CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht_Toelichting.pdf

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 8 december 2022, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht44.447 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

Voor de omgeving van de beoogde ontwikkeling is hierbij uitgegaan van kentallen voor een locatie in de rest van de bebouwde kom, gesitueerd in een zeer sterk stedelijke gemeente. In de CROW-kentallen wordt een minimaal en maximaal kengetal gegeven voor de verkeersgeneratie. Daarbij is een worst-case scenario gehanteerd met minimale waarden voor de huidige situatie en maximale waarden voor de toekomstige situatie. Het bestaande kerkgebouw wordt buiten beschouwing gelaten, omdat de kerk en de verkeersaantrekkende werking van de kerk, in de oude en nieuwe situatie gelijk blijven. Verkeersgeneratie huidige situatie In de huidige situatie is sprake van een flatgebouw met 174 appartementen (conform de basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG)). Voor sociale huurappartementen geldt een kental voor de verkeersgeneratie van minimaal 2,8 verkeersbewegingen per etmaal. Uitgaande van 174 appartementen bedraagt de verkeersgeneratie hiermee 487 verkeersbewegingen per etmaal. Dit betreft in hoofdzaak personenvoertuigen. Conform het CROW is het vrachtverkeer van en naar woongebieden doorgaans verwaarloosbaar. Verkeersgeneratie toekomstige situatie Conform CROW-kencijfers bedraagt de verkeersgeneratie voor sociale huurwoningen en middeldure huurappartementen maximaal 3,6 verkeersbewegingen per etmaal, en van tussen/hoekwoningen maximaal 7,2 verkeersbewegingen per etmaal.

Omdat de beoogde ontwikkeling voorziet in 233 sociale huurwoningen en middeldure huurappartementen, en 74 grondgebonden tussen/hoekwoningen, betekent dit een verwachte verkeersgeneratie van circa 1.372 verkeersbewegingen per etmaal. Hierbij moet rekening gehouden worden met het feit dat het bestemmingsplan de realisatie van maximaal 310 woningen toestaat. Als we -in een worst-case-benadering- ervan uitgaan dat deze 3 extra te realiseren woningen, grondgebonden woningen betreffen, zal de verkeersgeneratie als gevolg van de woningen maximaal 1.393 verkeersbewegingen per etmaal bedragen. Naast de woningen wordt voorzien in maximaal 150 m2 aan commerciële en maatschappelijke functies. Deze functies zullen met name een buurtfunctie vervullen en ondersteunend zijn aan de woonfuncties. Naar verwachting kennen deze functies geen sterke verkeersaantrekkende werking. Aangezien de exacte invulling nu nog niet bekend is, wordt vanuit een worst case benadering aangesloten op CROW-kencijfers voor commerciële dienstverlening (8,8 verkeersbewegingen per 100 m2 bvo). Dit resulteert in 13,2 verkeersbewegingen per etmaal. In de nieuwe situatie zal er in totaal dus sprake zijn van maximaal 1.406 verkeersbewegingen.

Beoordeling Voor plannen kan met behulp van de zogenaamde NIBM-tool eenvoudig worden berekend of de bijdrage van (het verkeer van en naar) het plan als NIBM kan worden aangemerkt (dat wil zeggen dat het minder dan 3% van de grenswaarde bijdraagt, dus minder dan 1,2 µg/m3). Met behulp van de NIBM-tool is beoordeeld of de beoogde ontwikkeling leidt tot een in betekende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit. In voorliggende situatie is uitgegaan van een toename van 919 (1.406 – 487) verkeersbewegingen per etmaal. In afbeelding 15 is de uitkomst van de gevolgen voor de luchtkwaliteit weergegeven. Hieruit blijkt dat de boogde ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

59

van de luchtkwaliteit.

Afbeelding 15: Uitsnede NIBM-tool

In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de heersende generieke achtergrondconcentraties van NO2 ,PM10, PM2,5 inzichtelijk gemaakt. In het plangebied was in 2020 (conform de NSL-monitoringstool) sprake van een concentratie van 22,5 µg/m3 voor NO2, 19,6 µg/m3 voor PM10 en 11,9 µg/m3 voor PM2,5,. In 2030 wordt conform de NSL-monitoringstool een concentratie van 12,6 µg/m3 voor NO2, 16,6 µg/m3 voor PM10 e n 9,3 µg/m3 voor PM2,5 geprognosticeerd. Conclusie Ter plaatse van het plangebied wordt dus ruimschoots aan de geldende grenswaarden conform de Wet milieubeheer voldaan. Op basis van de NSL-monitoringstool kan worden geconcludeerd dat in 2030 voldaan zal worden aan de WHO- advieswaarden voor fijnstof uit 2005. Aan de aangescherpte WHO-advieswaarden uit 2021 wordt vooralsnog niet voldaan in 2030. Het rijk, de provincie en de gemeente nemen maatregelen waardoor de luchtkwaliteit in de toekomst verder zal verbeteren. Beperkingen vanwege volksgezondheidsbeleid (gevoelige bestemmingen) De Oranjerivierdreef en de Einsteindreef kunnen aangemerkt worden als drukke binnenstedelijke wegen. De beoogde ontwikkeling omvat echter geen functies specifiek gericht op kwetsbare groepen (kinderen, ouderen en zieken).

Aangezien de beoogde ontwikkeling niet in gevoelige bestemmingen voorziet, kan de beoogde ontwikkeling, welke voor een beperkt deel binnen 50 meter van de voornoemde wegen is gelegen, aanvaardbaar worden geacht. Eindconclusie De beoogde ontwikkeling draagt in niet-betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Ook wordt ruimschoots aan de wettelijke grenswaarden voldaan. In 2020 is voldaan aan de WHO-advieswaarde uit 2005 voor PM10, maar nog niet aan de advieswaarde voor PM2,5. In 2030 wordt zowel aan de advieswaarde voor PM10 als aan de advieswaarde voor PM2,5 voldaan. Vooralsnog wordt in 2030 niet aan de aangescherpte WHO-advieswaarden uit 2021 voldaan. Het rijk, de provincie en de gemeente nemen maatregelen waardoor de luchtkwaliteit in de toekomst verder zal verbeteren. Tot slot worden er, naast de woningen, geen andere gevoelige bestemmingen gerealiseerd in het plangebied. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

6 0 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

Utrecht

5.7

Bodemkwaliteit

5.7.1

Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient met betrekking tot de bodem rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de toekomstige functies. In deze paragraaf zal de bodemkwaliteit ter plaatse van de beoogde ontwikkeling inzichtelijk gemaakt worden. 5.7.2

Wettelijk kader

Bij het opstellen van een bestemmingsplan of bij het plan tot afwijken van het bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht. De nieuwe bestemming moet immers passend zijn in relatie tot de bodemkwaliteit. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient een bodemonderzoek verricht te worden, dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Er dient onderzoek verricht te worden naar de bestaande situatie en of deze aansluit bij de toekomstige situatie. Op sterk verontreinigde grond zijn beperkingen met betrekking tot nieuwbouw. Hier mogen geen gevoelige objecten, zoals woningen, gerealiseerd worden. Op grond van artikel 8 van de Woningwet dient te worden voorkomen dat er gebouwd wordt op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers. Er moet duidelijk rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot toegelaten functies. 5.7.3

Beoordeling

De wijk Overvecht is in de 60-er jaren opgespoten met zand. Daarvoor was het agrarisch gebied. De voormalige sloten zijn eveneens met dit opgespoten zand gedempt. Op de locatie hebben voor zover bekend geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. De toepassingseis voor grond van het plangebied is op basis van de Nota Bodembeheer 2017 – 2027 “wonen”. Door ingenieursbureau Mol is in 2021 een verkennend bodemonderzoek (Bijlage 7) uitgevoerd. Het daarbij behorende veldwerk is in november 2020 uitgevoerd. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is tweeledig, namelijk: Aantonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater in gehaltes boven respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden. Vaststellen of de vooronderstelde verontreinigingskernen ook daadwerkelijk op de vermoede plaatsen aanwezig zijn en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond en het freatische grondwater respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden overschrijden. In het uitgevoerde onderzoek is specifiek aandacht besteed aan een drietal gedempte sloten. Naar verwachting zijn deze sloten gedempt met zand. Vooralsnog kan zonder aanvullend onderzoek echter niet uitgesloten worden dat deze sloten niet met ander materiaal zijn gedempt.

Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat voor de gronden rondom het huidige flatgebouw de bovengrond plaatselijk sterk is verontreinigd met PCB. Deze verontreiniging hangt samen met het gebruik van PCB-houdende verven in het verleden. Verfresten zijn bij onderhoudswerkzaamheden in de bodem geraakt. De bovengrond van het overige deel van het plangebied, met uitzondering van enkele gedempte sloten, is daarnaast licht verontreinigd met PCB, kwik en lood. De ondergrond rondom het flatgebouw en het overige deel van het plangebied is licht verontreinigd met minerale olie en/of kwik en lood. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Met uitzondering van de gronden rondom het flatgebouw, met een sterke verontreiniging met PCB, is de bodemkwaliteit passend in relatie tot het beoogde gebruik. De ondergrond ter plaatse van de gedempte sloten is hoogstens licht verontreinigd met lood, kwik en PCB. Het grondwater is daarnaast hoogstens plaatselijk licht verontreinigd met barium. Opgemerkt wordt dat voor één van de gedempte sloten geldt dat zowel de ondergrond als het grondwater in zijn geheel niet verontreinigd zijn. Geconcludeerd wordt dat er voorafgaand aan de beoogde ontwikkeling nader onderzoek uitgevoerd dient te worden naar de sterke verontreiniging met PCB in de ondergrond rondom het flatgebouw.

In dat kader is door ingenieursbureau Mol in 2021 aanvullend onderzoek (Bijlage 8) uitgevoerd naar deze verontreiniging. Doel van dit onderzoek is het inzichtelijk maken van de omvang en ernst van bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

61

de verontreiniging van de grond met PCB. Alsmede zijn de gronden daarbij – met het oog op toekomstige grondverzet – aanvullend onderzocht op PFAS. Uit dit onderzoek volgt dat er een volume grond van ongeveer 36 m3 sterk verontreinigd is met PCB. Conform de Wet bodembescherming is hiermee sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging die gesaneerd moet worden. Voorafgaand aan de beoogde herinrichting van het plangebied zal daarom gesaneerd moeten worden teneinde de locatie geschikt te maken voor het beoogde gebruik. Hiervoor is een saneringsplan opgesteld dat ook is goedgekeurd door de gemeente (Bijlage 9, Bijlage 10 en Bijlage 11). Uit dit onderzoek volgt bovendien dat er op basis van PFAS beperkingen zijn ten aanzien van de toepasbaarheid van de bovengrond. PFAS vormt geen belemmeringen voor de beoogde functies ter plaatse van het plangebied. Daarnaast is in 2021 eveneens een verkennend asbest in grond onderzoek (Bijlage 12) uitgevoerd. Hieruit volgt dat de grond niet verontreinigd is met asbest. Dit vormt aldus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Wel wordt opgemerkt dat sprake is van een asbesthoudende waterleiding binnen het plangebied, zoals volgt uit de asbestinventarisatie welke op 12 april 2021 door ingenieursbureau Mol is uitgevoerd. Bij de beoogde bodemroerende werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met deze leiding.

Ingeval de asbesthoudende leiding zal worden verwijderd zal zorg gedragen worden dat veilig wordt gewerkt. Het plangebied bevindt zich conform het 'Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer en visie op duurzaam gebruik van de ondergrond 2016' in de dynamische zone. Voor de realisatie van een WKO en grondwateronttrekking wordt aangesloten op de het Gebiedsplan. Een WKO mag daarbij alleen in het eerste watervoerende pakket, tot circa 50 meter -mv, worden gesitueerd. Het doorboren van de scheidende laag tussen eerste en tweede watervoerende pakket is bovendien niet toegestaan. Daarnaast zal bij de beoogde ontwikkeling rekening gehouden worden met de zettingsgevoeligheid van de gronden. Het zuidwestelijk deel van het plangebied is namelijk gevoelig voor zettingen (oranje). Het noordoostelijk deel van de locatie is minder gevoelig voor zettingen (groen). Afbeelding 16: Kaart zettingsgevoeligheid gronden (bron: gemeente Utrecht)

5.7.4

Conclusie

Ter plaatse van het plangebied is een sterke verontreiniging met PCB geconstateerd. Voorafgaand aan de beoogde herinrichting van het plangebied zal dit gesaneerd worden. De bodemkwaliteit zal hierna passend zijn voor het beoogde gebruik.

6 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

Utrecht

5.8

Natuurbescherming

5.8.1

Algemeen

De beoogde ontwikkeling bevindt zich in reeds bebouwd gebied. Dit sluit echter niet uit dat er een effect kan zijn op de mogelijk aanwezige (beschermde) flora en fauna ter plaatse van de beoogde ontwikkeling en diens nabije omgeving. Met betrekking tot het aspect flora en fauna is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierna wordt nader ingegaan op dit aspect. 5.8.2

Wettelijk kader

Op grond van de Wet natuurbescherming moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast kunnen regels gelden op grond van de Interim Omgevingsverordening. Beschermde dier- en plantensoorten Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan moet er worden onderzocht: of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied; of er verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden; of er vrijstellingen gelden of dat er een ontheffing nodig is. Als er een ontheffing nodig is, moet aannemelijk zijn dat deze verleend zal worden. Daarnaast moet er verkennend onderzoek plaats vinden en moet er duidelijkheid zijn over eventuele ontheffingsvoorwaarden en het treffen van mitigerende maatregelen. Utrechtse soortenlijst Naast de beschermde soorten onder de Wet natuurbescherming, geldt binnen de gemeente de Utrechtse soortenlijst. Hierin staan kwetsbare soorten die voor Utrecht erg belangrijk zijn opgenomen. De algemene bescherming van deze soorten op grond van de voormalige Flora en faunawet is met het in werking treden van de Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 vervallen.

De Utrechtse Soortenlijst is onderdeel van de Omgevingsvisie. De gemeenteraad heeft besloten dat bij gemeentelijke ruimtelijke plannen de Utrechtse soortenlijst bij het onderzoek en ontwikkelingen wordt betrokken zodat de soorten zo goed mogelijk beschermd worden. Bij ruimtelijke plannen van derden beveelt de gemeente nadrukkelijk aan om de Utrechtse soortenlijst mee te nemen in onderzoek en ontwikkelingen. Wanneer de Utrechtse soortenlijst niet wordt meegenomen in het plan of project, dan wordt dit gemotiveerd. Beschermde gebieden/Natura 2000-gebieden Bij het opstellen van een bestemmingsplan wordt door middel van een zogenaamde 'voortoets' bekeken of een passende beoordeling van dat plan moet worden gemaakt. Een passende beoordeling moet worden gemaakt als de waarschijnlijkheid of het risico bestaat dat het plan significante gevolgen heeft voor een of meerdere Natura 2000-gebieden (al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten). Het bestemmingsplan kan in beginsel alleen worden vastgesteld als er zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast. Als er een passende beoordeling nodig is, geldt er ook een plan-merplicht (art. 7.2a Wm).

