Chw bestemmingsplan Jutfaseweg 178, Rivierenwijk_Toelichting.pdf
Tekst van het document
De naoorlogse aanbouwen aan de zijkant en achterzijde van het monument worden gesloopt. Hierdoor komt de voormalige tegelfabriek meer zelfstandig in de ruimte en vrij aan de straat te liggen. De bijzondere beeldbepalende positie van het monument is een belangrijk uitgangspunt voor het slagen van deze ontwikkeling. Om de bijzondere positie van het monument te behouden dient het nieuw te realiseren appartementengebouw in de rooilijn van de bestaande woonbebouwing aan de Jutfaseweg te worden gesitueerd.
4 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Jutfaseweg 178, Rivierenwijk" (vastgesteld)
Utrecht
Stedenbouwkundig plan (Bron: VOF Architects/Urban Design b.v.) Nieuwbouw binnengebied Aan de zijde van de Jutfaseweg bepaalt het bestaande monument en de nieuwe appartementen het beeld. De lagere bebouwing aan de achterzijde van het perceel sluit aan bij de bestaande woonbebouwing achter het perceel, van 2 lagen met een kap. Achter het monument zijn geschakelde woningen gesitueerd. De voordeuren van deze woningen zijn aan de zijde van het monument gelegen zodat er een levendige situatie ontstaat tussen het monument en de nieuwe woningen. Dit gebied zal zoveel mogelijk een groene invulling krijgen waardoor prettig is om te verblijven. Aan de zijde van het groene binnengebied krijgen deze woningen een privé buitenruimte welke wordt afgeschermd door een lage groene haag zodat er een verwevenheid ontstaat met het groene binnengebied. Alle grondgebonden woningen worden voorzien van een buitenruimte op maaiveldniveau. Door de tuinen van de herenhuizen zoveel mogelijk rug-aan-rug met de tuinen van de bestaande woningen te realiseren ontstaat er ruimte en lucht tussen de bestaande bebouwing en nieuwe bebouwing. In de noordelijke hoek van het plangebied zijn de bergingen geclusterd. Door de positie van de bergingen ontstaat er eveneens ruimte tussen de nieuwe woningen en bestaande woningen.
Met een bezonningsstudie (Bijlage 2) is inzichtelijk gemaakt wat de te realiseren hoogte van de bebouwing betekent voor bestaande woningen in de omgeving. Vanwege het wegverkeerslawaai dienen de gevels van de appartementen aan de Jutfaseweg een bepaalde mate van gevelwering te bevatten (zie paragraaf geluid). Met de indeling van de plattegronden van de appartementen en rijwoningen is rekening gehouden met de ligging van de woning ten opzichte van de publieke ruimte. Achter de gevels van de bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Jutfaseweg 178, Rivierenwijk" (vastgesteld)
43
appartementen aan de Jutfaseweg liggen afwisselend de woonkamer en de slaapkamer. De smalle rijenwoningen en de herenhuizen (exclusief de hoekwoningen) die grenzen aan het binnengebied, hebben aan de voorzijde op de begane grond de keuken. Dit draagt bij aan een levendig zicht vanaf de publieke ruimte. Naast het perceel aan de noordzijde is een rij woningen gelegen (Jutfaseweg 167 tot 176) welke nu uitkijken op bedrijfsbebouwing. In de nieuwe situatie zullen zij gedeeltelijk grenzen aan het semi-openbare groene binnengebied, wat een verbetering van de leefomgeving betekent. Rivierenwijk is een vrij stenige wijk. Met het nieuwe plangebied wordt een semi-openbaar en publiek toegankelijk groen binnengebied gerealiseerd. Het wordt zo groen mogelijk ingericht. De verharding die echt noodzakelijk is, wordt zoveel mogelijk voorzien van waterdoorlatende bestrating en grasbetontegels. De groene openbare ruimte zal tevens het autogebruik ontmoedigen. Naar aanleiding van de wens van omwonenden en om de nieuwe woningen te verbinden met de bestaande achterliggende wijk wordt er een nieuwe langzaamverkeersverbinding (géén autoverkeer) van de Berkelstraat naar de Jutfaseweg gerealiseerd. Dit zorgt er voor dat omwonenden ook gebruik kunnen maken van het nieuw te realiseren groene binnengebied.
Onder de appartementen aan de Jutfaseweg worden op maaiveld niveau, uit het zicht, parkeerplaatsen gerealiseerd. In de zuidwesthoek is een parkeercluster op maaiveld gecreëerd. Het parkeren vindt hierdoor volledig uit het zicht van de bebouwing en beleving van de openbare ruimte plaats. Deze parkeerplaatsen worden toegewezen aan de bewoners van de herenhuizen.
4.2
Verkeer en openbare ruimte
4.2.1
Verkeer
In de mobiliteitsvisie 2040 is opgenomen dat lopen, fietsen en reizen met openbaar vervoer de meest ruimte-efficiënte vormen van mobiliteit zijn en daarom wordt heel veel aandacht besteed aan die vervoerwijzen. Daarnaast zijn lopen en fietsen gezonde vormen van mobiliteit. Dit onderstreept het belang van lopen en fietsen nog meer. De voetganger komt op de eerste plek, op de tweede plek komen fietsers. De belangrijkste keuze in het mobiliteitsplan van de gemeente Utrecht is dat er meer ruimte komt voor voetgangers en fietsers. Het huidige gebied is, behoudens de aansluiting op de Jutfaseweg, volledig afgeschermd van de omliggende straten en verbindingen. In de zuidhoek van het binnenterrein is van oudsher een verbinding aanwezig die nu is afgesloten met een hekwerk. In de nieuwe situatie is er voor gekozen om deze verbinding weer open te stellen voor langzaam verkeer (wandelaars en fietsen aan de hand) om een verbinding te krijgen tussen het nieuwe plan en de Berkelstraat. Op deze manier ontstaat er een nieuwe verbinding in de wijk wat zorgt voor een verbetering van een het fijnmazig netwerk. Deze verbinding tussen het plan is ook tot stand gekomen naar aanleiding van inbreng van de klankbordgroep. Hierbij is nadrukkelijk de wens uitgesproken dat deze nieuwe verbinding alleen wordt gebruikt voor langzaam verkeer te voet en niet voor auto's of als drukke verkeersverbinding.
Dit sluit aan bij de doelstelling van de gemeente Utrecht. Naast fietsen en lopen, is openbaar vervoer ook een belangrijke pijler in het mobiliteitsbeleid. De ontwikkeling is goed te bereiken met het openbaar vervoer. Op circa 100 meter van de planlocatie is de bushalte aan de Socrateslaan gelegen. Ten noorden van de Jutfaseweg is het treinstation Vaartsche Rijn gelegen. Tevens is hier een halte gelegen van de tramlijn naar de Uithof. 4.2.2
Auto ontsluiting
Verkeer en vervoer vormt een belangrijk onderwerp in de gemeente Utrecht. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het collegeprogramma waarin één van de hoofddoelen is: 'Utrecht: een aantrekkelijke en bereikbare stad'. De enige auto ontsluiting van het plangebied sluit direct op de Jutfaseweg aan. De Jutfaseweg fungeert als wijkontsluitingsweg. De Jutfaseweg sluit aan op de Socrateslaan en 't Goylaan welke fungeren als gebiedsontsluitingswegen. De Jutfaseweg wordt een fietsstraat met een snelheidsregime van 30 km/uur. Het plan is vastgesteld door het college van B&W. Verwachting is dat eind 2022/begin 2023 gestart wordt met de werkzaamheden.
