Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn_Bijlagen bij toelichting.pdf
Tekst van het document
Het noordelijke agrarische perceel is geschikter als leefgebied voor de heikikker door de hoge vegetatie aan de randen en langs de watergang. Op het plangebied zijn geen vorstvrije plaatsen aanwezig waar heikikkers kunnen overwinteren. Tussen het opgeslagen materiaal bij de bebouwing direct ten noorden van het plangebied is overwintering wel mogelijk. Indien aan de sloot wordt gewerkt of de randen van het agrarische perceel worden aangetast is nader onderzoek naar de aanwezigheid van heikikkers noodzakelijk. Er worden binnen het plangebied verder geen beschermde soorten amfibieën verwacht die niet algemeen zijn vrijgesteld door de provincie Utrecht. Effectbespreking en vervolgstappen
Het plangebied is geschikt voor algemene soorten amfibieën, zoals de gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Deze dieren kunnen door de werkzaamheden worden verstoord. Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig omdat de soorten algemeen zijn vrijgesteld door de provincie Utrecht bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel moet worden voldaan aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden waarbij B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
21/29
water wordt gedempt of vegetatie wordt verwijderd van één kant uit te voeren zodat aanwezige dieren de kans krijgen zich te verplaatsen. Indien aan de watergangen en de hogere vegetatie aan de randen van het noordelijke agrarische perceel wordt gewerkt is nader onderzoek naar de aanwezigheid van heikikker noodzakelijk. Mogelijk vormen de veensloten rondom het plangebied geschikte voortplantingsplaatsen voor heikikker. 3.2.7. Vissen
Resultaten bureaustudie
In de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van beschermde soorten vissen bekend. Resultaten veldbezoek
Binnen het plangebied komen geen watergangen voor waar aan gewerkt wordt. Ook worden geen beschermde vissen verwacht in de voedselrijke veensloten rondom het plangebied. Effectbespreking en vervolgstappen
Negatieve effecten op deze soortgroep worden niet verwacht. Voor deze soortgroep zijn geen vervolgstappen benodigd. 3.2.8. Ongewervelden
Resultaten bureaustudie
In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten ongewervelden weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.8: Beschermde ongewervelden die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, oktober 2021. Soort Categorie Wnb Platte schijfhoren H Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen de provincie Utrecht een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek
Er zijn geen waardplanten of geschikt biotoop van streng beschermde vlinders aangetroffen. Deze worden beiden ook niet verwacht op basis van biotoop en verspreiding. Ook is geen biotoop aanwezig voor beschermde libellen. In de omgeving van het plangebied zijn watergangen aanwezig die geschikt zijn als leefgebied voor bijvoorbeeld de platte schijfhoren. Hier zijn ook twee waarnemingen bekend van platte schijfhoren uit verschillende sloten. Dit zijn dezelfde type sloten met een vergelijkbare begroeiing en diepte als de sloten die het plangebied begrenzen. Het is niet uitgesloten dat de platte schijfhoren in meer sloten aanwezig is dan bekend vanuit de NDFF. Binnen het plangebied wordt voor de aanleg van de gebouwen die de 10kV en de 50kV installaties huizen in principe niet aan watergangen gewerkt. Negatieve effecten op platte schijfhoren worden daarmee uitgesloten. Indien toch niet kan worden uitgesloten dat aan watergangen wordt gewerkt, bijvoorbeeld als sloten worden gedempt of worden verlegd, dient nader onderzoek naar platte schijfhoren plaats te vinden. B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
22/29
Effectbespreking en vervolgstappen
Indien geen werkzaamheden aan sloten plaatsvinden worde negatieve effecten op deze soortgroep niet verwacht. Voor deze soortgroep zijn geen vervolgstappen benodigd. Indien toch aan watergangen wordt gewerkt, bijvoorbeeld het dempen van sloten, dan dient nader onderzoek naar platte schijfhoren plaats te vinden. 3.3 Invasieve exoten
Uit de bureaustudie (NDFF) blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende exoten van de Unielijst zijn waargenomen: Nijlgans, muskusrat, grote waternavel, reuzenbalsemien en smalle waterpest. Er zijn tijdens het oriënterend veldbezoek in het plangebied geen invasieve uitheemse soorten (exoten) waargenomen.
3.4 Houtopstanden
Er staan geen houtopstanden binnen het plangebied. Er zijn daarom geen verdere acties in het kader van beschermde houtopstanden noodzakelijk.
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
23/29
4
Conclusie
In onderstaande paragrafen worden de conclusies en aanbevelingen uit de quickscan besproken. 4.1 Beschermde gebieden
Natura 2000
De nieuwbouw leidt niet tot ruimtebeslag op het Natura 2000-netwerk. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen ligt op een afstand van tenminste 8.850 meter. Directe negatieve effecten als gevolg van oppervlakteverlies zijn daarmee uitgesloten. Gezien de aard van de werkzaamheden, de ligging van het plangebied en de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied zijn negatieve effecten door verstoring op Natura 2000-gebied uitgesloten. Voor mogelijke stikstofdepositie op gevoelige habitattypen/soorten in Natura 2000gebieden tijdens de realisatiefase van het project kan gebruik worden gemaakt van de partiële vrijstelling voor de vergunningplicht, welke geldt per 1 juli 2021 door de inwerkingtreding van artikel 1 van de Wet tot wijziging van de Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) en artikel 1 van het bijbehorende Besluit (AmvB). Om mogelijke juridische risico’s geheel uit te sluiten, kan worden besloten om een AERIUS berekening wel uit te voeren zodat duidelijk wordt of er al dan niet sprake is van toename van depositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden. Het project zal in de gebruiksfase niet leiden tot een toename in stikstofemissie. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Er is geen ruimtebeslag op het NNN. Gezien de aard van de werkzaamheden en afstand van tenminste 2.860 meter worden indirecte negatieve effecten zoals verstoring en verontreiniging op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN eveneens uitgesloten. Er is geen nadere NNN-toetsing benodigd. Groene Contour
Er is geen ruimtebeslag op gebieden die behoren tot de Groene Contour. De dichtstbijzijnde gebieden van de Groene Contour liggen op 2.888 meter van het plangebied. Negatieve effecten op de Groene Contour worden uitgesloten. Er zijn geen vervolgstappen benodigd. 4.2 Beschermde soorten
Binnen het plangebied is biotoop aangetroffen die geschikt is voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroep: algemene broedvogels, amfibieën en grondgebonden zoogdieren. Verder is rondom het plangebied biotoop aangetroffen wat geschikt is voor de beschermde heikikker en platte schijfhoren. Indien de watergang intact blijft en zowel de oevers van de watergang als de hogere begroeiing langs de randen van het agrarische perceel behouden blijven, is nader onderzoek naar de heikikker niet aan de orde. Doordat niet aan watergangen wordt gewerkt zijn geen vervolgstappen benodigd voor de platte schijfhoren.
