Chw bestemmingsplan Maximapark Bijlagen toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Chw bestemmingsplan Maximapark Vastgesteld, datum nog vast te stellen
Chw bestemmingsplan Maximapark
Inhoudsopgave Bijlagen toelichting
3
Bijlage 1
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
5
Bijlage 2
Besluit hogere waarden
27
Bijlage 3
Ecologische quickscan
33
Bijlage 4
Stikstofdepostitie onderzoek
77
Bijlage 5
Archeologische waardenkaart
99
2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Maximapark" (vastgesteld)
Utrecht
Bijlagen toelichting
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Maximapark" (vastgesteld)
3
4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Maximapark" (vastgesteld)
Utrecht
Bijlage 1 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Maximapark" (vastgesteld)
5
Ontwikkelorganisatie Ruimte | Team Lucht Geluid & Trillingen | 030 - 286 00 00
Akoestisch onderzoek
Chw Bestemmingsplan Máximapark T.b.v. ruimtelijke procedure
11 december 2024 Kenmerk VL-24-TM0191
Akoestisch onderzoek Chw BP Máximapark | 11 december 2024
1/21
Ontwikkelorganisatie Ruimte | Team Lucht Geluid & Trillingen | 030 - 286 00 00
Colofon
uitgave Gemeente Utrecht 030 - 286 00 00 info@utrecht.nl
informatie
Akoestisch onderzoek Chw BP Máximapark | 11 december 2024
2/21
Ontwikkelorganisatie Ruimte | Team Lucht Geluid & Trillingen | 030 - 286 00 00
Inhoud 1
Inleiding
4
1.1
Aanleiding
4
1.2
Plangebied
4
1.3
Doel akoestisch onderzoek
5
1.4
Leeswijzer
5
2
Wettelijk kader
6
2.1
Zones
6
2.2
Normering bij nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen
6
2.3
Gemeentelijk geluidbeleid
7
3
Uitgangspunten
9
3.1
Rekenmethode
9
3.2
Modelgegevens
9
3.2.1
Verkeersgegevens
9
3.2.2
Snelheid en wegdekverharding
10
3.2.3
Correctie ex artikel 110g Wet geluidhinder
10
4
Resultaten
11
4.1
Contourberekeningen
11
4.1.1
Europaweg
11
4.1.2
Hogere waarden en planregel
12
4.2
Pandbelastingen
12
4.2.1
Europaweg
12
4.3
Cumulatie
15
4.4
Luwe gevels
15
5
Conclusie
16
Bijlage 1 Verkeersgegevens Akoestisch onderzoek Chw BP Máximapark | 11 december 2024
3/21
Ontwikkelorganisatie Ruimte | Team Lucht Geluid & Trillingen | 030 - 286 00 00
1
Inleiding
1.1 Aanleiding De gemeente Utrecht heeft het voornemen om voor een gebied in de omgeving van het Máximapark een bestemmingsplan vast te stellen: het Chw bestemmingsplan Máximapark. Momenteel geldt voor het Máximapark de beheersverordening ‘De Meern Noord, Máximapark, Vogelenbuurt, Wittevrouwen’. In de beheersverordening waren bouwvlakken opgenomen voor enkele woningen. Deze bouwvlakken zijn ook opgenomen in het Chw bestemmingsplan Máximapark. Omdat de bouwmogelijkheden opnieuw worden vastgesteld is bekeken of met betrekking tot het aspect geluid nog steeds sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op grond van artikel 4.6, lid 2 Invoeringswet Omgevingswet gelden voor ontwerpbestemmingsplannen die voor 1 januari 2024 ter inzage zijn gelegd nog het oude recht (het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening) tot de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Dit betekent ook dat voor dit bestemmingsplan de Wet geluidhinder van toepassing is.
1.2 Plangebied Het gehele plangebied ligt in het westen van de stad en bestaat uit het Máximapark en een deel van de bebouwing wat grenst aan het Máximapark. Het plangebied wordt in het westen grotendeels begrensd door de woonwijken ten westen van het Máximapark en de Europaweg. In het noorden is het plangebied gelegen tot aan de Liesveldse Wetering. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de Robert Planquettelaan, de Enghlaan, de Max Ernstlaan en de Parkzichtlaan. In het zuiden vormt de Burgemeester Middelweerdbaan de grens van het plangebied. Dit onderzoek ziet toe op de bouwvlakken in het deel ten oosten van de Europaweg en ten noorden van de Hoekelumsebosbaan. De specifieke bouwaanduidingen zijn weergegeven in de onderstaande figuur.
Akoestisch onderzoek Chw BP Máximapark | 11 december 2024
4/21
Ontwikkelorganisatie Ruimte | Team Lucht Geluid & Trillingen | 030 - 286 00 00
Figuur 1: Specifieke bouwaanduidingen in bestemmingsplangebied Máximapark (zwart)
In het kader van dit bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek verricht naar de toekomstige geluidbelasting in dit gebied en wordt getoetst aan de regels van Wet geluidhinder en de Geluidnota Utrecht.
1.3 Doel akoestisch onderzoek In het kader van de Wet geluidhinder en de Wet ruimtelijke ordening is het van belang de geluidsaspecten in dit gebied te onderzoeken. Hierbij dient een afweging te worden gemaakt over de gewenste planologische ontwikkeling in relatie tot geluid. Dit onderzoek gaat in op de wettelijke kaders en geeft de resultaten van de berekende geluidbelastingen op de locaties waar nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien in de vorm van geluidscontouren. Tevens wordt een mogelijke stedenbouwkundige invulling van het terrein onderzocht en wordt op een visuele manier inzichtelijk gemaakt welke bouwblokken vanuit het aspect geluid daarbij specifiek worden belemmerd dan wel nadere aandacht vergen. Dit onderzoek wordt gebruikt als grondlegger voor de te voeren hogere waarde procedure.
1.4
Leeswijzer
In deze rapportage wordt allereerst in hoofdstuk 2 ingegaan op het wettelijke kader, waarna in hoofdstuk 3 de gehanteerde uitgangspunten en de gebruikte invoergegevens worden besproken. In hoofdstuk 4 komen de berekeningsresultaten aan de orde. Tenslotte wordt in hoofdstuk 5 afgesloten met de conclusies.
Akoestisch onderzoek Chw BP Máximapark | 11 december 2024
5/21
Ontwikkelorganisatie Ruimte | Team Lucht Geluid & Trillingen | 030 - 286 00 00
2
Wettelijk kader
2.1 Zones De regels van de Wet geluidhinder (Wgh) gelden alleen binnen de zone van een geluidsbron. Binnen deze zone vindt dus het akoestisch onderzoek plaats. Voor het aspect wegverkeerslawaai is in artikel 74 van de Wet geluidhinder aangegeven dat elke weg met een snelheid van meer dan 30 km/uur een geluidszone heeft. De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken waaruit de weg in de te onderzoeken situatie bestaat. In onderstaande tabel zijn de relevante zones voor wegverkeer opgenomen. Tabel 1: zonebreedte aan weerszijden van een weg Aantal Rijstroken
Breedte van de geluidszone in meters Buitenstedelijk gebied
Binnenstedelijk gebied
1 of 2
250
200
3 of 4
400
350
5 of meer
600
350
De definities van buitenstedelijk en binnenstedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wet geluidhinder. Als binnenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied binnen de bebouwde kom binnen de zone van een weg, uitgezonderd het gebied binnen de bebouwde kom dat gelegen is binnen de zone van een autoweg(snel)weg. De overige zones zijn buitenstedelijk. Het plangebied (functie wonen) ligt binnen de wettelijke zones van de Europaweg en de Huis te Vleutenbaan/Stroomrugbaan. De bouwkavels met een specifieke bouwaanduiding waarop dit onderzoek met name toeziet liggen echter niet binnen de zone van laatstgenoemde weg. De Huis te Vleutenbaan/Stroomrugbaan is daarom niet verder onderzocht in onderhavige studie. Van de nieuw aan te leggen binnenplanse wegen (30 km/uur) wordt evenmin een relevant akoestisch effect verwacht. Het plangebied ligt niet in een geluidszone van een spoorweg of industrieterrein.