Als het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project waarvoor al eerder een passende beoordeling is gemaakt, hoeft er niet opnieuw een passende beoordeling te worden gemaakt (voor zover deze redelijkerwijs geen nieuwe gegevens of inzichten kan opleveren over de significante gevolgen ervan). Nationaal Natuur Netwerk (v.m. EHS) en Groene Contour In de Interim Omgevingsverordening (artikel 6.1 en verder) zijn regels vastgelegd waar (afwijkingen) van bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Algemene zorgplicht Ten slotte geldt de zorgplicht van artikel 1.11 Wet natuurbescherming: een ieder neemt voldoende zorg in acht voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Als het toch noodzakelijk is om handelingen uit te voeren, dan moet zoveel als redelijkerwijs mogelijk geprobeerd worden om negatieve effecten te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Daarom moet iemand die een bepaalde handeling wil verrichten zich vooraf op de hoogte stellen van de bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

63

aanwezige flora en fauna, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van zijn handelen. De zorgplicht dient mede als vangnet voor de bescherming van soorten, waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. Om een juiste invulling te kunnen geven aan de zorgplicht is de Leidraad werken met beschermde flora en fauna van de gemeente Utrecht van toepassing. Voor aanvang van de werkzaamheden moet een ecologisch werkprotocol worden opgesteld door een deskundige. 5.8.3

Plansituatie

Flora en fauna Door VanderHelm Milieubeheer B.V. is in 2017 een quick scan flora en fauna (Bijlage 13) uitgevoerd. Uit dit onderzoek volgt dat diverse beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn of kunnen worden verwacht. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen is een aantal maatregelen en vervolgstappen nodig. Bij werkzaamheden in het voorjaar en/of de zomer zal het plangebied en de directe omgeving (‘invloedssfeer van de werkzaamheden’) bijvoorbeeld voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd moeten worden op broedvogels. Als broedende vogels aanwezig zijn, dient door een deskundig ecoloog te worden bepaald of de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder overtreding van de Wet natuurbescherming. Daarnaast werd geconcludeerd dat soortgericht onderzoek uitgevoerd moet worden om de aanwezigheid van voortplantings- en rustplaatsen voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis en tweekleurige vleermuis aan te tonen. In 2018 is hiertoe nader soortgericht onderzoek uitgevoerd door habitus (Bijlage 14). Hieruit volgt dat de te slopen flatbebouwing in het plangebied van betekenis is voor de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Bij de sloop van het pand worden de mogelijke verblijfplaatsen voor deze soorten vernietigd.

Daarnaast bestaat de kans dat een vleermuis wordt verwond of gedood tijdens de werkzaamheden. Dit zou een overtreding van de Wet natuurbescherming betekenen. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is daarom op 25 juni 2018 een ontheffing aangevraagd bij provincie Utrecht. Op 26 september 2018 is deze ontheffing vervolgens verleend. Bij de werkzaamheden zal daarbij wel rekening gehouden moeten worden met de mogelijke aanwezigheid van de gewone en ruige dwergvleermuis. Om het doden en verwonden tijdens de werkzaamheden zoveel mogelijk te voorkomen zullen de huidige verblijfplaatsen voor de start van de werkzaamheden ongeschikt gemaakt worden. Dit zal, om verstoring te voorkomen, plaatsvinden in de periode dat er zo min mogelijk vleermuizen aanwezig zijn. Om het tijdelijke verlies van verblijfplaatsen op te vangen, worden in het gebied op verschillende locaties in totaal 28 kleine platte kasten opgehangen, die geschikt zijn als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis en 20 kleine bolle kasten voor de ruige dwergvleermuis. De tijdelijke kasten zullen zes maanden voorafgaand aan de sloop worden opgehangen en kunnen worden verwijderd wanneer de definitieve compensatie ten minste zes maanden beschikbaar is geweest voor vleermuizen in de periode april t/m oktober. De definitieve compensatie zal in de nieuwbouw worden opgenomen.

Bijvoorbeeld door spouwmuren en/of inbouwstenen zullen verblijfplaatsen voor de gewone en ruige dwergvleermuis worden gerealiseerd. Daarnaast heeft de gemeente Utrecht ter aanvulling op de Wet natuurbescherming de Utrechtse soortenlijst opgesteld. De Utrechtse soortenlijst voorziet in de bescherming van kenmerkende en waardevolle plant- en diersoorten welke op dit moment geen beschermde status meer kennen. Deze soorten dragen echter bij aan het behoud van biodiversiteit in Utrecht. In aanvulling op het reeds uitgevoerde onderzoek naar flora en fauna is daarom door Van der Helm Milieubeheer in 2020 nader onderzoek (Bijlage 15) uitgevoerd in het kader van de Utrechtse soortenlijst. Uit dit onderzoek volgt dat het op voorhand niet kan worden uitgesloten dat het plangebied van betekenis is voor de merel, tjiftjaf, klokjesdikpoot, grote klokjesbij, akkerklokje, ruig klokje, prachtklokje, brede wespenorchis, veldlathyrus en wilde marjolein. Omdat het biotoop van het plangebied echter niet uniek is in de omgeving wordt niet verwacht dat het plangebied van groot belang is voor deze soorten. Door de zorgplicht in acht te nemen wordt rekening gehouden met de mogelijke aanwezigheid van deze soorten. Voor de overige soorten op de Utrechtse soortenlijst geldt dat deze worden uitgesloten of dat geen negatief effect te verwachten is naar aanleiding van de geplande werkzaamheden.

Opgemerkt dient te worden dat ook voor algemene soorten de zorgplicht geldt. Het vernietigen van nesten van vogels die in gebruik zijn en het verstoren van in gebruik zijnde nesten moet hierbij worden voorkomen. Dit kan door het rooien van beplanting en (voorbereidende) (bouw)werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Globaal moet voor het broedseizoen rekening gehouden worden met de periode half maart tot half augustus. Hier zal bij de beoogde werkzaamheden rekening mee gehouden worden. 6 4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

Utrecht

Natuurgebieden Het plangebied ligt op circa 2,4 kilometer van het Natura 2000-gebied de 'Oostelijke Vechtplassen'. Op een dergelijke afstand is het van belang om aandacht te hebben voor de stikstofdepositie door de planontiwkkeling. Het meest nabijgelegen voor stikstofgevoelig natuurgebied betreft eveneens het gebied 'Oostelijke Vechtplassen'. In paragraaf 5.9 wordt het aspect stikstofdepositie nader beschouwd. Het plangebied ligt niet in of nabij het NNN. Negatieve effecten op het NNN, en overige natuurgebieden, zijn in voorliggende situatie uitgesloten. 5.8.4

Conclusie

De betekenis van het plangebied voor flora en fauna is nader onderzocht. Hieruit volgt dat diverse beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn of kunnen worden verwacht. Hier dient bij de beoogde ontwikkeling rekening mee gehouden te worden door bijvoorbeeld voorafgaand aan de werkzaamheden te controleren op broedvogels. Daarnaast bleek dat de te slopen flatbebouwing ter plaatse van het plangebied van betekenis is voor de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is daarom op 25 juni 2018 een ontheffing aangevraagd bij provincie Utrecht. Op 26 september 2018 is deze ontheffing vervolgens verleend. In dat kader zullen ook alternatieve verblijfplaatsen voor de vleermuizen worden gerealiseerd. Een deel van deze verblijfplaatsen is al gerealiseerd in de omgeving van het plangebied. Bovendien zal de algemene zorgplicht in acht worden genomen bij de beoogde ontwikkeling. Zo zal rekening worden gehouden met de eventuele aanwezigheid van broedvogels en hun nesten bij de uitvoer van de werkzaamheden.

