die plekken ook ruimte zijn voor de circulaire economie. Hij benadrukt dat hij geen kantoorstad wil worden, wat ook de wens van GroenLinks niet is.

Als er op deze locaties ook “vies werk” verricht wordt, dan ontstaat er een hindercirkel, waardoor woningbouw daar niet mogelijk is. De heer Dekkers (GroenLinks) vraagt of het niet nog explicieter in de visie opgenomen moet worden dat zulke werklocaties essentieel zijn en dat, wanneer intensiever grondgebruik nodig is, dit ook in de hoogte gerealiseerd moet kunnen worden. Wethouder Eerenberg vindt niet dat dit duidelijker hoeft dan nu is opgenomen. Als GroenLinks dit explicieter wil maken, dan zal dat via de politieke route moeten verlopen. Hij benadrukt dat intensiever ruimtegebruik wel hand in hand moet gaan met de ambities op het gebied van circulaire economie. Over de reactienota’s geeft hij aan dat deze ook het begin kunnen vormen van juridische procedures. Daardoor verandert de toon van de tekst: het wordt zakelijker, juridisch beter onderbouwd, zodat het standhoudt bij de rechter. De wethouder begrijpt dat dit voor inwoners onpersoonlijk kan overkomen, en hij denkt dat het uitleggen van deze context kan helpen. Hij stelt voor dat mensen die een zienswijze indienen, beter geïnformeerd worden over waarom de taalformuleringen zakelijk zijn. Daarnaast is hij het eens met GroenLinks en de ChristenUnie dat er ook ruimte moet zijn voor plekken als bibliotheken en locaties voor zingeving.

Ook deelt hij de opvatting dat omliggende wijken moeten kunnen profiteren van nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Wat betreft de houdbaarheid van de visie zegt hij dat dit geen plan is voor de komende eeuw, maar dat er bij nieuwbouw tegenwoordig veel bewuster wordt nagedacht dan dertig jaar geleden. Nieuwe gebouwen worden ontworpen met de verwachting dat ze minstens honderd jaar meegaan. Pagina 31 van 34

5

10

15

20

De wethouder benadrukt dat er serieus werk is gemaakt van participatie. Via social media, straatacties en mediaberichtgeving is geprobeerd zoveel mogelijk mensen te betrekken. Mensen waren volgens hem echt wel op de hoogte van het proces. Wat betreft het burgerberaad geeft hij aan dat tijd en geld hierbij de grootste bezwaren zijn. Daarnaast vraagt hij zich af wat precies aan mensen gevraagd zou moeten worden; de stedenbouwvisie is immers een complex onderwerp. Hij is er niet van overtuigd dat dit het meest geschikte onderwerp is voor een burgerberaad. De heer Dijkstra (EenUtrecht) vraagt of het college bereid is om in ieder geval mee te denken over een goede formulering van de vraagstelling, mocht een burgerberaad toch doorgang vinden. Wethouder Eerenberg zegt bereid te zijn overal over mee te denken, maar stelt wel als voorwaarde dat er dan ook daadwerkelijk zicht moet zijn op de komst van een burgerberaad. Het zou volgens hem zonde zijn om er tijd en energie in te steken als dat uiteindelijk niet plaatsvindt. De heer Stellinga (CDA) geeft aan dat hij de wethouder heeft horen zeggen dat ze het over hoogbouw grotendeels eens zijn, maar dat hij geen reactie heeft gehoord op zijn voorstel om de mogelijkheid tot afwijken niet op te nemen in het beleid, juist omdat die mogelijkheid er altijd al is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=ecb8f01f-96d8-4caa-a272-05333b4a243b