2.2 Normering bij nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen Het bestemmen van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen (woon-, onderwijs- en gezondheidszorggebouwen) is zonder meer mogelijk wanneer de geluidbelasting onder de voorkeursgrenswaarde blijft. Deze waarde bedraagt 48 dB. Van de voorkeursgrenswaarde kan gemotiveerd worden afgeweken tot aan een zekere maximale ontheffingswaarde. Hiervoor moet een zogeheten hogere waarde besluit worden genomen. De maximale ontheffingswaarde bedraagt conform het gemeentelijk geluidbeleid 58 dB voor de bouw van nieuwe woningen in de uitleggebieden langs binnenstedelijke wegen. De bestemming is in principe niet mogelijk wanneer de geluidbelasting op de gevel meer bedraagt dan de maximale ontheffingswaarde. Er bestaat dan nog wel de mogelijkheid om te bouwen met vliesgevels of zogeheten dove gevels waarin geen te openen delen aanwezig zijn. Akoestisch onderzoek Chw BP Máximapark | 11 december 2024
6/21
Ontwikkelorganisatie Ruimte | Team Lucht Geluid & Trillingen | 030 - 286 00 00
De hierboven genoemde grenswaarden in dB worden uitgedrukt in Lden. Dit is een gemiddelde van de geluidsniveaus in een etmaal waarbij rekening wordt gehouden met de verschillen in hinderlijkheid in de te onderscheiden etmaalperioden. Het berekende geluidsniveau van de avondperiode wordt verhoogd met 5 dB; de nachtperiode met 10 dB. De geluidbelasting wordt bepaald voor een representatief maatgevend toekomstig jaar. De grenswaarden uit de Wet geluidhinder gelden voor de geluidbelasting op een gevel. Dit is volgens de definitie de constructie waarmee binnen en buiten gescheiden wordt; inclusief het dak. Een blinde gevel, een dove gevel, een geluidsscherm dat bouwkundig is verbonden met het gebouw en de geluidswalzijde van geluidswalwoningen worden in de Wet geluidhinder specifiek benoemd als zijnde geen gevel. Op een gevel waarin geen te openen delen, waaronder ventilatievoorzieningen, zitten, hoeft dus vanuit de Wet geluidhinder niet te worden getoetst. Wanneer er sprake is van blootstelling aan meer dan één geluidsbron, moet ook worden bekeken wat de gecumuleerde geluidbelasting is. Hiervoor wordt de Rekenmethode cumulatieve geluidbelasting gebruikt. Hierbij wordt rekening gehouden met de verschillen in hinder per type geluidsbron.
Het onderzoeken van cumulatie is conform het rekenvoorschrift alleen van belang als de voorkeurswaarde vanwege meerdere geluidsbronnen wordt overschreden. Er gelden geen grenswaarden voor de gecumuleerde geluidbelasting; wel moet er een afweging worden gemaakt. Een gecumuleerde geluidbelasting van 63 dB kan bijvoorbeeld nog als acceptabel worden beschouwd omdat deze waarde overeenkomt met de maximale ontheffingswaarde bij binnenstedelijk wegverkeer (=58 dB incl. aftrek 5 dB art 110g Wgh).
2.3 Gemeentelijk geluidbeleid De gemeente Utrecht zet zich in voor een leefbare woonsituatie, juist op locaties met een hogere geluidbelasting. Deze leefbaarheid wordt bewerkstelligd door voorwaarden te verbinden aan het verlenen van hogere waarden. De voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen in een lawaaiige situatie. Dit wordt planologisch verankerd via de hogere waarde beschikking en de planregels in het bestemmingsplan. De volgende voorwaarden bij het verlenen van een hogere waarde voor zelfstandige woningen groter dan 30 m2 in Utrecht zijn opgenomen in de Geluidnota Utrecht: Geluidsluwe gevel De woning heeft tenminste één gevel met een lager (luw) geluidsniveau. Het geluidsniveau is daar niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde voor elk van de te onderscheiden geluidsbronnen. Woningindeling De woning bevat voldoende verblijfsruimte(n) aan de geluidsluwe gevel. Dit geldt voor tenminste 30% van het aantal verblijfsruimten of 30% van de oppervlakte van het verblijfsgebied.
Buitenruimte Akoestisch onderzoek Chw BP Máximapark | 11 december 2024
7/21
Ontwikkelorganisatie Ruimte | Team Lucht Geluid & Trillingen | 030 - 286 00 00
Indien de woning beschikt over een buitenruimte, dan is deze bij voorkeur gelegen aan de geluidsluwe zijde. Het geluidsniveau mag in ieder geval niet meer dan 5 dB hoger zijn dan bij de geluidsluwe gevel. Deze eis geldt voor maximaal één buitenruimte per woning. Voor niet-zelfstandige woonruimte (bejaardencentra, studenteneenheden) of zelfstandige woonruimte met een oppervlakte 30 m2 worden op individueel woningniveau geen eisen gesteld. Op gebouwniveau dient tenminste 50% van de wooneenheden te zijn gesitueerd aan een gevel met een geluidbelasting van maximaal 5 dB boven de voorkeursgrenswaarde.
Akoestisch onderzoek Chw BP Máximapark | 11 december 2024
8/21
Ontwikkelorganisatie Ruimte | Team Lucht Geluid & Trillingen | 030 - 286 00 00
3
Uitgangspunten
3.1 Rekenmethode De geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai is bepaald met Standaard Rekenmethode II uit het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder. Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van het programma WinHavik V9.3.0 in combinatie met rekenhart srmii17. In het rekenmodel zijn alle relevante gebouwen, (absorberende) bodemvlakken, rijlijnen en hoogtelijnen gemodelleerd. Hieronder is een overzicht van het rekenmodel weergegeven met daarin de voor dit onderzoek relevante geluidsbronnen.
Stroomrugbaan/Huis te Vleutenbaan (geen nieuwe woningen binnen geluidzone)
Europaweg
Figuur 2: Overzicht rekenmodel wegverkeer
3.2 Modelgegevens 3.2.1
Verkeersgegevens
De berekeningen zijn uitgevoerd voor het toekomstig maatgevend jaar. Voor deze studie kan het jaar 2030 als representatief maatgevende jaar gehanteerd worden. De gebruikte verkeersintensiteiten van de gemeentelijke wegen zijn afkomstig uit het verkeersmodel VRU 3.4utr 2030 dat is gevuld met actuele informatie over verkeersintensiteiten, groei/afname van het aantal woningen/inwoners en toe-/afname Akoestisch onderzoek Chw BP Máximapark | 11 december 2024
9/21
Ontwikkelorganisatie Ruimte | Team Lucht Geluid & Trillingen | 030 - 286 00 00
van werkgelegenheid, m² bruto vloeroppervlak kantoren, winkels en andere activiteiten. In bijlage 1 zijn de verkeersintensiteiten terug te vinden. Tevens is daar zowel de verdeling van het verkeer over de dag-, avond-, en nachtperiode weergegeven als de verdeling van het licht, middel en zwaar verkeer. 3.2.2
Snelheid en wegdekverharding
De Europaweg kent een snelheidsregime van 50 km/u en is voorzien van het licht geluidsreducerende wegdektype MODUS. 3.2.3
Correctie ex artikel 110g Wet geluidhinder
Bij de bepaling van de geluidbelasting wordt conform artikel 110g van de Wet geluidhinder rekening gehouden met het in de toekomst stiller worden van het autoverkeer. De berekende niveaus worden, alvorens toetsing aan de normen van de Wet geluidhinder plaats vindt, daarom verminderd met 2 dB (in specifieke gevallen 3 of 4 dB - zie artikel 3.4 Reken- en meetvoorschrift geluid 2012) indien de snelheid 70 km/uur of meer bedraagt en indien de snelheid minder dan 70 km/uur bedraagt met 5 dB (juridische waarde). Op de in deze rapportage vermelde geluidbelastingen is de correctie ingevolge artikel 110g Wgh steeds 5 dB, omdat de snelheid minder dan 70 km/uur bedraagt. Bij toetsing aan het gestelde in het Bouwbesluit dient deze correctie achterwege te blijven.
