Chw bestemmingsplan Papendorp_Toelichting (maart 2024)
Tekst van het document
Voor bezoekers wordt ingezet op de realisatie van in totaal circa 520 fietsparkeerplaatsen, 120 meer dan op basis van de gemeentelijke norm noodzakelijk. Deze plaatsen komen in de openbare ruimte en deels in de Mobiliteitshub XL. Om fietsgebruik extra te stimuleren, worden bij een deel van deze plaatsen in de openbare ruimte voorzieningen aangebracht voor deelfietsen. Door de inzet van deelmobiliteit en fietsparkeren wordt het aantal te realiseren parkeerplaatsen voor bewoners van Papendorp Noord en hun bezoekers teruggebracht tot 1319. Hiervan worden er 346 voor bewoners gerealiseerd in het plandeel Groenewoud Noord. De overige plaatsen worden beschikbaar gesteld in de Mobiliteitshub XL. Dat geldt ook voor het parkeren ten behoeve van de voorzieningen rond de Mobiliteitshub XL, zoals de supermarkt. In alle deelgebieden wordt het parkeren voor fietsen inpandig zo ingepast en toegankelijk gemaakt dat het fietsgebruik stimuleert. Dat betekent onder andere ook dat de bergingen logisch zijn gesitueerd langs de fietsroutes, makkelijk bereikbaar zijn (via 1 deur) en gemakkelijk zijn te gebruiken. Langs de (Verlengde) Mercatorlaan en in de Dwarsstraatjes in De Taats wordt wel voorzien in locaties voor kort parkeren (laden en lossen) voor bijvoorbeeld besteldiensten.
Voor de nieuw te bouwen kantoren in het kantorenpark Papendorp en op het bedrijventerrein Nieuwerijn zijn (conform parkeernorm C en bij een maximale, representatieve invulling) 538 parkeerplaatsen nodig op eigen terrein. Die parkeerplaatsen moeten inpandig worden gemaakt. De kantoren en voorzieningen naast en tegenover de entree van de Mobiliteitshub XL krijgen parkeerplaatsen in de Mobiliteitshub XL. De te bouwen kantoren ten noorden van de Mobiliteitshub XL krijgen parkeergelegenheid in (fase 1 van) de Mobiliteitshub XL of – als daar op een later moment toe besloten wordt - in een uitbreiding (fase 2) van de Mobiliteitshub XL. Als die beide opties niet haalbaar zijn, kan ook worden gekozen voor parkeerplaatsen op eigen terrein. Voor het totaal van de nieuwe ontwikkelingen zijn 2586 parkeerplaatsen nodig. Met een reductiefactor van 50%, worden er 1283 op alternatieve wijze opgelost, conform het gemeentelijke parkeerbeleid. Dat gebeurt door deelmobiliteit, extra fietsparkeren, parkeren op afstand of in een garage aan de rand van het gebied bij een stedelijke ontsluitingsweg. Voor het deelgebied Taatsenplein (Noord en Zuid) kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning gemotiveerd worden afgezien van het toepassen van de reductiefactoren, zoals beschreven in de Beleidsregels parkeernormen auto 2021.
Reden daarvoor is dat de toegepaste reductie in heel Papendorp Noord daarvoor ruimte biedt. Andere reden is dat de betreffende functies onevenredig benadeeld kunnen worden als de reductiefactoren daarop worden toegepast. De daar geplande kantoren liggen direct naast het kantorenpark Papendorp met een parkeernorm C2. Taatsenplein Noord en Zuid hebben een parkeernorm voor een B-gebied en hebben daarmee aanzienlijk minder parkeerplaatsen beschikbaar. Het verder reduceren van dit aantal zorgt voor een ongewenst marktprofiel. Voor het te realiseren hotel geldt ook dat reductie door parkeren op afstand of extra fietsparkeren zich niet goed verhoudt tot de functie. Als het verzorgingsgebied van de vestiging beperkt blijft tot Papendorp en/of Groenewoud kan bij het voor de omgevingsvergunningaanvraag op te stellen mobiliteitsbeheersplan, wel worden overwogen een reductie toe te passen door het vervangen van 4 parkeerplaatsen door 6 extra fietsparkeerplaatsen. Ook voor het deelgebied Mercat kan bij het afgeven van een omgevingsvergunning worden afgezien van het toepassen van de reductiefactoren. De toegepaste reductie in het totaal van Papendorp Noord biedt daarvoor ruimte. Doordat de afslag 8A is gelegen tussen Mercat en de Mobiliteitshub XL 6 0 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
Utrecht
is 'parkeren op afstand of in een parkeergarage aan de rand van het gebied' geen reële reductiefactor. Afhankelijk van de specifieke invulling van Mercat kan bij het voor de omgevingsvergunningaanvraag op te stellen mobiliteitsbeheersplan worden overwogen een reductie toe te passen door het vervangen van 9 parkeerplaatsen door 14 extra fietsparkeerplaatsen. 4.10.7 Mobiliteitshub XL Eén van de plekken waar de gemeente Utrecht een voorziening voor parkeren op afstand realiseert is in Papendorp, in de vorm van een Mobiliteitshub XL. Op deze locatie zijn faciliteiten voor het vooren natransport beschikbaar. Zo kan het dienen als knooppunt, waar de netwerken van auto, OV, fiets en lopen aan elkaar zijn gekoppeld. De Mobiliteitshub XL voorziet in de 1 e fase in maximaal 2.000 autoparkeerplaatsen en 1.700 fietsparkeerplaatsen. Een deel van deze plaatsen wordt gebruikt voor het aanbieden van deelmobiliteit. Een deel van de parkeerplaatsen wordt gebruikt door de bewoners en bezoekers van de Merwedekanaalzone deelgebied 4 en 5 en de verschillende fasen van het Beurskwartier. Daarnaast zijn de parkeerplaatsen in de Mobiliteitshub XL bedoeld voor bewoners van de deelgebieden Taats Noord en Mobiliteitshub, bezoekers van heel Papendorp en voor bewoners en bezoekers van delen van Groenewoud. Daarmee vervult de Mobiliteitshub XL zowel de functie van Ringhub als Wijkhub.
Als de behoefte er is, behoort in een 2 e fase een uitbreiding met circa 1.000 autoparkeerplaatsen tot de mogelijkheden. Ook extra fietsparkeerplekken zou dan mogelijk kunnen zijn. De uitbreiding is voorzien direct ten noorden van de Mobiliteitshub XL, maar deze locatie is nog niet als zodanig bestemd in dit bestemmingsplan voor Papendorp. Besluitvorming over een eventuele uitbreiding is mede afhankelijk van de resultaten van de monitoring van de verkeersgeneratie op de (aansluitingen op de) snelwegen. De woningbouwontwikkeling in de nieuwe wijken verloopt gefaseerd. De parkeerruimte vervangt in eerste instantie de huidige tijdelijke P+R en biedt daarnaast in de eerste jaren ruimte voor bezoekers van Utrecht en forenzen. Ondertussen worden voor deze doelgroepen aanvullende P+R voorzieningen in de regio gerealiseerd. Anders dan in het SPvE Papendorp Noord is aangegeven, krijgt de Mobiliteitshub XL twee ontsluitingspunten naar het omliggende wegennet, in plaats van één. De hoofdontsluiting is rechtstreeks op de Marinus van Tyruslaan en gaat onder de HOV-baan door naar de westkant van het gebouw. De ontsluiting via de Dwarsstraat aan de zuidkant van het gebouw blijft hierbij hetzelfde als in het SPvE. Door de hoofdontsluiting via de Marinus van Tyruslaan te laten lopen komt er minder verkeer het gebied in en wordt de Orteliuslaan minder belast.
