Chw bestemmingsplan Maximapark Bijlagen toelichting
Tekst van het document
Op basis van deze opmerkelijke lokale abundantie ver buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van het gros van deze soorten zijn dit alle (nakomelingen van) ingezaaide planten, en dus niet beschermd. Daarnaast kan aanwezigheid binnen het plangebied worden uitgesloten vanwege het ontbreken van de benodigde habitat van deze kritische soorten. Kartuizer anjer is een zeldzame soort die oorspronkelijk slechts aanwezig is in het oostelijk IJsseldal, en tegenwoordig sporadisch wordt aangetroffen aan de grote rivieren en rondom Amsterdam (NDFF, 2025). De locatie ligt ver buiten de natuurlijke verspreiding van deze soort. Het gaat dus om een ingezaaide
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
11
populatie en is niet beschermd. De soort zal daarnaast niet in het plangebied aanwezig zijn vanwege het ontbreken van de kenmerkende habitat; schraalgrasland en kalkgrasland. Kluwenklokje is een zeer zeldzame soort van Zuid Limburg en het rivierengebied die in deze gebieden op kalkgrasland groeit (NDFF, 2025). De aangetroffen populatie groeit net noordelijk buiten de zoekradius van deze QS. Het plangebied en de omgeving liggen ver buiten de natuurlijke verspreiding van deze soorten waardoor deze populatie niet beschermd is. Daarnaast bevat het plangebied niet het benodigd habitat waardoor aanwezigheid van deze soort kan worden uitgesloten. In het plangebied komen geen beschermde vaatplanten voor.
→
5.2
Grondgebonden zoogdieren
Op basis van de NDFF (2025) blijken de volgende beschermde grondgebonden zoogdieren in de omgeving bekend te zijn: bever (Castor fiber), boommarter (Martes martes), bunzing (Mustela putorius), haas (Lepus europaeus), hermelijn (Mustela arminea), konijn (Oryctolagus cuniculus), waterspitsmuis (Neomys fodies), wezel (Mustela nivalis). Daarnaast zijn er een aantal beschermde soorten die echter provinciaal zijn vrijgesteld van de verbodsbepalingen. Hiervoor kan mogelijk wel de specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal) gelden, zie hiervoor paragraaf 5.9. Bever wordt ten noordwesten van Vleuten relatief vaak waargenomen. De waarnemingen concentreren voornamelijk rondom de Haarrijnse Plas. In dit gebied is een beverburcht aanwezig, wat terug te zien is aan de waarnemingen van deze soort met territoriumgedrag. Dat betekent dat veel van de waarnemingen rondom de Haarrijnse Plas waarschijnlijk van dezelfde dieren zijn waardoor bever minder abundant in het gebied aanwezig is dan lijkt op basis van de gedane waarnemingen. Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rivieren en meren omzoomd door (broek)bossen met bomen als wilg en populier. Ook in rustige woonwijken met bosschages of andere onverstoorde plekken aan watergangen worden tegenwoordig verblijfplaatsen van bevers
aangetroffen (Zoogdiervereniging, 2025). Er is een watergang in perceel 1 aanwezig die geschikt zou kunnen zijn in een rustig gebied met veel bosschages. In het plangebied is echter te weinig bosschage, en te veel verstoring door mensen en honden aanwezig om geschikt habitat voor bever te bevatten. Deze omstandigheden in combinatie met het ontbreken van sporen en waarnemingen van bever in of rondom het plangebied maken dat aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied kan worden uitgesloten. Boommarter wordt vooral ten oosten van Utrecht waargenomen, waar de gemeente grenst aan de bosrijke gebieden van de Utrechtse Heuvelrug. Deze soort is afhankelijk van bossen waarin voldoende boomholtes aanwezig zijn en wordt daarom zeer beperkt waargenomen in het westen van gemeente Utrecht (Zoogdiervereniging, 2025). Dit landschap bevat simpelweg te weinig bos(fragmenten) en verbindende elementen als houtwallen om geschikte habitat te vormen voor deze soort. Binnen de zoekradius van drie kilometer zijn er uit de afgelopen 10 jaar slechts twee waarnemingen bekend. Naast het plangebied ligt een bosrijk park, maar deze is te klein en te geïsoleerd om geschikt habitat te vormen voor boommarter.
Tussen de dichtstbijzijnde waarnemingen van boommarter en het plangebied liggen zelfs te veel barrières in de vorm van woonwijken en infrastructuur om aan te nemen dat deze soort in het plangebied aanwezig kan zijn. Aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied kan dus worden uitgesloten. Bunzing is een relatief flexibele kleine marterachtige die in een breed scala aan bij voorkeur waterrijke habitats aanwezig is wanneer er voldoende dekking aanwezig is. Zelfs buitenwijken worden niet gemeden. Bunzing maakt zijn verblijfplaats in holen van bijvoorbeeld konijn, maar ook holle bomen en in takken- of stenenhopen (BIJ12, 2024). Het plangebied voldoet aan de habitatseisen van deze soort, en er is een takkenhoop aangetroffen in de houtwal in de westelijke hoek van perceel 1 waarin potentieel een verblijfplaats aanwezig kan zijn. Ook zijn er konijnensporen aangetroffen in perceel 1 en 2. Dat betekent dat er konijnenholen in het plangebied zelf of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn waarin bunzing mogelijk verblijfplaatsen heeft. Ook graaft deze soort soms zelf holen bij gebrek aan geschikte locaties voor het maken van verblijfplaatsen.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
12
De habitatgesteldheid, en waarnemingen van deze soort bijna direct naast het plangebied maken dat de aanwezigheid van deze soort inclusief verblijfplaatsen binnen het gehele plangebied niet kunnen worden uitgesloten. Het plangebied en de omgeving vormen potentieel essentieel habitat. Al het geschikt habitat in de omgeving is vermoedelijk bezet door bunzing gezien de flexibiliteit van de soort en de verspreiding van waarnemingen over Vleuten/ De Meern. Het zijn solitaire dieren die in beperkte mate ook hun territoria verdedigen, waardoor een individu dat verblijft of foerageert binnen het plangebied niet zomaar ergens anders heen kan als het plangebied ongeschikt wordt als gevolg van de werkzaamheden. Hermelijn is een kritische soort qua habitatseisen die uitsluitend in nat hooiland en vergelijkbare habitats aanwezig is. (BIJ12, 2024). Deze soort is binnen de zoekradius slechts waargenomen in en rondom landgoed Haarzuilen. Het plangebied bevat geen nat hooiland en de waarnemingen zijn dermate ver van het plangebied gedaan dat aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied kan worden uitgesloten. Haas is op basis van de NDFF waargenomen op verschillende locaties in het park dat aan het plangebied grenst. Daarnaast zijn er tijdens de Quickscan legers en keutels van haas binnen perceel 1 aangetroffen.
