BOPA Tussen de rails_1306_Zwartgemaakt
Tekst van het document
2.4
Milieueffectrapportage
Algemeen In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een bopa project-merplichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en merbeoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt. Als hier het Omgevingsplan wordt genoemd, wordt hieronder ook de omgevingsvergunning voor een BOPA verstaan.
Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn mer). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.
De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning.
Toetsing De beoogde ontwikkeling waarvoor een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt aangevraagd, betreft de realisatie van maximaal 460 woningen en het realiseren van natuurcompensatie. Dit is een activiteit die als mer-beoordelingsplichtig is aangewezen in Bijlage V van het Ob, namelijk activiteit J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. Hiervoor is een mer-beoordeling noodzakelijk. Deze is als bijlage 10 opgenomen bij deze motivering.
Uit de informatie in deze aanmeldnotitie blijkt dat het projectgebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot aanzienlijke milieueffecten. In het kader van soortenbescherming wordt op het perceel ten noorden van het spoor natuur gerealiseerd. Verder zijn voor de ontwikkeling geen mitigerende maatregelen bekend.
Conclusie Uit de m.e.r.-beoordelingsnotitie in bijlage 10 blijkt dat gelet op de kenmerken van het project, de locatie en de kenmerken van de potentiële effecten geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. In het kader van deze bopa is dan ook geen uitgebreide plan- of project m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk.
30 BOPA Tussen de rails
Utrecht
Hoofdstuk 3 3.1
Participatie
Vooroverleg, participatie en aanvraag
Verplichte participatie De gemeente Utrecht heeft de Beleidsnota 'Samen stad maken'. Hierin worden handvaten voor participatie gegeven. Er gelden geen harde verplichtingen voor de vorm van participeren.
Participatie omgeving In 2023 zijn omwonenden voor het eerst geïnformeerd over de plannen. Dit is gebeurd via een wijkbericht, een persbericht, een informatieavond van de ontwikkeling Brennerbaan 50 en tijdens een informatiebijeenkomst over alle projecten in Maarschalkerweerd in juni 2023. In het najaar van 2023 is er, met een koffiekar, op verschillende locaties in de wijk met mensen in gesprek gegaan over het plan. Tijdens deze activiteiten zijn eerste reacties en vragen opgehaald die is gebruikt als input voor verdere participatie en communicatie. Het verslag is toegevoegd in bijlage 17. Op 18 januari 2024 (bijlage 18) heeft er een participatiebijeenkomst plaatsgevonden voor omwonenden waarbij het gesprek ging over 3 verschillende thema's: sociale veiligheid, natuur, parkeren/verkeer. De keuze voor deze 3 onderwerpen is gebaseerd op de input vanuit de koffiekarmomenten. Op 19 maart 2024 (bijlage 19) heeft een participatiemoment plaatsgevonden waarbij de stedenbouwkundige opzet en massa's zijn gepresenteerd alsmede enkele thema's zoals parkeren, groen, geluid, trillingen en de huisvesting van aandachtsgroepen.
Op een aantal punten in het SPvE en in het bijbehorende raadsvoorstel is de inbreng van stakeholders meegenomen. En zoals hiervoor in hoofdstuk 2 is beschreven voldoet de voorlopige uitwerking, die middels de bopa wordt geborgd, aan het SPvE. Hieronder worden er een aantal zaken worden die zijn meegenomen.
Ruimtelijke aspecten De maximale bouwhoogte ten opzichte van Intentiedocument is verlaagd van 7 naar 4 tot 5. Dit is benodigd om een hogere woonkwaliteit te realiseren en aan te sluiten bij de visuele kwaliteit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Er was een zorg bij enkele bewoners of het geluid afkomstig van het spoor gaat resoneren tussen de hoogbouw aan de zijde van Lunetten en dit plan, wat mogelijk leidt tot extra overlast. Dit is nader onderzocht door de geluidsspecialisten en betreffende bewoners zijn hierover geïnformeerd. De conclusie is dat dit geen significant invloed heeft en er dus geen sprake is van extra overlast. Daarnaast zorgt de voorgestelde maatwerkoplossing voor parkeren, gecombineerd met de invoering van betaald parkeren in Lunetten, ervoor dat het realiseren van een parkeergarage op / nabij het Furkaplateau niet noodzakelijk is. Tijdens de bewonersavond zijn zorgen geuit over de mogelijke onveilige leefomgeving die de bouw van een (openbare) parkeergarage veroorzaakt. Door het kiezen voor de maatwerkoplossing is een zorg bij de omgeving weggenomen. Er zijn ook zorgen geuit over de verkeersveiligheid in relatie tot het veelgebruikte fietspad (het Maarschalkerweerdpad), zowel binnen als buiten het projectgebied, en de toename van verkeer als gevolg van dit plan.
Ten aanzien van dit aspect is aangegeven bij de uitwerking van de plannen dit nadrukkelijk nader te onderzoeken en bespreken. Indien sprake is van het ontstaan, als gevolg van het plan, van onaanvaardbare verkeerssituaties zullen doeltreffende beheersmaatregelen worden genomen. In dit kader zijn in overleg met de Fietsersbond reeds extra maatregelen ontworpen ter plaatse van het Furkaplein (aan Lunettenzijde). Er worden paaltjes geplaatst en er wordt een boom bijgeplaatst. Hulpdiensten hebben wel toegang maar automobilisten worden gekeerd.
BOPA Tussen de rails
31
Huisvesting aandachtsgroepen Tijdens de avonden werd aangegeven dat Lunetten relatief veel aandachtsgroepen opvangt. Dit blijkt ook uit bronnen van de gemeente. Tegelijkertijd kenmerkt het plan zich door een fors aantal woningen voor aandachtsgroepen en 100% 1- en 2 persoonswoningen en een relatief geïsoleerde ligging van het projectgebied. Over het algemeen gaven de bewoners aan de opgave van de stad voor de huisvesting van deze doelgroepen te begrijpen, echter werd wel de wens geuit rekening te houden met de sociale context van Lunetten. Het advies is van de experts is overgenomen, en middels collegebesluitvorming d.d. mei 2024 geborgd, hier geen doelgroepen te huisvesten met een zware ambulante begeleidingsbehoefte. Tot de 30% passen wel doelgroepen met een overwegend lichte begeleidingsbehoefte die klaar zijn om de stap naar een zelfstandige woonplek te zetten. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan zorgen vanuit de buurt. Om de leefbaarheid in dit relatief grote tijdelijke woningproject meerjarig te borgen is het van essentieel belang dat geïnvesteerd wordt in community-building, via sociaal beheer en een woonvereniging met professionele ondersteuning (bijvoorbeeld van zorgprofessionals).
Dit wordt tijdens de vervolgfase van het project opgepakt met betrokken partijen en de omgeving door goede afspraken te maken over begeleiding, ondersteuning en de financiering van de community-building en begeleiding. (zie ook paragraaf 2.2.4). Ook werd de vraag gesteld of buurtvoorrang kan worden toegepast. Door het college is besloten dat dit mogelijk is binnen Utrecht. Dit is helpend geweest voor het vergroten van het draagvlak voor deze ontwikkeling.
Participatiemoment 6 november 2024 Op 6 november 2024 organiseerde de gemeente Utrecht voor de derde keer een informatieavond over het project Tussen de Rails in Aristo zalen. De eerste twee avonden waren plenair ingestoken, deze derde avond was een vrije inloopavond. De nadruk lag op de presentatie van het voorlopig ontwerp voor de openbare ruimte. Daarnaast waren vertegenwoordigers van de wijkbureaus aanwezig en de woningcorporaties die de woningen gaan bouwen en beheren. Tijdens deze avond werd vooral geïnformeerd naar de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor een woning. Daarnaast was, zoals ook bij de andere bijeenkomsten, de impact van dit project op de wijk Lunetten een belangrijk onderwerp. Bewoners willen graag dat er naast nieuwbouw ook in bestaande locaties geïnvesteerd wordt, met name het winkelcentrum. Ook zijn er zorgen over extra drukte bij (zorg)voorzieningen en toename van overlast door nieuwe bewoners.
