BOPA Tussen de rails_1306_Zwartgemaakt
Tekst van het document
Een aangepaste parkeernorm voor bijzondere doelgroepen Niet te voorzien in eigen parkeerplaatsen en uitsluitend te voorzien in deelmobiliteit De parkeerbehoefte voor de bezoekers volledig op te lossen buiten het plangebied in de bestaande openbare ruimte op loopafstand.
De gemeente Utrecht heeft het parkeerbeleid onlangs herzien. Op 22 april 2025 zijn de aanvullingen op Artikel 8.2 van de 'Beleidsregel parkeernormen auto 2021' vastgesteld door de gemeenteraad. Hiermee past de parkeeroplossing binnen het vigerende beleid. De aanwijzing als maatwerklocatie geeft ook de ruimte om een eigen mobiliteitsconcept te ontwikkelen. Dit is gezien de samenstelling van doelgroepen en de ligging van het gebied een vereiste om een mobiliteitsoplossing te kunnen bieden die hierop aansluit. Op maatwerklocaties kan worden ontwikkeld met betaald parkeren als uitgangspunt. Het plangebied is nu beperkt bereikbaar voor de auto, dat betekent dat er in het gebied zelf zeer beperkt autoparkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd (gehandicapten, laden en lossen, enkele deelauto’s). De rest van het parkeren (bezoekers in dit casus) moet buiten het plangebied opgelost worden. Het bezoekersdeel van het parkeren wordt voorzien in de wijk Lunetten, mits er betaald parkeren in Lunetten wordt ingevoerd. Er is voldoende restcapaciteit in de wijk Lunetten om binnen Lunetten het bezoekers parkeren vanuit Tussen de Rails binnen bestaande beleidsregels (max. 500m loopafstand, max. 90% parkeerbezetting) op te lossen. Uit parkeerdrukmetingen gedaan in 2023 (bijlage 23) blijkt dit uit te komen op 84%. Het invoeren van betaald parkeren zal de parkeerdruk verder verlagen.
50 BOPA Tussen de rails
Utrecht
Als alternatief voor de auto zetten we in op actieve vormen van mobiliteit. Deze gedachte sluit aan bij het Mobiliteitsplan 2040: het bevorderen van lopen en fietsen als duurzame en gezonde vervoerswijzen. Parkeerberekening Voor de beoogde ontwikkeling is de bijbehorende parkeerberekening opgesteld door de gemeente (zie bijlage 22). Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling worden dus geen parkeerplaatsen voor bewoners gerealiseerd en bewoners krijgen ook geen parkeervergunning. Er wordt dan ook enkel rekening gehouden met een parkeerbehoefte vanuit de bezoekers. Er wordt wel rekening gehouden met enige parkeerbehoefte: daarom wordt deelmobiliteit aangeboden en worden extra fietsparkeerplekken gerealiseerd. In tabel 5.5.1 is de parkeerberekening zoals opgesteld door de gemeente weergegeven.
Tabel 5.5.1 Parkeerberekening beoogde ontwikkeling Functie
Omvang
Eenheid
Type
Woning tot 55 m² bvo Totaal
460
0,43
woningen
Parkeernorm bezoek 0,2 per woning
Parkeerbehoefte 198 198
Op basis van de bovenstaande berekening (460*0,2) moet normaliter worden uitgegaan van een parkeerbehoefte van 92 parkeerplaatsen voor bezoekers, en 106 (460*0,23) parkeerplaatsen voor bewoners. Deze bewonersplekken worden conform beleid niet aangelegd. Voor het opvangen van de parkeerbehoefte voor bezoekers wordt gebruik gemaakt van de openbare parkeergelegenheid in Lunetten. In bijlage 23 is een parkeerdrukmeting toegevoegd waaruit blijkt dat voldoende restcapaciteit om het bezoekersparkeren van het projectgebied Tussen de Rails op te vangen.
Daarnaast gelden de volgende voorwaarden:
De gemeente garandeert voldoende aanbod van deelmobiliteit om aan de vraag vanuit het plan te voldoen (via een gemeentelijke hub bij Station Lunetten). Hier worden deelauto's, OV-fietsen, TIER fietsen en naar verwachting een bakfiets geplaatst. ). Er zullen ook deelauto's in het gebied zelf worden gezet en er wordt ruimte geboden aan andere vormen van deelmobiliteit die in Utrecht in de openbare ruimte wordt aangeboden. De keuze voor fiets, OV, of fiets/voet wordt zoveel mogelijk gestimuleerd. Er komt een extra oversteek over de Oud Wulverbroekerwetering ten behoeve van voetgangers, fietsers en nood- en hulpdiensten. De fietsen voor bewoners worden inpandig gestald, dicht bij de entree van de woningen. De gemeentelijke norm van 0,5 fietsparkeerplek per woning wordt gehanteerd. Hier wordt in de structuurplannen aan voldaan en wordt verder uitgewerkt in het definitief ontwerp. De fietsen worden zo dicht mogelijk bij de entree van de blokken gesitueerd, om het gebruik van de fiets te stimuleren. De fietsvoorziening voorziet naast ruimte voor reguliere fietsen ook ruimte voor bijzondere types (bakfietsen etc.).
Verkeer Bezoekersverkeer Naast de parkeerberekening heeft de gemeente in bijlage 22 ook de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bepaald. De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is in eerste instantie bepaald op basis van de 'Beleidsregels autoverkeersbewegingen bij toepassen maatwerk' van de gemeente Utrecht. In deze beleidsregel zijn de landelijke kencijfers uit CROW-publicatie 317 aangepast zodat deze beter aansluiten bij de lagere parkeernormen uit het gemeentelijke parkeernormenbeleid. Zoals eerder benoemd wordt voor de beoogde ontwikkeling aangehouden dat de bewoners geen parkeervergunning krijgen en dat er geen parkeerplaatsen zijn binnen het projectgebied. Daarom wordt bij het bepalen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling geen rekening gehouden met verkeer behorende bij de bewoners. Op basis van het gemeentelijk beleid is de verkeersgeneratie behorende bij de bezoekers bepaald.
