Chw bestemmingsplan Papendorp_Toelichting (maart 2024)
Tekst van het document
verkeersdeelnemers. De transportfrequenties, opgenomen in de Regeling basisnet, corresponderen met de maximale gebruiksruimte voor het vervoer. Voor de bepaling van de risico's ten behoeve van dit plan is gerekend met de Basisnet uitgangspunten uit de Regeling basisnet. De getoetste normen hebben betrekking op het zogenaamde plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 5.8.2
Plansituatie
5.8.2.1 Uitgevoerd onderzoek Door de Antea group is een onderzoek uitgevoerd (Papendorp-Noord, Beschouwing externe veiligheid van 13 september 2022) naar de omgevingsrisico's voor het bestemmingsplan Papendorp-Noord. Deze studie is opgenomen als Bijlage 6. In en direct rond het plangebied is in het onderzoek van Antea een inventarisatie gedaan naar risicoveroorzakende activiteiten. Dit heeft het volgende overzicht opgeleverd: 1.
2. 3.
Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en water. Het plangebied ligt aan het Amsterdam-Rijnkanaal. Het invloedsgebied van het Amsterdam-Rijnkanaal wordt bepaald door het transport van brandbare gassen en ligt tot 90 meter van de vaarweg. Het Amsterdam-Rijnkanaal is daarmee relevant voor het plangebied. De rijkswegen A2 en A12 grenzen aan het plangebied en zijn daarmee ook relevant voor het plangebied. Het invloedsgebied van deze wegen wordt bepaald door het transport van brandbare gassen en bedraagt 355 meter, aangezien er ook transport van giftige stoffen kan plaatsvinden is rekening gehouden met een invloedsgebied van 4000 meter. Spoorwegen bevinden zich op meer dan 2,5 kilometer afstand waardoor toetsing niet nodig is. Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Nabij het plangebied bevinden zich geen buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Bedrijven die vallen onder het Bevi. Nabij het plangebied bevinden zich geen Bevi bedrijven die vanuit het oogpunt van externe veiligheid relevant zijn voor het plangebied.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
75
5.8.2.2 Vervoer over water Plaatsgebonden risico Het Amsterdam–Rijnkanaal maakt onderdeel uit van het Basisnet Water. Hierin is beschreven dat de maatgevende risicocontour (PR 10-6/jaar) niet tot buiten de waterweg ligt. Het plaatsgebonden risico legt daarmee geen beperkingen op voor het plangebied. Het plangebied maakt geen nieuwe bebouwing mogelijk binnen de vrijwaringszone, er geldt daarom geen aanvullende motiveringsplicht. Groepsrisico Aangezien het plangebied zich binnen 200 meter van het Amsterdam–Rijnkanaal bevindt, is inzicht in de hoogte van het groepsrisico nodig. In het onderzoek van Antea is onderbouwd dat zowel in de huidige situatie als na realisatie van de plannen het groepsrisico lager is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. 5.8.2.3 Vervoer over de w e g Plaatsgebonden risico De rijkswegen A2 en A12 maken onderdeel uit van het Basisnet. In de regeling basisnet is beschreven dat het plaatsgebonden risico van de A2 ter hoogte van Papendorp buiten de weg risico lager is dan PR 10-6/jaar. Voor de rijksweg A12 geldt een veiligheidsafstand (PR 10-6/jaar) van 25 meter vanaf het midden van de weg. Binnen deze zonering wordt geen bebouwing mogelijk gemaakt. Er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarde van het plaatsgebonden risico.
Het plangebied maakt geen nieuwe bebouwing mogelijk binnen het plasbrandaandachtsgebied, er gelden daarom geen aanvullende bouwvoorschriften in relatie tot het risico van een brand met brandbare vloeistoffen op de weg. Groepsrisico Aangezien het plangebied zich binnen 200 meter van het de rijkswegen A12 en A2 bevindt, is inzicht in de hoogte van het groepsrisico nodig. In het onderzoek van Antea is onderbouwd dat zowel in de huidige situatie als na realisatie van de bouwplannen in Papendorp Noord het groepsrisico lager is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Voor het deel ten noorden van de A12 is in het huidige bestemmingsplan al uitgegaan van een hoge personendichtheid. Hier worden dus geen hogere personendichtheden verwacht waardoor het groepsrisico van de rijksweg A12 daardoor niet toeneemt. Dit betekent dat kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Verantwoording groepsrisico De beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat conform het Bevt in op: De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op een transportroute. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp voordoet. Maatgevende scenario's voor het plangebied zijn een explosie of de vorming van een giftige wolk als gevolg van een incident op de weg(en) of het Amsterdam-Rijnkanaal.
5.8.2.4 Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De verschillende scenario's vragen allen een andere benadering. De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). De brandweer beschikt over protocollen voor het bestrijden van een incident met gevaarlijke stoffen op de rijkswegen A2 en A12 en bij het Amsterdam-Rijnkanaal. Het ontstaan van een koude BLEVE (explosie als gevolg van botsing) is niet te bestrijden, omdat de tank meteen explodeert. De branden die door de explosie ontstaan, kunnen wel bestreden worden. Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stof en de omvang van het incident, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Het plangebied is voor hulpdiensten via de rijkswegen A12 en A2 en de Bevrijdingslaan goed en vanaf meerdere zijden te bereiken.
7 6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
Utrecht
5.8.2.5 Mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen bij een (dreigend) zwaar ongeval In het geval van een 'koude' BLEVE is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen (die zich onbeschermd buiten bevinden) in de directe omgeving slachtoffer worden. Buiten de 150 meter is schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Echter, een koude BLEVE kan plaatsvinden zonder enige aankondiging vooraf. De omgeving zal dus verrast worden door het incident en zelfredzaamheid is niet aan de orde. Relevant is dat een groot deel van het plangebied buiten het invloedsgebied van een BLEVE ligt. Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het advies. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten, ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. In geval van een calamiteit met toxische stoffen op de weg of het water is het van belang dat de bebouwing bescherming biedt. Van belang daarbij is dat - in dat geval - de (eventueel aanwezige) mechanische ventilatie centraal afgeschakeld kan worden (via een noodschakelaar).
Dit voorkomt dat bij het optreden van een incident de ramen en deuren gesloten zijn, maar toch toxische stoffen via de ventilatie (versneld) tot het gebouw toetreden. Bij de uitwerking van de plannen dienen aanvullende maatregelen te worden afgewogen om de zelfredzaamheid te verhogen, dit volgt uit het advies van de veiligheidsregio (zie paragraaf 6.2.2.4). 5.8.3
Conclusie
De conclusie is dat het aspect Externe veiligheid geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van Papendorp.
5.9
Ontplofbare Oorlogsresten [niet gesprongen explosieven]
5.9.1
Kader
In het plangebied worden bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. De Arbeidsomstandighedenwet stelt dat er gezorgd moet worden voor een veilige werkplek. Als gevolg van gevechtshandelingen kunnen er ontplofbare oorlogsresten (OO) in het onderzoeksgebied zijn achtergebleven. Er ontstaat bij het spontaan aantreffen en beroeren van OO uit de Tweede Wereldoorlog mogelijk een verhoogd veiligheidsrisico. Onbedoelde detonaties kunnen bij de uitvoering van werkzaamheden in het ergste geval leiden tot dodelijk letsel en zware schade aan materieel en omgeving. Spontane OO vondsten kunnen resulteren in meerwerkkosten door stagnatie van de uitvoeringswerkzaamheden. Daarom is in dit bestemmingsplan inzicht gegeven in de mogelijke aanwezigheid van OO. 5.9.2
Plansituatie
Om de risico's als gevolg van de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in Papendorp in te kunnen schatten, is een bureaustudie conform de WCSC-OCE naar de aanwezigheid hiervan uitgevoerd. De conclusie is dat de onderzoekslocatie onverdacht is voor de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten. 5.9.3
Conclusie
De geplande (bouw)werkzaamheden in het kader van de gebiedsontwikkeling Papendorp vinden plaats in onverdacht gebied waardoor geen vervolgonderzoek nodig is en de werkzaamheden op reguliere wijze kunnen worden uitgevoerd.