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
24/29
In onderstaande tabel is per soortgroep aangegeven of er nader onderzoek nodig is en mogelijk een ontheffing nodig is in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 4.1: Conclusies en aanbevelingen over beschermde soorten (Wet natuurbescherming). Soortgroep
Beschermde Soorten/functie?
Nader onderzoek nodig?
Ontheffing Wet natuurbescherming nodig?
Vaatplanten Algemene Broedvogels
Nee Ja
Nee Nee
Vogels met jaarrond beschermde nesten Grondgebonden zoogdieren
Nee
Nee
Nee Nee, mits maatregelen worden genomen om vernietiging van nesten en verstoring van broedende vogels te voorkomen Nee
Ja, het plangebied vormt leefgebied voor algemeen vrijgestelde grondgebonden zoogdiersoorten zoals veldmuis en haas. Ook komt de beschermde steenmarter mogelijk in de omgeving voor.
Nee
Vleermuizen Nee foerageergebied
Nee
Nee, er dient wel rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11). Ten aanzien van de steenmarter dienen werkzaamheden tussen zonsondergang en zonsopkomst uitgevoerd te worden. Daarbij dienen de noordelijke zijde van het agrarische perceel, watergangen en eventueel behouden groenstroken onverlicht gelaten te worden (of afgeschermd tegen uitstraling). Dit geldt ook voor de gebruiksfase. Nee
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
25/29
Soortgroep
Beschermde Soorten/functie?
Nader onderzoek nodig?
Ontheffing Wet natuurbescherming nodig?
Vleermuizen vliegroutes
Nee
Nee
Nee
Vleermuizen verblijfplaatsen Reptielen Amfibieën
Nee
Nee
Nee
Nee Ja, het plangebied vormt leefgebied voor algemeen vrijgestelde amfibieënsoorten zoals bastaardkikker en gewone pad. Ook komt de beschermde heikikker voor in de omgeving van het plangebied. Nee Ja, platte schijfhoren komt voor in enkele sloten in de omgeving van het plangebied.
Nee Nee, indien er niet aan watergangen en randen met hoge vegetatie van het agrarische perceel wordt gewerkt waar voortplantingsplaatsen van heikikker aanwezig kunnen zijn.
Nee Nee, indien watergangen ongemoeid blijven. Overige soorten betreffen door de provincie Utrecht algemeen vrijgestelde dieren. Er dient wel rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11).
Nee Nee, indien watergangen ongemoeid blijven door de werkzaamheden.
Nee Nee, indien watergangen ongemoeid blijven door werkzaamheden
Vissen Ongewervelden
4.2.1. Nader onderzoek
In bovenstaande tabel is aangegeven dat er geen nader onderzoek nodig is naar beschermde soorten indien watergangen en randen met hoge vegetatie van het agrarische perceel ongemoeid blijven.
4.2.2. Maatregelen
Om negatieve effecten op algemeen beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen worden in ieder geval de volgende maatregelen voorgesteld: Soortgroep Maatregel Algemene - Om effecten op broedende vogels te voorkomen dienen broedvogels werkzaamheden, waarbij beplanting wordt verwijderd buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. Het verschilt per soort. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige op het gebied van broedvogels worden gecontroleerd of broedende vogels aanwezig B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
26/29
-
Grondgebonden zoogdieren & Amfibieën
-
-
-
-
zijn. Dit geldt ook voor de periode vlak voor of na het broedseizoen, het gaat om een broedgeval ongeacht de datum. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet gewerkt worden. Voorafgaand aan het broedseizoen kan vegetatie kort worden gemaaid om het plangebied onaantrekkelijk te maken als broedplaats voor algemene broedvogels. Om effecten op de heikikker te voorkomen dient de begroeiing op de oevers en de begroeiing aan de randen van het agrarische perceel behouden te worden. Ook voor de potentieel aanwezige steenmarter in de directe omgeving, is de aanbeveling om de hogere vegetatie langs de randen van het agrarisch perceel te behouden. Werkzaamheden dienen tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden zodat potentieel leefgebied van de steenmarter niet in functionaliteit beperkt wordt. Bij de inrichting van de verlichting van het noordelijke agrarische perceel dient uitstraling naar watergangen, de groenstrook ten noorden van het perceel en (indien behouden) de groene stroken rondom het perceel voorkomen te worden. De uitstraling mag maximaal 0,1 Lux zijn. Indien dit niet mogelijk is zal nader onderzoek naar de effecten van verlichting op het functioneel leefgebied van de steenmarter benodigd zijn.
Om effecten op algemeen beschermde kleine grondgebonden zoogdieren en amfibieën zoveel mogelijk te beperken dienen werkzaamheden waarbij vegetatie wordt verwijderd van één kant te worden uitgevoerd, zodat aanwezige dieren de kans krijgen om zich te verplaatsen. Deze maatregel valt onder de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb).
4.1
Invasieve exoten
Er zijn tijdens het oriënterend veldbezoek in het plangebied geen invasieve uitheemse soorten (exoten) waargenomen. Deze worden ook niet verwacht binnen het plangebied.
4.2
Houtopstanden
Er staan geen houtopstanden binnen het plangebied. Er zijn daarom geen verdere acties in het kader van beschermde houtopstanden noodzakelijk.
4.3
Kansen voor natuur
Om biodiversiteit in en rondom het plangebied te verhogen, wordt een landschappelijk en natuur-inclusieve inpassing gemaakt van het nieuwe ontwerp. Bij de ontwikkeling van het hoogspanningsstation en het landbouwperceel wordt een ontwerpplan opgesteld waarbij een ecologisch deskundige betrokken is. Voorbeelden van maatregelen die mogelijk toegepast zullen worden is het realiseren van een wadi of het aanbrengen van sedum op het dak van het nieuwe gebouw.
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
27/29
5
Bronnen
Kennisdocument Heikikker, BIJ12 (juli 2017). Nationale Databank voor Flora en Fauna (20 juni 2022).
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
28/29
Colofon Opdrachtgever
Uitgave
Stedin Netbeheer BV - Hoofdkantoor
Movares Nederland B.V. Kennislijn Omgeving en Processen groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
Postbus 2855 3500 GW Utrecht Telefoon
030
Ondertekenaar Projectnummer Kenmerk
MN002912 B85-HLA-KA-2100042
© , Movares Nederland B.V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Movares Nederland B.V.