BOPA Tussen de rails
51
Tabel 5.5.2 Verkeersgeneratie bezoek beoogde ontwikkeling Functie
Aantal
Eenheid
Woning tot 55 460 m² bvo Totaal
woningen
Parkeerplaats Kencijfer Weekdag en bezoek verkeersgener (mvt/etmaal) atie 92 3,5 per 322 parkeerplaats 92 322
Werkdag (mvt/etmaal) 354 354
In totaal bedraagt de verkeersgeneratie van het bezoek 354 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. Aangezien de parkeerbehoefte van de bezoekers wordt opgevangen in de omliggende openbare ruimte binnen de Lunetten zal dit verkeer niet worden afgewikkeld richting de projectlocatie. De omliggende openbare parkeergelegenheid wordt voornamelijk ontsloten op de Furkabaan en de Brennerbaan. Beide wegen zijn ingericht als gebiedsontsluitingswegen met een maximumsnelheid van 50 km/u. Voor het bepalen van de autonome verkeersintensiteit op beide wegen is gebruik gemaakt van verkeersgegevens uit het CIMLK uit 2023 voor het monitoringsjaar 2030. In tabel 5.5.3 zijn de verkeersintensiteiten voor beide wegen weergegeven in de autonome situatie en na planbijdrage. Hierbij wordt voor het hanteren van een worstcase benadering aangehouden dat op beide wegen de volledige verkeerstoename van 354 mvt/etmaal zal plaatsvinden.
Tabel 5.5.3 Intensiteit ontsluitingswegen autonoom en na planbijdrage Wegvak
Intensiteit autonoom 2030 (mvt/etmaal)
Brennerbaan Furkabaan
6.436 3.759
Planbijdrage bezoekrsverkeer (mvt/etmaal) 354 354
Intensiteit 2030 incl. planbijdrage (mvt/etmaal) 6.790 4.113
Gesteld wordt dat uit de verkeerskundige praktijk blijkt dat het verkeer op 50 km/u-wegen tot een omvang van 6.000 à 15.000 mvt/etmaal vlot en veilig kan worden afgewikkeld. Uit bovenstaande tabel blijkt dat de intensiteiten op zowel de Brennerbaan als op de Furkabaan ruim binnen deze bandbreedte blijft, zelfs na toevoeging van de planbijdrage. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat de verkeersgeneratie van de bezoekers geen knelpunten in de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet veroorzaken.
Verkeer binnen projectlocatie De voorgaande verkeersberekening is gebaseerd op de parkeerbehoefte van de bezoekers. Daarnaast zal er echter ook een secondaire verkeersstroom ontstaan bestaande uit verkeer dat binnen het projectgebied moet zijn, zoals voor het afleveren van pakketten, ophalen van afval, of voor het halen en brengen van bewoners. Voor het bepalen van de omvang van deze verkeersstroom is tevens door de gemeente een berekening opgesteld (zie bijlage 22). De daarbij gehanteerde methodiek is gebaseerd op de methodiek zoals gehanteerd bij het vergelijkbare project Beurskwartier in Utrecht, afgestemd op de karakteristieken van de beoogde ontwikkeling. Op basis van deze methodiek bedraagt de verkeersgeneratie richting de projectlocatie 150 mvt/etmaal. Een mogelijke aanvullende maatregel die kan worden toegepast voor het reduceren van de verkeersgeneratie is het introduceren van een MyPup Pick Up Point, wat zou leiden tot een reductie van het aantal pakketbezorgingen per etmaal. Omdat echter nog niet is vastgesteld of een dergelijk MyPup Pick Up Point wordt gerealiseerd binnen de beoogde ontwikkeling wordt voor het hanteren van een worstcasebenadering geen rekening gehouden met de daaraan gerelateerde reductie. In totaal wordt dus rekening gehouden met een verkeerstoename van 150 mvt/etmaal richting het projectgebied.
Dit verkeer wordt via de Tussen de Rails en de Mereveldseweg ontsloten op de Koningsweg N411, vanaf waar het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld.
Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met de beoordelingsregels (provinciale instructieregels) voor mobiliteit en parkeren omdat er een goede bereikbaarheid voor langzaam verkeer wordt gerealiseerd. Voor de beoogde ontwikkeling wordt enkel rekening gehouden met een parkeerbehoefte voor bezoekers. Voor het opvangen van deze parkeerbehoefte wordt gebruik gemaakt van de beschikbare openbare 52 BOPA Tussen de rails
Utrecht
parkeergelegenheid in het omliggende gebied, na invoering betaald parkeren. De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bestaat uit het verkeer behorende bij de bezoekers (464 mvt/etmaal) en het verkeer dat binnen de projectlocatie moet zijn (150 mvt/etmaal). Deze twee verkeerssstromen worden gescheiden van elkaar afgewikkeld, waarbij het effect van de beoogde verkeerstoename op de verkeersdoorstroming en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet verwaarloosbaar is. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling voor het aspect mobiliteit en parkeren bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.6
Ecologie: soortenbescherming
De activiteit waarvoor een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt aangevraagd en die mogelijke gevolgen heeft voor van beschermde dieren of planten, is een flora- en fauna-activiteit. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten in gevallen aangewezen bij algemene maatregel van bestuur (art. 5.1 tweede lid Ow). Door de brede definitie van een flora- en fauna-activiteit is het bij de BOPA-activiteit nodig om te controleren of er beschermde soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. Er zijn immers nauwelijks aanleg-, sloop- en bouwactiviteiten denkbaar waarbij vooraf is uitgesloten dat deze mogelijke gevolgen hebben voor beschermde soorten. Zo kan een herontwikkeling waarbij oude gebouwen worden gesloopt ten behoeve van nieuwbouw, gevolgen hebben voor vleermuizen die in die oude gebouwen nestelen. Voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een BOPA is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de BOPA-activiteit zal worden verricht of in de directe nabijheid van die locatie. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, is aanvullend onderzoek nodig. Voor sommige flora- en fauna-activiteiten is een omgevingsvergunning nodig.
De vergunningplicht is geregeld in artikel 5.1 tweede lid Ow en in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) in de paragrafen § 11.2.2 (omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn), § 11.2.3 (omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn), § 11.2.4 (omgevingsvergunning andere soorten) en § 11.2.5 (overige bepalingen omgevingsvergunning). In deze paragrafen worden vergunningplichtige en vergunningvrije activiteiten aangewezen. In ieder geval geldt de specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit. Deze zorgplicht komt er samengevat op neer dat maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal).
Toetsing De aangevraagde activiteit is relevant voor ecologie (flora en fauna en natuurgebieden), omdat er met de ontwikkeling werkzaamheden nodig zijn wat effect kan hebben op de flora en fauna. Tussen de rails Quickscan ecologie Voor de beoogde ontwikkeling is een onderzoek naar natuurwaarden uitgevoerd zie bijlage 30. Hieruit blijkt dat er nader onderzoek nodig is naar de gierzwaluw, steenuil, roofvogels, kleine marterachtigen, steenmarter, vleermuizen (boom- en gebouwbewonend), ringslang, grote modderkruiper, grote weerschijnvlinder, grote vos en de teunisbloempijlstaart. Op basis van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de onderzoekslocatie door de combinatie van unieke fysisch geografische omstandigheden, landgebruik en beheer zorgen voor een zachte overgang in de randzone van het stedelijk gebied van Utrecht. Deze combinatie van omstandigheden is niet aanwezig op andere locaties in de gemeente Utrecht, wat resulteert in de aanwezigheid van zeldzame flora en fauna en een grote ecologische waarde van de onderzoekslocatie in het algemeen.