4 4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Jutfaseweg 178, Rivierenwijk" (vastgesteld)
Utrecht
4.2.3
Auto parkeren
Voor het plan gelden de parkeernormen uit de Nota Stallen en Parkeren (2013) en het Addendum Parkeernormen (maart 2019). In dit parkeerbeleid wordt een gebiedsindeling gehanteerd waarbij het te ontwikkelen plan momenteel valt onder de zone B2 (Stedelijk zonder betaald parkeren). In het gebied geldt geen betaald parkeren. Ook is het geen maatwerklocatie in de Nota Stallen en Parkeren. Het gebied valt binnen de invloedsferen van de nog te ontwikkelen Merwedekanaalzone. Om overlast te voorkomen in de omliggende wijken is de gemeente voornemens om betaald parkeren in te voeren, zonder draagvlakmeting, in o.a. Rivierenwijk. Ter zijner tijd zal in overleg met bewoners gekeken worden hoe betaald parkeren kan worden ingevoerd op een manier die het beste past bij de wensen van de buurt(en). Voor het plan is een parkeerbalans opgesteld welke uitgaat van het huidige parkeerregime B2 waarbij rekening is gehouden met het rechtens verkregen niveau van de huidige bestemming en gebruik (Bijlage 1 Parkeerbalans). Het aantal woningen, tezamen met het kantoor maken dat er circa 22 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Er worden 19 nieuwe parkeerplaatsen in het plangebied gerealiseerd en langs de Jutfaseweg komen 3 nieuwe langsparkeerplaatsen. 4.2.4
Fietsparkeren
In de Nota Stallen en Parkeren en het addendum en bijbehorende bijlagen zijn ook de eisen en normen voor fietsenstallingen bij woningen opgenomen. Wanneer de fietsparkeervoorzieningen voor bewoners direct toegankelijk zijn vanuit de openbare ruimte, stimuleert dit het fietsgebruik. Fietsparkeervoorzieningen voor bewoners bevinden zich in het plan dicht bij entrees van gebouwen en op maaiveldniveau. De stallingsruimten sluiten logisch aan op de routes in het plan. De privé bergingen worden gedeeltelijk in de tuinen en in de noordwest hoek van het plangebied gerealiseerd. Een padenstructuur door het plan zorgt voor een goede bereikbaarheid van de bergingen. 4.2.5
Bouwverkeer
Met de omwonenden, de klankbordgroep en de gemeente wordt afstemming gezocht over het bouwverkeer en logistiek voor het te bouwen plan. De aansluiting op de Jutfaseweg zal de enige toegang voor bouwverkeer zijn voor het bouwplan. 4.2.6
Openbare ruimte en groen
De kwaliteit van de openbare ruimte is vastgelegd in de Kadernota Openbare Ruimte (KOR). Het gaat daarbij om gebruik, inrichting en beheer. Het plangebied valt in het basisniveau 'De Compacte Stad' met een standaard voor algemeen gebruik, inrichting en beheer. Daarbij zijn een aantal belangrijke principes leidend voor ruimtelijke kwaliteit: duurzaamheid, klimaatbestendig, toegankelijkheid, gezonde leefomgeving en ondergrond. De Compacte Stad wordt vooral gevormd door woonbuurten uit de 19e en vroeg 20e eeuw. Delen zijn ook beschermd stadsgezicht. Er wordt vooral gewoond, de gebruiksdruk is relatief hoog en er is relatief weinig groen. De meeste straten hebben geen belangrijke functie voor doorgaand verkeer. Uitgangspunt is meer prioriteit te geven aan verblijfskwaliteit, groen en ruimte voor voetgangers en fietsers. Met het nieuwe plangebied wordt een semi-openbaar en publiek toegankelijk groen binnengebied gerealiseerd. Nieuwe verharding wordt zoveel mogelijk voorzien van waterdoorlatende bestrating en grasbetontegels. Het regenwater dat op de dichte bestrating valt wordt opgevangen in en afgevoerd naar een wadi. De groene openbare ruimte moet tevens voorzien in een ontmoediging van het autogebruik. Auto's worden ook niet voor de deur geparkeerd, maar op een daarvoor specifiek bestemde plaats.
De nieuwe verbinding van de Berkelstraat naar de Jutfaseweg zorgt dat omwonenden ook gebruik kunnen maken van het nieuw te realiseren groene binnengebied. Doordat het 'groen, tenzij' principe van toepassing is krijgt de openbare ruimte een zo groen mogelijke inrichting. Naast het KOR is voor de openbare ruimte van de Jutfaseweg het Handboek Openbare Ruimte uitgangspunt voor de herinrichting van de openbare ruimte. Alle veranderingen in de openbare ruimte moeten voldoen aan het gestelde kader. De commissie Beheer Inrichting Gebruik (BInG) ziet er op toe dat projecten conform het handboek openbare ruimte zijn. Het inrichtingsplan (VO/ DO en bestek) wordt vroegtijdig voorgelegd aan de BInG. Afwijkingen zijn alleen mogelijk na goedkeuring van de BInG. bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Jutfaseweg 178, Rivierenwijk" (vastgesteld)
45
Uit overleg met Beheer Inrichting Gebruik (Bing) van de gemeente Utrecht is gebleken dat het plangebied een semi openbaar karakter krijgt waarbij het eigendom van het semi openbaar gebied komt te liggen bij de toekomstige bewoners. Dit betekent dat de formele grens tussen het openbaar gebied van de gemeente en het plangebied aan de Jutfaseweg blijft liggen. Vanaf de gevellijn van de nieuw te realiseren appartementen wordt het binnenterrein een semi-openbaar gebied, in eigendom van de toekomstige VvE/ kopersvereniging. Aan de Jutfaseweg zal een hoofdaansluiting op het riool worden aangelegd waarop zal worden aangesloten. Het semi openbaar karakter betekent dat omwonenden ook gebruik mogen maken van het semi openbare gebied. Zo is er een nieuwe verbinding aanwezig van de Berkelstraat naar de Jutfaseweg en kunnen omwonenden ook gebruik maken van het nieuw te realiseren groene binnengebied. In de verdere juridische uitwerking van het plan zal een bewonersvereniging worden opgericht welke eigenaar en beheerder van de semi openbare ruimte in het plangebied zal zijn. Privé tuinen en grond onder de gebouwen worden in particulier eigendom aan de toekomstige bewoners verkocht.
4 6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Jutfaseweg 178, Rivierenwijk" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 5 Onderzoek en randvoorwaarden 5.1
Inleiding
In toenemende mate wordt de milieukwaliteit van belang bij de ontwikkeling van functies in het landelijk en stedelijk gebied. Het milieubeleid heeft zich in de loop van enkele decennia ontwikkeld tot een complexe materie, die er in de praktijk toe leidt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen met verschillende milieuaspecten rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van de relevante (milieu)aspecten in het plangebied en de diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd.