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
29/29
Bijlage I Wet- en regelgeving In deze bijlage staat een beschrijving van de relevante wet- en regelgeving en het beleidskader. Wet natuurbescherming (Wnb)
De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Wnb richt zicht op bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Met de in werking treding van de Wnb zijn de oude Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en de Boswet vervallen. Bevoegd gezag
De provincies zijn in de meeste gevallen het bevoegde gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het rijk in de vorm van de minister van LNV bevoegd gezag. Dit is uitgewerkt in artikel 1.3 van het Besluit natuurbescherming en betreffen handelingen en projecten voor aanleg, uitbreiding en, voor zover van toepassing, inrichting, alsmede wijziging, gebruik, beheer en onderhoud van onder andere hoofdwegen, hoofdvaarwegen, hoofdspoorwegen, primaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen met een spanning van tenminste 220 kV, winning van delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij, activiteiten Koninklijk Huis, etc. Gemeenten hebben een loketfunctie. Het is mogelijk om een natuurvergunning ‘aan te haken’ bij de omgevingsvergunning, maar dit hoeft niet. Gebiedsbescherming
De gebiedsbescherming is vastgelegd in artikel 2.1 tot en met 2.11 van de Wet natuurbescherming. Hierin wordt de aanwijzing en bescherming van Natura 2000gebieden geregeld. Hiermee zijn de verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, voor zover die betrekking hebben op gebiedsbescherming, geïmplementeerd in het Nederlands recht. De begrenzing van de Natura 2000-gebieden en de instandhoudingdoelstellingen voor die gebieden zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden. De instandhoudingdoelstellingen beschrijven voor de voor het gebied aangewezen habitattypen en soorten of een bepaalde ontwikkeling ervan gewenst is of dat het behoud ervan op het aanwezige niveau moet worden nagestreefd. Voor activiteiten of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van LNV. Voortoets en Passende beoordeling Bij plannen in, of in de nabijheid (externe werking) van, een Natura 2000-gebied dienen de initiatiefnemers in een oriënterende fase (voortoets) te onderzoeken of het plan een significant negatief effect op de instandhoudingdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied kan hebben. Met externe werking wordt bedoeld dat ook activiteiten buiten het gebied de natuurwaarden in het gebied kunnen beïnvloeden.
Indien na dit onderzoek niet kan worden uitgesloten dat de activiteit een significant negatief effect heeft, dient de initiatiefnemer meer gedetailleerd dan in de oriënterende fase in kaart te brengen wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. Daarbij dienen
ook, indien noodzakelijk, de mitigerende maatregelen te worden betrokken. Deze analyse heet een ´passende beoordeling´. Het bevoegd gezag toetst de passende beoordeling. Wanneer uit de passende beoordeling alsnog de zekerheid wordt verkregen dat de activiteit niet leidt tot significant negatieve effecten, kan de activiteit doorgang vinden. Wanneer uit de voortoets blijkt dat er wel kans is op een negatief effect, maar dit als niet significant kan worden gezien, kan eveneens, op basis van een verslechteringstoets toestemming voor het uitvoeren van de activiteit worden verleend. Wanneer uit de passende beoordeling blijkt dat significante negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, kan het project alleen doorgang vinden op grond van de “ADC-criteria”. Dit betekent dat: • A – alternatieve oplossingen voor het plan ontbreken; • D – er dwingende redenen van groot openbaar belang zijn, en • C – de initiatiefnemer compenserende maatregelen vooraf en tijdig treft. Zorgplicht Binnen de kaders van de Wet natuurbescherming is de Zorgplichtbepaling (artikel 1.11) van toepassing. Deze zorgplicht houdt o.a. in dat als een activiteit wordt ondernomen waarvan kan worden vermoed dat deze nadelig kan zijn voor de natuurwaarden van het gebied, deze activiteit niet plaats mag vinden. Ook moeten alle maatregelen worden genomen om nadelige gevolgen te voorkomen of te beperken.
Stikstofdepositie Stikstofdepositie vormt veelal een knelpunt bij de besluitvorming over plannen en projecten, omdat in veel Natura 2000-gebieden overbelasting van stikstof een probleem is voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor het gebied aangewezen soorten en habitattypen. Per 1 juli 2021 is artikel 1 van de Wet tot wijziging van de Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) en artikel 1 van het bijbehorende Besluit (AmvB) in werking getreden. Hiermee is er een partiele vrijstelling gekomen voor de vergunningsplicht als het gaat om stikstofdepositie. Partieel omdat de vrijstelling enkel geldt voor tijdelijke deposities in de realisatiefase van werken. Voor dergelijke activiteiten hoeft dan ook geen AERIUS berekening naar stikstofdepositie uitgevoerd te worden.
Voorbeelden van werkzaamheden die onder de partiele vrijstelling vallen zijn bouw en sloop van woningen, utiliteitsgebouwen, bruggen en viaducten, en bouw- en aanlegactiviteiten voor duurzame energieopwekking, grond-, weg- en waterbouw, waaronder straten, pleinen, wegen, het verplaatsen van grond in het kader van bouwrijp maken van een terrein, spoorwegen, waterstaatswerken, waterwegen, waterkeringen, energieinfrastructuur, telecommunicatie-infrastructuur, drinkwaterinfrastructuur zoals waterleidingen, pompstations en winputten, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en vuilwaterriolen. De vrijstelling is partieel omdat een structurele toename van stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase (na realisatie project) niet vrijgesteld is. Middels een projectspecifieke AERIUS berekening dient voor de gebruiksfase getoetst te worden of er sprake zal zijn van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Wanneer depositie niet uitgesloten kan worden is aanvullende toetsing (voortoets, passende beoordeling, ADC-toets) benodigd en of dient gekeken te worden of de depositie middels mitigerende maatregelen of interne/externe saldering weggenomen kan worden. Bij een ADC-toets dient aangetoond te worden dat er geen Alternatief is met minder schadelijke effecten voor Natura 2000-gebieden, er een
Dwingende reden van groot openbaar belang is en dat er Compenserende maatregelen worden getroffen voor Natura 2000-gebieden. Soortbescherming
De Wet natuurbescherming maakt onderscheid tussen: 1) soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb); 2) soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb); 3) ‘andere soorten’ (artikel 3.10 e.v. Wnb). Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb) Het beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn is vastgelegd in artikel 3.1. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Onder de Wet natuurbescherming geldt dat het voor vogels zoals opgenomen in artikel 3.1 mogelijk is om bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de minister goedgekeurde gedragscode.