Akoestisch onderzoek Chw BP Máximapark | 11 december 2024
10/21
Ontwikkelorganisatie Ruimte | Team Lucht Geluid & Trillingen | 030 - 286 00 00
4
Resultaten
De berekeningsresultaten geven aan op welke locatie er op voorhand van mag worden uitgegaan dat de geluidbelasting onder de voorkeursgrenswaarde (groen) dan wel boven de maximale ontheffingswaarde ligt (rood). In het eerste geval is de realisering van een geluidsgevoelige bestemming zonder meer mogelijk en hoeft daarvoor geen hogere waarde besluit te worden genomen. In het tweede geval is de bouw van een geluidsgevoelige bestemming alleen mogelijk door toepassing van een dove gevel tenzij nog te bouwen aanvullende afscherming zorgt voor een voldoende lage geluidbelasting. Voor de gevallen waarbij de geluidbelasting ligt tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde (oranje) is een ontheffingsprocedure benodigd. Hieronder zijn de resultaten per juridische bron opgenomen. De contouren geven het volgende aan: •
groen: er wordt voldaan aan de voorkeurswaarde
•
oranje: boven de voorkeurswaarde maar nog onder de maximale ontheffingswaarde
•
rood:
boven de maximale ontheffingswaarde
4.1 Contourberekeningen 4.1.1
Europaweg
De contouren van de toekomstige maximale geluidbelasting (incl. 5 dB aftrek ex art. 110 Wgh) vanwege de Europaweg zijn weergegeven in Figuur 3.
Figuur 3: Geluidscontouren o.b.v. hoogst berekende geluidbelasting vanwege de Europaweg Akoestisch onderzoek Chw BP Máximapark | 11 december 2024
11/21
Ontwikkelorganisatie Ruimte | Team Lucht Geluid & Trillingen | 030 - 286 00 00
De geluidbelasting overschrijdt de voorkeursgrenswaarde in een ongeveer 80 meter brede strook aan de oostzijde van de weg. De overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (oranje gekleurd in de figuur) beslaat daarmee een grootgedeelte van het plangebied waar de bestemming wonen wordt toegestaan. In dit gebied is woningbouw met ontheffing mogelijk mits er voldaan wordt aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. De nog in te vullen kavels verder naar het oosten gelegen in het plangebied liggen voor het grootste deel in het groene gebied waar aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. In de specifieke bouwaanduidingsvlakken nabij de weg wordt de maximale ontheffingswaarde die geldt in de uitleggebieden (58 dB) overschreden (rode gebied). Woningbouw dient hier bij voorkeur buiten te blijven. Indien er binnen het rode gebied wordt gebouwd, dan kan dat alleen middels toepassing van dove gevels. In de huidige situatie zijn deze kavels die het dichtst bij de weg liggen echter reeds bebouwd. Geen van de nieuwe woningen (de specifieke bouwaanduidingsvlakken) bevindt zich binnen het gebied met een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde.
4.1.2
Hogere waarden en planregel
Vanwege een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde dient voor dit plan een ontheffing (‘hogere waarden’) te worden verleend voor het geluid van de Europaweg. Middels een planregel wordt geborgd dat hier bij de uitwerking aan wordt voldaan en dat ook de aanvullende randvoorwaarden in acht worden genomen. Voor nieuwe woningen binnen het plangebied: Europaweg: 58 dB
Maatregelen ter verbetering van de geluidssituatie zijn redelijkerwijs niet voorhanden. Op de betreffende weg ligt al een (licht) geluidsreducerend wegdek en geluidsschermen zijn in een dergelijke binnenstedelijke situatie vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk.
4.2 Pandbelastingen De hierboven geschetste contouren geven globaal aan in welke gebieden een hoog geluidsniveau kan voorkomen. Wanneer het plangebied is volgebouwd, zullen interne afschermingen en reflecties voor een ander akoestisch plaatje zorgen. Om dit te onderzoeken, en om te kijken of het haalbaar is om voor elke woning een geluidsluwe gevel te creëren, zijn er ook berekeningen uitgevoerd op basis van de gewenste stedenbouwkundige invulling gecombineerd met de maximale toegestane bouwhoogte van 13 meter die in het rekenmodel is verwerkt. 4.2.1
Europaweg
Onderstaande figuren laten de maximale geluidbelasting (inclusief aftrek ex art. 110g Wgh) vanwege de Europaweg zien op de nog geplande woningen in de bouwvlakken met specifieke bouwaanduidingen. Er is ingezoomd op het noordelijke en zuidelijke gedeelte van het plangebied. Tot slot zijn er 3D-figuren weergeven met de pandbelastingen waarin de geluidbelasting met een kleur zijn weergegeven. Akoestisch onderzoek Chw BP Máximapark | 11 december 2024
12/21
Ontwikkelorganisatie Ruimte | Team Lucht Geluid & Trillingen | 030 - 286 00 00
Figuur 4: Hoogst berekende geluidbelasting vanwege de Europaweg, noordelijke deel plangebied
Figuur 5: Hoogst berekende geluidbelasting vanwege de Europaweg, zuidelijke deel plangebied
Akoestisch onderzoek Chw BP Máximapark | 11 december 2024
13/21
Ontwikkelorganisatie Ruimte | Team Lucht Geluid & Trillingen | 030 - 286 00 00
Uit de resultaten valt op te maken dat nergens de van toepassing zijnde maximale ontheffingswaarde van 58 dB wordt overschreden op de gevel. De maximale geluidbelasting op de woning die het dichtst bij de Europaweg ligt, bedraagt 55 dB. De volgende 3D-figuren laten zien dat iedere geprojecteerde woning een gevel heeft met een geluidbelasting die voldoet aan de voorkeursgrenswaarde (= geluidluw). Geluidbelastingen onder de voorkeursgrenswaarde zijn groen gekleurd.
Figuur 6: 3D impressie geluidbelasting Europaweg gezien vanaf het noorden
Akoestisch onderzoek Chw BP Máximapark | 11 december 2024
14/21
Ontwikkelorganisatie Ruimte | Team Lucht Geluid & Trillingen | 030 - 286 00 00
Figuur 7: 3D impressie geluidbselasting Europaweg gezien vanaf de achterzijde
4.3 Cumulatie Zoals in hoofdstuk 2 is vermeld, dient er een afweging van het gecumuleerde geluidsniveau plaats te vinden als de voorkeurswaarde vanwege meerdere geluidsbronnen wordt overschreden. Dit geldt alleen voor geluidsbronnen die onder Wet geluidhinder vallen; 30 km/u wegen horen hier dus niet bij. Aangezien de voorkeurswaarde niet vanwege meer dan één weg wordt overschreden binnen het plangebied, is er geen aanleiding voor een verdere beschouwing van het gecumuleerde geluidsniveau.
4.4 Luwe gevels Aangezien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, zal elke woning conform het gemeentelijke beleid ter compensatie de beschikking moeten hebben over een luwe gevel, een rustige buitenruimte en een akoestisch gunstige woningindeling. Uit het onderzoek blijkt dat dit voor alle geprojecteerde woningen het geval is. Bij een nadere/andere uitwerking van het plan zal dit opnieuw nader gedetailleerd moeten worden uitgezocht.