5.10 Bodem en ondergrond 5.10.1 Kader Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functies. Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten: Bodembescherming Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien er toch bodemverontreiniging ontstaat, moet de bodem direct worden gesaneerd. Dit speelt vooral bij bedrijfsmatige activiteiten of bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
77
calamiteiten. Bodemsanering Ernstig verontreinigde locaties moeten worden gesaneerd als er ook sprake is van milieuhygiënische risico's. Bij immobiele verontreiniging in de bovengrond die zich niet kan verspreiden (zoals zware metalen en PAK) wordt uitgegaan van een zogenoemde functiegerichte benadering. Dit houdt in dat de kwaliteitseisen die aan de bodem worden gesteld afhankelijk zijn van de (toekomstige) bestemming van de locatie. Bij mobiele verontreiniging die zich via het grondwater kan verspreiden, wordt mede afhankelijk van de kosteneffectiviteit, zoveel mogelijk verwijdering van de verontreiniging nagestreefd. Een ander uitgangspunt is dat bij nieuw in te richten gebieden of terreinen hogere eisen worden gesteld aan de bodemkwaliteit dan bij milieuhygiënisch onvermijdbare saneringen in gebieden waar geen nieuwe inrichting plaats vindt. Bij nieuwe situaties ligt het criterium voor saneren bij ernstige verontreiniging. Bodembeheer Bij hergebruik van (schone of licht verontreinigde) grond wordt uitgegaan van het principe "wat schoon is moet schoon blijven" en "wat vies is mag niet viezer worden". Waar mogelijk wordt een verbetering van de kwaliteit nagestreefd, zodat de bodem duurzaam geschikt wordt voor elk gewenst gebruik. Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning of een functiewijziging moet een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 verricht worden.
Op basis van dit onderzoek wordt beoordeeld of de locatie geschikt is voor de geplande functie of dat er nog een nader onderzoek of een bodemsanering noodzakelijk is voordat de locatie geschikt is voor de geplande functie. 5.10.2 Plansituatie Onderzoek In het plangebied zijn diverse bodemonderzoeken verricht op 72 gedeeltelijk overlappende onderzoekslocaties. Sommige onderzoeken zijn gedateerd (vanaf 1995). In het algemeen is de bodemkwaliteit voldoende vastgelegd en staat de bodemkwaliteit de uitvoering van dit bestemmingsplan niet in de weg. Er zijn enkele locaties waar de onderzoeks- en saneringstrajecten nog niet zijn afgerond. ACU Groenewoudsedijk 10 (grotendeels buiten het plangebied van dit bestemmingsplan) Het oostelijk deel van het terrein van de asfaltcentrale is sterk verontreinigd met minerale olie, PAK en zware metalen. In 2016 is een beschikking ernst, spoed en saneringsplan genomen. De sanering is niet formeel afgerond. Ook op het westelijk deel van de locatie (bedrijfsterrein KWS) zijn sterke verontreinigingen met zware metalen, olie en PAK aangetoond. Deze moeten worden gesaneerd op een natuurlijk moment. Groenewoudsedijk 5-6 voormalig AKZO-terrein (recyclingbedrijf) Plaatselijk is het grondwater sterk verontreinigd met arseen (onderzoek 1999). In 2009 is de nulsituatie van het terrein vastgelegd, er is geen reden voor nader onderzoek.
Locatie Watertransportmaatschappij Rijn-Kennemerland (WRK) Papendorp Zuid Dit betreft erfverharding met puin en/of bouw en sloopafval. Hiervoor is een saneringsplan opgesteld. Ortheliuslaan/Taatsenplein In de bovengrond ter plaatse van de busbaan is in 2009 een sterk verhoogd gehalte kobalt aangetroffen. De busbaan is inmiddels aangelegd. Taatsendijk 4-5 Er is een beperkte bodemsanering uitgevoerd op de locatie, die formeel niet is goedgekeurd. Terrein is momenteel in gebruik als op- en afrit A2, verificatie van de sanering is niet meer aan de orde. Overig Het plangebied bevindt zich binnen de zogenaamde bufferzone van het Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer. Het diepere grondwater binnen deze zone, in het eerste watervoerend pakket, is in principe schoon. De bufferzone is bedoeld als signaalzone om de aanwezigheid van diffuse verontreiniging afkomstig van de dynamische zone tijdig te kunnen monitoren. Bij bouwbemalingen, onttrekken en infiltreren van grondwater kan deze verontreiniging worden aangetrokken en verspreiden. De gemeente wil verdere verspreiding van verontreinigingen door doorboring van de eerste scheidende laag in de dynamische en bufferzone zo veel mogelijk beperken, om zo het grondwater uit het tweede watervoerende pakket te beschermen. Dit betekent dat er slechts onder 7 8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
Utrecht
voorwaarden bodemenergiesystemen aangelegd mogen worden in de ondergrond dieper dan 55 meter beneden maaiveld. Bij bouwbemalingen, grondwateronttrekkingen en WKO kan aansluiting worden gezocht bij de gebiedsgerichte aanpak. Op basis van de Nota Bodembeheer 2017-2027 is de ontgravingskwaliteit voor grond “industrie” en de toepassingseis voor grond kwaliteit “wonen”. Bij hergebruik van eventueel vrijkomende grond binnen gemeente Utrecht is geen aanvullend onderzoek nodig naar PFAS tijdens een partijkeuring. De aanwezigheid van plastic kan bij hergebruik beperkingen opleveren als dit een te hoog percentage is (zie Nota Bodembeheer 2017-2027). Bodemenergie Een van de mogelijkheden om te voorzien in duurzame energie is bodemenergie. Bij de voorbereiding van bouwplannen wordt bekeken of gesloten bodemenergiesystemen (op eigen perceel) rendabel zijn, of dat er beter kan worden ingezet op (collectieve) open warmte koude opslagsystemen. De capaciteit van de ondergrond wordt optimaal ingezet door eerst bovengronds de uitwisseling van koude en warmte (vraag en aanbod) in het gebied toe te passen voordat een beroep op de ondergrond wordt gedaan. Voor de energievoorziening van Papendorp zijn in de bestaande situatie al bodemenergiesystemen (WKO's) aangelegd. De bestaande WKO's zijn tot nu toe in het 1 e watervoerend pakket (hierna: WvP) aangelegd.
Bodemenergiesystemen in Papendorp worden bij voorkeur ook bij toekomstige ontwikkelingen aangelegd in het 1e WvP. Op basis van de Waterwet is de provincie bevoegd gezag voor de vergunningverlening van een open bodemenergiesysteem waarbij grondwater wordt onttrokken. Het provinciale beleid sluit in de bufferzone open bodemenergiesystemen in het 2 e watervoerende pakket niet uit, mits wordt bijgedragen aan de gebiedsgerichte sanering of dat deze sanering in ieder geval niet wordt bemoeilijkt. Hierbij wordt rekening gehouden met het gevaar van onderlinge interferentie. Verder speelt de vergunning een rol in de borging van de kwaliteit van bodem en grondwater. Een overzicht van bestaande WKO-systemen staat op wkotool.nl. Binnen het kantorenpark Papendorp zijn momenteel diverse doubletten van WKO-systemen aanwezig, die zijn weergegeven op onderstaand kaartje.