Dit is gunstiger voor de verkeersafwikkeling en de leefbaarheid. De Mercatorlaan wordt hierbij ook zoveel mogelijk vrijgehouden van verkeer van en naar de Mobiliteitshub XL. Alleen het verkeer vanaf de afrit 8a van de A2 rijdt via de (verlengde) Mercatorlaan naar de entree aan de Dwarsstraat. Wel wordt het voor verkeer vanaf de Marinus van Tyruslaan mogelijk gemaakt om linksaf te slaan de Orteliuslaan op, ook met het oog op een betere en directere bereikbaarheid van de noordelijke woongebieden in Papendorp met minder omrijdbewegingen via de Orteliuslaan. 4.10.8 (Verlengde) Mercatorlaan De huidige Mercatorlaan wordt verlengd. Het deel ten noorden van het Taatsenplein krijgt in zijn geheel een 30 km/uur-regime in lijn met het Mobiliteitsplan 2040. De weg is gecategoriseerd als een gebiedsontsluitingsweg (GOW) en krijgt een voorrangsstatus ten opzichte van de zijwegen vanuit de aangrenzende buurten. Die straten kennen ook een snelheidsregime van 30 km/h, maar zijn ondergeschikt aan de Mercatorlaan en gecategoriseerd als een erftoegangsweg (ETW). De Bevrijdingslaan, Orteliuslaan en Marinus van Tyruslaan blijven vooralsnog 50 km/uur-wegen (GOW). Alle kruispunten van de (Verlengde) Mercatorlaan kennen in principe een volledige verkeersuitwisseling met tweerichtingsverkeer van en naar de woonbuurten.
Bij de meest zuidelijke aansluiting van de wijk Groenewoud, nabij het met verkeerslichten geregelde kruispunt met de Bevrijdingslaan, mag alleen rechtsaf de wijk uit worden gereden. Dat is vanwege de verkeerveiligheid. Op het kruispunt van de Mercatorlaan met de Dwarsstraat wordt de route van de Verlengde Mercatorlaan naar de Dwarsstraat (en vice versa) doorgaand vormgegeven. Dit past bij de drukkere verkeersstromen op deze route (onder andere het verkeer vanaf de afrit 8a van de A2 naar de Mobiliteitshub XL). Het zuidelijk deel van de Mercatorlaan sluit hierop ondergeschikt aan. Deze laatste heeft in het verkeersnetwerk een minder belangrijke (en dus meer ondergeschikte) verkeersfunctie met alleen het ontsluiten van de aanliggende woonbuurten. De (Verlengde) Mercatorlaan wordt voorzien van een voldoende brede middenberm voor een goede oversteekbaarheid voor fietsers en voetgangers. De rijbanen van de bestaande Mercatorlaan bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
61
worden versmald om de rijsnelheid van 30 km/uur beter af te kunnen dwingen. Het deel van de Verlengde Mercatorlaan ten noorden van de afrit 8a van de A2 zal geen middenberm krijgen. De verkeersintensiteiten zijn hier zo laag dat de oversteekbaarheid ook goed is zonder middenberm. Het kruispunt met afrit 8a vanaf de rijksweg A2 wordt een voorrangskruispunt, waarbij de afrit ondergeschikt aansluit op de Verlengde Mercatorlaan. Bij de te nemen (snelheidsremmende) maatregelen op de Verlengde Mercatorlaan wordt rekening gehouden met de routing en berijdbaarheid door (groot) vrachtverkeer van Nedal. De Mobiliteitshub XL kent aan de zuidzijde een langzaamverkeersroute door het gebouw heen. Deze zogenaamde Hubloper is met een oversteek over de Verlengde Mercatorlaan (oostzijde) en het fietspad langs de Marinus van Tyruslaan (westzijde) direct bereikbaar voor langzaam verkeer en geeft direct toegang tot de fietsenstallingen. 4.10.9 Dwarsstraat / Orteliuslaan / Marinus van Tyruslaan De secundaire aansluiting van de Mobiliteitshub XL sluit ondergeschikt aan op de Dwarsstraat. Vanaf de Dwarsstraat kan vanuit beide richtingen de Mobiliteitshub XL worden ingereden, maar alleen rechtsaf richting Orteliuslaan worden uitgereden.
Het kruispunt van de Dwarsstraat met de Orteliuslaan over de HOV-baan en het kruispunt van de Orteliuslaan met de Marinus van Tyruslaan zijn beiden met verkeerslichten geregeld, waarbij nu ook een linksaf beweging vanaf de Marinus van Tyruslaan naar de Orteliuslaan mogelijk is. Tot slot is er een nieuw met verkeerslichten geregeld kruispunt op de Marinus van Tyruslaan als hoofdontsluiting van de Mobiliteitshub XL met een verbinding onder de HOV-baan door naar het gebouw. Via de verbindingsweg naar de Mobiliteitshub XL worden ook de bestaande kantoren aan de westkant van de Orteliuslaan en ten noorden van de aansluiting van de Marinus van Tyruslaan ontsloten. De huidige ontsluiting van deze kantoren op de Orteliuslaan komt te vervallen. 4.10.10
Verkeersafwikkeling
Voor de realisatie van de Mobiliteitshub XL is onderzoek gedaan naar het verkeerskundig functioneren en de verkeersafwikkeling op de wegen in de directe omgeving. Uit de verkeersprognose voor de Mobiliteitshub XL werd duidelijk dat een ontsluitingsstructuur met ook een extra ontsluiting vanaf de Marinus van Tyruslaan een aanzienlijke verbetering betekent ten opzichte van alleen een ontsluiting op de Dwarsstraat. Om de verkeersafwikkeling in de toekomstige situatie verder te toetsen is een prognose van de toekomstige verkeerssituatie voor de Mobiliteitshub XL gemaakt voor de drukste momenten op de dag (het maatgevende ochtend- en avondspitsuur). Dit is toegevoegd aan het Utrechtse verkeersmodel (VRU), waarin ook de andere ontwikkelingen in Papendorp zijn opgenomen. Vervolgens is het drukste uur van de dag onderzocht om te kijken of het wegennet, vooral de kruispunten, voldoende capaciteit hebben. Ook is de verkeerstoename door Papendorp Noord en Groenewoud (zowel gezamenlijk, als afzonderlijk) doorgerekend met het VRU-model. Dat is gebeurd op basis van de autonome situatie (huidige verkeersproductie vermeerderd met al eerder vastgestelde ontwikkelingen in en om het plangebied). Uit deze doorrekeningen blijkt dat het wegennet in Papendorp voldoende capaciteit heeft om het verkeer af te kunnen wikkelen. Ook de Mobiliteitshub XL kan dan vlot in- en uitgereden worden.
De extra verkeersproductie van en naar Papendorp leidt wel tot een toename aan de al bestaande druk op de aansluitingen op het hoofdwegennet. Dat geldt vooral voor de aansluiting op de A2 via verkeersplein Hooggelegen. Ook de kruising van de Marinus van Tyruslaan met de Stadsbaan is een aandachtspunt. Een coconberekening op basis van de doorrekening met het VRU model laat zien dat de verkeersproductie vanwege zowel de ontwikkeling van Papendorp als die van Groenewoud op beide kruispunten juist is af te wikkelen. Afslag 8A van de A2 en de aansluiting op de A12 bij Galecop (afslag 16) hebben voldoende capaciteit om het verkeer daar zonder problemen af te wikkelen. Voor de mogelijke knelpunten geldt dat de doorrekening is gedaan voor een worst case situatie (2300 parkeerplaatsen in de Mobiliteitshub in plaats van de beschikbare 2000 en geen rekening gehouden met een kleinere verkeersgeneratie door deelmobiliteit). Als tijdens en na de realisatie uit monitoring van de feitelijke verkeerstromen duidelijk wordt dat in de praktijk toch overbelasting van het wegennet optreedt, dan is het goed mogelijk om daarvoor maatregelen te treffen.