Akoestisch onderzoek Chw BP Máximapark | 11 december 2024
15/21
Ontwikkelorganisatie Ruimte | Team Lucht Geluid & Trillingen | 030 - 286 00 00
5
Conclusie
Het plangebied ligt binnen de vanuit de Wet geluidhinder relevante geluidszones van de Europaweg en de Huis te Vleutenbaan/Stroomrugbaan. De bouwkavels met een specifieke bouwaanduiding in het bestemmingsplan waar nieuwe woningen worden toegestaan en waar dit onderzoek op toeziet liggen echter niet binnen de zone van laatstgenoemde weg. De Huis te Vleutenbaan/Stroomrugbaan is daarom niet verder onderzocht. Uit het geluidsonderzoek volgt dat de Europaweg zorgt voor een geluidbelasting tot aan de maximale ontheffingswaarde van 58 dB in de gebieden met de bestemming wonen. De maximale geluidbelasting (inclusief aftrek ex art. 110g Wgh) vanwege de Europaweg op de nog geplande woningen in de bouwvlakken met specifieke bouwaanduidingen bedraagt maximaal 55 dB. Voor dit plan moet, parallel aan de ruimtelijke procedure, een hogere waarde procedure worden
doorlopen. Voor dit plan zal de volgende ontheffing (‘hogere waarden’) moeten worden verleend: Voor woningen: Europaweg: maximaal 58 dB Ten einde de geluidskwaliteit te borgen bij de uitwerking van het bestemmingsplan zal in de planregels de volgende regel worden toegevoegd bij de geluidsgevoelige bestemmingen. 'Voor het realiseren en
veranderen van een geluidsgevoelige bestemming dient vast te staan dat de geluidbelasting de voorkeursgrenswaarde ingevolge de Wet geluidhinder of de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting (de hogere waarde) ingevolge het besluit Hogere waarde met in achtneming van de in dit besluit gestelde voorwaarde(n), niet overschrijdt.'
Akoestisch onderzoek Chw BP Máximapark | 11 december 2024
16/21
Ontwikkelorganisatie Ruimte | Team Lucht Geluid & Trillingen | 030 - 286 00 00
Bijlage 1: Verkeersgegevens In deze bijlage zijn de verkeersgegevens weergegeven van de volgende wegen: -
Europaweg (van zuid naar noord);
De gebruikte verkeersintensiteiten zijn afkomstig uit het verkeersmodel VRU 3.4utr 2030.
Akoestisch onderzoek Chw BP Máximapark | 11 december 2024
17/21
Ontwikkelorganisatie Ruimte | Team Lucht Geluid & Trillingen | 030 - 286 00 00
Akoestisch onderzoek Chw BP Máximapark | 11 december 2024
18/21
Ontwikkelorganisatie Ruimte | Team Lucht Geluid & Trillingen | 030 - 286 00 00
Akoestisch onderzoek Chw BP Máximapark | 11 december 2024
19/21
Ontwikkelorganisatie Ruimte | Team Lucht Geluid & Trillingen | 030 - 286 00 00
Akoestisch onderzoek Chw BP Máximapark | 11 december 2024
20/21
Ontwikkelorganisatie Ruimte | Team Lucht Geluid & Trillingen | 030 - 286 00 00
Akoestisch onderzoek Chw BP Máximapark | 11 december 2024
21/21
Utrecht
Bijlage 2
Besluit hogere waarden
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Maximapark" (vastgesteld)
27
12 december 2024 HW1298
BESLUIT WET GELUIDHINDER
Onderwerp: Vaststelling hogere waarden voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting ingevolge Wet geluidhinder
BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN UTRECHT Besluiten tot het vaststellen van hogere waarden Wet geluidhinder voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting ten behoeve van het Chw bestemmingsplan Máximapark.
1. Projectbeschrijving Het betreft het planologisch toestaan van nieuwe woningen. Materieel betreft het een omzetting van de bouwvlakken uit de beheersverordening ‘De Meern Noord, Máximapark, Vogelenbuurt, Wittevrouwen’. Omdat de bouwmogelijkheden opnieuw worden vastgesteld dient afgewogen te worden of ten aanzien van geluid nog steeds sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Procedure Op de voorbereiding van het besluit over de vaststelling van hogere waarden is overeenkomstig artikel 110c Wet geluidhinder, Afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
2. Zienswijzen Het ontwerp-bestemmingsplan heeft van 15 december 2023 tot en met 25 januari 2024 ter inzage gelegen. Naar aanleiding van het ontwerp-bestemmingsplan zijn binnen de termijn geen zienswijzen ingediend die een relatie hebben met het gestelde in de Wet geluidhinder.
3. Overwegingen 1.
Voor het plangebied is een procedure gestart om te komen tot vaststelling van een bestemmingsplan.
2.
Het plangebied ligt in de geluidzones van de Europaweg en de Huis te Vleutenbaan/Stroomrugbaan (allen in “stedelijk gebied”, zie artikel 1 Wet geluidhinder). De bouwkavels met een specifieke bouwaanduiding liggen echter buiten de zone van de Huis te Vleutenbaan/Stroomrugbaan. Hierdoor is voor het gestelde in de Wet geluidhinder alleen de Europaweg relevant.
3.
Bij het doorlopen van een bestemmingsplanprocedure voor een plan dat in de zone van een weg (artikel 74 Wet geluidhinder) ligt, mag de geluidsbelasting op woningen binnen de zone niet hoger zijn dan de zogenaamde voorkeursgrenswaarde, in casu 48 dB (artikel 82 Wet geluidhinder).
4.
Artikel 83, tweede lid Wet geluidhinder, biedt de mogelijkheid om in stedelijk gebied woningen te realiseren met een hogere geluidsbelasting vanwege wegverkeer dan de voorkeurgrenswaarde tot maximaal 63 dB. De gemeente Utrecht heeft het beleid voor uitleggebieden, zoals Leidsche
HW 1298 pagina 1 van 4
Rijn, voor nieuwe geluidgevoelige bestemmingen een hogere waarde te verlenen tot maximaal 58 dB. 5.
De geluidsbelasting ten gevolge van de Europaweg overschrijdt de waarde van 58 dB niet.
6.
Burgemeester en wethouders maken gebruik van hun bevoegdheid tot het vaststellen van een hogere waarde (artikel 110a Wet geluidhinder) omdat verdergaande geluidsbeperkende maatregelen stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige en financiële aard. De Europaweg is reeds voorzien van een geluidsreducerend wegdek.
7.
Alle nieuwe woningen zullen overeenkomstig het gemeentelijk beleid (Geluidnota Utrecht 20142018) de beschikking dienen te hebben over een geluidsluwe gevel.
8.
De vast te stellen hogere waarden zullen, overeenkomstig artikel 110a, zesde lid Wet geluidhinder, niet leiden tot een onaanvaardbare geluidsbelasting.
Besluit Gelet op bovenstaande hebben burgemeester en wethouders van Utrecht besloten een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting voor nieuwe geluidgevoelige bestemmingen voor het Chw bestemmingsplan Máximapark als volgt vast te stellen: -
1.
maximaal 58 dB vanwege de Europaweg
Aan het besluit worden voor nieuwe woningen met een geluidsbelasting boven de voorkeurswaarde de volgende voorwaarden verbonden: ● Geluidsluwe gevel De woning heeft ten minste één gevel met een geluidsniveau niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde; ● Woningindeling De woning bevat voldoende verblijfsruimte(n) aan de zijde van de geluidsluwe gevel. Dit geldt voor ten minste 30% van het aantal verblijfsruimten of 30% van de oppervlakte van het verblijfsgebied; ● Buitenruimte Indien de woning beschikt over een buitenruimte, dan is deze gelegen aan een gevel waar de geluidsbelasting niet meer dan 5 dB hoger is dan de geluidsluwe gevel. Deze eis geldt voor maximaal één buitenruimte per woning.
2.
Aan het besluit wordt in afwijking van het vermelde onder 1 voor nieuwe onzelfstandige woningen of woningen van 30 m2 of kleiner met een geluidsbelasting boven de voorkeurswaarde de volgende voorwaarde verbonden:
HW 1298 pagina 2 van 4
● Geluidsluwe gevel Tenminste 50% van de woningen dienen in hetzelfde gebouw gesitueerd te zijn aan een gevel met een geluidsbelasting van maximaal 5 dB boven de voorkeursgrenswaarde.