WKO-systemen Papendorp Oppervlaktewaterwinning in ARK Nieuwegein Om het innamepunt van oppervlaktewaterwinning in het Amsterdam-Rijnkanaal in Nieuwegein (voor bereiding van drinkwater) te beschermen hebben Rijkswaterstaat en Provincie Utrecht een beschermingszone ingesteld, die doorloopt tot de Gemeente Utrecht. Deze zone (zie onderstaand kaartje) gaat over 100 meter landbodem aan weerszijden van het Amsterdam-Rijnkanaal. Er is specifieke aandacht nodig voor verdachte bodemactiviteiten bij ruimtelijke ontwikkeling in deze beschermingszone. In een uitvoeringsprogramma zijn maatregelen opgenomen, om aandacht te geven aan het innamepunt in de calamiteitenplannen van en bij de vergunningverlening aan bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
79
bedrijven. De intentie is om het risico te voorkomen dat drijvende stoffen zoals blusmiddel en olie bij een calamiteit het innamepunt kunnen bereiken binnen 6 uur (afhankelijk van de windkracht en -richting). Binnen 100 meter tot het Amsterdam-Rijnkanaal maakt dit bestemmingsplan, in deelgebied Groenewoud Noord, nieuwe woningen, bijbehorende infrastructuur en wegen mogelijk. In het zuidelijke deel van het plangebied worden bestaande kantoren, volkstuinen en sportvoorzieningen opnieuw bestemd, volgens de aanwezige situatie. Bij geen van deze functies zijn bodemactiviteiten te verwachten die kunnen leiden tot verontreinigingen van het water in het kanaal. Nadere voorwaarden daarvoor zijn daarom niet nodig in dit bestemmingsplan. Vanuit de provinciale Interim Omgevingsverordening geldt rechtstreeks een algemene zorgplicht om bij activiteiten bodemverontreinigingen te voorkomen in de beschermingszone.
Beschermingszone oppervlaktewaterwinning in het Amsterdam-Rijnkanaal Ondergrond Een deel van het plangebied is in de omgevingsvisie van de provincie Utrecht aangemerkt als (stedelijk) aandachtsgebied voor bodemdaling, zie onderstaande afbeelding.
8 0 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
Utrecht
Stedel ijk aandachtsgebied bodemdaling (omgevingsvisie provincie Utrecht) Op basis van de indicatieve zettingsgevoeligheid is het plangebied gevoelig (oranje) tot minder gevoelig (groen) voor zetting (zie onderstaande afbeelding). Het terrein ligt in een gebied met rivierkleiafzettingen met plaatselijk veenhoudende grond. Zeker in droge perioden kan door belasting van de bodem zetting daarom niet geheel worden uitgesloten. De nieuwbouw moet zodanig uitgevoerd worden dat dit niet leidt tot zetting van de bodem. Mogelijke maatregelen om bodemdaling te beperken zijn fundering op palen en toepassing van lichte ophoogmaterialen. Een andere maatregel om bodemdaling te beperken, is om voor de aanleg van de infrastructuur en overige openbare ruimte niet alleen zandgrond toe te passen, maar zeker in groenstroken teelaarde en gezonde levende bodem met organische stof te behouden of te realiseren. Dit is ook goed voor het watervasthoudend vermogen van de bodem bij klimaatmaatregelen. Met maatregelen om zetting te voorkomen wordt in de uitwerking van de plannen rekening gehouden.
Zettingsgevoeligheid De ondergrond biedt kansen voor de duurzame energie (bodemenergie), waterberging (klimaatadaptatie), ruimte voor groen en ondergrondse infrastructuur (kabels en leidingen, parkeerkelders). Bij plannen voor benutting van de ondergrond wordt geadviseerd het ondergronds ruimtegebruik mee te nemen in het planontwerp, zodat meervoudig ondergronds gebruik geen belemmering of nadelige beïnvloeding op elkaar heeft.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
81
5.10.3 Conclusie Op basis van uitgevoerde bodemonderzoeken staat de algemene, indicatieve, bodemkwaliteit de ontwikkeling van het plangebied niet in de weg. Op enkele deellocaties (met name bij bedrijven) zijn verontreinigingen aanwezig in grond en grondwater, waarbij verder onderzoek en sanering noodzakelijk is. Dit staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg. Bij de ontwikkeling moet rekening gehouden worden met een dieptebeperking voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en bodemenergie. Langs het Amsterdam-Rijnkanaal is een beschermingszone aanwezig waar extra aandacht nodig is voor bodembedreigende activiteiten. Bij de ontwikkeling van Papendorp is het gewenst om rekening te houden met zetting en toepassing van gezonde, levende bodem in groenzones en ondergronds ruimtegebruik mee te nemen in het ontwerp.
5.11 Natuurbescherming 5.11.1 Kader Op grond van de Wet natuurbescherming moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Ook moet worden gekeken naar de regels in de interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht en het beleid van de gemeente Utrecht. Beschermde gebieden (Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland en Groenstructuurplan) Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden bekeken of het plan significante gevolgen kan hebben voor een of meerdere Natura 2000-gebieden. Het bestemmingsplan kan in beginsel alleen worden vastgesteld als er zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast. In de Interim Omgevingsverordening (artikel 6.1 en verder) zijn regels vastgelegd waar bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het gaat om regels voor het Nationaal Natuur Netwerk (NNN, voorheen EHS) en provinciaal beschermde houtopstanden. In paragraaf 2.3.2.2.3 is het gemeentelijk beleid voor de gemeentelijke groenstructuur beschreven. Bestaande elementen van de stedelijke groenstructuur en de hoofdbomenstructuur worden beschermd.
Beschermde dier- en plantensoorten (Wet natuurbescherming) Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan moet er worden onderzocht: 1. 2. 3.
of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied; of er verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden; of er vrijstellingen gelden of dat er een ontheffing nodig is.
Als er een ontheffing nodig is, moet aannemelijk zijn dat deze verleend zal worden. Daarnaast moet er duidelijkheid zijn over eventuele ontheffingsvoorwaarden en het treffen van mitigerende maatregelen. Utrechtse soortenlijst Naast de beschermde soorten onder de Wet natuurbescherming, geldt binnen de gemeente de Utrechtse soortenlijst. Hierin staan kwetsbare soorten die voor Utrecht erg belangrijk zijn opgenomen. De algemene bescherming van deze soorten op grond van de voormalige Flora en faunawet is met het in werking treden van de Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 vervallen. De Utrechtse Soortenlijst is onderdeel van de Omgevingsvisie. De gemeenteraad heeft besloten dat bij gemeentelijke ruimtelijke plannen de Utrechtse soortenlijst bij het onderzoek en ontwikkelingen wordt betrokken zodat de soorten zo goed mogelijk beschermd worden. Bij ruimtelijke plannen van derden beveelt de gemeente nadrukkelijk aan om de Utrechtse soortenlijst mee te nemen in onderzoek en ontwikkelingen. Wanneer de Utrechtse soortenlijst niet wordt meegenomen in het plan of project, dan wordt dit gemotiveerd. Diervriendelijk bouwen De gemeente Utrecht heeft de ambitie om diervriendelijk te bouwen. In de Utrechtse bestemmingsplannen wordt daarom aangegeven op welke manier rekening wordt gehouden met diervriendelijk bouwen bij de bouwplannen die het bestemmingsplan mogelijk maakt.
Algemene zorgplicht 8 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
Utrecht
Ten slotte geldt de zorgplicht van artikel 1.11 Wet natuurbescherming: een ieder neemt voldoende zorg in acht voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Als het toch noodzakelijk is om handelingen uit te voeren, dan moet zoveel als redelijkerwijs mogelijk geprobeerd worden om negatieve effecten te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Daarom moet iemand die een bepaalde handeling wil verrichten zich vooraf op de hoogte stellen van de aanwezige flora en fauna, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van zijn handelen. De zorgplicht dient mede als vangnet voor de bescherming van soorten, waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. Om een juiste invulling te kunnen geven aan de zorgplicht is de Leidraad werken met beschermde flora en fauna van de gemeente Utrecht van toepassing. Voor aanvang van de werkzaamheden moet een ecologisch werkprotocol worden opgesteld door een deskundige. 5.11.2 Plansituatie 5.11.2.1 Uitgevoerde onderzoeken Voor het bestemmingsplan zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd, is een activiteitenplan opgesteld voor steenmarter op het KWS-terrein en is een Wnb ontheffing verleend voor de Laatvlieger op de locatie Taatsendijk 1C.