De verkeersafwikkeling kan dan gunstig worden beïnvloed door af te zien van fase 2 van de Mobiliteitshub XL (die fase is niet opgenomen in dit bestemmingsplan) en door de faciliteiten voor forenzen te beperken (wat onderdeel is van het gemeentelijk beleid). Het monitoren van de verkeersproductie en de consequentie daarvan vind plaats in het kader van een breder opgezette monitoringstool voor Utrecht Zuidwest. 6 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
Utrecht
In het onderzoek is speciale aandacht besteed aan de met verkeerslichten geregelde kruispunten met de HOV-baan ter hoogte van de Dwarsstraat en de Marinus van Tyruslaan. Dit kruispunt kan het verkeersaanbod goed verwerken. Hierbij is er voldoende capaciteit om prioriteit te geven aan het hoogwaardig openbaar vervoer en eventuele extra verkeersgroei en/of fluctuaties in het verkeersaanbod. Op basis van de uitkomsten van de onderzoeken worden in Papendorp (en ook in Groenewoud) geen knelpunten in de verkeersafwikkeling verwacht.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
63
6 4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 5 Onderzoek en randvoorwaarden 5.1
Inleiding
In toenemende mate wordt de milieukwaliteit van belang bij de ontwikkeling van functies in het landelijk en stedelijk gebied. Het milieubeleid heeft zich in de loop van enkele decennia ontwikkeld tot een complexe materie, die er in de praktijk toe leidt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen met verschillende milieuaspecten rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van de relevante (milieu)aspecten in het plangebied en de diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd.
5.2
Milieueffectrapportage
5.2.1
Kader
Het doel van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over deze plannen en besluiten. Het maken van een milieueffectrapport is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten, die activiteiten mogelijk maken welke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In onderdeel C van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. wordt aangegeven welke activiteiten altijd m.e.r.-plichtig zijn. Bij de activiteiten die in onderdeel D van die bijlage genoemd worden, moet beoordeeld worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Uit deze m.e.r.-beoordeling kan de conclusie volgen dat er een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. 5.2.2
Plansituatie
De in het plan opgenomen activiteiten vallen onder categorie D11.2 (aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject) en categorie D2.2 (aanleg, wijziging of uitbreiding van een tramrails, boven- en ondergrondse spoorwegen, zweefspoor en dergelijke bijzondere constructies) zoals deze is opgenomen in onderdeel D van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. Voor de activiteit stedelijk ontwikkelingsproject staat in het Besluit m.e.r. een drempelwaarde van 2.000 woningen, een projectgebied van 100 hectare en 200.000 m² bvo aan bedrijfsoppervlakte of meer. De ontwikkelingen Papendorp en Groenewoud overschrijden gezamenlijk de drempelwaarde uit het Besluit m.e.r.. Er is daarom sprake van een formele m.e.r.-beoordeling. De drempelwaarde voor de aanleg van een tramverbinding wordt niet overschreden. Om te beoordelen of sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen is een m.e.r.-beoordeling opgesteld. Er is één m.e.r.-beoordeling opgesteld voor Papendorp en Groenewoud omdat de gebieden direct naast elkaar liggen en de planprocedures van de bestemmingsplannen vrijwel op hetzelfde moment starten. In de m.e.r.-beoordeling is de cumulatie van milieueffecten van beide ontwikkelingen meegenomen. De conclusie uit de m.e.r.-beoordeling is dat geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen en er daarom geen aanleiding is om een m.e.r.-procedure te doorlopen.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht heeft op 27 juni 2023 besloten om voor dit bestemmingsplan geen m.e.r.-procedure te doorlopen en geen Milieueffectrapport op te stellen. De m.e.r.-beoordeling is opgenomen in Bijlage 2. 5.2.3
Conclusie
Er zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen door dit bestemmingsplan. Het opstellen van een milieueffectrapportage en het doorlopen van een m.e.r.-procedure is daarom niet nodig.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
65
5.3
Bedrijven en milieuzonering
5.3.1
Kader
De gemeente Utrecht streeft naar een situatie waarin wonen en werken in de stad op een goede manier samengaan. Beide functies zijn zeer belangrijk voor Utrecht, maar ook moet voorkomen worden dat milieuhinder van bedrijven een negatieve invloed heeft op de woonomgeving, of dat omgekeerd de bedrijvigheid wordt belemmerd door de aanwezigheid van woningen in de directe nabijheid. Van belang zijn in dit kader de invloed van geluid, geur, veiligheid en luchtkwaliteit van het bedrijf op de gevoelige bestemmingen in het bestemmingsplan. De Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG) heeft een veel gebruikte systematiek ontwikkeld om wonen en werken in elkaars nabijheid te kunnen realiseren. In Bedrijven en Milieuzonering worden afstanden tussen bedrijven en woningen gehanteerd. De aangehouden afstand is afhankelijk van het karakter van de woonwijk: rustig of druk (aangeduid met de term 'gemengd gebied'). In een rustige woonwijk wordt een grotere afstand tot bedrijven gehanteerd en in een drukke woonwijk een kleinere afstand. Daarnaast kent de VNG een systematiek voor functiemenging. Daarin accepteren we een sterkere menging van wonen en werken voor bedrijven die ook op korte afstand (zelfs aanpandig) geen hoog geluidniveau veroorzaken. Papendorp wordt van meet af aan ontwikkeld als woon- en werkgebied. Onder andere in het SPvE voor Papendorp Noord is dat opnieuw bevestigd.
Papendorp wordt een gemengde wijk. Ook wordt Papendorp een knooppunt in het gemeentelijke OV-net en ligt het nabij het knooppunt van de A2 en de 12. Hierbij past het uitgangspunt dat het hele gebied een 'gemengd gebied' is. Rustige plekken zullen zeker te vinden zijn, maar over de hele lijn zal er altijd levendigheid en drukte in het gebied zijn. 5.3.2
Situatie binnen het plangebied
In de huidige situatie kunnen de verschillende, toegestane functies in het gebied probleemloos naast, tegen en boven elkaar bestaan. Functies die hinder kunnen ondervinden van de bedrijven en vice versa, met name woningen, zijn afwezig in het gebied. Met dit bestemmingsplan wordt alsnog een groot aantal woningen aan het gebied toegevoegd. Deze woningen worden op voldoende afstand gerealiseerd van de plekken waar bedrijfsfuncties zijn toegestaan. De bestaande twee bedrijfspercelen in Groenewoud Noord en het gedeelte van het terrein van de Asfaltcentrale Utrecht dat binnen het plangebied ligt, verdwijnen door dit bestemmingsplan. De bedrijfsactiviteiten op de locatie Groenewoudsedijk 6 zijn al beëindigd en de bedrijfsgebouwen zijn gesloopt. Dit bestemmingsplan maakt nieuwe woningen mogelijk binnen de richtafstanden van de bedrijfslocaties Groenewoudsewijk 5 en Groenewoudsedijk 10. Voor de locatie van de asfaltcentrale (Groenewoudsedijk 10) geldt dat de asfaltcentrale buiten bedrijf zal blijven en dat de andere bedrijfsactiviteiten op het terrein gefaseerd worden beëindigd tijdens de ontwikkeling van Groenewoud. Zo ontstaat tijdens de ontwikkeling steeds meer ruimte voor de nieuwe woningen en uiteindelijk zijn alle bedrijfsactiviteiten verdwenen.
Het definitief buiten werking stellen van de Asfaltcentrale gebeurt door het opheffen van de huidige bestemming in bestemmingsplan Groenewoud. In de regels van dit bestemmingsplan is, als basisregel, opgenomen dat in de nieuwe woningen alleen gewoond mag worden als die buiten de milieuzone van 200 meter (milieucategorie 4.2, gecorrigeerd naar gemengd gebied) staan. Hierop gelden twee uitzonderingen. Als duidelijk is dat de activiteiten op het terrein van de asfaltcentrale zo zijn gekrompen of zijn gestaakt dat de feitelijke, tussenliggende afstand minimaal 200 meter is, dan mag een woning ook in gebruik worden genomen. Een andere mogelijkheid is dat als aangetoond is dat de geluidsbelasting door de nog aanwezige bedrijfsactiviteiten niet te hoog is. Ook dan mag een woning in gebruik genomen worden. Aanvullend geldt daarbij, voor de bedrijfslocatie van het recyclingbedrijf (Groenewoudsedijk 5) en de bijbehorende milieuzone van 50 meter, dat nieuwe woningen niet gebruikt mogen worden. Dat geldt dan zolang die bedrijfslocatie nog niet opgeheven is. Het moet daar dan ook niet mogelijk zijn om de bedrijfsactiviteiten te hervatten op basis van het overgangsrecht van dit nieuwe bestemmingsplan voor Papendorp.