Voor nadere akoestische informatie en onderbouwing wordt verwezen naar de rapporten: •
Akoestisch onderzoek Chw bestemmingsplan Máximapark, d.d. 11 december 2024 met kenmerk VL-24-TM0191 van de Ontwikkelorganisatie Ruimte.
De vastgestelde hogere waarde is het gevolg van een akoestische afweging en toetsing aan de Wet geluidhinder. Zij heeft geen betrekking op andere toetsingskaders en afwegingen die in het kader van de ruimtelijke ordening (kunnen) worden gemaakt.
Burgemeester en wethouders van Utrecht, namens dezen A.I. Teuns Programmamanager Gezond Leefklimaat Dit document is automatisch aangemaakt, hierdoor staat er geen geschreven handtekening onder dit besluit.
HW 1298 pagina 3 van 4
Beroep Belanghebbenden kunnen gedurende zes weken na publicatie van dit besluit beroep aantekenen. Het besluit wordt na afloop van de beroepstermijn van kracht tenzij vóór deze datum beroep is ingesteld en een verzoek wordt gedaan om voorlopige voorziening. Het besluit wordt in dat geval niet van kracht, voordat op dat verzoek is beslist. Het beroepschrift moet worden gericht aan: Raad van State Afdeling Bestuursrechtspraak Postbus 20019 2500 EA Den Haag Het verzoek om voorlopige voorziening moet worden gericht aan de voorzitter van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Voor het instellen van beroep of voorlopige voorziening zijn griffierechten verschuldigd.
HW 1298 pagina 4 van 4
3 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Maximapark" (vastgesteld)
Utrecht
Bijlage 3
Ecologische quickscan
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Maximapark" (vastgesteld)
33
Juni 2025
Ecologische Quickscan Omgevingswet
Hoekelumseboslaan te Utrecht
In opdracht van: Gemeente Utrecht Projectnummer: 2025-034
© 2025 Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, Culemborg Ecologisch Adviesbureau Viridis bv Randweg 30 4104 AC Culemborg T 0345 753 275 E info@bureau-viridis.nl W www.bureau-viridis.nl KvK 110 557 87
Btwnr
NL 820598215B01
IBAN
NL46 TRIO 0198 4486 00
Tekst: Veldonderzoek: Foto’s: Foto voorblad: Projectnummer: Wijze van citeren:
2025-034
In opdracht van: Contactpersoon:
Gemeente Utrecht
Datum: Ondertekening: Paraaf:
12 juni 2025
. Ecologische Quickscan Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht Ecologisch Adviesbureau Viridis, Culemborg, PRNR-2025-034.
Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecologisch Adviesbureau Viridis is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van Ecologisch Adviesbureau Viridis. De opdrachtgever vrijwaart Ecologisch Adviesbureau Viridis voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Ecologisch Adviesbureau Viridis is mede om die redenen lid van het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologische adviesbureaus. Hierdoor zijn wij zo goed mogelijk op de hoogte van de nieuwste ontwikkeling op het gebied van ecologie en wetgeving. Door de inzet van conform de wet ter zake kundige ecologen, waarborgen wij onze onderzoekskwaliteit. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie.
Samenvatting Gemeente Utrecht is voornemens om woningen te laten bouwen en hiervoor voorbereidende werkzaamheden uit te voeren op drie percelen aan de Hoekelumseboslaan/Europaweg. In het kader van deze activiteit is een Ecologische Quickscan Omgevingswet uitgevoerd, waarin de aspecten soortbescherming, gebiedsbescherming en beschermde houtopstanden zijn getoetst. Een samenvatting hiervan is weergegeven in Tabel 1, 2 en 3. Niet genoemde beschermde soorten zijn wel in de Quickscan meegenomen echter konden binnen het plangebied of de invloedsfeer van de activiteit worden uitgesloten. Er is steeds aangegeven of effecten te verwachten zijn en of er vervolgstappen noodzakelijk zijn. Tabel 1 | Samenvatting gebiedsbescherming met effecten en vervolgstappen Gebied
Bescherming
Afstand
Mogelijke Effecten?
Vervolgstappen?
Oostelijke Vechtplassen Nieuwkoopse plassen en de Haeck Uiterwaarden Lek
Natura 2000
6,5 km
Ja
Stikstofberekening
Natura 2000
12,5 km
Natura 2000
12,5 km
Ja Ja
Stikstofberekening Stikstofberekening
Tabel 2 | Samenvatting soortbescherming met aanwezigheid, effecten en vervolgstappen per soortgroep. *zie voor de precieze soorten Hoofdstuk 5. Soort(groep)
Functie
Effecten
Verbodsartikel
Vervolgstappen
Ja, vernietigen verblijfplaatsen en habitat
Art. 11.54 Bal
Vergunningsaanvraag
Ja, vernietigen verblijfplaatsen en habitat
Art. 11.54 Bal
Vergunningsaanvraag
Ja, vernietigen verblijfplaatsen en habitat
Art. 11.54 Bal
Vergunningsaanvraag + onderzoek locatie hoofdburcht
Ja, vernietigen verblijfplaatsen en habitat
Art. 11.54 Bal
Vergunningsaanvraag
Ja, vernietigen verblijfplaats
Art. 11.46 Bal
Nader onderzoek
Ja, vernietigen nestlocaties
Art.11.37 Bal
Vergunningsaanvraag
Algemene broedvogels
Ja, mogelijk vernielen van nest
Art.11.37 Bal
Werken buiten broedseizoen
Rugstreeppad – landhabitat Teunisbloempijlstaart – voortplantingshabitat
Ja, doden/aantasten van dieren
Art. 11.46 Bal
Preventieve maatregelen
Ja, doden eitjes, rupsen en poppen
Art. 11.46 Bal
Nader onderzoek
Ja
Specifieke zorgplicht (Art. 11.27 Bal)
Mitigerende maatregelen
Bunzing – verblijfplaats& essentieel habitat Wezel – verblijfplaats& essentieel habitat Konijn – verblijfplaats& essentieel habitat Haas – verblijfplaats& essentieel habitat Boombewonende vleermuizen*verblijfplaats Boerenzwaluw – nestlocatie
Rode-Lijstsoorten Habitatrichtlijn bijlage II & V
Tabel 3 | Samenvatting beschermde houtopstanden met vervolgstappen Houtopstanden
Aanwezig?
Bescherming
Verbodsartikel
Vervolgstappen?
Houtopstanden
Ja
Omgevingsplan
Art. 11.111 Bal
potentieel kapmelding en herplantingsplicht
Er dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar boombewonende vleermuizen en teunisbloempijlstaart. Het uitvoeren van nader onderzoek dient plaats te vinden in specifieke periodes. Vanwege de hier relevante soorten dient nader onderzoek uitgevoerd te worden in de periode van 15 mei t/m 30 september. Ons advies is voor september contact met ons op te nemen over de uitvoering van dit nader onderzoek om voldoende onderzoekscapaciteit te garanderen.
Deze samenvatting is bedoeld om een globaal overzicht te verkrijgen van het uitgevoerde onderzoek en de daaruit verkregen resultaten. Voordat de activiteit uitgevoerd kan worden is het echter noodzakelijk om met name hoofdstuk 6 ‘Vervolgstappen’ aandachtig door te nemen. De in dit rapport opgenomen onderzoeksresultaten hebben een geldigheidsduur van 3 jaar na uitvoering van het onderzoek, wanneer de activiteit niet binnen deze periode uitgevoerd wordt is nieuw onderzoek noodzakelijk.