De resultaten staan in de volgende rapporten die als bijlagen zijn toegevoegd aan dit bestemmingsplan: Stikstofdepositierapport van 18 maart 2024: berekeningen met Aerius voor de bouw- en gebruiksfase (14) Quickscan ecologie van 16 december 2020: SPvE Papendorp Noord (Bijlage 15) Soortgericht onderzoek van 28 oktober 2021: SPvE Papendorp Noord (Bijlage 16) Quickscan ecologie van 11 november 2022: braakliggende kavels Papendorp (Bijlage 17) Wnb ontheffing Laatvlieger van 18 augustus 2022: Taatsendijk 1C (Bijlage 18) Activiteitenplan Steenmarter van 19 juni 2023: KWS-terrein (Bijlage 19) Quickscan ecologie van 13 december 2022: fietsbrug De Meernbrug (Bijlage 20) 5.11.2.2 Gebiedsbescherming Getoetst is of de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen beschermde gebieden beïnvloeden of daar negatieve effecten op hebben. De conclusies voor de gebiedsbescherming voor het plangebied zijn als volgt. Natura 2000 Het plangebied ligt op ruime afstand (ongeveer 9 km) van de beschermde natuurgebieden van Natura 2000. Effecten van het plan op beschermde gebieden die betrekking hebben op enige vorm van fysieke aantasting of verstoring zijn uitgesloten. Om mogelijke effecten als gevolg van stikstofdepositie (het neerslaan van stikstofverbindingen) in kaart te brengen is een Aerius-berekening uitgevoerd.
Daaruit blijkt dat het plan zowel in de bouwfase als in de gebruiksfase niet leidt tot extra depositie op Natura 2000 gebied (zie Bijlage 14). Het plan heeft geen significante effecten op (tegen verzuring en vermesting) beschermde natuurwaarden (habitats) in nabij gelegen Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie. Natuurnetwerk Nederland en provinciaal beschermde houtopstanden Het plangebied van het nieuwe bestemmingsplan voor Papendorp ligt buiten het NNN. De voorgenomen plannen hebben geen aantasting van het NNN tot gevolg. Ook hebben de werkzaamheden geen negatief effect op provinciaal beschermde houtopstanden. Groenstructuurplan Onderdelen van het plangebied (vooral de randen) vallen binnen de stedelijke groenstructuur, zoals opgenomen in het Groenstructuurplan, zie hiervoor ook paragraaf 2.3.2.2.3. De meeste delen van de groenstructuur in het plangebied van dit bestemmingsplan voor Papendorp blijven intact. Op enkele plekken loopt nieuwe infrastructuur voor Papendorp Noord door de groenstructuur. Het gaat om aanpassingen voor het Taludpark en het aanpassen van de Orteliuslaan en Mercatorlaan op de nieuwe situatie. De nieuwe fietsbrug over het Amsterdam-Rijnkanaal (en het verder geplande fietspad naar het 24 Oktoberplein) doorkruist ook de groenstructuur. De gevolgen voor de stedelijke groenstructuur zijn in beeld gebracht in een groencompensatieplan.
Op basis van het voorlopig inrichtingsplan zijn per deelgebied de compensatiemaatregelen in beeld gebracht. Alle gevolgen kunnen goed gecompenseerd worden. Dat gebeurt vooral door groen ecologisch waardevoller in te richten. Het aanwezige groen in de stedelijke groenstructuur bestaat voornamelijk uit gras en bomen. Om het plangebied meer betekenis te geven voor de biodiversiteit worden er verschillende groenmilieus aangelegd. Zo worden er natte en droge plekken gemaakt, wadi's, bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
83
kruidenrijk graslanden, voedselbosjes, schietwilgenbosjes, rietland, broekbos enz.. Verder wordt groen beter beleefbaar gemaakt, worden verbindingen met andere groenstructuren gerealiseerd en worden groenstructuren ook uitgebreid. Er wordt meer groen gerealiseerd en meer bomen toegevoegd dan in de huidige situatie in Papendorp Noord. Zie hiervoor Bijlage 21 Groencompensatieplan, paragraaf 5.12 Bomen en Bijlage 22 Bomenkaart. Bij het ontwerpen van de openbare ruimte (waaronder het bestaande en het nieuwe groen) in het plangebied wordt rekening gehouden met de vijf hoofdopgaven uit de Actualisatie Groenstructuurplan. 1. 2. 3. 4. 5.
Vergroten van de ecologische, recreatieve en landschappelijke kwaliteit van het bestaande stedelijk groen van Utrecht voor mensen, planten en dieren; Verbeteren van de bereikbaarheid van de groengebieden rond Utrecht door recreatieve en ecologische verbindingen aan te leggen; Uitbreiden van de groene buitenruimte door grootschalige groengebieden om de stad aan te leggen; Gezonde verstedelijking; Klimaatadaptatie.
Uit het definitieve inrichtingsplan zal concreet blijken hoe aan de doelen van het Groenstructuurplan invulling wordt gegeven en hoe de aantasting van de stedelijke groenstructuur wordt gecompenseerd. Het groencompensatieplan wordt gebruikt om in de fase na vaststelling van het bestemmingsplan het definitieve inrichtingsplan voor de openbare ruimte af te ronden. De aanlandingen van de nieuwe fietsbrug langs De Meernbrug maken ook onderdeel uit van het groencompensatieplan. Het verdere verloop van het fietspad aan de oostzijde van het Amsterdam-Rijnkanaal is nog niet bekend. Dat gedeelte ligt overigens buiten het plangebied van het nieuwe bestemmingsplan voor Papendorp. Met het aanleggen van het fietspad wordt verharding aangelegd in de hoofdgroenstructuur. Het is nog niet bekend op welke manier dit gecompenseerd wordt. Op dit moment wordt namelijk nog gewerkt aan het ontwerpen van het fietspad. Maatregelen om het aantasten van de hoofdgroenstructuur te compenseren worden in het ontwerptraject meegenomen en worden verwerkt in het inrichtingsplan. 5.11.2.3 Soortenbescherming Beschermde dier- en plantensoorten (Wet natuurbescherming) Op 16 december 2020 is een quickscan uitgevoerd door Econu (zie Bijlage 15).
Uit de quickscan volgt dat een aantal soorten (platte schijfhoorn, rugstreeppad, grote modderkruiper, uilen en roofvogels, steenmarter, vleermuizen (verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden)) nader onderzocht moeten worden. Tussen maart en september 2021 is dit nader soortgericht ecologisch onderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek (zie Bijlage 16) blijkt dat een aantal beschermde soorten en functionaliteiten aanwezig zijn in het plangebied waarop negatieve effecten bij de realisatie van de plannen te verwachten zijn. Om deze negatieve effecten zo klein mogelijk te maken is het nodig om mitigerende maatregelen te treffen. Het treffen van mitigerende maatregelen voor vleermuizen (in verband met mogelijke lichtverstoring) en de haas (verlies van leefgebied) kan ook aan de orde zijn bij de invulling van de braakliggende bouwkavels in Papendorp. Dit volgt uit de quickscan die voor deze kavels is uitgevoerd (zie Bijlage 17). Voor de Laatvlieger (vleermuis) is een ontheffing aangevraagd bij de provincie Utrecht vanwege de geplande sloop van de woning aan de Taatsendijk 1C. Deze ontheffing is verleend op 18 augustus 2022 (zie Bijlage 18). Voor de gewone dwergvleermuis is mogelijk ook een ontheffing nodig voordat de woning gesloopt kan worden. Het is aannemelijk dat deze ontheffing verleend wordt zoals verderop in deze paragraaf is toegelicht.
