Bijlages - Onderzoeken Bodem, Natuurtoets, Dieren, Stikstof
Tekst van het document
Gekraagde roodstaart nestelt in grote holen, nissen en nestkasten op slechts enkele meters boven de grond of in de grond. Grauwe vliegenvanger broedt in scheuren en holen in bomen, tussen klimop en in nestkasten. Binnen het plangebied zijn geschikte nestplaatsen voor gekraagde roodstaart en grauwe vliegenvanger aanwezig. Doordat geen bomenkap plaatsvindt blijven geschikte nestplaatsen voor deze soorten behouden Spreeuw broedt in holtes van bomen, nestkasten en in gaten en kieren van gebouwen. Doordat geen bomenkap plaatsvindt blijven geschikte nestplaatsen voor spreeuw behouden
Uit bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het nemen van maatregelen en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit niet noodzakelijk is voor de vogelsoorten, omdat geschikt broedhabitat ontbreekt of niet aangetast wordt doordat geen bomenkap plaatsvindt. 3.6.4.3 Vogels – in gebruik zijnde nesten De nesten van alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd wanneer ze als broedlocatie in gebruik zijn. Bij het veldbezoek zijn geschikte nestlocaties van broedvogels aangetroffen, zoals bomen en struweel. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het verstoren en/of doden van individuen en het vernietigen van eieren, rustplaatsen en nesten (overtreding artikel 11.37 lid 1 Bal). Vogels kunnen gedurende het gehele jaar gaan broeden. Het is daarom belangrijk om hier in de planning van werkzaamheden rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart tot en met augustus. Ons advies is om de werkzaamheden (zoveel mogelijk) uit te voeren buiten deze periode. Ook buiten deze periode zijn broedende vogels echter beschermd. Het is noodzakelijk om voorafgaand aan de werkzaamheden contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of een controle op nesten van broedvogels noodzakelijk is.
Indien een broedende vogel aanwezig is, kan het nodig zijn om de werkzaamheden uit te stellen totdat de jongen zijn uitgevlogen en niet meer afhankelijk zijn van het nest. Mogelijk kan een deel van de werkzaamheden wel uitgevoerd worden door het aanhouden van een door een ecoloog vastgestelde verstoringsvrije zone.
25/38
Kenmerk
3.6.5
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Amfibieën
Uit het literatuuronderzoek blijkt dat het plangebied binnen het verspreidingsgebied ligt van Alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Tijdens het onderzoek van Bureau Waardenburg (2021) zijn roepende rugstreeppadden gehoord in de graslanden op circa 500 meter afstand ten westen van het recreatiegebied. In het onderzoek is vastgesteld dat de gronddepots een beperkte functie kunnen hebben als overwinteringshabitat voor rugstreeppad. Alpenwatersalamander Alpenwatersalamander plant zich voort in allerlei typen langzaam stromende wateren met een afwezigheid van vis. De meeste individuen van alpenwatersalamander overwinteren op het land in bos en struweel. In de afgelopen 5 jaar zijn 3 waarnemingen bekend van Alpenwatersalamander in de woonwijk ten oosten van de A2 (bron: NDFF). Voortplantingsplaatsen voor Alpenwatersalamander worden uitgesloten binnen het plangebied, omdat de waterplas rijk is aan vis. Het plangebied kan wel deel uitmaken van het foerageergebied van de soort en de gronddepots vormen geschikt overwinteringsplaatsen voor Alpenwatersalamander. Doordat geen werkzaamheden plaatsvinden op de gronddepots blijven de geschikte overwinteringsplaatsen voor Alpenwatersalamander aanwezig. Negatieve effecten op Alpenwatersalamander door het voornemen zijn uitgesloten.
Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit voor Alpenwatersalamander is niet nodig. Heikikker Heide, hoogveen, laagveen en half natuurlijk grasland betreffen de voorkeurs landschapstypen van heikikker. Daarnaast wordt heikikker ook soms in bos of struweel aangetroffen. De soort komt nauwelijks voor in intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing. In de afgelopen 5 jaar zijn veel waarnemingen bekend van heikikker. De waarnemingen komen voornamelijk van sloten tussen agrarische percelen ten zuidwesten van de woonwijk ten zuiden van het recreatiegebied. Op de westelijke oever van de westelijke plas en een watergang ten zuiden van de oostelijke plas zijn ook 2 waarnemingen bekend van heikikker (bron: NDFF). Voortplantingsplaatsen voor heikikker worden uitgesloten binnen het plangebied, vanwege het ontbreken van een rijke oeverbegroeiing, door de sterk aflopende taluds en door de aanwezigheid van vis in de waterplassen. Het plangebied kan wel deel uitmaken van het foerageergebied van de soort en de gronddepots vormen geschikt overwinteringsplaatsen voor heikikker. Doordat geen werkzaamheden plaatsvinden op de gronddepots blijven de geschikte overwinteringsplaatsen voor heikikker aanwezig. Negatieve effecten op heikikker door het voornemen zijn uitgesloten.
Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit voor heikikker is niet nodig. Kamsalamander Kamsalamander komt voor in kleinschalig, bosrijk landschap met houtwallen en struweel. Zelden wordt de soort ook aangetroffen in akkerbouwgebieden. Een verscheidenheid aan typen visvrije wateren dienen als voortplantingsplaats.
26/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
In de afgelopen 5 jaar zijn geen waarnemingen bekend van kamsalamander binnen en rondom het plangebied. De dichtstbijzijnde waarneming ligt op circa 4 kilometer afstand ten zuiden van het plangebied in het Viaanse Bos (bron: NDFF). Voortplantingsplaatsen voor kamsalamander worden uitgesloten binnen het plangebied, vanwege de aanwezigheid van vis in de waterplassen. Doordat in de directe omgeving (binnen 700 meter) ook geen geschikte voortplantingswateren aangetroffen zijn, wordt het voorkomen van kamsalamander uitgesloten binnen het plangebied. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit voor kamsalamander is niet nodig. Poelkikker Het voortplantingsbiotoop van poelkikker betreffen onbeschaduwde wateren met schoon en voedselarm water en een rijke oeverbegroeiing. De soort geeft voorkeur aan bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden en komt voor in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden en uiterwaarden. In de afgelopen 5 jaar zijn geen waarnemingen bekend van poelkikker binnen en rondom het plangebied. De dichtstbijzijnde waarneming ligt op circa 7 kilometer afstand ten westen van het plangebied (bron: NDFF).
Voortplantingsplaatsen voor poelkikker worden uitgesloten binnen het plangebied, vanwege de afwezigheid van een rijke (oever)begroeiing, aanwezigheid van vis in de waterplassen en de grootte van de waterplassen. Doordat in de directe omgeving (binnen 200 meter) ook geen geschikte voortplantingswateren aangetroffen zijn, wordt het voorkomen van poelkikker uitgesloten binnen het plangebied. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor poelkikker is niet nodig. Rugstreeppad Rugstreeppad is een pionierssoort welke voorkomt gebieden met een natuurlijk hoge dynamiek of door mensen ingebrachte dynamiek. Onbeschaduwde, weinig tot niet begroeide terreinen met ondiepe waterplassen zonder vissen bieden geschikt voortplantingshabitat voor rugstreeppad. De soort overwinterde door zich in te graven in zand of gebruik te maken van bestaande holen in de grond. In de afgelopen 5 jaar zijn veel waarnemingen van rugstreeppad bekend. De meeste waarnemingen zijn gedaan op de agrarische percelen ten westen van het plangebied. Ook is 1 waarneming gedaan van een roepend exemplaar ten zuiden van de westelijke plas, binnen het plangebied (bron: NDFF). De oostelijke plas is niet geschikt als voortplantingshabitat voor rugstreeppad vanwege de aanwezigheid van vissen welke prederen op de eieren van rugstreeppad.