Vervolg De participatie stopt niet, we gaan door waar we gebleven waren. Over de uitwerking van DO openbare ruimte, als ook de DO plannen van corporaties zullen we de omgeving binnenkort informeren. Volgend jaar is het moment (gezien de oplevering van de woningen eind 2026/begin 2027) om de omgeving mee te nemen in het sociaal beheer en de plannen rondom de functies werken en de broedplaatsontwikkeling.
32 BOPA Tussen de rails
Utrecht
Hoofdstuk 4 Beleidskader en toetsing daaraan Deze paragraaf beschrijft beknopt het relevante Rijksbeleid (zoals de NOVI), provinciaal beleid (zoals de POVI) en gemeentelijk beleid (zoals de GOVI). Ook Rijks- , provinciale, waterschaps- en gemeentelijke programma's, voor zover relevant, kunnen hier worden benoemd. Beoordeeld wordt of de ontwikkeling past binnen de relevante beleidskaders. Is dit niet het geval, wordt gemotiveerd waarom gebruik wordt gemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid.
4.1
Rijksbeleid
4.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. De gemeente Utrecht kan vooral aan de volgende nationale belangen een bijdrage leveren: 1.
bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 4. zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 5. waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 6. waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 7. beperken van klimaatverandering; 8. realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 9. waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 10. waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 11. waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 12. behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 13. verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. De NOVI benoemt vier prioriteiten De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel bevorderen; zorgen voor sterke en gezonde steden en regio's; stimuleren van een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Toetsing Deze ontwikkeling levert een bijdrage aan de nationale belangen door een omgevingsinclusieve benadering door middel van het realiseren en instandhouden van een goede leefomgevingskwaliteit, het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving en zorg te dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. De ontwikkeling past binnen het beleid.
BOPA Tussen de rails
33
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1
Provinciale omgevingsvisie provincie Utrecht
In de Provinciale Omgevingsvisie staat hoe de provincie er in 2050 uitziet. De Omgevingsvisie geeft richting aan de toekomstige en fysieke leefomgeving. Dit is alles op, boven en onder de grond en inclusief de sociale aspecten zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. In de Interim Omgevingsverordening staan de regels en instructieregels die daarvoor nodig zijn. Provincie Utrecht geeft bij de onderstaande 7 thema's de provinciale belangen aan die verplichtingen met zich meebrengen. Dat geeft al een doorkijk naar deze instructieregels. Om voor te sorteren op de toekomst richt de Omgevingsvisie zich op een aantal ontwikkelingen: extra woningen die gebouwd moeten worden; toename van werkgelegenheid; toename van verkeer; energietransitie; klimaatverandering; verandering in de landbouw; versterking van natuur en recreatief groen. Provincie Utrecht vindt het daarbij belangrijk om de bestaande kwaliteiten te behouden, te versterken en in balans te laten zijn met deze ontwikkelingen. De ruimte voor ontwikkelingen is beperkt, terwijl de vraag naar ruimte groot is.
Toetsing De Provincie Utrecht wil graag dat nieuwe ontwikkelingen in bestaand stedelijk gebied gerealiseerd worden. Daarnaast is er een groot aantal nieuwe huurwoningen nodig. De beoogde ontwikkeling betreft woningbouw binnen de bebouwde kom op korte termijn.
4.3
Regionaal beleid
4.3.1
Woondeal Utrecht 2022-2030 Regio U10
In maart 2023 hebben het Rijk, de provincie Utrecht, de Utrechtse gemeenten en woningcorporaties hun handtekening gezet voor de bouw van ruim 84.455 woningen tot en met 2030. Er zijn drie woondeals opgesteld: voor de regio's U10 (samenwerking van 16 Utrechtse gemeenten), Amersfoort en Foodvalley. Utrecht is onderdeel van de regio U10. In deze woondeal staan afspraken over de bouw van 61.000 nieuwe woningen in de regio Utrecht tot en met 2030, waarvan ruim 33.500 woningen in de stad Utrecht. In de huidige woningmarkt zijn te weinig betaalbare woningen beschikbaar, zo ook in de provincie Utrecht. Daarbij is het lastig voor mensen met een laag- en middeninkomen om een hypotheek af te sluiten voor een koopwoning. In de woondeals zijn daarom afspraken gemaakt over de betaalbaarheid van de woningen. Het streven is dat twee derde van de woningen die vanaf 2025 in de provincie Utrecht gerealiseerd worden in het segment 'betaalbaar' valt.
Toetsing Het project geeft mede invulling aan de grote woningbehoefte en voorziet specifiek in de behoefte aan betaalbare woningen. 4.3.2
Regionale Energiestrategie U16
De regio Utrecht (U16) wil in 2050 energieneutraal zijn: dit betekent alle energie die we gebruiken duurzaam opwekken. In 2030 wil de regio daarvoor een goede stap hebben gezet door meer zonne- en windenergie op te wekken. Ook wordt gezocht naar duurzame warmtebronnen als alternatief voor het aardgas waarmee we onze huizen en gebouwen verwarmen. In 2021 is er door de provincie, 16 gemeenten en 4 waterschappen in de regio Utrecht besloten over de Regionale Energiestrategie (RES 1.0). Daarin staat hoe en hoeveel de regio Utrecht bijdraagt aan de overgang van fossiele energie naar duurzame elektriciteit, zoekgebieden voor zonnepanelen en windturbines) en een aardgasvrije toekomst tot 2030
34 BOPA Tussen de rails
Utrecht
Toetsing Dit project is aardgasvrij. De overige duurzame maatregelen in dit project zijn beschreven in paragraaf 5.20.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1 Groenstructuurplan Utrecht 'Stad en land verbonden' en 'Actualisatie van Groenstructuurplan Utrecht' De gemeente Utrecht wil het groen in de stad voor iedereen bereikbaar houden en de kwaliteit verbeteren. Grote groengebieden en belangrijke groene verbindingen wil de gemeente verder ontwikkelen, verbeteren en beschermen. In het groenstructuurplan Utrecht Stad en land verbonden is dit verwoord in 3 ambities:
meer groen om de stad sneller naar buiten beter groen in de stad
Het groenstructuurplan van 2007 is bijgewerkt in de actualisatie groenstructuurplan Utrecht 2017 – 2030. Naast de 3 ambities ligt de nadruk meer op hoe we groen inzetten voor de gezonde stad. En hoe groen ons helpt om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Dit plan is op 8 maart 2018 door de gemeenteraad vastgesteld. De groei van de stad vraagt om het vastleggen van de plekken die we groen willen houden in en om de stad, zodat bij ontwikkelingen daar rekening mee gehouden kan worden en het groen zoveel mogelijk beschermd kan worden. Daarnaast vraagt de groei van het aantal inwoners in de stad om ontwikkeling van nieuw groen, goede recreatieve en groene verbindingen en het verbeteren van bestaand groen. De groengebieden die we extra beschermen zijn geselecteerd op basis van ecologische, landschappelijke, recreatieve of cultuurhistorische kwaliteiten. Deze gebieden staan aangegeven op de kaart in het groenstructuurplan. Als in die gebieden plannen zijn waardoor groen verdwijnt, moet de gemeenteraad daar eerst over beslissen. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning toetst de gemeente concreet of deze in de groenstructuur ligt.