Daarnaast blijkt uit onderzoek voor het bestemmingsplan Groenewoud (de onderzoekslocatie overlapt voor een deel het plangebied van het bestemmingsplan Papendorp), dat steenmarter aanwezig is in Papendorp. Het is nodig om een Wnb-ontheffing bij de provincie Utrecht aan te vragen voor het aantasten van de vaste verblijf- of rustplaats van steenmarter. Voor steenmarter is een activiteitenplan opgesteld waarin mitigerende maatregelen zijn uitgewerkt (zie Bijlage 19) en dat de onderbouwing vormt voor de ontheffingsaanvraag. Een van de maatregelen is om steenmarter een andere locatie te bieden in Papendorp. Hiervoor is in het activiteitenplan een concrete locatie aangewezen in Papendorp. Voor de aanleg van de fietsbrug is relevant dat uit het uitgevoerde onderzoek (zie Bijlage 20) blijkt dat de aanwezigheid van steenmarter en vleermuizen nog niet is uitgesloten en dat daarom nader onderzoek nodig is. Mochten deze soorten tijdens het nadere onderzoek worden aangetroffen, dan moet daar een ontheffing voor worden aangevraagd bij de provincie Utrecht. 8 4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
Utrecht
Voor de soorten waar (mogelijk) nog een ontheffing voor nodig is, is het aannemelijk dat deze verkregen kan worden. Zo kunnen maatregelen getroffen worden om vliegroutes en/of foerageergebied van vleermuizen in te passen bij de inrichting van het plangebied, of indien nodig te compenseren. Ook voor verblijfplaatsen van beschermde soorten kunnen in Papendorp maatregelen getroffen worden om negatieve effecten te mitigeren en te compenseren. Het plan draagt bij aan het oplossen van het grote woningtekort in Nederland en specifiek in Utrecht. Daarom kan het wettelijk belang 'dwingende redenen van groot openbaar belang' worden aangedragen bij een ontheffingsaanvraag. Voor steenmarter is ook het wettelijke belang 'ruimtelijke ontwikkeling' beschikbaar voor een ontheffingsaanvraag. Er is geen alternatieve locatie voor de nieuwe woningen die gunstiger uitpakt voor beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld in de ruime omgeving van het plangebied rugstreeppad aanwezig. Ook kunnen op andere locaties voor de nieuwe woningen vleermuizen en steenmarter aanwezig zijn. Een andere locatie voor de nieuwe woningen pakt daardoor niet direct gunstiger uit dan in Papendorp. Hiermee is het voldoende aannemelijk dat een ontheffing te verkrijgen is. Daarmee staat de Wet natuurbescherming de uitvoerbaarheid van dit nieuwe bestemmingsplan voor Papendorp niet in de weg.
Utrechtse soortenlijst In het plangebied zijn de volgende soorten van de Utrechtse soortenlijst aanwezig: grote kaardenbol, wilde marjolein, wouw, brede lathyrus, en kleine modderkruiper. Ook zijn de volgende Utrechtse vogelsoorten broedend aangetroffen in het gebied: merel, tjiftaf en kleine karakiet. Ook blijkt uit de natuurwaardenkaart van Utrecht dat de blauwborst aanwezig kan zijn in het plangebied. Bij de nieuwbouw en de inrichting van het plangebied wordt rekening gehouden met de soorten die aanvullend met de Utrechtse soortenlijst zijn beschermd. Ook is het goed mogelijk om een aantal van de aanwezige soorten te versterken. Kansen daarvoor zijn vooral aanwezig voor gebouwbewonende dieren en soorten die in tuinen gedijen. Voor enkele soorten zal het gebied in de toekomst ongeschikt worden. Zij zullen via de aanwezige, groene verbindingen nieuw leefgebied ontdekken. Bij de inrichting van nieuwe openbare ruimte in het gebied is de Utrechtse soortenlijst het uitgangspunt voor de beplanting. Diervriendelijk bouwen In het groencompensatieplan zijn ook de maatregelen opgenomen die worden getroffen om diervriendelijk te bouwen. Dat wordt als uitgangspunt bij de nieuwbouw gehanteerd. Concreet wordt gedacht aan het inmetselen van nestkasten voor gierzwaluwen en huismussen en het vrijlaten van ruimte in de spouwmuur voor de gewone dwergvleermuis.
5.11.3 Conclusie Door het nemen van mitigerende en compenserende maatregelen, en eventueel het aanvragen van ontheffingen, en het naleven van de gedragscode (Leidraad werken met beschermde flora en fauna van de gemeente Utrecht), en de wettelijke zorgplicht, staat de Wet natuurbescherming, het beleid van de provincie Utrecht en de gemeente Utrecht de uitvoering van het plan niet in de weg.
5.12 Bomen 5.12.1 Kader Volgens de nota 'Bomenbeleid Utrecht 2009' is bij ruimtelijke plannen een bomenparagraaf nodig. Hierin moet onderbouwd worden op welke wijze rekening wordt gehouden met het belang van de bomen. Een van de belangrijkste doelen van het Utrechtse bomenbeleid (nota Bomenbeleid) is een samenhangende bomenstructuur voor de stad te verbeteren en te ontwikkelen, gebaseerd op cultuurhistorische, ruimtelijke en ecologische uitgangspunten en milieu. Voor 2030 zet de gemeente Utrecht in op het behoud en de ontwikkeling van de bomenstructuur. Dit zal gebeuren door invulling te geven aan de volgende twee beleidsdoelstellingen: Waar mogelijk ontbrekende bomen in de bomenstructuur aanvullen om zo een samenhangende structuur te creëren. Dat betekent bij de ruimtelijke plannen in de komende jaren bekijken waar bomen kunnen worden toegevoegd om zo de bomenlanen en pleinen te completeren. Daarnaast wordt bij ingrepen in de huidige structuur op basis van een goed programma van eisen gekeken hoe de structuur aangevuld kan worden; De bomenstructuur verder verbeteren door extra zorg aan beheer en onderhoud te besteden. Dit kan resulteren in extra zorg bij aanplanting van bomen, bij groeiplaatsen van oudere bomen, bij de verzorging van de bomen in de jeugdfase en bij bomenziekten. Vanaf 21 november 2018 geldt de herplantplicht bij kapvergunningen.
Als verplanten of behoud van bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
85
een boom niet mogelijk is, dan geldt bij compensatie de volgende volgorde: 1e keus herplant op locatie, 2e keus herplant dichtbij locatie, 3e keus herplant elders. Als blijkt dat herplant niet mogelijk is, kan in het uiterste geval worden overgegaan tot financiële compensatie waarbij de inkomsten worden geoormerkt voor het aanplanten van bomen en groen elders in de gemeente Utrecht. Soms mag er worden afgeweken van de herplantplicht. Dat kan als er sprake is van onder- of bovengronds ruimtegebrek, onveiligheid, klimaat- of gezondheidsredenen. De herplantplicht is niet van toepassing op gevallen waarin het college of de raad op basis van een ruimtelijk plan een besluit heeft genomen of omgevingsvergunningen waarvan de aanvraag voor 21 november 2018 is ingediend. 5.12.2 Plansituatie In deze bomenparagraaf wordt onderscheid gemaakt tussen drie deelgebieden om een helder overzicht te geven van op welke manier met bomen wordt omgegaan in het plangebied van het bestemmingsplan Papendorp: 1. 2. 3.
Bestaand deel bedrijven- en kantorenlocatie Papendorp; Fietsverbinding De Meernbrug; Papendorp Noord (plangebied SPvE Papendorp Noord).
5.12.2.1 Bestaand deel bedrijven- en kantorenlocatie Papendorp Het bestemmingsplan Papendorp gaat over het plangebied van het SPvE Papendorp Noord en over het 'bestaande deel' van de bedrijven- en kantorenlocatie Papendorp. De bomen in dit deelgebied zijn niet geïnventariseerd voor dit bestemmingsplan omdat in dit deel van Papendorp de openbare ruimte niet wordt aangepast waardoor het niet nodig is om bomen te kappen of te verplanten. Ook worden er in dit deelgebied in het kader van het bestemmingsplan Papendorp geen bomen verwijderd op de uitgegeven en nog uit te geven kavels. 5.12.2.2
Fietsverbinding De Meernbrug
5.12.2.2.1 Bomeninventarisatie De Meernbrug maakt ook onderdeel uit van het plangebied van het bestemmingsplan Papendorp. Om een nieuwe fietsverbinding mogelijk te maken over het Amsterdam-Rijnkanaal wordt de bestaande brug aan de zuidzijde uitgebreid met een brugdeel voor langzaam verkeer. Aan beide kanten van het Amsterdam-Rijnkanaal worden er civiele bouwconstructies gemaakt om de brug te laten 'aanlanden' en waar vervolgens het nieuw geplande fietspad op kan worden aangesloten. Deze nieuwe fietsverbinding is concreet op deze locatie aangekondigd in het mobiliteitsplan Utrecht 2040, het SPvE Papendorp Noord en in de omgevingsvisie Kanaleneiland en Transwijk. Voor het realiseren van de brug en het verdere verloop van het geplande fietspad (buiten het plangebied van dit bestemmingsplan Papendorp) zijn de bomen op en rond de projectlocatie geïnventariseerd (zie Bijlage 20). In dit onderzoek is onder andere ook de ecologische waarde, de toekomstverwachting en de verplantbaarheid van de bomen onderzocht. Een overzichtskaart met boomnummers staat in bijlage 3 van het uitgevoerde onderzoek. De nummers zoals weergegeven op deze kaart corresponderen met de nummers zoals weergegeven in de tabel met inventarisatiegegevens die staat in bijlage 4 van het onderzoek. In bijlage 4 van het onderzoek is voor elke boom de conclusie van de indicatieve verplantbaarheid opgenomen.
