CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn_Bijlagen bij toelichting.pdf

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 13 april 2023, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn19.074 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan

Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn Vastgesteld, datum nog vast te stellen

Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn

Inhoudsopgave Bijlagen bij toelichting

3

Bijlage 1

Akoestisch onderzoek

5

Bijlage 2

Natuur rapport

23

Bijlage 3

AERIUS-berekening

63

Bijlage 4

Watertoets

89

Bijlage 5

Verkennend en aanvullend bodem onderzoek

125

2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn" (vastgesteld)

Utrecht

Bijlagen bij toelichting

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn" (vastgesteld)

3

4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn" (vastgesteld)

Utrecht

Bijlage 1

Akoestisch onderzoek

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn" (vastgesteld)

5

HS Station Oudenrijn Akoestisch onderzoek

Opdrachtgever Movares Nederland BV Contactpersoon Kenmerk R087622aa.2285FIE.eg Versie 02_001 Datum 25 oktober 2022 Auteur

Kelvinbaan 40 2e verd., 3439 MT Nieuwegein | Postbus 1475, 3430 BL Nieuwegein | T (030) 231 13 77 | F (030) 234 17 54 E info@lbpsight.nl | www.lbpsight.nl | IBAN: NL62 RABO 036 42 36 558 | KvK 30073990 | BTW NL007076083B01

Inhoudsopgave

1

Inleiding ..................................................................................................................................... 3

2

Uitgangspunten ......................................................................................................................... 5

3

Toetsingscriteria ........................................................................................................................ 8

4

Berekeningen ...........................................................................................................................10

5

4.1

Rekenmodel ..................................................................................................................................................... 10

4.2

Rekenresultaten .............................................................................................................................................. 11

Beoordeling en conclusie ........................................................................................................16

R087622aa.2285FIE.eg | versie 02_001 | 25 oktober 2022

2

1

Inleiding

HS-station Oudenrijn bestaat uit transformatoren en schakelinstallaties van Stedin die zijn aangesloten met het 150 kV hoogspanningsnet van TenneT. Via twee transformatoren van elk 130MVA wordt de spanning teruggebracht van 150 kV naar 50 kV en 10 kV. De transportspanning die Stedin gebruikt is 50 kV voor het overbruggen van grotere afstanden en grotere vermogens. Vooral de open 50 kV en gesloten 10 kV schakelinstallatie zijn verouderd en aan vervanging toe. De werkzaamheden aan het transformatorstation vinden plaats in 2 fasen, eerst uitbreiding van de aansluitcapaciteit en daarna de uitbreiding van de transportcapaciteit van het station. In fase 1 worden de open 50 kV schakelinstallaties en gesloten 10 kV schakelinstallaties vervangen door nieuwe gesloten installaties. Om het station operationeel te houden, wordt dit in de volgende stappen uitgevoerd: 1.

Een nieuw gebouw met een nieuwe 50 kV schakelinstallatie.

2.

Een nieuw gebouw met een nieuwe 10 kV schakelinstallatie.

3.

Verwijderen van de huidige 50 kV en 10 kV schakelinstallaties.

Het centrale dienstengebouw, de twee 150>50/10 kV transformatoren en de aansluiting tussen de bestaande transformatoren op de installatie van TenneT blijven ongewijzigd. Door deze aanpassingen neemt de maximaal te transporteren stroom via het station niet toe, want die wordt beperkt door de installatie van TenneT. Wel ontstaat er meer ruimte voor nieuwe aansluitingen. Fase 1 genereert niet meer geluid ten opzichte van de bestaande situatie zodat deze fase niet nader is beschouwd. In fase 2 wordt een capaciteitsuitbreiding gerealiseerd op het perceel ten noorden van het huidige perceel. 1.

Twee nieuwe en twee oude bestaande 150 -> 50 kV transformatoren in nieuwe transformatorcel.

2.

Twee nieuwe 50 -> 21 kV transformatoren in een transformatorcel.

3.

Twee nieuwe 50 -> 10 kV transformatoren in een transformatorcel.

R087622aa.2285FIE.eg | versie 02_001 | 25 oktober 2022

3

In figuur 1.1 is een concept inrichtingstekening weergegeven waarbij er 2 opties zijn voor de inrichting van het terrein.

Figuur 1.1 Concept inrichtingstekening optie 2 (links) en optie 3 (rechts) Om dit initiatief te kunnen realiseren, is een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk. Ter onderbouwing hiervoor dient onderhavig akoestisch onderzoek naar de geluidemissie van de te plaatsen transformatoren. Uitgangspunt daarbij is dat de te plaatsen transformatoren in afgesloten cellen worden gesitueerd.

R087622aa.2285FIE.eg | versie 02_001 | 25 oktober 2022

4

2

Uitgangspunten

De lay-out van het station is weergegeven in figuur 1.1 (zie hoofdstuk 1) en de locatie van het station is in figuur 2.1 weergegeven.

Figuur 2.1 Locatie hoogspanningsstation Oudenrijn De meest nabij liggende geluidgevoelige gebouwen zijn 3 boerderijen aan de noordzijde van het station. De afstand van het station (perceelsgrens) tot de boerderijen aan de Heycopperkade bedraagt minimaal circa 215 m (gele lijn in bovenstaand figuur). Ten noorden van het onderstation bevindt zich een tijdelijke zorglocatie van het Leger des Heils. Het Leger des Heils verdwijnt per 5 juni 2025. In fase 2 wordt de capaciteit vergroot en deze fase is daarom akoestisch onderzocht. Omdat deze fase pas na 2025 wordt gerealiseerd is de tijdelijke huisvesting van de zorglocatie, die dan niet meer aanwezig is, niet beschouwd. In tabel 2.1 is ten aanzien van de installaties aangegeven wat de eindsituatie is.

R087622aa.2285FIE.eg | versie 02_001 | 25 oktober 2022

5

Tabel 2.1 Installatie na realisatie van fase 2

De afstand tussen geluidproducerende componenten en de woningen is afhankelijk van de positie van de installaties. Vanaf de grens van de noordzijde van het terrein is de afstand tot de meest nabij gelegen woning circa 215 m (zie figuur 2.1). Hiermee wordt niet voldaan aan de toepasselijke richtafstand volgens de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (zijnde 300 m bij een geïnstalleerd maximaal in te schakelen vermogen tussen 200 en 1000 MVA, cat. 4.2). Er wordt uitgegaan van het toepassen van geluidarme transformatoren. De transformatoren zijn niet voorzien van koelventilatoren (koeling ONAN). De berekeningen zijn gebaseerd op een geluidvermogen van: -

maximaal 87 dB(A) per transformator voor 150 kV (LI,A sn = 65 dB(A) op 1,0 m afstand gemeten);

-

maximaal 74 dB(A) per transformator voor 50 kV (55 dB(A) op 0,3 m afstand gemeten, meetoppervlak transformator 85,8 m2).