Stedelijke groenstructuur Het gebied Tussen de Rails is onderdeel van de stedelijke groenstructuur. De groenstructuur voorziet in een vijftal belangrijke functies voor de stad, samenhangend met gezond stedelijk leven in relatie tot groen, natuur, recreatie, cultuurhistorie, landschap en klimaatadaptatie. Vermengen van het stedelijk groen met andere stedelijke functies is in principe mogelijk. Voorwaarde hiervoor is dat het groene karakter, de kwaliteiten en het gebruik van het groen worden behouden of verbeterd. Een eventuele aantasting van bestaand stedelijk groen wordt elders in de groenstructuur gecompenseerd volgens het Afwegingskader uit de Actualisatie Groenstructuurplan 2027-2030 (par. 4.2.2). De compensatie moet bij voorkeur in het gebied of de wijk zelf plaatsvinden, als dat niet kan elders in de stad en als dat ook niet kan, komt financiële compensatie in beeld.
Toetsing Actuele waarden en kwaliteiten De stedelijke groenstructuur voorziet in een aantal functies die een specifieke waarde of kwaliteit hebben voor de stad en inwoners. Het in beeld hebben van de actuele waarden en kwaliteiten van het gebied is noodzakelijk om te kunnen vaststellen welke waarden zoveel mogelijk ingepast en behouden moeten worden en wat de compensatie-opgave is bij verlies van waarden.
BOPA Tussen de rails
35
Maatregelen voor behoud en versterking bestaande waarden binnen plangebied Het zoveel mogelijk behouden en waar mogelijk versterken van waarden is uitgangspunt bij ontwikkeling van stedelijke functies in de groenstructuur. Hieronder wordt per waarde benoemd welke maatregelen worden getroffen voor behoud of verbetering.
36 BOPA Tussen de rails
Utrecht
BOPA Tussen de rails
37
Maatregelen voor behoud en versterking bestaande waarden buiten plangebied Bij fysieke aantasting van de groenstructuur vindt 1 op 1 compensatie plaats van de oppervlakte. Als gevolg van verharding, bebouwing en andere stedelijke functies vindt aantasting plaats van 13.711 m2 groen. Deze compensatie vindt bij voorkeur plaats in de directe omgeving. In de RSU is vastgelegd dat ontwikkeling en compensatie van groene functies in Oost voornamelijk plaats zal vinden in de Kromme Rijn scheg, samenhangend met de in de toekomst te ontwikkelen stedelijke knoop Lunetten Koningsweg. De Kromme Rijn scheg is een steeds breder uitlopende groene verbinding, die smal begint bij het Ledig Erf en aansluit op het groen om de stad, te weten de landgoederen en het Kromme Rijn linielandschap. Het gebied Maarschalkerweerd vormt de kern van de Kromme Rijn Scheg.
Figuur 4.4.1: Paardenweide in Lunettenpark waar de compensatie plaats zal vinden
Binnen Maarschalkerweerd is een particulier perceel verworven met een agrarische bestemming. Dit perceel wordt ingezet als kwantitatieve compensatie voor verlies aan groen als gevolg van de ontwikkeling van tijdelijke woningen Tussen de Rails.
Het verworven terrein heeft een omvang van 17.593 m2. Het voorziet daarmee in de kwantitatieve
38 BOPA Tussen de rails
Utrecht
compensatie Het terrein krijgt de functie groen/natuur, waarmee de compensatie planologisch wordt geborgd Het terrein krijgt een natuurlijke inrichting, zodat het kwalitatief compenseert voor het verlies aan natuurbeleving. Tevens wordt een struinpad aangelegd, zodat het openbaar toegankelijk is en daarmee invulling geeft aan de doelen van het groenstructuurplan
Figuur 4.4.2: Oppervlakte verharding Door de compensatie, kwantitatief en kwalitatief, op deze wijze te realiseren voldoet het plan aan het gemeentelijk beleid. 4.4.2
Nota Utrechtse soortenlijst (2018)
Op 7 juni 2018 heeft de gemeenteraad de Nota Utrechtse soortenlijst vastgesteld, ter bescherming en stimulering van de voor Utrecht belangrijke plant- en diersoorten en daarmee ter bevordering van de biodiversiteit in de stad. Onder de bescherming vallen 5 vogelsoorten, 3 vissoorten, 6 soorten wilde bijen, 40 plantensoorten en 10 paddenstoelsoorten. De Utrechtse soortenlijst wordt meegewogen bij de voorbereiding van gemeentelijke ruimtelijke plannen. Bij een gebiedsontwikkeling waarbij de gemeente Utrecht initiatiefnemer is moet naar de aanwezigheid van deze Utrechtse soorten onderzoek worden gedaan. Bij gebiedsontwikkelingen van derden wordt dringend geadviseerd om de Utrechtse soortenlijst bij de onderzoeken te betrekken.
Toetsing Soorten van de Utrechtse Soortenlijst worden beschermd. Voor zover versterking binnen het projectgebied niet mogelijk is vindt dit plaats buiten het projectgebied in de directe omgeving, zie hiervoor paragraaf 5.6 BOPA Tussen de rails
39
4.4.3
Bomenbeleid Utrecht (2009) aangevuld september 2018
De nota Bomenbeleid Utrecht is in 2009 vastgesteld. Hierop is een aanvulling gedaan op 27 september 2018 voor een herplantplicht. Een van de belangrijkste doelen van het Utrechtse bomenbeleid is een samenhangende bomenstructuur voor de stad te verbeteren en te ontwikkelen, gebaseerd op cultuurhistorische, ruimtelijke en ecologische uitgangspunten en milieu. Voor 2030 zet de gemeente in op het behoud en de ontwikkeling van de bomenstructuur. Dit zal gebeuren door twee beleidsdoelstellingen:
Waar mogelijk ontbrekende bomen in de bomenstructuur aanvullen om zo een samenhangende structuur te creëren. Dat betekent bij de ruimtelijke plannen in de komende jaren bezien waar bomen kunnen worden toegevoegd om zo de bomenlanen en pleinen te completeren. De bomenstructuur verder verbeteren door extra zorg aan beheer en onderhoud te besteden. Dit kan resulteren in extra zorg bij aanplanting van bomen, bij groeiplaatsen van oudere bomen, bij de verzorging van de bomen in de jeugdfase en bij bomenziekten.
In oktober 2023 is de herplantplicht uitgebreid met de beleidsregel herplant naar waarde. Hierin is nadere invulling gegeven aan de herplant van bomen. Er worden regels gesteld over de aanplantmaat, ordegrootte en boomsoort. Er zijn uitzonderingen mogelijk op basis van de groeiplaats van de herplantte boom en de cultuurhistorische en recreatieve waarde van bomen. De beleidsregel geldt niet voor particulieren wanneer zij minder dan 5 bomen willen kappen. In het kader van de kapvergunningsaanvraag en het compensatieplan (maatwerkvoorschrift) is collegiaal overleg gevoerd met de provincie. De uitkomsten van het overleg en de aanwijzingen zijn in onderstaande toetsing verwerkt.