Indien de voorgenomen ontwikkeling valt binnen de reikwijdte van de gedragscode en er volgens de bepalingen uit de gedragscode wordt gewerkt, geldt er een vrijstelling van ontheffingplicht. Bij de aanvraag van een ontheffing voor overtreding van de verbodsbepalingen wordt de aanvraag getoetst op: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Vogelrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 1: ‘in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid’; - Er is geen verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en/of Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb) Deze categorie bestaat uit Europees beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.5: 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Onder de Wet natuurbescherming geldt dat het voor streng beschermde soorten zoals opgenomen in artikel 3.5 mogelijk is om bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de Minister goedgekeurde gedragscode. Indien de voorgenomen ontwikkeling valt binnen de reikwijdte van de gedragscode en er volgens de bepalingen uit de gedragscode wordt gewerkt, geldt er een vrijstelling van ontheffingplicht. Bij de aanvraag van een ontheffing voor overtreding van de verbodsbepalingen wordt de aanvraag getoetst op: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Habitatrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a.
belang 3: ‘in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’; - Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Andere soorten (artikel 3.10 e.v. Wnb) De categorie ‘andere soorten’ bestaat uit soorten zoals opgenomen in bijlage A en B van de wettekst. Dit zijn nationaal beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.10. Het is verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Onder de Wet natuurbescherming geldt dat het voor deze categorie soorten zoals opgenomen in artikel 3.10, mogelijk is om bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de minister goedgekeurde gedragscode. Indien de voorgenomen ontwikkeling valt binnen de reikwijdte van de gedragscode en er volgens de bepalingen uit de gedragscode wordt gewerkt, geldt er een vrijstelling van ontheffingplicht. Bij de aanvraag van een ontheffing voor overtreding van de verbodsbepalingen wordt de aanvraag beoordeeld op: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang h ‘in het algemeen belang’;
-
Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Algemeen vrijgestelde soorten Voor soorten van de categorie ‘andere soorten’ (bijlage A en B van de wettekst) kan een vrijstellingsregeling gelden, die per provincie anders kan worden ingestoken. De meeste provincies en het ministerie van LNV hebben ‘tabel 1 soorten’ van de oude Flora- en faunawet opnieuw vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit zijn soorten zoogdieren en soorten amfibieën. Bovengenoemde soorten zijn bij ruimtelijke projecten algemeen vrijgesteld van vergunningplicht. Wel dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze zorgplicht houdt in dat een ieder nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet voorkomen. Bescherming houtopstanden
De bescherming van houtopstanden is vastgelegd in artikel 4.1 tot en met 4.9 van de Wet natuurbescherming. Binnen de Wet natuurbescherming worden houtopstanden beschermd die aan bepaalde voorwaarden voldoen (Wnb artikel 4.1). Conform artikel 4.2 is het verboden houtopstanden te kappen zonder hier vooraf een melding van te maken aan het bevoegd gezag indien wordt voldaan aan de volgende twee punten: • de houtopstand buiten de 'bebouwde kom Wnb Houtopstanden' ligt. De begrenzing van de bebouwde kom in de zin van de Wnb komt niet altijd overeen met de begrenzing van de bebouwde kom op grond van de Wegenverkeerswet. Als een gemeente geen bebouwde kom in de zin van de Wnb heeft vastgesteld, is de Wnb overal van toepassing in die betreffende gemeente; • de houtopstand waarin de bomen worden gekapt groter is dan 10 are (1.000 vierkante meter) of het gaat om bomen in een rijbeplanting van 20 bomen of meer. De meldplicht geldt niet voor: a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgesteld grenzen van de bebouwde kom; b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. kweekgoed f. uit populieren of wilgen bestaande 1. wegbeplantingen 2. beplantingen langs waterwegen, en 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. g.
het dunnen van een houtopstand h. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per 10 jaar worden geoogst; 2. Bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door
onbeplante stroken brede dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013. De Wet natuurbescherming stelt dat wanneer houtopstanden worden gekapt, er voorafgaand aan de kap een meldingsplicht bij het bevoegd gezag is, veelal de provincie. De provincie bepaalt welke informatie omtrent de te kappen opstand aangeleverd dient te worden, op welke termijn dit aangeleverd dient te worden en welke voorwaarden voor de uitvoering van de kap gelden. Daarnaast geldt dat binnen drie jaar na de kap een herbeplantingsplicht geldt (door aanplant, bezaaiing of natuurlijke verjonging dan wel op andere wijze realiseren van een nieuwe houtopstand). Wanneer dat niet op dezelfde plaats kan, dan kan een provincie ontheffing verlenen de herbeplanting op andere gronden toe te staan indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels. Verder kunnen provincies ontheffing of vrijstelling verlenen voor bepaalde verbodsbepalingen en/of voorwaarden omtrent herbeplanting. Houtopstanden zijn tevens beschermd op grond van gemeentelijk regelgeving. Dit is vastgelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de betreffende gemeente. Ook kan de bescherming van een houtopstand zijn opgenomen in de planregels bij een bestemmingsplan.
Bij voorgenomen kap van houtopstanden dient daarom ook altijd naar de bepalingen in de APV en naar de planregels in het bestemmingsplan te worden gekeken. In verband met de bepalingen uit de APV en/of het bestemmingsplan kan volgen dat voor de kap van een houtopstand een omgevingsvergunning nodig is welke bij de gemeente moet worden aangevraagd. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur) van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het nationaal beleid met betrekking tot de gebiedsbescherming van het Natuurnetwerk Nederland is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De rijksoverheid heeft de bruto begrenzing van het NNN vastgesteld, de provincies zijn bevoegd om dit netto te begrenzen. De SVIR vervangt verschillende rijksbeleidsstukken zoals de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit. De juridische borging van de nationale ruimtelijke belangen die in de SVIR worden aangewezen vindt plaats via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Via het Barro werkt het rijksbeleid door naar de ruimtelijke verordeningen van de provincies. Het NNN is de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) sinds de afsluiting van het Natuurpact tussen Rijk en de provincies. ‘Nee, tenzij’-principe Voor het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. Dit betekent dat nieuwe plannen of projecten niet zijn toegestaan als ze de wezenlijke (potentiële) waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Uitzonderingen hierop zijn wanneer sprake is van redenen van groot openbaar belang en er geen reële alternatieven zijn. De schade dient in dat geval door mitigerende maatregelen zoveel mogelijk beperkt te worden.
De restschade dient te worden gecompenseerd. De rijkslijn zoals verwoord in het SVIR en Barro is dat er bij het NNN geen sprake is van externe werking.
Het NNN is planologisch beschermd in de Provinciale Structuurvisies en Verordeningen. In de Verordening staat aangegeven aan welke voorwaarden bij
ruimtelijke ingrepen in en langs het NNN moet worden voldaan. Ook is het compensatiebeleid bij aantastingen van het Natuurnetwerk Nederland hierin opgenomen.