5.9

Stikstof

5.9.1

Algemeen

Met de beoogde ontwikkeling is er mogelijk sprake van een verandering van de stikstofdepositie als gevolg van de sloop/-en bouwfase en de gebruiksfase. De emissies van luchtverontreinigende stoffen kunnen mogelijk een negatief effect hebben op nabijgelegen Natura-2000 gebieden. In deze paragraaf worden de mogelijke effecten van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden vanwege de voorgenomen activiteiten inzichtelijk gemaakt. 5.9.2

Wettelijk kader

Sinds 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming (verder genoemd Wnb) in werking getreden. De Wnb biedt de juridische basis voor de vergunningverlening met betrekking tot te beschermen natuurgebieden. In het kader van een toets aan de Wnb wordt bepaald of bedrijfsactiviteiten (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Hiertoe dienen de mogelijke effecten op soorten, habitats van soorten en op habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen in beeld te worden gebracht. Vanwege emissies van luchtverontreinigende stoffen is de storende factor 'vermesting' en 'verzuring' mogelijk relevant. Vermesting is de 'verrijking' van ecosystemen met met name stikstof en fosfaat, verzuring van bodem of water is een gevolg van de emissie van vervuilende gassen. De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt (aanvoer van stikstof). Diverse habitattypen in de Natura 2000-gebieden zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor vermesting en verzuring. De gevoeligheid wordt uitgedrukt in een kritische depositiewaarde (KDW) per habitattype.

Deze kritische depositiewaarde is de grens waarboven de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast als gevolg van verzurende en/of vermestende invloed van de atmosferische stikstofdepositie (N-depositie). Voor de toetsing van de mogelijke effecten dient de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden vanwege de voorgenomen activiteiten dus gekwantificeerd te worden. Vanaf 1 juli 2015 werd dit gedaan met de Programma Aanpak Stikstof (PAS). Met de invoering van het PAS was een vrijstelling van de vergunningplicht geïntroduceerd, in combinatie met een meldingsplicht. Op 29 mei 2019 heeft de Raad van State uitgesproken dat het PAS niet langer als toestemmingsbasis voor activiteiten mag worden gebruikt. In december 2019 zijn provinciale beleidsregels in werking getreden met voorwaarden voor het verlenen van vergunningen op basis van de Wet natuurbescherming. De voorschriften voor de mogelijkheid tot intern en extern salderen zijn vastgelegd. Momenteel geldt bij alle activiteiten met een kans op een (significant) negatief effect, een vergunningplicht in het kader van de Wnb. bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

65

Vanaf 1 juli 2021 is de Wet Stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. Deze wet voorziet onder meer in een gedeeltelijke vrijstelling van de natuurvergunningsplicht voor activiteiten in de bouwsector. Hiermee is voor het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit en het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk geen sprake meer van een vergunningplicht. De vrijstelling omvat ook de vervoersbewegingen die samenhangen met de werkzaamheden. Deze gedeeltelijke vrijstelling maakt het gemakkelijker om bestemmingsplannen vast te stellen, die dienen om bepaalde bouwactiviteiten of de aanleg of wijziging van werken mogelijk te maken. De stikstof emissies voor wat betreft de bouwfase kunnen bij nieuwe bestemmingsplannen dan buiten beschouwing worden gelaten. Daarnaast is het stikstofregistratiesysteem per 24 maart 2020 in het leven geroepen. Hiermee wordt een deel van de stikstofruimte die vrijkomt door nieuwe maatregelen die de stikstofneerslag verminderen, ingezet voor urgente ontwikkelingen. Dit betreft woningbouw en een aantal grote infrastructurele projecten (MIRT projecten). Het registratiesysteem zorgt ervoor dat per Natura 2000-gebied in beeld komt, welke beschikbare depositieruimte verdeeld kan worden bij de vergunningverlening. De stikstofruimte wordt voor woningbouwprojecten gereserveerd op volgorde van binnenkomst van vergunningaanvragen.

Aangezien de beoogde ontwikkeling woningbouw betreft, kan mogelijk gebruik worden gemaakt van het stikstofregistratiesysteem. 5.9.3

Onderzoek

Met de beoogde ontwikkeling vindt er een verandering plaats van de emissie van stikstofhoudende verbindingen als gevolg van de verkeersgeneratie van de functies binnen het plangebied. Tevens zal sprake zijn van bouwwerkzaamheden die gepaard gaan met de emissie van stikstof. In het kader van de Wnb dient de stikstofdepositie ter plaatse van de voor stikstof gevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden te worden onderzocht. Dit onderzoek naar stikstofdepositie is uitgevoerd en opgenomen in Bijlage 16. Sinds 1 juli 2021 geldt op basis van de Wet stikstofreductie en natuurherstel een partiële vrijstelling voor activiteiten van de bouwsector. Volgens het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering geldt deze vrijstelling van toetsing aan de Wet natuurbescherming voor de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. Omdat het onduidelijk is of deze vrijstelling in de toekomst blijft bestaan, is ervoor gekozen om toch ook voor de bouwfase van dit project een berekening uit te voeren. Deze is opgenomen in het rapport in Bijlage 16.

Uit de rekenresultaten van de AERIUS Calculator volgt dat door de beoogde ontwikkeling er in de gebruiksfase in de toekomstige situatie geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar en dat er dus ten opzichte van de referentiesituatie geen sprake zal zijn van een relevante toename aan stikstofdepositie (> 0,00 mol N/ha/jaar) ter plaatse van stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden. Voor de bouwfase wordt een (tijdelijke) stikstofdepositiebijdrage berekend van 0,02 mol/ha/jr. Wanneer de huidige vrijstelling voor de bouwfase komt te vervallen, dan kan vooralsnog aangesloten worden op de vuistregel uit de geactualiseerde 'Handreiking Voortoets Stikstof' van februari 2021. Deze vuistregel houdt in dat bij beperkte (<0,05 mol gedurende 2 jaar) tijdelijke depositie door de inzet van materieel in de aanlegfase, significante effecten op een (naderend) overbelast stikstofgevoelig habitat op voorhand kunnen worden uitgesloten. Wanneer de partiële bouwvrijstelling komt te vervallen én er ook niet aangesloten kan worden op bovenstaande vuistregel, zal de emissie als gevolg van de aanleg-/bouwfase gereduceerd moeten worden (bijvoorbeeld door toepassing van meer nieuwer (schoner) en/of elektrisch materieel). 5.9.4

Conclusie

Gezien voorgaande vormt stikstofdepositie in het kader van de Wet natuurbescherming naar verwachting geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Door de realisatie van de beoogde ontwikkeling is geen sprake van significante effecten op Natura 2000-gebieden.