De meetwaarden zijn gebaseerd op de uitganspunten die Stedin hanteert in een aanbesteding. De bovenstaande geluidvermogens zijn gewaarborgd middels geluidgaranties van de leverancier van de transformatoren. De transformatoren zullen worden opgesteld in volledig omsloten cellen. Verder zullen twee dienstengebouwen worden opgericht (gebouw 50 kV en 10 kV). Ten aanzien van de bedrijfsvoering met de transformatoren is het uitganspunt 100% belasting in de dag- en avondperiode zodat het station maximaal gebruikt kan worden voor het faciliteren van duurzame opwek. In de nachtperiode is het uitgangspunt maximaal 50% belasting omdat er dan veel minder activiteiten in de samenleving zijn waardoor deze niet wordt overschreden. Er is voor de geluiduitstraling rekening gehouden met de geluiduitstraling via het dak (dak bestaat uit een lichte bouwkundige constructie massa circa 20 kg/m2), via ongedempte ventilatieroosters en een lichte constructie van één van de wanden met daarin opgenomen een deur (gerekend is met een massa 15-20 kg/m2, 3 wanden zijn constructief zwaar en niet emissie relevant).

R087622aa.2285FIE.eg | versie 02_001 | 25 oktober 2022

6

Het transformatorstation is in principe onbemand. Verkeersbewegingen van en naar de inrichting zullen alleen (periodiek) optreden ten behoeve van inspectie en onderhoud en zijn beperkt in aantal. Het geluid vanwege het verkeer van en naar de inrichting kan derhalve als verwaarloosbaar worden aangemerkt. Ten aanzien van de optredende 'maximale geluidniveaus' (piekgeluiden) is het schakelen met de vermogensschakelaars van belang. In de 'representatieve bedrijfssituatie' zal er niet worden geschakeld als er geschakeld wordt is dit alleen tijdens onderhoud in de dagperiode. In de avonden nachtperiode vindt het schakelen alleen plaats bij storingen of calamiteiten. Omdat deze schakelingen geen onderdeel zijn van de representatieve bedrijfssituatie en incidenteel aanvaardbaar worden geacht zijn deze niet nader in beeld gebracht.

R087622aa.2285FIE.eg | versie 02_001 | 25 oktober 2022

7

3

Toetsingscriteria

Transformatorstations, met niet in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren, met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer worden in het Besluit omgevingsrecht (Bor) aangewezen als zogenaamde 'grote lawaaimakers'. Het industrieterrein waarop het transformatorstation is gelegen geldt dan als industrieterrein op basis van de Wet geluidhinder. Hierdoor ontstaat de plicht om een geluidzone rond het industrieterrein op te nemen in het bestemmingsplan. Stedin kiest bewust voor het plaatsen van de transformatoren in een gesloten cel zodat een geluidszonering niet nodig is en de geluidemissie naar de omgeving beperkt wordt. De inrichting valt onder de regelgeving van het Activiteitenbesluit. Navolgend zijn de grenswaarden gegeven van de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit (Afdeling 2.8 Geluidhinder, artikel 2.17).

R087622aa.2285FIE.eg | versie 02_001 | 25 oktober 2022

8

Het door transformatoren geëmitteerde geluid is tonaal van karakter. Indien het geluid ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen als tonaal wordt beoordeeld, dient conform de 'Handleiding meten en rekenen Industrielawaai' een toeslag (K1) van 5 dB in rekening te worden gebracht op de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT. Of het geluid van het transformatorstation ter plaatse van de geluidgevoelige gebouwen in de omgeving als tonaal wordt herkend, hangt mede af van het “achtergrondgeluidniveau” ter plaatse. In dit onderzoek is ervan uitgegaan dat het geluid ter plaatse van de woningen als tonaal zal worden beoordeeld en is de toeslag van 5 dB in rekening gebracht ('worst case').

R087622aa.2285FIE.eg | versie 02_001 | 25 oktober 2022

9

4

Berekeningen

4.1

Rekenmodel

Op basis van de uitgangspunten zoals weergegeven in hoofdstuk 2 is een akoestisch rekenmodel opgesteld. Met behulp van het rekenmodel zijn geluidcontouren (Letmaal) bepaald rondom de inrichting. Alle berekeningen zijn uitgevoerd op basis van de methode II in de “Handleiding meten en rekenen Industrielawaai”, uitgave 1999. De aangehouden ontvanger hoogte is 5 m. Bij de woningen ten noorden van de locatie zijn de langtijdgemiddelde geluidniveaus aangegeven op de hoogte 1,5 m en 5 m. In het rekenmodel zijn de verharde delen van het terrein van de inrichting en de wegen/water in de directe omgeving, als “akoestisch hard” (B = 0) aangehouden en de overige delen als zacht (B = 1,0). In figuur 4.1 zijn de delen van het terrein weergegeven die als hard zijn beschouwd (groene arcering). Voor de omgeving is een bodemfactor B = 1,0 gehanteerd.

Figuur 4.1 Overzicht harde gebieden op het terrein (groene arcering) optie 2 (links) en optie 3 (rechts)

R087622aa.2285FIE.eg | versie 02_001 | 25 oktober 2022

10

4.2

Rekenresultaten

Zowel voor de huidige situatie als voor de toekomstige situatie optie 2 en 3 is het verloop van de geluidscontouren bepaald. In figuur 4.2 zijn de resultaten gepresenteerd waarbij de etmaalwaarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT is aangegeven (is de nachtperiode plus 10 dB). In die rekenresultaten is ook rekening gehouden met een toeslag van 5 dB in verband met de tonaliteit (worst case benadering). Het betreft de huidige situatie waarbij de transformatoren (LW = 95 dB(A) trafo en koeler gebaseerd op ervaringscijfers) in de openlucht staan.

Figuur 4.2: Geluidcontouren van de 2 bestaande 130 MVA Transformatoren in de openlucht In figuur 4.3 en 4.4 zijn de resultaten gepresenteerd waarbij inzichtelijk is gemaakt welke langtijdgemiddelde geluidniveaus LAr,LT gedurende de dag- en avondperiode optreden (beiden zijn gelijk) en welke langtijdgemiddelde geluidniveaus LAr,LT gedurende de nachtperiode optreedt bij de configuratie volgens optie 2 in de nieuwe situatie.

R087622aa.2285FIE.eg | versie 02_001 | 25 oktober 2022

11

Figuur 4.3 Geluidcontouren 150 kV-Transformatoren gedurende de dag- en avondperiode configuratie volgens optie 2, lichte wandconstructie aan het binnenterrein gericht.

Figuur 4.4 Geluidcontouren 150 kV-Transformatoren gedurende de nachtperiode configuratie volgens optie 2, lichte wandconstructie aan het binnenterrein.

R087622aa.2285FIE.eg | versie 02_001 | 25 oktober 2022

12

In figuur 4.5 zijn de resultaten gepresenteerd waarbij de etmaalwaarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT is aangegeven (is de nachtperiode plus 10 dB). In die rekenresultaten is ook rekening gehouden met een toeslag van 5 dB in verband met de tonaliteit (worst case benadering).

Figuur 4.5 Geluidcontouren 150 kV-Transformatoren configuratie volgens optie 2, lichte wandconstructie aan het binnenterrein georiënteerd. Etmaalwaarden van het equivalente geluidniveau inclusief straffactor van 5 dB (worst case). In figuur 4.6. en 4.7 zijn de resultaten gepresenteerd waarbij inzichtelijk is gemaakt welke langtijdgemiddelde geluidniveaus LAr,LT gedurende de dag- en avondperiode optreden (beiden zijn gelijk) en welke langtijdgemiddelde geluidniveaus LAr,LT gedurende de nachtperiode optreedt bij de configuratie volgens optie 3 in de nieuwe situatie.