In het onderzoeksgebied staan 85 bomen die zijn beoordeeld. De meeste bomen hebben een matige tot redelijke conditie. Een kleiner aantal heeft een slechte conditie en een goede conditie. Het bomenbestand is gevarieerd in conditie, leeftijd, omvang, soort en toekomstverwachting. Het merendeel van de bomen heeft een negatief of terughoudend verplantingsadvies gekregen op basis van matige of slechte conditie en/of op basis van specifieke afwijkingen. Van de 85 bomen hebben 10 bomen een positief indicatief verplantingsadvies gekregen. Voor deze bomen wordt verwacht dat ze, met de juiste voorbereiding en maatregelen, succesvol verplant kunnen worden. 5.12.2.2.2 Inpassing van de bomen Plangebied bestemmingsplan Papendorp In het plangebied van dit bestemmingsplan staan 3 bomen (ter plaatse van de aanlanding van de fietsbrug aan de kant van Kanaleneiland) die niet kunnen blijven staan door de geplande aanlanding van de fietsbrug op de plek van de bomen. Deze 3 bomen zijn niet verplantbaar vanwege de conditie van de bomen (zie Bijlage 20) en worden daarom gekapt. Deze bomen worden gecompenseerd nabij het nieuwe fietspad (als onderdeel van de groene inpassing van de nieuwe fietsverbinding).
Tracé van het fietspad buiten het plangebied van het bestemmingsplan Papendorp De exacte ligging van de bouwconstructies van de brug en het tracé van het fietspad zijn tijdens het opstellen van dit bestemmingsplan nog niet bekend. De tracékeuze wordt in de vervolgfase van dit (deel)project gemaakt. Het is daarom nu nog niet exact aan te geven hoeveel bomen niet kunnen blijven staan. De bomen die niet kunnen blijven staan, worden verplant als deze bomen daarvoor in 8 6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
Utrecht
aanmerking komen (zie Bijlage 20). Als verplanten niet mogelijk is, worden de bomen gecompenseerd nabij het nieuwe fietspad (als onderdeel van de groene inpassing van de nieuwe fietsverbinding). 5.12.2.3
Papendorp Noord (plangebied SPvE Papendorp Noord)
5.12.2.3.1 Bomeninventarisatie De aanwezige bomen in het te ontwikkelen plangebied Papendorp Noord zijn geïnventariseerd op basis van het gemeentelijke bomenbestand en in aanvulling daarop door het specifiek inmeten van bomen op enkele locaties. Bomen waarvoor op basis van hun grootte geen kapvergunning nodig is, zijn niet geïnventariseerd. Wel wordt in de planuitwerking zorgvuldig gekeken of het mogelijk is dat ook deze bomen kunnen blijven staan en kunnen uitgroeien tot volwassen bomen. De bomen in het te ontwikkelen plangebied Papendorp Noord staan voor het overgrote deel langs de Orteliuslaan, de Mercatorlaan, de Taatsendijk, het Amsterdam-Rijnkanaal en langs de A2. Voor deze bomenparagraaf is Papendorp Noord verdeeld in onderstaande 8 deelgebieden (demarcaties) om een helder overzicht te geven over de bomen. De deelgebieden staan op de Bomenkaart in Bijlage 22 en op de kaartuitsnedes bij de deelgebieden in de volgende paragraaf. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Orteliuslaan en (Verlengde) Mercatorlaan Taatsendijk Amsterdam-Rijnkanaal Talud A2 Groenewoud Noord Tweede ontsluiting Mobiliteitshub en OV-plein Taatsenplein Zuid Mobiliteitshub XL
De geïnventariseerde bomen zijn, voor zover mogelijk, ingepast in de plannen voor de ontwikkeling van Papendorp Noord. Het grootste deel van de bomen blijft staan (ongeveer 428 bomen). Dit is te zien op de bomenkaart (zie Bijlage 22). 5.12.2.3.2 Inpassing bomen Orteliuslaan en (Verlengde) Mercatorlaan Binnen dit deelgebied staan 475 bomen. Vanwege het aanpassen van de hoofdinfrastructuur in Papendorp Noord kunnen ongeveer 118 bomen niet blijven staan. Van deze bomen worden er 48 verplant en 70 gekapt. Voor deze bomen is een verplantbaarheidsonderzoek (zie Bijlage 23) uitgevoerd waaruit blijkt dat deze platanen te verplanten zijn. De bomen zijn vrij van ernstige gebreken, ziekten en schimmelaantastingen. Platanen hebben een goed regeneratief vermogen. Eenmaal op een nieuwe standplaats met voldoende ruimte en een vruchtbare bodem zullen ze snel herstellen. De te verplanten platanen krijgen een nieuwe plek binnen Papendorp Noord. Er worden 125 nieuwe bomen geplant.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
87
Afbeelding: te verplanten bomen langs de Orteliuslaan en (Verlengde) Mercatorlaan 5.12.2.3.3 Inpassing bomen Taatsendijk In de brede groenstrook langs de Taatsendijk staan 212 bomen. Hiervan blijven er 72 staan, 4 worden verplant en 110 worden gekapt. Er worden 26 nieuwe bomen geplant. Deze bomen zijn onderzocht op onder andere kwaliteit en toekomstverwachting zodat hier rekening mee gehouden kan worden in de planvorming, zie Bijlage 23. De boomsoorten die hier staan zijn Gewone els, Grijze abeel, Schietwilg, Zomereik, Hollandse iep, Esp, Gewone es en haagbeuk. 8 8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
Utrecht
Vermoedelijk is de groenstrook in 1970 aangelegd en heeft deze zich sindsdien vrij natuurlijk ontwikkeld. De meeste bomen zijn uitgegroeid tot volwassen bomen. Maar een deel van de bomen wordt onderhouden als knotboom. Iets meer dan de helft van de bomen heeft een voldoende conditie. De conditie van de overige bomen is onvoldoende of slecht. Sommige bomen hebben een zeer slechte conditie of zijn dood. De watergang langs de Taatsendijk wordt verbreed, die de grens vormt tussen het plan Papendorp Noord en Groenewoud. Deze verbreding is nodig voor het waterhuishoudkundige systeem van beide plannen en de gewenste parkinrichting op deze locatie. Hierdoor kunnen de bomen in de aangrenzende extensief onderhouden groenstrook niet op hun plek blijven staan en deze worden daarom verwijderd. Ook is het nodig om een aantal bomen te verwijderen vanwege het aanpassen van de infrastructuur (voor zowel fietsers als auto's). Uit Bijlage 23 blijkt dat van de te verwijderen bomen er 4 bomen in aanmerking komen om te verplanten.