Ook lopen de taluds van de oever steil af, waardoor ondiepe zonbeschenen oeverzones onvoldoende aanwezig zijn. Op land ontbreken ook (tijdelijke) ondiepe plassen welke geschikt voortplantingshabitat kunnen vormen voor rugstreeppad. Het land deel van het plangebied kan wel onderdeel uitmaken van het foerageergebied van rugstreeppad. De gronddepots met goed vergraafbare grond zijn geschikt als overwinteringshabitat voor rugstreeppad. Doordat geen werkzaamheden op de gronddepots plaatsvinden blijven de potentieel geschikte overwinteringsplaatsen behouden.
27/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Geschikte voortplantings- en overwinteringshabitat kan voor rugstreeppad ontstaan wanneer door de uitvoering van de werkzaamheden waterplassen en puinhopen ontstaan. Indien rugstreeppad het plangebied bevolkt tijdens de werkzaamheden, kunnen de werkzaamheden mogelijk leiden tot het verstoren en/of doden van individuen en het vernietigen van eieren en verblijfplaatsen (overtreding artikel 11.46). Door te voorkomen dat tijdens de werkzaamheden ondiepe waterplassen ontstaan in de periode april – juli en puinhopen ontstaan in de periode juli – oktober worden negatieve effecten op rugstreeppad uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor rugstreeppad is dan niet nodig. 3.6.6 Reptielen Uit het literatuuronderzoek blijkt dat het plangebied binnen het verspreidingsgebied ligt van ringslang. Tijdens het onderzoek van Bureau Waardenburg (2021) zijn geen reptielen aangetroffen in het plangebied. Ringslang Ringslang komt voor in nattere gebieden, vaak op zandgronden en de overgang van zandgrond naar veen- en kleigronden. Ringslangen maken gebruik van veel verschillende landschapstypen zoals brede en smalle watergangen, poelen en vennen. Waterlichamen vormen geschikt foerageergebied voor ringslang. Als voortplantingsplaats wordt vaak gebruik gemaakt van composthopen, bladhopen en mestvaalten.
Voor de overwinteringsplaatsen worden naast de voortplantingsplaatsen ook steen- en takkenhopen of holtes in de grond gebruikt. In de afgelopen 5 jaar zijn 3 waarnemingen bekend van ringslang ten westen van de woonwijk IJsselveld. Binnen het plangebied ontbreken waarnemingen van ringslang (bron: NDFF). Binnen het plangebied ontbreken geschikte voortplantingsplaatsen vanwege het ontbreken van broeihopen. De konijnenholen in het gronddepot aan de oostkant van de oostelijke plas vormen wel geschikte overwinteringsplaatsen voor ringslang. De oostelijke plas is vanwege het ontbreken van een uitbundige waterplantengroei en de diepte van de plas in mindere mate geschikt als foerageergebied voor ringslang. Doordat geen werkzaamheden plaatsvinden aan het gronddepot en langs de oeverkant van de oostelijke plas blijven geschikte overwinteringsplaatsen en foerageergebied aanwezig voor ringslang. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor ringslang zijn niet nodig. 3.6.7 Vissen Uit het literatuuronderzoek blijkt dat het plangebied binnen het verspreidingsgebied ligt van grote modderkruiper. Tijdens het onderzoek van Bureau Waardenburg (2021) zijn geen beschermde vissoorten aangetroffen in het plangebied.
Grote modderkruiper Grote modderkruiper komt voor in ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei.
28/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
In de afgelopen 5 jaar zijn geen waarnemingen bekend van grote modderkruiper binnen en rondom het plangebied (bron: NDFF). Het ontbreekt in het plangebied aan ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei. Er zijn daarom geen geschikte voortplantings- en overwinteringsplaatsen voor grote modderkruiper aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van grote modderkruiper in het plangebied en negatieve effecten van het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor grote modderkruiper zijn niet nodig. 3.6.8 Vlinders Uit het literatuuronderzoek blijkt dat het plangebied binnen het verspreidingsgebied ligt van grote vos en teunisbloempijlstaart. Tijdens het onderzoek van Bureau Waardenburg (2021) zijn geen beschermde vlinders aangetroffen in het plangebied. Grote vos Grote vos komt voor in vochtige bossen, open bossen, bosranden en boomgaarden. Waardplanten zijn iep, zoete kers, populier en enkele wilgensoorten. In de afgelopen 5 jaar is 1 waarneming bekend van grote vos aan de zuidkant van de westelijke plas (bron: NDFF). In de bosschages in het recreatiegebied is zoete kers aangeplant en komt (schiet)wilg natuurlijk voor. Deze bomen zijn geschikt als waardplant en bieden geschikte voortplantingsplaatsen en foerageergebied voor grote vos.
Daarnaast kunnen aanwezige holtes in bomen geschikte overwinteringsplaatsen bieden voor grote vos. Doordat geen werkzaamheden aan bomen worden uitgevoerd blijft geschikt leefgebied voor grote vos aanwezig in en rondom het plangebied en worden negatieve effecten door het voornemen uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor grote vos is niet nodig. Teunisbloempijlstaart Teunisbloempijlstaart komt voor in open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. Waardplanten zijn wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. In de afgelopen 5 jaar is 1 waarneming bekend van teunisbloempijlstaart in de woonwijk ten oosten van de A2 (bron: NDFF). Tijdens het veldbezoek zijn geen waardplanten van teunisbloempijlstaart aangetroffen binnen het plangebied. Het oriënterend veldbezoek heeft plaatsgevonden in de winterperiode, buiten het groeiseizoen van de waardplanten. Hierdoor kunnen groeiplaatsen van deze waardplanten niet gezien zijn tijdens het veldbezoek. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het aantasten van voortplantingsplaatsen en overwinteringshabitat. Nader onderzoek dient uit te wijzen of teunisbloempijlstaart het plangebied als voortplantingshabitat gebruikt.
Als er voortplantingshabitat wordt aangetoond kan er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat er ook overwinteringshabitat aanwezig is. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek kan het nemen van maatregelen en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk zijn.
29/38
Kenmerk
3.6.9
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Libellen
Uit de literatuurstudie blijkt dat gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker en rivierrombout mogelijk in het plangebied voorkomen. Tijdens het onderzoek van Bureau Waardenburg (2021) zijn geen beschermde libellen aangetroffen in het plangebied. Gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, rivierrombout Gevlekte witsnuitlibel komt voor in laagveenmoerassen, vegetatierijke vennen en duinplassen. Groene glazenmaker komt voor in stilstaande wateren met dichte krabbenscheervelden in laagveengebieden en veenweidegebieden. Rivierrombout komt voor langs rivieren en grote beken. De larven van rivierrombout leven op plaatsen waar zand of slib is afgezet. In de afgelopen 5 jaar zijn geen waarnemingen bekend van gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker en rivierrombout. De dichtstbijzijnde waarnemingen liggen op tenminste 3 kilometer (rivierrombout), 6 kilometer (gevlekte witsnuitlibel), 7 kilometer (groene glazenmaker) afstand tot het plangebied (bron: NDFF). Tijdens de veldbezoeken zijn geen libellen aangetroffen. Het ontbreekt in het plangebied aan dergelijke habitats. Er is daarom geen leefgebied voor gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker en rivierrombout aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker en rivierrombout in het plangebied en negatieve effecten van het voornemen zijn uitgesloten.
Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker en rivierrombout zijn niet nodig. 3.6.10 Overige ongewervelden Uit de literatuurstudie blijkt dat platte schijfhoren mogelijk in het plangebied kan voorkomen. Tijdens het onderzoek van Bureau Waardenburg (2021) zijn geen beschermde ongewervelden aangetroffen in het plangebied. Platte schijfhoren komt voor in zoete, heldere wateren met een rijke begroeiing van (onder)waterplanten. In de afgelopen 5 jaar is 1 waarneming van platte schijfhoren bekend langs de Ringkade ten noordwesten van het plangebied (bron: NDFF). Tijdens de veldbezoeken zijn geen beschermde ongewervelden waargenomen. Het ontbreekt in het plangebied aan geschikt leefgebied, vanwege het ontbreken van een rijke begroeiing van (onder)waterplanten en de grootte en diepte van de waterplas. Het voorkomen van platte schijfhoren in het plangebied en negatieve effecten van het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor platte schijfhoren zijn niet nodig. 3.6.11 Utrechtse soortenlijst (beleidsmatige bescherming) Vogels Vogels die onder dit beleid vallen zijn blauwborst, kleine karekiet, merel, roerdomp en tjiftjaf.