R087622aa.2285FIE.eg | versie 02_001 | 25 oktober 2022

13

Figuur 4.6 Geluidcontouren 150 kV-Transformatoren gedurende de dag- en avondperiode configuratie volgens optie 3, lichte wandconstructie aan het binnenterrein.

Figuur 4.7 Geluidcontouren 150 kV-Transformatoren gedurende de nachtperiode configuratie volgens optie 3, lichte wandconstructie aan het binnenterrein.

R087622aa.2285FIE.eg | versie 02_001 | 25 oktober 2022

14

In figuur 4.8 zijn de resultaten gepresenteerd waarbij de etmaalwaarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT is aangegeven (is de nachtperiode plus 10 dB). In die rekenresultaten is ook rekening gehouden met een toeslag van 5 dB in verband met de tonaliteit (worst case benadering).

Figuur 4.8 Geluidcontouren 150 kV-Transformatoren configuratie volgens optie 3, lichte wandconstructie aan het binnenterrein georiënteerd. Etmaalwaarden van het equivalente geluidniveau inclusief straffactor van 5 dB (worst case).

R087622aa.2285FIE.eg | versie 02_001 | 25 oktober 2022

15

5

Beoordeling en conclusie

Uit de berekeningen volgt dat ter plaatse van de nabij gesitueerde woningen de optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT vanwege het transformatorstation veel lager zijn dan 40 dB(A). Ter plaatse van waarneempunten bij de boerderijen aan de Heycopperkade wordt een geluidbelasting (etmaalwaarden) berekend in de configuratie volgens zowel optie 2 als in optie 3 van ten hoogste 40 dB(A) (inclusief een toeslag van 5 dB, nachtwaarden ten hoogste 25 dB(A)). Vastgesteld wordt dat zowel in optie 2 als in optie 3 ruimschoots wordt voldaan aan de toepasselijke grenswaarden ter plaatse van woningen (te weten 50, 45 en 40 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode). Gelet op het verloop van de geluidcontouren en op grond daarvan de zeer lage geluidniveaus bij de woningen (zonder toeslag ten hoogste 25 dB(A)) is het overigens zeer onwaarschijnlijk dat het geluid ter plaatse van de woningen als tonaal kan worden aangemerkt. In dat geval zou er geen toeslag K1 in rekening moeten worden gebracht. Huidige bestaande situatie In de bestaande situatie (op basis van inschatting en berekeningen) is de geluidbelasting ten hoogste 46 dB(A) (inclusief een toeslag van 5 dB). Geconstateerd kan worden dat de geluidbelasting ter plaatse van de bestaande woningen in de toekomstige situatie afneemt ten opzichte van de huidige situatie.

Cumulatie van geluid Nagegaan is in hoeverre de geluidbelasting van de transformatoren invloed heeft op de cumulatieve geluidbelasting ter plaatse van de meest nabij gelegen woningen aan de Heycopperkade. Op basis van de Atlas van de leefomgeving is te ontlenen dat de geluidbelasting bij deze woningen hoog is (65-70 dB). De woningen liggen binnen de invloedsfeer van Rijksweg A12, A2 en het knooppunt Oude Rijn. In figuur 5.1 is een deel van de geluidkaart van dat gebied weergegeven.

Figuur 5.1

R087622aa.2285FIE.eg | versie 02_001 | 25 oktober 2022

16

Cumulatieve geluidbelasting woningen op basis van atlas van de leefomgeving Ter plaatse van de woningen is de geluidbelasting circa 68 dB bepaald door het verkeerslawaai. De bijdrage van het nieuwe transformatorstation aan de cumulatieve geluidbelasting (meer dan 25 dB lager) is verwaarloosbaar. Door het transformatorstation zal de cumulatieve geluidbelasting niet toenemen waardoor gesteld kan worden dat de geluidsituatie als gevolg van het transformatorstation niet verslechtert. Laagfrequent geluid De laatste jaren is er meer aandacht voor laagfrequent geluid. Laagfrequent geluid is geluid met een frequentie beneden de 125 Hz. Hoogspanningsstations (transformatoren) produceren laagfrequent geluid. De genoemde installaties bezitten relatief veel geluidenergie bij 100 Hz en hogere harmonischen daarvan (200 Hz en volgende veelvouden van 100 Hz). Dit houdt direct verband met de netfrequentie van 50 Hz. De bijdrage van 50 Hz aan het totale geluidniveau in dB(A) is over het algemeen niet relevant. Dit geldt ook voor de frequenties buiten de 100 Hz en hogere harmonischen. In het kader van laagfrequent geluid zijn voor hoogspanningsstations derhalve alleen de geluidniveaus bij 100 Hz van belang. Deze frequentie vormt het overgangsgebied tussen laagfrequent geluid en 'normaal geluid'.

Daardoor worden de laagfrequente geluidniveaus bij hoogspanningsstations al beperkt door de normstelling in dB(A) (hoge geluidniveaus bij 100 Hz zullen al snel leiden tot een overschrijding van de norm in dB(A)). Voor de beoordeling van laagfrequent geluid bestaat nog geen wettelijke grondslag. Indien nodig worden maatregelen getroffen om aan de geldende geluidnormen die voortvloeien uit de landelijke regelgeving te voldoen. In bijzondere gevallen kan bij klachten en bezorgdheid over laagfrequent geluid aansluiting worden gezocht bij de Vercammen-curve. De Vercammen-curve is een richtlijn voor laagfrequent geluid op basis van (geobjectiveerde) hinder. Dit is echter geen wettelijke norm. De afstand tussen de woningen en het station is echter te groot voor een mogelijk effect dit blijkt ook uit het lage geluidniveau (zonder toeslagen 30 dB(A)) ter plaatse van de woningen.

LBP|SIGHT BV

R087622aa.2285FIE.eg | versie 02_001 | 25 oktober 2022

17

Utrecht

Bijlage 2

Natuur rapport

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn" (vastgesteld)

23

Stedin Oudenrijn: Quick scan ecologie

Effecten op beschermde soorten en gebieden

21-07-2022- Versie 3.0

Autorisatieblad

Stedin Oudenrijn: Quick scan ecologie

Naam

Akkoord

Opgesteld door der Gecontroleerd door

Vrijgegeven door

✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓

Datum 9-11-2021 01-07-2022 19-07-2022 9-11-2021 01-07-2022 19-07-2022 10-11-2021 01-07-2022 21-07-2022

Op dit autorisatieblad ontbreken de handtekeningen wegens de digitale verwerking van ons vrijgaveproces. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

Samenvatting Uit de quickscan komen de volgende bevindingen: • Er zijn gezien de aard van de werkzaamheden en de grote afstand tot beschermde gebieden geen vervolgstappen nodig betreffende Natura 2000-gebieden of gebieden die behoren tot het NNN en de Groene Contour. Voor mogelijke stikstofdepositie op gevoelige habitattypen/soorten in Natura 2000-gebieden tijdens de realisatiefase van het project kan gebruik worden gemaakt van de partiële vrijstelling voor de vergunningplicht, welke geldt per 1 juli 2021 door de inwerkingtreding van artikel 1 van de Wet tot wijziging van de Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) en artikel 1 van het bijbehorende Besluit (AmvB). Om mogelijke juridische risico’s geheel uit te sluiten, kan worden besloten om een AERIUS berekening wel uit te voeren zodat duidelijk wordt of er al dan niet sprake is van toename van depositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden. Het project zal in de gebruiksfase niet leiden tot een toename in stikstofemissie • In de directe omgeving zijn in potentie vaste rust- en/of verblijfplaatsen van de beschermde soort steenmarter aanwezig. Het plangebied maakt naar verwachting een niet-essentieel deel uit van het functioneel leefgebied van de steenmarter.