Inhoud 1
2
3
Aanleiding ..................................................... 1
5.3.1 5.4
Effectbeoordeling vleermuizen ......... 15
1.1
Situatie .......................................................... 1
Vogels ......................................................... 16
1.2
Beschrijving van het plangebied ................... 1
1.3
Probleemstelling ........................................... 1
5.5
Vissen.......................................................... 17
1.4
Geldigheid onderzoek ................................... 2
5.6
Amfibieën ................................................... 17
5.4.1
Onderzoeksmethode ...................................... 6
5.6.1
Effectbeoordeling vogels ................... 17
Effectbeoordeling amfibieën ............. 18
2.1
Literatuuronderzoek ..................................... 6
5.7
Reptielen .................................................... 18
2.2
Veldonderzoek .............................................. 6
5.8
Ongewervelden .......................................... 19
2.3
Effectenanalyse ............................................. 6
5.8.1
Gebiedsbescherming ...................................... 7 3.1
Natura 2000-gebieden .................................. 7
3.1.1
Effectbeoordeling Natura 2000 ........... 7
3.1.2
Conclusie Natura 2000 ......................... 8
3.2
6
Effectbeoordeling ongewervelden .... 19
5.9
Rode Lijst en HR Bijlage II & V .................... 19
5.10
Exoten .................................................... 19
5.11
Utrechtse soortenlijst ............................ 19
Vervolgstappen ............................................ 22
Natuurnetwerk Nederland (NNN) ................. 8
6.1
Gebiedsbescherming .................................. 22
Conclusie NNN .................................................... 8
6.2
Houtopstanden ........................................... 22
4
Houtopstanden ............................................ 10
6.3
Soortbescherming ...................................... 22
5
Soortbescherming ........................................ 11
6.3.1
Maatregelen soortbescherming ........ 23
5.1
Vaatplanten................................................. 11
6.3.2
Natuurinclusieve maatregelen .......... 24
5.2
Grondgebonden zoogdieren ....................... 12
6.3.3
Nader onderzoek beschermde soorten 24
5.2.1 Effectbeoordeling grondgebonden zoogdieren ........................................................ 14 5.3
Vleermuizen ................................................ 14
7
Literatuurlijst ............................................... 26
Bijlage A. Wettelijk kader .......................................1
1 Aanleiding 1.1
Situatie
Gemeente Utrecht is voornemens om woningen te laten bouwen en hiervoor voorbereidende werkzaamheden uit te voeren op drie percelen aan de Hoekelumseboslaan/Europaweg. Deze activiteit heeft mogelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten en is daarom een floraen fauna-activiteit. Daarbij is er ook kans op het overtreden van verbodsbepalingen met betrekking tot beschermde dieren en planten. Daarnaast kan de activiteit een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden en is dan een Natura 2000-activiteit. Ook kunnen er effecten zijn op het Natuurnetwerk Nederland en op beschermde houtopstanden. In Bijlage A vindt u meer informatie over de Omgevingswet. Voorafgaand aan de activiteit is een onderzoek uitgevoerd naar het mogelijke voorkomen van beschermde natuurwaarden middels een Ecologische Quickscan Omgevingswet (Quickscan). Het doel van dit onderzoek is om te onderzoeken of door de activiteit en de werkzaamheden die in dat kader worden uitgevoerd een overtreding van de Omgevingswet kan worden verwacht. En zo ja, wat de benodigde vervolgstappen zijn om de activiteit in overeenstemming met de huidige wet- en regelgeving uit te voeren? In onderliggend rapport worden de kaders, uitvoering, resultaten en effectbeoordeling van deze toetsing beschreven.
1.2
Beschrijving van het plangebied
Perceel 1 is het grootst en bestaat uit verruigd grasland waarin een sloot aanwezig is die wordt begeleid door opgaande vegetatie. Vanwege de aanwezigheid van de sloot bevat dit perceel een vochtigere bodem wat terug is te zien in de aanwezigheid van riet en harig wilgenroosje. Harig wilgenroosje kan gebruikt worden als waardplant van teunisbloempijlstraart. In grote delen wordt de
vegetatie echter gedomineerd door braam. De bodem ligt bezaaid restanten van vermoedelijk gemaaide braam. Dit geeft de impressie dat dit suk voorheen veel meer braamstruweel bevatte dan nu, maar dat dit recent is gemaaid/gechopperd waardoor andere plantensoorten nu dominanter aanwezig zijn. De zuidwestelijke grens van perceel 1 bevat daarnaast nog dicht begroeide opgaande vegetatie waarin een tekkenhoop aanwezig is. Perceel 1 bevat verreweg de meeste potentie voor natuurwaarden vanwege de diversiteit aan habitats en de aanwezigheid van rustige beschutte hoekjes. De overige twee percelen zijn in particulier bezit en omvatten intensief beheerde tuinen die ecologisch gezien minder interessant zijn. Dit neemt overigens niet weg dat hier beschermde soorten aanwezig kunnen zijn. Perceel 2 en 3 zijn erg vergelijkbaar omdat beide bestaan uit kort gemaaid gras en dichte heggen en struiken, al verschillen de verhoudingen van deze elementen tussen de twee percelen. Perceel twee bevat daarnaast een oude paardenstal. In Figuur 1.1 en Afbeelding 1.1 t/m 12 is een impressie weergegeven van het plangebied en de directe omgeving.
1.3
Probleemstelling
Om goed voorbereid te zijn op eventueel noodzakelijke maatregelen of vergunningsaanvraag in het kader van de Omgevingswet geeft een Ecologische Quickscan antwoord op de volgende onderzoeksvragen: Gebiedsbescherming Zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden te verwachten en is een Voortoets noodzakelijk? Zijn significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland te verwachten en is een ‘Nee tenzij’ toets noodzakelijk?
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
1
Soortbescherming Zijn in het plangebied beschermde soorten1 en/of beschermde functies van deze soorten aanwezig of te verwachten? Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen activiteit en de in dat kader benodigde werkzaamheden? Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen middels preventieve maatregelen? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? Is het noodzakelijk nader onderzoek naar beschermde soorten uit te voeren? Houtopstanden Worden er houtopstanden geveld waarop de regels van de Omgevingswet van toepassing zijn en is daardoor een meldings- en herplantingsplicht van toepassing? Voorliggend rapport geeft advies met betrekking tot de mogelijkheden om de geplande activiteit in overeenstemming met de Omgevingswet uit te voeren voor wat betreft het aspect natuur. Uiteindelijk wordt daarmee de vraag beantwoord: Wat zijn de benodigde vervolgstappen om de activiteit in overeenstemming met de Omgevingswet uit te voeren?
1.4
Geldigheid onderzoek
Deze Quickscan is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen (provincies) hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn”. De resultaten van deze Quickscan zijn dus drie jaargeldig, tenzij er na het uitvoeren van deze Quickscan er duidelijke ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen optreden. Indien zulke veranderingen optreden, of de termijn van drie jaar verstreken is zal de Quickscan moeten worden geactualiseerd. Dit rapport gaat in op de effecten van de activiteit zoals beschreven in paragraaf 1.1. Wijzigingen of aanpassingen in de activiteit kunnen leiden tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten en gebieden. Soms is de precieze uitvoering van de werkzaamheden ten tijde van de Quickscan nog niet bekend en wordt daarom gewerkt met verschillende scenario’s waarbij de effecten op bepaalde soorten of gebieden kunnen variëren.
1
Beschermde soorten: alle onder de Omgevingswet beschermde soorten in de provincie Utrecht.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
2
Figuur 1.1 | Overzicht plangebied.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
3
Afbeelding 1.1 | Verruigd grasland in perceel 1
Afbeelding 1.2 | Er is bramenstruweel aanwezig in perceel 1.
Afbeelding 1.3 | Perceel 1 bevat opgaande vegetatie aan de zuidwestelijke grens.
Afbeelding 1.4 | De sloot in de perceel 1 heeft geen watervegetatie. In het water zijn wel boomwortels en dood hout aanwezig. De oevers bevatten soms riet en andere oevervegetatie
Afbeelding 1.5 | Er zijn verschillende wildwissels in perceel 1 aanwezig.