Toetsing Binnen het projectgebied zijn 221 bomen aanwezig. Het uitgangspunt van de ontwikkeling is om zoveel mogelijk van deze bomen te besparen, de buitenruimte natuurlijk in te richten en voldoende nieuwe inheemse bomen bij te planten. Om dit proces zorgvuldig af te wegen op technische haalbaarheid is een Boom Effecten Analyse (BEA) uitgevoerd, deze rapportage is toegevoegd in bijlage 11. Deze BEA is in twee stappen uitgevoerd om zo het ontwerp bij te sturen om zoveel mogelijk bomen te behouden. Op basis van de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht ligt de projectlocatie binnen de contour 'houtopstand' waardoor de provincie het bevoegd gezag is. De kapmelding en het maatwerkvoorschrift (voor het herplanten) worden bij de provincie Utrecht ingediend. Dit is een separate vergunning. Onderstaande informatie is de afweging die op het moment van aanvraag is gemaakt, in het proces van de vergunning bij de provincie kan deze informatie nog worden aangescherpt. Er hoeft geen kapvergunning bij de gemeente aangevraagd te worden. Omdat het gebied binnen het regime van de provincie valt zal wel een kapmelding ingediend worden bij de provincie en zullen de regels van de provincie gevolgd worden. Deze regels staan in de Omgevingsverordening provincie Utrecht. Bij de herplant zal echter wel het Bomenbeleid, inclusief de beleidsregel Herplant naar waarde gevolgd worden.
Zo worden er voldoende grote bomen aangeplant om de bestaande bomen te compenseren in boommaat. Nieuwe bomen zullen met maat 18-20 cm worden aangeplant. Ten slotte worden er alleen inheemse boomsoorten nieuw aangeplant. Daarnaast zullen we de bomen pas kappen nadat de vergunningen voor de bouw zijn verleend, om te voorkomen dat er zinloos bomen worden gekapt conform de moties “Vertraging op de bomenambitie, kap dan ook met kappen” en “Kappen met kappen III”. In de eerste BEA verkenning stonden 67 bomen op de nominatie om geveld (gekapt) te worden door projectinvloeden. Daarop is het ontwerp aangepast waardoor er nog maar 21 bomen hoeven te worden geveld. Van die 21 bomen zijn 2 bomen in een slechte staat met een nog beperkte levensverwachting. In verband met veiligheid van de nieuwe bewoners en gebruikers is gekozen om deze 2 bomen ook te vellen. Conform de BEA worden 4 bomen gekandelaberd (de boom krijgt de vorm van een kandelaar) tot 30% per boom. Voor de Provincie Utrecht staat kandelaberen groter dan 20% gelijk aan vellen. In de Bomen Effect Analyse is een kaart opgenomen met de te kappen bomen. In bijlage 13 hebben alle bomen nummers gekregen, deze nummers verwijzen naar de plankaart (zie onderstaand figuur en bijlage 12 voor een grote versie).
40 BOPA Tussen de rails
Utrecht
Figuur 4.4.3: Weergave herplant. Zie bijlage 12 voor een beter leesbare kaart Hieronder wordt het afwegingsproces beschreven van de te vellen bomen. Boom 1 en 219 worden geveld i.v.m. de aanleg van een route die noodzakelijk is voor de hulpdiensten i.v.m. mogelijke calamiteiten op of aan het spoor. Deze route zal alleen toegankelijk zijn voor wandelaars en fietsers en dus niet voor auto's. Daarom kan deze route natuurlijk worden ingericht in de vorm van een karrespoor. Desondanks blijft de ruimte tussen bouwblok F en het ecologisch waardevolle bosje in De Punt (terrein van ProRail) beperkt waardoor deze twee bomen moeten worden geveld. Het bomencluster 2 t/m 7 zal worden geveld door de bouwactiviteiten van bouwblok F en de aanleg van de kabels en leidingen die rondom het bouwblok nodig zijn. Gezien de opgave van maximaal 460 woningen en de beperkingen vanuit de Hollandse Waterlinie is gekozen voor 6 bouwblokken met een binnenhof. Daarom is het verschuiven van de rooilijnen een lastige puzzel. Voor bouwblok E is het wel gelukt om de rooilijn aan de slootzijde iets terug te leggen (1m), daardoor worden daar ter plaatse bomen gespaard. Bomencluster bestaande uit 78, 84 en 218 wordt geveld i.v.m. de aanleg van het karrespoor langs de Oud Wulverbroekwetering. Deze wetering zal natuurlijk worden ingericht waarvoor extra ruimte nodig is.
In combinatie met de ontwikkeling van cultuurcluster D is er daarom maar beperkte ruimte voor het karrespoor omdat ook hier hulpdiensten toegang moeten krijgen. Ter compensatie worden er nieuwe bomen in de nieuwe ecologische ingerichte wetering geplant. Boom 206 en 207 (knotwilgen) worden verwijderd i.v.m. aanleg van de brug, die zorgt voor de noodzakelijke extra ontsluiting van het gebied. In het nieuwe ontwerp worden er 12 nieuwe knotwilgen terug geplant. De bomen 157, 177 t/m 179 worden geveld i.v.m. de aanleg van de éénrichtingsontsluitingsweg voor autoverkeer. Ook hier is beperkt ruimte beschikbaar door bouwblok A en B, de aan te leggen kabels en leidingen en de rijbaan. Door het rijprofiel ter hoogte van boom 157 aan te passen kunnen 3 knotwilgen worden behouden. Boom 214 en 215 zijn jonge schietwilgen die worden geveld i.v.m. de ontsluitingsweg. De weg ligt hier klem tussen de sloot langs het spoor en de bestaande bomen, op deze manier worden de meeste bomen gespaard. N.B. 6 bomen die in een slechte staat verkeren, staan op het terrein van de huurder van de boerderij, zijn nu nog privéterrein maar in toekomstig openbaar gebied. Geadviseerd wordt ook deze bomen te vellen vanuit veiligheidsperspectief. Dit betekent dat 21 bomen + 6 in slechte staat + 4 te kandelaberen, totaal 31 bomen dienen te worden gecompenseerd, 31 x 1,5 = 46 bomen.
Er worden 70 bomen BOPA Tussen de rails
41
gecompenseerd (waarvan 17 fruitbomen, die niet mee mogen tellen in het compensatieplan), dit betekent 53 nieuwe bomen waarmee de 46 wordt gehaald. Tot slot, naast aanplant van nieuwe bomen (compensatieverplichting) worden ook langs de watergangen leemten in het struikgewas/struweel opgevuld met nieuwe aanplant. Voor de uitvoering van het project worden er verschillende beschermings- en beheersmaatregelen genomen om de bomen te beschermen tegen schade en projectinvloeden. Zo worden van 14 bomen de kroonrand gesnoeid i.v.m. de nieuwbouw en omgevingsrisico's. Het gaat om tot 20% snoeien per boom. Voor 17 bomen wordt tot 15% per boom getopt. Voor 56 bomen worden specifieke beschermingsmaatregelen genomen en het bestek voor de uitvoering van het bouwrijp maken meegenomen. Wonen 4.4.4
Ruimtelijke strategie Utrecht
Het ruimtelijke beleid voor de langere termijn is vastgesteld in de Ruimtelijke Strategie 2040 'Utrecht dichtbij: de tien-minutenstad' (hierna: RSU 2040). De RSU 2040 is één van de koersdocumenten van de Omgevingsvisie Utrecht. Daarmee maakt de RSU 2040 deel uit van één van de instrumenten van de Omgevingswet, die op 1 januari 2023 in werking treedt. Dat betekent dat de ambities uit de RSU 2040 doorwerken in de regels die vanaf 1 januari 2023 in het omgevingsplan zullen worden vastgelegd. De RSU 2040 is op 15 juli 2021 vastgesteld en bevat uitgangspunten voor een gezonde groei en ontwikkeling van de stad tot 2040. In de strategie verbinden we belangrijke thema's met elkaar, zoals mobiliteit, economie, voorzieningen, wonen, energie, groen, sport en ontspanning en werk. Ook is beschreven hoe Utrecht zich kan ontwikkelen tot tien-minutenstad. Daarmee zorgt de gemeente ervoor dat de groei van het aantal inwoners en woningen in balans blijft met een toename van groen in de stad, met een groei van banen en voorzieningen, met een passende infrastructuur voor verkeer en vervoer en met de ambities op basis van de energietransitie. Om bij de groei de specifieke kwaliteiten van de stad te behouden, kiezen we ervoor een stad te zijn waarin alle belangrijke functies voor dagelijks gebruik dichtbij de woon- en werkomgeving te vinden zijn: Utrecht, de tien-minutenstad.