Voor de kavels binnen de bestaande kantorenlocatie Papendorp, waar dit bestemmingsplan ook bedrijfsfuncties (anders dan kantoren) toestaat, is rekening gehouden met een richtafstand van 30 meter. Voor de kantoorfuncties, de detailhandelsfuncties, de horeca en de dienstverlenende functies is de richtafstand gebruikt die in een gemengd gebied 0 meter is (in plaats van 10 meter in een rustige woonwijk). Die functies kunnen in Papendorp dus direct naast en onder woningen aanwezig zijn. In deelgebied Taats Noord en Groenewoud Noord is ook voorzien dat in de plinten kantoren en dienstverlenende functies aanwezig zijn, met daarboven kantoor. Voor de nieuwe bedrijfskavels in 6 6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
Utrecht
Groenewoud Noord, langs de Verlengde Mercatorlaan, is rekening gehouden met de richtafstand van 30 meter. De nieuwe woningen vallen daarbuiten. Een bijzondere functie binnen het plangebied wordt de Mobiliteitshub XL. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. Die functiescheiding wordt grotendeels opgelost door de woningen op 10 meter en meer te positioneren van de mobiliteitshub. Voor de gewenste, ruimtelijke structuur in Papendorp Noord, zal een deel van de scheiding ook bouwkundig opgelost worden. Woningen en de hub komen hier deels direct naast elkaar te staan. Door bouwkundige scheiding en een goede keuze voor de locaties voor de in- en uitgangen van de hub, wordt hinder voor de woningen daar voorkomen. 5.3.3
Situatie buiten het plangebied
Buiten het plangebied zijn twee bedrijven aanwezig die hinder kunnen veroorzaken voor de nieuwe woningen in het gebied. Het eerste bedrijf is de asfaltcentrale (een deel van het terrein ligt binnen het plangebied, zie hiervoor paragraaf 5.3.2. Dit bedrijf wordt binnen afzienbare tijd ontmanteld om de ontwikkeling van Groenewoud mogelijk te maken. In de regels van dit bestemmingsplan is vastgelegd dat nieuwe woningen niet eerder gebouwd mogen worden dan dat de ontmanteling van de asfaltcentrale een feit is. Het tweede bedrijf is Nedal Aluminium aan de Groenewoudsedijk 1. Dit is een bedrijf dat aluminium profielen en lichtmasten produceert. Als het bedrijf geen geluidzone zou hebben, zou voor dit bedrijf een richtafstand van 1000 meter gelden vanwege het geluid (milieucategorie 5.3). In de geldende bestemmingsplannen en ook in dit bestemmingsplan is voor het bedrijf een geluidzone aangegeven. Dit betekent, op basis van de Wet geluidhinder, dat de geluidsproductie van het bedrijf wordt afgebakend door de aangegeven zone. Ook stelt de Wet geluidhinder de grenzen aan de geluidsbelasting op woningen die zich in de zone bevinden. Daarom is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de belasting op de nieuwe woningen in de geluidzone aan de normen voldoet of dat daarvoor een hogere waarde vastgesteld wordt. In paragraaf 5.4 Geluid is daar verder op ingegaan.
Voor de overige milieuaspecten (geur, stof en veiligheid) geldt een richtafstand van 100 meter. Geur is daarbij het maatgevende aspect. De dichtstbijzijnde nieuwe woningen bevinden zich op ruim 100 meter afstand van het terrein van Nedal Aluminium. 5.3.4
Conclusie
De bedrijfsactiviteiten in en om het plangebied leiden niet tot onaanvaardbare hinder voor de nieuwe woningen in het plangebied. Omgekeerd leidt de woningbouw ook niet tot een belemmering voor de bedrijfsactiviteiten.
5.4
Geluid
5.4.1
Kader
Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidsbronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidsbelaste object – hiervoor kent de wet 'geluidsgevoelige bestemmingen' zoals woningen, scholen en ziekenhuizen. De regels en normen van de Wet geluidhinder zijn in de volgende gevallen van toepassing bij het vaststellen van een bestemmingsplan: bestemmen van gronden voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen; bestemmen van gronden voor aanleg van nieuwe (gezoneerde) wegen (niet bij woonerven of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/u geldt); reconstructie (wijzigen) van wegen; gezoneerde industrieterreinen. De Wet geluidhinder kent voorkeursgrenswaarden waarbinnen een geluidsgevoelige bestemming altijd kan worden gerealiseerd. Onder voorwaarden kan er een ontheffing van de voorkeursgrenswaarde worden verleend ('hogere waarde') tot aan een zekere maximale ontheffingswaarde. Bij een geluidsbelasting boven de maximale ontheffingswaarde zijn geluidsgevoelige bestemmingen niet toegestaan. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt wanneer er gebruik wordt gemaakt van 'dove gevels'.
Bij een geluidsbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde moet akoestisch onderzoek uitsluitsel geven over de te verwachten geluidsbelasting en de doeltreffendheid van maatregelen om een overschrijding van grenswaarden te voorkomen. Onder bepaalde voorwaarden, die zijn vastgelegd in de gemeentelijke geluidnota, kan door burgemeester bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
67
en wethouders een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting worden vastgesteld. De voorwaarden uit de Geluidnota Utrecht bij de vaststelling van een hogere waarde, zijn: iedere woning moet beschikken over een geluidsluwe gevel, (bij woningen kleiner dan 30 m2 geldt dat voor 50% van het totaal aantal woningen) waarbij onder geluidluw wordt verstaan dat het geluidsniveau op deze gevel niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde voor elk van de te onderscheiden geluidsbronnen; de woning bevat voldoende verblijfsruimten aan de geluidsluwe gevel, te weten 30% van het aantal verblijfsruimten of 30% van de oppervlakte van het verblijfsgebied; wanneer de woning beschikt over een buitenruimte, dan is deze bij voorkeur gelegen aan de geluidsluwe zijde. Het geluidsniveau mag er in ieder geval niet meer dan 5 dB hoger zijn dan op de geluidsluwe gevel. De leefbaarheid wordt bewerkstelligd door onder andere bovenstaande voorwaarden te verbinden aan het verlenen van hogere waarden. De voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen in een lawaaiige situatie. 5.4.2
Plansituatie
In het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan is akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 10 en Bijlage 11. Onderzoek is verricht naar de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai en het gezoneerde industrieterrein. Daarbij is ook het effect beschouwd van de verkeerstoename en het daarbij behorende geluid op de bestaande woningen. Tevens is het geluid van de schepen op het Amsterdam-Rijnkanaal inzichtelijk gemaakt en beoordeeld. De akoestisch relevante geluidsbronnen vanwege het wegverkeer in dit gebied worden gevormd door de Rijksweg A2/A12, de (verlengde) Mercatorlaan, de Dominee Martin Luther Kinglaan, de Orteliuslaan en het Taatsenplein. Tevens wordt een relevante geluidsbelasting ondervonden van het gezoneerde industrieterrein Hooggelegen dat bestaat uit de inrichtingen Nedal, KWS en de Asfalt Centrale Utrecht (ACU). Na vaststelling van het bestemmingsplan Groenewoud zal het industrieterrein alleen nog uit de inrichting Nedal bestaan. Daarom worden beide scenario's separaat per paragraaf behandeld. Hieronder volgt een samenvatting van de resultaten van de onderzoeken. 5.4.2.1 Wegverkeer Rijksweg A2/A12 Voor de Rijksweg A2/12 geldt dat de maximale ontheffingswaarde in een groot deel van het plangebied waar geluidgevoelige bestemmingen mogelijk zijn, wordt overschreden.