Om het functioneren van de vaste rust- en/of verblijfplaatsen niet te beperken dienen de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden en dienen de gebouwen verlicht te worden met middel (groene) orientatieverlichting (maximaal 5 Lux). In de omgeving van het plangebied komen ook de beschermde soorten heikikker en platte schijfhoren voor. Omdat het plangebied geen leefgebied vormt voor beide soorten en er geen werkzaamheden aan watergangen plaatsvinden, worden effecten op beide soorten uitgesloten. Indien toch werkzaamheden aan watergangen of randen met hoge vegetatie van het agrarische perceel plaatsvinden, is nader onderzoek noodzakelijk. Binnen het plangebied zijn algemene broedvogels te verwachten. Vernietiging en verstoring (waarbij dieren het nest verlaten) van bewoonde nesten is verboden. Geadviseerd wordt om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren (buiten de periode maart t/m half augustus). Verder moet vanuit de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening worden gehouden met aanwezigheid van algemene grondgebonden zoogdieren (onder andere haas) en amfibieën. • Een ontheffing i.h.k.v. de Wet natuurbescherming voor het uitvoeren van de werkzaamheden is niet benodigd. • Er staan geen houtopstanden binnen het plangebied.

Er zijn daarom geen verdere acties in het kader van beschermde houtopstanden noodzakelijk.

B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

1/29

Inhoudsopgave Samenvatting

1

1

Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Locatie 1.3 Activiteiten 1.4 Wettelijk kader 1.5 Doel

3 3 3 7 8 9

2

Methode 2.1 Beschermde gebieden 2.2 Beschermde soorten 2.3 Beschermde houtopstanden

10 10 10 11

3

Resultaten 3.1 Beschermde gebieden 3.1.1. Natura 2000-gebieden 3.1.2. Natuurnetwerk Nederland (NNN) 3.1.3. Groene contour 3.2 Beschermde soorten 3.2.1. Vaatplanten 3.2.2. Vogels 3.2.3. Grondgebonden zoogdieren 3.2.4. Vleermuizen 3.2.5. Reptielen 3.2.6. Amfibieën 3.2.7. Vissen 3.2.8. Ongewervelden 3.3 Invasieve exoten 3.4 Houtopstanden

12 12 13 14 14 14 14 15 17 19 20 20 22 22 23 23

4

Conclusie 4.1 Beschermde gebieden 4.2 Beschermde soorten 4.2.1. Nader onderzoek 4.2.2. Maatregelen 4.1 Invasieve exoten 4.2 Houtopstanden 4.3 Kansen voor natuur

24 24 24 26 26 27 27 27

5

Bronnen

28

Colofon

29

Bijlage I Wet- en regelgeving Wet natuurbescherming (Wnb) Natuurnetwerk Nederland (NNN)

2 2 7

B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

2/29

1

Inleiding

1.1 Aanleiding

Stedin is voornemens om station Oudenrijn te Utrecht uit te breiden. Het betreft nieuwbouw van een 50kV en 10kV station ter hoogte van het bestaande station Oudenrijn. De bestaande 50kV en 10kV installaties worden vervangen voor een nieuwe 50kV en 10kV gesloten schakelinstallatie. Deze worden aangesloten op een nieuw stationsautomatisering besturingssysteem. Stedin is tevens voornemens nieuwe transformatoren te plaatsen op het perceel gelegen ten noorden van het terrein met de installaties. In oktober 2021 is de quickscan ecologie uitgevoerd voor het bestaande station en een deel van het agrarische perceel ten noorden van het station. In juni 2022 is de quickscan ecologie voor het gehele agrarische perceel uitgevoerd. Waar relevant wordt aangeduid wanneer welke werkzaamheden door de ecologisch deskundige zijn uitgevoerd.

1.2 Locatie

Het plangebied bevindt zich in de gemeente Utrecht en is gelegen aan de Heycopperkade 2B ten zuiden van de A12 (Figuur 1.1). Het plangebied betreft het huidige hoogspanningsstation van TenneT en Stedin en het agrarische perceel wat grenst aan de noordzijde van het bestaande station (Figuren 1.2 t/m 1.4). Het agrarische perceel is momenteel in gebruik als grasland/hooiland en wordt gekenmerkt door een vochtige ondergrond door de hoge grondwaterstand in het gebied. Verder zijn rondom het plangebied watergangen aanwezig (Figuren 1.5 en 1.6). De omgeving van het plangebied bestaat uit graslandpercelen, enkele weteringen en watergangen, gelijkvloerse woningen van het Leger Des Heils en boerenbedrijven (Figuren 1.7 en 1.8). Aan de noordkant wordt dit gebied begrenst door de A12. Het terrein van het hoogspanningsstation kent een begroeiing die bestaat uit laagblijvende kruiden en grassen. Onder andere ridderzuring, scherpe boterbloem, Engels raaigras en perzikkruid groeien hier. De randen van het terrein kennen een enigszins ruderale vegetatie bestaande uit bijvoorbeeld grote brandnetel en speerdistel.

B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

3/29

Figuur 1.1: Globale ligging plangebied (rood).

Figuur 1.2: Bestaande hoogspanningsstation waar in de hoek achter het hek de gebouwen voor de 10- en 50kV installaties dienen te komen (bezoek 22 oktober 2021).

B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

4/29

Figuur 1.3: Bestaande hoogspanningsstation met zicht op hoogspanningsmast (bezoek 17 juni 2022).

B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

5/29

Figuur 1.4: Agrarisch perceel grenzen aan de noordkant van het huidige hoogspanningsstation (bezoek 22 oktober 2021).

Figuur 1.5: Zicht op de watergang die de westzijde van het agrarische perceel begrensd (bezoek 17 juni 2022). B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

6/29

Figuur 1.6: Watergangen ten westen van het plangebied (bezoek 22 oktober 2021).

1.3 Activiteiten

Figuur 1.7: Bebouwing ten noorden van het plangebied (bezoek 17 juni 2021).

De werkzaamheden bestaan uit het realiseren van een 10kV en 50kV gebouw. Fase één bestaat uit het eerst realiseren en inrichten van het 10kV gebouw en vervolgens drie bestaande containers en het oude bedieningsgebouw te amoveren. In een 2de fase wordt dan het 50kV gebouw gerealiseerd. De plannen voor het noordelijke agrarische perceel zijn in dit stadium van de planvorming nog niet bekend. In de voorliggende rapportage wordt uitgegaan van een worst-case scenario waarbij 40% van het perceel bebouwd zal worden met nieuwe installaties. Het voornemen is om bij de werkzaamheden de watergangen niet aan te tasten.