5.2
Milieueffectrapportage
Kader Het doel van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over deze plannen en besluiten. Het maken van een milieueffectrapport is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten, die activiteiten mogelijk maken welke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In onderdeel C van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. wordt aangegeven welke activiteiten altijd m.e.r.-plichtig zijn. Bij de activiteiten die in onderdeel D van die bijlage genoemd worden moet beoordeeld worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Uit deze m.e.r.-beoordeling kan de conclusie volgen dat er een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Plansituatie De in het plan opgenomen activiteiten vallen onder categorie D11.2 (aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject) zoals deze is opgenomen in onderdeel D van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit is in het Besluit m.e.r. een drempelwaarde opgenomen van 2.000 woningen, een projectgebied van 100 hectare en 200.000 m² bvo aan bedrijfsoppervlakte of meer. Het plan blijft onder deze drempelwaarden en overschrijdt deze niet. Op grond van artikel 2, lid 5, sub b, van het Besluit m.e.r.
dient echter ook in 'overige gevallen' bekeken te worden of sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen (de vormvrije m.e.r.-beoordeling). Op basis van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling dient het bevoegd gezag (in dit geval de gemeente Utrecht) een besluit te nemen om voor het project wel of geen m.e.r.-procedure te volgen voor het project alvorens het ontwerp bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. Om te beoordelen of sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen is een vormvrije m.e.r.-beoordeling (aanmeldnotitie) opgesteld. In deze vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt geconcludeerd dat geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen en er derhalve geen aanleiding is om een m.e.r.-procedure te doorlopen. De gemeente heeft dan ook op 12 april 2022 besloten om voor dit plan geen m.e.r.-procedure toe te passen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in Bijlage 3. Het m.e.r beoordelingsbesluit is opgenomen in Bijlage 4. Conclusie Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen door de beoogde ontwikkeling. Het opstellen van een milieueffectrapportage is dan ook niet noodzakelijk.
5.3
Bedrijven en milieuzonering
Kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Jutfaseweg 178, Rivierenwijk" (vastgesteld)
47
gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 gehanteerd.
Plangebied Het plangebied valt onder een gemengd gebied. Aan de overzijde van de Vaartsche Rijn ligt een terrein dat bestemd is voor bedrijven. In dat bestemmingsplan wordt de lijst voor functiemenging gehanteerd. Toegestaan zijn bedrijven in de categorieën A en B1. Dit zijn bedrijven die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies zijn toegestaan. Binnen een straal van 200 meter zijn er geen bedrijven aanwezig die hinder kunnen veroorzaken binnen het plangebied. Ook buiten deze 200 meter zijn er geen bedrijven aanwezig waarbij de hindercontour tot in het plangebied reikt. Conclusie Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen beperkingen voor de ontwikkeling van dit plan.
5.4
Geluidhinder
Kader Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. De belangrijkste geluidsbron die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang is, is wegverkeer. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidsbelaste object – hiervoor kent de wet 'geluidsgevoelige bestemmingen' zoals woningen, scholen en ziekenhuizen De regels en normen van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn in de volgende gevallen van toepassing bij het vaststellen van een bestemmingsplan: 1. 2.
bestemmen van gronden voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen; bestemmen van gronden voor aanleg van nieuwe (gezoneerde) wegen (niet bij woonerven of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/u geldt); 3. reconstructie van wegen; 4. gezoneerde industrieterreinen. De Wet geluidhinder kent voorkeursgrenswaarden waarbinnen een geluidsgevoelige bestemming altijd kan worden gerealiseerd. Onder voorwaarden kan er een ontheffing van de voorkeursgrenswaarde worden verleend ('hogere waarde') tot aan een zekere maximale ontheffingswaarde. Bij een geluidsbelasting boven de maximale ontheffingswaarde zijn geluidsgevoelige bestemmingen niet toegestaan. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt wanneer er gebruik wordt gemaakt van zogeheten 'dove gevels' waarin geen te openen delen aanwezig zijn. De grenswaarden zijn voor wegverkeer 48-63 dB. Bij een geluidsbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde moet akoestisch onderzoek uitsluitsel geven over de te verwachten geluidsbelasting en de doeltreffendheid van maatregelen om een overschrijding van grenswaarden te voorkomen. Onder bepaalde voorwaarden, die zijn vastgelegd in de gemeentelijke geluidnota, kan door burgemeester en wethouders een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting worden vastgesteld.
De voorwaarden uit de Geluidnota Utrecht op basis waarvan een hogere waarde kan worden vastgesteld voor woningen, zijn: iedere woning moet beschikken over een geluidsluwe gevel, (bij woningen kleiner dan 30 m2 geldt dat voor 50% van het totaal aantal woningen) waarbij onder geluidluw wordt verstaan dat het geluidsniveau op deze gevel niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde voor elk van de te onderscheiden geluidsbronnen; de woning bevat voldoende verblijfsruimten aan de geluidsluwe gevel, te weten 30% van het aantal verblijfsruimten of 30% van de oppervlakte van het verblijfsgebied; wanneer de woning beschikt over een buitenruimte, dan is deze bij voorkeur gelegen aan de geluidsluwe zijde. Het geluidsniveau mag er in ieder geval niet meer dan 5 dB hoger zijn dan op de geluidsluwe gevel. De leefbaarheid wordt bewerkstelligd door o.a. voorwaarden te verbinden aan het verlenen van hogere waarden. De voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen in een lawaaiige situatie.
4 8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Jutfaseweg 178, Rivierenwijk" (vastgesteld)
Utrecht
Plansituatie In het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan is akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 5 Akoestisch onderzoek. Onderzoek is verricht naar de geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai. Hieronder volgt een samenvatting van de resultaten. Nieuwe geluidgevoelige bestemmingen De akoestisch relevante geluidsbronnen voor de nieuwe ontwikkelingen in het gebied worden gevormd door de gezoneerde wegverkeersbronnen: Jutfaseweg, Rijnlaan en de 't Goylaan / Socrateslaan. De geluidbelasting vanwege de Jutfaseweg en de 't Goylaan /Socrateslaan overschrijdt aan de oostzijde (langs de Jutfasweg) de voorkeursgrenswaarde. De maximale geluidbelasting op de gevel bedraagt tgv de Jutfaseweg 60 dB en tgv 't Goylaan /Socrateslaan 50 dB. De geluidbelastingen voldoen aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Voor de geluidsbronnen is een ontheffing noodzakelijk (hogere waarde). Luwe gevels Aangezien de voorkeursgrenswaarden worden overschreden, zal elke woning met een overschrijding ter compensatie de beschikking moeten hebben over een luwe gevel, een rustige buitenruimte en een akoestisch gunstige woningindeling. Voor de onzelfstandige woningen geldt dat tenminste 50% van de wooneenheden gesitueerd dienen te zijn aan een gevel met een geluidsbelasting van maximaal 5 dB boven de voorkeursgrenswaarde.
Door de vorm van de gebouwen beschikken de meeste woningen over een luwe zijde waar minimaal één verblijfsruimte aan kan worden gesitueerd. Verder zijn er gebouw gebonden maatregelen (o.a. loggia) welke onderdeel uit maken van de omgevingsvergunningsaanvraag HZ_WABO-22-15990 welke gecoördineerd wordt met dit bestemmingsplan. Voor een tweetal kleinere eenzijdig georiënteerde woningen op de begane grond langs de Jutfaseweg is geen geluidsluwe gevel aanwezig of eenvoudig te realiseren. Wetende dat de Jutfaseweg binnen afzienbare termijn ook 30 km/uur wordt en daardoor de geluidsbelasting afneemt vinden we dit vanuit het integrale belang en het gebruiksgemak voor de bewoners acceptabel. Cumulatie Als er hogere waarden worden verleend in het kader van de Wet geluidhinder is het nodig om de cumulatie van geluid in de beoordeling te betrekken. Het onderzoeken van cumulatie is conform het Reken- en meetvoorschrift alleen van belang als de voorkeurswaarde door meerdere geluidsbronnen wordt overschreden. De maximaal gecumuleerde geluidsbelasting (64 dB) blijft binnen de maximaal te ontheffen waarde die geldt voor binnenstedelijk wegverkeer (68 dB excl. aftrek art 110g Wgh) en kan vanuit gezondheidsperspectief als acceptabel worden beschouwd.