Nader ecologisch onderzoek Om te bepalen of de op de locatie te verwachten soorten daadwerkelijk in het projectgebied voorkomen, is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is in bijlage 31 opgenomen. De conclusies van het onderzoek zijn hieronder opgenomen.
BOPA Tussen de rails
53
Huismus In het onderzoeksgebied zijn geen nesten van huismussen aangetroffen. Tijdens de onderzoeksrondes zijn ook geen huismussen aangetroffen of andere plekken met activiteit van de soort zoals kwetterplekken. Op basis hiervan kan worden uitgesloten dat de onderzoekslocatie van belang is voor huismussen en eventuele populaties in de buurt. Vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet ten aanzien van deze soort zijn niet nodig. Gierzwaluw In het onderzoeksgebied zijn geen laag overvliegende gierzwaluwen aangetroffen tijdens de daarvoor bestemde onderzoeksrondes. Buiten deze onderzoeksinspanning zijn ook geen laag overvliegende gierzwaluwen waargenomen. Wel zijn er maximaal zeven gierzwaluwen tegelijk hoog in de lucht waargenomen. Deze individuen vertoonden geen binding met de onderzoekslocatie en behoren tot een kolonie die zich buiten de invloedssferen van de voorgenomen werkzaamheden bevindt. Hierdoor kan aanwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw op de onderzoekslocatie worden uitgesloten. Vleermuizen Gedurende onderzoeksrondes zijn geen aantikkende, zwermende of in- en uitvliegende gebouw- of boombewoonde vleermuizen waargenomen. Er zijn geen verblijfsplaatsen aangetoond. Ook zijn paarverblijven uit te sluiten. Gedurende de rondes in de zomer-, paar- en kraamperiode zijn geen verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie waargenomen.
Eventuele verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie zullen door de afstand tot de onderzoekslocatie daarom geen negatieve gevolgen ondervinden van de voorgenomen werkzaamheden. De woonboerderij heeft verder geen functie als essentieel foerageergebied. De Oud Wulverbroekwetering en de rij met knotwilgen langs deze watergang fungeren, door het ontbreken van geschikte alternatieven, als essentiële vliegroute voor de gewone dwergvleermuis. Ransuil en steenuil Op basis van veldonderzoek wordt geconcludeerd dat wordt uitgesloten dat er roeoestplaatsen van de rans- en steenuil aanwezig zijn. Roofvogels Er zijn slechts 2 waarnemingen van roofvogels gedaan gedurende het onderzoek. Door de hoogte waarop de vogels overvlogen en het geringe aantal waarnemingen van zowel de buizerd als de sperwer is het uit te sluiten dat de onderzoekslocatie een beschermde functie vervult voor deze roofvogels. Ringslang De ringslang is aangetroffen op de onderzoekslocatie en daarnaast zijn geschikte overwinteringslocaties en foerageergebied vastgesteld. Kleine marterachtigen De wezel gebruikt de onderzoekslocatie als verbindingszone, foerageergebied en verblijfplaats.
De verbindingszone bestaat uit het struweel langs de randen van de onderzoekslocatie, het foerageergebied bestaat uit graslanden en ruigtes en de verblijfplaatsen bevinden zich in potentie in holen van muizen en mollen of onder takkenrillen op de onderzoekslocatie. De bunzing gebruikt de onderzoekslocatie als verbindingszone, foerageergebied en verblijfplaats. De verbindingszone bestaat uit het struweel langs de randen van de onderzoekslocatie, het foerageergebied bestaat uit graslanden en ruigtes en de verblijfplaatsen bevinden zich in potentie in oude konijnholen of in takkenrillen op de onderzoekslocatie. De steenmarter en de eekhoorn gebruiken de oostzijde van de onderzoekslocatie als migratieroute. De bebossing op deze locatie vormt een veilige verbinding tussen verschillende onderdelen binnen hun leefgebied. De voorgenomen ingreep heeft geen invloed op het functioneel leefgebied van deze soorten. Konijn Het konijn gebruikt de onderzoekslocatie als foerageergebied en als vaste- rust en verblijfplaats. Rust- en verblijfplaatsen zijn aanwezig in de vorm van een burcht en verschillende konijnenholen. Het primaire foerageergebied betreft het kort gemaaide grasland rond het woonhuis op de onderzoekslocatie. 54 BOPA Tussen de rails
Utrecht
Grote modderkruiper en gevlekte witsnuitlibel In geen van de vijf eDNA samples is genetisch materiaal van de grote modderkruiper of de gevlekte witsnuitlibel gevonden. Aanwezigheid van de soorten in de omgeving van de onderzoekslocatie kan op basis van deze onder-zoeksresultaten worden uitgesloten. Wel is een nader onderzoek naar het voorkomen van de grote modderkruiper ter plaatse van de Oude Wulverbroekwetering uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 32. Vlinders Tijdens de onderzoeksrondes voor de teunisbloempijlstaart, grote weerschijnvlinder en grote vos zijn geen van de onderzochte soorten aangetroffen Betreffende algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën is het noodzakelijk rekening te houden met de zorgplicht en voldoende zorg te dragen voor eventueel voorkomende individuen. Al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om beschadiging of doden van individuen te voorkomen. Diverse soorten van de Utrechtsesoortenlijst en Rode lijstsoorten zijn aanwezig op de onderzoekslocatie. Het betreft, naast de wettelijk streng beschermde soorten, onder andere acht plantensoorten en verschillende bijen. Hiervoor wordt ruimte gemaakt bij de inrichting van de openbare ruimte en de opwaardering van de Oud Wulverbroekwetering.