Daarbij zijn twee hoofdstructuren leidend voor het ordenen van de nieuwe plekken in de stad, namelijk de groenstructuur en de mobiliteitsstructuur. Groen, landschap en water in en rond de stad zijn een voorwaarde voor gezonde stedelijke ontwikkeling, voor groenbeleving en recreatie, maar ook voor bijvoorbeeld klimaatadaptatie en biodiversiteit. Daarmee wordt de bestaande stad ook versterkt. Er worden functies toegevoegd en de kwaliteit van de stad wordt verbeterd. We maken de keuze om de groei van de stad op een aantal plekken in de stad te concentreren, waar hoge bouwvolumes worden gerealiseerd. Daarmee verandert Utrecht van een stad met één centrum naar een stad met meerdere centra. Op deze nieuwe knooppunten komen veel verschillende stedelijke functies samen: een mix van wonen, werken, voorzieningen en groen. Hierdoor beperkt de gemeente ook de groei van het aantal vervoersbewegingen. De Merwedekanaalzone, het Jaarbeursterrein en Leidsche Rijn zijn gebieden waar komende jaren veel gebouwd wordt. Maar er wordt ook gebouwd op kleinere plekken, zoals bij de 2e Daalsedijk en het Kruisvaartterrein. Ook in de binnenstad, het stationsgebied, het Utrecht Science Park, Leidsche Rijn Centrum en Papendorp is ruimte voor extra woningen, winkels en bedrijven. En voor cultuur en maatschappelijke instellingen.
Projectgebied In de RSU en de woonvisie van Utrecht is de ambitie opgenomen dat (toekomstige) Utrechters prettig wonen in een woning die past bij hun inkomen, omgeving, huishoudensamenstelling en wensen. Het is daarbij belangrijk om op lange termijn ook een stad te blijven voor mensen met een lager- of middeninkomen. Dit door:
Het realiseren van gemengde en leefbare wijken; Werken aan doorstroming; Kleiner maken van sociaal-maatschappelijke verschillen tussen wijken; Een (t)huis voor iedereen: passend woningaanbod voor alle (toekomstige) bewoners; Aantrekkelijke woningen (balans prijs-kwaliteit).
Het toevoegen van woningen is één van de middelen om deze ambitie te bereiken. In de RSU wordt ingezet op het toevoegen van 60.000 woningen tot 2040. 42 BOPA Tussen de rails
Utrecht
4.4.5
Woonvisie
In de Woonvisie is opgenomen dat de gemeente streeft naar een woningvoorraad die in 2040 bestaat uit:
35 procent sociale huurwoningen. 1. Inclusief zelfstandige studentenhuisvesting 2. waarvan minstens 70 procent behoort tot de kernvoorraad 3. Vanaf lage aftoppingsgrens minimaal 50m² gbo (binnenstad/ stationsgebied 40m²) 25 procent woningen uit de middencategorie Middenhuur volgens het actieplan middenhuur 1. Middenhuur volgens het actieplan middenhuur 2. Betaalbare koop volgens actieplan betaalbare koop: max. betaalbaarheidsgrens (€390.000 in 2024, €405.000 in 2025) 3. Minimaal 50m² GBO 40% vrije sector (koop/dure huur)
Deze ontwikkelrichting is verder gespecificeerd voor de afzonderlijke wijken. Tussen de Rails valt tussen Zuid en Oost in. Sociale huur moet met name in Oost flink groeien en naar verhouding gelijk blijven in Zuid. Zowel in Oost als in Zuid is groei van middenhuur wenselijk. Betaalbare koopwoningen zijn met name een opgave voor Zuid, maar moet ook in Oost gelijk blijven. Om deze doelstellingen te bereiken is in het Coalitieakkoord vastgelegd dat de gemeente bij nieuwe ontwikkelingen de volgende verdeling hanteren:
40% sociale huurwoningen 35% woningen uit de middencategorie (middenhuur en goedkope en betaalbarekoop) 25% vrije sector.
Specifieke doelgroepen Tot slot is er beleid gericht op specifieke doelgroepen. Voor Tussen de Rails zijn met name de uitgangspunten voor huisvesting van kwetsbare doelgroepen relevant. Het uitgangspunt voor de huisvesting van kwetsbare groepen is dat bij nieuwe projecten 30% van de sociale huurwoningen beschikbaar komt voor kwetsbare doelgroepen zoals daklozen, kwetsbare jongeren, onvolwassenen en statushouders. Van belang bij het huisvesten van aandachtsgroepen is de betaalbaarheid van de woonruimte, aandacht op welke manier welke doelgroepen gemengd worden en in combinatie daarmee het organiseren van sociaal beheer.
Figuur 4.4.4: Uitsnede Woonvisie
Toetsing Het strikt toepassen van beleid voor permanente ontwikkelingen is niet mogelijk voor deze tijdelijke ontwikkeling. Zo is het bijvoorbeeld niet mogelijk om koopwoningen te realiseren voor 10 of 15 jaar. Binnen de beperkingen van de tijdelijkheid is vooral gekeken naar de behoefte en de uitvoerbaarheid. Met het toevoegen van maximaal 460 betaalbare woningen op relatief korte termijn levert Tussen de Rails een belangrijke bijdrage aan het urgente tekort aan beschikbare woonruimte in Utrecht. De variatie BOPA Tussen de rails
43
aan woninggroottes zorgt ervoor dat verschillende doelgroepen hier een plek kunnen vinden. Voor reguliere huisvesting is in het coalitieakkoord opgenomen dat sociale en middeldure woningen gemiddeld minimaal 65m² moeten zijn. Januari 2024 is echter een motie aangenomen om met deze eis soepeler om te gaan wanneer dit leidt tot meer betaalbare woningen voor o.a. kwetsbare doelgroepen. Dat gaat op voor deze ontwikkeling.
Randvoorwaarden Doelgroep
Circa 70 procent van de woningen wordt toegewezen aan mensen uit de reguliere doelgroep voor sociale huurwoningen. Daarbij zetten we vooral in op jongvolwassenen. Circa 30 procent van alle woningen wordt met voorrang toegewezen aan aandachtsgroepen, te weten: jongvolwassen statushouders en/of jongvolwassenen die vanuit een kwetsbare achtergrond klaar zijn voor zelfstandigheid met een lichte begeleidingsbehoefte. Wanneer er ook studentenhuisvesting wordt gerealiseerd, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de uitgangspunten uit het Actieplan Studentenhuisvesting.
Woningbouwprogramma In relatie tot de haalbaarheid, het beleid en de context van Lunetten is uiteindelijk het onderstaande programma tot stand gekomen en vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst tussen partijen en passend bij het gemeentelijk beleid.