Vanwege de verstoringsgevoeligheid van de soort is niet aannemelijk dat roerdomp in het plangebied tot broeden komt. Voor blauwborst, kleine karekiet, merel en tjiftjaf geldt dat vrijwel geen broedhabitat verloren gaat op een klein snippertje oever na. Daar waar gebouwd wordt, gaat mogelijk een klein stukje broedgebied verloren door het verwijderen van de vegetatie aldaar.
30/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Directe effecten zoals verstoringen tijdens het broedseizoen zijn ondervangen in de maatregelen zoals beschreven onder paragraaf 3.6.4.3. Omdat ruim voldoende broedgebied over blijft, is het niet noodzakelijk om maatregelen te nemen dit broedgebied te compenseren. Het is wél een kans om bij de aanleg van het zonne-eiland te overwegen om drijvend groen toe te passen. Riet dat daarop groeit kan in broedgebied voorzien voor blauwborst en kleine karekiet. Vissen De bittervoorn, kleine modderkruiper en rivierdonderpad staan op de Utrechtse soortenlijst. Rivierdonderpad is vooral gebonden aan (zwak) stromende wateren of zuurstofrijke delen van stilstaande wateren zoals oevers met windwerking of bij stuwtjes. De Nedereindse plassen vormen voor deze soort geen geschikt leefgebied en de soort is daarom uitgesloten. Voor kleine modderkruiper en bittervoorn geldt dat beide soorten in de plassen voor kunnen komen. Uit de NDFF blijkt de aanwezigheid van kleine modderkruiper in de plassen. Van bittervoorn is het voorkomen daarnaast bekend van eerder uitgevoerde veldbezoeken door TAUW ten behoeve van festivals. Voor beide soorten is het belangrijk dat tijdens de werkzaamheden rekening gehouden wordt met deze soorten. Dat kan door in de oeverzone te werken buiten de kwetsbare periode (voortplanting).
De omgang met beide soorten en eventuele bevorderende maatregelen moeten vastgelegd worden in een Ecologisch Werkprotocol (EWP). De vorm van deze maatregelen is immers mede afhankelijk van de gekozen variant voor de werkzaamheden. Omdat van beide soorten bekend is dat ze voorkomen in de plassen, is aanvullend onderzoek niet nodig. Wilde bijen De wilde bijen die op de Utrechtse soortenlijst staan, hebben allemaal een belangrijke relatie met specifieke plantensoorten. Deze specifieke plantensoorten komen rond de Nedereindse plassen veelvuldig voor. Door het voornemen om een of enkele gebouwtjes te plaatsen kunnen exemplaren van deze plantensoorten vernietigd worden. Echter, is het effect op deze bijensoorten daardoor zeer beperkt. Bijen overwinteren over het algemeen als pop of larve in stengels van verschillende plantensoorten. Om het doden van bijen te voorkomen kan ervoor gekozen worden om op het juiste moment te maaien en maaisel tijdelijk te laten liggen. Het leefgebied van deze soorten neemt door de voorgenomen ingreep verder dusdanig marginaal af dat compensatiemaatregelen niet nodig zijn. Op welk moment gemaaid kan worden is mede afhankelijk van de al dan niet aanwezige teunisbloempijlstaart. Deze soort is Europees beschermd en weegt derhalve zwaarder dan de beleidsmatig beschermde bijensoorten.
Onderzoek naar de teunisbloempijlstaart moet uitwijzen op welk moment gemaaid kan worden. Deze maatregel moet vastgelegd worden in een EWP zodra de werkzaamheden volledig duidelijk zijn. Planten Op de Utrechtse soortenlijst staan enkele plantensoorten die rond de Nedereindse plassen voorkomen. Dat geldt onder andere voor bijenorchis, rietorchis, grote kaardenbol en veldlathyrus. Het is niet uitgesloten dat ook andere plantensoorten voorkomen rond de plassen. Door op de juiste momenten te maaien en zaad uit het maaisel te laten vallen/kloppen, is het mogelijk om de plantensoorten te behouden rond de plassen. Door de voorgenomen bouw van enkele gebouwen is het niet uitgesloten dat groeiplaatsen van dergelijke plantensoorten verloren gaan.
31/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Vooral soorten die moeilijk uitzaaien en relaties aangaan met andere organismen zoals orchissen, is het mogelijk om zoveel mogelijk groeiplaatsen te ontzien. Door in de bloeiperiode de voorgenomen locaties voor gebouwen te controleren op de aanwezigheid van planten van de Utrechtse soortenlijst, is het mogelijk om maatregelen te formuleren waarmee zoveel mogelijk rekening gehouden kan worden met deze planten of groeiplaatsen. Omdat een onderzoek op alle zoeklocaties een flinke inspanning vergt, is het aan te raden om pas onderzoek te doen op het moment dat duidelijk is waar gebouwd gaat worden. Paddenstoelen Veel van de paddenstoelen op de lijst gaan relaties aan met bomen. Omdat bomenkap niet aan de orde is, zijn effecten op deze soorten dus uitgesloten. Grauwe wasplaat komt voor op graslanden. Van deze soorten zijn geen waarnemingen bekend uit de NDFF. De aanwezigheid van de soort is daarom niet te verwachten, maar kan niet met zekerheid uitgesloten worden. Onderzoek naar paddenstoelen vergt zeer specialistische kennis. Het is daarom aan te bevelen om met enkele algemene maatregelen te trachten de soort te behouden mocht deze voorkomen in het plangebied. Bij graafwerkzaamheden kan gekozen om de gebieds-eigen grond rond de Nedereindse plassen te hergebruiken. Hiermee zullen sporen en fragmenten van eventueel aanwezige schimmels in de bodem rond de plassen aanwezig blijven.
De grauwe wasplaat is verder niet gebonden aan levende organismen en leeft op dode plantenresten. Die zijn rond de plassen overal aanwezig waardoor het verspreiden van eventuele schimmels voldoende kan zijn om de soort te behouden. Deze maatregel moet verder vormgegeven worden in het EWP.
4 Utrechtse icoonsoorten Provincie Utrecht heeft icoonsoorten aangewezen waarvoor de provincie van bijzondere betekenis is. Het gaat dan om soorten waarvan een belangrijk deel van de Nederlandse populatie voorkomt binnen de provincie. Maatregelen die effectief zijn voor deze icoonsoorten hebben ook vaak een positief effect op de aandachtssoorten van de provincie (provincie Utrecht, 2018). Hieronder wordt per soortgroep toegelicht of het voorkomen van de icoonsoorten verwacht wordt binnen het plangebied. De soorten gierzwaluw, franjestaart, rugstreeppad, kamsalamander, grote modderkruiper, groene glazenmaker, gevlekte witsnuitlibel zijn hierin niet opgenomen, omdat deze in paragraaf 3.7 worden toegelicht. Zoogdieren (noordse woelmuis): In de afgelopen 5 jaar zijn geen waarnemingen bekend van noordse woelmuis binnen en rondom het plangebied (bron: NDFF). Geschikt leefgebied voor noordse woelmuis ontbreekt. De soort is gevoelig voor concurrentie met andere woelmuizen (zoals aardmuis), waardoor deze naar natte terreinen wordt verdreven zoals rietland, moeras, zeer extensief gebruikte weilanden, drassige hooilanden, vochtige duinvalleien en periodiek overstroomde terreinen. Omdat andere woelmuissoorten daadwerkelijk voorkomen in het gebied (Bureau Waardenburg, 2021), is de noordse woelmuis hier dus alleen in de echt natte gebieden aanwezig. Vanwege het ontbreken van dergelijke
natte terreinen zoals moerassen is het voorkomen van noordse woelmuis uitgesloten Vogels (woudaap, veldleeuwerik, purperreiger, nachtzwaluw, krooneend, grote karekiet, grutto, kievit): Waarnemingen van veldleeuwerik en kievit zijn bekend binnen en rondom het plangebied en het voorkomen van purperreiger en grutto is bekend rondom het plangebied.