Voorkomende Utrechtse soorten
Vogels: Kleine karekiet (rietkragen), Merel (grasvelden, bomen, struiken), Tjiftjaf (struikgewas en lage bomen, vegetatie tot aan de grond): Aanwezig binnen het projectgebied, maar er zijn geen effecten. Bomen blijven behouden en er komen meer bomen bij, dit is leefgebied voor de tjiftjaf en merel. Kleine karekiet vindt leefgebied in de natuurvriendelijke oevers Wilde bijen: Kattenstaartdikpoot, Lathyrusbij: Deze komen voor binnen het projectgebied, hiervoor moeten waardplanten behouden worden, zie onderstaand. Planten: Bijenorchis (in bermen), Brede wespenorchis (onder bomen), Grote kaardenbol (bij verruiging en verstoring), Grote kattenstaart (oevers), Rietorchis, Veldlathyrus (en wilde lathyrus) (kruidenrijk grasland), Wilde reseda: Deze planten worden verstoord door de werkzaamheden, maar passen ook binnen het ontwerp (oevers, bomen, kruidenrijk grasland, op zand). Veel van deze soorten zijn ook aanwezig bij het gronddepot en richting de A27, daar zijn veel waarnemingen gedaan. Grote wederik en Ruig klokje zijn aanwezig, maar buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Amfibieën: Bruine kikker, Gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker, bastaardkikker: Negatieve effecten worden voorkomen bij werken aan de watergangen volgens het Ecologisch werkprotocol.
Zoogdieren: aardmuis, Bosmuis, Huisspitsmuis, Rosse woelmuis: Negatieve effecten worden voorkomen door te werken volgens het Ecologisch werkprotocol, profiteren ook van de maatregelen t.b.v. de kleine marters
Geconcludeerd wordt dat het aanvragen van een vergunning voor de uit te voeren werkzaamheden noodzakelijk is ten aanzien van ringslang, wezel, bunzing en konijn. Het leefgebied van deze soorten wordt gecompenseerd. Dit wordt onderstaand toegelicht.
Compensatiegebied Het aanvragen van een omgevingsvergunning flora en fauna activiteit voor de uit te voeren werkzaamheden is noodzakelijk ten aanzien van ringslang, wezel, bunzing en konijn. Hiervoor is een activiteitenplan (bijlage 35) opgesteld waarin wordt toegelicht hoe het leefgebied binnen deze locatie Tussen de Rails wordt gecompenseerd op het perceel ten noorden van de projectlocatie, ook wel 'Paardenweide' genoemd. Dit gebied wordt ingericht als nieuw leefgebied voor deze eerdergenoemde soorten. Het ontwerp hiervoor is in samenspraak met ecologen opgesteld. Met dit ontwerp wordt een natuurgebied ingericht welke kan functioneren als leefgebied voor de ringslang, wezel, bunzing en het konijn. Tegelijkertijd wordt er met de inrichting bijgedragen aan de algemene biodiversiteit en doet dit plan ook dienst voor de groencompensatie ten behoeve van de groenstructuur die verloren gaat op Tussen de Rails.
BOPA Tussen de rails
55
Figuur 5.6.1: Projectgebied Tussen de Rails in rood en het compensatiegebied, de paardenweide in rood Om te bepalen of op de paardenweide beschermde soorten aanwezig zijn, is ter plaatse een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd (bijlage 33). Uit de quickscan blijkt dat er verschillende beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedsfeer van de activiteiten te verwachten zijn. Voor een aantal van deze soorten zijn middels het nemen van specifieke preventieve maatregelen (een ecologisch werkprotocol) negatieve effecten te voorkomen. Dit betreffen de volgende soorten/functies:
Buizerd – nestplaats; Ransuil – nestplaats/roestplaats; Ringslang; Algemene broedvogels.
Een aantal kleine stukken op de paardenweide vormt daarnaast geschikt leefgebied voor de kleine marterachtigen (wezel, hermelijn, bunzing). Voor deze soorten wordt een omgevingsvergunning aangevraagd. Dit onderzoek is uitgebreid met een onderzoek naar de grote modderkruiper, platte schijfhoren en teunispijlbloemstaart. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 34. Uit dit onderzoek blijkt dat de genoemde soorten niet voorkomen.
Conclusie Het aanvragen van een omgevingsvergunning flora en fauna activiteit voor de uit te voeren werkzaamheden is noodzakelijk ten aanzien van ringslang, wezel, bunzing en konijn aangezien de werkzaamheden op verschillende manieren in verschillende maten effect hebben op aanwezig leefgebied van de soorten. De paardenweide als compensatiegebied is benodigd voor deze vergunning. De inrichting van de paardenweide ten behoeve van deze soorten wordt toegelicht in het activiteitenplan in bijlage 35. Voor de gewone dwergvleermuis, steenmarter, eekhoorn, algemene grondgebondezoogdieren, algemene broedvogels en algemene amfibieën dient gewerkt te worden conform een ecologisch werkprotocol. Voor de overige onderzochte soorten zijn geen verdere maatregelen noodzakelijk in het kader van de voorgenomen herontwikkelingen.
56 BOPA Tussen de rails
Utrecht
5.7
Ecologie: gebiedsbescherming
Natura 2000-gebieden Een BOPA-activiteit kan gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Denk hierbij aan de depositie van stikstof in een Natura 2000-gebied maar ook aan andere gevolgen, bijvoorbeeld door geluid en licht die door de activiteit worden veroorzaakt. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de BOPA-activiteit significante gevolgen heeft voor een Natura 2000gebied. In veel gevallen kan worden volstaan met een voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat de activiteit (al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten) significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, zal een passende beoordeling moeten plaatsvinden. In dat geval zal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig zijn. In praktijk bestaat de voortoets in veel gevallen uit een Aerius-berekening waaruit zal moeten blijken dat de stikstofdepositie op een stikstofoverbelast Natura 2000-gebied in ieder geval niet toeneemt (0,00 mol/ha/j) of afneemt.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een BOPA-activiteit kan ook gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen (paragraaf 7.3.16). Bij het beoordelen van de gevolgen van de BOPA-activiteit op NNN-gebieden, zal moeten worden aangetoond dat:
de kwaliteit en oppervlakte van het Natuurnetwerk niet achteruitgaan; de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk wordt behouden; en als binnen het natuurnetwerk activiteiten worden toegelaten, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven.
Houtopstanden (bos) Mocht de BOPA-activiteit gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen.
Toetsing Gebiedsbescherming De aangevraagde activiteit is relevant voor gebiedsbescherming omdat er mogelijk effecten op beschermde gebieden komen door de ontwikkeling. De projectlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Het projectgebied bevindt zich op circa 3,5 kilometer van het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. De dichtstbijzijnde onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland bevinden zich op circa 350 meter ten noordoosten van het projectgebied.
Stikstof Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op NNN- en Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied voor de realisatie- en gebruiksfase zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd (zie bijlage 16). Uit de berekeningen blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat er geen vergunning nodig is voor een Natura 2000-activiteit.