Aanwezigheid van deze soort inclusief verblijfplaatsen binnen plangebied kan dus niet worden uitgesloten. Het plangebied en het aangrenzende park bevatten dan ook het open, kleinschalige en weide-achtige landschap waarvoor hazen de voorkeur hebben (Zoogdiervereniging, 2025). Ook de intensief beheerde percelen 2 en 3 bevatten geschikte elementen voor verblijfplaatsen vanwege de aanwezigheid van dichte heggen, en het gras kan worden gebruikt om te foerageren. Omdat het een geïsoleerde habitat van geringe omvang betreft kunnen afnames van geschikt leefgebied op deze locatie directe gevolgen hebben voor de draagkracht in het gebied. Daarnaast is perceel 1 extra waardevol in vergelijking met andere delen van het park omdat er hier meer beschutting is, en de afstand tot het wandelpad vrij groot is waardoor er hier weinig verstoring zal plaatsvinden. Er mag dus vanuit worden gegaan dat perceel 1 essentieel en waardevol habitat
voor haas bevat. Percelen 2 en 3 zijn duidelijk minder waardevol, maar toch kunnen essentiële functies binnen deze percelen niet worden uitgesloten. Konijn wordt net als haas op verschillende locaties in het park dat aan het plangebied grenst waargenomen. In perceel 1 zijn op verschillende locaties latrines aangetroffen, wat betekent dat er in de directe omgeving een burcht aanwezig is, omdat konijnen zich voornamelijk in de directe omgeving van hun burcht begeven (Zoogdiervereniging, 2025). Daarnaast vertelde de eigenaar van perceel 2 dat hij dagelijks konijnen naast de hoge heg in zijn tuin ziet verschijnen. Het (half) open parklandschap waar konijnen van houden is in alle deelgebieden aanwezig, en alle percelen bevatten geschikte dichte struiken waaronder holen en burchten aanwezig kunnen zijn. Aanwezigheid van konijn inclusief verblijfplaatsen binnen het plangebied in alle percelen kan dus niet worden uitgesloten, al bevat perceel 2 geen geschikt habitat voor een hoofdburcht omdat de heggen te smal zijn. Konijnen zijn erg gebonden aan de directe omgeving van hun holen en burchten qua veiligheid. Het verstoren burchten, holen en bijbehorend foerageergebied heeft dus direct impact op de overleving van individuen waardoor het plangebied essentieel habitat bevat. Wezel is qua voedsel minder flexibel dan bunzing, en wordt vanwege zijn geringe omvang ook meer gepredeerd.
Toch is deze soort qua habitat erg flexibel en wordt aanwezigheid van deze soort vooral bepaald door de beschikbaarheid van voldoende beschutting tegen roofdieren en hoge dichtheden woelmuizen (BIJ12, 2024). Het plangebied en de direct omgeving bevatten voldoende beschutting en gebaseerd op de terreingesteldheid voldoende muizen om geschikt habitat te vormen. Daarnaast kunnen in het hele plangebied verblijfplaatsen aanwezig zijn in muizenholen en onder dichte heggen, daarnaast bevat perceel 1 bramenstruweel en een takkenhoop in de westelijke hoek in de houtwal waarin verblijfplaatsen aanwezig kunnen zijn. Waterspitsmuis is in de omgeving van het plangebied (3km) slecht enkele keren waargenomen in de natte hooilanden. Deze kritische soort komt voor langs watergangen met een hoge waterkwaliteit, een goed ontwikkelde onderwatervegetatie en ruig begroeide oevers (Zoogdiervereniging, 2025). In perceel 1 is een
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
13
sloot aanwezig, en alhoewel de oevers relatief ruig begroeid zijn is er geen onderwatervegetatie aanwezig, en vermoedelijk is de waterkwaliteit (als gevolg van een gebrek aan onderwatervegetatie en hoge input van dode bladeren) te laag om geschikt te zijn voor waterspitsmuis. Aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied kan dus worden uitgesloten. Aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied kan dus worden uitgesloten. → → → →
In het plangebied zijn mogelijk verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van bunzing aanwezig. In het plangebied zijn verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van haas aanwezig. In het plangebied zijn mogelijk verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van konijn aanwezig. In het plangebied zijn mogelijk verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van wezel aanwezig.
5.2.1
Effectbeoordeling grondgebonden zoogdieren Het bouwen van huizen zal voor alle aanwezige of niet uit te sluiten soorten zware complicaties hebben. Vermoedelijk zal de complete habitat verloren gaan, en er bestaat geen mogelijkheid om de voor deze soorten benodigde ecologische functies te combineren met huizenbouw. Daarnaast zijn er nog uitstralingseffecten van de bouw en in een later in stadium van de mensen die de huizen bewonen. De negatieve effecten van dit project zijn dus permanent. Omdat er voor de potentieel aanwezige grondgebonden zoogdieren onvoldoende alternatieven bestaan in de omgeving van het plangebied kan het verlies van leefgebied als gevolg van de werkzaamheden indirect gevolgen op de overleving van deze soorten, ook al worden dieren niet direct door de werkzaamheden beschadigd.
soorten uit te sluiten, maar aanwezigheid van essentieel habitat van deze soorten is met zekerheid vastgesteld tijdens de Quickscan. Voor haas en konijn, en voor bunzing en wezel geldt dus dat er een activiteitenplan op basis van de terreingesteldheid dient te worden opgesteld ter voorbereiding op een vergunningsaanvraag. Specifiek voor konijn geldt dat de locatie van de burcht moet worden vastgesteld. Dit is van belang voor het bepalen van de maatregelen in het activiteitenplan. → →
→ → → →
→
→ →
5.3
Negatieve effecten op bunzing zijn niet uitgesloten. Er moet voor bunzing een activiteitenplan worden opgesteld en vergunning worden aangevraagd. Negatieve effecten op haas zijn niet uitgesloten. Er moet voor haas een activiteitenplan worden opgesteld en vergunning worden aangevraagd. Negatieve effecten op konijn zijn niet uitgesloten. Er moet voor konijn een activiteitenplan worden opgesteld en vergunning worden aangevraagd. Ter voorbereiding van het activiteitenplan moet de locatie van de hoofdburcht worden vastgesteld. Negatieve effecten op wezel zijn niet uitgesloten. Er moet voor wezel een activiteitenplan worden opgesteld en vergunning worden aangevraagd.
Vleermuizen
De geplande werkzaamheden en de veranderde bestemming van het plangebied hebben permanent negatieve effecten op in het plangebied aanwezige of niet uit te sluiten beschermde soorten, met als gevolg overtreding van artikel 11.54 van het Bal.
Op basis van de NDFF (2025) blijken de volgende beschermde vleermuizen in de omgeving bekend te zijn: franjestaart (myotis nattereri), gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus), laatvlieger (Eptesicus setorinus), meervleermuis (Myotis dasycneme), rosse vleermuis (Nyctalus noctula), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathussi) en tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus). Bij het gebruik van het landschap door vleermuizen wordt onderscheid gemaakt in vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied.
In het geval van bunzing en wezel geeft ecologisch onderzoek onvoldoende inzicht in het gebruik en de aanof afwezigheid van verblijfplaatsen en leefgebied van deze soorten. Voor haas en konijn geldt een verplichting voor onderzoek om aanwezigheid van deze
Vaste verblijfplaatsen Er zijn vleermuizen die hun verblijfplaats doorgaans in gebouwen hebben, zoals gewone dwergvleermuis. Ook zijn er soorten die hun verblijfplaats meestal in bomen hebben, zoals rosse vleermuis en
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
14
watervleermuis. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (in spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, achter dakbeschot en in schoorstenen etc.), terwijl een soort als de rosse vleermuis jaarrond verblijft in bomen (in holten, spleten en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders, maar verblijft in de zomerperiode in boomholten. Vleermuizen hebben in Nederland meestal hun verblijfplaats in gebouwen of bomen. In perceel 2 is een oude paardenstal aanwezig, deze bevat echter geen geschikte ruimtes voor vleermuizen om in te verblijven. Direct ten noordoosten van perceel 3 is echter een rij geknotte elzen aanwezig met holtes waarin mogelijk boombewonende vleermuizen aanwezig zijn (Afbeelding 5.1). In de andere bomen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden zijn geen holtes aangetroffen.
zijn zij wel van belang voor het functioneren van verblijfplaatsen; het verdwijnen van vliegroutes en foerageergebied kan daardoor indirect resulteren in het verlaten van verblijfplaatsen. Wanneer deze functies van groot belang zijn voor vleermuizen, of zij niet makkelijk gebruik kunnen maken van gebieden met eenzelfde functie (alternatieven) spreken we van essentiele vliegroutes of essentieel foerageergebied. Om zich van verblijfplaats naar foerageergebied te verplaatsen, worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. De gewone dwergvleermuis gebruikt bijvoorbeeld vaak bomenrijen om zich te oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid. Het plangebied bevat lijnvormige elementen die vleermuizen zouden kunnen gebruiken als vliegroute richting het aangrenzende waterlichaam. Deze bevat echter een vrij grote onderbreking en is daar door minder geschikt dan de alternatieven die in de omgeving aanwezig zijn. Het plangebied bevat dus geen essentiële vliegroutes. Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken.
Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied.
Afbeelding 5.1 | Geknotte elzen met holtes direct naast perceel 3
Franjestaart, kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, en watervleermuis zijn vleermuissoorten die doorgaans in bomen verblijven waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden niet kan worden uitgesloten. →
Binnen de invloedssfeer van het plangebied zijn mogelijk verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen aanwezig.
Vliegroutes en foerageergebied Vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen worden niet in directe zin door de wet beschermd. Echter
Het plangebied bevat geschikt foerageergebied wegens de aanwezigheid van opgaande begroeiing en graslandachtige vegetatie. Het betreft echter geen essentieel foerageergebied, omdat er voldoende alternatieve foerageergebieden zijn in de omgeving. Dit geldt voor verscheidene bosschages in de omgeving in en rondom het Maximapark. →
Het plangebied kan als foerageergebied en vliegroute door vleermuizen gebruikt worden, echter heeft het geen essentiële functie vanwege voldoende alternatieven.
5.3.1 Effectbeoordeling vleermuizen Binnen de invloedssferen van het plangebied zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig in
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
15
een rij geknotte elzen die holtes bevatten. Negatieve effecten op vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet uit te sluiten door de uitstralingseffecten van de huizenbouw in perceel 2 en 3 in de vorm van trillingen, licht en geluid. Ook als de bomen gespaard blijven kunnen deze uitstralingseffecten de verblijfplaatsen verstoren. Er is dan sprake van overtreding van art. 11.46 van het Bal. Nader onderzoek naar vleermuizen (volgens het Vleermuisprotocol 2021) is nodig om de aan- of afwezigheid van deze soorten in het plangebied vast te stellen. Mogelijk is het nodig een vergunning aan te vragen. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen kunnen niet worden uitgesloten. Onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen is noodzakelijk.
→
→
5.4
Vogels
Voor vogels wordt in de uitwerking van de Omgevingswet onderscheid gemaakt tussen soorten met een jaarrond beschermde nestplaats en algemene broedvogels waarvan de nesten uitsluitend beschermd zijn gedurende de periode waarin deze in gebruik zijn (zie Tabel A in Bijlage A). In het plangebied is onderzocht of jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels aanwezig (kunnen) zijn in de opgaande vegetatie en de paardenstal. Ook is gezocht naar nesten van en geschikte nestgelegenheid voor algemene broedvogels. Jaarrond beschermde nestplaatsen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komt een aantal soorten met jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het plangebied voor. Het betreft boomvalk (Falco subbuteo), buizerd (Buteo buteo), gierzwaluw (Apus apus), grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea), havik (Accipiter gentilis), huismus (Passer domesticus), kerkuil (Tyto alba), oehoe (Bubo bubo), ooievaar (Ciconia ciconia), ransuil (Asio otus), roek (Corvus frugilegus), slechtvalk (Falco peregrinus), sperwer (Accipiter nisus), steenuil (Athene vidalii), wespendief (Pernis apivorus) en zwarte wouw (Milvus migrans).
Deze vogelsoorten nestelen bijvoorbeeld onder daken (huismus en gierzwaluw) op hoge gebouwen (slechtvalk), in hoge bomen of nestpalen (ooievaar), in hoge bomen in bos of boomgroepen (buizerd, roek, havik, sperwer, wespendief), in oude nesten van kraaien en roofvogels in boomgroepen (boomvalk) en in oude nesten van kraaien en roofvogels in vooral
naaldbomen (ransuil). Daarnaast zijn er in perceel 5 in gebruik zijnde nesten van boerenzwaluw aangetroffen. Dit is een zogenaamde categorie-5-soort wat inhoudt dat de nesten jaarrond beschermd zijn wanneer er sprake is van zwaarwegende ecologische omstandigheden. Boerenzwaluw broedt in open schuren, onder brede dakoverstekken, onder bruggen en incidenteel ook op andere beschutte plaatsen (Vogelbescherming, 2025). Binnen het plangebied is deze soort broedend aanwezig in de paardenstal van perceel 2. Verwacht wordt dat er in de omgeving van het plangebied zeer beperkt alternatieve nestplaatsen aanwezig zijn omdat de bebouwing recent is ontwikkeld. In de directe omgeving van het plangebied zijn deze in ieder geval niet waargenomen. Indien de schuur gesloopt wordt tijdens de werkzaamheden, de schuur wordt aangepast of de aanvliegroute wordt geblokkeerd gaat deze lokale kolonie van 5 nesten verloren met de kans dat deze niet elders kunnen broeden in de buurt van het geschikte foerageergebied binnen het Maximapark. Deze nesten hebben hierdoor (tenzij er toch alternatieve nestlocaties bestaan) een jaarrond beschermde status. Boomvalk, buizerd, havik, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, sperwer, wespendief en zwarte wouw zijn vogelsoorten die doorgaans in hoge bomen broeden en daar hun eigen nest bouwen (evt. op nestpaal) of het nest van kraaien uitbreiden (Vogelbescherming, 2025).
Dergelijke nesten zijn niet binnen of in de directe omgeving van het plangebied aangetroffen. Nesten van deze vogelsoorten zijn vanwege hun omvang en plaatsing niet over het hoofd te zien waardoor veilig kan worden aangenomen dat deze soorten niet in het plangebied broeden. Daarnaast bevatten het plangebied en de omgeving daarvan te weinig bos voor sperwer en wespendief. Huismus en gierzwaluw broeden in holtes in gebouwen (Vogelbescherming, 2025). Er is een paardenstal in het plangebied aanwezig, maar deze zo gebouwd dat de muren en het dak uit één laag bestaan waardoor deze geen holtes of kieren bevat waarin deze soorten kunnen nestelen. Aanwezigheid van nesten van deze soorten binnen het plangebied kan worden uitgesloten. Kerkuil en steenuil zijn soorten van kleinschalige cultuurlandschappen en broeden voornamelijk in
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
16
boomholtes van voldoende grootte of in speciale nestkasten (Vogelbescherming, 2025). Binnen het plangebied zijn echter geen geschikte nestkasten en boomholten aanwezig waardoor kan worden uitgesloten dat deze soorten binnen het plangebied broeden.
→ →
→ Slechtvalk broedt in Nederland voornamelijk op richels en nestkasten op hoge bouwwerken (Vogelbescherming, 2025). In het plangebied ontbreken geschikte gebouwen en dus kunnen broedgevallen uitgesloten worden. →
In het plangebied zijn jaarrond beschermde nesten van boerenzwaluw aanwezig.