B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

7/29

Figuur 1.8: Fase 1 waarbij het 10kV station (blauw) en het 50kV station (geel) in één keer tegen elkaar worden gebouwd. 1.4 Wettelijk kader

Bij een dergelijke ruimtelijke ontwikkeling is het vanuit natuurwetgeving van belang om na te gaan of de werkzaamheden effect hebben op beschermde natuurwaarden. Het volgende wettelijk kader is gehanteerd: • Wet natuurbescherming (Wnb), onderdelen beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde houtopstanden; • Provinciaal beleid (provinciale Verordening): beschermde gebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en gebieden die behoren tot de Groene Contour in de provincie Utrecht. Zie voor uitleg over het wettelijk kader bijlage 1. De provincies zijn in de meeste gevallen het bevoegde gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het rijk in de vorm van de minister van LNV bevoegd gezag. Dit is uitgewerkt in artikel 1.3 van het Besluit natuurbescherming en betreffen handelingen en projecten voor aanleg, uitbreiding en, voor zover van toepassing, inrichting, alsmede wijziging, gebruik, beheer en onderhoud van onder andere hoofdwegen, hoofdvaarwegen, hoofdspoorwegen, primaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen met een spanning van

B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

8/29

tenminste 220 kV, winning van delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij, activiteiten Koninklijk Huis, etc. Voor dit project is provincie Utrecht bevoegd gezag. Dit wettelijk kader is van toepassing bij ruimtelijke ontwikkelingen. Ter aanvulling is tijdens het oriënterend veldbezoek voor de quickscan ook gelet op aanwezigheid van invasieve uitheemse soorten (exoten). De provincies, het Rijk en de waterschappen zijn verantwoordelijk voor de aanpak van de invasieve exoten die op de Unielijst zijn geplaatst. Dit is een Europese lijst met een aantal schadelijke exotische planten en dieren. Voor deze soorten geldt de plicht om in de natuur aanwezige populaties op te sporen en te verwijderen of zodanig te beheren dat verspreiding en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen. 1.5 Doel

Het doel van de quickscan is toetsing van de voorgenomen ingrepen aan het wettelijk kader ten aanzien van natuur zoals hierboven aangegeven. Voorliggende rapportage betreft een quickscan ecologie waarmee middels een bureaustudie en biotoopverkenning een goede eerste indruk over de natuurwaarden in het plangebied wordt verkregen. Er wordt duidelijkheid gegeven over eventuele vervolgstappen: is er aanvullend veldonderzoek nodig? En is het nodig om een ontheffing of vergunning aan te vragen? Indien mogelijk wordt aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen of te verzachten (mitigerende maatregelen).

B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

9/29

2

Methode

Hieronder bespreken we de gehanteerde methoden voor het onderzoek naar beschermde gebieden en beschermde soorten. In oktober 2021 is de quickscan ecologie uitgevoerd voor het bestaande station en een deel van het agrarische perceel ten noorden van het station. In juni 2022 is de quickscan ecologie voor het gehele agrarische perceel uitgevoerd. Waar relevant wordt aangeduid wanneer welke werkzaamheden door de ecologisch deskundige zijn uitgevoerd. 2.1 Beschermde gebieden

Er is gekeken naar mogelijke effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde natuurgebieden in de omgeving. Beschermde gebieden die zijn meegenomen in deze quickscan omvatten: Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en gebieden die behoren tot de Groene Contour in de provincie Utrecht. Hierbij zijn brongegevens van de provincie Utrecht gebruikt. Voor de effectbepaling is gekeken naar ruimtebeslag op beschermde gebieden en, indien relevant, naar mogelijke indirecte effecten. Indirecte effecten zijn bijvoorbeeld verstoring door geluid, licht, trillingen en optische verstoring. Voor Natura 2000gebied is ook aangegeven of er vervolgstappen nodig zijn vanwege stikstofdepositie. Voor alle natuurgebieden is onderzocht of ze ook externe werking kennen. Dat wil zeggen dat de bescherming van het gebied ook bij activiteiten rondom het natuurgebied geldt. Dit is aan de orde voor de Natura 2000-gebieden. De provincie Utrecht past met betrekking tot het NNN geen externe werking toe. Op basis van de effectbepaling is aangegeven welke vervolgstappen nodig zijn. Hierbij kan gedacht worden aan nader onderzoek, het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming of het doorlopen van de ‘nee, tenzij-procedure’ voor NNN-gebied.

2.2 Beschermde soorten

Bureaustudie

Er is een inventarisatie gedaan naar bestaande verspreidingsgegevens van beschermde soorten flora en fauna, zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. Voor de bureaustudie zijn de verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd in juni 2022. Hierbij zijn gegevens van de afgelopen 5 jaar in (de omgeving van) het plangebied geraadpleegd. Als zoekgebied is een afstand van tenminste 1 kilometer tot het plangebied gehanteerd. Ten aanzien van vogels zijn in de bureaustudie alleen soorten met een jaarrond beschermd nest meegenomen. Voor algemene broedvogels geldt de algemene verbodsbepaling dat nesten niet mogen worden verstoord of vernietigd als het nest in gebruik is. Oriënterend veldbezoek

Het oriënterend veldbezoek van een quickscan ecologie kan het hele jaar door worden uitgevoerd omdat het in eerste instantie gaat om een verkenning van geschikte biotopen voor beschermde soorten in het plangebied. Een veldecoloog van Movares heeft tweemaal het plangebied bezocht: op 22 oktober 2021 en 17 juni 2022. Tijdens de veldbezoeken zijn middels visuele inspecties gekeken naar de mogelijke aanwezigheid B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

10/29

van beschermde planten en (sporen van) beschermde dieren in (de omgeving van) het plangebied. Tijdens de inspecties zijn ook biotoopbeoordelingen uitgevoerd. Daarbij is gekeken naar de aanwezigheid van geschikte biotopen en essentiële landschappelijke functies voor beschermde soorten. Effectbepaling beschermde soorten

Op basis van de gegevens uit de bureaustudies en de oriënterende veldbezoeken heeft een beoordeling plaatsgevonden van de effecten van de voorgenomen ingreep op de beschermde natuurwaarden in (de omgeving van) het plangebied. Vervolgstappen

Op basis van de effectbepaling zijn de vervolgstappen vastgesteld. Hierbij is per soortgroep aangegeven of nader/ aanvullend onderzoek nodig is. Indien een soort aanwezig is binnen het plangebied en er sprake is van negatieve effecten, is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. Indien mogelijk wordt aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen of te verzachten (mitigerende maatregelen). 2.3 Beschermde houtopstanden

Er is gekeken naar mogelijke raakvlakken van de voorgenomen werkzaamheden met houtopstanden. Hierbij is in eerste instantie getoetst of omwille van de ruimtelijke ontwikkeling houtopstanden gerooid of geveld dienen te worden. Indien er sprake is van verwijderen van houtopstanden, is bepaald of de betreffende houtopstanden vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming onderdeel houtopstanden. Er is aangegeven of en welke vervolgstappen er nodig zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden in relatie tot dit beschermingsregime.