BOPA Tussen de rails
57
Conclusie De aangevraagde activiteit is in overeenstemming met provinciale instructieregels voor ecologie omdat de beoogde ontwikkeling niet tot overtreding van gebiedsbescherming leidt. De aspecten soortenbescherming en gebiedsbescherming geven geen aanleiding voor de conclusie dat de ontwikkeling onuitvoerbaar is. In zoverre is de ontwikkeling niet in strijd met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.8
Luchtkwaliteit
Toetsingskader Als een BOPA betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.
Toetsing De ontwikkeling is relevant voor luchtkwaliteit, omdat de ontwikkeling voor extra verkeersgeneratie zorgt en er getoetst moet worden of de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De gemeente Utrecht is aangewezen als aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof. Met de ontwikkeling wordt een activiteit mogelijk gemaakt die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaakt op de weg. Er moet daarom getoetst worden of het toelaten van de activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³. Uit artikel 5.54 uit het Bkl blijkt dat 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen standaardgevallen zijn die niet in betekenende mate bijdragen aan de omgevingswaarden voor No2 en fijnstof. De ontwikkeling bestaat uit maximaal 460 woningen en een aanvullend cultureel-, en werkprogramma. Hiermee kan zonder nader onderzoek vastgesteld worden dat de ontwikkeling niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De provincie Utrecht is aangesloten bij het Schone Lucht Akkoord (SLA) en draagt bij aan een schone buitenlucht. In 2030 willen ze voldoen aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie uit 2005.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de vestiging van de beoogde functie. Uit de CIMLK-tool blijkt dat in 2023 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs de dichtstbijzijnde weg de A27 ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2022: 31,1 µg/m³ voor NO2, 19,7 µg/m³ voor PM10 en 10,5 µg/m³ voor PM2,5. Hieruit blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan het projectgebied toe te kennen. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie (zoals vergroening van het wagenpark).
Voor luchtkwaliteit zijn: 1. de volgende instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl van belang: Artikel 5.51. (luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) Artikel 5.54. (standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit) 58 BOPA Tussen de rails
Utrecht
2.
de volgende instructieregels voor het omgevingsplan uit de provinciale omgevingsverordening van belang: Er zijn voor dit project geen relevante instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening van belang met betrekking tot luchtkwaliteit.
Conclusie De aangevraagde activiteit is in overeenstemming met instructieregels voor luchtkwaliteit omdat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De ontwikkeling draagt voor het aspect luchtkwaliteit bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat er ter plaatse de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof ruim onder de grenswaarden liggen. Met de ontwikkeling wijzigt dit niet.
5.9
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Toetsingskader In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van wegen, spoorwegen en/of industrieterreinen wordt het geluid beoordeeld. De instructieregels in het Bkl bevatten waarden en eisen voor het beoordelen van geluid.
Flexwonen Voor tijdelijke situaties die niet meer dan tien jaar duren, hoeft op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) niet te worden voldaan aan de waarden voor geluid (voor het geluid in de woning geldt via het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) veelal een 10 dB lagere grenswaarde). Wel moet de gemeente rekening houden met het geluid door de bron. Het geluid door de bron moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.78s, Bkl) Daarnaast heeft de gemeente Utrecht de ambitie om iedereen gelijke kansen te bieden op gezond stedelijk leven en gelijke gezondheidsbescherming.
De volgende maatregelen dragen bij aan het beschermen van de gezondheid. Hierbij is vereist dat iedere woning een ventilatiesysteem heeft dat minimaal voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) ten aanzien van ventilatiegeluid en luchtverversing. Daarnaast is het vereist dat iedere woning een acceptabel binnenniveau heeft van bij voorkeur 33 dB, en maximaal 38 dB. Daarnaast wordt onderzocht hoe onderstaande maatregelen zo veel mogelijk kunnen worden nagestreefd, waarbij er ten minste twee worden toegepast:
Een geluidluwe zijde; Slaapkamer aan de geluidluwe zijde; Een geluidsluwe buitenruimte; Een woonduur van, bij voorkeur, maximaal 5 jaar.
Beoordeling De ontwikkeling is relevant voor geluid, omdat woningen geluidgevoelig zijn en de locatie in het aandachtsgebied van wegverkeer en twee spoorwegen is gelegen. Aangezien de beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van tijdelijke woningen (max. 10 jaar), hoeft niet te worden voldaan aan de waarden voor geluid in het Bkl. Wel moet worden aangetoond dat het geluid aanvaardbaar is. Hiervoor is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor wegverkeerslawaai en BOPA Tussen de rails
59
spoorweglawaai, zie bijlage 28. Vanwege de tijdelijkheid is de huidige geluidbelasting voor weg- en railverkeer gehanteerd. In het akoestisch onderzoek is de huidige geluidbelasting getoetst aan de waarden vanuit het Bkl in plaats van de geluidbelasting o.b.v. de geluidregisters. Hieruit blijkt dat er zowel voor het geluid van wegverkeer van de Rijksweg als de twee spoorwegen voldaan wordt aan de grenswaarden van beide bronnen uit het Bkl. De maximale geluidbelasting als gevolg van wegverkeer van de Rijksweg bedraagt 60 dB. Daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde (60 dB) en is de geluidbelasting aanvaardbaar. De maximale geluidbelasting als gevolg van railverkeer bedraagt 64 dB. Ook daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde (65 dB) en is de geluidbelasting aanvaardbaar. Daarnaast geldt dat als gevolg van zowel weg- als railverkeer, de binnenzijde geluidluw is en nagenoeg overal een geluidluwe gevel gerealiseerd kan worden. Dit wordt bevestigd door verkennende onderzoeken (Voorlopig Ontwerp Gebouw) van de ontwikkelaar, waarin maatregelen beschreven staan om te voldoen aan de voorwaarden die de gemeente Utrecht stelt bij de bouw van tijdelijke woningen. Zo komen bijvoorbeeld de slaapkamers aan de luwe zijde en worden de open hoeken tussen de bouwblokken voorzien van geluidschermen om achterliggende gebied geluidluw te maken.
Cumulatie Het geluid van het spoor bedraagt maximaal 64 dB en van de Rijksweg 60 dB. Het maximaal gecumuleerde geluid is daarmee 61 dB. Omdat het gecumuleerde geluid daarmee lager is dan de Utrechtse ambitiewaarde van 63 dB uit de Beleidsnota Geluid en Trillingen, wordt het geluidsniveau aanvaardbaar geacht.