6 6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

Utrecht

5.10 Bedrijven en milieuzonering 5.10.1 Algemeen De beoogde ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. De omgeving betreft woonwijken met naast de functie wonen lichte bedrijvigheid. Daarnaast bevinden zich binnen het plangebied een aantal overige functies, zoals de kerkbebouwing, een parkeergarage en sportvoorzieningen. Hierbij moeten de woningen op een passende afstand ten opzichte van omliggende bedrijfsactiviteiten worden gesitueerd en vice versa. Bedrijven kunnen een negatieve impact hebben op hun omgeving. Er wordt gestreefd naar een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. Hierdoor zullen de belangen van de bedrijven niet geschaad worden. In deze paragraaf zal dit aspect nader worden toegelicht. 5.10.2 Wettelijk kader Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. In de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (editie 2009) worden de bedrijfsactiviteiten van bedrijven ingedeeld in bepaalde milieucategorieën. Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'gevoelige' functies.

De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk heeft een lagere richtwaarde nodig voor een goed beschermingsniveau dan een gebied waar al veel achtergrondgeluid aanwezig is ten gevolge van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Indicatieve richtafstanden (voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar) voor woningen in de twee te onderscheiden “omgevingen” bij verschillende bedrijfstypes (ingedeeld in milieucategorieën) zijn weergegeven in tabel 4. Tabel 4: Indicatieve afstand in meters tot omgevingstype (bron: VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”) Categorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Rustige woonwijk en rustig buitengebied 10 30 50 100 200 300 500 700 1000 1500

Gemengd gebied 0 10 30 50 100 200 300 500 700 1000

Volgens de voornoemde VNG-publicatie is de definitie van het omgevingstype gemengd gebied als volgt: 'Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.' In het plangebied en in de directe omgeving daarvan, is overwegend sprake van woonbebouwing. Vlakbij de te bouwen woningen is wel een aantal overige functies aanwezig, zoals een kerk. Ook wordt binnen het plan voorzien in maatschappelijke- en/of buurtfuncties. Voor het onderzoek gaan we echter uit van het gebiedstype rustige woonwijk, waarvoor dus het hoogste beschermingsniveau geldt. De in tabel 4 weergegeven afstanden betreffen de afstanden tussen de perceelgrens van de activiteiten (niet de bebouwingsgrens) en de gevel van de (geluid)gevoelige bestemming (in casu woningen). De afstanden zijn volgens de VNG-brochure algemene richtafstanden en geen harde afstandseisen. Gemotiveerd afwijken van deze afstanden is mogelijk, zo volgt ook uit jurisprudentie. Naast de richtafstanden uit de VNG publicatie geldt dat de kerk een inrichting is in de zin van het Activiteitenbesluit en dat voor elektrisch versterkte muziek vanuit de kerk bij woninggevels voldaan moet worden aan de geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit.

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

67

5.10.3 Onderzoek Het voornemen betreft de realisatie van woningen. Om de inpasbaarheid hiervan te beoordelen zijn de bedrijfsactiviteiten in de omgeving van het plangebied geïnventariseerd. Aan de hand hiervan kan worden beoordeeld of wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. De inpasbaarheid van woningen in de omgeving is hierbij beoordeeld op basis van de maximaal planologische mogelijkheden conform de vigerende bestemmingsplannen. Daarnaast is ook de inpasbaarheid van de bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied beoordeeld. Bedrijvigheid rondom het plangebied In de omgeving van het plangebied zijn overwegend woonfuncties toegestaan. Van bedrijvigheid is nauwelijks sprake. Op relatief korte afstand van het plangebied (alsmede binnen het plangebied) zijn wel maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Onder maatschappelijke voorzieningen worden voorzieningen inzake welzijn, volksgezondheid, kinderopvang, naschoolse opvang, religie, onderwijs, openbare orde en veiligheid en daarmee gelijk te stellen sectoren verstaan. Gymzalen ten behoeve van onderwijsdoeleinden tot een maximum van 1.100 m2 b.v.o per gymzaal zijn hier alsmede toegestaan. Deze bedrijfsactiviteiten behoren maximaal tot milieucategorie 2. Voor bedrijfsactiviteiten behorend tot milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 30 meter van de perceelsgrens tot aan de gevels van woningen.

In afbeelding 17 wordt de omliggende bedrijvigheid, inclusief de bijbehorende richtafstanden, weergeven. Afbeelding 17: Milieuzonering omgeving plangebied (bron luchtfoto: Google Earth)

Uit afbeelding 17 volgt dat aan de van toepassing zijnde richtafstanden wordt voldaan als uitgegaan wordt van de maximaal planologische mogelijkheden van de omliggende percelen. Een nadere beschouwing naar de inpasbaarheid van de beoogde woningen in relatie tot omliggende bedrijvigheid is hiermee niet nodig. Bedrijvigheid binnen het plangebied Ook binnen het bestemmingsplangebied is sprake van overige functies die op zorgvuldige wijze ingepast dienen te worden ten opzichte van de woningen. In de noordelijk gelegen hoek van het plangebied, onder de tribune bij het sportveld, wordt voorzien in kleinschalige maatschappelijke en/of buurtfuncties. Deze functies komen niet tegen de woningen aan te liggen en ook niet op korte 6 8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

Utrecht

afstand van omliggende woningen. Daarnaast zal geen sprake zijn van bedrijfsactiviteiten met een hoge milieubelasting. Ook zijn in de regels van het bestemmingsplan kinderdagverblijven en naschoolse opvang op deze locatie specifiek uitgesloten. Hiermee kan worden geconcludeerd dat deze bedrijfsactiviteiten inpasbaar zijn ter plaatse van het plangebied en de omgeving. Een aantal functies binnen het plangebied vraagt echter om een nadere beschouwing. Dit betreft de beoogde parkeergarage, de sportvoorzieningen en de bestaande kerkbebouwing. Deze activiteiten behoren tot maximaal milieucategorie 2 en zijn op korte afstand van omliggende woningen gesitueerd. Voor de inpasbaarheid is geluid het maatgevende aspect. Om de inpasbaarheid van de beoogde woningen in relatie tot deze functies nader te beoordelen is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Akoestisch onderzoek bedrijvigheid binnen plangebied Door Peutz is onderzoek gedaan naar de geluidbelasting ten gevolge van de parkeergarage, sportveld en kerk op de gevels van de te realiseren woningen (bijlage 17 Akoestisch onderzoek). Omdat ten tijde van dit onderzoek vanwege Corona de geluidsniveaus in en rondom de kerk niet gemeten konden worden, zijn deze geluidsniveaus berekend op basis van de gegevens van een vergelijkbare kerk.

In juli 2022 is door Peutz alsnog een aanvullende geluidmeting verricht naar de geluidsniveaus in en rondom de kerk (Bijlage 18). De resultaten uit deze aanvullende meting waren nagenoeg vergelijkbaar met de gegevens van de eerdere berekening op basis van de gegevens van een vergelijkbare kerk. Uit het geluidsonderzoek volgt dat de richtwaarden voor zowel de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus als de maximale geluidniveaus door het gebruik van de parkeergarage, het sportveld en de kerk worden overschreden. Een deel van de maatregelen, die nodig zijn om volledig aan deze richtwaarden te kunnen voldoen, zijn vanuit stedenbouwkundig en/of financieel oogpunt niet haalbaar of zijn onevenredig ingrijpend voor belanghebbenden. Zo is bijvoorbeeld het volledig dichtzetten van de parkeergarage of het plaatsen van hele hoge schermen rondom het sportveld vanuit stedenbouwkundig oogpunt onwenselijk. Daarnaast is het vernieuwen van zowel de beglazing als het hele dak van de kerk financieel een te grote investering. Daarom is in overleg met alle partijen nagegaan welke maatregelen wel in redelijkheid haalbaar zijn. Deze maatregelen zijn hieronder aangegeven voor de parkeergarage, voor het sportveld en voor de kerk enerzijds (bronmaatregelen) en voor de woningen anderzijds (effectmaatregelen).