De maximale geluidsbelasting op de gevel bij een stedenbouwkundige invulling bedraagt 57 dB. De bestemming is in principe niet mogelijk wanneer de geluidsbelasting op de gevel meer bedraagt dan de maximale ontheffingswaarde. Er bestaat dan nog wel de mogelijkheid om te bouwen met bijvoorbeeld vliesgevels, zogeheten dove gevels waarin geen te openen delen aanwezig zijn of nader te onderzoeken gelijkwaardige afschermende voorzieningen. Voor deze geluidbron is een ontheffing nodig (hogere waarde) tot aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. 5.4.2.2 Wegverkeer Mercatorlaan De maximale geluidsbelasting vanwege de verlengde Mercatorlaan bedraagt 59 dB. Dit betekent dat er een overschrijding is van de maximale ontheffingswaarde van 58 dB die volgens het geluidbeleid geldt langs binnenstedelijke wegen in de uitleggebieden. De overschrijding van de maximale ontheffingswaarde treedt slechts op binnen een beperkt deel van het plangebied. De bestemming is in principe niet mogelijk wanneer de geluidsbelasting op de gevel meer bedraagt dan de maximale ontheffingswaarde. Wel kunnen maatregelen getroffen worden. Bijvoorbeeld bronmaatregelen in de vorm van een geluidreducerend wegdek. Op de Mercatorlaan is rekening gehouden met DAB (dicht asfalt beton), een geluidreducerend wegdek MODUS verlaagt de maximale geluidsbelasting met circa 1.5 dB.
De maximale geluidsbelasting op de gevel na toepassing van MODUS op de Mercatorlaan is 57 dB. Geadviseerd wordt dan ook om geluidreducerend wegdek in de vorm van MODUS toe te passen. Vanwege de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde zal voor deze bron een hogere waarde verleend worden. Voor deze bron zal de maximale hogere waarde van 58 dB worden vastgesteld.
6 8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
Utrecht
5.4.2.3 Wegverkeer Orteliuslaan De maximale geluidsbelasting op de gevel vanwege de Orteliuslaan bedraagt 60 dB. De meeste overschrijdingen vinden plaats in de deelgebieden Taats Noord en Taatsenplein. Zoals hierboven ook al is beschreven, is de bestemming in principe niet mogelijk wanneer de geluidsbelasting op de gevel meer bedraagt dan de hier geldende maximale ontheffingswaarde van 58 dB. Bronmaatregelen in de vorm van geluidreducerend wegdek kunnen op de rijbaan voor de auto's van de Orteliuslaan als maatregel getroffen worden (niet op de busbaan). Op de Orteliuslaan is rekening gehouden met DAB (dicht asfalt beton), een geluidreducerend wegdek MODUS op de rijbanen voor de auto's verlaagt de maximale geluidsbelasting met circa 1.5 dB. De maximale geluidsbelasting op de gevel na toepassing van MODUS op de Orteliuslaan is 59 dB in zowel het minimale als het maximale stedenbouwkundig plan. Dit neemt de overschrijding van de maximale ontheffingswaarde niet geheel weg. Overdrachtsmaatregelen zoals geluidwallen en/of -schermen zijn in een stedelijke situatie niet gewenst vanuit landschappelijk oogpunt en vanwege de verkeers- en sociale veiligheid.
Bij overschrijdingen van de maximale ontheffingswaarde bestaat er wel nog de mogelijkheid om te bouwen met bijvoorbeeld vliesgevels, zogeheten dove gevels waarin geen te openen delen aanwezig zijn of nader te onderzoeken gelijkwaardige afschermende voorzieningen. Ook kan er voor worden gekozen om op de locaties met een overschrijding te kiezen voor een niet geluidgevoelige functie of om de gevel verder van de weg af te realiseren. Voor deze bron zal de maximale hogere waarde van 58 dB worden vastgesteld. 5.4.2.4 Wegverkeer Dominee Martin Luther Kinglaan Voor de Dominee Martin Luther Kinglaan geldt dat de voorkeursgrenswaarde in het noordelijke deel van het plangebied wordt overschreden. Er vinden géén overschrijdingen van de maximale ontheffingswaarde van 58 dB plaats. De maximale geluidsbelasting op de gevel bedraagt 57 dB. Vanwege de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde zal voor deze bron een hogere waarde verleend worden. 5.4.2.5 Wegverkeer Taatsenplein De maximale geluidsbelasting bedraagt 59 dB op een beperkt deel van de gevels. Dit is een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde. Voor deze bron gelden dezelfde overwegingen hoe om te gaan met deze overschrijding zoals reeds omschreven bij de bronnen Mercatorlaan en Orteliuslaan. Voor deze bron zal de maximale hogere waarde van 58 dB worden vastgesteld.
5.4.2.6 Wegverkeer Papendorpseweg De maximale geluidsbelasting bedraagt 55 dB binnen het gebied waar woningen mogelijk zijn. Ook voor deze bron zal een hogere waarde worden vastgesteld. 5.4.2.7 Overige wegen Het plangebied ligt verder ook nog binnen de wettelijke geluidzones van de Stadsbaan Leidsche Rijn, de Ptolemaeuslaan en de Janssoniuslaan. Voor geen van deze bronnen wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. De geluidsbelastingen vormen daarmee geen belemmering voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.4.2.8 Industrielawaai Hooggelegen bestaande uit Nedal, KWS en ACU De maximale geluidsbelasting voor het langtijd gemiddelde beoordelingsniveau vanwege het industrieterrein bedraagt 65 dB(A) etmaalwaarde binnen het plangebied. Voor de deelgebieden Groenewoud Noord, Mobiliteitshub XL, Taats Noord, wordt de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) overschreden. Voor het deelgebied Taatsenplein wordt de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) op enkele locaties overschreden (voor de gebouwen 3718, 3719 en 3720, zie Bijlage 11). De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Voor de overige gebouwen in dit deelgebied blijft de geluidsbelasting onder de voorkeursgrenswaarde.
Het maximale geluidsniveau overschrijdt vanwege KWS voor meerdere locaties in het deelgebied Groenewoud Noord (gebouwen 3735, 3743, 3744, 3745, 3746, 3747, 3748, 3749 en 3758, zie Bijlage 11) en 1 locatie in deelgebied Mobiliteitshub XL (gebouw 3754, zie Bijlage 11) de 70 dB(A) etmaalwaarde in het plangebied. Het maximale geluidsniveau overschrijdt vanwege de asfaltcentrale (ACU) voor 2 locaties in het deelgebied Groenewoud Noord (gebouwen 3744, 3745, zie Bijlage 11) en voor 2 locaties in het deelgebied Mobiliteitshub XL (gebouwen, 3755 en 3756, zie Bijlage 11) de 70 dB etmaalwaarde in het plangebied. Het maximale geluidsniveau overschrijdt vanwege Nedal, nergens de 70 dB(A) etmaalwaarde in het plangebied. bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
69
5.4.2.9 Industrielawaai Hooggelegen bestaande uit Nedal Bij de voorgenomen ontwikkeling van Papendorp en Groenewoud verdwijnt KWS en de Asfaltcentrale. De industrieterrein-bestemming wordt opgeheven met het bestemmingsplan voor Groenewoud. Voor industrielawaai is dus vooral de situatie waarin alleen Nedal nog aanwezig is relevant. De maximale geluidsbelasting voor het langtijd gemiddelde beoordelingsniveau vanwege het industrieterrein bedraagt 55 dB(A) binnen het deelgebied Groenewoud Noord waar geluidgevoelige bestemmingen mogelijk zijn. Dat betekent dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden maar niet de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A). Dit geldt voor 3 locaties (de gebouwen 3736, 3737 en 3738, zie Bijlage 11). Voor alle andere gebouwen binnen dit deelgebied blijft de geluidsbelasting onder de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Ook voor alle andere deelgebieden blijft de geluidsbelasting onder de voorkeursgrenswaarde. Voor deze bron zal daarom de maximale hogere waarde van 55 dB(A) worden vastgesteld. Het maximale geluidsniveau overschrijdt nergens de 70 dB(A) etmaalwaarde in het plangebied. 5.4.2.10 Scheepvaartlawaai Scheepvaartlawaai valt niet onder de Wet geluidhinder. Er bestaan in Nederland maar nauwelijks wettelijke regels die het scheepvaartlawaai reguleren.