Afbeelding: bomen die niet kunnen blijven staan langs de Taatsendijk 5.12.2.3.4 Inpassing bomen Amsterdam-Rijnkanaal Langs het Amsterdam-Rijnkanaal staan 50 bomen (Canadapopulieren). Hiervan blijven er 44 staan en worden er 6 gekapt. Er worden geen nieuwe bomen in dit deelgebied aangeplant vanwege de aanwezige kabels en leidingen in dit deelgebied en vanwege inrichtingseisen van RWS over de zone langs het Amsterdam-Rijnkanaal.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
89
Afbeelding: bestaande (te behouden) bomen langs het Amsterdam-Rijnkanaal 5.12.2.3.5 Inpassing bomen Talud A2 In het talud tussen de Taatsendijk en de A2 staat een bosschage met overwegend wilgenopslag. Er staan een aantal grotere bomen, maar ook veel kleinere (niet-kapvergunningplichtige) bomen. In het talud staan 10 bomen (schietwilgen) die op basis van hun grootte kapvergunningplichtig zijn. Van deze vergunningplichte bomen kunnen er 7 blijven staan en het is nodig om 3 bomen te verwijderen. Er worden 118 nieuwe bomen aangeplant. Voor de realisatie van de openbare ruimte rondom het bouwblok direct ten zuiden van Mercat/afrit 8a van de A2 kunnen Boom S3 en Boom S4 niet blijven staan. Vanwege de aanleg van het fietspad ten noorden van de afrit 8a van de A2 en de bouw van de gebouwen in Mercat is de kap van Boom S1 nodig. Zie onderstaande afbeelding waarop deze bomen staan. In de vervolgfase van de planvorming wordt onderzocht of deze 3 bomen verplantbaar zijn.
9 0 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
Utrecht
Afbeelding: demarcatie Talud A2
Afbeelding: bomen die niet kunnen blijven staan in het Talud A2 5.12.2.3.6 Inpassing bomen Groenewoud Noord In Groenewoud Noord staan bijna geen bomen, omdat ten noorden van de Taatsendijk de Bazaar heeft gestaan (inmiddels gesloopt). Ook bevindt zich hier nog een bedrijf voor papier- en metaalrecycling dat ingesloten ligt tussen de Bazaar in het oosten, de A2 / afrit 8 ten westen en de Dominee Martin Luther Kinglaan ten noorden. Op deze terreinen staan vrijwel geen bomen. In dit gebied kunnen 6 bomen blijven staan en er worden 150 nieuwe bomen geplant. Drie bomen aan de noordzijde van de vroegere Bazaar, tegenover de kop van het nieuwe Taludpark bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
91
ten noorden hiervan, kunnen vanwege de aanleg van bouwblok 'Penney' niet blijven staan. Dit zijn de bomen met de codering AC-585559, AC-585560 en AC-585561. Voor de aanleg van de bijbehorende parkeergarage ten zuiden van het blok 'Penney' kunnen er twee bomen niet blijven staan, dit zijn de bomen met de codering AC-591700 en AC-591701. De parkeergarage zal namelijk op maaiveld gerealiseerd worden, waarbij de openbare ruimte zich op het dak van de garage bevindt. Voor de realisatie van de openbare ruimte direct ten noorden van bouwblok 'Penney' kunnen 2 bomen niet blijven staan. Dit zijn de bomen met codering AC-585562 en AC-585563. Verder zijn er twee bomen net ten noorden van de Taatsendijk die niet kunnen blijven staan. Deze staan op de locatie van het blok 'Joke' en het fietspad dat vanaf Groenewoud door Groenewoud Noord richting het Taludpark loopt. Deze bomen hebben de codering AC-1205209 en AC-1205210, zoals te zien in onderstaande afbeelding.
Afbeelding: demarcatie Groenewoud Noord
9 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
Utrecht
Afbeelding: bomen die niet kunnen blijven staan in Groenewoud Noord 5.12.2.3.7 Inpassing bomen tweede ontsluiting Mobiliteitshub en OV-plein Binnen dit deelgebied staan in de huidige situatie 29 bomen (Gewone beuk). Van deze bomen kunnen er 13 blijven staan en de overige 16 bomen kunnen niet blijven staan vanwege de aanpassing van de infrastructuur voor de Mobiliteitshub. De inschatting is dat deze 16 bomen verplant kunnen worden op basis van hun grootte en leeftijd. Er worden 91 bomen nieuw aangeplant.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
93
Afbeelding: te verplanten bomen (en nieuw te planten bomen) rondom 2 e ontsluiting en OV-plein 5.12.2.3.8 Inpassing bomen Taatsenplein Zuid Binnen dit deelgebied staan in de huidige situatie 65 bomen (platanen) die allemaal kunnen blijven staan. Er is op basis van de huidige planvorming geen aanplant van nieuwe bomen voorzien. Bij de planuitwerking van deze locatie wordt gekeken of dit eventueel alsnog mogelijk is.
9 4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
Utrecht
Afbeelding: te behouden bomen rondom Taatsenplein Zuid 5.12.2.3.9 Inpassing bomen Mobiliteitshub XL Binnen dit deelgebied staan in de huidige situatie 52 bomen. 8 bomen worden verplant en 44 bomen moeten worden verwijderd. Er worden 5 nieuwe bomen geplant.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
95
Afbeelding: nieuwe bomen in binnenterrein Mobiliteitshub XL 5.12.2.3.10 Compensatie Bomen die niet verplantbaar zijn en die worden gekapt, worden ruimschoots gecompenseerd met de aanplant van ongeveer 515 nieuwe bomen (zie Bijlage 22). Daarnaast worden ongeveer 550 heesters geplant. Deze bomen komen te staan in de openbare ruimte tussen de gebouwen in Groenewoud Noord, langs de door te trekken Mercatorlaan en in het Polderpark, Oeverpark, Bospark en het Taludpark. Het bomenplan wordt verder gedetailleerd uitgewerkt als onderdeel van het Voorlopig Ontwerp Inrichtingsplan (VOI). Daarin worden bomen gezien als onderdeel van de nieuw te realiseren biotoop in Papendorp Noord. Er wordt ingezet op een gelaagde groenopbouw van grote bomen, kleinere bomen, heesters, struiken, bodembedekkers en een kruidlaag. Bij de inrichting maken we gebruik van principes uit de permacultuur, waarbij soorten die elkaar versterken of ondersteunen, naast elkaar staan. De nieuwe bomen krijgen zowel ondergronds als bovengronds veel ruimte. Door de principes van de Boommonitor te gebruiken, kunnen de bomen minimaal 60 jaar doorgroeien. De bestaande bomenstructuur wordt aangevuld met een gevarieerd bomenbestand, zowel in soorten, groottes als in leeftijd. Het sortiment wordt afgestemd op de ecologische ambitie van Papendorp Noord en zodanig gekozen zodat er het hele jaar verschillen te vinden zijn.
Bewoners en bezoekers kunnen zo de seizoenen ervaren. Bij het planten van de bomen wordt rekening gehouden met de ondergrondse en bovengrondse infrastructuur. 9 6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
Utrecht
5.12.3 Conclusie 5.12.3.1 Bestaand deel bedrijven- en kantorenlocatie Papendorp In dit deelgebied blijven alle bomen staan (in het kader van de planontwikkeling van dit nieuwe bestemmingsplan voor Papendorp). 5.12.3.2 Fietsverbinding De Meernbrug Uit de bomeninventarisatie (zie Bijlage 20) blijkt dat, voor het realiseren van de nieuwe fietsbrug over het Amsterdam-Rijnkanaal langs De Meernbrug en het verdere verloop van het tracé van het nieuwe fietspad buiten het plangebied van dit bestemmingsplan, het nodig is om enkele bomen te verwijderen. De exacte ligging van de bouwconstructies (aanlandingen) van de brug en het verdere verloop van het tracé van het fietspad zijn tijdens het opstellen van dit bestemmingsplan nog niet bekend. De tracékeuze wordt in de vervolgfase van dit (deel)project gemaakt. Het is daarom nu nog niet exact aan te geven hoeveel bomen niet kunnen blijven staan door het nieuwe fietspad. De bomen die niet kunnen blijven staan, worden verplant als deze bomen daarvoor in aanmerking komen (zie Bijlage 20). Als verplanten niet mogelijk is, worden de bomen gecompenseerd nabij het nieuwe fietspad (als onderdeel van de groene inpassing van de nieuwe fietsverbinding). Wel is al duidelijk dat binnen het plangebied van dit bestemmingsplan 3 bomen staan die niet kunnen blijven staan (ter plaatse van de aanlanding van de fietsbrug aan de kant van Kanaleneiland).