Circa 45% van het woonprogramma bestaat uit studio's met een oppervlakte van circa 25 m2 gebruiksoppervlak (hierna te noemen: “go”). Hiervoor geldt een huurniveau tot maximaal de eerste aftoppingsgrens (€ 682,96 / mnd. (prijspeil 1 januari 2025)). Minimaal 30% van de studio's wordt verhuurd onder de kwaliteitskortingsgrens (€ 477,20 / mnd. (prijspeil 1 januari 2025)), waarmee ook jongeren tot 23 jaar in aanmerking kunnen komen voor de woningen. Circa 55% van alle woningen is een 2-kamer appartement met een oppervlakte van circa 50 m2 go. Hiervoor geldt een huurniveau tot maximaal de liberalisatiegrens sociale huurwoningen (€ 900,07 / mnd. (prijspeil 1 januari 2025)). Voor het verhuren van sociale huurwoningen zijn de regels uit de Huisvestingsverordening gemeente Utrecht, inclusief nader vastgestelde regels, van toepassing. Voor een deel van de 70% reguliere doelgroepen wordt gewerkt met buurtvoorrang (voor jongeren en eventueel ouderen). Bewoners krijgen voorrang wanneer ze uit de wijk Zuid willen doorverhuizen naar een van deze woningen. 30% van alle circa 450 tijdelijke woningen in het project Tussen de Rails toe te wijzen aan de volgende bijzondere en kwetsbare doelgroepen (aandachtgroepen): a. jongvolwassen statushouders, b. jongvolwassenen die vanuit een kwetsbare achtergrond klaar zijn voor zelfstandigheid met een lichte begeleidingsbehoefte, c.
en daarbij de juiste randvoorwaarden te creëren voor een leefbare plek (zoals communitybuilding en sociaal beheer).
4.4.6
Hoogbouwvisie 'Waar wel en waar niet hoog bouwen in Utrecht' (2005)
De doelstelling van de hoogbouwvisie is het leveren van een toetsingskader voor hoogbouwplannen, door ten eerste na te gaan wat de mogelijke bijdrage is die hoogbouw kan leveren aan de ontwikkeling van Utrecht, en ten tweede door het geven van een visie op de meest (on)wenselijke locaties voor hoogbouw. Voor de hoogbouwvisie is gewerkt met de volgende vaststaande uitgangspunten:
hoogbouw wordt altijd in verhouding gezien met de omgeving; behoud van het kleinschalige karakter van stadswijken; de zichtlijnen op de Dom moeten behouden blijven; hoogbouw als middel om de stad beter zichtbaar en herkenbaar te maken. Utrecht wordt één stad met twee centra: het huidige centrum met stationsgebied en het toekomstige Centrum Leidsche Rijn. De kloof tussen de twee stadsdelen wordt in de toekomst gedicht door de zogeheten Centrale Zone, die ruwweg parallel loopt aan de A2 en het Amsterdam-Rijnkanaal.
44 BOPA Tussen de rails
Utrecht
In het Wensbeeld 2030 is de stad opgedeeld in een drietal categorieën: a. b. c.
De Binnentuinen: deze categorie bevat een subcategorie “laag” met een basis van 9 meter en een subcategorie “hoog” met een basis van 15 meter, beiden met de mogelijkheid tot incidentele accenten tot (in principe) het dubbele van de omliggende bebouwingshoogte; De Centrale Zone: de basismaat bedraagt in dit gebied 15 of 30 meter. Er zijn accenten tot in het dubbele van de omliggende bebouwingshoogte mogelijk. In een beperkt zoekgebied, kunnen incidentele accenten van 60 tot 80 meter worden geplaatst; De Brandpunten: de maximale bouwhoogte bedraagt 90 meter, respectievelijk een niet gemaximaliseerde hoogte (Stationsgebied respectievelijk centrum Leidsche Rijn).
Toetsing Het gebied tussen de rails valt onder de categorie 'Binnentuinen'. Dit gebied heeft een hoogte tot 15 meter. De gebouwen in het projectgebied sluiten hier met 5 bouwlagen bij aan. Dit is in lijn met de hoogbouwvisie. Voor projecten met gebouwen hoger dan 30 meter is het verplicht om onderzoek naar wind en schaduw te doen. Bij dit project is dat niet van toepassing. 4.4.7
Visie Klimaatadaptatie en visie Water en Riolering
De gemeenteraad heeft in februari 2022 de 'Visie Water en Riolering' en de Visie Klimaatadaptatie vastgesteld. De visie 'Water en Riolering' bevat het gemeentelijke beleidskader voor de invulling van de wettelijke zorgplicht op het gebied van water en riolering en is onderdeel van de gemeentelijke omgevingsvisie voor het thema water en riolering. De visie vormt samen met het programma water en riolering het nu nog wettelijk verplichte Gemeentelijk Rioleringsplan en is daarmee de opvolger van het Plan Gemeentelijke Watertaken Utrecht 2016-2019. Deze wettelijk verplichting verdwijnt met de invoering van de Omgevingswet. De Visie Klimaatadaptatie geeft aan wat nodig is om Utrecht voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering. Utrecht zal in de toekomst steeds vaker te maken krijgen met de gevolgen van het veranderende klimaat en is gevoelig voor het vaker voorkomen van extreme regenbuien, wateroverlast en langere perioden van hitte en droogte. Het is dan ook van belang om hier bij nieuwe bouwontwikkelingen rekening mee te houden en de bebouwde omgeving zo goed mogelijk aan te passen aan het veranderende klimaat. De visie klimaatadaptatie sluit aan op de visie Water en Riolering, omdat de verwerking en het beheer van hemel-, riool-, oppervlakte- en grondwater een belangrijke bijdrage levert aan het geschikt maken van Utrecht tegen de veranderende omstandigheden.
Door de toenemende hoeveelheid verharding in steden wordt het steeds moeilijker om water makkelijk weg te krijgen. Daarom wordt geappelleerd aan een duurzame manier van bouwen waar klimaatadaptatie een onderdeel van is. Als Utrecht klimaatrobuust wil zijn zal de sponswerking van de stad vergroot moeten worden. We willen hemelwater niet langer afvoeren via het riool naar de rioolwaterzuivering, maar het regenwater zoveel mogelijk vasthouden op de plek waar het valt. Zowel op eigen terrein, in de openbare ruimte, in de bodem of in het oppervlaktewater. Hiervoor moet zo veel mogelijk oppervlak onverhard blijven en vergroend worden, zodat het riolerings- en afwateringssysteem wordt ontlast en zodat er water beschikbaar is in perioden van droogte. Een voorwaarde voor deze vergroening en voor het toevoegen van meer bomen, is dat de bovengrond en ondergrond op elkaar worden afgestemd en dat er ruimte wordt gemaakt voor het planten van groen en bomen. Het beleid voor klimaatadaptatie is ook vastgelegd in de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie, waarin voorstellen zijn opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor.
De Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft als doel dat de bebouwde omgeving in 2050 nog steeds aantrekkelijk is om te leven en dat ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig zijn opgebouwd en getoetst. Gemeente Utrecht heeft samen met andere overheden deze deltabeslissing onderschreven en werkt samen in de Coalitie Regio Utrecht aan de opgaven.
Wateroverlast Uitgangspunten in de Visie Water en Riolering zijn:
Vuil water en schoon regenwater worden zoveel mogelijk gescheiden en bestrating en dakvlakken worden zoveel mogelijk aangesloten op een regenwatersysteem.
BOPA Tussen de rails
45
Regenwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden op de plek waar het valt en wordt zichtbaar over het oppervlak afgevoerd i.p.v. ondergronds. Buien tot 20 mm per uur kunnen verwerkt worden zonder dat er water op straat blijft staan. Zelfs bij zeer extreme regenbuien van 80 mm in een uur mag geen schade ontstaan aan gebouwen en nutsvoorzieningen en worden veiligheidsrisico's voorkomen. Wegen, parkeerplaatsen, pleinen en groenvoorzieningen kunnen bijdragen aan tijdelijke waterberging bij extreme regenval. Aandachtspunten hierbij zijn de profilering van het terrein en hoogteliggingen. Er moet dus gezorgd worden voor voldoende hoogteverschil tussen vloer- en wegpeilen. Regenwater mag niet langer dan 3 uur op straat staan.