Conclusie In het plangebied is op de nieuw te realiseren bebouwing de geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeerslawaai hoger dan de voorkeursgrenswaarde. Maatregelen aan de bron of in de overdracht zijn niet mogelijk of niet doelmatig. De maximale geluidsbelastingen worden in het besluit hogere waarden vastgelegd. Zie hiervoor Bijlage 6 Besluit Hogere waarden. Aangezien de voorkeursgrenswaarden worden overschreden, zal elke woning met een overschrijding ter compensatie de beschikking moeten hebben over een luwe gevel, een rustige buitenruimte en een akoestisch gunstige woningindeling. Voor de onzelfstandige woningen geldt dat tenminste 50% van de wooneenheden gesitueerd dienen te zijn aan een gevel met een geluidsbelasting van maximaal 5 dB boven de voorkeursgrenswaarde. Bij de nadere uitwerking van het ontwerp zal hier rekening mee moeten worden gehouden. Met in achtneming van het bovenstaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
5.5
Trillingen
Kader Weg- en railverkeer kunnen leiden tot trillingen in gebouwen. Deze trillingen kunnen op hun beurt leiden tot schade of hinder. Hinder voor personen in gebouwen wordt in Nederland gewoonlijk beoordeeld op de SBR B-richtlijn. Dit is een door de Stichting Bouwresearch opgestelde richtlijn voor het meten en beoordelen van hinder voor personen in gebouwen. De streefwaarde voor de trillingshinder is onder meer afhankelijk van de gebouwbestemming (kantoor, wonen, bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Jutfaseweg 178, Rivierenwijk" (vastgesteld)
49
gezondheidszorg, etc.) en of het om een nieuwe of bestaande situatie gaat. Het lokaal spoor (tram) kan ook leiden tot trillingen. Trillingen van de tramlijn kunnen relevant zijn op korte afstand van gevoelige functies. Plangebied Het plangebied ligt op meer dan 200 meter afstand van mogelijke trillingsbronnen. Conclusie Vanuit het aspect trillingshinder zijn er geen berperkingen voor de ontwikkeling van dit plan.
5.6
Geur
Kader Bepaalde bedrijven kunnen geurhinder veroorzaken. Voor specifieke bedrijven is in de Wet milieubeheer een richtwaarde aangegeven voor de hoeveelheid geur (uitgedrukt in geureenheden/m3) die acceptabel is in de omgeving van bedrijven. Deze geuruitstoot heeft ruimtelijke consequenties. In de directe omgeving van het bedrijf zijn vanuit de norm van de Wet milieubeheer beperkingen gesteld aan de mogelijkheid voor nieuwe ontwikkeling van gevoelige bebouwing (met name wonen). Dit soort bedrijven bevindt zich niet binnen het plangebied of in de directe omgeving daarvan. Kleinere bedrijven zoals horecavestigingen, of een bakkerij kennen soms ook geurhinder maar daarvoor zijn geen richtlijnen opgesteld. Daarnaast kan de mestopslag bij agrarische bedrijven geurhinder veroorzaken. Door een geschikte locatie van de mestopslag te bepalen, is een deel van de hinder te voorkomen. Echter bij grotere bedrijven is voldoende afstand ten opzichte van woningen van derden noodzakelijk. Dit wordt geregeld in de bestemmingsplanregels.
Conclusie Het plangebied ligt niet in de nabijheid van geurproducerende bedrijven. Binnen het plangebied is geen sprake van industriële geurhinder.
5.7
Externe veiligheid
Het plangebied ligt op ruim een kilometer van de spoorlijnen Utrecht Centraal naar Houten en Bunnik. Over deze spoorlijn vindt transport plaats met gevaarlijke stoffen en vormt daarmee een extern veiligheidsrisico voor de omgeving van het spoor. Omdat het plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een gifwolkscenario dat kan plaatsvinden op deze spoorroute, dient het groepsrisico beperkt verantwoord te worden. Omdat de afstand ruim meer dan 200 meter bedraagt, is aanvullend onderzoek ten aanzien van het groepsrisico ter plaatse van het plangebied niet benodigd.
Het maatgevend scenario voor het omgevingsrisico ter hoogte van het plangebied is het vrijkomen van een wolk met schadelijke of giftige stoffen. Mocht zich een incident voordoen, dan is het advies van de VRU om ramen en deuren te sluiten en mechanische ventilatie te sluiten. Bij oplevering is het daarom belangrijk dat gebruikers worden geïnformeerd hoe de ventilatie kan worden gesloten. De inzet voor hulpdiensten zal voor het maatgevend scenario voornamelijk gericht zijn op het spoor. De beoogde ontwikkeling vemindert de bereikbaarheid van het spoor niet. Op basis van raadpleging van www.risicokaart.nl wordt geconcludeerd dat overige risicobronnen niet in de omgeving van het plangebied gelegen zijn.
Conclusie Voor het plangebied is alleen het transport van gevaarlijke stoffen over het doorgaande spoor relevant. Gezien de relatief grote afstand legt dit risico geen beperkingen op voor de ontwikkeling van dit plan en dragen deze niet bij aan de hoogte van het groepsrisico.
5 0 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Jutfaseweg 178, Rivierenwijk" (vastgesteld)
Utrecht
5.8
Ontplofbare Oorlogsresten
Kader In het plangebied worden bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. De Arbeidsomstandighedenwet stelt dat er gezorgd moet worden voor een veilige werkplek. Daarom moet een onderzoek naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten worden uitgevoerd. Plangebied In de voor dit vooronderzoek geraadpleegde literatuur- en archiefgegevens, zijn geen feitelijke in-dicaties voor de aanwezigheid van CE binnen het projectgebied aangetroffen. Vanuit OCE-oogpunt kunnen de geplande werkzaamheden, binnen de contouren van het projectgebied zoals getoond in voorliggend document en op bijbehorend kaartmateriaal, zonder aanvullend onderzoek of op-sporingsproces worden uitgevoerd. Conclusie Vanuit het aspect niet gesprongen explosieven zijn er geen berperkingen voor de ontwikkeling van dit plan.
5.9
Luchtkwaliteit
Kader Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging door gasvormige stoffen en verontreiniging van de lucht met fijnstof, door vooral verkeer, maar - naar mate het verkeer schoner wordt - ook door andere bronnen zoals houtstook. De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Wegverkeer, mobiele (bouw)werktuigen en houtstook zijn, samen met de hoge achtergrondconcentratie in Utrecht, de belangrijkste lokale bronnen van luchtverontreiniging. In artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, rekening moet houden met de effecten op de luchtkwaliteit. De Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor een aantal stoffen. Deze zijn in het algemeen strenger dan de in de wet Milieubeheer gehanteerde grenswaarden. Sinds 2017 wordt overal in Utrecht voldaan aan de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor gezonde lucht. Deze WHO-advieswaarden zijn bedoeld om de gezondheid te beschermen. Deze zijn voor fijnstof strenger dan de grenswaarden van de EU.