Algemene broedvogels In het plangebied kunnen algemene broedvogels zoals merel (Turdus merula) en houtduif (Columba palumbus) tot broeden komen in de begroeiing. →
In het plangebied komen mogelijk algemene broedvogels tot broeden.
5.4.1 Effectbeoordeling vogels Boerenzwaluw heeft 5 nestlocaties binnen het plangebied en daarom kan de activiteit negatieve effecten hebben op deze soort, met als gevolg overtreding van artikel 11.37 van het Bal. Omdat huizenbouw vermoedelijk samen zal gaan met de sloop van de paardenstal zijn er geen mitigerende maatregelen die negatieve effecten voldoende kunnen minimaliseren. Nestgelegenheid zal dus moeten worden gecompenseerd wanneer de nesten worden vernietigd. Verder kunnen algemene broedvogels tot broeden komen in de struwelen en opgaande vegetatie. In gebruik zijnde nesten zijn beschermd onder de Omgevingswet. Wanneer er werkzaamheden worden uitgevoerd terwijl er nesten in gebruik zijn, kunnen negatieve effecten optreden. Om deze effecten te voorkomen, dienen preventieve maatregelen te worden uitgevoerd (paragraaf 6.3.1). Een nader onderzoek naar beschermde vogels is niet noodzakelijk. →
Jaarrond beschermde nesten van boerenzwaluw worden waarschijnlijk vernietigd als gevolg van de geplande werkzaamheden.
5.5
Nestgelegenheid voor boerenzwaluw moet worden gecompenseerd. Nesten van algemene broedvogels worden mogelijk vernield als gevolg van de geplande werkzaamheden. Preventieve maatregelen – zoals werken buiten het broedseizoen – zijn noodzakelijk, deze worden beschreven in paragraaf 6.3.1.
Vissen
Binnen de zoekradius van drie kilometer zijn er in de NDFF geen waarnemingen bekend van beschermde vissoorten. Het plangebied bevat een sloot in percel 1, maar deze bevat te weinig onderwatervegetatie of verlandingsvegetatie om geschikt te zijn voor de enige beschermde vis die in de omgeving voor zou kunnen komen; grote modderkruiper c. Beschermde vissen zijn daarom in het plangebied uitgesloten. →
5.6
In het plangebied zijn geen beschermde vissen aanwezig.
Amfibieën
Op basis van de NDFF (2025) blijken de volgende beschermde amfibieën in de omgeving bekend te zijn: alpenwatersalamander (Ichtyosaura alpestris), heikikker (Rana arvalis), rugstreeppad (Epidalea calamitata) en vroedmeesterpad (Alytes obstreticans). Daarnaast zijn er een aantal beschermde soorten die echter provinciaal zijn vrijgesteld van de verbodsbepalingen. Hiervoor kan wel mogelijk de specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal) gelden, zie hiervoor paragraaf 5.9. Alpenwatersalamander is geen kritische soort. De soort komt oorspronkelijk voor op zand-, leem- en lössbodems. Zee- en rivierklei wordt gemeden. Dieren dier ver buiten deze verspreiding worden aangetroffen zijn (nakomelingen van) uitgezette dieren (RAVON, 2025). De waarnemingen in de buurt van het plangebied zijn gedaan in een woonwijk buiten het kenmerkende kleinschalige landschap, wat tevens indiceert dat het uitgezette dieren zijn. De soort is hierdoor niet beschermd onder de Omgevingswet. Heikikker is binnen de zoekradius op basis van de NDFF veelvoudig waargenomen langs de sloten in het agrarisch landschap ten zuidenwesten van Vleuten en de Meern. Deze soort plant zich voort in ondiepe stilstaande wateren met oevervegetatie (RAVON, 2025). De sloot in perceel 1 voldoet aan deze omschrijving, maar deze soort is in de afgelopen tien jaar niet
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
17
waargenomen in en rondom het plangebied. Tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde populatie zitten dermate veel obstakels in de vorm van afstand, infrastructuur en woonwijken dat aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied kan worden uitgesloten. Kamsalamander is binnen de zoekradius waargenomen in Landgoed Haarzuilen. Deze soort komt voor in bosrijke landschappen waarin struwelen en houtwallen struwelen aanwezig zijn. Geschikte voortplantingswateren worden gekenmerkt door de kleinschaligheid van de directe omgeving en een goed ontwikkelde onderwatervegetatie (RAVON, 2025). De dichtstbijzijnde populatie is te ver verwijderd van het plangebied om aan te nemen dat de soort hier aanwezig is. Daarnaast bevat het plangebied geen oppervlakte water wat aan de eisen van deze soort voldoet om geschikt te zijn als voortplantingswater. Aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied kan daarom worden uitgesloten. Rugstreeppad is in de NDFF verspreid binnen de zoekradius aanwezig. Het is een mobiele soort waardoor aanwezigheid eigenlijk nooit helemaal kan worden uitgesloten (BIJ12, 2017). Het plangebied en de omgeving bevatten echter geen voortplantingswateren en hotspots van waarnemingen dat de kans klein is dat deze soort binnen het plangebied aanwezig is en eventuele schade aan leefgebied verwaarloosbaar is.
Tijdens de werkzaamheden is het echter mogelijk dat er ondiepe poelen ontstaan als gevolg van grondverzet. Zwervende rugstreeppadden kunnen deze poelen tegen het lijf lopen en zich hier voortplanten met als gevolg dat de werkzaamheden zullen moeten worden stilgelegd. Het is dus belangrijk te voorkomen dat dergelijke poelen ontstaan zodat het risico op het overtreden van het Bal 11.46 van de Omgevingswet wordt geminimaliseerd. Vroedmeesterpad komt voornamelijk voor in ruderaal terrein (groeven), half-natuurlijke graslanden en steden en dorpen. In Nederland is deze soort van nature alleen in Zuid-Limburg aanwezig (RAVON, 2025). In de gemeente Utrecht zijn verschillende populaties aanwezig. Deze zijn, net als alle andere populaties buiten Zuid-Limburg uitgezet en zijn dus niet beschermd omdat het geen natuurlijke populaties zijn.
→
In het plangebied is rugstreeppad mogelijk toevallig aanwezig, maar het betreft geen essentieel habitat.
5.6.1 Effectbeoordeling amfibieën Rugstreeppad is mogelijk in het plangebied in alle percelen aanwezig, maar het betreft geen essentieel habitat. Met het nemen van preventieve maatregelen kunnen negatieve effecten op deze soort worden voorkomen, weke staan beschreven in hoofdstuk 6. Daarnaast dient extra zorg te worden gedragen om te voorkomen dat deze soort het plangebied betreed en zich voortplant in ondiepe poelen die kunnen ontstaan tijdens de werkzaamheden. →
→ →
5.7
Negatieve effecten op rugstreeppad als gevolg van de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten. Het nemen van preventieve maatregelen is voldoende om negatieve effecten te voorkomen. Er moet worden gekomen dat deze soort het plangebied betreedt wanneer de werkzaamheden starten.