Voorkeursvolgorde Voor het verwerken van regenwater wordt in Utrecht een voorkeursvolgorde aangehouden. Allereerst wordt water zoveel mogelijk vastgehouden om her te gebruiken. Pas daarna stroomt regenwater oppervlakkig af naar bovengrondse bergingsvoorzieningen t.b.v. infiltratie. Als dat niet kan wordt water geborgen en geïnfiltreerd in ondergrondse voorzieningen. Pas als het regenwater ook niet afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater wordt het afgevoerd naar de rioolwaterzuivering.
Droogte Om droogteschade te voorkomen moet de sponswerking van de bodem vergroot worden. Hiervoor moet zoveel mogelijk regenwater vastgehouden en geïnfiltreerd worden. Uitgangspunten daarvoor zijn:
Minimaal 90% van het regenwater wordt in het gebied opgevangen en verwerkt zonder afwenteling op het oppervlaktewater. Hiervoor moet 15 mm regenwater per m2 verharding (incl. dakvlakken) vastgehouden kunnen worden in daarvoor bestemde infiltratievoorzieningen. Deze voorzieningen moeten in minimaal 10 en maximaal 48 uur leeg kunnen lopen. Om zoveel mogelijk water vast te kunnen houden is voor het ontwerp en inrichting van de openbare ruimte “groen, tenzij” het leidende principe. Verharding voegen we alleen toe als het nodig is om het gewenste gebruik en beheer te faciliteren. Daken en gevels zijn zo groen mogelijk ingericht volgens het principe “geen dak of gevel onbenut”. Daarbij worden bij voorkeur zonnepanelen gecombineerd met groen. Met name daken waarop zicht is vanuit woningen, worden groen uitgevoerd.
Hitte Hittestress wordt vooral bepaald door de gevoelstemperatuur. Dit is, naast luchttemperatuur, gebaseerd op factoren zoals luchtvochtigheid, de aanwezigheid van wind en de straling van de zon en omliggende gebouwen. In steden is het, door de aanwezigheid van verharding en gebouwen, extra warm. Hier kan het ongeveer 7 tot 10 graden warmer aanvoelen dan het landelijke gebied. Dit noemen we het 'hitte eiland effect': steden nemen overdag meer warmte op en stoten deze 's nachts langzaam af, waardoor het vooral 's nachts warm blijft in de stad. Voor Utrecht streven we naar een stad waarin het hitte-eiland effect beperkt is tot een verschil in gevoelstemperatuur van maximaal 5 graden Celsius ten opzichte van het buitengebied (referentie KNMI de Bilt). De Gemeente Utrecht heeft in de klimaatadaptatievisie de volgende uitgangspunten opgesteld om hittestress te verminderen:
Op de belangrijkste looproutes moet er op het heetst van de dag 40% schaduw aanwezig zijn en in overige loopgebieden is er op het heetst van de dag 30% schaduw. De minimale afstand tot een koelteplek is 200 meter; Er is minimaal 40 % groen per wijk.
Toetsing De toetsing vindt plaats in paragraaf 5.18.
46 BOPA Tussen de rails
Utrecht
Hoofdstuk 5 5.1
Beoordelingsregels
Inleiding
Voor het beoordelen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bopa gelden beoordelingsregels. De gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden hier beoordeeld. De beoordelingsregels zijn in onderstaande tabel opgenomen.
Juridische grondslag: Artikel 8.0a, tweede lid Bkl Artikel 8.0b, eerste lid onder a en b Bkl Artikel 8.0b, tweede lid onder a Bkl Artikel 8.0b, eerste lid onder c Bkl Artikel 8.0b, tweede lid onder a Bkl Artikel 8.0b, tweede lid, b Bkl Artikel 8.0b, tweede lid, c Bkl Artikel 8.0e Bkl
Beoordelen van: De evenwichtige toedeling van functies aan locaties Instructieregels van Rijk en provincie
Wordt behandeld in: Hoofdstuk 5 en 7
Instructies van Rijk en provincie
Hoofdstuk 5
Voorbeschermingsregels Projectbesluiten Gestelde maatwerkregels
Hoofdstuk 5 Hoofdstuk 5 Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 5
De instructieregels van het Rijk staan in hoofdstuk 5 van het Bkl. Deze gelden voor omgevingsplannen en zijn van overeenkomstige toepassing op de bopa.
Voor de ontwikkeling zijn de volgende instructieregels uit het Bkl van belang: Artikel artikel 5.129g Bkl Etfal Etfal Etfal artikel 8.17 Bkl artikel 5.51 artikel 5.54 artikel 5.78s Bkl artikel 5.91 Bkl artikel 5.6 Bkl artikel 5.7 Bkl artikel 5.11 Bkl artikel 5.12 Bkl artikel 5.14 Bkl artikel 4.67 provinciale omgevingsverordening artikel 4.68 provinciale omgevingsverordening artikel 5.130 Bkl paragraaf 7.1.2 provinciale omgevingsverordening artikel 5.89g Bkl artikel 5.89i Bkl artikel 5.89k Bkl artikel 5.37 Bkl artikel 5.11 provinciale omgevingsverordening
BOPA Tussen de rails
Onderwerp of hoofdstuk Ladder voor duurzame verstedelijking Mobiliteit en parkeren Ecologie Stikstof Luchtkwaliteit
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Geur Omgevingsveiligheid
Instructieregel externe veiligheid basisnet Veiligheid rond basisnet
Cultureel erfgoed Cultuurhistorische hoofdstructuur Bodem
Water Energie
47
5.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl bepaalt dat deze instructieregel ook geldt voor een BOPA. Bij een stedelijke ontwikkeling (die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening) die voldoende substantieel is, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling, en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Voor wonen is de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Bij andere stedelijke functies is de ondergrens 'in beginsel' 500 m2.
Toetsing Op de projectlocatie worden maximaal 460 sociale huurwoningen gerealiseerd voor de duur van 10 jaar. De locatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied (stedelijk groen). De herinrichting ten behoeve van natuurcompensatie ter plaatse van de Paardenweide betreft geen stedelijke ontwikkeling. De behoefte hieraan hoeft niet te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Desondanks volgt de behoefte aan deze ontwikkeling uit de ontwikkeling van de gronden Tussen de Rails.
Doelgroep De maximaal 460 tijdelijke woningen worden in het sociale segment verhuurd. Een beperkt deel kan als middenhuur worden toegewezen.
Circa 70 procent van de woningen wordt toegewezen aan mensen uit de reguliere doelgroep voor sociale huurwoningen. Daarbij wordt vooral ingezet op jongvolwassenen. Circa 30 procent van alle woningen wordt met voorrang toegewezen aan aandachtsgroepen, te weten: jongvolwassen statushouders en/of jongvolwassenen die vanuit een kwetsbare achtergrond klaar zijn voor zelfstandigheid met een lichte begeleidingsbehoefte. Een beperkt deel kan worden toegewezen aan de middenhuur categorie. Bij voorkeur jongvolwassenen. Wanneer er ook studentenhuisvesting wordt gerealiseerd, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de uitgangspunten uit het Actieplan Studentenhuisvesting.
De effecten op de leefomgeving worden opgeheven na beëindiging van het tijdelijke gebruik. De ontwikkeling is toch aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking, omdat sprake is van een groter ruimtebeslag en substantiële effecten op de leefomgeving ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden. Ook duurt de tijdelijkheid langer dan 10 jaar. Daarom is hierna de behoefte beschreven.