6 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn" (vastgesteld)
Utrecht
Bijlage 3
AERIUS-berekening
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn" (vastgesteld)
63
ADVIESNOTA
AAN VAN TELEFOON KENMERK PROJECTNUMMER ONDERWERP DATUM
A90-J.-HS-MEMO-22006353 MN002912 Stikstofberekening Realisatiefase Hoogspanningsstation Oudenrijn 2 maart 2023
AANLEIDING Netbeheerder Stedin verwacht de komende 30 jaar minimaal een verdubbeling van het elektriciteitsverbruik in en om de stad Utrecht. Om te kunnen blijven voldoen aan de toenemende vraag naar elektriciteit is Stedin voornemens het hoogspanningsstation Oudenrijn, gelegen in Rijnenburg, te renoveren en uit te breiden. Het project bestaat uit twee fasen met elk een eigen plangebied. Fase 1 betreft het vervangen en uitbreiden van het bestaande hoogspanningsstation. Fase 2 betreft een reservering ten behoeve van de verdere uitbreiding van het hoogspanningsstation. Op dit moment wordt de haalbaarheid van het project (beide fasen) onderzocht. Onderdeel hiervan is het uitvoeren van AERIUS berekeningen naar stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden.
DOEL Voor de omschreven aanpassing dient te worden onderzocht of er een vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming moet worden aangevraagd. Dit is het geval wanneer er door de werkzaamheden ten behoeve van het realiseren van het project sprake is van een toename in de stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden met stikstofgevoelige habitattypen, welke leidt tot significant negatieve effecten. In deze adviesnota is het uitgevoerde onderzoek beschreven en wordt aangegeven of er als gevolg van de realisatie van het project (beide fasen) sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
AANPAK Voor het onderzoek wordt gebruik gemaakt van het rekenprogramma AERIUS versie 2022 (www.aerius.nl). Hierin zijn gegevens verwerkt met betrekking tot emissiemodellen, achtergrondwaarden en habitattypen. In dit rekenprogramma worden eerst de verschillende emissiebronnen (het gebruik van materieel en verkeersbewegingen) ingevoerd waarna de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden binnen 25 kilometer van het plangebied wordt berekend. In het onderzoek zijn alle bronnen beschouwd die stikstofuitstoot veroorzaken. Dit zijn alle werkzaamheden en verkeersbewegingen waarbij gebruik wordt gemaakt van verbrandingsprocessen op basis van fossiele brandstoffen.
1/10
ADVIESNOTA
LIGGING PLANGEBIED EN ONTSLUITINGSROUTE De plangebieden en ontsluitingsroutes van Fase 1 en Fase 2 bevinden zich aan de zuidkant van Utrecht op ongeveer 500 meter ten westen van knooppunt Oudenrijn. Figuur 1 geeft de ligging van de plangebieden inclusief ontsluitingsroutes weer. Het plangebied van Fase 2 ligt direct ten noorden van het plangebied van Fase 1. De ontsluitingsroute van Fase 2 verloopt daardoor over dezelfde wegen als de ontsluitingsroute van Fase 1, maar is iets korter.
Figuur 1: Visuele weergave van de plangebieden van Fase 1 en Fase 2 (zwart omlijnd) en bijbehorende ontsluitingsroutes (oranje lijn).
De Natura 2000-gebieden die het dichtst bij de plangebieden en de ontsluitingsroutes liggen zijn Oostelijke Vechtplassen en Uiterwaarden Lek. De gebieden liggen respectievelijk op circa 8,5 km afstand ten noorden en circa 9,9 km afstand ten zuiden van de plangebieden/de ontsluitingsroutes. Het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen is aangewezen in het kader van zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn. In dit gebied bevinden zich stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden die (naderend) overbelast zijn. Het Natura 2000gebied Uiterwaarden Lek is enkel aangewezen in het kader van de Habitatrichtlijn. Ook in dit gebied bevinden zich stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden die (naderend) overbelast zijn. In figuur 2 is de ligging van de plangebieden en ontsluitingsroutes ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden weergegeven.
A90-J.-HS-MEMO-22006353 / definitief / Versie 1.0
2/10
ADVIESNOTA
Figuur 2: De plangebieden van Fase 1 en 2 en bijbehorende ontsluitingsroute t.o.v. Natura-2000 gebieden (Uiterwaarden Lek onderin de figuur, in het geel, parallel aan de lek).
UITGANGSPUNTEN EN INVOERGEGEVENS De stikstof- en ammoniakemissie die optreedt tijdens de realisatie van Fase 1 en Fase 2 is gebaseerd op een opgave van activiteiten welke is opgesteld op basis van expert judgement en vervolgens geaccordeerd door de opdrachtgever. De totale emissie is de emissie die vrijkomt als gevolg van materieel dat gebruikt wordt op de bouwplaats en emissie die vrijkomt als gevolg van bouwverkeer (zwaar vrachtverkeer, middelzwaar vrachtverkeer en licht verkeer/personenvervoer) van en naar de bouwplaats. Algemene uitgangspunten Voor de invoer in AERIUS zijn de volgende uitganspunten vastgesteld: De uitvoering van Fase 1 vindt plaats in 2023 en uitvoering van Fase 2 in 2024. Activiteiten t.b.v. Fase 1 zijn dan ook gemodelleerd in rekenjaar 2023 en activiteiten t.b.v. Fase 2 in 2024; De activiteiten voor Fase 2 zullen vergelijkbaar zijn met de activiteiten voor Fase 1. Uitgangspunt is daarom dat de materieelinzet en het aantal vervoersbewegingen voor Fase 2 gelijk is aan de materieelinzet en het aantal vervoersbewegingen voor Fase 1; Uitgangspunt is dat eventuele bemaling d.m.v. een pomp in beide projectenfasen elektrisch geschied. Er is dan ook geen bemaling d.m.v. een pomp meegenomen in de berekening;
A90-J.-HS-MEMO-22006353 / definitief / Versie 1.0
3/10
ADVIESNOTA
Het AdBlue verbruik is voor al het materieel vastgesteld op 5% van het dieselverbruik. Kommagetallen zijn naar beneden afgerond (worst-case benadering).
Materieel op de bouwlocatie Het materieel dat nodig is voor de realisatie van het project is, per projectfase, onderverdeeld naar de verschillende activiteiten waarvoor het materieel wordt gebruikt. De relevante specificaties van het materieel, zoals het vermogen en brandstofverbruik, zijn bepaald op basis van expert judgement. Op basis van deze inputgegevens is het materieel vervolgens in AERIUS ingevoerd als ‘mobiele werktuigen’ in de categorie ‘bouw, industrie en delfstoffenwinning’. De inputgegevens met betrekking tot materieelinzet en de daarbij horende, door AERIUS berekende, NOx- en NH3-emissies zijn per fase weergegeven in tabel 1 en 2.