Conclusie De ontwikkeling draagt voor het aspect geluid bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat er sprake is van aanvaardbare waarden voor geluid. In het Omgevingsplan Utrecht wordt verwezen naar het toetsingskader uit het Bkl. Gelet op de tijdelijkheid voor het wonen van maximaal 10 jaar zijn de normen uit het Bkl niet van toepassing (artikel 5.78 onder 2 Bkl). Wel wordt getoetst aan de waarden uit het Bkl om een afweging te maken van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zowel voor het geluid van het railverkeer als van de Rijksweg wordt voldaan aan de grenswaarden die voor beide bronnen gelden onder het Bkl. Het maximaal gecumuleerde geluid bedraagt 61 dB. Het gecumuleerde geluid is hiermee aanvaardbaar, mede omdat het gecumuleerde geluid lager is dan de Utrechtse ambitiewaarde van 63 dB uit de Beleidsnota Geluid en Trillingen. Daarnaast is de binnenzijde grotendeels geluidluw waardoor nagenoeg overal een geluidluwe gevel gerealiseerd kan worden. Met toepassing van de hierboven beschreven maatregelen zoals bijvoorbeeld een juiste indeling van de woningen (slaapkamer aan de luwe zijde), het dichtzetten van de open hoeken met een geluidscherm of het treffen van maatregelen aan de gevel op een beperkt aantal locaties kan voldaan worden aan de voorwaarden die volgens het gemeentelijke beleid gelden bij tijdelijk wonen.
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning zal dit nader uitgewerkt worden en definitief getoetst.
5.10 Geluid door activiteiten Toetsingskader Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw bij een activiteit maar ook bij het toelaten van een geluidveroorzakende activiteit bij een geluidgevoelig gebouw wordt het geluid beoordeeld. Voor zover het toelaten van een geluidgevoelig gebouw de milieuruimte van een bestaande (bedrijfs)activiteit beperkt, zal het bevoegd gezag eerst moeten afwegen: is het redelijk om de milieuruimte te beperken door het toestaan van de nieuwe ontwikkeling? Zo niet, moeten stappen gezet worden om de milieuruimte voor de nabijgelegen milieubelastende activiteit niet te beperken. De instructieregels uit het Bkl bevatten waarden, eisen en mogelijkheden voor het beoordelen van geluid. Voor geluid door activiteiten zijn: 1. de volgende instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl van belang: afdeling § 5.1.4.2.2. Geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten (dit is uitgewerkt in de bruidsschat)
60 BOPA Tussen de rails
Utrecht
2.
de volgende instructieregels voor het omgevingsplan uit de provinciale omgevingsverordening van belang: Er zijn geen instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening van belang voor deze ontwikkeling met betrekking tot geluid vanwege activiteiten. De ontwikkeling is relevant voor geluid door activiteiten, omdat onder andere woningen geluidgevoelig kunnen zijn.
Toetsing In de directe omgeving is er sprake van een dierenasiel waarvoor akoestisch onderzoek heeft plaatsgevonden, zie bijlage 29. Hieruit blijkt dat er wordt voldaan aan de grenswaarde voor het maximale (piek)geluidniveau. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT )wordt in de dagperiode met 5 dB(A) overschreden. Rekening houdend met een basisgeluidisolatie van 20 dB(A) bedraagt het binnenniveau ten hoogste 35 dB(A) en wordt voldaan aan de grenswaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT ) in een geluidgevoelige ruimte. Daarmee worden de tijdelijke woningen aanvaardbaar geacht.
Conclusie De ontwikkeling draagt voor het aspect geluid door activiteiten bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat er wordt voldaan aan de grenswaarde voor het maximale (piek)geluidniveau en ten aanzien van de overschrijding van het langtijdgemmiddelde beoordelingsniveau wordt voldaan aan de grenswaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in een geluidgevoelige ruimte. Voor de overschrijding van het geluid van het dierenasiel wordt een maatwerkvoorschrift aangevraagd.
Voorschriften zijn nodig om te voldoen aan etfal. Voorschrift: 1.
2. 3.
De volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied is: a. niet kleiner dan het verschil tussen het in het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of het besluit tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden bepaalde gezamenlijke geluid, bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, en 33 dB; en b. niet kleiner dan het verschil tussen het in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegestane geluid door activiteiten, bedoeld in paragraaf 5.1.4.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en 35 dB(A), tenzij dit geluid is betrokken bij het bepalen van het gezamenlijke geluid, bedoeld onder a. Op een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied als bedoeld in het eerste lid, die niet de scheiding vormt met een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie waarop het eerste lid van toepassing is, is dat lid van overeenkomstige toepassing. Een scheidingsconstructie als bedoeld in het eerste en tweede lid van een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die ten hoogste 2 dB of dB(A) lager is dan de in het eerste en tweede lid bedoelde karakteristieke geluidwering uitgaande van het verblijfsgebied waarin de verblijfsruimte ligt.
5.11 Geur Toetsingskader In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient rekening te worden gehouden met geur door activiteiten op gebouwen en locaties. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van geurgevoelige gebouwen en locaties; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen en locaties in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.
De ontwikkeling is relevant voor geur omdat er sprake is van geurgevoelige gebouwen. Onderzoek wijst uit dat in de directe omgeving van het projectgebied er geen bronnen gelegen zijn BOPA Tussen de rails
61
waarvan geurhinder te verwachten is. Voor geur zijn: 1. de volgende instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl van belang Artikel 5.91, eerste lid, van het Bkl 2.
de volgende instructieregels voor het omgevingsplan uit de provinciale omgevingsverordening van belang: Er zijn geen instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening van belang voor het aspect geur.
Conclusie De aangevraagde activiteit is in overeenstemming met instructieregels voor geur door activiteiten omdat er sprake is van een aanvaardbaar geurniveau voor de geurgevoelige gebouwen. De ontwikkeling draagt voor het aspect geur bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat er geen sprake is van geurhinder door de ontwikkeling en bedrijven niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering.
5.12 Activiteiten en milieuzonering Toetsingskader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat in het omgevingsplan voorwaarden worden vastgelegd om te zorgen dat bedrijfsmatige activiteiten en milieugevoelige activiteiten (zoals wonen) op een goede manier op elkaar worden afgestemd. Afhankelijk van de aard en omvang van de activiteiten die het omgevingsplan toestaat zal het daarbij in ieder geval gaan om regels op het vlak van geluid en mogelijk ook geur en gevaar. Verder is bij het toestaan van nieuwe gevoelige activiteiten ook een afweging van de gevolgen voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende bedrijven noodzakelijk.