32/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
In de afgelopen 5 jaar zijn geen waarnemingen bekend van woudaap, nachtzwaluw, krooneend, grote karekiet binnen en rondom het plangebied (bron: NDFF). Het plangebied kan onderdeel uitmaken van het foerageergebied van veldleeuwerik, kievit, purperreiger, krooneend, grote karekiet. Nesten van deze soorten zijn niet aangetroffen binnen het plangebied en worden niet verwacht vanwege het ontbreken van een rijke begroeiing van (onder)waterplanten en oeverplanten, brede rietkragen en geschikte holtes in de oevers. Doordat 75 % van de oostelijke waterplas onbedekt blijft met zonnepanelen, geen werkzaamheden aan de oevers plaatsvinden en de werkzaamheden op land op een kleine oppervlakte plaatsvinden blijft voldoende foerageergebied voor deze soorten behouden. Het voorkomen van woudaap, nachtzwaluw en grutto worden uitgesloten binnen het plangebied vanwege het ontbreken van heidegebieden, moerasgebieden, brede, dichte rietkragen, openheid en de mate van verstoring die plaatsvindt door de aanwezigheid van recreanten
Reptielen (zandhagedis): In de afgelopen 5 jaar zijn geen waarnemingen van zandhagedis bekend binnen en rondom het plangebied (bron: NDFF). Het voorkomen van zandhagedis wordt uitgesloten binnen het plangebied, vanwege het ontbreken van duin- en heidegebieden met onbegroeide, zandige plekken Vissen (kwabaal): In de afgelopen 5 jaar zijn geen waarnemingen van kwabaal bekend binnen en rondom het plangebied (bron: NDFF). Het voorkomen van kwabaal wordt uitgesloten binnen het plangebied, vanwege de geïsoleerde ligging van de waterplassen. Een stroomopwaartse migratie is in de geïsoleerde plassen niet mogelijk. Het is hierdoor niet mogelijk voor kwabaal om het plangebied te bereiken
Dagvlinders (sleedoornpage, kommavlinder): In de afgelopen 5 jaar zijn geen waarnemingen van sleedoornpage en kommavlinder bekend binnen en rondom het plangebied (bron: NDFF). Geschikt leefgebied voor kommavlinder ontbreekt binnen het plangebied, vanwege het ontbreken van duinen, heide en droge, schrale open graslanden. Groeiplaatsen van sleedoorn zijn bekend in de bosschage op de grondwal aan de oostkant van de oostelijke plas. Hierdoor kan het voorkomen van sleedoornpage niet uitgesloten worden binnen het plangebied. Doordat geen bomenkap plaatsvindt voor de werkzaamheden blijft deze bosschage met sleedoorn behouden en ondervindt sleedoornpage geen negatief effect door de werkzaamheden
Bijen (kruiskruidzandbij, grote veldhommel, donkere klaverzandbij, zwarte sachembij: In de afgelopen 5 jaar zijn geen waarnemingen van kruiskruidzandbij, grote veldhommel, donkere klaverzandbij en zwarte sachembij bekend binnen en rondom het plangebied (bron: NDFF). Geschikt leefgebied voor grote veldhommel, donkere klaverzandbij en zwarte sachembij wordt uitgesloten binnen het plangebied vanwege het ontbreken van heidegebieden, schrale graslanden en zandgroeves. Het voorkomen van geschikte
nestplaatsen van kruiskruidzandbij wordt uitgesloten binnen het plangebied vanwege het ontbreken van open, zanderige plaatsen. Kevers (gestreepte waterroofkever): In de afgelopen 5 jaar zijn geen waarnemingen bekend van gestreepte waterroofkever binnen en rondom het plangebied (bron: NDFF). Het voorkomen van gestreepte waterroofkever wordt uitgesloten binnen het plangebied vanwege de omvang (breedte en diepte) van de waterplassen. De soort komt doorgaans voor in waterlichamen met een breedte van 1,5 – 20 meter en een diepte van 0,50 – 1,50 meter
33/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Kokerjuffers (Hydroptila tineoides): Sinds 1950 is slechts 1 waarneming bekend van de soort, in de Grote Maarsseveense Plas op grote afstand tot het plangebied (provincie Utrecht, 2018). De soort komt voor in voedselarme waterlichamen die matig diep tot ondiep zijn. Vanwege de diepte van de waterplassen wordt het voorkomen van de soort niet verwacht
Krekels (veldkrekel): In de afgelopen 5 jaar zijn geen waarnemingen bekend van veldkrekel binnen en rondom het plangebied (bron: NDFF). Het voorkomen van veldkrekel wordt uitgesloten binnen het plangebied, vanwege het ontbreken van heischrale graslanden, heideterreinen en stuifzanden Mollusken (platte zwanenmossel): In de afgelopen 5 jaar zijn geen waarnemingen bekend van platte zwanenmossel binnen en rondom het plangebied (bron: NDFF). De soort komt voor in grotere rivieren en grote meren met veel golfslag. De soort is zeer gevoelig voor waterverontreiniging (R.H. de Bruyne et al, 2008). Het voorkomen van platte zwanenmossel wordt uitgesloten binnen het plangebied vanwege de beperkte grootte van de waterplassen waardoor naar verwachting niet voldoende golfslag aanwezig is in de plassen en de nog resterende water(bodem)verontreiniging van de plassen (provincie Utrecht, 2024 geraadpleegd).
Paddenstoelen (kleibosrussula): In de afgelopen 5 jaar zijn geen waarnemingen bekend van kleibosrussula binnen en rondom het plangebied (bron: NDFF). De soort komt voor in loofhoutsingels en langs bosranden en groeit op afgevallen bladeren, steenslag of puin op een humus arme kleibodem of leembodem. Het voorkomen van de soort is niet bekend in het plangebied. Doordat geen bomenkap plaatsvindt, blijven potentieel geschikte groeiplaatsen voor deze paddenstoel beschikbaar. Negatieve effecten op de soort zijn hierdoor uitgesloten
Vaatplanten (korensla, slank wollegras, vetblad, zomerklokje): In de afgelopen 10 jaar zijn geen waarnemingen bekend van korensla, slank wollegras en zomerblokje binnen en rondom het plangebied (bron: NDFF). Het voorkomen van korensla wordt uitgesloten binnen het plangebied vanwege het ontbreken van zonnige, open, droge plaatsen op zandgrond. Geschikte groeiplaatsen voor slank wollegras en vetblad ontbreken, vanwege het ontbreken van moerasgebieden, trilvenen, kraggen en vennen. De bodem is te voedselrijk voor deze
soorten. Ook het voorkomen van zomerklokje wordt niet verwacht binnen het plangebied, vanwege het ontbreken van een flauwe oeverzone van de oostelijke waterplas Mossen (cilindermos, trilveenveenmos): In de afgelopen 5 jaar zijn geen waarnemingen bekend van cilindermos en trilveenmos binnen en rondom het plangebied (bron: NDFF). Het voorkomen van cilindermos en trilveenveenmos wordt uitgesloten binnen het plangebied, vanwege het ontbreken kalkgraslanden, rivierduingraslanden, trilvenen en bronweides
Korstmossen (ruig leermos, doornig heidestaartje): In de afgelopen 5 jaar zijn geen waarnemingen bekend van ruig leermos en doornig heidestaartje binnen en rondom het plangebied (bron: NDFF). Het voorkomen van doornig heidestaartje wordt uitgesloten binnen het plangebied, vanwege het ontbreken van heidevegetaties. Groeiplaatsen van ruig leermos komen voor op essenhakhout. Doordat geen bomenkap plaatsvindt, blijven potentieel geschikte groeiplaatsen voor deze korstmos beschikbaar. Negatieve effecten op de soort zijn hierdoor uitgesloten
34/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
5 Conclusies en aanbevelingen 5.1
Aanleiding en doel
In opdracht van gemeente Utrecht heeft TAUW onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten van de aanleg van een zonne-eiland op de oostelijke plas van de Nedereindse plas op beschermde planten- en diersoorten. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze geen gevolgen heeft voor beschermde soorten óf wanneer de benodigde omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit kan worden verleend.
5.2
Relevante natuurwet- en regelgeving
Voor de toetsing van de effecten van het voornemen is de volgende wet- en regelgeving van toepassing: Omgevingswet/Besluit activiteiten leefomgeving:
Soortenbescherming Vogels: alle inheemse vogels zijn in hun natuurlijke verspreidingsgebied beschermd door. artikel 11.37 Bal. Ze zijn Europees beschermd via de Vogelrichtlijn (1979)
Dieren en planten: bepaalde inheemse soorten dieren en planten, die Europees beschermd zijn door de Habitatrichtlijn (1992) en/of de verdragen van Bern en Bonn (1979). Ze zijn wettelijk beschermd door artikel 11.46 Bal
Nationaal beschermde soorten: Het gaat hier om soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn of de verdragen van Bern en Bonn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd door artikel 11.54 Bal
5.3
Conclusies toetsing
5.3.1
Omgevingswet
Soortenbescherming De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk negatieve effecten op door de Omgevingswet beschermde soorten, namelijk vleermuizen. Voor vleermuizen en teunisbloempijlstaart is het noodzakelijk om een nader onderzoek uit te voeren. Afhankelijk van de nader soortgericht onderzoeken kan het nemen van maatregelen en/of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk zijn. Tabel 5.1 Samenvatting van de resultaten van de toetsing van effecten op beschermde soorten Soortgroep
Overtreding
Te nemen maatregelen
Omgevingswet Vleermuizen
Mogelijk
Nader soortgericht onderzoek uitvoeren naar essentiële vliegroutes conform het Vleermuisprotocol 2021. Het onderzoek betreft 2 of 3 veldbezoeken in de periode 1 juni – 15 augustus. Het onderzoek dient zowel vanaf de oeverkant als vanaf het water uitgevoerd te worden
Vleermuisvriendelijke verlichting toepassen indien het gebruik van verlichting noodzakelijk is
35/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Soortgroep
Overtreding
Te nemen maatregelen
Omgevingswet Vogels – jaarrond beschermde
Mogelijk
nesten
Voor boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek en sperwer is het noodzakelijk vooraf de uitvoering van de werkzaamheden in 2027 een broedvogelcontrole uit te voeren
Indien een broedende vogel aanwezig is, kan het nodig zijn om de werkzaamheden uit te stellen totdat de jongen zijn uitgevlogen en niet meer afhankelijk zijn van het nest. Mogelijk kan een deel van de werkzaamheden wel uitgevoerd worden door het aanhouden van een door een ecoloog vastgestelde verstoringsvrije zone
Amfibieën
Mogelijk
In de periode april-juli voorkomen dat (ondiepe)waterplassen ontstaan
In de periode juli-oktober voorkomen dat puinhopen ontstaan
Teunisbloempijlstaart
Mogelijk
Eenmalig veldbezoek uitvoeren naar het voorkomen van geschikte waardplanten voor teunisbloempijlstaart
Indien geschikte waardplanten worden aangetroffen, nader soortgericht onderzoek naar de soort uitvoeren. Het onderzoek betreft 3 veldbezoeken welke plaatsvinden in de periode 21 juni – 15 augustus met een tussenperiode van 21 dagen
Overige (soort)groepen
Nee
Niet van toepassing
Zorgplicht
Nee
Nee
Werkzaamheden op land in één richting uitvoeren
Werkzaamheden stapvoets (>5km/h) uitvoeren zodat fauna de kans krijgt om te vluchten
5.4
Consequenties planvorming en uitvoering
Pas na afronding van het soortgericht onderzoek naar (essentieel)foerageergebied van vleermuizen kunnen de benodigde maatregelen en/of de noodzaak van het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit worden bepaald. De afhandeling van een ontvankelijke aanvraag van een omgevingsvergunning door het bevoegde gezag wordt regulier binnen 8 weken beantwoord, met een extra uitlooptermijn van 6 weken onder speciale omstandigheden. De maatregelen kunnen leiden tot aanpassingen van de uitvoeringsplanningen werkwijze. Ook kan het mogelijk zijn dat compenserende maatregelen moeten worden genomen waarbij natuurfuncties ingepast moeten worden in het voornemen. Bij werkzaamheden in het broedseizoen bestaat de kans op vertraging vanwege de kans op verstoring van broedende vogels. Het broedseizoen loopt globaal van maart tot en met augustus, maar ook buiten die periode kunnen vogels tot broeden komen en zijn hun nesten beschermd.
36/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Mocht bij de uitvoering blijken dat bomenkap toch onvermijdelijk is, dan kan een herbeoordeling van de natuurtoets voor het onderdeel Soortenbescherming en Houtopstanden noodzakelijk zijn.
6 Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten beschermde soorten. Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff & de Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Broekhuizen S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters, J.C. Buys, 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Bureau Waardenburg, 2021. Natuurwaarden van de Nedereindse Plas in beeld; Inventarisatie, toetsing van plannen en kansen voor biodiversiteit. Projectnummer 21-0126 en rapportagenr. 21315. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dijkstra, K.B., Kalkman, V.J., Ketelaar, R., van der Wiede, M.J.T., 2002. De Nederlandse libellen (odonata). Nederlandse fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Herder J.E., A. van Diepenbeek & R.C.M. Creemers, 2013. Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2013. Rapport 2013-010. Stichting RAVON, Nijmegen. J.G.M. Cuppen, 2005.
De gestreepte waterroofkever; Graphoderus bilineatus in Zuid-Holland. Stichting EIS. Provincie Utrecht, 2018. Supplement biodiversiteit; behorend bij de natuurvisie Provincie Utrecht. Weblink: https://www.provincie-utrecht.nl/sites/default/files/2020-03/natuurvisie__supplement_biodiversiteit.pdf Provincie Utrecht, 2023. Zonne-eilanden Nedereindse Plas; Integraal Programma van Eisen. R.H. de Bruyne, A.W. Gmelig Meyling & A. Boesveld, 2008. Platte zwanenmossel Pseudanodonta complanata elongata (Hollandre, 1836). Stichting Annemoon. TAUW, 2024. Watervogelonderzoek en biodiversiteitsadvies. Rapportagenr. N001 1292933FLR V01.
37/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
van Dijk A.J. & Boele A. 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Vleermuisprotocol 2020. Geraadpleegde internetwebsites: www.floron.nl www.mycofiel.nl www.nederlandsesoorten.nl www.ravon.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.vlinderstichting.nl www.vogelbescherming.nl https://www.utrecht.nl/wonen-en-leven/parken-en-groen/parken-en-plantsoenen/nedereindse-park/ www.wildebijen.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
38/38
Notitie Contactpersoon Kwaliteitscontrole Datum
14 februari 2025
Kenmerk
N001-1292933FLR-V03-evm-NL
Watervogelonderzoek en biodiversiteitsadvies 1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel
Gemeente Utrecht is voornemens om een zonne-eiland aan te leggen op de oostelijke plas van het recreatiegebied Nedereindse plas. Het plangebied en de directe omgeving is door de omvang en inrichting (mogelijk) belangrijk voor watervogels. Zowel de westelijke als oostelijke plas in het gebied vormen waarschijnlijk belangrijke foerageer-, rust- en slaapplaatsen voor verschillende soorten ganzen, eenden, meeuwen en meerkoet. De waterplassen vormen daarnaast waarschijnlijk ook geschikt foerageergebied voor vleermuizen. De aanleg van het zonne-eiland is eerder getoetst aan de natuurwetgeving in een natuurtoets (TAUW, 2024a). Uit de natuurtoets bleek dat negatieve effecten op broedvogels uitgesloten konden worden. Effecten op foerageergebied van vleermuizen kon niet uitgesloten worden en daarvoor was aanvullend onderzoek nodig. Dat onderzoek is uitgevoerd in 2024 (TAUW, 2024b). Hoewel de verbodsbepalingen uit de omgevingswet ten aanzien van vogels niet overtreden worden, had gemeente Utrecht de wens om het gebruik van beide plassen door watervogels in kaart te brengen. Gemeente Utrecht heeft immers intrinsieke motivatie om bovenop de wettelijke bepalingen, zorgvuldig om te gaan met deze watervogels. Daarom is een onderzoek uitgevoerd om de watervogels op beide plassen in kaart te brengen.
Het onderzoek heeft als doel om te bepalen of met de aanleg van het zonne-eiland mogelijkheden voorhanden zijn om effecten te minimaliseren of het zonne-eiland zo in te richten dat zelfs positieve effecten ontstaan. Om hierover adviezen te geven was het belangrijk om de aanwezige watervogels in beeld te brengen op zowel kwantitatief niveau als het soortenspectrum. TAUW is gevraagd om, met de gegevens van het onderzoek, een ontwerpadvies te geven over hoe de ecologische waarden in het algemeen en specifiek voor watervogels in het gebied kunnen worden behouden en versterkt wanneer het zonne-eiland op de oostelijke plas wordt aangelegd. Hiervoor is op locatie, op 27 februari 2024, een gezamenlijk overleg geweest om gedachten en ideeën uit te wisselen. In deze notitie zijn de resultaten van het watervogelonderzoek en het biodiversiteitsadvies opgenomen.
Kenmerk
1.2
N001-1292933FLR-V03-evm-NL
Uitgevoerd en benodigd onderzoek
Vanwege het (mogelijke) belang van de waterplassen voor watervogels is een watervogelonderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek is vastgesteld welke delen van de waterplassen essentieel zijn als foerageergebied en/of rust- en slaapplaats voor watervogels. De resultaten worden daarbij sturend gebruikt om inrichtingsmaatregelen te bepalen die de essentiële delen van de oostelijke waterplas voor watervogels behouden. Vanwege het (mogelijk) belang van de waterplassen voor vleermuizen is in het voorjaar en de zomer van 2024 een vleermuisonderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek is vastgesteld welke delen van de waterplassen essentieel zijn als foerageergebied voor vleermuizen. Doordat het ontwerpadvies gewenst was voordat het vleermuisonderzoek heeft plaatsgevonden, is het ontwerpadvies in deze notitie gebaseerd op expert judgement. Op basis van het expert judgement zijn inrichtingsmaatregelen bepaald welke genomen kunnen worden om de essentiële delen van de oostelijke plas voor vleermuizen te behouden danwel versterken. In de rapportage van het vleermuisonderzoek (TAUW, 2024b) zijn de resultaten van het vleermuisonderzoek opgenomen en is bepaald of de inrichtingsmaatregelen in deze notitie voldoende zijn.
1.3
Leeswijzer
In deze notitie zijn de resultaten van het watervogelonderzoek beschreven en de ontwerpadviezen opgenomen ten aanzien van het behouden en versterken van de ecologische waarden in het algemeen en in het specifiek voor watervogels.
2 Methode 2.1
Watervogelonderzoek
Door een ervaren ecoloog zijn 5 veldbezoeken uitgevoerd. De ecoloog die ingezet heeft, heeft ruime ervaring met vogeltellingen en vogelonderzoek door jarenlang actief te zijn als ecoloog en daarbij jaarlijks vele broedvogelonderzoeken- en controles uit te voeren. De ingezette ecoloog is bekend met alle Nederlandse broedvogels en herkent deze op zicht en geluid. Ook met het tellen van grote groepen vogels is ruime ervaring. De veldbezoeken zijn maandelijks uitgevoerd in de maanden oktober tot en met februari. Deze maanden vallen samen met de maanden waarin volgens het meetnet watervogel- en slaapplaatstellingen (SOVON, 2023) de meeste te verwachtten soorten op hun piek zitten. Ook de piekperiode van verschillende eendensoorten valt binnen de maanden waarin de tellingen bij de Nedereindse plassen zijn geteld. Tijdens de veldbezoeken is in kaart gebracht welke vogelsoorten zich waar bevonden op de westelijke en oostelijke plas. Het moment op de dag waarop het veldbezoek heeft plaatsgevonden is afgewisseld om de trefkans te vergroten en een goed beeld te kunnen vormen in welke delen van de waterplassen de vogelsoorten verblijven en in welke aantallen. Daarbij is wel steeds rond zonsopkomst of zonsondergang geteld. De ecoloog liep tijdens de tellingen rond de plas en telde met verrekijker, telescoop en (indien nodig) warmtebeeldcamera de aantallen vogels.
De telescoop is daarbij alleen gebruikt op locaties waarvandaan ofwel de gehele oostelijke, ofwel de gehele westelijke plas overzichtelijk is geweest.
2/9
Kenmerk
N001-1292933FLR-V03-evm-NL
Zo kan met een vloeiende beweging de gehele plas in één keer geteld worden. De weersomstandigheden van de veldbezoeken zijn opgenomen in tabel 2.1. Tabel 2.1 Weersomstandigheden van veldbezoeken Datum veldbezoek
Dagdeel/tijdstip
Weersomstandigheden
25-10-2023
Middag, 14:00 – 16:00
Bewolkt, regenachtig, 7 °C, noordoostwind, 2 Bft
(zonsondergang 16:24) 09-11-2023
Middag, 14:00 – 16:15
Half/zwaar bewolkt, 10 °C, zuiderwind, 2 Bft
(zonsondergang 16:54) 15-12-2023
Middag/avond, 15:00 – 17:15
Half/zwaar bewolkt, droog, 8 °C, zuiderwind, 2 Bft
(zonsondergang 16:29) 22-01-2024
Ochtend, 8:00 – 10:20
Wegtrekkende regen, 10 °C, zuidwestwind, 4 Bft
(zonsopkomst 08:31) 21-02-2024
Middag/avond, 15.00 – 17.30
Droog, 10 °C, zuidwesterwind, 4 Bft
(zonsondergang (18:03)
2.2
Vleermuizen
Voor vleermuizen wordt in de periode juni tot en met augustus 2024 een vleermuisonderzoek uitgevoerd. Door 6 ervaren ecologen worden 2 of 3 veldbezoeken uitgevoerd vanaf de oever en met een kano/boot vanaf het water. Het benodigd aantal veldbezoeken (2 of 3) is afhankelijk van het resultaat van het 1e veldbezoek. Het onderzoek is gericht op het vaststellen/ uitsluiten of de waterplassen functioneren als essentieel foerageergebied voor vleermuizen.
3 Resultaten 3.1
Watervogelonderzoek
In tabel 3.1 is het totaal aantal watervogels per veldbezoek weergegeven. Tijdens de laatste 2 veldbezoeken, op 22 januari 2024 en 21 februari 2024, zijn aanzienlijk meer individuen waargenomen dan de andere veldbezoeken. Dit kan komen doordat tijdens deze veldbezoeken sprake was van een hogere windkracht en delen van de waterplassen bescherming (luwte) bieden tegen de wind en door het normale verloop van de aantallen van deze soorten in de winter. Aantallen vogels op slaapplaatsen laten gedurende een winterseizoen altijd een verloop zien. De piek ligt daarbij vaak rond de maanden januari en februari. Tijdens het veldbezoek zijn voornamelijk meeuwen- en eenden soorten aangetroffen op de waterplassen. In de tabel in bijlage 1 zijn de uitkomsten per veldbezoek en per locatie opgenomen van het watervogelonderzoek. In deze tabel is de oostelijke plas opgedeeld in 2 delen, namelijk de zuidoosthoek en het overig deel van de waterplas. De zuidoosthoek is als groen vlak weergegeven in figuur 3.1. Voor deze opdeling is gekozen, omdat er sprake was van aanzienlijke verschillen tussen aantallen watervogels in deze delen van de oostelijke plas. Voor de westelijke waterplas is een opdeling niet nodig gebleken. Op het overgrote deel van beide plassen zijn relatief weinig vogels geteld, met uitzondering van enkele groepen grauwe ganzen en meeuwen welke hier tijdelijk neerstreken.
3/9
Kenmerk
N001-1292933FLR-V03-evm-NL
De hoogste aantallen watervogels zijn waargenomen langs de rietkragen van de westelijke oever van de westelijke plas (figuur 3.1). De vogelsoorten aalscholver, kokmeeuw, fuut en meerkoet zijn tijdens alle veldbezoeken waargenomen. De hoogste aantallen eenden soorten zijn in de zuidoosthoek van de oostelijke waterplas waargenomen (figuur 3.1). De eenden soorten krakeend, kuifeend en smient zijn tijdens alle veldbezoeken waargenomen. Het maximumaantal smienten dat tegelijkertijd in de zuidoosthoek van de oostelijke waterplas is waargenomen zijn 1250 individuen, tijdens het ochtendbezoek op 22 januari 2024. De verschillende eenden soorten waren zowel foeragerend als slapend aanwezig. Mogelijk was het een aanzienlijk groter aantal smienten, doordat deze de afgelopen nacht slapend op de plas hebben doorgebracht en ’s ochtends nog aanwezig waren op de plas. Het grotere aantal in januari past echter ook op het seizoensverloop van de soort. De watervogels maken vermoedelijk gebruik van de kerngebieden zoals opgenomen in figuur 3.1, doordat hier minder sprake is van windluwte en verstoring door recreanten (wandelen en fietsen) en sprake is van een grote voedselbeschikbaarheid.
Tijdens de veldbezoeken vanaf de zuidoostelijke oever van de oostelijke plas is meerdere malen vastgesteld dat de watervogels bij het zien van de onderzoeker direct in noordelijke richting wegzwommen of zelfs in paniek opvlogen. Zodra deze ‘verstoringsbron’ was verdwenen keerden de watervogels weer terug naar deze hoek van de plas. Aannemelijk is dat de watervogels vergelijkbaar reageren op recreanten. Voornamelijk langs de zuidoostelijke oever van de oostelijke plas zijn bomen aanwezig die recreanten afschermen van watervogels, maar ook het struweel en de rietkragen langs de westelijke oever zorgen voor afscherming van de recreanten. Ook liggen de wandel- en fietspaden hier op grotere afstand tot de waterplassen. Door deze afscherming en afstand tot de wandel- en fietspaden is in mindere mate sprake van een verstoringsbron dan in het overig deel van de waterplassen. Daarnaast is langs de randen van de waterplassen het meeste voedsel beschikbaar voor de soorten. Om de ecologische waarden voor watervogels op de oostelijke waterplas te behouden wanneer het zonne-eiland wordt aangelegd, dienen de zonnepanelen buiten het kerngebied van de watervogels gerealiseerd te worden. In hoofdstuk 4 zijn inrichtingsmaatregelen opgenomen hoe het leefgebied van watervogels behouden en versterkt kan worden. Tabel 3.1 Totaal aantal watervogels per veldbezoek Aalscholver
25-10-2023 7
9-11-2023 11
Canadese gans
0
Fuut Grauwe gans
15-12-2023
22-01-2024
21-02-2024
5
5
5
0
0
22
0
27
30
15
13
10
2
0
0
105
3
Kleine mantelmeeuw
0
2
2
0
1
Knobbelzwaan
0
0
0
1
0
Kokmeeuw
0
20
85
130
250
Krakeend
0
13
5
70
16
Kuifeend
50
15
33
38
46
Meerkoet
21
84
135
110
120
4/9
Kenmerk
N001-1292933FLR-V03-evm-NL
Nijlgans
25-10-2023 0
9-11-2023 25
Pontische meeuw
0
Scholekster
0
Slobeend
15-12-2023
22-01-2024
21-02-2024
8
0
2
0
0
1
0
0
0
0
2
0
0
2
0
0
Smient
2
50
74
1502
130
Stormmeeuw
0
0
20
10
15
Tafeleend
0
2
3
4
0
Wilde eend
0
4
0
44
28
Wintertaling
0
0
0
26
0
Zilvermeeuw
0
0
0
1
0
Zwartkopmeeuw
0
0
1
0
1
109
256
388
2082
629
Totaal
Figuur 3.1 Kerngebieden watervogels (groene vlakken) binnen de westelijke plas (blauw omlijnd) en oostelijke plas (rood omlijnd)
3.2
Vleermuizen
Ten tijde van het opstellen van deze notitie moest het vleermuisonderzoek nog uitgevoerd worden. Daarom is op basis van expert judgement een inschatting gemaakt welke delen van de plassen essentieel kunnen zijn als foerageergebied voor vleermuizen. Hierbij is de aanname gedaan dat de zuidoostelijke hoek van de oostelijke plas essentieel foerageergebied vormt voor vleermuizen (vergelijkbaar met het kerngebied van watervogels, figuur 3.1).
5/9
Kenmerk
N001-1292933FLR-V03-evm-NL
Vermoedelijk foerageren vleermuizen voornamelijk boven dit deel van de oostelijke plas, omdat de omliggende groenstroken voor luwte zorgen en de woonwijk ten zuiden van het plangebied op korte afstand ligt tot de oostelijke plas. De verwachting is dat de vleermuizen verblijfplaatsen hebben in de bosschage aan de oostkant van de oostelijke plas en in de woningen in de zuidelijke woonwijk en naar de oostelijke plas vliegen om hier te foerageren. Om de ecologische waarden voor vleermuizen op de oostelijke waterplas te behouden wanneer het zonne-eiland wordt aangelegd, dienen de zonnepanelen buiten het mogelijke essentiële foerageergebied van vleermuizen gerealiseerd te worden. In hoofdstuk 4 zijn inrichtingsmaatregelen opgenomen hoe het essentieel foerageergebied van vleermuizen behouden en versterkt kan worden.
4 Biodiversiteitsadvies ontwerp Op 27 februari 2024 heeft een overleg plaatsgevonden met gemeente Utrecht en TAUW. Tijdens dit overleg zijn voorlopige resultaten gedeeld van het watervogelonderzoek en zijn verschillende inrichtingsmaatregelen besproken om de aanleg van het (de) zonne-eiland(en) natuurinclusief te maken. De inrichtingsmaatregelen zijn gespecificeerd in maatregelen om de algemene biodiversiteit te versterken in het gebied, specifieke maatregelen ten aanzien van watervogels en specifieke maatregelen ten aanzien van vleermuizen.
4.1
Algemene inrichtingsmaatregelen voor verbeteren biodiversiteit
Onderstaande maatregelen kennen geen wettelijke verplichtingen. Het zijn maatregelen waarvoor gekozen kan worden om de biodiversiteit rond de plassen te vergroten. Op de oevers van de oostelijke plas (en westelijke plas) meer struiken en bomen aanplanten. Door verschillende struik- en boomsoorten toe te passen kan een groter aanbod aan voedsel
gecreëerd worden en is de kans kleiner dat grote delen van de groenstroken wegvallen wanneer sprake is van een plantenziekte Drijvende groenstructuren kunnen aangebracht worden op het water rondom de zonnepanelen. Deze drijvende groenstructuren vormen geschikte rust- en slaapplaatsen voor watervogels. De boven- en onderwaterplanten vormen een geschikte voedselbron voor watervogels en vissen. Ook verbeteren de onderwaterplanten de zuurstofopname onderwater en vormen geschikte schuilplaatsen voor vissen Voor de drijvende groenstructuren is het van belang dat voldoende afstand aangehouden wordt (2-5 meter) tot de zonnepanelen zodat zonlicht alle zijden van de groenstructuren -
kan bereiken Door een tweedelige substraatbakconstructie toe te passen kunnen zowel boven het wateroppervlak als onder het wateroppervlak groeiplaatsen voor (onderwater)planten gecreëerd worden. Het substraatdeel onderwater dient op 2 meter diepte in het water te liggen, zodat (te veel) vraat door vogels op de onderwaterplanten voorkomen wordt en het zonlicht wel de onderwaterplanten nog kan bereiken. Voor de substraatbakconstructie is het van belang om ervoor te zorgen dat het substraat in de bakken aanwezig blijft en niet uit de bakken kan wegspoelen. In figuur 4.1 is een schematische tekening opgenomen hoe een tweedelige substaatbakconstructie vormgegeven kan worden
6/9
Kenmerk
-
Een drijvende substraatbak van 1 meter breedte boven het wateroppervlak en een substraatbak van 3-5 meter breedte onder het wateroppervlak vormt veel geschikt
-
leefgebied voor watervogels, vissen, ongewervelden. De exacte maatvoering dient afgestemd te worden met een ter zake kundige ecoloog Aan de onderkant van de substraatbak zouden wilgentenen/dood hout vastgemaakt
-
kunnen worden om (nog) meer schuilplaatsen/leefgebied voor vissen en ongewervelden te creëren In de substraatbakken dient een variatie aan plantensoorten ingeplant te worden om een
-
N001-1292933FLR-V03-evm-NL
zo groot mogelijke diversiteit te creëren Wanneer de onderzijde van de drijvende substraatbakken ruw wordt gemaakt, biedt dit geschikte aanhechtingsplaatsen voor zoetwatermossels. Ook de verankering van de
drijvende substraatbakken biedt geschikte aanhechtingsplaatsen voor zoetwatermossels Door een ruwe onderzijde toe te passen op de drijvers van de zonnepanelen kunnen aan de onderzijde geschikte aanhechtingsplaatsen gecreëerd worden voor zoetwatermossels In de diepe zone van de waterplas (20-25 meter diepte) is sprake van een lage biodiversiteit, doordat hier minder soorten voorkomen. De biodiversiteit kan in deze zone vergroot worden door meer structuurvariatie aan te brengen op de bodem. Door een levende boom (wilg) op de oeverkant om te duwen het water in kan een onderwaterbos gecreëerd worden. Hierdoor ontstaan veel schuilmogelijkheden voor vissen en ongewervelden en wordt het voedselaanbod vergroot. Bovenwater ontstaan meer geschikte rust- en slaapplaatsen voor
(water)vogels. Doordat het een levende boom betreft, kan de boom weer uitlopen boven het wateroppervlak en kan voor vleermuizen meer luwte ontstaan boven het wateroppervlak Het inkoopstation en omvormergebouw kan op verschillende wijzen natuurinclusief gemaakt worden. Enkele mogelijkheden zijn: Het aanbrengen van een vleermuiszolder- of kelder Spouwmuur geschikt maken voor vleermuizen -
Inbouwen van standaardnestvoorzieningen voor vogels of vleermuizen Groen dak aanbrengen wat geschikt broedhabitat vormt voor vogels zoals scholekster Langs de oevers, bijvoorbeeld op de locatie van het ankerpunt van het zonne-eiland of het inkoopstation en omvormergebouw onderdeel laten uitmaken van een grondwal met een oeverzwaluwwand
7/9
Kenmerk
N001-1292933FLR-V03-evm-NL
Figuur 4.1 Schematische tekening hoe een tweedelige substaatbakconstructie vormgegeven kan worden
4.2
Specifieke inrichtingsmaatregelen voor watervogels
De inrichtingsmaatregelen hieronder betreffen niet-wettelijk verplichte maatregelen. De adviezen zijn daarom niet wettelijk bindend en dienen om effecten op rustende en slapende watervogels zo klein mogelijk te houden. Om effecten op watervogels te beperken is het aan te bevelen om te streven het zonne-eiland op een zo klein mogelijk oppervlak van de plas te creëren. Daarbij kan als vuistregel gebruikt worden om maximaal 25% van de plas te bedekken met zonnepanelen (incl. groenstructuren in het water). Hierdoor kan voldoende leefgebied voor watervogels behouden worden. Hierbij is van belang dat voor de zuidoosthoek van de oostelijke plas 100 tot 150 meter afstand tot de oever wordt aangehouden, zodat het kerngebied voor smienten (en andere watervogels) behouden wordt
De kabel welke het zonne-eiland verbindt met het inkoopstation en omvormergebouw dient drijvend op het water of onderwater geplaatst te worden. Hierdoor wordt voorkomen dat watervogels tegen de kabel aan kunnen vliegen
Zonnepanelen kunnen in verschillende vormen op het water geplaatst worden. Een van de opties is het aanhouden van bepaalde vormen zodat meer luwte gecreëerd wordt tussen de zonnepanelen. Watervogels kunnen in de luwe delen beschutting zoeken tegen de wind
Voor watervogels moet rekening worden gehouden met zicht- en windluwte. Watervogels zijn namelijk gevoelig voor optische verstoring en bij aanwezigheid van wind verplaatsen de watervogels zich naar windluwe delen van het leefgebied. Door lage en brede groenstroken te
creëren op de oevers van de waterplassen kan meer windluwte gecreëerd worden en worden recreanten op de oever tegelijkertijd meer afgeschermd voor watervogels Winterrecreanten zijn naar verwachting het meest verstorend voor watervogels, omdat de kans in de winter groter is dat honden worden losgelaten tijdens het uitlaten in het gebied. Door een specifiek loslaatgebied voor honden te creëren worden baasjes van honden gestimuleerd om de honden alleen in deze delen van het plangebied los te laten. Door tussen het losloopgebied en de waterplas een dicht struweel aan te planten worden recreanten afgeschermd voor de watervogels en wordt voorkomen dat de recreanten en honden de oeverkant kunnen bereiken. Op andere locaties, vanaf het wandel- en fietspad kan dan alsnog uitgekeken worden op de waterplas
8/9
Kenmerk
4.3
N001-1292933FLR-V03-evm-NL
Specifieke inrichtingsmaatregelen voor vleermuizen
Onderstaande maatregelen zijn op basis van expert judgement bepaald. Bij het opstellen van deze notitie was het vleermuisonderzoek nog niet afgerond. De maatregelen kunnen daarom wel een wettelijke verplichting kennen zodra uit het onderzoek blijkt dat delen van de plas inderdaad als essentieel foerageergebied gebruikt worden.
Maximaal 25 % van de plas bedekken met zonnepanelen (incl. groenstructuren in het water). Hierdoor kan voldoende foerageergebied voor vleermuizen behouden worden. Hierbij is van belang dat voor de zuidoosthoek van de oostelijke plas ruim afstand tot de oever wordt aangehouden, zodat (essentieel) foerageergebied voor vleermuizen behouden blijft. Uit het vleermuisonderzoek zal bevestigd worden of dit deel van de oostelijke waterplas (essentieel) foerageergebied van vleermuizen betreft
De kabel welke het zonne-eiland verbindt met het inkoopstation en omvormergebouw dient drijvend op het water of onderwater geplaatst te worden. Hierdoor wordt voorkomen dat vleermuizen tegen de kabel aan kunnen vliegen
De twee bruggen waar de oostelijke plas en westelijke plas in verbinding staan met elkaar kunnen een verbindingsfunctie hebben voor vleermuizen, doordat de soorten hier gemakkelijk zich tussen de 2 waterplassen kunnen verplaatsen. Binnen een straal van 20 meter rondom
deze bruggen dienen geen obstakels geplaatst te worden Voor vleermuizen moet rekening worden gehouden met licht- en windluwte. Vleermuizen zijn namelijk gevoelig voor verstoring door licht en vleermuizen foerageren voornamelijk in windluwe delen, omdat de prooidieren (insecten) minder vaak vliegen wanneer sprake is van veel wind. Door groenstroken te creëren op de oevers van de waterplassen kan meer windluwte gecreëerd worden. De bosschage op de oostelijke oever van de oostelijke plas