A90-J.-HS-MEMO-22006353 / definitief / Versie 1.0
4/10
ADVIESNOTA
Tabel 1: Specificaties materieel t.b.v. bouwwerkzaamheden behorend bij Fase 1, uitvoeringsjaar 2023 Aanleggen bouwweg en Bouwrijp maken terrein. Werkzaamheid
Materieel
Stageklasse
Vermogen (kW)
Draaiuren
Brandstofverbruik (l/j)
AdBlueverbruik (l/j)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
Ontgraven terrein
Graafmachine
IV
200
100
850
42
9,2
0,2
Uitvlakken terrein
Bulldozer
IV
60
80
800
40
8,4
0,2
Aan en afvoer grond / zand
Vrachtauto (op de bouwplaats)
IV
215
170
1785
89
18,8
0,4
Realiseren nieuwbouw van het 10 en 50 kV station (in de vorm van één geschakeld gebouw) Werkzaamheid
Materieel
Stageklasse
Vermogen (kW)
Draaiuren
Brandstofver bruik (l/j)
AdBlueverbruik (l/j)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
Uitvlakken terrein
Bulldozer
IV
60
21
170
8
1,6
0
Bouw
Mobiele kraan
IV
350
321
3606
180
37,8
0,9
Bouw
Heistelling
IV
280
95
1120
56
11,7
0,3
Bouw
Verreiker
IV
115
48
312
15
3,6
0,1
Bouw
Vrachtauto (op de bouwplaats)
IV
215
105
1102
55
11,6
0,3
Sloop van voormalig 50 kV station, Werkzaamheid
Materieel
Stageklasse
Vermogen (kW)
Draaiuren
Brandstofver bruik (l/j)
AdBlueverbruik (l/j)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
Sloop fundering
Graafmachine
IV
200
210
1336
66
14,8
0,3
Uitvlakken terrein
Bulldozer
IV
60
55
475
23
5,4
0,1
sloop
Verreiker
IV
115
34
216
10
2,7
0,1
Bouw
Dumper afvoer
IV
215
100
870
43
9,4
0,2
Scherfwanden en staalwerkplaatsen ten behoeve van de ‘Schakeltuin’, Werkzaamheid
Materieel
Stageklasse
Vermogen (kW)
Draaiuren
Brandstofver bruik (l/j)
AdBlueverbruik (l/j)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
Bouw
Verreiker
IV
115
80
506
25
5,6
0,1
Bouw
Vrachtauto (op de bouwplaats)
IV
215
25
262
13
2,8
0,1
Definitief afmaken van het terrein, Werkzaamheid
Materieel
Stageklasse
Vermogen (kW)
Draaiuren
Brandstofver bruik (l/j)
AdBlueverbruik (l/j)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
grondverzet
Graafmachine
IV
200
60
441
22
4,7
0,1
Uitvlakken terrein
Bulldozer
IV
60
110
980
49
10,4
0,2
verdichten
wals
IV
350
65
655
32
7,2
0,2
Bouw
Vrachtauto (op de bouwplaats)
IV
215
25
262
13
2,8
0,1
terreininrichting
Trilplaat etc.
IV
100
60
260
13
2,9
0,1
A90-J.-HS-MEMO-22006353 / definitief / Versie 1.0
5/10
ADVIESNOTA
Tabel 2: Specificaties materieel t.b.v. bouwwerkzaamheden behorend bij Fase 2, uitvoeringsjaar 2024 Aanleggen bouwweg en Bouwrijp maken terrein. Werkzaamheid
Materieel
Stageklasse
Vermogen (kW)
Draaiuren
Brandstofverbruik (l/j)
AdBlueverbruik (l/j)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
Ontgraven terrein
Graafmachine
IV
200
100
850
42
9,2
0,2
Uitvlakken terrein
Bulldozer
IV
60
80
800
40
8,4
0,2
Aan en afvoer grond / zand
Vrachtauto (op de bouwplaats)
IV
215
170
1785
89
18,8
0,4
Realiseren nieuwbouw van het 10 en 50 kV station (in de vorm van één geschakeld gebouw) Werkzaamheid
Materieel
Stageklasse
Vermogen (kW)
Draaiuren
Brandstofver bruik (l/j)
AdBlueverbruik (l/j)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
Uitvlakken terrein
Bulldozer
IV
60
21
170
8
1,6
0
Bouw
Mobiele kraan
IV
350
321
3606
180
37,8
0,9
Bouw
Heistelling
IV
280
95
1120
56
11,7
0,3
Bouw
Verreiker
IV
115
48
312
15
3,6
0,1
Bouw
Vrachtauto (op de bouwplaats)
IV
215
105
1102
55
11,6
0,3
Sloop van voormalig 50 kV station, Werkzaamheid
Materieel
Stageklasse
Vermogen (kW)
Draaiuren
Brandstofver bruik (l/j)
AdBlueverbruik (l/j)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
Sloop fundering
Graafmachine
IV
200
210
1336
66
14,8
0,3
Uitvlakken terrein
Bulldozer
IV
60
55
475
23
5,4
0,1
sloop
Verreiker
IV
115
34
216
10
2,7
0,1
Bouw
Dumper afvoer
IV
215
100
870
43
9,4
0,2
Scherfwanden en staalwerkplaatsen ten behoeve van de ‘Schakeltuin’, Werkzaamheid
Materieel
Stageklasse
Vermogen (kW)
Draaiuren
Brandstofver bruik (l/j)
AdBlueverbruik (l/j)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
Bouw
Verreiker
IV
115
80
506
25
5,6
0,1
Bouw
Vrachtauto (op de bouwplaats)
IV
215
25
262
13
2,8
0,1
Definitief afmaken van het terrein, Werkzaamheid
Materieel
Stageklasse
Vermogen (kW)
Draaiuren
Brandstofver bruik (l/j)
AdBlueverbruik (l/j)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
grondverzet
Graafmachine
IV
200
60
441
22
4,7
0,1
Uitvlakken terrein
Bulldozer
IV
60
110
980
49
10,4
0,2
verdichten
wals
IV
350
65
655
32
7,2
0,2
Bouw
Vrachtauto (op de bouwplaats)
IV
215
25
262
13
2,8
0,1
terreininrichting
Trilplaat etc.