Deze 3 bomen zijn op basis van hun conditie niet verplantbaar (zie Bijlage 20) en worden daarom gekapt. Deze bomen worden gecompenseerd nabij het nieuwe fietspad. 5.12.3.3 Papendorp Noord (plangebied SPvE Papendorp Noord) Het grootste deel van de bestaande bomen in het deelgebied Papendorp Noord blijven staan (zie Bijlage Bijlage 22). De bomen die verwijderd moeten worden voor de ontwikkeling van Papendorp Noord, worden voor een deel verplant en de bomen die niet verplantbaar zijn, worden ruimschoots gecompenseerd door nieuwe bomen te planten in de openbare ruimte tussen de gebouwen in Groenewoud Noord, langs de door te trekken Mercatorlaan en in het Polderpark, Oeverpark, Bospark en het Taludpark. Ook wordt in de verdere planuitwerking gekeken naar de mogelijkheid om bomen aan te planten op de binnenterreinen van de afzonderlijke bouwblokken. Deze bomen maken geen onderdeel uit van de openbare ruimte. Op basis van het concept van het VOI kunnen 318 bomen niet blijven staan. Van deze bomen worden er 76 bomen verplant naar een nieuwe plek in Papendorp Noord. De overige 242 bomen worden gekapt omdat deze niet verplantbaar zijn. Deze bomen worden ruimschoots gecompenseerd door de aanplant van ongeveer 515 nieuwe bomen in Papendorp Noord (zie Bijlage 22).
Omdat bomen groeien, is het mogelijk dat het aantal bomen waarvoor een kapvergunning wordt aangevraagd afwijkt van het genoemde aantal bomen in deze bomenparagraaf. Dit is onder andere afhankelijk van wanneer de uitvoering start en hoeveel de bomen (die nu niet als boom zijn ingemeten) in de tussentijd zijn gegroeid.
5.13 Water en klimaatadaptatie Met de watertoets wordt beoogd de waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken waardoor het water een evenwichtige plaats krijgt in ruimtelijke plannen. Een evenwichtige plaats houdt in dat in elk plan de negatieve effecten voor de waterhuishouding ten gevolge van ruimtelijke ontwikkelingen -waar mogelijk- moeten worden voorkomen. De resultaten van de watertoets zijn beschreven in Bijlage 24. Deze waterparagraaf is opgesteld in overleg met het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR). 5.13.1 Waterhuishouding Het plangebied valt binnen het peilbesluit Vleuten de Meern en Leidsche Rijn uit 2017. Het plangebied ligt in drie verschillende peilgebieden, te weten: -
Peilgebied VLR_063 met een vastpeil van -0,70 m NAP;
-
Peilgebied VLR_064 met een vastpeil van -0,45 m NAP;
-
Peilgebied VLR_065 met een vastpeil van -0,85 m NAP;
In het plangebied ligt zowel primair als tertiair water (zie figuur 6 van Bijlage 24). Als er water wordt gedempt binnen het plangebied, moet dit 1 op 1 worden gecompenseerd in oppervlaktewater binnen het plangebied. bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)
97
5.13.2 Wateropgave Wateropgave bestaand kantorenpark Papendorp In het bestaande oppervlaktewatersysteem van Papendorp zijn er problemen volgens het HDSR en de gemeente Utrecht. Tijdens de realisatie in 1997 is er onvoldoende berging gerealiseerd, om een maximale peilstijging van 30 cm bij T=10 (maatgevende regenbui die 1 keer in de 10 jaar voorkomt) op te kunnen vangen. De oorzaak ligt bij het hanteren van andere normen tijdens het opstellen van het waterhuishoudkundige plan en door extra verharding op de A12/A2. Door ingenieursbureau Tauw is er een Gronam berekening voor dit gebied uitgevoerd. Eén van de uitgangspunten van de Gronanberekening zijn de beleidsregels uit de Keur. Uit de Gronam berekening blijkt, dat er een te kort van 4,2 ha (42.000 m2) oppervlaktewater is gerealiseerd of 12.600 m3 berging in het bestaande kantorenpark Papendorp. Tauw heeft berekend dat het toelaten van een peilstijging van 0,45 m in plaats van 0,30 m ook voldoende is. Gemeente en waterschap gaan zich samen inspannen om te situatie te verbeteren.
Voor het bestaande gebied zijn er de volgende oplossingen: Nieuw te ontwikkelen kavels moeten voorzien in hun eigen waterberging van 45 mm en mogen geen hemelwater afwentelen op de omgeving; Mogelijk kunnen er in het openbaar gebied extra infiltratievoorzieningen worden aangelegd; Mogelijk kunnen er in het openbaar gebied extra wadi's worden aangelegd; De bermsloot parallel aan de uitvoeger A12 naar A2 kan op enkele locaties verbreed worden, zodat er extra oppervlaktewater gegraven kan worden; Daar waar de primaire watergang vanuit Papendorp onder de A12 doorstroomt kunnen aan zowel west, als oostzijde in de bermsloot, stuwen worden geplaatst. Met deze stuwen kan het water in de bermsloten een hogere peilstijging opvangen, dan de huidige 30 cm peilstijging, mits dit mogelijk is binnen de omliggende maaiveldhoogten. Wateropgave ontwikkelgebied Papendorp Noord Berekende wateropgave volgens de Keur Bij ruimtelijke ontwikkelingen is de wateropgave en de benodigde watercompensatie afhankelijk van de aard en omvang van de toename aan verhard, afvoerend oppervlak en van de omgang met het hemelwater. Om de waterhuishouding op orde te houden en wateroverlast te voorkomen, zijn op grond van de Keur bij een verhardingstoename van meer dan 500 m2 maatregelen vereist (dit is de ondergrens voor watercompensatie binnen de bebouwde kom). Onderdeel
Bestaande situatie Nieuwe situatie in in m² m² Verharding 39278 47208 Bebouwing 18254 45696 Perceel verhard 48368 0 Perceel half verhard 7592 22910 Groen 66608 60602 Water 4532 8217 Totaal 184.632 184.632 Oppervlaktetabel bestaande situatie en nieuwe situatie
Afname / Toename verhard oppervlak m² + 7930 + 27442 - 48368 + 15318 - 6006 + 3685
Bij toename van verhard oppervlak moeten er compensatiemaatregelen uitgevoerd worden. Bij het berekenen van de watercompensatie volgens de KEUR is de minimale ontwerp voorwaarde 45 mm berging per m2 toename verhard oppervlak of als het uitgevoerd wordt in oppervlaktewater, dan betreft het 15% van de toe te voegen verharding. Uit bovenstaande tabel valt af te leiden dat: de verharding in het plangebied afneemt met 7930 m2 + 27442 m2 – 48368 m2 = 12996 m2 het groen toeneemt met 15318 m2 – 6006 m2 = 9312 m2 het oppervlaktewater toeneemt met 8217 m2 – 4532 m2 = 3685 m2 Volgens de Keur is het niet nodig om compensatiemaatregelen uit te voeren. Berekende waterbergingseis volgens Visie Klimaatadaptatie Naast de wateropgave uit de keur is er ook de waterbergingseis van de Gemeente Utrecht afkomstig uit de Visie Water en Riolering en Visie Klimaatadaptatie. De eis is het realiseren van 15 mm berging ten opzichte van het verhard oppervlak in het openbare gebied in het plangebied. De bouwblokken mogen niet afwateren op de openbare ruimte en krijgen de eis van 45 mm per perceel opgelegd. Voor Papendorp Noord is de waterbergingseis 47.208 m2 x 0,015 m = 708 m3 berging of uitgedrukt in oppervlaktewater 2360 m2. Aan de waterbergingseis wordt ruim invulling gegeven, omdat er 3685 9 8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Papendorp" (vastgesteld)