Beschrijving behoefte Woningbehoefte Het Rijk wil 900.000 nieuwe woningen tot en met 2030. Dat staat in het landelijke programma Woningbouw. Op 13 maart 2023 ondertekende de gemeente samen met andere gemeenten uit de regio, provincie, corporaties en met de minister voor Volkshuisvesting, de Woondeal 2022-2030 Regio U10. In deze woondeal staan afspraken over de bouw van 61.000 nieuwe woningen in de regio Utrecht tot en met 2030, waarvan ruim 33.500 woningen in de stad Utrecht. Het aantal mensen dat in Utrecht woont groeit al jaren hard. De gemeente verwacht dat dit ook de komende jaren zo blijft. Er zijn dus steeds meer woningen nodig. Vooral betaalbare woningen. Want door het grote woningtekort is een huis kopen of huren voor veel mensen te duur geworden. De gemeente wil daarom dat er tot en met 2040 zo’n 60.000 extra woningen bijkomen. Dat doet de gemeente door te zorgen dat er nieuwe woningen kunnen worden gebouwd. En de gemeente wil dat bestaande woningen, 48 BOPA Tussen de rails
Utrecht
gebouwen en plekken in de stad beter worden benut. Met dit project wordt daar mede invulling aan gegeven. Dit project is vooral geschikt voor jongvolwassenen, mede door de betaalbaarheid, de mogelijkheden voor sociale-culturele functies, werkruimtes en de gunstige ligging bij openbaar vervoer.
Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregels voor duurzame ontwikkeling, omdat er op een binnenstedelijke locatie invulling wordt gegeven aan de behoefte aan (tijdelijke) woningen voor jongvolwassenen en kwetsbare groepen. Er is een grote behoefte aan woningen voor mensen die in een dringende situatie zitten. Met oplossingen als flexwonen kan deze groep mensen sneller een dak boven hun hoofd aangeboden worden als opstap of tussenstap. In de tussentijd werkt de gemeente aan het mogelijk maken van permanente woningen. Omdat dit proces vaak langer duurt, wil de gemeente ook graag tijdelijke oplossingen bieden. Met het mogelijk maken van huisvesting is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat er invulling wordt gegeven aan een dringende behoefte op een binnenstedelijke locatie.
5.3
Civieltechnische werken
Ten behoeve van bouwinitiatief 'Tussen de Rails' zijn civieltechnische werken van belang, te weten:
Waterhuishoudingssysteem: in het gebied wordt ontgraven ten behoeve van de aanleg van een natuurvriendelijke oever van de Oudwulverbroekwetering. Daarnaast worden er sleuven ontgraven ten behoeve van vuilwaterriolering, drainage en wegen. In de openbare ruimte worden tevens wadi's aangelegd ten behoeve van de infiltratie van hemelwater in de bodem. Het waterhuishoudkundig systeem is separaat beschreven in het waterhuishoudkundig rapport dat de voorlopige instemming heeft van het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden. Over het toekomstig beheer van de wetering is gemeente Utrecht met hen in gesprek. Rioleringssysteem: 'Tussen de Rails' wordt voorzien van een vuilwaterriolering van pvc-buizen en betonnen inspectieputten, qua capaciteit afgestemd op het aantal woningen en bewoners. Het ingezamelde vuilwater stroomt naar een pompput die middels een persleiding de afvoer verzorgt naar het dichtstbijzijnde rioolsysteem in woonwijk Lunetten. De persleiding gaat mee in een horizontaal gestuurde boring onder het spoor van ProRail door. Het onderhoud van de riolering wordt belegd bij de afdeling BOR van de gemeente Utrecht. De riolering is zo ontworpen dat het voor de tijdelijkheid voldoet maar ook toekomstbestendig is, dus het systeem zou kunnen worden hergebruikt wanneer er geen definitieve invulling komt in de toekomst.
Los van het nieuwe riolering systeem dat wordt aangelegd, is er ook verbetering van het bestaande. Zo worden de sceptic tanks van de aanwezige boerderij verwijderd en het gebouw aangesloten op de riolering. Er is afgestemd met BOR-WRG dat er voldoende ruimte in de riolering van Lunetten is. Zoals aangegeven wordt het systeem hier ook op aangesloten. Buitenruimte: ten aanzien van de bereikbaarheid van de toekomstige woningen is een wegsysteem voorzien van deels verharde wegen (klinkers) met een doorlatende tussenstrook van halfopen verharding (ingezaaid met gras) en halfverharding voor paden. Bij de entrees van de bouwblokken en bij ondergrondse afvalcontainers zijn bestratingen voorzien evenals bij enkele parkeerplaatsen voor deelauto's. De toegang tot de nieuwe woonwijk alsmede de bereikbaarheid op het terrein is overlegd met de hulpdiensten (VRU). Voor de ondergrondse infrastructuur wordt verwezen naar paragraaf 5.4.
5.4
Kabels en leidingen
In het projectgebied bevinden zich geen planologisch relevante kabels en leidingen. De kabels en leidingen in het projectgebied zijn geïnventariseerd middels een KLIC-melding en op tekening gezet. Nagegaan is welke K&L moeten worden verlegd ten behoeve van de nieuwbouw 'Tussen de Rails'. In het coördinatieoverleg K&L met de nutsbedrijven zijn deze verleggingen reeds besproken en voorstellen tot aanpassing (VTA) worden voorbereid.
BOPA Tussen de rails
49
Met de nutsbedrijven heeft tevens afstemming plaatsgevonden over de kabel- en leidingtracés voor de noodzakelijke nutsleidingen (elektriciteitskabels, waterleiding/bluswaterleiding en communicatiekabels). Rondom de gebouwen is een kabel- en leidingenstrook voorzien voor nutsleidingen, aansluitingen voor elektriciteit, drinkwater en communicatiekabels. De middenspanningsruimtes zijn qua positie en type bepaald evenals kasten voor KPN en Ziggo. Ten behoeve van de aansluitingen op de bestaande netwerken in de omgeving (Lunetten) worden een drietal gestuurde boringen voorzien onder het spoor en de fiets/voetgangerstunnel Lunetten door. Hierover is afstemming met spoorbeheerder ProRail. Met de woningbouwcorporaties wordt de planning van de realisatie van kabels- en leidingwerkzaamheden afgestemd.
5.5
Mobiliteit en parkeren
Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Ow en het Bkl stellen geen regels op dit gebied. De omgevingsvisie van de provincie Utrecht gaat wel op deze aspecten in. Naast het provinciaal en het gemeentelijk beleid blijven de CROW-richtlijnen belangrijk bij de beoordeling van de aspecten verkeer en parkeren. In de provinciale omgevingsverordening staat in artikel 4.1 de instructieregel bereikbaarheid. "Een omgevingsplan waarin nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien, waarborgt dat knelpunten in de bereikbaarheid niet toenemen en bij voorkeur afnemen." De gemeente Utrecht heeft het parkeerbeleid vastgelegd in de nota parkeernormen fiets en auto. Voor de berekening van de parkeerbehoefte wordt echter uitgegaan van een specifieke parkeernorm op basis van de daadwerkelijke situatie ter plaatse. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is vervolgens aangesloten bij de gemeentelijke verkeerskencijfers uit de 'Beleidsregels autoverkeersbewegingen bij toepassen maatwerk'.
Toetsing Parkeren Het gebied is beperkt bereikbaar met de auto en tegelijkertijd goed ontsloten met fiets en openbaar vervoer (bus en trein). De ervaring leert dat een groot deel van de beoogde doelgroepen geen of beperkt een auto bezit. Daarom is voor de locatie gekozen voor een maatwerkoplossing. Tegelijkertijd met het vaststellen van het Stedenbouwkundig Programma van Eisen is besloten om Tussen de Rails aan te wijzen als maatwerklocatie als bedoeld in artikel 8 en 9 van de 'Beleidsregel parkeernormen auto 2021' en daarbij in aanvulling op het parkeerbeleid te bepalen dat op een dergelijke maatwerklocatie met hoofdzakelijk tijdelijke huisvesting en een belangrijke focus op bijzondere doelgroepen kan worden uitgegaan van: a. b. c.