Reptielen
Op basis van de NDFF (2025) blijkt ringslang (Natrix helvetica) in de omgeving bekend te zijn. Van deze soort is er in de NDFF slechts 1 waarneming bekend binnen de zoekradius bij de Haarrijnse Plas. Rondom gemeente Utrecht wordt deze soort bijna uitsluitend waargenomen op de overgang met de Utrechtse Heuvelrug ten noordoosten van het spoor. Toch zou ringslang in het plangebied aanwezig kunnen zijn qua habitatsgesteldheid. Het zou kunnen dat enkele individuen het Maximapark hebben bereikt en daar overleven. Er worden in het park zelfs broeihopen aangelegd door vrijwilligers (onduidelijk is of ze ook worden gebruikt). Het plangebied wordt echter als ongeschikt beschouwd voor ringslang. Er is weliswaar een sloot aanwezig in perceel 1, maar er is teveel schaduw rond de watergang om te zonnen. Daarnaast ligt er tussen het plangebied en de grotere watergang waarlangs ringslangen het plangebied kunnen bereiken een druk wandelpad en relatief veel grasland zonder water en beschutting. De kans is dus klein dat een ringslang het plangebied bereikt. Aanwezigheid van ringslang binnen het plangebied kan dus worden uitgesloten. →
In het plangebied zijn geen beschermde reptielen aanwezig.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
18
5.8
Ongewervelden
Op basis van de NDFF (2024) blijkt platte schijfhoren (Anisus vorticulus) in de omgeving bekend te zijn. Daarnaast zijn er tijdens het veldonderzoek op verscheidene locaties planten uit de teunisbloemfamilie aangetroffen. De beschermde teunisbloempijlstaart (Proserpinus proserpina) zet zijn eitjes af op planten uit deze familie. Platte schijfhoren is een soort van matig voedselrijk stilstaand water met een begroeiing van waterplanten met drijvende bladeren en ondergedoken waterplanten (Ministerie LNV, 2008). Vanwege de afwezigheid oppervlaktewater met een dergelijke begroeiing bevat het plangebied geen geschikt leefgebied voor deze soort. Aanwezigheid van platte schijfhoren binnen het plangebied kan dus worden uitgesloten. Teunisbloempijlstaart is in de NDFF niet bekend in de omgeving van het plangebied. De soort is echter zeer mobiel en zet zijn eieren af op zonbeschenen planten van de teunisbloemfamilie (Vlinderstichting, 2025). Deze zijn in soms vrij hoge dichtheden verspreid over perceel 1 aanwezig, waardoor voortplanting binnen het plangebied niet kan worden uitgesloten. Voortplantingshabitat is een beschermde functie, maar omdat dit zeer algemeen in de omgeving van het plangebied aanwezig is heeft het vernietigen van de habitat an sich geen negatieve effecten op de staat van instandhouding.
De werkzaamheden kunnen echter het doden van in de vegetatie aanwezige van rupsen, eitjes en poppen als gevolg hebben wat uiteraard verboden is.
effecten op de staat van instandhouding worden verwacht. →
→
5.9
In het plangebied bevat mogelijk voortplantingshabitat van teunisbloempijlstaart.
5.8.1 Effectbeoordeling ongewervelden De werkzaamheden kunnen waardplanten en de potentieel daarop aanwezige eieren en rupsen vernietigen. Er is dan sprake van een overtreding van art 11.46 van het Bal. Onderzoek is nodig om vast te stellen of teunisbloempijlstaart zich voortplant binnen het plangebied. Indien voorplanting van teunisbloempijlstart binnen het plangebied wordt vastgesteld zijn mitigerende maatregelen nodig om negatieve effecten op deze soort te voorkomen. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende geschikt voortplantingshabitat aanwezig waardoor er geen permanente
Rode Lijst en HR Bijlage II & V
In artikel 11.27 van het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen die – naast voor strikt beschermde soorten – ook geldt voor soorten van de Rode Lijst en soorten die voorkomen in bijlage II en V van de Habitatrichtlijn. Op basis van de NDFF en het veldbezoek zijn er op enkele zangvogels na geen nieuwe soorten te benoemen die aanwezig zijn binnen of in de directe omgeving van het plangebied. Om schade te voorkomen wordt verwezen naar preventieve maatregelen die worden genomen voor algemene broedvogels. →
Voor deze soorten zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk, welke uitgewerkt zijn in paragraaf 6.3.1.
→
5.10 Exoten Tijdens het veldbezoek zijn geen invasieve exoten waargenomen. → →
→
De werkzaamheden kunnen het doden en beschadigen van rupsen, eitjes en poppen van teunisbloempijlstaart als gevolg hebben. Nader onderzoek is nodig om vast te stellen of Teunisbloempijlstaart zich voortplant binnen het plangebied
In het plangebied zijn geen invasieve exoten aanwezig. zie: www.invasieve-exoten.info
5.11 Utrechtse soortenlijst In het plangebied is een aantal soorten van de Utrechtse soortenlijst mogelijk aanwezig (Tabel 5.1). Dit is een lijst met soorten die bij wetswijzigingen hun bescherming hebben verloren, soorten met nationaal belang en soorten waar de gemeente actief beleid op voert zonder dat deze ooit een beschermingsstatus hebben genoten. Met soorten uit deze lijst wordt in beheer en onderhoud rekening gehouden conform de richtlijnen van de leidraad horende bij de gedragscode (zie raadsbrief Gedragscode wet Natuurbeheer d.d. 17 november 2017).
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
19
Veel soorten van deze lijst zijn vrij algemeen, niet bijzonder kritisch en/of komen verspreid voor binnen de gemeente (NDFF, 2025). Door het natuurlijke landschap rondom de Kromme Rijn en de aanwezigheid van bermen binnen het plangebied wordt aan de
habitatseisen van deze vrij algemene soorten waarschijnlijk voldaan en kan de aanwezigheid van deze soorten binnen het plangebied niet worden uitgesloten. Daarnaast zijn er van een aantal soorten waarnemingen bekend uit het plangebied.
Tabel 5.1 | Overzicht van soorten die zijn opgenomen in de Utrechtse soortenlijst die zijn, waargenomen of bekend zijn uit de NDFF of andere bronnen (met * aangegeven wanneer de soort niet binnen het plangebied maar wel in de omgeving bekend of waargenomen is). Soortgroep Nederlandse naam Wetensch. naam Type waarneming Negatieve gevolgen? Vogels
Merel
Turdus merula
NDFF
Ja, vernietigen nestplaats
Vogels
Blauwborst
Luscinia svecica
NDFF*
Ja, vernietigen nestplaats
Vogels
Tjiftjaf
Phylloscopus collybita
NDFF
Ja, vernietigen nestplaats
Vissen
Bittervoorn
Rhodeus amarus
NDFF*
Ja, doden dieren
Vissen
Cobitis taenia
NDFF*
Ja, doden dieren
Wilde bijen
Kleine modderkruiper Gewone slobkousbij
Macropis europaea
NDFF*
Ja, doden dieren
Wilde bijen
Grote klokjesbij
Chelostoma rapunculi
NDFF*
Ja, doden dieren
Wilde bijen
Kattenstaartdikpoot
Melitta nigricans
NDFF*
Ja, doden dieren
Wilde bijen
Klokjesdikpoot
NDFF*
Ja, doden dieren
Wilde bijen
Lathyrusbij
Melitta haemorrhoidalis Macropis europaea
NDFF*
Ja, doden dieren
Wilde bijen
Resedamaskerbij
Hylaeus signatus
NDFF*
Ja, doden dieren
Planten
Aardaker
Lathyrus tuberosus
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Akkerklokje
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Bijenorchis
Campanula rapunculoides Ophrys apifera
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Brede Lathyrus
Lathyrus latifolius
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Brede wespenorchis
Epipactis helleborine
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Caltha palustris
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Gewone dotterbloem Gele helmbloem
Pseudofumaria lutea
NDFF*
Planten
Grasklokje
Campanula rotundifolia
NDFF*
Nee, niet binnen het plangebied aanwezig Ja, vernietigen habitat
Planten
Grote kaardenbol
Dipsacus fullonum
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Grote kattenstaart
Lythrum salicaria
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Grote keverorchis
Neottia ovata
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Grote wederik
Lysimachia vulgaris
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Klein glaskruid
Parietaria judaica
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Prachtklokje
Campanula persicifolia
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Rapunzelklokje
Campanula rapunculus
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Rietorchis
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Ruig klokje
Dactylorhiza praetermissa Campanula trachelium
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Slanke sleutelbloem
Primula elatior
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Veldlathyrus
Lathyrus pratensis
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Waterdrieblad
Menyanthes trifoliata
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Wilde Marjolein
Origanum vulgare
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Wilde Reseda
Reseda lutea
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Wouw
Reseda luteola
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Zomerklokje
Leucojum aestivum
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Planten
Zwanenbloem
Butomus umbellatus
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
20
Schimmels
Iepenbuisjeszwam
Rigidoporus ulmarius
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Schimmels
Oranje oesterzwam
Phyllotopsis nidulans
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Schimmels
Cortinarius emollitus
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Schimmels
Witte galgordijnzwam Ruige melkzwam
Lactarius mairei
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Schimmels
Goudporieboleet
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Schimmels
Grauwe wasplaat
Hemileccinum impolitum Hygrocybe irrigata
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Schimmels
Robijnboleet
Chalciporus rubinus
NDFF*
Ja, vernietigen habitat
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
21
6 Vervolgstappen Tijdens de Ecologische Quickscan Omgevingswet is op verschillende ecologische aspecten getoetst of er sprake is van overtreding van verbodsartikelen. Om overtreding te voorkomen dienen verschillende vervolgstappen genomen te worden, welke in dit hoofdstuk verder uitgelegd worden.