B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

11/29

3

3.1 Beschermde gebieden

Resultaten

In Figuur 3.1 is de ligging van beschermde gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Figuur 3.1: De ligging van beschermde natuurgebieden in de omgeving van het plangebied.

B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

12/29

3.1.1. Natura 2000gebieden

De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de Natura 2000-gebieden Oostelijke Vechtplassen en Uiterwaarden Lek op een afstand van respectievelijk 8.850 meter en 10.000 meter ten opzichte van het gebied. Ruimtebeslag

De nieuwbouw leidt niet tot ruimtebeslag op het Natura 2000-netwerk. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen ligt op een afstand van tenminste 8.850 meter. Directe negatieve effecten als gevolg van oppervlakteverlies zijn daarmee uitgesloten. Verstoring

Gezien de grote afstand tot het Natura 2000-netwerk kunnen indirecte effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van storingsfactoren zoals geluid en licht worden uitgesloten. Stikstofdepositie

Realisatiefase Per 1 juli 2021 is artikel 1 van de Wet tot wijziging van de Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) en artikel 1 van het bijbehorende Besluit (AmvB) in werking getreden. Hiermee is er een partiele vrijstelling gekomen voor de vergunningsplicht als het gaat om stikstofdepositie. Partieel omdat de vrijstelling enkel geldt voor tijdelijke deposities in de realisatiefase van werken. Voor dergelijke activiteiten hoeft dan ook geen AERIUS berekening naar stikstofdepositie uitgevoerd te worden. Voorbeelden van werkzaamheden die onder de partiele vrijstelling vallen zijn bouw en sloop van woningen, utiliteitsgebouwen, bruggen en viaducten, en bouw- en aanlegactiviteiten voor duurzame energieopwekking, grond-, weg- en waterbouw, waaronder straten, pleinen, wegen, het verplaatsen van grond in het kader van bouwrijp maken van een terrein, spoorwegen, waterstaatswerken, waterwegen, waterkeringen, energie-infrastructuur, telecommunicatie-infrastructuur, drinkwaterinfrastructuur zoals waterleidingen, pompstations en winputten, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en vuilwaterriolen. Voorliggend project valt onder dergelijke werkzaamheden en is daarmee vrijgesteld van de vergunningsplicht voor het realiseren van het project.

Om mogelijke juridische risico’s geheel uit te sluiten kan worden besloten om een dergelijke berekening wel uit te voeren zodat duidelijk wordt of er al dan niet sprake is van toename van depositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden. Gebruiksfase Voorliggend project zal in de gebruiksfase niet leiden tot een toename in stikstofemissie. Het betreft het realiseren van twee gebouwen voor een 10kV en een 50kV installatie en het plaatsen van transformatoren. In de gebruiksfase vinden geen aanvullende vervoersbewegingen plaats. Tijdens de gebruiksfase wordt geen extra stikstof uitgestoten. Er hoeft derhalve voor de gebruiksfase geen AERIUS berekening naar de emissie en depositie van stikstof uitgevoerd te worden.

B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

13/29

3.1.2. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Op een afstand van 2.888 meter ten zuidwesten van het plangebied bevinden zich terreinen die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het betreft bestaande natuur langs de Hollandse IJssel. De aanleg van een nieuwe 10kV en 50k installatie leidt niet tot ruimtebeslag op het NNN. Gezien de aard van de werkzaamheden en afstand van tenminste 2.888 meter kunnen negatieve effecten als gevolg van verstoring en verontreiniging worden uitgesloten. De voorgenomen werkzaamheden leiden niet tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Er is geen nadere NNN-toetsing benodigd.

3.1.3. Groene contour

Op een afstand van 2.860 meter ten zuidwesten van het plangebied bevinden zich terreinen die onderdeel uitmaken van de Groene Contour. Het betreft bestaande natuur langs de Hollandse IJssel. De aanleg van een nieuwe 10kV en 50k installatie leidt niet tot ruimtebeslag op de Groene Contour. Gezien de aard van de werkzaamheden en afstand van tenminste 2.860 meter kunnen negatieve effecten als gevolg van verstoring en verontreiniging worden uitgesloten. Effecten op de Groene Contour als gevolg van de werkzaamheden worden uitgesloten.

3.2 Beschermde soorten

In deze paragraaf wordt per soortgroep aangegeven welke beschermde soorten er op basis van de bureaustudie en het oriënterend veldbezoek in (de omgeving van) het plangebied worden verwacht. Vervolgens wordt per soortgroep ingegaan op mogelijke effecten die door de werkzaamheden op kunnen treden. Tot slot wordt per soortgroep aangegeven welke vervolgstappen er nodig zijn (zoals maatregelen, nader onderzoek of aanvraag ontheffing).

3.2.1. Vaatplanten

Resultaten bureaustudie

In de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van beschermde soorten vaatplanten bekend. Resultaten veldbezoek

Tijdens de veldbezoeken zijn geen beschermde soorten planten aangetroffen. Het eerste veldbezoek is midden oktober 2021 uitgevoerd, een periode die verre van optimaal is om beschermde soorten goed te identificeren. Op basis van biotoop worden op voorhand echter geen beschermde soorten verwacht. Waarnemingen van beschermde vaatplanten in de directe omgeving zijn ook niet bekend. Het terrein waar nieuwe gebouwen dienen te worden gerealiseerd en het noordelijke agrarische perceel worden regelmatig gemaaid. De vegetatie is daardoor laagblijvend en bestaat uit onder andere Engels raaigras, ridderzuring, scherpe boterbloem, rode klaver, witte klaver, madeliefje en kleine ooievaarsbek. De randen van het hoogspanningsstation zijn enigszins ruderaal en daar groeien ook soorten als speerdistel en grote brandnetel. De slootkanten kennen een spaarzame oevervegetatie. Het tweede veldbezoek is in juni 2022 uitgevoerd. Aanvullend op de eerdere bevindingen zijn de oevers van de watergangen in dit jaargetijde uitbundig begroeid met zwanenbloem, watermunt, viltige basterdwederik en rietgras. In de watergang ten oosten van het noordelijke agrarische perceel groeide diverse watervegetatie, waaronder gele plomp en grote egelskop. B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr.

MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

14/29

Binnen het plangebied is weinig tot geen kale grond aanwezig waar beschermde pioniersoorten zich kunnen vestigen. Ook is de ondergrond vrij voedselrijk. De meeste beschermde vaatplanten zijn soorten van voedselarme of matig voedselrijke gronden. Effectbespreking en vervolgstappen

Er zijn geen beschermde soorten vaatplanten aanwezig en deze worden ook niet verwacht. Negatieve effecten op deze soortgroep zijn uitgesloten. Voor deze soortgroep zijn geen vervolgstappen benodigd. 3.2.2. Vogels

Resultaten bureaustudie

In de onderstaande tabel zijn de beschermde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.2: Vogels met een jaarrond beschermd nest die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, juni 2022. Soort Categorie Wnb Boerenzwaluw V Boomvalk V Bosuil V Buizerd V Gierzwaluw V Grote gele kwikstaart V Havik V Huismus V Kerkuil V Ooievaar V Ransuil V Roek V Slechtvalk V Sperwer V Steenuil V Torenvalk V Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen de provincie Utrecht een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek Algemene broedvogels

Er is binnen het plangebied geschikt broedbiotoop aangetroffen voor algemene broedvogels. Het gaat om grasland en slootkanten. Er zijn tijdens het veldbezoek in oktober 2021 diverse algemene vogelsoorten waargenomen zoals veldleeuwerik, meerkoet, kauw en blauwe reiger. Tijdens het veldbezoek in juni 2022 zijn de vogelsoorten knobbelzwaan, ooievaar, merel, kauw en zwartkop waargenomen. B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

15/29

Vogels met jaarrond beschermde nesten

Tijdens het veldbezoek in juni 2022 is in het plangebied een overvliegende ooievaar waargenomen, een vogel waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. De hoogspanningsmasten zijn geschikt als broedlocatie voor de ooievaar. Tijdens het veldbezoek in juni 2022 zijn de hoogspanningsmasten binnen en in nabijheid van het plangebied onderzocht op aanwezigheid van nesten. In de hoogspanningsmasten waren geen nesten aanwezig. Tevens is het plangebied ongeschikt als verblijfplaats voor overige vogels met jaarrond beschermde nesten. Ten eerste zijn er in het plangebied geen bomen aangetroffen die een nestplaats kunnen bieden voor boombewonende soorten. Ten tweede beschikt de aanwezige bebouwing in en rondom het plangebied niet over geschikte invliegopeningen en nestplaatsen voor gebouwbewonende soorten met jaarrond beschermde nesten als de huismus of gierzwaluw. Ook vormt het plangebied geen essentieel foerageergebied voor huismus. Verblijfplaatsen van de soort zijn afwezig en geschikte struwelen die als foerageergebied kunnen dienen, ontbreken. Wel kan het noordelijke agrarische perceel als foerageergebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten fungeren. Tijdens het velbezoek in juni 2022 zijn diverse muizenholen waargenomen en hazen waargenomen binnen het plangebied. Effectbespreking en vervolgstappen Algemene broedvogels

Er is binnen het plangebied broedbiotoop aanwezig voor algemene soorten broedvogels. Er kan niet met zekerheid uit worden gesloten dat boerenlandvogels tot broeden komen op het noordelijke agrarische perceel. Het is niet aannemelijk dat binnen de hekken van het huidige hoogspanningsstation wordt gebroed door vogels. Het meest aannemelijk is dat in de slootkanten wordt gebroed door watervogels en/of boerenlandvogels. Het vernietigen van bewoonde nesten is verboden conform Wnb artikel 3.1. Dit geldt ook voor het zodanig verstoren van bewoonde nesten dat vogels hun nest verlaten. Om vernietiging van nesten en verstoring van broedende vogels te voorkomen dienen werkzaamheden die op het noordelijke agrarische perceel plaatsvinden buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. De duur van het broedseizoen verschilt per soort. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige worden gecontroleerd of er actieve broedgevallen aanwezig zijn. Ook kan de aanwezige vegetatie voorafgaand aan het broedseizoen kort worden gehouden waardoor het plangebied ongeschikt is als broedgebied. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet gewerkt worden Vogels met jaarrond beschermde nesten

In het plangebied worden geen nesten van jaarrond beschermde vogels verwacht. Het noordelijke agrarische perceel kan een functie vervullen als foerageergebied van vogels met jaarrond beschermde nesten die buiten het plangebied nestelen, zoals boomvalk en buizerd. Gezien de geschiktheid van de omgeving als foerageergebied wordt bij een B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

16/29

afname van 80% van het oppervlakte van het noordelijke agrarische perceel geen effect op de aanwezige foerageermogelijkheden verwacht. Negatieve effecten op jaarrond beschermde vogels kunnen worden uitgesloten. 3.2.3. Grondgebonden zoogdieren

Resultaten bureaustudie

In de onderstaande tabel zijn de beschermde grondgebonden zoogdieren weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.3: Beschermde grondgebonden zoogdieren die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, juni 2022. Soort Categorie Wnb Boommarter N Bosmuis AV Bunzing AV Haas AV Hermelijn AV Huisspitsmuis AV Konijn AV Rosse woelmuis AV Steenmarter N Veldmuis AV Vos AV Wezel AV Woelrat AV Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen de provincie Utrecht een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek

De afwezigheid van bomen en het open karakter van het gebied maakt het plangebied ongeschikt als leefgebied voor boommarter. Binnen de hekken van station Oudenrijn zijn geen groenstructuren en bosschages aanwezig. Wel is bij beide bezoeken een haas binnen de hekken waargenomen. De graslandpercelen en het terrein binnen de hekken vormen geschikt leefgebied voor deze soort, evenals voor de veldmuis. Tijdens het bezoek van juni 2022 waren de randen van het noordelijke agrarische perceel en de watergangen niet gemaaid. Door de vegetatie heen waren looproutes van kleine dieren waar te nemen (‘wissels’). In de bodem naast de toegangsweg en in de oevers bij de watergangen zijn diverse muizenholen waargenomen. Direct ten noorden van het noordelijke agrarische perceel (buiten het plangebied) vormen rietgras, haagwinde en krulzuring een dichte begroeiing van circa 1 meter hoog. Achter deze begroeiing zijn stapels stenen, opgeslagen pallets en oude schuurtjes aanwezig. In de schuurtjes en tussen de opgeslagen materialen kan een vaste rust- en/of verblijfplaats van de steenmarter aanwezig zijn. Indien een steenmarter zich heeft gevestigd op het perceel ten noorden van het plangebied kan de steenmarter foerageren op het noordelijke agrarische perceel. De randen van het noordelijke agrarische perceel kunnen gebruikt worden door de steenmarter om zich rond het veld te bewegen.

De B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

17/29

steenmarter is door artikel 3.10 van de Wnb beschermd. De niet-gemaaide begroeiing rondom het noordelijke agrarische perceel kan verblijfplaatsen bevatten en/of een looproute vormen voor de soorten bunzing, hermelijn, wezel, bosmuis, rosse woelmuis en woelrat. Dit zijn door de provincie Utrecht algemeen vrijgestelde soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor overige soorten uit Tabel 3.3 kan het plangebied foerageergebied vormen, maar de aanwezigheid van verblijfplaatsen wordt uitgesloten. Effectbespreking en vervolgstappen

De bebouwing en opgeslagen materialen ten noorden van het plangebied zijn geschikt als vaste rust- en/of verblijfplaats voor de steenmarter, een Nationaal beschermde soort (artikel 3.10 Wnb). Naar verwachting vormen de groenstroken binnen het plangebied geen essentiële functie als looproute of foerageergebied voor de steenmarter. Bij verwijdering van het groen binnen het plangebied zijn alternatieve looproutes aanwezig naar de omliggende percelen in de vorm van de dichtbegroeide groenstrook direct ten noorden van het noordelijke agrarische perceel en de oevervegetatie aan de overzijde van de watergang grenzend aan de schuurtjes. Rondom de potentiële verblijfplaats(en) is in de directe omgeving voldoende foerageeraanbod aanwezig in de vorm van grotere agrarische percelen met ruige bermen en het groen met een hoge mate van dekking in de directe omgeving van de schuurtjes. Verstoring door menselijke activiteit in de gebruiksfase wordt niet verwacht, aangezien de schuurtjes op een terrein staan waar al een hoge mate van menselijke activiteit is en het toekomstige gebruik van het noordelijke agrarische perceel weinig tot geen toename in de menselijke activiteit zal betekenen.