Met deze maatregelen kan het gebruik van de kerk voldoen aan de grenswaarde van 50 dB(A) uit het Activiteitenbesluit. De richtwaarde van 45 dB(A) is niet haalbaar. Overigens zullen de gevels van de nieuwbouwwoningen dusdanig goed geïsoleerd worden voor geluid van de garage en het sportveld dat het binnengeluidniveau ten hooste 30 dB(A) etmaalwaarde zal zijn, terwijl de gebruikelijke grenswaarde 35 dB(A) is. Dit is een compensatie voor de hogere geluidniveaus op sommige woninggevels en levert een gunstige bijdrage aan een gezond woon- en leefklimaat. Dit zal ook helpen om eventuele geluidsoverlast en klachten van omwonenden tegen te gaan. Maatregelen parkeergarage De zuidoostelijke wand van de parkeergarage (dit is de wand die het dichtst bij de nieuwbouwwoningen ligt), zal akoestisch gesloten worden uitgevoerd. In de regels van dit bestemmingsplan is deze akoestisch gesloten wand ook als voorwaardelijke verplichting opgenomen (artikel 6.2.2). Daarnaast zullen de open zijden van de parkeergarage gedeeltelijk dichtgezet worden met een borstwering van maximaal 1,2 m hoogte. Daarmee wordt enerzijds het geluiduitstralend oppervlak gereduceerd met circa 40% en anderzijds wordt het directe geluid van het dichtslaan van autoportieren afgeschermd. De piekgeluidemissie zal door de afschermende werking van de borstwering circa 5 dB afnemen.

Aanvullend zal de onderzijde van de vloeren van de parkeergarage voorzien worden van geluidsabsorberend materiaal, zoals houtwolcementplaten. Daarmee kan de equivalente geluidemissie afnemen met totaal 4 dB (2 dB ten gevolge van het 40% kleinere geluiduitstralende oppervlak en 2 dB ten gevolge van toevoeging van geluidsabsorberend materiaal). Ook met deze maatregelen is er nog sprake van overschrijding van de richtwaarden voor geluid in de avondperiode op de gevels aan de straatzijde. De overschrijding is voor het langtijdgemiddelde geluidniveau bij twee woningen 2 dB en voor het maximale geluidniveau bij drie woningen tot 7 dB. Daarom is in de regels van dit plan de verplichting opgenomen om de gevel van de meest noordelijk gelegen woning aan de oostzijde van de garage aan de garagezijde te voorzien van een dove gevel (artikel 7.2.2). Zie onderstaande afbeelding (18a).

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

69

Afbeelding 18a: Benodigde verhoogde geluidwering gevels t.g.v. de parkeergarage en sportveld

Maatregelen sportveld Rondom het sportveld zal een net worden aangebracht en er wordt een dempende ondergrond aangebracht. Op de gevels van twee woningen is er in de avond nog steeds een overschrijding van de richtwaarde voor het langtijdgemiddelde geluidniveau tot 6 dB. Het maximale geluidniveau is bij drie woningen tot 7 dB boven de richtwaarde (door stemgeluid; het balgeluid is 7 dB stiller). Bij bestaande woningen neemt het sportgeluid niet relevant toe omdat op dezelfde plek nu al een sportplein aanwezig is. Daar is het maximale stemgeluid (kortstondige pieken) in de avond maximaal 3 dB boven de richtwaarde. Maatregelen bij woningen nabij parkeergarage en sportveld en verhoogde geluidwering gevels Om de maximale geluidniveaus (piekgeluidniveaus) in de avond- en nachtperiode ten gevolge van het gebruik van de parkeergarage en het sportveld te verminderen, is – naast de bovenstaande maatregelen – een maatregel gevonden in het realiseren van hoge afschermingen (7 m hoog) tussen woningen (zie afbeelding 18b). Hierdoor ontstaan op de 1 e verdieping aan de achterzijde slaapkamergevels, waar het geluidniveau van sportveld en parkeergarage lager is dan de streefwaarden. Bovendien wordt hierdoor het geluidniveau in de achtertuinen aanzienlijk lager.

Daarbij wordt wel geaccepteerd dat de geluidniveaus op de voorgevels van de woning die gericht zijn naar parkeergarage en sportveld niet verder gereduceerd kunnen worden. Omdat aan deze gevels geen buitenruimten gesitueerd zijn en doordat met gevelisolatie binnengeluidniveaus worden gerealiseerd die 5 dB lager zijn dan de gebruikelijke grenswaarde, zal sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. De geluidschermen zijn (net als de dove gevels) in de regels van dit bestemmingsplan als voorwaardelijke verplichting opgenomen (artikel 7.2.2). Afbeelding 18b: Ligging schermen (rood) en resulterende piekniveaus op drie hoogtes.

7 0 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

Utrecht

Maatregelen kerkgebouw Het kerkgebouw wordt gebruikt voor kerkdiensten overdag en in de avond voor bijeenkomsten en muziek/koorrepetities. Elektrisch versterkte muziek vanuit de kerk moet bij woninggevels voldoen aan geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit. Zonder het treffen van maatregelen bedraagt de geluidbelasting tot 64 dB(A) op de gevels van de nieuwbouwwoningen. Dit betreft de geluidbelasting op de voorgevels van de woningen tijdens muziekgeluid (waarbij sprake is van versterking middels een elektronisch orgel en/of geluidversterker) inclusief de toeslag van 10 dB voor mogelijk duidelijk herkenbaar muziekgeluid. Deze geluidbelasting is veel hoger dan de richtwaarde van 45 dB(A) en ook hoger dan de grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde uit het Activiteitenbesluit. Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat ook de geluidbelasting op bestaande woningen hoger is dan de deze grenswaarde van 50 dB(A). Afbeelding 18c: Geluidcontouren vóór het treffen van maatregelen

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

71

Om voor de nieuwe (en bestaande) woningen te kunnen voldoen aan de grenswaarde van 50 dB(A) op de voorgevel van de woningen, moeten de maatregelen getroffen worden zoals deze hieronder aangegeven zijn. Maatregelen aan constructieve elementen Maatregel 1: Het dichtzetten van de klapramen. Deze maatregel heeft effect op zowel de nieuwe woningen als op de bestaande woningen aan de Kasaidreef. Het open zetten van de ramen is noodzakelijk in verband met de ventilatiebehoefte. Na het dichtzetten zal ter compensatie mechanische ventilatie noodzakelijk zijn. Deze maatregel leidt bij de bestaande woningen tot een geluidbelasting van 50 dB(A). Bij de nieuwe woningen bedraagt de geluidbelasting dan maximaal 59 dB(A) op de voorgevel gericht naar de Kasaidreef en 55 dB(A) op de achtergevel (tuinzijde). De zijgevel met een geluidbelasting van 63 dB(A) wordt als Dove gevel uitgevoerd, zodat deze geen beoordeling behoeft. In de regels en de verbeelding van het bestemmingsplan is deze dove gevel als verplichting opgenomen (artikel7.2.2). Maatregel 2: isolatie van de onderzijde van het dak van de kerkzaal. 7 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