6.1
Gebiedsbescherming
Er worden geen directe significante negatieve effecten verwacht op Natura 2000 of NNN. Het is daarom niet noodzakelijk om een Voortoets in het kader van Natura 2000 of een Nee, tenzij-toets in het kader van het NNN uit te voeren. Er dient wel een stikstofberekening uitgevoerd te worden vanwege de omliggende Natura 2000gebieden.
6.2
Houtopstanden
Er worden geen houtopstanden geveld waar de regels van de Omgevingswet op van toepassing zijn. Aangezien het plangebied binnen de door de gemeente Utrecht vastgestelde bebouwingscontour houtkap ligt, geldt hier het Omgevingsplan. Er geldt mogelijk een kapverbod, waarvoor een vergunning dient te worden aangevraagd bij de gemeente. De opdrachtgever dient hier zelf zorg voor te dragen.
6.3
Soortbescherming
Uit de Quickscan blijkt dat er verschillende beschermde soorten in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de activiteit te verwachten zijn. Tabel 6.1 geeft per perceel aan welke beschermde soorten verwacht kunnen worden. Voor een aantal van deze soorten zijn middels het nemen van specifieke preventieve maatregelen negatieve effecten te voorkomen. Dit betreffen de volgende soorten/functies: Rugstreeppad – landhabitat Algemene broedvogels – nestlocaties Voor andere soorten zijn er geen maatregelen die het optreden van negatieve effecten geheel voorkomen. Er is daarom nader onderzoek nodig om vast te stellen of
deze soorten aanwezig zijn binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden, zo nodig gevolgd door een vergunningsaanvraag. Het betreffen de volgende soorten/functies: Boombewonende vleermuizen – verblijfplaatsen Teunisbloempijlstaart – voortplantingshabitat Er zijn ook soorten waarvan de aanwezigheid van nesten, verblijfplaatsentijdens foerageergebied tijdenshet veldbezoek kon worden vastgesteld. Voor deze soorten dient een activiteitenplan te worden opgesteld en een vergunning te worden aangevraagd. Het gaat hier om de volgende soort en functie: Boerenzwaluw – jaarrond beschermde nesten Haas – verblijfplaatsen en essentieel leefgebied Konijn – verblijfplaatsen en essentieel leefgebied Ten slotte zijn er soorten waarvoor geldt dat aanwezigheid en negatieve effecten op basis van nader onderzoek niet kunnen worden uitgesloten waardoor op voorhand een vergunning moet worden aangevraagd: Bunzing – verblijfplaatsen en essentieel leefgebied Wezel – verblijfplaatsen en essentieel leefgebied Tabel 6.1 | Overzicht van functies van beschermde soorten per perceel. Haas Konijn Bunzing Wezel Boerenzwaluw Algemene broedvogels Rugstreeppad Boombewonende vleermuis Teunisbloempijlstaart
Perceel 1
Perceel 2
Perceel 3
Verblijfplaats + leefgebied Hoofdburcht + leefgebied Verblijfplaats + leefgebied Verblijfplaats + leefgebied Nestlocatie Landhabitat -
Verblijfplaats + leefgebied Vluchtpijp + leefgebied Verblijfplaats + leefgebied Verblijfplaats + leefgebied Nestlocatie Nestlocatie Landhabitat Verblijfplaats
Verblijfplaats + leefgebied Hoofdburcht + leefgebied Verblijfplaats + leefgebied Verblijfplaats + leefgebied Nestlocatie Landhabitat Verblijfplaats
Voortplantingshabitat
-
-
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
22
6.3.1 Maatregelen soortbescherming Onderstaand is per soort(groep) beschreven met welke mitigerende maatregelen er invulling wordt gegeven aan het voorkomen dan wel te verminderen van negatieve effecten op zowel soort- als populatieniveau. Algemene maatregelen De werkzaamheden dienen te worden begeleid door een ecologisch deskundige. Er moet een ecologisch werkprotocol worden opgesteld waarin alle te nemen maatregelen worden vastgelegd. Dit ecologisch werkprotocol moet op locatie aanwezig zijn en onder alle betrokken partijen bekend zijn. Dit kan pas na afronding van alle onderzoeken en verkrijgen van een eventuele vergunning. Werkzaamheden moeten aantoonbaar conform dit protocol worden uitgevoerd. Mochten er zich gedurende de activiteit ten aanzien van beschermde soorten onvoorziene omstandigheden voordoen, dan wordt direct contact opgenomen met de ecologisch deskundige. Zorgplicht In de Omgevingswet is op twee verschillende manieren een zorgplicht uitgewerkt. De eerste behelst een algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving (Artikel 1.6 Omgevingswet). Dit houdt in dat eenieder voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht neemt en doet wat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd om negatieve effecten te verminderen. Daarnaast geldt er een specifieke zorgplicht voor RodeLijstsoorten en soorten van bijlage II en V van de Habitatrichtlijn.