Afbeelding 1.6 | Takkenhoop van snoeiafval verborgen in de opgaande vegetatie.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
4
Afbeelding 1.7 | In perceel 1 zijn verschillende hazenlegers aangetroffen.
Afbeelding 1.8 | Perceel 2 bevat voornamelijk kort gazon en heggen.
Afbeelding 1.9 | Oude paardenstal in perceel 2.
Afbeelding 1.10 | In de stal zijn verschillende nesten van boerenzwaluw aanwezig.
Afbeelding 1.11 | Perceel 3 bevat kort gazon, heg en een grotere struik.
Afbeelding 1.12 | Direct ten oosten van perceel 3 staat een rij geknotte elzen met holtes.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
5
2 Onderzoeksmethode De onderzoeksvragen worden beantwoord door het doen van literatuur- en veldonderzoek. Vervolgens wordt een toetsing uitgevoerd aan de natuurgerelateerde bepalingen in de Omgevingswet. Er wordt gekeken naar het voorkomen van beschermde soorten en de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden of houtopstanden. Vervolgens wordt gekeken of de voorgenomen activiteit negatieve gevolgen op deze soorten, natuurgebieden of houtopstanden veroorzaakt. Het uitvoeren van de Quickscan is gedaan door een ecologisch deskundige2 die specifieke ervaring heeft met dit type onderzoeksgebied. De gebruikte onderzoeksmethoden worden hieronder beschreven.
2.1
Literatuuronderzoek
Voor het literatuuronderzoek naar beschermde gebieden, soorten en houtopstanden is o.a. gebruik gemaakt van informatiebronnen beschikbaar gesteld door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Provinciale Omgevingsvisie. Daarnaast zijn verspreidingsgegevens uit het archief van Bureau Viridis, de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), verspreidingsatlassen en vrij beschikbare verspreidingsgegevens van soortenorganisaties gebruikt van minimaal de laatste 10 jaar binnen een straal van minimaal 3 kilometer rondom het plangebied. De gebruikte bronnen staan vermeld in hoofdstuk 7. De resultaten van het literatuuronderzoek hebben uitgewezen welke beschermde soorten in de omgeving van het plangebied verwacht kunnen worden. Tijdens het veldbezoek is speciale aandacht besteed aan het mogelijke voorkomen van deze soorten. Daarnaast is ook specifiek literatuuronderzoek verricht naar het voorkomen van soorten van bijlage II en V van de Habitatrichtlijn en Rode-Lijstsoorten. Voor literatuuronderzoek naar houtopstanden is gebruik gemaakt van 2
Zoals bedoeld in Art. 7.197j lid 2a van de Or, d.w.z. een persoon met aantoonbare specifieke ecologische kennis en ervaring, die ecologisch advies versterkt of werkzaamheden begeleidt op het gebied van situaties, habitats en soorten.
bestaande digitale kaarten van de bebouwingscontour houtkap van de betreffende gemeente.
2.2
Veldonderzoek
Bureau Viridis heeft op 1 mei 2025 een veldbezoek uitgevoerd. Bij het veldbezoek is op basis van geografische ligging, terreingesteldheid en expert judgement beoordeeld of in en rond het plangebied beschermde natuurwaarden kunnen voorkomen of dat er voor beschermde soorten geschikt leefgebied aanwezig is. Tijdens het onderzoek is de relevante directe omgeving van het plangebied eveneens onderzocht op de potentie voor beschermde soorten. Op deze manier zijn de uitstralingseffecten van de activiteit bepaald. Naast beschermde soorten is er ook specifiek gelet op soorten van bijlage II en V van de Habitatrichtlijn, RodeLijstsoorten en de aanwezigheid van geschikt habitat voor te verwachten soorten van deze lijsten binnen het plangebied. Tot slot is tijdens het veldbezoek ook aandacht uitgegaan naar invasieve exoten3.
2.3
Effectenanalyse
De uit het literatuuronderzoek en veldonderzoek verkregen gegevens van beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden zijn geanalyseerd om na te gaan of er bij de uitvoering van de activiteit mogelijk verbodsbepalingen van de Omgevingswet worden overtreden. Als blijkt dat er beschermde natuurwaarden zijn die mogelijk negatieve effecten kunnen ondervinden van de plannen is dit beschreven in de voorliggende rapportage. Wanneer mogelijk worden alternatieven of maatregelen voorgesteld om negatieve effecten te voorkomen (preventie) of verzachten (mitigatie). Indien de aanwezigheid van de soorten en/of de negatieve effecten nader onderzoek behoeft, wordt dit aangeven in de toetsing.
3
Invasieve exoten zijn uitheemse soorten die schadelijk zijn voor inheemse natuur. Dit betreffen zowel soorten die opgenomen zijn in de EU-exotenverordening (Unielijst) als andere invasieve soorten zoals Japanse duizendknoop en watercrassula.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
6
3 Gebiedsbescherming In dit hoofdstuk wordt bescherming van gebieden – namelijk, Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland – welke voor een initiatiefnemer van belang is behandeld. Bescherming van deze gebieden is geregeld in de Omgevingswet, echter zijn Natura 2000-gebieden vanuit het Rijk vastgesteld en NNN door de provincie in de Provinciale Structuurvisie.
plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ ligt op een afstand van ongeveer 6,5 kilometer (Figuur 3.1).
Naast de gebiedsbescherming geldt ook een algemene zorgverplichting (artikel 1.2 Omgevingswet) voor de gehele fysieke leefomgeving. Ook de niet-beschermde gebieden vallen hier dus onder. Deze verplichting beoogt het voorkomen of beperken van de schade aan in het wild levende soorten en gebieden. Bij elke project dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht, zie ook Bijlage A.
3.1.1 Effectbeoordeling Natura 2000 Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is geen sprake. Het nabijgelegen Natura 2000-gebied ligt op voldoende ruime afstand dat geen negatieve invloed verwacht wordt van factoren die slechts een korte reikwijdte hebben, zoals bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting. De enige factor die op grotere afstand werkzaam is en op basis van zijn reikwijdte van invloed kan zijn, betreft stikstofdepositie.
3.1
Natura 2000-gebieden
Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Hierbij zijn er specifieke instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd per gebied. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kunnen mogelijk leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Wanneer dergelijke effecten mogelijk kunnen worden verwacht, dient door middel van een Voortoets op voorhand getoetst te worden wat de effecten van een project tijdens de uitvoerfase en gebruiksfase zijn op de ter plaatse aangewezen habitattypen en -soorten. Indien het niet mogelijk is om significante negatieve effecten op voorhand uit te sluiten is er sprake van een vergunningsplicht en moet een ‘Passende beoordeling’ uitgevoerd worden. Dit is afhankelijk van of de plannen wel of niet van significant negatieve invloed kunnen zijn. In deze toetsing worden de projecten,
4
ECLI:NL: RVS: 2022:3159
Na de tussenuitspraak van de Raad van State van 2 november 20224 inzake het Porthos-project is de partiële bouwvrijstelling, welke van kracht was sinds juli 2021, komen te vervallen. Op 16 augustus 20235 heeft de Raad van State geoordeeld dat het Porthos-project wél doorgang kan vinden omdat significante gevolgen van de depositie van stikstof kunnen worden uitgesloten. In één provincie (Noord-Brabant) is inmiddels een bouwvrijstelling weer in werking getreden, onder de voorwaarden dat er geen sprake is van depositie in de gebruiksfase en dat het onderbouwd is met een voldoende gedegen ecologische Voortoets waarin rekening is gehouden met specifieke lokale omstandigheden. In de andere provincies geldt dit vooralsnog niet. Zowel in het kader van bestemmingsplanwijzigingen als omgevingsvergunningprocedures zal naast de gebruiksfase ook de bouwfase moeten worden onderzocht. In de uitvoerende fase kan een tijdelijke verhoging van stikstofdepositie plaatsvinden ten gevolge van uitstoot van het bouwverkeer en machines die tijdens werkzaamheden gebruikt worden. In Natura 5 ECLI:NL: RVS: 2023:3129
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
7
2000-gebied ‘Oostelijke vechtplassen’ zijn stikstofgevoelige habitattypen aanwezig op een afstand van ongeveer 6,5 kilometer vanaf het plangebied. Dit geldt ook voor de Natura 2000-gebieden ‘Nieuwkoopse Plassen en De Haeck’ en ‘Uiterwaarden Lek’, welke beide ongeveer 12,5 kilometer verwijderd liggen van het plangebied. Een stikstofberekening is daarom nodig om de mate van stikstofdepositie als gevolg van de werkzaamheden op deze stikstofgevoelige habitattypen vast te stellen. 3.1.2 Conclusie Natura 2000 Het is noodzakelijk om een stikstofberekening in het kader van de omliggende Natura 2000-gebieden uit te voeren. Voor het uitvoeren van een stikstofberekening zijn gedetailleerde gegevens over het in te zetten materieel en het aantal gebruiksuren noodzakelijk. Bureau Viridis heeft niet de expertise in huis om een stikstofberekening uit te voeren, maar kan u wel doorverwijzen naar een collega-bureau welke de berekeningen kan uitvoeren.