Utrecht

De resterende maximale overschrijding op de voorgevel van 9 dB in de avondperiode en 6 dB in de dagperiode, kan worden geëlimineerd door het dak van het kerkgebouw (aan de onderzijde) te isoleren met geluidsabsorberend materiaal (steen- of glaswoldekens) op de gipskartonbeplating. De te verwachten verbetering van de geluidisolatie van het dak bedraagt circa 6 dB(A) overdag, uitgaande van het spectrum tijdens muziek bij een kerkdienst. Bij het repeteren/oefenen van koren in de avondperiode zal de verbetering van de geluidisolatie circa 9 dB(A) zijn. Het effect van de isolatie is in de avond hoger dan overdag, omdat het geluid dan overwegend stemgeluid is met hogere tonen, die beter tegen te houden zijn met isolatie. Tijdens een kerkdienst (overdag) wordt er vaak versterkte muziek gebruikt met meer basgeluid, dat moeilijker tegen te houden is door isolatiemaatregelen. Met maatregel 2 kan dus voldaan worden aan de grenswaarde van 50 dB. Maatregel 3: Isolatie van het dak van zaal 1 en de hal. Uit het onderzoek (tabel 5.3) blijkt dat ook de geluidbelasting vanuit zaal 1 en de hal verminderd moet worden. Uit een locatiebezoek aan de kerk is gebleken dat de geluidemissie vanuit zaal 1 verlaagd kan worden met ongeveer 6 dB(A), door het aanbrengen van zware steenwolisolatie in de spouw van het dak.

Wijziging ingang en lay-out kerkzaal In overleg met de Kerk is besloten om de lay-out van de kerk te wijzigen met de ingang naar de Kasaidreef conform onderstaande afbeelding, waarbij van belang is op te merken dat de uitbouw niet tegen de woning aangebouwd zal worden. De combinatie met het verplaatsen van de in-/uitgang naar de Kasaidreef kan een gunstig effect op de geluidemissie opleveren. Door deze wijziging wordt direct aan de zijde van de woningen een stille 'bufferruimte' gerealiseerd en wordt het geluidafstralende deel van het dakvlak kleiner. Dit heeft echter geen effect op de hierbovengenoemde maatregelen. Deze blijven alle noodzakelijk om voor de bestaande en nieuwe woningen te kunnen voldoen aan de grenswaarde. Omdat zaal 1 wordt verplaatst naar de zuidzijde van het kerkgebouw en met een vouwwand gescheiden wordt van de ontmoetingsruimte van zaal 1, dient in deze situatie de zware steenwolisolatie van maatregel 3 over het gehele oppervlak van zowel zaal 1 als de ontmoetingsruimte te worden aangebracht. De huidige kunststof daklichten zijn dan nog een zwakke schakel voor wat betreft de geluidsisolatie van het dak. Hiervoor is maatregel 4 noodzakelijk: Maatregel 4: Onder de kunststof daklichten dient een (transparante) gesloten beplating te worden aangebracht. Afbeelding 18d Nieuwe lay-out kerkzaal

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

73

Maatwerkvoorschrift De bovenstaande maatregelen betreffen maatwerk en worden in samenwerking met de kerk verder uitgewerkt. De gemeente is voornemens om met het oog op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, deze maatregelen op te nemen in een maatwerkvoorschrift op basis van het Activiteitenbesluit. Dit maatwerkvoorschrift moet van kracht zijn voordat de woningen worden bewoond. Het maatwerkvoorschrift vervangt niet de wettelijke geluidgrenswaarde, maar geeft aan hoe hieraan kan worden voldaan. Het maatwerkvoorschrift geeft hiermee duidelijkheid voor alle betrokken partijen. Bij het opleggen van een maatwerkvoorschrift is van belang dat de maatregelen de exploitatie van de kerk niet onevenredig belemmeren, dat deze uitvoerbaar zijn en financieel haalbaar. Er heeft intensief overleg met de kerk plaatsgevonden over de noodzakelijke maatregelen. Daarbij zijn alleen de financieel haalbare en uitvoerbare maatregelen verder uitgewerkt. 5.10.4 Conclusie De beoogde woningen binnen het plangebied bevinden zich op een passende afstand tot bedrijven buiten het plangebied, die naar alle verwachting niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt, nu aan de richtafstanden van de VNG-brochure wordt voldaan. Daarnaast bevindt zich binnen het plangebied op korte afstand van de beoogde woningen een aantal andere functies, zoals een kerkgebouw, een open parkeergarage en een sportveld.

Ten aanzien van deze functies zullen maatregelen worden getroffen om de invloed van geluid van deze functies te beperken. Door het nemen van deze maatregelen voor het sportveld, de parkeergarage en het kerkgebouw, wordt ervoor gezorgd dat ter plaatse van de bestaande en nieuwe woningen sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. De kerk voldoet daarnaast -als inrichting waarop het Activiteitenbesluit van toepassing is- ook aan de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit.

7 4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

Utrecht

5.11 Water en klimaatadaptatie 5.11.1 Algemeen Water Door de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan het functioneren van het watersysteem onder druk komen te staan. Het doel van de 'Watertoets' is het waarborgen van water gerelateerd beleid en water gerelateerde beheeraspecten door ruimtelijke ontwikkelingen vroegtijdig en evenwichtig te toetsen aan de relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten. Ruimtelijke plannen moeten wettelijk voorzien zijn van een 'Waterparagraaf', een ruimtelijke onderbouwing van de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie. Met de watertoets worden de waterhuishoudkundige gevolgen van plannen vroegtijdig inzichtelijk gemaakt, de afwegingen expliciet en toetsbaar vastgelegd en in het wateradvies van de waterbeheerders opgenomen. Door afstemming met de waterbeheerder(s) wordt voorkomen dat door een ruimtelijke ontwikkeling de kansen voor de waterhuishouding niet worden benut en de bedreigingen niet worden herkend. Door de bestaande (geo)hydrologische situatie en randvoorwaarden, de geplande ontwikkeling en de ruimtelijke consequenties ten aanzien van de waterhuishouding te analyseren, kan het streven naar een duurzaam en robuust watersysteem tijdig in het ontwerpproces worden geïntegreerd.

De waterparagraaf is opgesteld ter verantwoording en afsluiting van de watertoets voor de herinrichting van de Ivoordreef in de gemeente Utrecht en is opgenomen in Bijlage 19. 5.11.2 Beleidskader In het algemeen is het beleid van het Rijk, de provincie Utrecht, de gemeente Utrecht en het waterschap HDSR en het waterschap AGV(Waternet) gericht op een duurzaam en robuust waterbeheer. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden (indien doelmatig) de waterkwaliteitstrits 'gescheiden inzamelen-gescheiden afvoeren-gescheiden verwerken' en de waterkwantiteitstrits 'water vasthouden, bergen-vertraagd afvoeren' gehanteerd.