Voor scheepvaartlawaai gelden dan ook geen grenswaarden ter plaatse van de geluidgevoelige bebouwing. Hierdoor kunnen ook geen maatregelen afgedwongen worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wel gewenst dat dit aspect wordt onderzocht. Uit de berekening van het scheepvaartlawaai volgt dat de maximale geluidsbelasting bij een geluidgevoelige bestemming 61 dB bedraagt. Een vergelijking met de grenswaarden cf. de Wet geluidhinder leert dat de geluidsbelasting vanwege het scheepvaartlawaai iets lager is dan de maximale ontheffingswaarde voor binnenstedelijk verkeer in uitleggebieden (63 dB zonder aftrek art 110g Wgh) en ruim binnen de maximale ontheffingswaarde voor railverkeer (68 dB) blijft. Derhalve kan worden gemotiveerd dat het scheepvaartverkeer geen onoverkomelijke belemmering zal zijn voor de ontwikkeling van het gebied. De hoogte van het geluidsniveau is echter wel van dien aard dat er bij de uitwerking rekening mee moet worden gehouden teneinde een goed akoestisch woon- en leefklimaat te creëren. Zo wordt geadviseerd het scheepvaartlawaai te betrekken bij de bepaling van de geluidwering en het creëren van de luwe gevel. 5.4.2.11 Cumulatie Als er hogere waarden aangevraagd moeten worden in het kader van de Wet geluidhinder is het nodig om cumulatie van geluid in de beoordeling te betrekken.
Het onderzoeken van cumulatie is conform het Reken- en meetvoorschrift van belang als de voorkeurswaarde door meerdere geluidsbronnen wordt overschreden. Dit is het geval voor een deel van de gevels binnen het plangebied. Bij de bepaling van cumulatie is voor de geluidsbelasting van industrieterrein “Papendorp Hooggelegen” 55 dB(A) meegenomen, zijnde de hoogst mogelijke geluidsbelasting. Scheepvaartlawaai op het Amsterdam-Rijnkanaal is weliswaar géén geluidbron die onder de Wet geluidhinder valt, maar toch is deze bron relevant omdat deze geluidsbelastingen tot 61 dB veroorzaakt. Scheepvaart is als industrielawaai meegenomen in de cumulatie. De hoogst berekende gecumuleerde geluidsbelasting is 65 dB. Inclusief de bron scheepvaart is de gecumuleerde geluidsbelasting ten hoogste 66 dB. De berekende gecumuleerde geluidsbelastingen zijn lager dan de maximale ontheffingswaarde voor wegverkeer van 68 dB (excl. aftrek art 110g Wgh) en kunnen vanuit gezondheidsperspectief als acceptabel worden beschouwd. 5.4.2.12 Geluidseffect verkeersaantrekkende werking op bestaande woningen In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzichtelijk gemaakt wat de akoestische consequenties van het plan zijn voor de omliggende bestaande woningen.
Om het verschil in geluidsbelasting vast te kunnen stellen is er een emissievergelijking gemaakt tussen de toekomstige situatie met plan en zonder plan (autonoom). Gekozen is voor een beoordeling die aansluit bij de normstelling voor 'reconstructies van wegen' conform de Wet geluidhinder. Hierin geldt als uitgangspunt dat een toename van de geluidsbelasting van minder dan 1,5 dB toelaatbaar is. In het plangebied zijn er een aantal wegen (inclusief de afrit van de A2) waar een toename van meer dan 1,5 dB wordt verwacht. Er zijn echter géén bestaande geluidgevoelige bestemmingen nabij deze wegen. Toenamen bij bestaande woningen liggen onder de drempel van 1,5 dB en die worden daarmee in het kader van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar geacht.
7 0 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
Utrecht
5.4.2.13 Omgevingsvergunning voor mogelijke toekomstige tram In dit bestemmingsplan is geregeld dat een tram aangelegd kan worden door het verlenen van een (binnenplanse) omgevingsvergunning als de geluidsbelasting van de weg vermeerderd met de tram de verleende hogere waarde niet overschrijdt. Omdat thans niet geheel duidelijk is welke baanconstructie, welk type materieel, welke snelheid en met welke frequentie er gereden gaat worden is een akoestische reserveringsruimte van 3 dB voor een tram opgenomen. Deze ruimte dient opgeteld te worden bij de uitkomst van het lokale wegverkeer alvorens getoetst kan worden aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder. Bij het toelaten van (nieuwe) woningen mag de geluidsbelasting van het wegverkeer (dus zonder tram) niet meer zijn dan 3 dB minder dan de hogere waarde. De woningisolatie wordt afgestemd op de hogere waarde (dus inclusief de 3 dB reserveringsruimte voor de tram). Voor het omzetten van de bestaande HOV baan (bus) naar HOV baan (tram) wordt daarom voor de Orteliuslaan en het Taatsenplein (inclusief Bevrijdingslaan en Churchilllaan) een hogere waarde vastgesteld voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting, te weten: -
maximaal 61 dB vanwege de Orteliuslaan (inclusief tram)
-
maximaal 61 dB vanwege het Taatsenplein (inclusief tram)
Ook met toepassing van de akoestische reserveringsruimte kan de cumulatieve geluidsbelasting vanuit gezondheidsperspectief als acceptabel worden beschouwd. 5.4.2.14 Voorwaarden voor ontheffing In het plangebied zijn er op grote schaal (vrijwel alle woningen in de 1 e lijn van een weg) geluidsbelastingen boven de voorkeursgrenswaarde van één of meerdere bronnen (vanwege de Rijksweg A2/A12, Mercatorlaan, Orteliuslaan en Taatsenplein zelfs boven de maximale waarde). Aangezien de voorkeursgrenswaarden worden overschreden, zal elke woning ter compensatie de beschikking moeten hebben over een luwe gevel, een rustige buitenruimte en een akoestisch gunstige woningindeling. Door carré-vormige bouwvormen kan voor veel woningen aan deze eisen worden voldaan door de geluidluwe binnenzijde van het bouwvolume. Voor hoekwoningen kan dit door middel van balkonschermen en/of inpandige balkons worden bereikt. Ook kan een afwijkende woningplattegrond worden toegepast om deze woningen alsnog aan een binnenterrein te laten grenzen. Bij eenzijdig georiënteerde woningen kunnen (hoge) balkonschermen en afsluitbare loggia's of iets vergelijkbaars een oplossing zijn. Bij de nadere uitwerking van het ontwerp zal hier rekening mee moeten worden gehouden. 5.4.3
Conclusie
In grote delen van het plangebied is de geluidsbelasting door wegverkeerslawaai of het industrielawaai (of een combinatie van beide) hoger dan de voorkeursgrenswaarde maar lager dan de maximale ontheffingswaarde. Vanwege het geluid van de Rijksweg A2/12, Mercatorlaan, Orteliuslaan en Taatsenplein wordt op enkele locaties de maximale ontheffingswaarde wel overschreden. Hier kan alleen worden gebouwd met meer ingrijpende maatregelen zoals het toepassen van vliesgevels, zogeheten dove gevels waarin geen te openen delen aanwezig zijn of gelijkwaardige afschermende voorzieningen. Ook wordt de maximale ontheffingswaarde nog overschreden vanwege het industrieterrein Hooggelegen zolang KWS en de asfaltcentrale hier nog deel van uitmaken. Zodra de (industrieterrein)bestemming voor KWS en de Asfaltcentrale is opgeheven met bestemmingsplan Groenewoud, zal alleen Nedal nog deel uitmaken van het industrieterrein. Tot die tijd geldt de bestaande geluidzone (aangevuld met de delen van het industrieterrein die met dit bestemmingsplan voor Papendorp worden opgeheven worden). Eerder worden de nieuwe woningen niet gebouwd. Na het opheffen van het industrieterrein voor KWS en de Asfaltcentrale geldt de geluidzone alleen nog voor een deel van het deelgebied Groenewoud Noord. In deze situatie is er geen sprake van een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde.