Toetsing Met voorliggende BOPA worden woningen mogelijk gemaakt. Wonen heeft geen milieuhinder op de omgeving. Wel is wonen een milieugevoelige activiteit. In het projectgebied bevindt zich een boerderij, in deze boerderij worden geen activiteiten meer uitgevoerd. Ten oosten van het projectgebied bevindt zich een gronddepot van de gemeente Utrecht. De aanvoer van grond vindt plaats aan de noordzijde van dit depot en is daarmee op enige afstand van het projectgebied. Verwacht wordt dat het geluid ten gevolge van deze activiteiten te verwaarlozen is in het overige omgevingsgeluid. Ten oosten van het projectgebied, aan de overzijde van de spoorlijn, is een dierenasiel aanwezig. Het geluid afkomstig van dit dierenasiel is onderzocht, dit is toegelicht in paragraaf 5.10. Hieruit blijkt dat er wordt voldaan aan de grenswaarde voor het maximale (piek)geluidniveau. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT )wordt in de dagperiode met 5 dB(A) overschreden. Rekening houdend met een basisgeluidisolatie van 20 dB(A) bedraagt het binnenniveau ten hoogste 35 dB(A) en wordt voldaan aan de grenswaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT ) in een geluidgevoelige ruimte. Daarmee worden de tijdelijke woningen aanvaardbaar geacht.
Conclusie Voor het aspect activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
62 BOPA Tussen de rails
Utrecht
5.13 Omgevingsveiligheid Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In het Bkl is het risicobegrip breder: in de aanvraag om een vergunningsaanvraag voor een BOPA zal ook moeten worden gemotiveerd hoe voor risico's van branden, rampen en crises rekening gehouden met het belang van: a. b. c.
het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en de geneeskundige hulpverlening.
Voor omgevingsveiligheid zijn: 1.
de volgende instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl van belang: Artikel 5.6. (plaatsgebonden risico) Artikel 5.7. (plaatsgebonden risico: kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen) Artikel 5.11. (plaatsgebonden risico: beperkt kwetsbare gebouwen en locaties) Artikel 5.12. (aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's: categorieën) Artikel 5.14. (aandachtsgebieden en brand- en explosievoorschriftengebieden) Artikel 5.15 (aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's: groepsrisico)
2.
de volgende instructieregels voor het omgevingsplan uit de provinciale omgevingsverordening van belang: Artikel 4.67 Instructieregel externe veiligheid basisnet Artikel 4.68 Veiligheid rond basisnet Voorgenoemde artikelen zijn nog niet ingevuld en bevatten dus geen aanvullende instructies.
Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). In een omgevingsplan of bij het verlenen van een omgevingsvergunning dient voor kwetsbare gebouwen en locaties binnen een aandachtsgebied rekening te worden gehouden met de kans op het overlijden van een groep van 10 of meer personen als rechtstreeks gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen (art. 5.15 Bkl). Dit kan door het beoordelen van de veiligheidssituatie en waar nodig het treffen van maatregelen. Binnen een brand- of explosieaandachtsgebied kan de gemeente een voorschriftengebied aanwijzen. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of slechts een deel van het aandachtsgebied aanwijzen als voorschriftengebied (art. 5.14 Bkl). Als het BOPA Tussen de rails
63
initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Beleidsnota Omgevingsveiligheid Utrecht In de 'Beleidsnota Omgevingsveiligheid Utrecht' is toegelicht hoe de gemeente Utrecht omgaat met de risico's van het vervoeren van gevaarlijke stoffen en het werken met gevaarlijke stoffen. Bij elk (bouw)plan is het belangrijk om de omgevingsveiligheidsrisico's zoveel mogelijk te beperken. Dit doet de gemeente door te sturen op de volgende type maatregelen:
Kwetsbare groepen mensen beschermen Beperken aantal slachtoffers Bouwkundige maatregelen Bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid
Toetsing De ontwikkeling is relevant voor (externe) veiligheid, omdat de ontwikkeling uit woningen bestaat. Uit bijlage VI van het Bkl blijkt dat woningen als kwetsbare gebouwen worden gezien.
Inventarisatie risicobronnen In figuur 5.10.1 zijn de risicobronnen binnen en in de directe omgeving van het projectgebied weergegeven. Hieruit blijkt dat binnen het projectgebied een opslagtank met propaan van het bedrijf J. Hazendonk aanwezig is. Ten oosten van het projectgebied is de A27 gelegen en daarnaast wordt het projectgebied begrenst door twee spoorlijnen. Het gaat om de spoorlijn Breukelen - Betuwe Meteren aan de zuidkant en de spoorlijn Utrecht - Arnhem ten noorden van het projectgebied. Door AVIV is onderzoek uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico's. In dit onderzoek is het groepsrisico berekend voor de A27 en de spoorlijn Breukelen - Betuwe Meteren, zie bijlage 36. Voor de andere spoorlijn (Utrecht – Arnhem) is geen groepsrisicoberekening uitgevoerd, omdat hier vrijwel geen vervoer van gevaarlijke stoffen over plaatsvindt. Hieronder is per risicobron beschreven wat dit betekent ten aanzien van het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de aandachtsgebieden. In het onderzoek wordt gesproken over een hoger aantal woningen dan daadwerkelijk worden gerealiseerd. Het onderzoek betreft dus een worst-case variant en de resultaten van het onderzoek blijven onverminderd geldig.
64 BOPA Tussen de rails
Utrecht
Figuur 5.13.1 Uitsnede Atlas Leefomgeving (juni 2025)
Plaatsgebonden risico Propaantank In het onderzoek dat uitgevoerd is door AVIV is te zien dat een klein deel van de bouwvlakken van twee tijdelijke gebouwen binnen de veiligheidsafstand van 20 m rondom de propaantank liggen (PR10-6 contour). Echter, op basis van locatiebezoeken uit het verleden (2019) van een toezichthouder blijkt dat de tank is verplaatst en het aantal verladingen kleiner is dan 5 per paar. Voor een tank van 3m3 propaan waarbij het aantal verladingen minder is dan 5 per jaar zou de veiligheidsafstand slechts 10 meter. Binnen deze veiligheidsafstand worden geen nieuwe kwetsbare gebouwen of locaties mogelijk gemaakt.
A27 Voor transportroutes die onderdeel uit maken van het Basisnet hoeft het plaatsgebonden risico niet te worden berekend maar wordt getoetst aan de veiligheidsafstanden uit de regeling Basisnet. Voor de A27 ter hoogte van het plangebied is deze afstand 27 meter, deze overlapt het plangebied niet
BOPA Tussen de rails
65
Spoorlijnen Voor beide spoorlijnen (breukelen – Meteren en Utrecht - Arnhem) geldt dat er geen veiligheidsafstand geldt conform de regeling Basisnet. Aandachtsgebieden Propaantank Het brand- en explosieaandachtsgebied van de propaantank ligt respectievelijk 20 en 30 meter van de tank. Deze tank overlapt de geplande woningen niet maar overlapt het vlak ontwikkelgebied bedrijvigheid. A27 Het projectgebied ligt binnen het explosieaandachtsgebied van de A27. Het groepsrisico voor de A27 is door AVIV berekend en is zowel in de huidige als toekomstige situatie kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde en neemt niet toe. Spoorlijn Breukelen - Betuwe Meteren: Daarnaast bevindt het projectgebied zich binnen het brand- en explosieaandachtsgebied van de 2 spoorlijnen die ten noorden en zuiden van de locatie liggen. Voor het groepsrisico van de spoorlijn geldt dat het groepsrisico in zowel de huidige als de toekomstige situatie kleiner is dan de oriëntatiewaarde, maar neemt wel met meer dan 10% toe.