De WHO stelt zelfs dat er géén veilige concentratie is aan te geven voor fijnstof; op grond van haalbaarheid heeft zij daarom een gezondheids-kundige advieswaarde vastgesteld voor PM10 en PM2,5. Stof Grenswaarde EU NO2 (stikstofdioxide) 40 µg/m³ PM10 (fijnstof) 40 µg/m³ PM2,5 (fijnstof) 25 µg/m³ WHO-advieswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5
WHO-advieswaarde-2005 40 µg/m³ 20 µg/m³ 10 µg/m³
Toetsingsperiode Jaargemiddelde Jaargemiddelde Jaargemiddelde
In 2015 heeft de gemeente Utrecht een motie aangenomen waarin de gemeente zich als doel stelt om in de toekomst (2030) naast de wettelijke grenswaarden ook te voldoen aan de WHO-advieswaarden uit 2005 voor fijnstof. Deze advieswaarden (WHO 2005) zijn strenger dan de wettelijke grenswaarden voor PM10 (20 µg/m³) en voor PM2,5 (10 µg/m³). Deze motie is uitgewerkt in het Raadsbesluit 'Utrecht kiest voor gezonde lucht - luchtkwaliteitsbeleid en uitvoeringsprogramma' van december 2020, waarin is vastgelegd om toe te werken naar de WHO-advieswaarden-2005, die expliciet zijn benoemd in de samenvatting bij het Raadsbesluit. Op 22 september 2021 heeft de WHO nieuwe advieswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide opgesteld, die (beduidend) lager liggen dan de WHO-advieswaarden uit 2005. Ook neemt de gemeente Utrecht deel aan het Schone Lucht Akkoord, waarin rijksoverheid, provincies en gemeenten samenwerken aan maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Plangebied Allereerst moet er een beoordeling plaatsvinden of in en nabij het plangebied wordt voldaan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Vervolgens of het aannemelijk is dat ook ná het realiseren van het plan nog steeds geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarden. Als het plan NIBM bijdraagt, is het aannemelijk dat ook na de planrealisatie aan de grenswaarden wordt voldaan.
De normen voor fijn stof en stikstofdioxide zijn: bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Jutfaseweg 178, Rivierenwijk" (vastgesteld)
51
Daardoor is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde voor de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). De Regeling NIBM geeft voor woningbouwlocaties getalsmatige (kwantitatieve) grenzen. Een project is in ieder geval NIBM, als het aantal woningen binnen deze grenzen valt. De getalsmatige grens bedraagt 1.500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Met de voorgenomen ontwikkeling van circa 35 woningen valt het plan ruim binnen deze grenzen.
Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.10 Bodem Kader Bij het bestemmingsplan wordt getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functies. Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten uit de Wet bodembescherming: Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien er toch bodemverontreiniging ontstaat, moet de bodem direct worden gesaneerd. Een geval van bodemverontreiniging waarbij de verontreiniging geheel of grotendeels ná 1987 is ontstaan, is een "nieuw geval". Deze zorgplicht houdt in dat nieuwe gevallen van bodemverontreiniging zoveel mogelijk ongedaan dienen te worden gemaakt. Overige gevallen van ernstige bodemverontreiniging moeten binnen een bepaalde termijn worden gesaneerd als er tevens sprake is van risico's. Het gaat daarbij om humane of milieuhygiënische risico's en om risico's voor verspreiding van de verontreiniging. De sanering gebeurt functiegericht en kosteneffectief. Nieuwbouw op of graafwerkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging zijn ongeacht de risico's niet toegestaan zonder saneringsmaatregelen. De focus ligt hierbij op de contactzone van de bodem. Hergebruik van (schone of licht verontreinigde) grond kan bij onverdachte terreinen plaatsvinden 5 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Jutfaseweg 178, Rivierenwijk" (vastgesteld)
Utrecht
op basis van de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan. Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning moet een bodemonderzoek conform de NEN 5740 worden verricht. Op basis van dit onderzoek wordt beoordeeld of de locatie geschikt is voor de geplande functie of dat er nog een nader onderzoek en/of een bodemsanering noodzakelijk is, voordat de locatie geschikt is voor de geplande functie. Als er voor de bouwwerkzaamheden een grondwateronttrekking nodig is, moet rekening gehouden worden met nabij gelegen grondwaterverontreinigingen.
Plansituatie Bodemkwaliteit In het plangebied wordt de aanwezige bedrijfsbebouwing gesloopt en vindt er nieuwbouw van woningen met tuin plaats. Op het terrein zijn in het verleden een tegelfabriek, een garagebedrijf en een tankstation aanwezig geweest. De laatste jaren is o.a. een autobanden bedrijf aanwezig. In 2001 heeft er een bodemsanering plaatsgevonden bij het tankstation. In 2010 is er een eindsituatie bodemonderzoek uitgevoerd waarbij op enkele verdachte deellocaties licht tot matig verhoogde gehalten aan zware metalen en vluchtige stoffen zijn gemeten. In 2019 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, waarbij in de grond veel bijmenging met o.a. puin en slakken is aangetroffen. Bovendien is een harde, ondoordringbare laag aangetroffen, die vermoedelijk samenhangt met de voormalige tegelfabriek. Analytisch zijn asbest en licht tot sterke andere verontreinigingen aangetoond. Op basis hiervan is in juni 2020 een actualiserend en nader bodemonderzoek en een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd (Hunneman Milieu-advies, projectnummer 200170/am/lvh). Er is een uiterst puinhoudende laag aanwezig tussen 0,5 en 1,5 m-mv. Inpandig is een dubbele betonvloer aangetroffen waarop de boringen zijn gestaakt. In de grond zijn licht tot sterke verontreinigingen aangetoond met zware metalen, PAK, PCB en minerale olie. Bovendien is analytisch asbest aangetoond.
In het grondwater zijn lichte verontreinigingen aanwezig. Om het terrein geschikt te maken voor het toekomstige gebruik: wonen met tuin is een bodemsanering noodzakelijk. Er is geen inzicht in de bodemkwaliteit onder de tweede betonvloer in het te slopen bedrijfspand. In de omgeving van het terrein zijn lichte tot plaatselijk sterke verontreinigingen bekend in grond en grondwater. Het plangebied bevindt zich binnen de zogenaamde dynamische zone van het Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer. Het diepere grondwater binnen deze zone, in het eerste watervoerend pakket, is diffuus licht tot sterk verontreinigd met vluchtige organische chloorkoolwaterstoffen. Bij bouwbemalingen, onttrekken en infiltreren van grondwater kan deze verontreiniging verspreiden. De gemeente wil verdere verspreiding van verontreinigingen door doorboring van de eerste scheidende laag in de dynamische zone voorkomen, om zo het grondwater uit het tweede watervoerende pakket te beschermen. Dit betekent dat er sprake is van een dieptebeperking voor bijvoorbeeld aanleg van bodemenergiesystemen tot de scheidende laag op een diepte van circa 50 m-mv. Bij bouwbemalingen, grondwateronttrekkingen en WKO kan aansluiting worden gezocht bij de gebiedsgerichte aanpak. Op basis van de Nota Bodembeheer 2017-2027 is de toepassingseis voor grond kwaliteit wonen.
Ondergrond Geadviseerd wordt om bij de herontwikkeling inzicht te krijgen in zowel bestaande als gewenste ondergrondse ruimteclaims, die nodig zijn om het gewenste bovengrondse gebruik te realiseren. Om de ondergrond duurzaam te gebruiken en beheren moet er een balans zijn tussen bescherming (gezonde, schone, levende en veilige bodem, archeologie) en benutting (kelders, bodemenergie, groen, waterberging, infrastructuur, afval). Het kan noodzakelijk zijn om ondergrondse functies te ordenen, clusteren en waar mogelijk te minimaliseren of optimaliseren. En om effecten van ondergronds gebruik mee te nemen in de beschouwing om (toekomstige) conflicten te voorkomen. Zo gaan bijvoorbeeld ondergrondse bouw met waterglas en verticale hemelwaterinfiltratie niet goed samen met de aanwezigheid van open warmte/koude opslagsystemen in de bodem (verstopping). Zetting Het plangebied is op basis van de indicatieve zettingsgevoeligheid minder gevoelig voor zetting. De huidige bebouwing en ophoging heeft de grond geroerd en gezet, waardoor de kans op daadwerkelijke zetting ook klein is. Bodemenergie bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Jutfaseweg 178, Rivierenwijk" (vastgesteld)
53
Een van de mogelijkheden om te voorzien in duurzame energie is bodemenergie. Vanwege de dieptebeperking voor boringen moet bekeken worden of gesloten bodemenergiesystemen rendabel zijn, of dat er beter kan worden ingezet op (collectieve) open warmte koude opslagsystemen.