Deze zorgplicht is opgenomen in artikel 11.27 van het Bal. Hierbij geldt eveneens dat de initiatiefnemer voldoende zorg dient te dragen voor het voorkomen of beperken van negatieve gevolgen op deze soorten en daarnaast ook hun habitat. Hierbij dient nagegaan te worden welke nadelige gevolgen optreden en dienen alle passende preventieve maatregelen getroffen te worden om nadelige gevolgen te voorkomen en wordt nagegaan of deze maatregelen het beoogde effect hebben. Deze zorgverplichtingen gelden te allen tijde bij het uitvoeren van een activiteit, ongeacht of deze te typeren zijn als ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud en ongeacht of er beschermde soorten aanwezig zijn. Dit laatste wil dus zeggen dat ook als er geen beschermde soorten voorkomen de algemene
zorgverplichting toch in acht genomen dient te worden. Hiervoor dienen algemene mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden. Deze algemene mitigerende maatregelen zijn onderstaand beschreven. Werkzaamheden in het plangebied dienen met de minste schade voor aanwezige planten en dieren te worden uitgevoerd. Wees alert op dieren in het plangebied. Wacht tot dieren zelfstandig het gebied hebben verlaten. Werk vanuit het midden van het plangebied naar de rand, of werk langzaam in één werkrichting zodat verstoorde dieren de mogelijkheid hebben om het plangebied te verlaten. Draag er tevens zorg voor dat de richting waarin de dieren moeten vluchten voldoende beschutting of leefgebied biedt. Verlichting is alleen aan wanneer dat functioneel noodzakelijk is. De verlichting wordt voldoende afgeschermd en alleen op het werk gericht. Gebruik alleen verlichting met een naar beneden gerichte lichtbundel. Er dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van bestaande wegen en paden. Algemene broedvogels Veel broedvogels zijn opportunisten die weinig eisen stellen aan hun omgeving. Alle vogelnesten zijn beschermd wanneer deze in gebruik zijn. Algemene broedvogels zijn niet standvastig, ze kunnen ieder jaar op een andere plek broeden en zijn weinig kieskeurig. Soorten die tot broeden kunnen komen in of nabij het plangebied zijn o.a. roodborst, winterkoning, merel en houtduif.
Onderstaande maatregelen en aandachtspunten moeten in acht worden genomen ten aanzien van algemene broedvogels om een overtreding van artikel 11.37 lid 1 van het Bal te voorkomen. Er kunnen in het plangebied algemene vogels tot broeden komen. Deze vogelnesten zijn uitsluitend beschermd gedurende de periode dat deze nesten in gebruik zijn, dat wil zeggen de broed- en nestperiode. De broedperiode loopt globaal van 15 maart tot 15 juli, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn beschermd. Het is niet mogelijk om een omgevingsvergunning te verkrijgen voor het verwijderen of verstoren van in gebruik zijnde nesten in de broed- en nestperiode. Voor verlaten nestplaatsen geldt dit niet. Het is in dit kader aan te bevelen om de werkzaamheden voor zover dat mogelijk is buiten de broedperiode om uit te voeren.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
23
Indien dit niet mogelijk is, dient het plangebied voorafgaande aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt voor vogels om tot broeden te komen door de vegetatie te maaien/rooien buiten de broedperiode (als het op te stellen activiteitenplan voor bunzing en wezel zijn dit toelaat, en na vrijgave door een ecoloog). Indien het niet mogelijk is om buiten de broedperiode te werken en/of het plangebied broedvrij te houden, dient het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een ecologisch deskundige (Bijlage D) gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedende vogels. Wanneer er geen vogels nestelen kan er begonnen worden met de werkzaamheden. Bij aantreffen van een broedgeval in het plangebied wordt een rustzone afgezet door een ecologisch deskundige en wordt de locatie met rust gelaten tot de jongen zijn uitgevlogen. Er mogen geen werkzaamheden in de directe zone rond een nest plaatsvinden. De omvang van deze zone wordt door de begeleidend ecoloog bepaald. Eventueel kan er met schermen gewerkt worden die visuele verstoring en/of verstoring door geluid naar een broedgeval beperken. 6.3.2 Natuurinclusieve maatregelen Er kunnen simpele aanvullende maatregelen worden genomen om de natuurinclusiviteit van het project te
vergroten. Door het plaatsen van (duurzame) inbouwkasten, het openlaten van holle delen van muren (spouw) waartoe een invliegopening leidt, of het plaatsen van afwerking zoals boeiboorden waar ruimte achter openblijft kan er simpelweg extra leefgebied voor vleermuizen worden gerealiseerd. In de regel is alle bebouwing hoger dan 3 m geschikt. Voor vogels kunnen ook maatregelen worden getroffen. In het geval van gierzwaluwen is het plaatsen van nestkasten voldoende, omdat foerageerlocaties op grote afstand van nestplekken kunnen liggen. De nestkasten dienen op minimaal 3 meter hoogte te worden geplaatst en voldoende vrije ruimte te hebben om inen uit te kunnen vliegen. Voor huismussen kunnen ook nestplekken worden gerealiseerd. Daarnaast moet in de nabije omgeving wel worden gezorgd voor voldoende schuilplekken in hagen of andere dichte groene structuren, en idealiter zijn er (kleine) waterpartijen aanwezig die voor drinkwater zorgen. Meer informatie is te vinden op https://www.bouwnatuurinclusief.nl/ of https://www.checklistgroenbouwen.nl/. 6.3.3 Nader onderzoek beschermde soorten Er is nader onderzoek nodig naar verschillende beschermde soorten. Welk onderzoek nodig is, is aangegeven in Tabel 6.1.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
24
Tabel 6.1 | Onderzoeksperiodes per soort(groep). Per soort(groep) aangegeven in welke periodes onderzoek plaats kan vinden (NGB, 2021, 2023). Voor sommige soorten geldt dat de periode en de inspanning per functie verschillend kan zijn.
Boombewonende vleermuizen Te onderzoeken functie: Zomer-, kraam- en paarverblijfplaats Protocol: NGB Vleermuisprotocol 2021 Voor het onderzoek naar vleermuizen zijn 2 veldbezoeken nodig in de periode 15 mei-15 juli voor het onderzoek naar zomer- en kraamverblijfplaatsen en 2 bezoeken in de periode 15 augustus - 1 oktober voor het onderzoek naar paar- en winterverblijfplaatsen. Tussen 2 bezoeken moeten minimaal 20 dagen zitten. Omdat de holtes op borsthoogte zitten kan een endoscoop worden gebruikt voor deze bezoeken. Dit scheelt tijd en kosten.
Teunisbloempijlstaart Te onderzoeken functie: Voortplantingshabitat Protocol: Onderzoeksprotocol vlinders en libellen 2023 Om vast te stellen of teunisbloempijlstaart zich voortplant binnen het plangebied zijn drie veldbezoeken nodig in de periode 1 juli t/m 15 augustus. Tijdens deze bezoeken wordt er tijdens kwartiertellingen op waardplanten naar rupsen gezocht. Afhankelijk van de hoeveelheid waardplanten zijn er potentieel meerdere kwartiertellingen per bezoek nodig.
Konijn Te onderzoeken functie: Protocol:
Verblijfplaats Toetsingskader Bescherming van het konijn bij flora- en fauna-activiteiten in de provincie Utrecht Het onderzoek naar de locatie van de hoofdburcht bestaat uit twee nachtbezoeken tussen februari en oktober met minimaal 10 dagen tussen de bezoeken, waarvan één bezoek tussen april en juli wordt uitgevoerd. Tijdens deze bezoeken worden aanwezige konijnen met een warmtebeeldcamera gevolgd om zo te achterhalen waar (ongeveer) de burcht aanwezig is. Type
Minimaal aantal onderzoeken
Vleermuis – boombewonend
4 bezoeken
Teunisbloempijlstaart
3 bezoeken
Konijn
2 bezoeken
feb
mrt
apr
mei
jun
jul
aug
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
sep
okt
25
7 Literatuurlijst Bat Habitat Key. (2018). Bat Roosts in Trees. A guide to identification and assessment for tree-care and ecology professionals. Exeter: Pelagic Publishing. Bejder, L., Samuels, A., Whitehead, H., Finn, H., & S., A. (2009). Impact assessment research: use and misuse of habituation, sensitization and toler-ance in describing wildlife responses to anthropo-genic stimuli. Marine Ecology Progress Series 395, pp. 177-185. Bos, F. M. (2006). De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidae, Papilionidea.- Nederlandse Fauna 7. Leiden, Nederland: Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey. Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K., & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren – Natuur van Nederland 12. Leiden: Naturalis Biodiversity Center & Eis Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden. Creemers, C. &. (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland. Leiden: Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Society. Dietz, C., Von Helversen, O., & Nill, D. (2011). Vleermuizen Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Vertaling en bewerking PHC Lina. De Fontein/Tirion Uitgevers BV, Utrecht. De Fontein/Tirion Uitgevers BV, Utrecht. Gill, J. (2007). Approaches to measuring the effects of human disturbance on birds.