3.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het NNN vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de aangewezen gebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in het (gemeentelijke) Omgevingsplan. Een ‘Nee, tenzij’-toets dient te worden uitgevoerd wanneer ruimtelijke ontwikkelingen geheel of gedeeltelijk binnen de begrenzing van het NNN plaatsvinden en negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden. Hierin wordt beoordeeld of er significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden als gevolg van de voorgenomen activiteit. Conclusie NNN Voor dit project is het uitvoeren van een ‘Nee, Tenzij’toets niet nodig omdat het plangebied buiten de begrenzing van het NNN ligt (Figuur 3.2)
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
8
Figuur 3.1 | Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000
Figuur 3.2 | Ligging plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
9
4 Houtopstanden In de Omgevingswet is de bescherming van houtopstanden opgenomen. Voor bepaalde houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (zoals bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving) geldt een meldings- en herplantingsplicht. Een houtopstand is beschermd als het een eenheid van bomen of struiken betreft met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder dit voorafgaand te melden bij de provincie. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. De bovenstaande bescherming geldt echter niet voor houtopstanden op erven of in tuinen, fruitbomen, windschermen om boomgaarden, naaldbomen bedoeld om te dienen als kerstboom, kweekgoed, bepaalde beplantingen van wilgen of populieren, bepaalde beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa en houtopstanden binnen de - bij besluit van de gemeenteraad - vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden bovenstaande regels niet.
provincies hebben verordeningen vastgesteld waarin is geregeld hoe een kapmelding moet worden ingediend, waaraan herbeplanting moet voldoen en wanneer een afwijking van de herbeplantingsplicht wordt toegestaan middels een maatwerkvoorschrift. Sommige provincies hebben ook beleidsregels vastgesteld waarin bijvoorbeeld is aangegeven wanneer een kapverbod wordt opgelegd. De Omgevingswet beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap. Waar de grens van de “bebouwingscontour houtkap” ligt wordt bepaald door de gemeenteraad. Binnen de bebouwde kom geldt meestal een kapverbod op grond van het Omgevingsplan of een gemeentelijke bomenverordening. Daarnaast kunnen gemeenten ook regels stellen voor bomen buiten de bebouwde kom, bijvoorbeeld in een bestemmingsplan. Er worden geen houtopstanden geveld waar de regels van de Omgevingswet op van toepassing zijn. Aangezien het plangebied binnen de door de gemeente Utrecht vastgestelde bebouwingscontour houtkap ligt, geldt hier het omgevingsplan. Er geldt mogelijk een kapverbod, waarvoor een vergunning dient te worden aangevraagd bij de gemeente. De opdrachtgever dient hier zelf zorg voor te dragen.
De provincie kan regels stellen ten aanzien van de meldingsplicht en de plicht tot herbeplanting. Alle
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische QS Omgevingswet Hoekelumseboslaan te Utrecht
10
5 Soortbescherming Dier- en plantensoorten zijn verdeeld in drie categorieën en worden in meer of mindere mate beschermd: Vogelrichtlijnsoorten, hieronder vallen alle inheemse vogelsoorten (artikel 11.37 Bal); Habitatrichtlijnsoorten (artikel 11.46 Bal); Nationaal beschermde soorten (artikel 11.54 Bal). Per wetsartikel gelden een aantal verbodsbepalingen die mogelijk overtreden worden bij de geplande activiteit. Dit houdt onder andere verband met de bescherming van nesten, verblijfplaatsen, voortplantingsbiotoop en een verbod op het doden of verwonden van beschermde soorten. Op deze verbodsbepalingen gelden enkele uitzonderingen. Zo is provinciaal een vrijstellingslijst vastgesteld met daarop een aantal soorten waarvoor deze verbodsbepalingen niet gelden. Ook kan er in specifieke gevallen gewerkt worden volgens een ministerieel goedgekeurde gedragscode waarin voorschriften opgenomen zijn om de effecten te beperken. Naast de verbodsartikelen voor beschermde soorten en gebieden is er ook een specifieke zorgplicht (artikel 11.27 Bal) die naast beschermde soorten ook geldt voor Rode-Lijstsoorten en soorten van de bijlage II en V van de Habitatrichtlijn. Deze verplichting beoogt het voorkomen of beperken van schade aan in het wild levende soorten.
In de paragrafen over specifieke soortgroepen worden enkel de strikt beschermde soorten besproken, soorten die onder deze specifieke zorgplicht vallen worden in paragraaf 5.9 Rode Lijst en HR Bijlage II & V behandeld. Soorten die zowel strikt beschermd zijn als onder de specifieke zorgplicht vallen worden enkel in paragraaf 5.9 behandeld wanneer de bescherming van habitat niet onder de soortbescherming al geborgd is (algemene broedvogels). Hieronder worden de resultaten van het literatuur- en veldonderzoek per soortgroep besproken. Voor elke soortgroep is een effectenbeoordeling opgenomen waarin helder wordt beschreven of er negatieve effecten op beschermde soorten worden verwacht en of er,
indien van toepassing, preventieve maatregelen mogelijk zijn om deze effecten te voorkomen.
5.1
Vaatplanten
Op basis van de NDFF (2025) blijken de volgende beschermde vaatplanten in de omgeving bekend te zijn: akkerboterbloem (Ranunculus arvensis), akkerdoornzaad (Torilis arvensis), akkerogentroost (Odontites vernus subsp. vernus), brede wolfsmelk (Euphorbia platyphyllos), dreps (Bromus secalinus), groot spiegelklokje (Legousia speculum-veneris), grote leeuwenklauw (Aphanes arvensis), kartuizer anjer (Dianthus carthusianorum), kleine wolfsmelk (Euphorbia exigua), kluwenklokje (Campanula glomerata), naakte lathyrus (Lathyrus aphaca), naaldenkervel (Scandix pecten-veneris), wilde ridderspoor (Consolida regalis) en wilde weit (Melampyrum arvense). Akkerboterbloem, akkerdoornzaad, akkerogentroost, brede wolfsmelk, dreps, groot spiegelklokje, grote leeuwenklauw, kleine wolfsmelk, naakte lathyrus, naaldenkervel, wilde ridderspoor en wilde weit zijn allen zeer zeldzame vaatplanten die kenmerkend zijn voor ouderwetse graanakkers (NDFF, 2025). Binnen de zoekradius zijn deze soorten op basis van de NDFF alleen lokaal zeer abundant aanwezig in de akkers van Landgoed Haarzuilens. In dit gebied is bekend dat er veel soorten zijn ingezaaid (waaronder voor de ‘Idylle’, aangelegd door De Vlinderstichting).