Wel dient rekening gehouden te worden met potentieel aanwezige steenmarters door de werkzaamheden enkel tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren en door de verlichting in de gebruiksfase steenmarter-vriendelijk in te richten. In het huidige stadium van de planvorming is het verlichtingsplan niet bekend. Bij voorkeur wordt in de gebruiksfase zo min mogelijk verlichting toegepast. Indien verlichting wordt gebruikt dienen de watergangen en groenstrook / bebouwing direct ten noorden van het perceel in ieder geval onverlicht te blijven (eventueel door het afschermen van armaturen). Aanbevolen wordt om amberkleurig licht met een lage armatuur te gebruiken. De uitstraling naar de omgeving mag maximaal 01 Lux zijn. Indien verlichting van de omgeving noodzakelijk is zal nader onderzoek aan de orde zijn. Ten slotte wordt geadviseerd om de randen van het agrarische perceel te behouden, zodat deze kunnen blijven bijdragen aan het aanwezige aanbod in leefgebied. Indien ervoor gekozen wordt om deze stroken te behouden wordt ook geadviseerd om deze onverlicht te laten. Het plangebied is geschikt als vaste rust- en/of verblijfplaats voor algemene soorten grondgebonden zoogdieren, zoals de haas, de veldmuis en de kleine marterachtigen (wezel, bunzing en hermelijn). Deze dieren kunnen door de werkzaamheden worden verstoord.

Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig omdat de soorten algemeen zijn vrijgesteld door de provincie Utrecht bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel moet worden voldaan aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden waarbij vegetatie wordt verwijderd van één kant uit te voeren zodat aanwezige dieren de kans krijgen zich te verplaatsen.

B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

18/29

3.2.4. Vleermuizen

Resultaten bureaustudie

In de onderstaande tabel zijn de soorten vleermuizen weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.4: Beschermde vleermuizen die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, juni 2022. Soort Categorie Wnb Gewone dwergvleermuis H Gewone grootoorvleermuis H Kleine dwergvleermuis H Laatvlieger H Meervleermuis H Rosse vleermuis H Ruige dwergvleermuis H Watervleermuis H Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen de provincie Utrecht een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek

De oriënterende veldbezoeken hebben overdag plaatsgevonden waardoor geen actieve vleermuizen konden worden waargenomen. Wel is zo goed als mogelijk biotoopinformatie verzameld om de aan- of afwezigheid van mogelijke foerageergebieden, vliegroutes en verblijfplaatsen te bepalen. Vleermuizen foerageergebied

Het plangebied is ongeschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Het plangebied bestaat namelijk uit een open omgeving zonder opgaande groenstructuren, lijnvormige objecten of open water. Vleermuizen vliegroutes

Het plangebied is ongeschikt als vliegroute voor vleermuizen. Het plangebied bestaat namelijk uit een open omgeving zonder opgaande groenstructuren of lijnvormige objecten en water. Vleermuizen verblijfplaatsen

Er zijn in het plangebied geen bomen aanwezig. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kunnen daarmee worden uitgesloten. De aanwezige bebouwing in het plangebied is ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Op het terrein van het huidige hoogspanningsstation bestaat de enige bebouwing uit drie containers. Deze containers kennen geen openingen of tussenruimtes welke geschikt zijn voor vleermuizen. Daarnaast zijn de te laag om als verblijfplaats te fungeren.

B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

19/29

Effectbespreking en vervolgstappen Vleermuizen foerageergebied

Door de werkzaamheden vindt er geen ruimtebeslag plaats op foerageergebied van vleermuizen. Vleermuizen vliegroutes

In het plangebied zijn geen lijnvormige structuren aanwezig die door vleermuizen als vliegroute kunnen worden gebruikt. Er treden dan ook geen negatieve effecten door ruimtebeslag op essentiële vliegroutes op. Vleermuizen verblijfplaatsen

In het plangebied staan geen bomen en geen gebouwen met geschikte invliegopeningen voor vleermuizen. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden uitgesloten. Er zijn geen vervolgstappen nodig. 3.2.5. Reptielen

Resultaten bureaustudie

In de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van beschermde soorten reptielen bekend. Resultaten veldbezoek

Tijdens de veldbezoeken zijn geen reptielen waargenomen. Op basis van biotoop en verspreiding worden er geen beschermde reptielen verwacht. In de wijdere omgeving komen wel ringslangen voor. Het plangebied bevindt zich in een open en natte omgeving, maar kent voor de aan waterrijke habitat gebonden ringslangen geen geschikte locaties voor overwintering of ontwikkeling van eieren. Overige soorten reptielen, op de muurhagedis na, zijn meer aan hoge zandgronden gebonden. Het plangebied is gelegen op veengrond en in de directe omgeving komen geen overige soorten reptielen voor. De aanwezigheid van beschermde soorten reptielen wordt uitgesloten. Effectbespreking en vervolgstappen

Er worden geen beschermde soorten reptielen in het plangebied verwacht. Negatieve effecten op beschermde reptielen kunnen worden uitgesloten. 3.2.6. Amfibieën

Resultaten bureaustudie

In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten amfibieën weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn.

B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

20/29

Tabel 3.6: Beschermde amfibieën die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, oktober 2021. Soort Categorie Wnb Bastaardkikker AV Gewone pad AV Heikikker N Kleine watersalamander AV Meerkikker AV Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen de provincie Utrecht een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek

Direct ten westen en ten oosten van het plangebied liggen watergangen Overwinterlocaties van amfibieën zijn aanwezig in de vorm van het opgeslagen materiaal ten noorden van het noordelijke agrarische perceel, gelegen op circa 5 meter buiten het plangebied. Het is niet uit te sluiten dat er algemeen vrijgestelde soorten amfibieën, zoals gewone pad of bastaardkikker in het plangebied aanwezig zijn. Dit zijn door de provincie Utrecht algemeen vrijgestelde soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast algemeen vrijgestelde soorten komen in de omgeving van het plangebied heikikkers voor. De kleinere sloten die uitkomen in de wetering zijn geschikt als leefgebied en voortplantingsgebied voor heikikker. Normaliter zijn heikikkers niet te vinden in intensief gebruikt agrarisch landschap en rond infrastructuur. Met name de sloten van het laagveen vormen leefgebied en voortplantingsplaatsen voor de soort. Half natuurlijke graslanden vormen ook geschikt leefgebied voor de soort. Vanuit het agrarisch perceel wat grenst aan de noordkant van het hoogspanningsstation is één waarneming van heikikker bekend. Binnen het hekwerk van het station komen naar verwachting geen heikikkers voor. De vegetatie is korter dan de graslanden daaromheen omdat het frequenter wordt gemaaid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=7e165a6e-c8ac-4309-8a00-4467ff521723