Conclusie De aangetroffen puinlaag en sterke verontreinigingen vormen een belemmering voor het toekomstige gebruik: wonen met tuin. De kwaliteit van de bodem onder de tweede betonvloer in het pand is niet bekend. Na sloop van de bebouwing en vóór de herinrichting moet een actualiserend bodemonderzoek worden verricht ter plaatse van de gesloopte opstallen. Dit onderzoek kan plaats vinden in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag. Ook bij de afvoer van grond en puin moet rekening gehouden worden met extra onderzoek om de afvoerbestemming te bepalen. Er geldt een dieptebeperking voor boringen en bodemenergiesystemen. Bij bouwbemalingen en grondwateronttrekkingen kan aansluiting worden gezocht bij de gebiedsgerichte aanpak van het grondwater volgens het Gebiedsplan. Inzicht en ordening in de bestaande en gewenste ondergrondse ruimteclaims en de onderlinge beïnvloeding daarbij, kan toekomstig conflicterend ruimtegebruik beperken. Onder deze voorwaarden vormt het aspect bodemkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.11 Natuurbescherming Op grond van de Wet natuurbescherming moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast kunnen regels gelden op grond van de Interim Omgevingsverordening. Beschermde dier- en plantensoorten Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan moet er worden onderzocht: 1. 2. 3.
of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied; of er verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden; of er vrijstellingen gelden of dat er een ontheffing nodig is.
Als er een ontheffing nodig is, moet aannemelijk zijn dat deze verleend zal worden. Daarnaast moet er duidelijkheid zijn over eventuele ontheffingsvoorwaarden en het treffen van mitigerende maatregelen. Utrechtse soortenlijst Naast de beschermde soorten onder de Wet natuurbescherming, geldt binnen de gemeente de Utrechtse soortenlijst. Hierin staan kwetsbare soorten die voor Utrecht erg belangrijk zijn opgenomen. De algemene bescherming van deze soorten op grond van de voormalige Flora en faunawet is met het in werking treden van de Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 vervallen. De Utrechtse Soortenlijst is onderdeel van de Omgevingsvisie. De gemeenteraad heeft besloten dat bij gemeentelijke ruimtelijke plannen de Utrechtse soortenlijst bij het onderzoek en ontwikkelingen wordt betrokken zodat de soorten zo goed mogelijk beschermd worden. Bij ruimtelijke plannen van derden beveelt de gemeente nadrukkelijk aan om de Utrechtse soortenlijst mee te nemen in onderzoek en ontwikkelingen. Wanneer de Utrechtse soortenlijst niet wordt meegenomen in het plan of project, dan wordt dit gemotiveerd. Plangebied Gezien de ligging van het projectgebied ten opzichte van de beschermde gebieden en de aard van de ontwikkelingen, kunnen negatieve effecten op in het kader van Wnb en het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid beschermde gebieden op voorhand worden uitgesloten.
Een vergunning van de Wnb is niet nodig. Een nadere analyse van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is eveneens niet noodzakelijk. De ontwikkeling is op het punt van provinciaal ruimtelijk natuurbeleid niet in strijd met de provinciale ruimtelijke verordening. Op 22 juli 2020 is er een ecologische quickscan uitgevoerd ter plaatse van het plangebied (Bijlage 9). Uit de quickscan blijkt dat er een onvoldoende beeld is verkregen van de aanwezige natuurwaarden, er dient namelijk vervolgonderzoek naar de huismus, gierzwaluw en vleermuizen te worden uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek kan worden bepaald of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming moet worden aangevraagd. Het nader onderzoek wordt als voor te voeren 5 4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Jutfaseweg 178, Rivierenwijk" (vastgesteld)
Utrecht
bestemmingswijziging uitgevoerd. Tevens dient er bij de werkzaamheden rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels. Nader onderzoek Gierzwaluw Een nader onderzoek naar Gierzwaluwen heeft geen of nauwelijks waarnemingen van gierzwaluwen opgeleverd en in het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten gevonden, zie Bijlage 10. Nader onderzoek vleermuizen In totaal zijn verdeeld over de bezoeken geen gebouwverlatende vleermuissoorten waargenomen. Er is geen enkele waarneming gedaan van gebouwverlatende vleermuizen terwijl de tijden en perioden optimaal te noemen waren. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in de te slopen bebouwing. Er zijn geen paarroepjes en baltsgedrag waargenomen, waardoor er ook geen opnames zijn gemaakt. Het plangebied zelf heeft geen belangrijke waarde als jachtgebied of onderdeel van een vliegroute: Het plangebied wordt in de toekomstige situatie niet veranderd waardoor er essentiële lijnelementen verloren gaan. Er gaan geen verblijfplaatsen of essentiële functies verloren door of tijdens de geplande ingreep.
Diervriendelijk bouwen Bij het ontwerp wordt aandacht besteed aan het verbeteren van de biodiversiteit zoals het toepassen van nestkasten van vogels, verblijfplaatsen van vleermuizen en insecten en het toepassen van klimaat adaptieve maatregelen zoals meer groen, waterdoorlatende verharding en infiltratiegebieden. Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden Bij het opstellen van een bestemmingsplan wordt door middel van een zogenaamde 'voortoets' bekeken of een passende beoordeling van dat plan moet worden gemaakt. Een passende beoordeling moet worden gemaakt als de waarschijnlijkheid of het risico bestaat dat het plan significante gevolgen heeft voor een of meerdere Natura 2000-gebieden (al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten). Het bestemmingsplan kan in beginsel alleen worden vastgesteld als er zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast. Als er een passende beoordeling nodig is, geldt er ook een plan-merplicht (art. 7.2a Wm). Als het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project waarvoor al eerder een passende beoordeling is gemaakt, hoeft er niet opnieuw een passende beoordeling te worden gemaakt (voor zover deze redelijkerwijs geen nieuwe gegevens of inzichten kan opleveren over de significante gevolgen ervan). Nationaal Natuur Netwerk (v.m.
EHS) en Groene Contour In de Interim Omgevingsverordening (artikel 6.1 en verder) zijn regels vastgelegd waar (afwijkingen) van bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Algemene zorgplicht Ten slotte geldt de zorgplicht van artikel 1.11 Wet natuurbescherming: een ieder neemt voldoende zorg in acht voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Als het toch noodzakelijk is om handelingen uit te voeren, dan moet zoveel als redelijkerwijs mogelijk geprobeerd worden om negatieve effecten te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Daarom moet iemand die een bepaalde handeling wil verrichten zich vooraf op de hoogte stellen van de aanwezige flora en fauna, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van zijn handelen. De zorgplicht dient mede als vangnet voor de bescherming van soorten, waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. Om een juiste invulling te kunnen geven aan de zorgplicht is de Leidraad werken met beschermde flora en fauna van de gemeente Utrecht van toepassing. Voor aanvang van de werkzaamheden moet een ecologisch werkprotocol worden opgesteld door een deskundige.