Dit beleid is per overheidsniveau in de onderstaande beleidsdocumenten verankerd: Europese richtlijn: Kaderrichtlijn Water (KRW); Rijksbeleid: Nationaal Waterplan, Deltaplan Ruimtelijke adaptatie, WB21, NBW, Waterwet, etc.; Provinciale Omgevingsvisie (in werking getreden op 1 april 2021); Provinciale Interim Omgevingsverordening (in werking getreden op 1 april 2021) Gemeentelijk beleid: de visie Water en Riolering (februari 2022), de visie Klimaatadaptatie (februari 2022); Waterschapsbeleid HDSR: Waterschapsbeleid: Waterwet, Waterbeheerplan 'Waterkoers 2016-2021', Beleidsregels Keur 2019; In de visie Water en Riolering en de Klimaatadaptatievisie (vastgesteld in februari 2022) zijn eisen opgesteld ten aanzien van het verminderen van hemelwateroverlast, droogte en hittestress. In deze paragraaf zijn deze eisen verder uitgewerkt en toegepast op het plangebied. Waterkwaliteit De gemeente streeft conform het beleid van de Europese Kaderrichtlijn Water samen met de waterbeheerder naar een goede ecologische en chemische kwaliteit van het oppervlaktewater. Dit betekent dat de waterkwaliteit veerkrachtig is, ook bij extreem weer en lange termijn klimaateffecten. Dit sluit aan bij de ambitie vastgesteld door de Gemeente Utrecht in regionaal (Winnet) verband (regionaal afvalwaterketen beleid, 2014).

Deze zegt dat de waterkwaliteit, ook het te realiseren, open water in het gebied, dient te voldoen aan het streefbeeld zichtbaar. De aanleg van natuurvriendelijke oevers en het voorkomen van bronnen van vervuiling van het oppervlaktewater dragen bij aan een goede ecologische en chemische kwaliteit van het oppervlaktewater. Voor een goede waterkwaliteit en ecologie is verbinding van waterpartijen van belang. Zo ook bij aan te leggen natuurvriendelijke oevers zodat een ecologische verbinding ontstaat. Het hemelwater van dakoppervlak en erfverharding kan direct worden afgevoerd naar de infiltratievoorziening of wadi. Op deze manier wordt het hemelwater op een natuurlijke wijze gezuiverd en geïnfiltreerd. Om vervuiling van afstromend hemelwater en verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen, mogen geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, lood en koper) worden toegepast voor dak, dakgoot en regenpijp. bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

75

Waterwet Watervergunning – onttrekking en lozing Tijdelijke onttrekking van grondwater tijdens de bouwfase is vergunningplichtig en onder voorwaarden toegestaan, evenals tijdelijke lozing van bemalingswater op het oppervlaktewater. Nader onderzoek naar de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater is noodzakelijk om na te gaan of er een lozingsvergunning nodig is om overtollig water te onttrekken en af te voeren. Voor alle onderbemalingen, bronneringen en andere grondwateronttrekkingen waarbij middels bronbemaling globaal meer dan 100 m3 per uur, langer dan 6 maanden en dieper dan 9 m grondwater wordt onttrokken, moet een vergunning worden aangevraagd bij het waterschap HDSR (zie artikel 3.10 Keur 2019). Indien de grondwateronttrekking bij deze criteria onder de grenswaarden blijft, kan volstaan worden met een melding. Een (tijdelijke) lozing van grondwater op de openbare riolering is niet toegestaan, tenzij bij Algemene maatregel van bestuur (lozingsbesluiten) of bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in de Wet Milieubeheer anders is bepaald. Watervergunning - Keur Voor het dempen en graven, aanleggen van vlonders en steigers, bouwen in en langs water en uitvoeren van HDD boringen onder watergangen, kunstwerken en peilscheidingen door, is een Watervergunning van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden noodzakelijk.

Alle wateraspecten (inclusief Keur-aspecten) worden in de watervergunning geregeld. Rechtstreekse afvoer van hemelwater naar oppervlaktewater is vergunning- of meldingsplichtig in het kader van de Waterwet. Om vervuiling van afstromend hemelwater en verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen, is het niet toegestaan om uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, lood en koper) zonder KOMO-keurmerk toe te passen voor dak, dakgoot en regenpijp indien het hemelwater vanaf deze oppervlakken direct afvoert naar het oppervlaktewater. Wateroverlast Uitgangspunten in de Visie Water en Riolering zijn: Vuil water en schoon regenwater worden zoveel mogelijk gescheiden en bestrating en dakvlakken worden zoveel mogelijk aangesloten op een regenwatersysteem. Regenwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden op de plek waar het valt en wordt zichtbaar over het oppervlak afgevoerd i.p.v. ondergronds. Buien tot 20 mm per uur kunnen verwerkt worden zonder dat er water op straat blijft staan. Zelfs bij zeer extreme regenbuien van 80 mm in een uur mag geen schade ontstaan aan gebouwen en nutsvoorzieningen en worden veiligheidsrisico's voorkomen. Wegen, parkeerplaatsen, pleinen en groenvoorzieningen kunnen bijdragen aan tijdelijke waterberging bij extreme regenval. Aandachtspunten hierbij zijn de profilering van het terrein en hoogteliggingen.

Er moet dus gezorgd worden voor voldoende hoogteverschil tussen vloer- en wegpeilen. Regenwater mag niet langer dan 3 uur op straat staan. In het kader van het rioleringsplan moet worden aangegeven of al het regenwater in het plangebied geborgen kan worden of dat een overloop voorziening richting oppervlaktewater of hemelwaterstelsel zal worden aangebracht, waarvoor er voor dit project mogelijk een watervergunning aangevraagd moet worden. Beleid hemel- en afvalwater Om de klimaatdoelen te behalen, is in de Wet Milieubeheer in artikel 10.29a ingegaan op de voorkeursvolgorde hoe met hemelwater om te gaan. In de waterparagraaf is dit op het projectgebied toegepast en geconcretiseerd. Voorkeursvolgorde: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Vasthouden en nuttig gebruiken (geen lozing); Infiltratie op de bodem (bovengronds via het groen); Infiltratie in de bodem (ondergronds); Directe lozing in het oppervlaktewater; Lozing in een hemelwaterstelsel; Wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is om gebruik te maken van bovenstaande lozingsroutes: Lozing in een vuilwaterriool.

Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een 7 6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

Utrecht

goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. Bij het infiltreren van schoon hemelwater in de bodem (afkoppelen) kan het afvalwater worden afgevoerd naar het vuilwaterriool/DWA. Droogte Een combinatie van groen, water, slimme kavelinrichting en ontwerp van de toekomstige gebouwen kan ingezet worden om wateroverlast en calamiteiten in de toekomst te voorkomen. Het gebied moet zo ingericht worden dat zelfs bij een zeer extreme regenbui er geen schade optreedt. Het waterschap en de gemeente stellen hier de volgende eisen aan: Vloerpeil van panden ligt minimaal 0,15 m boven straatpeil; Het gebied moet zo ingericht worden dat zelfs bij een zeer extreme regenbui er geen schade optreedt. Hieraan wordt voldaan, als een extreme bui van 80 mm in één uur, verwerkt kan worden zonder dat er schade optreedt in gebouwen en vitale infrastructuur, zoals nutsvoorzieningen, door instromend regenwater en er ook geen gezond- en veiligheidsrisico's kunnen optreden, zoals bijvoorbeeld door opdrijvende putdeksels. Een bui van 80 mm per uur is tot op heden de zwaarste bui die door een weerstation van het KNMI is geregistreerd (Herwijnen, 2011); Bij voorkeur dient er 100%, maar minimaal 90% van de jaarlijkse neerslag over het totaal verhard oppervlak opgevangen en geïnfiltreerd te worden. Dat is 15 mm ten opzichte van verhard oppervlak binnen het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=a61f62a0-3776-4940-b5f2-0a8369927f8b