Wel wordt de voorkeursgrenswaarde nog overschreden voor noordelijk gelegen woningen in het deelgebied Groenewoud Noord. Ten aanzien van wegverkeerslawaai en industrielawaai geldt dat maatregelen aan de bron of in de overdracht beperkt zijn of niet mogelijk of niet doelmatig. Daarom worden hogere waarden vastgesteld. De maximale geluidsbelastingen worden in het besluit hogere waarden vastgelegd. Tevens wordt in het besluit hogere waarden rekening gehouden met een reserveringsruimte van 3 dB voor een mogelijke toekomstige tram. Vanwege de hoge geluidsbelasting behoeft het realiseren van de luwe gevel de nodige aandacht bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de woningen. Deze zaken moeten in een vroeg stadium bij het ontwerp worden betrokken. Als hier de juiste aandacht aan gegeven wordt, vormt bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
71
het aspect geluid ook in praktische zin geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
5.5
Luchtkwaliteit
5.5.1
Kader
Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging door gasvormige stoffen en verontreiniging van de lucht met fijnstof, door vooral verkeer, maar - naar mate het verkeer schoner wordt - ook door andere bronnen zoals houtstook. De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Wegverkeer, mobiele (bouw)werktuigen en houtstook zijn, samen met de hoge achtergrondconcentratie in Utrecht, de belangrijkste lokale bronnen van luchtverontreiniging. In artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, rekening moet houden met de effecten op de luchtkwaliteit. De Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor een aantal stoffen. Deze zijn in het algemeen strenger dan de in de wet Milieubeheer gehanteerde grenswaarden. Sinds 2017 wordt overal in Utrecht voldaan aan de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor gezonde lucht. Deze WHO-advieswaarden zijn bedoeld om de gezondheid te beschermen. Deze zijn voor fijnstof strenger dan de grenswaarden van de EU.
De WHO stelt zelfs dat er géén veilige concentratie is aan te geven voor fijnstof; op grond van haalbaarheid heeft zij daarom een gezondheids-kundige advieswaarde vastgesteld voor PM10 en PM2,5. Stof Grenswaarde EU NO2 (stikstofdioxide) 40 µg/m³ PM10 (fijnstof) 40 µg/m³ PM2,5 (fijnstof) 25 µg/m³ WHO-advieswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5
WHO-advieswaarde-2005 40 µg/m³ 20 µg/m³ 10 µg/m³
Toetsingsperiode Jaargemiddelde Jaargemiddelde Jaargemiddelde
In 2015 heeft de gemeente Utrecht een motie aangenomen waarin de gemeente zich als doel stelt om in de toekomst (2030) naast de wettelijke grenswaarden ook te voldoen aan de WHO-advieswaarden uit 2005 voor fijnstof. Deze advieswaarden (WHO 2005) zijn strenger dan de wettelijke grenswaarden voor PM10 (20 µg/m3) en voor PM2,5 (10 µg/m3). Deze motie is uitgewerkt in het raadsbesluit 'Utrecht kiest voor gezonde lucht - luchtkwaliteitsbeleid en uitvoeringsprogramma' van december 2020, waarin is vastgelegd om toe te werken naar de WHO-advieswaarden-2005, die expliciet zijn benoemd in de samenvatting bij het raadsbesluit. Op 22 september 2021 heeft de WHO nieuwe advieswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide opgesteld, die (beduidend) lager liggen dan de WHO-advieswaarden uit 2005. Ook neemt de gemeente Utrecht deel aan het Schone Lucht Akkoord, waarin rijksoverheid, provincies en gemeenten samenwerken aan maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. 5.5.2
Plansituatie
Voor het bestemmingsplan Papendorp is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 13. Hierin is zowel het planeffect als de concentratie in het plangebied bepaald. Het plan veroorzaakt een maximale toename van NO2 van 0,2 µg/m³. Voor PM10 is de maximale toename 0,1 µg/m³. Voor PM2,5 is geen toename berekend door de effecten van het plan. Deze toenames zijn dusdanig klein dat kan worden geconcludeerd dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Naast het planeffect is ook de concentratie binnen het plangebied bepaald voor de jaren 2022 en 2030. De concentraties zijn in onderstaande tabel weergegeven.
Berekende concentraties op wettelijke toetsafstand in de plansituatie in 2022 en 2030 Hieruit blijkt dat in beide toetsjaren wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden. In 2030 wordt 7 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
Utrecht
ook voldaan aan de WHO-advieswaarden uit 2005. 5.5.3
Conclusie
Op de onderzochte locaties wordt (ruimschoots) voldaan aan de Europese grenswaarden. Er zijn vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit geen belemmeringen voor het vaststellen van het bestemmingsplan Papendorp.
5.6
Geur
5.6.1
Kader
Bepaalde bedrijven kunnen geurhinder veroorzaken. Voor specifieke bedrijven is in de Wet milieubeheer een richtwaarde aangegeven voor de hoeveelheid geur (uitgedrukt in geureenheden/m3) die acceptabel is in de omgeving van bedrijven. Deze geuruitstoot heeft ruimtelijke consequenties. In de directe omgeving van het bedrijf zijn vanuit de norm van de Wet milieubeheer beperkingen gesteld aan de mogelijkheid voor nieuwe ontwikkeling van gevoelige bebouwing (met name wonen). Dit soort bedrijven bevindt zich niet binnen het plangebied of in de directe omgeving daarvan. Kleinere bedrijven zoals horecavestigingen, of een bakkerij kennen soms ook geurhinder maar daarvoor zijn geen richtlijnen opgesteld. Daarnaast kan de mestopslag bij agrarische bedrijven geurhinder veroorzaken. Door een geschikte locatie van de mestopslag te bepalen, is een deel van de hinder te voorkomen. Echter bij grotere bedrijven is voldoende afstand ten opzichte van woningen van derden nodig. 5.6.2
Plansituatie
De aanwezigheid van de Asfaltcentrale Utrecht kan binnen zijn directe omgeving mogelijk geurhinder veroorzaken. Het terrein van dit bedrijf ligt voor een klein deel binnen het plangebied en het grootste deel van het terrein grenst aan het plangebied. Deze asfaltcentrale gaat echter verdwijnen. Nieuwe woningen zullen in het plangebied ook niet eerder worden gebouwd dan dat de asfaltcentrale definitief buiten gebruik is. Buiten het plangebied kan Nedal Aluminium mogelijk geurhinder veroorzaken. Uit paragraaf 5.3 volgt dat voor dit bedrijf een richtafstand voor geur geldt van 100 meter. Binnen deze afstand maakt dit nieuwe bestemmingsplan geen woningen mogelijk. Voor het overige is binnen het plangebied en in de omgeving verder geen sprake van bedrijven die industriële geurhinder veroorzaken. 5.6.3
Conclusie
Binnen het plangebied is na het definitief buiten gebruik stellen van de asfaltcentrale geen sprake van industriële geurhinder.