Stikstofdepositie Wettelijk kader (gebiedsbescherming) In Nederland zijn ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, gebieden met een Europese bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Jutfaseweg 178, Rivierenwijk" (vastgesteld)
55
beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wet natuurbescherming vergunning. Bij een bestemmingsplan moet inzichtelijk worden gemaakt of de beoogde ontwikkeling effecten heeft op de stikstofdepositie in Natura2000-gebieden (Wnb). Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Alleen wanneer met een berekening met AERIUS Calculator wordt aangetoond dat er op voorhand geen significante gevolgen te verwachten zijn van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is een Wnb-vergunning niet van toepassing. Als dit niet het geval is wordt in het kader van een Wnb-vergunning eerst een voortoets uitgevoerd. Intern salderen is onderdeel van zo'n voortoets. Het project of plan kan alsnog worden vergund als er geen significante negatieve effecten zijn in Natura 2000-gebieden of als de verslechtering van de stikstofdepositie optreedt op hectares, waarin de Kritische Depositiewaarde niet wordt overschreden. Indien in de voortoets niet kan worden uitgesloten dat er geen significante effecten optreden is vervolgonderzoek nodig in de vorm van een Passende Beoordeling. Dit is een uitgebreid ecologisch onderzoek.
Extern salderen, mitigatie of een ADC-toets zijn altijd onderdeel van een Passende Beoordeling. Sinds 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (Wsn) in werking. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw- sloop en eenmalige aanlegactiviteiten, in het kort de bouwvrijstelling. Dit betekent in het vergunningstraject dat voor het aspect stikstof alleen nog de neerslag (depositie) in de gebruiksfase een rol speelt. Deze vrijstelling is juridisch echter onzeker en om die reden dient ook de bouwfase beschouwd te worden. Onderzoek Om de effecten van de herontwikkeling Jutfaseweg 178 op beschermde natuurgebieden in beeld te brengen is een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie (Bijlage 12). Het onderzoek is uitgevoerd om te bepalen of er sprake is van mogelijke significante gevolgen en daarmee een eventuele vergunning- of meldingsplicht ingevolge de Wet natuurbescherming. Voor zowel de bouwfase (Bijlage 13) als de gebruiksfase (Bijlage 14) is aangetoond dat er geen Natura 2000-gebieden zijn met een bijdrage > 0,00 mol/ha/jr.
Conclusie Ten aanzien van gebiedsbescherming (Natura 2000) zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen belemmeringen voor vaststelling van het bestemmingsplan Jutfaseweg 178.
5.12 Bomen Vanaf 21 november 2018 geldt de herplantplicht bij kapvergunningen. Als verplanten of behoud van een boom niet mogelijk is, dan geldt bij compensatie de volgende volgorde: 1 e keus herplant op locatie, 2 e keus herplant dichtbij locatie, 3 e keus herplant elders. Als blijkt dat herplant niet mogelijk is, kan in het uiterste geval worden overgegaan tot financiële compensatie waarbij de inkomsten worden geoormerkt voor het aanplanten van bomen en groen elders in de gemeente Utrecht. Soms mag er worden afgeweken van de herplantplicht. Dat kan als er sprake is van onder- of bovengronds ruimtegebrek, onveiligheid, klimaat- of gezondheidsredenen. De herplantplicht is niet van toepassing op gevallen waarin het college of de raad op basis van een ruimtelijk plan een besluit heeft genomen of omgevingsvergunningen waarvan de aanvraag voor 21 november 2018 is ingediend. Plangebied In het huidige situatie zijn er geen bomen of ander groen binnen het plangebied aanwezig. Het terrein is volledig, 100%, verhard. Het terrein is grotendeels bebouwd met bedrijfspanden en garageboxen en het overige terrein is voorzien van bestrating.
5 6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Jutfaseweg 178, Rivierenwijk" (vastgesteld)
Utrecht
Afbeelding: huidige situatie verharding In de nabije omgeving van het plangebied zijn wel bomen aanwezig. Tussen de Jutfaseweg en de Vaartsche Rijn zijn volwassen bomen aanwezig. Daarnaast staat er een volwassen boom op het plein aan de Berkelstraat. Deze bomen staan dusdanig ver van het plangebied af dat de bouwwerkzaamheden of de komst van de woningen geen invloed hebben op het (ongehinderd) voortbestaan ervan. In de nieuwe situatie wordt een groen binnengebied van circa 320 m2 gerealiseerd. Dit binnengebied wordt klimaatadaptief en natuurinclusief ingericht. Binnen dat gebied komen 7 nieuwe bomen en verschillende groepen met heesters en andere beplantingen komen te staan. Deze bomen zullen bestaan uit een boom van de tweede orde in het groene binnengebied, drie bomen van de derde orde en drie leibomen, eveneens van de derde orde. Dit betekent dat deze bomen tot respectievelijk 15 meter en 8 meter kunnen groeien.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Jutfaseweg 178, Rivierenwijk" (vastgesteld)
57
Conclusie In de huidige situatie zijn er geen bomen in het plangebied aanwezig. Bij de realisatie van het project komen er in totaal 7 bomen in het plangebied te staan, samen met verschillende groepen heesters en andere beplantingen. De bestaande bomen in de nabijheid van he plangebied zullen geen hinder ondervinden van het project of de bouwwerkzaamheden.
5.13 Water en klimaatadaptatie Kader Door de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan het functioneren van het watersysteem onder druk komen te staan. Het doel van de 'Watertoets' is het waarborgen van water gerelateerd beleid en water gerelateerde beheeraspecten door ruimtelijke ontwikkelingen vroegtijdig en evenwichtig te toetsen aan de relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten. Ruimtelijke plannen moeten wettelijk voorzien zijn van een 'Waterparagraaf', een ruimtelijke onderbouwing van de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie. Met de watertoets worden de waterhuishoudkundige gevolgen van plannen vroegtijdig inzichtelijk gemaakt, de afwegingen expliciet en toetsbaar vastgelegd en in het wateradvies van de waterbeheerders opgenomen. Door afstemming met de waterbeheerder(s) wordt voorkomen dat door een ruimtelijke ontwikkeling de kansen voor de waterhuishouding niet worden benut en de bedreigingen niet worden herkend. Door de bestaande (geo)hydrologische situatie en randvoorwaarden, de geplande ontwikkeling en de ruimtelijke consequenties ten aanzien van de waterhuishouding te analyseren, kan het streven naar een duurzaam en robuust watersysteem tijdig in het ontwerpproces worden geïntegreerd.