Ibis 149, pp. 914. Kleukers, R., Nieukerken, E. v., Odé, B., Willemse, L., & Wingerden, W. v. (1997). De sprinkhanen en krekels van Nederland (Orthoptera). -
Nederlandse Fauna 4. Leiden: Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland. NDFF. (2024). Uitvoerportaal Nationale Databank Flora en Fauna. Opgehaald van https://ndffecogrid.nl/uitvoerportaal/ Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie. (2012). De Nederlandse libellen (Odonata) Nederlandse Fauna 4. Leiden: Nationaal Natuurhistorisch Museum Na-turalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland. Netwerk Groene Bureaus. (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://www.netwerkgroenebureaus.nl/wer ken-aan-kwaliteit/werken-aankwaliteit/vleermuisprotocol Netwerk Groene Bureaus. (2023). Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2023). Opgehaald van https://www.netwerkgroenebureaus.nl/wer ken-aankwaliteit/soortinventarisatieprotocollen/prot ocollen-vis-amfibie-reptiel-vogel Sovon Vogelonderzoek Nederland. (2002). Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Leiden: Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Inver-tebrate Survey – Nederland. Sovon Vogelonderzoek Nederland. (2018). Vogelatlas van Nederland. Utrecht/Antwerpen: Kosmos Uitgevers.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
26
Bijlage A. Wettelijk kader Omgevingswet
Zorgplicht
Vanaf 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Deze nieuwe wet brengt alle regelgeving over ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water samen in 1 wettelijk stelsel en vormt daarmee de basis voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Binnen de wet wordt gezocht naar een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving. Het doel van de wet is minder regels, een samenhangende benadering van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming. De Omgevingswet (Ow) doet dit aan de hand van vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB), dit zijn: het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) het Omgevingsbesluit (Ob)
In de Omgevingswet is in artikel 1.6 en 1.7 een zorgplicht opgenomen voor onze fysieke leefomgeving. Deze zorgplichtbepaling houdt in dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten (aanzienlijke) nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt op de fysieke leefomgeving verplicht is om maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen of wanneer de gevolgen niet kunnen worden voorkomen deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Als gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt dan moet de initiatiefnemer de betreffende activiteit achterwege laten.
Naast deze vier AMvB’s is er nog de Omgevingsregeling (Or), waarin alle technische en administratieve details van de andere regelgeving zijn vastgelegd. Kader 1 | Fysieke leefomgeving De fysieke leefomgeving omvat naast natuur en landschappen ook alle bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, cultureel erfgoed en werelderfgoed in Nederland.
Binnen de Omgevingswet zijn de beschermingsregimes die voorheen onder de Wet natuurbescherming vielen voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen, waardoor de wet voorziet in een implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast bovenstaande beschermingsregimes bestaat in Nederland het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wat is geregeld in het Bkl. De beleidsuitwerking van het NNN vindt plaats in de omgevingsverordening die opgesteld wordt door de provincie.
Voor activiteiten die betrekking hebben op alle Natura 2000-gebieden en/of bijzondere nationale natuurgebieden (‘Natura 2000 activiteit’) en activiteiten die betrekking hebben op in het wild levende dieren en planten mét en zonder beschermstatus (‘flora- en faunaactiviteit’) is daarnaast eveneens een specifieke zorgplicht van kracht die aanvullende verplichtingen oplegt aan iedereen die een dergelijke activiteit uitvoert. De specifieke zorgplichtbepaling is per afdeling opgenomen in het Bal. Kader 2 | Redelijkheid in de Omgevingswet In de zorgplichtbepaling is o.a. opgenomen dat een initiatiefnemer die een activiteit uitvoert en ‘redelijkerwijs’ weet of kan vermoeden dat die activiteit schadelijke gevolgen veroorzaakt, maatregelen neemt om schade te voorkomen of de handeling nalaat voor zover dit ‘redelijkerwijs’ van diegene kan worden gevraagd. Onder ‘redelijkerwijs’ kan datgene worden verstaan dat fysisch qua resultaat mogelijk is, maar ook dat wat van diegene die de schade veroorzaakt kan worden gevergd. Hierbij kan gedacht worden aan financiële, ruimtelijke en planningstechnische aspecten.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
1
Specifieke zorgplicht Natura 2000 (artikel 11.6 Bal) Wanneer iemand6 een activiteit uitvoert die nadelige gevolgen kan hebben op Natura 2000 gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden dan is diegene aanvullend op de algemene zorgplichtbepalingen eveneens verplicht om voorafgaand aan uitvoer een studie uit te (laten) voeren naar mogelijke verslechterende of significant verstorende effecten van de activiteit op de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Wanneer dergelijke gevolgen niet kunnen worden uitgesloten moeten passende preventieve maatregelen genomen worden om de effecten te voorkomen en wordt tijdens en na het verrichten van de activiteit nagegaan of de maatregelen het beoogde effect hebben. Indien dit niet het geval is moet de activiteit worden gestaakt en moeten passende herstelmaatregelen worden uitgevoerd. Specifieke zorgplicht Flora- en fauna-activiteit (artikel 11.27 Bal) Wanneer iemand een activiteit uitvoert die nadelige gevolgen kan veroorzaken op beschermde en niet-beschermde soorten7 en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats spreekt de wet over een ‘flora- en fauna-activiteit’. In deze situatie is diegene die de activiteit initieert verplicht voorafgaand aan het uitvoeren van die activiteit na te gaan of er op de locatie van de activiteit of in de nabijheid daarvan aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van de soorten.
Naast de wettelijk beschermde soorten genoemd heeft deze soortbescherming ook betrekking op dieren en planten genoemd in de rode lijsten en in bijlagen II en V van de Habitatrichtlijn. Als nadelige gevolgen op mogelijk aanwezige soorten voorafgaand niet kunnen worden uitgesloten dan moet worden onderzocht welke gevolgen de activiteit heeft en moeten passende preventieve maatregelen worden getroffen om de effecten te voorkomen. Ook wordt tijdens en na het verrichten van de activiteit nagegaan of de maatregelen het beoogde effect hebben. Indien dit niet het geval is moet de activiteit worden gestaakt en moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen. Het onderzoek naar de effecten heeft betrekking op de betreffende dieren van die soorten, maar ook hun nesten, foerageerplaatsen, 6 een rechtspersoon of natuurlijke persoon die een activiteit of
ingreep wil uitvoeren
voortplantingsplaatsen, rustplaatsen en eieren, of voor planten van die soorten.
Natura 2000-gebieden De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 11, Afdeling 11.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er mogelijk sprake van een noodzakelijke aanvraag van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit en dient een Habitattoets uitgevoerd te worden. In een Habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en/of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Deze toetsing kan bestaan uit drie onderdelen; Voortoets; Passende Beoordeling; ADC-toets. Voortoets Middels de Voortoets (artikel 11.6 Bal) wordt onderzocht of de ingrepen (significant) negatieve effecten kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen binnen de Natura 2000-gebieden.