5.7
Trillingen
5.7.1
Kader
Bij het aspect trillingen in ruimtelijke besluiten (zoals dit bestemmingsplan) gaat het meestal om bescherming tegen trillinghinder bij personen. Daarnaast kan er ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra). 5.7.1.1 Hinder door trillingen Hinder door trillingen kan bijvoorbeeld ontstaan door (spoor)wegen of specifieke bedrijfsactiviteiten. Voor ruimtelijke besluiten bestaat geen wetgeving die bepaalt wat trillinggevoelige functies zijn en wat niet. Bescherming gaat via de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Dit betreft de invulling van het wettelijke criterium een "goede ruimtelijke ordening". Bij de afbakening van trillinggevoelige functies kan over het algemeen aangesloten worden bij het milieuspoor (zoals het Activiteitenbesluit). In het Activiteitenbesluit wordt voor de aanwijzing van trillinggevoelige gebouwen verwezen naar de geluidgevoelige gebouwen van de Wet geluidhinder (Wgh). Het gaat dan om woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, en kinderdagverblijven. Net als bij het aspect geluid zijn in specifieke gevallen ook trillingen bij andere bestemmingen relevant. Bijvoorbeeld waar mensen langdurig verblijven.
Voor verschillende gebouwfuncties worden toetsingswaarden gegeven in de Meet- en beoordelingsrichtlijn Trillingen: Deel B, Hinder voor personen in gebouwen. Het gaat om de volgende gebouwfuncties: bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
73
wonen gezondheidszorg onderwijs kantoor bijeenkomsten 5.7.1.2 Verstoring door trillingen Het gaat niet alleen om trillinghinder voor personen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kunnen trillingen ook een rol spelen als functies gevoelig zijn voor verstoring door trillingen. Zo kan bijvoorbeeld het ruimtelijk mogelijk maken van een nieuwe spoorverbinding of een puinbrekerlocatie naast een computercentrum, een reden zijn om ook daar rekening te houden met trillingen. 5.7.2
Plansituatie
De nieuwe functies in het plangebied van dit bestemmingsplan vormen geen bron voor trillinghinder of verstoring door trillingen. Trillinghinder of verstoring door trillingen is verder niet te verwachten in de trillinggevoelige functies die dit bestemmingsplan mogelijk maakt: Het dichtsbijzijnde treinspoor ligt hemelsbreed op meer dan 2,5 kilometer. Hierdoor is hinder of verstoring door het treinspoor op voorhand uitgesloten. De omliggende snelwegen A2 en A12 liggen aan de west- en zuidzijde dichtbij het plangebied. De afstand tot de woningen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt is ongeveer 140 meter en meer. Trillinghinder van deze en overige omliggende wegen is niet te verwachten voor de nieuwe woningen. Het bestemmingsplan maakt ook andere trillinggevoelige functies mogelijk die in paragraaf 5.7.1 staan benoemd. Gezondheidszorg en onderwijs vallen in dit bestemmingsplan onder de regels voor 'maatschappelijke voorzieningen'. Op korte afstand van de snelwegen staat dit bestemmingsplan nieuwe maatschappelijke voorzieningen toe in de functie Gemengd - 2. De regels staan alleen nieuwe maatschappelijke voorzieningen toe als het geen geluidgevoelige functies zijn op basis van de Wet geluidhinder en het geen kwetsbare objecten zijn op basis van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
Omdat gezondheidszorg en onderwijs hieronder vallen en deze functies dus niet op korte afstand van de snelwegen gerealiseerd kunnen worden, is trillinghinder voor deze functies niet te verwachten. Kantoren en bijeenkomstruimten kunnen in het plangebied op een afstand van ongeveer 50 meter van de snelwegen worden gerealiseerd. In de bouwplannen kan rekening worden gehouden met maatregelen (bijvoorbeeld in de bouwconstructie) om eventuele effecten van trillingen te voorkomen of te verminderen. Voor deze functies gelden volgens de Richtlijn deel B van Stichting Bouwresearch (SBR) minder strenge streefwaarden dan voor woningen. Trillinghinder van snelwegen en overige omliggende wegen is voor deze functies te verwachten. Het doel van de gemeente is om op termijn de bestaande HOV-busbaan over de Orteliuslaan te vertrammen (Papendorplijn). Bij de aanleg van de busbaan is al rekening gehouden met het geschikt maken van de ondergrond voor de toekomstige tramverbinding. Wanneer de aanleg van de trambaan concreet aan de orde is, moet nader onderzoek uitwijzen of en welke maatregelen nodig zijn om effecten op trillinggevoelige functies te voorkomen. 5.7.3
Conclusie
Trillingshinder of verstoring door trillingen is niet te verwachten voor en vanuit de functies die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.
5.8
Externe veiligheid
5.8.1
Kader
Het werken met, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen leidt tot veiligheidsrisico's voor omwonenden, bedrijven en passanten. Om deze risico's te beheersen wordt in de toelichting van het bestemmingsplan, de relatie tussen deze activiteiten en hun omgeving conform wet- en regelgeving verantwoord en vastgelegd. Daartoe moeten in de eerste plaats risicobronnen geïnventariseerd worden. Vervolgens wordt een toets uitgevoerd aan de betreffende wet- en regelgeving. De normen en richtlijnen zijn onder andere vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt; voor transport over weg, spoor en water). Het Bevt geeft antwoord op vragen hoe om te gaan met ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van transportroutes. In het Bevt staan twee soorten risico's beschreven waarop normen en richtlijnen van toepassing zijn. Het betreft het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Naast risiconormeringen kent het Bevt tevens twee extra afstandsbepalingen, de zogenaamde vrijwaringszone en het 7 4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
Utrecht
plasbrandaandachtsgebied. Voor zowel de vrijwaringszone als het plasbrandaandachtsgebied geldt een motivatieplicht indien bebouwing gewenst is. Indien nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd moet deze aan extra brandveiligheidseisen volgens het Bouwbesluit voldoen. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft aan hoe groot de overlijdenskans is indien een persoon zich permanent op een bepaalde plek bevindt. De wetgever beschouwt een risico lager dan een op een miljoen per miljoen jaar (aangeduid met 10-6/jaar) voor nieuwe situaties als acceptabel. In de wetgeving is dit risico vertaald naar een afstandsnormering. Voor de afstand tussen de risicoveroorzakende activiteiten en kwetsbare objecten is die norm een harde grenswaarde. Voor de afstand tot beperkt kwetsbare objecten is die norm een richtwaarde waarvan mag worden afgeweken als daar een gegronde reden voor is. Het groepsrisico (GR) geeft de kans aan op het overlijden van een groep mensen als gevolg van een calamiteit. Het Bevt verplicht ertoe dat bij omgevingsvergunningen, waarbij wordt afgeweken van de bestemming, het groepsrisico wordt beschreven en gemotiveerd. Voor het toetsen van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde oriëntatiewaarde. Dit is geen harde wettelijke norm maar een houvast om te toetsen of het groepsrisico acceptabel is al dan niet in combinatie met maatregelen voor de bestrijding van ongevallen.
5.8.1.1 Vervoer gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en water Het risico bij transportassen wordt veroorzaakt door de mogelijkheid van beschadiging van een transportmiddel als gevolg van een ongeval, bijvoorbeeld een aanvaring. Hierdoor kan een deel of de gehele lading vrijkomen. De meest relevante stoffen zijn vloeibare gassen (b.v. LPG), brandbare vloeistoffen (b.v. benzine) en giftige stoffen. Bij een ongeval met vloeibaar gas kan dat gas vrijkomen en ontbranden met mogelijk brand of ontploffing tot gevolg. Een ongeval met brandbare vloeistof zal leiden tot een grote brand met veel hittestraling. Een ongeval met giftige stoffen zal vaak leiden tot de vorming van een giftige gaswolk. 5.8.1.2 Basisnet Landelijk is een Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en vaarwegen ontwikkeld. Het Basisnet geeft zekerheid over de te verwachten transportfrequenties en de daarbij behorende risicoruimte. De uitgangspunten van het Basisnet, waaronder de transportfrequenties waarmee gemeenten bij risicoanalyses dienen te rekenen, zijn wettelijk verankerd door middel van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling basisnet. Het Bevt beschrijft de afstanden tussen transportroutes en (beperkt) kwetsbare objecten en bestemmingen. Dit zijn alle plaatsen waar zich regelmatig personen bevinden m.u.v.