IV
100
60
260
13
2,9
0,1
A90-J.-HS-MEMO-22006353 / definitief / Versie 1.0
6/10
ADVIESNOTA
Bouwverkeer De verkeersbewegingen die horen bij de realisatie van beide fasen van het project zijn als wegverkeer op een lijnbron (wegtype buitenwegen) gemodelleerd vanaf het plangebied, via de Heycopperkade naar de Meerndijk (N228). De Meerndijk is een drukke provinciale weg met, op basis van de CIMLK-monitoringstool (www.cimlk.nl), circa 13.000 verkeersbewegingen (alle categorieën samen) per etmaal. Voor de realisatie van zowel Fase 1 als Fase 2 vinden in de betreffende rekenjaren gemiddeld slechts 17 verkeersbewegingen (alle categorieën samen) per etmaal plaats. Derhalve is als aanname gehanteerd dat verkeer ten behoeve van de realisatiefasen van het project vanaf de Meerndijk opgaat in het heersende verkeer. In tabel 3 en 4 zijn per projectfase en per categorie de aantallen verkeersbewegingen, inclusief NOx emissie, weergegeven. In figuur 2 (pagina 2) en in de AERIUS-uitvoer in bijlage 1 en 2 zijn de ontsluitingsroutes afgebeeld. Tabel 3: Bouwverkeer tijdens de realisatiefase op de ontsluitingsroute behorend bij Fase 1, uitgevoerd in 2023
Ontsluitingsroute, Bouwplaats – N228 Type
Aantal verkeersbewegingen (j)
NOx (kg/j)
Licht verkeer
1320
Middelzwaar vrachtverkeer
2640
Zwaar vrachtverkeer
1920
Totaal
26,7
Tabel 4: Bouwverkeer tijdens de realisatiefase op de ontsluitingsroute behorend bij Fase 2, uitgevoerd in 2024
Ontsluitingsroute, Bouwplaats – N228 Type
Aantal verkeersbewegingen (j)
NOx (kg/j)
Licht verkeer
1320
Middelzwaar vrachtverkeer
2640
Zwaar vrachtverkeer
1920
Totaal
A90-J.-HS-MEMO-22006353 / definitief / Versie 1.0
23,3
7/10
ADVIESNOTA
RESULTAAT Uit de berekening met het AERIUS model versie 2022 blijkt dat het realiseren van het project (beide fasen) op basis van de opgenomen uitgangspunten niet zal leiden tot een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden die (naderend) overbelast zijn. In bijlage 1 is de AERIUS-uitvoer van de berekening voor Fase 1 weergegeven. Bijlage 2 geeft de AERIUS-uitvoer van de berekening voor Fase 2 weer.
CONCLUSIES De realisatiefase van het project (beide fasen) leidt niet tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en/of habitatsoorten in Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat er voor de realisatiefase van het project, in het kader van stikstofdepositie, geen vergunning voor de Wet natuurbescherming hoeft te worden aangevraagd.
A90-J.-HS-MEMO-22006353 / definitief / Versie 1.0
8/10
ADVIESNOTA
Bijlage 1 Uitvoer AERIUS berekening Fase 1
A90-J.-HS-MEMO-22006353 / definitief / Versie 1.0
9/10
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
Totale emissie
Realisatiefase - Fase 1 - Beoogd
Resultaten
Realisatiefase - Fase 1 - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename van depositie Grootste afname van depositie
RZHNx8xy7kaX (02 maart 2023)
Movares Rijnenburg, Utrecht NL Renovatie en uitbreiding hoogspanningsstation Oudenrijn Berekening naar stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de realisatie van fase 1 van het project, doorgerekend voor het jaar 2023. RZHNx8xy7kaX 02 maart 2023, 08:52 Wnb-rekengrid Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
2023 -
4,7 kg/j
198,5 kg/j
2/7
Projectberekening
Realisatiefase - Fase 1 (Beoogd), rekenjaar 2023 Emissiebronnen 1 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Realisatie Fase 1 Verkeersnetwerk
RZHNx8xy7kaX (02 maart 2023)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
3,8 kg/j 171,8 kg/j 0,8 kg/j 26,7 kg/j
3/7
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste afname van depositie Grootste toename van depositie Hoogste totale depositie
De bronnen op de kaart horen bij de Beoogde situatie.
RZHNx8xy7kaX (02 maart 2023)
4/7
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Realisatiefase - Fase 1" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
RZHNx8xy7kaX (02 maart 2023)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste gekarteerd) afname (mol N/ha/jr)
-
-
5/7
Projectberekening
Realisatiefase - Fase 1, Rekenjaar 2023 1
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning
Naam Locatie Oppervlakte Naam
Realisatie Fase 1 X:132236,69 Y:453031,95 0,67 ha
Stageklasse
Graafmachine Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja Bulldozer Vrachtauto Heistelling Verreiker Dumper Wals Trilplaat Mobiele Kraan
RZHNx8xy7kaX (02 maart 2023)
NOₓ NH₃
171,8 kg/j 3,8 kg/j
Brandstofverbruik Draaiuren AdBlue verbruik
2627 l/j
370 u/j 130 l/j
Stof Emissie
NOₓ NH₃
Stage-IV, 2014-2018, 56-75 kW, diesel, SCR: ja
2425 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
3411 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
1120 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
1034 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
870 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
655 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
260 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
3606 l/j
266 u/j 120 l/j
NOₓ NH₃
325 u/j 170 l/j
NOₓ NH₃
95 u/j
56 l/j
NOₓ NH₃
162 u/j 50 l/j
NOₓ NH₃
100 u/j 43 l/j
NOₓ NH₃
65 u/j
32 l/j
NOₓ NH₃
60 u/j
13 l/j
NOₓ NH₃
321 u/j 180 l/j
NOₓ NH₃
28,7 kg/j 0,6 kg/j 26,2 kg/j 0,6 kg/j 36,0 kg/j 0,8 kg/j 11,7 kg/j 0,3 kg/j 11,9 kg/j 0,2 kg/j 9,4 kg/j 0,2 kg/j 7,2 kg/j 0,2 kg/j 2,9 kg/j 62,4 g/j 37,8 kg/j 0,9 kg/j
6/7
Projectberekening
2
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte Verkeer
Ontsluitingsroute X:131531,25 Y:453589,64 2.396,79 m Buitenweg Beide richtingen 1 Normaal 0m
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
Max. snelheid
Type scherm Hoogte Afstand tot de weg
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃
-
-
Aantal voertuigen
1320 p/jaar 2640 p/jaar 1920 p/jaar 0 p/jaar
26,7 kg/j 6,7 kg/j 0,8 kg/j
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2022_20230221_e1cb893112 Database versie 2022_e1cb893112 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
RZHNx8xy7kaX (02 maart 2023)
7/7
ADVIESNOTA
Bijlage 2 Uitvoer AERIUS berekening Fase 2
A90-J.-HS-MEMO-22006353 / definitief / Versie 1.0
10/10
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
Totale emissie
Realisatiefase - Fase 2 - Beoogd
Resultaten
Realisatiefase - Fase 2 - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename van depositie Grootste afname van depositie
RwCF4xnKPriu (02 maart 2023)
Movares Rijnenburg, Utrecht NL Renovatie en uitbreiding hoogspanningsstation Oudenrijn Berekening naar stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de realisatie van fase 2 van het project, doorgerekend voor het jaar 2024. RwCF4xnKPriu 02 maart 2023, 08:52 Wnb-rekengrid Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
2024 -
4,7 kg/j
195,1 kg/j
2/7
Projectberekening
Realisatiefase - Fase 2 (Beoogd), rekenjaar 2024 Emissiebronnen 1 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Realisatie Fase 1 Verkeersnetwerk
RwCF4xnKPriu (02 maart 2023)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
3,8 kg/j 171,8 kg/j 0,9 kg/j 23,3 kg/j
3/7
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste afname van depositie Grootste toename van depositie Hoogste totale depositie
De bronnen op de kaart horen bij de Beoogde situatie.