Deze waterparagraaf is opgesteld ter verantwoording en afsluiting van de watertoets ten behoeve van de nieuwbouwontwikkeling Jutfaseweg 178 gelegen in de gemeente Utrecht. In het algemeen is het beleid van het Rijk, de provincie Utrecht, de gemeente Utrecht en het waterschap HDSR en het waterschap AGV (Waternet) gericht op een duurzaam en robuust waterbeheer. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden (indien doelmatig) de waterkwaliteitstrits 'gescheiden inzamelen-gescheiden afvoeren-gescheiden verwerken' en de waterkwantiteitstrits 'water vasthouden-bergen-vertraagd afvoeren' gehanteerd. Dit beleid is per overheidsniveau in de onderstaande beleidsdocumenten verankerd:
Europese richtlijn: Kaderrichtlijn Water (KWR); Rijksbeleid: Nationaal Waterplan, WB21, NBW, Waterwet, etc; 5 8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Jutfaseweg 178, Rivierenwijk" (vastgesteld)
Utrecht
Provinciale omgevingsvisie (in werking getreden op 1 april 2021); Provinciale Interim Omgevingsverordening (in werking getreden op 1 april 2021); Gemeentelijk beleid: Plan Gemeentelijke watertaken Utrecht 2016 - 2019, de Visie Water en Riolering (ter visie voorgelegd, 2021, vaststelling raad najaar 2021); Waterschapsbeleid HDSR: Waterwet, Waterbeheerprogramma 2022 - 2027, Stroomopwaarts, klimaatbestendig en duurzaam HDSR, Beleidsregels Keur 2019. Betrokken partijen In dit watertoetsproces participeren de volgende partijen: Aanvrager:
Gemeente Utrecht, Ontwikkelorganisatie ruimte - Omgevingsrecht
Opsteller:
Gemeente Utrecht, Stadsbedrijven - Stadsingenieurs
Adviseurs: Waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (beheerder wateroppervlakte) Gemeente Utrecht, Stadsbedrijven - Beheer openbare Ruimte (beheerder riolering) Rijkswaterstaat - vaarwegbeheerder Vaartsche Rijn Plangebied Het plangebied betreft op dit moment een binnenterrein met een bedrijfsgebouw (bandencentrum), dat aan de noord-, oost- en zuidzijde wordt begrensd door woningen aan de Jutfaseweg en aan de west- en zuidoostzijde door woningen aan de Berkelstraat.
Figuur 5.13.1 Waterwet Watervergunning – onttrekking en lozing Tijdelijke onttrekking van grondwater tijdens de bouwfase is vergunningplichtig en onder voorwaarden toegestaan, evenals tijdelijke lozing van bemalingswater op het oppervlaktewater. bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Jutfaseweg 178, Rivierenwijk" (vastgesteld)
59
Nader onderzoek naar de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater is noodzakelijk om na te gaan of er een lozingsvergunning nodig is om overtollig water te onttrekken en af te voeren. Voor alle onderbemalingen, bronneringen en andere grondwateronttrekkingen waarbij middels bronbemaling globaal meer dan 100 m3 per uur, langer dan 6 maanden en dieper dan 9 m grondwater wordt onttrokken, moet een vergunning worden aangevraagd bij het waterschap HDSR (zie artikel 3.10 Keur 2019). Indien de grondwateronttrekking bij deze criteria onder de grenswaarden blijft, kan volstaan worden met een melding. Een (tijdelijke) lozing van grondwater op de openbare riolering is niet toegestaan, tenzij bij Algemene maatregel van bestuur (lozingsbesluiten) of bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in de Wet Milieubeheer anders is bepaald. Watervergunning - Keur Voor het dempen en graven, aanleggen van vlonders en steigers, bouwen in en langs water en uitvoeren van HDD boringen onder watergangen, kunstwerken en peilscheidingen door, is een Watervergunning van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden noodzakelijk. Alle wateraspecten (inclusief Keur-aspecten) worden in de watervergunning geregeld. Rechtstreekse afvoer van hemelwater naar oppervlaktewater is vergunning- of meldingplichtig in het kader van de Waterwet.
Om vervuiling van afstromend hemelwater en verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen, is het niet toegestaan om uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, lood en koper) zonder KOMO-keurmerk toe te passen voor dak, dakgoot en regenpijp indien het hemelwater vanaf deze oppervlakken direct afvoert naar het oppervlaktewater. In het kader van het rioleringsplan moet, als de plannen concreter worden, worden aangegeven of al het regenwater in het plangebied geborgen kan worden of dat een overloopvoorziening richting oppervlaktewater of hemelwaterstelsel zal worden aangebracht waarvoor er voor dit project mogelijk een watervergunning aangevraagd moet worden. Waterhuishouding Peilgebied Het plangebied ligt in het peilgebied Utrecht en Kromme Rijn (UKR_001)met een flexibel peil van minimaal 0,51 m NAP en maximaal 1,32 m NAP. Ter hoogte van het plangebied is het gemiddelde peil +0,55 m NAP. De ontwateringsdiepte is de hoogte tussen hoogste grondwaterstand en maaiveld. De hoogste grondwaterstand is daar +0,45 m NAP, de ontwateringsdiepte is minimaal 0,70 m, de maaiveldhoogte moet dus minimaal +0,45 m +0,70 m = +1,15 m NAP zijn om aan de norm te voldoen. De maaiveldhoogte ter plaatse is gemiddeld 1,92 m NAP. De ontwateringsdiepte voldoet daarmee ruimschoots.De drooglegging is het hoogteverschil tussen maaiveld en oppervlaktewaterpeil.
De ontwikkeling Jutfaseweg ligt in een flexibel peil (vanwege de Kromme Rijn), maar er wordt in ter hoogte van de ontwikkeling gemiddeld +0,55 m NAP aangehouden, als oppervlaktewaterpeil. Als de drooglegging minimaal 1m moet zijn, dan moet het maaiveld +0,55 m + 1,00 m = +1,55 m NAP minimaal zijn om aan de norm te voldoen. Ook de drooglegging voldoet ruimschoots.
6 0 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Jutfaseweg 178, Rivierenwijk" (vastgesteld)
Utrecht
Figuur 5.13.2 Grondwater Eerste watervoerend pakket Het langjarige grondwaterregime in de diepere ondergrond wordt gereguleerd door de grondwaterstroming in het eerste watervoerend pakket (1e WVP). De gemeente Utrecht beschikt sinds 1962 over een peilbuizenmeetnet. Sinds 2002 worden de grondwaterstanden automatisch opgeslagen door dataloggers die tweemaal per dag het grondwaterpeil registreren. De gemiddelde, langjarige stijghoogte van het 1 e WVP zijn afgeleid uit de dichtstbijzijnde peilbuizen en vastgelegd in de 'Grondwatercontourkaart gemeente Utrecht' (31-07-2019). Op basis van deze kaart wordt voor het plangebied Ivoordreef de volgende gemiddelde stijghoogten en seizoens-variatie verondersteld: droge periode, gemiddelde lage grondwaterstand (GLG) = +0,05 mNAP; gemiddeld periode, gemiddelde grondwaterstand (GGG) = +0,25 mNAP; natte periode, gemiddelde hoge grondwaterstand (GHG) = +0,45 mNAP; De grondwaterstroming in het plangebied is van noordoost naar zuidwest en varieert in natte perioden.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Jutfaseweg 178, Rivierenwijk" (vastgesteld)
61
Figuur 5.13.3: Peilgebied Freatisch pakket De momentane, freatische grondwaterstand is afhankelijk van het neerslagverloop, de bodemopbouw en de aard en omvang van afwatering- en ontwateringsvoorzieningen. Slecht doorlatende lagen als klei en veen belemmeren de interactie met het 1 e WVP en kunnen een lokale schijngrondwaterstand creëren. Bodemonderzoek dient uit te wijzen wat de lokale bodemgesteldheid is en wat de consequenties hiervoor zijn voor de freatische grondwaterstand en de toepasbaarheid van IT-riolen en wadi's. Ontwateringsdiepte en drooglegging Een droge ondergrond is een belangrijke randvoorwaarde voor het faciliteren van een bestemming van een gebied. Voldoende ontwateringsdiepte in een plangebied is van groot belang om grondwateroverlast te voorkomen, juist bij de toepassing van een kelder. Wanden en vloeren van parkeergarages dienen vloeistofdicht uitgevoerd te worden. Daarnaast is de verwachting dat in de toekomst grondwaterstanden in de zomer soms te ver kunnen gaan uitzakken met droogteschade tot gevolg. Het vasthouden van regenwater voor nuttig gebruik, zoals voor groen, is ook daarom van belang. De ontwateringsdiepte is de hoogte tussen hoogste grondwaterstand en maaiveld.