Vanwege de ligging binnen de verschillende aandachtsgebieden moet worden bekeken hoe de gemeente de mensen gaat beschermen tegen de gevaren van een brand, explosie en gifwolk. Hiervoor heeft de gemeente beleid opgesteld. Daaruit volgt: a. b. c.
Het gebied binnen het brandaandachtsgebied wordt aangewezen als een brandvoorschriftengebied. Voor nieuwbouw gelden dan de bouwkundige eisen uit het Bbl. Het gebied binnen het explosieaandachtsgebied wordt aangewezen als een explosievoorschriftengebied. Voor nieuwbouw gelden dan de bouwkundige eisen uit het Bbl. a en b gelden voor de volgende risicobronnen: propaantank en de spoorlijn route Breukelen – Meteren (route 71).
Voor de spoorlijn Utrecht - Arnhem (route 540) wordt geen voorschriftengebied aangewezen omdat over deze spoorlijn maar zeer beperkt vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en de omgevingsrisico's nihil zijn. Deze route is vooral bedoeld voor personenvervoer en gezien deze slechts twee sporen bevat laat deze weinig ruimte voor uitbreiding. De risicoplafonds in de regeling Basisnet zijn voor dit traject dan ook 0 meter. Bouwkundige voorschriften uit het Bbl zijn niet van toepassing op tijdelijke bouw. Gezien de ambities in de beleidsnota is de veiligheid zorgvuldig afgewogen om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden tegen de mogelijke effecten van een brand- en/of explosie. Bij de indeling van de plannen is zoveel mogelijk afstand gehouden van het spoor. Hierbij is in de positionering van de woningen een minimale afstand van 30 meter aangehouden om het risico te beperken. Hiermee komen de woningen buiten het brandaandachtsgebied van het spoor te liggen. Binnen de aandachtsgebieden zullen geen woningen worden gerealiseerd, wel zal een deel worden ontwikkeld voor bedrijvigheid. Het aantal aanwezige personen binnen de aandachtsgebieden wordt hiermee beperkt en het groepsrisico is hiermee dus ook beperkt.
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en 66 BOPA Tussen de rails
Utrecht
bluswatervoorzieningen. In het ontwerp is reeds rekening gehouden met het realiseren van de benodigde bluswatervoorzieningen. Hierbij wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van een primaire bluswatervoorziening binnen 40 meter van ieder object. Het projectgebied wordt ontsloten via de weg Tussen de Rails. Deze weg biedt toegang tot de ontsluiting in het projectgebied en sluit aan de N411. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, zodat altijd van de bron af kan worden gevlucht. In het raadsvoorstel van het SpvE is aangegeven dat de bereikbaarheid van de locatie voldoende is. De locatie kenmerkt zich door een beperkte bereikbaarheid voor autoverkeer. Daarom is vroegtijdig met de Veiligheidsregio Utrecht (VRU) beoordeeld of de toegang voor nood- en hulpdiensten geborgd kan worden. Alhoewel de aanrijdtijden geen probleem vormen blijkt uit overleg met de VRU dat de bereikbaarheid met 1 ontsluiting en dan met name de grotere voertuigen (brandweer), op middellange termijn aandacht vraagt. De nood- en hulpdiensten zijn voor de bereikbaarheid van het gebied afhankelijk van het viaduct Tussen de Rails. In relatie tot potentiële toekomstige werkzaamheden aan de A27 (Tracébesluit) kan dit zorgen voor een situatie dat het gebied niet bereikbaar is in de toekomst voor deze diensten.
Zowel het spoorals wegviaduct wordt dan namelijk vervangen en voor een, naar verwachting, periode van 2-3 weken afgesloten. Met de VRU en Rijkswaterstaat (RWS) is daarom gezocht naar een mogelijkheid zodat het gebied ten alle tijden bereikbaar blijft. Indien ProRail werkzaamheden moet aanvoeren in het kader van de TB zal dat plaatsvinden gedurende een Trein Vrije Periode (TVP). Op dit moment voorzien voor circa 16 dagen (is afgestemd met ProRail). Er is dan geen enkel treinverkeer mogelijk. Dat biedt kansen voor een tijdelijke spoorwegovergang voor o.a. nood- en hulpdiensten op maaiveldniveau, zodat geen dure tijdelijke brug nodig is. RWS is verantwoordelijk voor de definitieve afspraken met ProRail en voor de kosten van deze maatregel. Voor nu wordt gedacht aan de route langs de trambaan, het Maarschalkerweerdpad, wat is uitgevoerd als toegang voor nood- en hulpdiensten bij een tram incident.
Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie worden woningen gerealiseerd. Het plangebied zullen geen nieuwe zeer kwetsbare gebouwen worden toegelaten. Kinderen en ouderen in woningen, die als verminderd zelfredzaam worden beschouwd, zullen in noodsituaties door verzorgers en ouders worden begeleid. Zelfredzaamheid bestaat hierbij vooral uit schuilen en vluchten. Het belangrijkste risicoscenario voor de nabijgelegen spoorlijnen is een explosie door een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion). Dit ontstaat bij een ongeluk met een tankwagon waarin brandbare gassen onder druk zijn opgeslagen, zoals LPG. Een dergelijke explosie kan een krachtige schokgolf veroorzaken met fatale gevolgen in een straal van honderden meters. Daarnaast kan bij een incident in de omgeving schadelijke rook of damp vrij komen. Om de veiligheid van bewoners te waarborgen, worden verschillende bouwkundige maatregelen aanbevolen. Zo draagt het gebruik van minerale wolisolatie bij aan hittewering en helpt brand- en hittewerende beglazing schade door stralingswarmte en rondvliegende brokstukken te beperken. Verstevigde gevels, bijvoorbeeld door dikkere muren of een bekleding van cortenstaal, kunnen extra bescherming bieden tegen de impact van een explosie. Daarnaast kan de toepassing van blastproof wallpaper het risico op verwondingen door puin minimaliseren.