RwCF4xnKPriu (02 maart 2023)
4/7
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Realisatiefase - Fase 2" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
RwCF4xnKPriu (02 maart 2023)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste gekarteerd) afname (mol N/ha/jr)
-
-
5/7
Projectberekening
Realisatiefase - Fase 2, Rekenjaar 2024 1
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning
Naam Locatie Oppervlakte Naam
Realisatie Fase 1 X:132255,18 Y:453101,8 0,79 ha
Stageklasse
Graafmachine Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja Bulldozer Vrachtauto Heistelling Verreiker Dumper Wals Trilplaat Mobiele Kraan
RwCF4xnKPriu (02 maart 2023)
NOₓ NH₃
171,8 kg/j 3,8 kg/j
Brandstofverbruik Draaiuren AdBlue verbruik
2627 l/j
370 u/j 130 l/j
Stof Emissie
NOₓ NH₃
Stage-IV, 2014-2018, 56-75 kW, diesel, SCR: ja
2425 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
3411 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
1120 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
1034 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
870 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
655 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
260 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
3606 l/j
266 u/j 120 l/j
NOₓ NH₃
325 u/j 170 l/j
NOₓ NH₃
95 u/j
56 l/j
NOₓ NH₃
162 u/j 50 l/j
NOₓ NH₃
100 u/j 43 l/j
NOₓ NH₃
65 u/j
32 l/j
NOₓ NH₃
60 u/j
13 l/j
NOₓ NH₃
321 u/j 180 l/j
NOₓ NH₃
28,7 kg/j 0,6 kg/j 26,2 kg/j 0,6 kg/j 36,0 kg/j 0,8 kg/j 11,7 kg/j 0,3 kg/j 11,9 kg/j 0,2 kg/j 9,4 kg/j 0,2 kg/j 7,2 kg/j 0,2 kg/j 2,9 kg/j 62,4 g/j 37,8 kg/j 0,9 kg/j
6/7
Projectberekening
2
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte Verkeer
Ontsluitingsroute X:131493,26 Y:453598 2.319,00 m Buitenweg Beide richtingen 1 Normaal 0m
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
Max. snelheid
Type scherm Hoogte Afstand tot de weg
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃
-
-
Aantal voertuigen
1320 p/jaar 2640 p/jaar 1920 p/jaar 0 p/jaar
23,3 kg/j 6,6 kg/j 0,9 kg/j
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2022_20230221_e1cb893112 Database versie 2022_e1cb893112 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
RwCF4xnKPriu (02 maart 2023)
7/7
8 8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn" (vastgesteld)
Utrecht
Bijlage 4
Watertoets
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn" (vastgesteld)
89
Watertoets Stedin Station Oudenrijn Analyse van de effecten op water
17 oktober 2022 - Versie 2.0
Autorisatieblad
Watertoets Stedin Station Oudenrijn Analyse van de effecten op water
Naam
Akkoord
Opgesteld door
Datum 17-10-2022
Gecontroleerd door
17-10-2022
Vrijgegeven door
17-10-2022
Op dit autorisatieblad ontbreken de handtekeningen wegens de digitale verwerking van ons vrijgaveproces. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven. Versie historie
Versie 1.0 1.1 2.0
Naam
Datum
Korte toelichting
24-11-2021 25-05-2022 17-10-2022
Eerste versie (fase 1) Fase 2 toegevoegd Opmerkingen Stedin, gemeente Utrecht en Hoogheemraadschap verwerkt
D81-JBR-KA-2100089 / Proj.nr. MN002912 / Definitief / Versie 2.0 / 17 oktober 2022
Inhoudsopgave 1
Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Wettelijk kader 1.3 Doel 1.4 Proces 1.5 Leeswijzer
3 3 4 4 4 4
2
Uitgangspunten 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie 2.3 Uitgangspunten
5 5 5 5
3
Analyse effecten op water 3.1 Waterveiligheid 3.2 Maaiveldhoogte 3.3 Waterhuishouding (bestaand systeem) 3.4 Bodemopbouw en geohydrologie 3.5 Grondwater 3.6 Waterhuishouding klimaat 3.7 Waterhuishouding (verhard oppervlak) 3.8 Afvalketen
7 7 7 8 9 10 11 14 19
4
Conclusies en advies
20
Colofon
22
Bijlage I Notitie HDSR Bijlage II Wateradvies HDSR
D81-JBR-KA-2100089 / Proj.nr. MN002912 / Definitief / Versie 2.0 / 17 oktober 2022
2/22
1 1.1 Aanleiding
Inleiding
Aanleiding voor het opstellen van een watertoets betreft de uitbreiding van Stedin Station Oudenrijn. Deze uitbreiding zal in 2 fasen worden uitgevoerd: -
Realisatie van een nieuw 50 kV en 10 kV station (fase 1). Realisatie van 8 transformatoren en een 21 kV station (fase 2).
De werkzaamheden in fase 1 betreffen het vervangen van het hoofdgebouw en het afbreken van diverse gebouwen (containers) en installaties. Het nieuwe hoofdgebouw wordt gerealiseerd in de noordwesthoek op het huidige Stedin terrein. Het huidige terrein bestaat grotendeels uit gebouwen en installaties. De noordwesthoek is momenteel niet bebouwd en begroeid met gras. De uitbreidingen in fase 2 worden op een nieuw terrein gerealiseerd, ten noorden van het huidige terrein. Momenteel is dit terrein niet bebouwd en begroeid met gras. Fase 2 zal pas worden gerealiseerd als er voldoende capaciteit in het elektriciteitsnet van TenneT is gecreëerd. De locatie is gelegen aan de Heijkopperkade 2a te Utrecht, aan de zuidzijde van de A12. In figuur 1 is de ligging weergegeven.
Figuur 1: Ligging onderzoekslocatie Stedin Oudenrijn, aan de noordkant loopt de snelweg A12. D81-JBR-KA-2100089 / Proj.nr. MN002912 / Definitief / Versie 2.0 / 17 oktober 2022
3/22
1.2 Wettelijk kader
In het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening is het voor ruimtelijke ontwikkelingen sinds 1 november 2003 wettelijk verplicht een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening: De Keur. Onderdeel van de Keur is de Legger. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen.