Bijlages - Onderzoeken Bodem, Natuurtoets, Dieren, Stikstof
Tekst van het document
Gemeente Utrecht Ontwikkelorganisatie Ruimte Projectmanagement Ruimte Bodem & Ondergrond
Uitganspunten notitie Bodem Aan: Van: Datum: Kopie: Ons kenmerk: Classificatie: Gecontroleerd door: N.a.v.:
Gemeente Utrecht Projectteam Zonne eilanden NEP Bodem & Ondergrond 14 mei 2025 Click to enter "CopyTo" 250514 Notitie NEP Bodem Project gerelateerd Overleg Nedereindsepark 18-03-2025 - Zonne eilanden
BEKNOPTE ONTSTAANSGESCHIEDENIS NEDEREINDSE PARK Grootschalige zandwinning tot circa 30 meter onder het grondwaterniveau en het ontstaan van twee grote en diepe plassen (periode: eind jaren ’60, ’70 & ’80). In die jaren en ook daarna: gedeeltelijke demping van de plas met verontreinigd stortmateriaal (voornamelijk bouw- en sloopafval). Deze ondergronds stortplaats (demping) wordt aangeduid als Weber 0. Het gebied noordelijk van de huidige plassen en bovenop Weber 0 is grotendeels gebruikt als bovengrondse stortplaats; op maaiveld zijn twee stortheuvels aanwezig (Weber 1 & 2). Het gebied − Nedereindse Park, met de plas en de stortplaatsen (dempingen & heuvels) − is eigendom van de Gemeente Utrecht, m.u.v. het terrein van aannemer . AFWERKING STORTHEUVELS, HUIDIG TERREIN GEBRUIK EN ONTWIKKELING De stortheuvels zijn afgedekt met een grond/kleilaag. Ten behoeve van de ontwatering van de afdeklaag (talud) is deze voorzien van drains. De onderzijde van beide stortheuvels is afgedicht met folie (zie hierna). Op en onder deze folie is een laag zand aangebracht met daarin drainage.
Het terreingebruik rondom de plas en ook op en rondom de stortheuvels is recreatie (wandelen, joggen, mountainbiken, kunstskibaan, e.d.) In de komende decennia zal het gebied van het Nedereindse Park worden omsloten door een grootschalige woningbouwontwikkeling Rijnenburg (en wordt dan ook onderdeel van die ontwikkeling). De recreatieve bestemming en gebruik van het Park wordt versterkt/geüpgraded.
14 mei 2025
250514 Notitie NEP Bodem
1/2
Afwerking: opbouw onder- en bovenafdichting Weber 1. & Weber 2
UITGANGSPUNTEN ZONNE-EILAND VANUIT BODEM Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden bepaald of de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem geen risico vormt voor de nieuw beoogde activiteit. De noordoever en de oostoever van de oostelijke plas zijn een stortfront. De noord-, oost- en westoevers van beide plassen zijn steil. De oevers mogen in verband met de stabiliteit niet verstoord worden. Om die reden dient het zonne-eiland verankerd te worden op de bodem van de plas met behulp van zwaartekrachtankers, zonder graafwerkzaamheden of bodemverplaatsing. De transformator en het inkoopstation worden op de oever geplaatst. De aanleg van kabels en leidingen vindt plaats in goed overleg met betrokken stakeholders. De Nedereindse Plas is niet toegankelijk als zwemwater of vaarwater. Er mag wel gevist worden vanaf de wal. Het gebied rondom de Nedereindse Plas, inclusief de stortheuvels, is toegankelijk voor publiek. Er is dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van een verminderde bodemkwaliteit in dit gebied. Met plaatsing van de transformator en het inkoopstation wordt daarnaast geen gevoeliger gebruik gerealiseerd dan de bestaande bestemming. Waardoor de bodemkwaliteit ook als passend kan worden beschouwd voor de nieuwe activiteit.
Er zijn historische monitoringsgegevens aanwezig van de kwaliteit van het oppervlaktewater van de plas. Er gelden verplichtingen met betrekking tot nazorg op de plas en omgeving, denk aan stortheuvels, stortfronten en steile oevers.
14 mei 2025
250514 Notitie NEP Bodem
2/2
Natuurtoets zonne-eiland(en) Nedereindse Plas 14 februari 2025
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Verantwoording Titel
Natuurtoets zonne-eiland(en) Nedereindse Plas
Opdrachtgever
Gemeente Utrecht
Projectleider Auteur(s) Tweede lezer Uitvoering meet- en inspectiewerk Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Aantal pagina’s
38 (exclusief bijlagen)
Datum
14 februari 2025
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com
2/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Inhoud 1
Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1
Doel .................................................................................................................................... 5
1.2
Wettelijk kader .................................................................................................................... 5
1.3
Hoe is de natuur in Nederland beschermd? ....................................................................... 6
1.3.1
Natura 2000-gebieden ................................................................................................ 6
1.3.2
Provinciaal beschermde gebieden .............................................................................. 6
1.3.3
Houtopstanden ............................................................................................................ 7
1.3.4
Beschermde soorten ................................................................................................... 7
1.4 2
3
Kwaliteit .............................................................................................................................. 7
Huidige situatie, beoogde ontwikkeling en uitgangspunten....................................................... 8 2.1
Huidige situatie ................................................................................................................... 8
2.2
Beoogde ontwikkeling ...................................................................................................... 10
2.3
Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing .................................................................. 11
Soortenbescherming ............................................................................................................... 12 3.1
Beschermingsregime en bepalingen ................................................................................ 12
3.2
Vrijstellingen ..................................................................................................................... 13
3.3
Zorgplicht ......................................................................................................................... 14
3.4
Werkwijze ......................................................................................................................... 14
3.5
Te toetsen soorten ........................................................................................................... 15
3.6
Toetsing beschermde soorten .......................................................................................... 15
3.6.1
Flora .......................................................................................................................... 15
3.6.2
Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 16
3.6.3
Vleermuizen .............................................................................................................. 20
3.6.4
Vogels ....................................................................................................................... 23
3.6.5
Amfibieën .................................................................................................................. 26
3.6.6
Reptielen ................................................................................................................... 28
3.6.7
Vissen ....................................................................................................................... 28
3.6.8
Vlinders ..................................................................................................................... 29
3.6.9
Libellen ...................................................................................................................... 30
3.6.10
Overige ongewervelden......................................................................................... 30
3/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
3.6.11
Utrechtse soortenlijst (beleidsmatige bescherming) .............................................. 30
4
Utrechtse icoonsoorten............................................................................................................ 32
5
Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 35 5.1
Aanleiding en doel ............................................................................................................ 35
5.2
Relevante natuurwet- en regelgeving .............................................................................. 35
5.3
Conclusies toetsing .......................................................................................................... 35
5.3.1 5.4 6
Omgevingswet .......................................................................................................... 35
Consequenties planvorming en uitvoering ....................................................................... 36
Literatuur ................................................................................................................................. 37
4/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de wijze van kwaliteitsborging en de bij de toetsing gehanteerde uitgangspunten.
1.1
Doel
In opdracht van gemeente Utrecht heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de geldende natuurwet- en regelgeving voor de aanleg en het beheer van een of meerdere zonneeiland(en) op de oostelijke plas van de Nedereindse plas. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde omgevingsvergunningen worden verleend. In 2021 zijn de aanwezige natuurwaarden van het recreatiegebied Nedereindse Plas in kaart gebracht (Bureau Waardenburg, 2021). De verjaringstermijn van deze rapportage is verlopen op het moment dat de omgevingsvergunning voor de aanleg van het zonne-eiland wordt aangevraagd. Ook is die rapportage niet toegespitst op de werkzaamheden. Daarom is door TAUW een natuurtoets uitgevoerd, gericht op de aanleg van het zonne-eiland op de oostelijke plas. Een natuurtoets blijft 3 jaar geldig vanaf het moment dat het veldbezoek heeft plaatsgevonden. In deze rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen:
Hoe is de natuur in Nederland beschermd? In hoeverre kan de beoogde ontwikkeling gevolgen hebben voor beschermde natuur? Zijn maatregelen en/of een omgevingsvergunning nodig?
Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?
1.2
Wettelijk kader
De Omgevingswet beschermt bijzondere natuurgebieden (met name Natura 2000-gebieden), planten- en diersoorten en houtopstanden. De bescherming is geregeld in de Omgevingswet zelf (Ow) en/of in één van de vier uitvoeringsbesluiten. Die uitvoeringsbesluiten zijn:
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)
Omgevingsbesluit (Ob)
In deze natuurtoets wordt waar relevant verwezen naar de artikelnummers in de wet of de uitvoeringsbesluiten. Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat plannen of projecten geen schade mogen toebrengen aan natuurgebieden, beschermde planten en dieren of houtopstanden tenzij daarvoor onder voorwaarden toestemming is verleend in de vorm van een omgevingsvergunning.
5/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Utrecht is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een omgevingsvergunning of kan hiervoor een bindend advies geven. Een omgevingsvergunning kan alleen afgegeven worden wanneer aangetoond is dat: De ontwikkeling een geldig wettelijk belang dient
Er geen alternatieve werkwijzen, planningen of locaties voorhanden zijn die gunstiger uitpakken voor de betreffende beschermde soort(en) Er voldaan is aan de principes van mitigatie en compensatie Er aangetoond kan worden dat geen effect ontstaat op de staat van instandhouding van betreffende soort(en)
Provinciale Staten (PS) van de provincie Utrecht kunnen in de omgevingsverordening bepalen dat voor bepaalde beschermde soorten een vrijstelling van verbodsbepalingen geldt. Naast de Omgevingswet gelden door de provincie in de omgevingsverordening vastgelegde (aanvullende) beschermingsregels voor natuurgebieden die deel uitmaken van provinciaal beschermde gebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
1.3
Hoe is de natuur in Nederland beschermd?
1.3.1 Natura 2000-gebieden In Nederland zijn ruim 160 gebieden aangewezen als Natura 2000-gebied, gebieden met in Europees opzicht belangrijke natuurwaarden. De hierbij relevante Europese richtlijnen zijn de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). De verplichting om gebieden aan te wijzen is vastgelegd in artikel 2.31a lid 1 Ow. De aanwijzing van Natura 2000-gebieden is een bevoegdheid van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV; artikel 2.44 Ow). De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek is circa 6,5 kilometer. Verstoringsfactoren zoals geluid, licht en optische verstoring tijdens de aanlegfase en gebruiksfase zorgen vanwege de afstand en kleinschalige aard van de werkzaamheden met zekerheid niet tot negatieve effecten in Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten door stikstofdepositie als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase op voor stikstof gevoelige habitattypen (op circa 6,5 kilometer afstand) kunnen niet met zekerheid worden uitgesloten. Hiervoor is een toetsing met AERIUS noodzakelijk. Een AERIUS-toetsing maakt geen onderdeel uit van deze rapportage. 1.3.2 Provinciaal beschermde gebieden Veel natuurgebieden in Nederland zijn beschermd als het NNN, een netwerk van bestaande en nieuw in te richten natuurgebieden door heel Nederland. De meeste Natura 2000-gebieden maken ook deel uit van het NNN.
De begrenzing van het NNN is, behalve in Rijkswateren, een bevoegdheid van GS van de provincies, vast te leggen in de omgevingsverordening (artikel 2.44 lid 4 Ow). Ook worden daarin regels gesteld met als doel ‘de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland’ (artikel 7.8 Bkl). Het plangebied maakt geen deel uit van het NNN. Een onderzoek naar de mogelijke effecten van dit project op het NNN is niet verplicht omdat in de provincie Utrecht de mogelijke gevolgen van ontwikkelingen die buiten het NNN plaatsvinden niet onderzocht moeten worden (externe werking).
6/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
In de provincie Utrecht zijn naast het NNN ook gebieden aangeduid en beschermd als Groene Contour en Weidevogelkernleefgebieden. Het plangebied maakt geen deel uit van deze gebieden. Een toetsing van effecten op deze gebieden is daarom niet aan de orde. 1.3.3 Houtopstanden Bomenrijen langer dan 20 bomen en houtopstanden groter dan 10 are (0,1 hectare) zijn beschermd, met enkele uitzonderingen (artikel 11.111 Bal). De bescherming heeft als doel het totale bosoppervlak in Nederland ten minste te behouden. Eventuele effecten op beschermde houtopstanden zijn hier niet aan de orde, omdat geen bomen worden gekapt. Mocht bij de uitvoering blijken dat bomenkap toch onvermijdelijk is, dan kan een herbeoordeling noodzakelijk zijn. 1.3.4
Beschermde soorten
Diverse planten- en diersoorten zijn beschermd, wat betekent dat negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Onderscheid wordt gemaakt in Europeesrechtelijk beschermde soorten en soorten die in nationaal opzicht (artikel 11.54 Bal incl. bijlage IX met een lijst van soorten) beschermd worden. Bij Europeesrechtelijk beschermde soorten wordt onderscheid gemaakt in vogels (artikel 11.37 Bal) en andere soorten (artikel 11.46 Bal). Vanwege het mogelijk voorkomen van (beschermde) flora en fauna in en nabij het plangebied is onderzoek naar de mogelijke gevolgen voor beschermde soorten noodzakelijk. Naast de wettelijk beschermde soorten is ook getoetst aan het provinciaal soortenbeleid van provincie Utrecht. De provincie heeft 41 soorten aangewezen als icoonsoorten. Voor deze icoonsoorten heeft de provincie een bijzondere betekenis. Geanalyseerd is of de aanleg van het zonne-eiland tot negatieve effecten leiden op deze soorten en of maatregelen genomen worden om deze negatieve effecten te mitigeren. De maatregelen hebben vaak ook een positief effect op andere aandachtssoorten van de provincie. Beschermde soorten Utrecht Gemeente Utrecht heeft beleid vastgesteld waarmee verschillende dier- en plantensoorten beleidsmatig worden beschermd aanvullend op de Omgevingswet.
De soorten onder de Utrechtse soortenlijst behoren tot de soortgroepen vogels, vissen, wilde bijen, vaatplanten en schimmels. Het beleid van de gemeente strekt ertoe dat de soorten die daarin zijn opgenomen, meegenomen worden in onderzoeken. Daarbij moet beoordeeld worden of sprake kan zijn van negatieve gevolgen. Als die gevolgen ontstaan is het noodzakelijk om die gevolgen te mitigeren en/of compenseren. In deze natuurtoets wordt voor de Utrechtse soortenlijst beoordeeld of deze soorten aanwezig kunnen zijn in het plangebied en of negatieve effecten te verwachten zijn op deze soorten.
1.4
Kwaliteit
Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van deze natuurtoets zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede daarom is TAUW aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die (ook) ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.
7/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Ondanks de inzet van deskundigen kan geen volledige zekerheid worden gegeven over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Dat komt doordat sommige beschermde soorten een hele lage trefkans hebben, soms in heel kleine aantallen voorkomen en in sommige jaren zelfs helemaal afwezig kunnen zijn.
2 Huidige situatie, beoogde ontwikkeling en uitgangspunten Dit hoofdstuk beschrijft de huidige situatie, het voorgenomen plan en de uit te voeren werkzaamheden.
2.1
Huidige situatie
Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Het gaat om het recreatiegebied Nedereindse plas, in de provincie Utrecht. Recreanten kunnen ontspannen, wandelen, fietsen, sporten, vogels kijken en vissen vanaf de oevers in het gebied. Figuur 2.2 geeft een sfeerimpressie van het gebied. In het recreatiegebied liggen twee waterplassen. Voor deze waterplassen geldt een zwemverbod. Tussen de waterplassen is een smalle landstrook aanwezig met een fiets- en wandelpad en een begroeiing van (jonge) wilgenbomen en (lokaal) intensief beheerd grasland. Op 2 plaatsen waar de waterplassen in verbinding staan met elkaar zijn betrekkelijk hoge bruggen aanwezig. Het plangebied bestaat uit de oostelijke plas en verschillende zones op het land. Op land gaat het om een strook aan noordoostkant van de westelijke plas en een strook aan de zuidkant van de oostelijke en westelijke plas. De oostelijke plas betreft een diepe voormalige zandwindplas welke in het verleden gedeeltelijk is gedempt met bouw- en sloopafval, chemisch afval en andersoortige afvalstoffen. Deze plas is maximaal 20-25 meter diep. Rondom de plas is een wandel- en fietspad aanwezig. Langs de randen van de plas groeien smalle rietkragen. Het talud van de oevers loopt onder water steil af. Op de oostelijke oever is een smalle bosschage aanwezig.
Op de noordelijke-, westelijke- en zuidelijke oever is afwisselend begroeiing van bomen aanwezig, waaronder wilgensoorten en zwarte els en (lokaal) intensief beheerd grasland. Aan de zuid- en oostkant van het plangebied liggen oude gronddepots met houtstapels welke dicht begroeid zijn met braamstruweel. Het gronddepot aan de oostkant van de oostelijke plas is grotendeels omheind met bouwhekken. Ten noorden van de oostelijke plas ligt een kunstmatige skipiste met een horecagebouw en een mountainbikeroute. Ten noorden van deze skipiste ligt een verharde parkeerplaats. Ten noorden en zuiden van de westelijke plas zijn ook parkeerplaatsen aanwezig. Alle 3 de parkeerplaatsen maken onderdeel uit van het plangebied. Grenzend aan de oostkant van het recreatiegebied ligt de Rijksweg A2 met daarachter Nieuwegein. Ten zuiden van het recreatiegebied ligt de woonwijk IJsselveld in IJsselstein. Ten noorden en westen van het recreatiegebied liggen agrarische percelen.
8/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Figuur 2.1 Ligging van het plangebied op land (blauw omlijnd) en op het water (rood omlijnd) (globaal begrensd)
9/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Figuur 2.2 Impressie van het noordelijk deel van het plangebied (boven), oostelijk deel van het plangebied en zuidelijk deel van het plangebied
2.2
Beoogde ontwikkeling
De werkzaamheden omvatten de aanleg en beheer van een zonne-eiland op de oostelijke plas en de aanleg van een inkoopstation en omvormergebouw op land. Voor de vastlegging van het zonne-eiland zijn mogelijk op land of in de oevers ook enkele ankerpunten nodig. In het Integraal Programma van Eisen is opgenomen dat in totaal 25-50 % van de waterplas bedekt wordt met zonnepanelen. Een gedetailleerd ontwerp van het zonne-eiland is nog niet bekend. Het voorlopig voornemen is om het zonne-eiland in het noordelijk deel van de oostelijke plas te plaatsen, waarbij tenminste 50 meter afstand tot de oevers wordt aangehouden.
10/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Het zonne-eiland bestaat uit zonnepanelen welke geplaatst worden op een drijvend onderlichaam van plastic of beton. Het drijvend onderlichaam wordt verankerd middels een ketting of kabel aan een ballast op de bodem of in de oever. Enkele uitgangspunten voor het ontwerp zijn opgenomen in paragraaf 2.3. Een dergelijk drijvend zonne-energiesysteem heeft een technische levensduur van 25 à 30 jaar, waarbij de omvormers na 12 tot 15 jaar vervangen moeten worden. Op de noordelijke of zuidelijke oever van de oostelijke of westelijke plas worden 1 of 2 kleine gebouwen gerealiseerd voor een inkoopstation en omvormergebouw. In figuur 2.3 zijn 4 potentiële locaties opgenomen voor de gebouwen (groene stippen). Het is niet zeker of de gebouwen op 1 van deze 4 locaties wordt geplaatst, daarom is een ruimer zoekgebied aangehouden (blauwe lijn, figuur 2.3). Het inkoopstation en omvormergebouw staat met 1 elektriciteitskabel in verbinding met de zonnepanelen en worden aangesloten op het openbare stroomnet. De gebouwen worden in de buurt van de waterkant gebouwd zodat de kabels van de zonne-eilanden zo kort mogelijk blijven. De gebouwen worden niet op de aanwezige gronddepots geplaatst. Het ontwerp van de gebouwen is nog niet bekend.
Indicatieve afmetingen van een omvormergebouw zijn 10x3x3 (lxbxh) meter en indicatieve afmetingen van een inkoopstation zijn 5x4x2,5 (lxbxh) meter (Provincie Utrecht, 2023). Een aan- en afvoerroute voor materiaal en materieel en de werkwijze van de uitvoering van de werkzaamheden zijn nog niet bekend. Dit is mede afhankelijk van de locatie van het inkoopstation, omvormergebouw en het zonne-eiland. Een gedetailleerde uitvoeringsplanning voor dit voornemen is nog niet bekend.
Figuur 2.3 Potentiële locaties voor het inkoopstation en omvormergebouw (groene stippen) binnen het plangebied op land (blauw omlijnd)
2.3
Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing
De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd bij het onderzoek naar effecten op beschermde soorten:
11/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
De zonnepanelen worden op minimaal 50 meter van de oevers gerealiseerd
Er worden geen bomen gekapt Zonnepanelen worden schoongemaakt met water, niet met schoonmaakmiddelen (al dan niet biologisch of afbreekbaar)
Er mag geen uitspoeling plaatsvinden van zware metalen, oplosmiddelen of andere chemische stoffen Het vergraven of dempen van oppervlaktewater is geen onderdeel van de werkzaamheden
De toetsing in onderhavig rapport is gericht op de aanleg- en gebruiksfase waarbij het zonneeiland en 1 of 2 gebouwen worden geplaatst op de oever. Het vervangen van de omvormers en het verwijderen van het zonne-eiland na de het verstrijken van de technische levensduur maken geen deel uit van onderhavig rapport
3 Soortenbescherming Dit hoofdstuk beschrijft of het voorgenomen plan of project negatieve effecten heeft op beschermde flora en fauna en of vervolgstappen nodig zijn.
3.1
Beschermingsregime en bepalingen
De Omgevingswet beschermt in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar soms ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. Er worden drie beschermingsregimes onderscheiden: Vogels: Het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijke verspreidingsgebied.
Wettelijk kader: artikel 11.37 Bal. Ze zijn Europees beschermd via de Vogelrichtlijn (1979) Dieren en planten: Het gaat hier om inheemse dieren en planten, die Europees beschermd zijn door de Habitatrichtlijn (1992) en/of de verdragen van Bern en Bonn (1979). Wettelijk
kader: artikel 11.46 Bal Nationaal beschermde soorten: Het gaat hier om soorten die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn of de verdragen van Bern en Bonn vallen. Wettelijk kader: artikel
11.54 Bal. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd Gemeentelijk beleidsmatig beschermde soorten: Het gaat hier om soorten die de gemeente aanvullend beschermd bovenop de soorten die onder de Ow zijn beschermd
Per beschermingsregime geldt een verbodsbepaling. Tabel 3.1 geeft een samenvatting van de verbodspalingen. Ze voorzien in de bescherming van verblijfplaatsen en de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Utrecht kan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verlenen waarmee het bevoegd gezag ondanks die verbodsbepalingen tóch toestemming geeft voor een bepaald project. Dit kan alleen wanneer er sprake is van een geldend wettelijk belang, er geen reële alternatieven zijn en er geen effect is op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Wettelijk kader bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), en dan in het bijzonder de artikelen 8.74j, 8.74k en 8.74l voor respectievelijk vogels, andere Europeesrechtelijk beschermde soorten en nationaal beschermde soorten.
12/38
Kenmerk
3.2
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Vrijstellingen
In bijlage IX bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is ook een aantal in Nederland algemene soorten amfibieën en zoogdieren vermeld die landelijk beschermd zijn. Het wettelijk kader is artikel 11.54 Bal. Voorbeelden van zulke soorten zijn gewone pad, bruine kikker en gewone bosmuis. Provinciale Staten van de provincie Utrecht heeft bij verordening deze soorten ‘vrijgesteld’. Dit betekent dat voor deze soorten geen omgevingsvergunning nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Wel geldt ook voor deze soorten de zorgplicht (zie paragraaf 3.3). Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze natuurtoets. Konijn, haas, bunzing, hermelijn, wezel Tot 1 september 2024 vallen konijn, haas, bunzing, hermelijn en wezel onder bovenstaande provinciale vrijstelling. Doordat de populaties van deze soorten de afgelopen jaren een negatieve trend laten zien heeft provincie Utrecht bepaald dat per 1 september 2024 deze soorten van de provinciale vrijstellingslijst worden gehaald. Voor deze soorten is een omgevingsvergunning nodig voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud, wanneer verbodsbepalingen overtreden worden.
Doordat de uitvoering van de werkzaamheden na 1 september 2024 plaatsvindt is voor konijn, haas, bunzing, hermelijn en wezel een volledige toetsing uitgevoerd in deze rapportage. Tabel 3.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming. VR = Vogelrichtlijn, HR = Habitatrichtlijn. Cijfers verwijzen naar de wetsartikelen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Beschermingsregime
Vogels - VR
Dieren –
Planten –
Dieren -
Planten -
HR/Bonn/Bern
HR/Bonn/Bern
nationaal
nationaal
Verbodsbepaling Dieren of planten: Doden of vangen
11.37.1.a
11.46.1 a
Storen/verstoren
11.37.1.d
11.46.1 b
11.54.1.a
(tenzij 11.37.3) Plukken, verzamelen,
11.46.1.e
11.54.1.c
afsnijden, ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of
11.39.1
11.47.1.b
11.47.1.b
vervoeren Nesten, voortplantingsplaatsen, rustplaatsen: Vernielen, beschadigen
11.37.1.b
of wegnemen nesten Beschadigen of vernielen
11.37.1.b
11.46.1.d
11.54.1.b
rustplaatsen (alleen HR en nationaal: of (vaste) voortplantingsplaatsen)
13/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Beschermingsregime
Vogels - VR
Dieren –
Planten –
Dieren -
Planten -
HR/Bonn/Bern
HR/Bonn/Bern
nationaal
nationaal
Verbodsbepaling Eieren: Vernielen (alleen VR en
11.37.1.b
11.46.1.c
Rapen
11.37.1.c
11.46.1.c
Onder zich hebben
11.37.1.c
11.54.1.c
nationaal: of beschadigen)
3.3
Zorgplicht
In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een ‘specifieke zorgplicht’ opgenomen die betrekking heeft op flora- en fauna-activiteiten (artikel 11.27 Bal). De zorgplicht houdt in dat activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten achterwege worden gelaten. De initiatiefnemer neemt de noodzakelijke maatregelen om negatieve gevolgen te voorkomen, deze zo veel mogelijk te beperken/ongedaan te maken of laat de activiteit achterwege wanneer gevolgen onvoldoende beperkt kunnen worden. De specifieke zorgplicht betreft alle in het wild levende dieren en planten, maar in het bijzonder:
Alle in het wild voorkomende vogels (bijlage 1 Vogelrichtlijn) plus de geregeld in Nederland voorkomende soorten trekvogels De van nature in het wild voorkomende planten- of diersoorten die vermeld zijn in bijlage II, bijlage IV of bijlage V van de Habitatrichtlijn. Dit betreft de soorten waarvoor (Natura 2000-) gebieden aangewezen moeten worden (bijlage II), soorten die strikt beschermd zijn (bijlage IV) en soorten waarvoor bepaalde ‘beheersmaatregelen’ kunnen gelden voor ‘onttrekking’
(bijlage V) Nationaal beschermde soorten die vermeld zijn in bijlage IX van het Bal óf bedreigde soorten die in een rode lijst zijn opgenomen1
Voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats
De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de wet geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is overal van toepassing, binnen en buiten beschermde gebieden.
3.4
Werkwijze
De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de volgende gegevens:
Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) (geraadpleegd op 7 maart 2024). Data is opgehaald van de afgelopen 5 jaar in een straal van 500 meter rond het plangebied
De Ecoviewer van TAUW 2 oriënterende veldbezoeken op 20 februari 2024 en 7 maart 2024
1
Rode lijsten kennen een indeling in diverse categorieën die de ernst van de bedreiging aangeven, zoals ‘ernstig bedreigd’, ‘kwetsbaar’ en ‘gevoelig’. Het Bal maakt geen onderscheid tussen deze categorieën
14/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Tijdens de oriënterende veldbezoeken is gecontroleerd of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van (sporen van) beschermde soorten.
3.5
Te toetsen soorten
Tabel 3.2 geeft een overzicht van alle beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen. Tabel 3.2 Beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen Soortgroep
Mogelijk aanwezige beschermde soorten
Flora
Kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knolspirea, stijve wolfsmelk (artikel 11.54 Bal)
Grondgebonden zoogdieren
Bever (artikel 11.46 Bal), boommarter, bunzing, das, eekhoorn, haas, hermelijn, konijn, steenmarter, waterspitsmuis, wezel (artikel 11.54 Bal)
Vleermuizen
Baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, watervleermuis (artikel 11.46 Bal)
Vogels - jaarrond beschermde nesten
Boomvalk, buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil (artikel 11.37 Bal)
Vogels - jaarrond beschermd:
Blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever,
afhankelijk van ecologische factoren
boomkruiper, bosuil, ekster, gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, huiszwaluw, ijsvogel, koolmees, oeverzwaluw, pimpelmees, spreeuw, torenvalk, zwarte kraai, zwarte roodstaart (artikel 11.37 Bal)
Vogels – in gebruik zijnde nesten
Diverse broedvogels (artikel 11.37 Bal)
Amfibieën
Heikikker, kamsalamander, poelkikker, rugstreeppad (artikel 11.54 Bal), Alpenwatersalamander (artikel 11.54 Bal)
Reptielen
Ringslang (artikel 11.54 Bal)
Vissen
Grote modderkruiper (artikel 11.54 Bal)
Vlinders
Teunisbloempijlstaart (artikel 11.46 Bal), grote vos (artikel 11.54 Bal)
Libellen
Gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, rivierrombout (artikel 11.46 Bal)
Overige ongewervelden
3.6
Platte schijfhoren (artikel 11.46 Bal)
Toetsing beschermde soorten
In de volgende paragrafen zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling op de in tabel 3.2 genoemde soorten beschreven. 3.6.1 Flora Uit de literatuurstudie blijkt dat kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knolspirea en stijve wolfsmelk mogelijk in het plangebied voorkomen. Tijdens het onderzoek van Bureau Waardenburg (2021) zijn geen beschermde vaatplanten aangetroffen in het plangebied.
15/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Groeiplaatsen van de vaatplanten komen op de volgende plaatsen voor:
Kleine wolfsmelk komt voor op akkers, braakliggende grond en open plekken van dijken en bermen op open, vochtige, zonnige, matig voedselrijke omgewoelde grond Kluwenklokje komt voor langs rivieren op zonnige op een matig vochtige bodem van kalk- of humushoudend zand, klei of leem Knolspirea komt op zonnige plaatsen voor in kalkgraslanden, op heiden op basische rotsbodem, in bermen en in boszomen Stijve wolfsmelk komt voor op open plekken op akkers, langs boszomen, op slootkanten en dijken, bij heggen en in bermen
In 2014 is een waarneming van stijve wolfsmelk op de oostelijke oever van de oostelijke waterplas bekend. Groeiplaatsen van knolspirea zijn bekend in de woonwijk ten oosten van de A2. Groeiplaatsen van kluwenklokje zijn bekend in de woonwijk ten zuiden van het plangebied. Van kleine wolfsmelk zijn in de afgelopen 10 jaar niet bekend binnen het plangebied. Tijdens het veldonderzoek van Bureau Waardenburg zijn in 2021 geen groeiplaatsen van kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knolspirea en stijve wolfsmelk aangetroffen. Op het land is sprake van een gesloten grazige vegetatie en struikbegroeiing, waardoor geschikte groeiplaatsen voor kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knolspirea en stijve wolfsmelk zijn uitgesloten. Tijdens de veldbezoeken in 2024 is vastgesteld dat nog steeds sprake is van een gesloten grazige vegetatie, waardoor het voorkomen van geschikte groeiplaatsen van deze beschermde vaatplanten is uitgesloten. Nader onderzoek naar, en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit voor deze plantensoorten is niet nodig. 3.6.2
Grondgebonden zoogdieren
Uit het literatuuronderzoek blijkt dat het plangebied binnen het verspreidingsgebied ligt van bever, boommarter, das, eekhoorn, egel, haas, kleine marterachtigen, konijn, steenmarter en waterspitsmuis. Bever Overgangsgebieden tussen land en water, zoals moerassen, beken, rivieren en meren bieden geschikt leefgebied voor bever. Bever geeft voorkeur aan rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en populier. De minimale waterstand van een watergang voor bever is 50 centimeter. In de afgelopen 5 jaar zijn geen waarnemingen van bever bekend binnen en rondom het plangebied (bron: NDFF). Tijdens de veldbezoeken zijn geen sporen van bever aangetroffen binnen het plangebied. Het voorkomen van bever in het plangebied en negatieve effecten door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor bever is niet nodig. Das Das komt voor in gebieden die bestaan uit verschillende biotopen. Meestal zijn dit kleinschalige (agrarische) landschappen met voldoende bos en heggen.
16/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
In de afgelopen 5 jaar zijn geen waarnemingen van das bekend binnen en rondom het plangebied (bron: NDFF). Tijdens de veldbezoeken zijn geen sporen van dassen aangetroffen binnen het plangebied. Vanwege het intensief recreatieve gebruik van het recreatiegebied en het ontbreken van waarnemingen van das maakt dat het voorkomen van das uitgesloten kan worden in het plangebied. Negatieve effecten door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor das is niet nodig. Eekhoorn Eekhoorn is een typische boombewoner. Loofbos, naaldbos en gemend bos vormt geschikt leefgebied voor eekhoorn. Bladernesten, oude nesten van (roof)vogels, boomholtes en grote nestkasten zijn geschikte verblijfplaatsen voor eekhoorn. In de afgelopen 5 jaar zijn geen waarnemingen van eekhoorn bekend binnen en rondom het plangebied (bron: NDFF). Tijdens de veldbezoeken zijn geen sporen van eekhoorn aangetroffen binnen het plangebied. Geschikte nestplaatsen ontbreken binnen het plangebied. Het voorkomen van eekhoorn in het plangebied en negatieve effecten door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit voor eekhoorn is niet nodig. Haas Hazen geven voorkeur aan kleinschalig gras- en bouwland, akkers en weilanden.
Hazen gebruiken legers als verblijfplaats, dit zijn ondiepe kuilen in een open veld of onder begroeiing. In de afgelopen 5 jaar zijn veel waarnemingen bekend van haas binnen en rondom het plangebied (bron: NDFF). Tijdens het veldbezoek zijn geen individuen of sporen van haas aangetroffen. Het plangebied is wel geschikt als rust- en verblijfplaats voor haas vanwege de aanwezige begroeiing waar de soort onder of tussen kan schuilen. Met name rondom en in het dichte struweel op de gronddepots zijn veel geschikte schuilplaatsen voor haas. De graslandvegetatie biedt geschikt foerageergebied voor haas. Doordat geen werkzaamheden plaatsvinden op de gronddepots en de werkzaamheden op land maar op een kleine oppervlakte plaatsvinden blijft voldoende geschikt foerageergebied en geschikte rust- en verblijfplaatsen voor haas aanwezig. Negatieve effecten op haas door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor haas is niet nodig. Grote marterachtigen (boommarter, steenmarter) Steenmarter komt zowel voor in zowel landelijk gebied als stedelijk gebied. Verblijfplaatsen van steenmarter komen voor in gebouwen, houtstapels en rommelhoekjes. Boommarter komt vaker voor in bebost gebied, maar kan ook in stedelijk gebied aangetroffen worden.
Verblijfplaatsen van boommarter komen voor in boomholten, konijnen-, vossen- en dassenholen, tussen boomwortels of onder houtstapels. Groene structuren als hagen en struweel zijn voor beide soorten van belang. In de afgelopen 5 jaar is 1 waarneming van steenmarter bekend in de woonwijk IJsselveld ten zuiden van het plangebied. Van boommarter zijn geen waarnemingen bekend binnen en rondom het plangebied (bron: NDFF).
17/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Tijdens de veldbezoeken zijn geen sporen van boommarter en steenmarter aangetroffen binnen het plangebied. De bosschage op de oostelijke oever en het dicht struweel op de gronddepots vormen wel geschikte rust- en verblijfplaatsen voor boommarter en steenmarter (figuur 3.1, gronddepots). Het gehele recreatiegebied maakt (mogelijk) onderdeel uit van het foerageergebied van boommarter en steenmarter. De aanwezige groenstroken op de oevers rondom de waterplassen vormen ook geschikte migratieroutes voor boommarter en steenmarter. Doordat geen werkzaamheden op de gronddepots plaatsvinden blijven de rust- en verblijfplaatsen behouden. De potentiële migratieroutes blijven ook behouden doordat geen bomenkap plaatsvindt. Doordat op een klein oppervlak werkzaamheden op land plaatsvinden blijft voldoende geschikt foerageergebied voor boommarter en steenmarter aanwezig. Negatieve effecten op boommarter en steenmarter door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor boommarter en steenmarter is niet nodig.
Figuur 3.1: ligging van gronddepots met geschikte rust- en verblijfplaatsen voor boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, konijn en aangetroffen eksternesten
Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn, wezel) Bunzing, hermelijn en wezel geven voorkeur aan habitats waar voldoende dekking aanwezig is. Hermelijn komt voor in zeer uiteenlopende habitats, zoals bossen, duinen, akkers en vochtig terrein. Bunzing geeft voorkeur aan kleinschalig landschap met watergangen. Wezel geeft voorkeur aan bossen, duinen en wei- en akkerland.
18/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
In de afgelopen 5 jaar zijn veel waarnemingen bekend van bunzing in en rondom de woonwijk IJsselveld en van verkeersslachtoffers op de A2. Hermelijn is ook 2 keer als verkeersslachtoffer aangetroffen op de A2. Van wezel zijn geen waarnemingen bekend binnen en rondom het plangebied (bron: NDFF). Tijdens de veldbezoeken zijn geen sporen van kleine marterachtigen aangetroffen binnen het plangebied. De bosschage op de oostelijke oever en het dicht struweel op de gronddepots vormen geschikte rust- en verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen (figuur 3.1, gronddepots). Rond de gronddepots zijn konijnenholen aangetroffen. Deze vormen ook geschikte verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen. Het gehele recreatiegebied maakt onderdeel uit van het foerageergebied van kleine marterachtigen. De aanwezige groenstroken op de oevers rondom de waterplassen vormen ook geschikte migratieroutes voor de soorten. Doordat geen werkzaamheden op de gronddepots plaatsvinden blijven de rust- en verblijfplaatsen op die locaties behouden. De potentiële migratieroutes blijven ook behouden doordat geen bomenkap plaatsvindt. Doordat op een kleine oppervlakte werkzaamheden op land plaatsvinden blijft voldoende geschikt foerageergebied voor kleine marterachtigen aanwezig. Negatieve effecten op essentiële foerageergebieden zijn daarmee uitgesloten.
Op de locatie waar gebouwen geplaatst worden is het niet uitgesloten dat muizen- of mollengangen onder de grond aanwezig zijn. Deze kunnen, met name (maar niet uitsluitend) voor wezel en hermelijn, als verblijfplaats gebruikt worden. Negatieve effecten op kleine marterachtigen door het voornemen zijn daarom niet geheel uitgesloten. Voor deze soorten is het mogelijk om voor een ontwikkeling op basis van een worstcase benadering een vergunning aan te vragen om verblijfplaatsen te mogen aantasten. Een onderzoek naar deze soorten is dan niet nodig. Voor het plaatsen van de gebouwen moet dus een vergunning voor een flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden ten aanzien van bunzing, wezel en hermelijn. Konijn Konijnen komen voor in allerlei landschappen. De soort geeft voorkeur aan halfopen landschappen zoals parken, tuinen en bosranden. Konijnen maken holen in de grond en gebruiken deze jaarrond als verblijfplaats. In de gronddepots ten zuiden en oosten van de oostelijke plas (figuur 3.1, gronddepots) zijn meerdere konijnenholen aangetroffen (figuur 3.2). Het grasland binnen het plangebied vormt geschikt foerageergebied voor konijn. Doordat geen werkzaamheden op de gronddepots plaatsvinden blijven deze holen behouden en worden deze niet aangetast door de werkzaamheden.
Doordat op een klein oppervlak werkzaamheden op land plaatsvinden blijft voldoende geschikt foerageergebied voor konijn aanwezig. Negatieve effecten op konijn door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor konijn is niet nodig.
19/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Figuur 3.2 Aangetroffen konijnenholen in de zuidoostelijke gronddepots in het plangebied
Waterspitsmuis Waterspitsmuis komt voor langs schoon, niet te voedselrijk, stromend tot stilstaand water met een rijke begroeiing aan (onder)waterplanten en oeverplanten. De soort komt voor langs allerlei typen wateren, zoals beken, rivieren, sloten en plassen. De soort maakt een compact, bolvormig nest van gras, bast, wortels en mos in holtes of beschutte plekken in de oever. In de afgelopen 5 jaar zijn geen waarnemingen van waterspitsmuis bekend binnen en rondom het plangebied (bron: NDFF). Het ontbreekt in het plangebied aan geschikt leefgebied door het ontbreken van een rijke begroeiing van (onder)waterplanten en oeverplanten. Het voorkomen van waterspitsmuis in het plangebied en negatieve effecten door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit voor waterspitsmuis is niet nodig. 3.6.3
Vleermuizen
Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden, namelijk: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Deze worden hieronder per type leefgebied beschreven. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn te allen tijde wettelijk beschermd. Indien foerageergebied en/of vliegroutes een essentieel onderdeel van het leefgebied van vleermuizen vormen, zijn deze functies eveneens wettelijk beschermd. Er wordt daarom onderscheid gemaakt in essentiële foerageergebieden en vliegroutes en niet-essentiële foerageergebieden en vliegroutes. Tijdens het onderzoek van Bureau Waardenburg (2021) zijn individuen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger aangetroffen in en rondom het plangebied. 3.6.3.1
Verblijfplaatsen
Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen, allerlei andere bouwwerken zoals kerken, kantoorpanden en bunkers, in grotten, in boomholtes of achter schors en in kieren van bomen. Globaal kan daarbij onderscheid gemaakt worden tussen in gebouwen verblijvende vleermuissoorten en in bomen verblijvende vleermuissoorten. Omdat vleermuizen een duidelijke jaarcyclus kennen, maken we onderscheid tussen verschillende typen verblijfplaatsen, namelijk zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen.
20/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
In het plangebied zijn dergelijke verblijfplaatsen mogelijk aanwezig. Op de oostelijke waterplas ontbreken bebouwing en bomen waardoor deze niet geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. Voor de gebouwen welke op de oever van de waterplas worden gerealiseerd worden geen bomen gekapt. Eventuele bomen met holtes welke potentieel geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen blijven daardoor behouden. Indien verlichting aan de buitenzijde van deze gebouwen of op het zonne-eiland wordt aangebracht, dient deze vleermuisvriendelijk te zijn, zodat verstoring van vleermuizen voorkomen wordt en eventuele verblijfplaatsen in de bomen nabij de gebouwen behouden blijven en niet aangetast worden. Met vleermuisvriendelijke verlichting wordt bedoeld verlichting die het minst effect heeft op vleermuizen. Daarbij bestaat onderscheid tussen de verschillende soorten waarbij bijvoorbeeld soorten als meervleermuis, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis bijzonder kritisch zijn ten aanzien van verlichting. Voor deze soorten is géén verlichting het beste. Wanneer verlichting nodig is, dan moet een verlichtingsplan voorgelegd worden aan een ter zake kundige ecoloog. De ter zake kundige ecoloog kan vastleggen welk type verlichting (lichtsterkte en lichtkleur) op welke plaats en op welke momenten toegestaan kan worden.
Als aan voorgenoemde voorwaarde wordt voldaan is een omgevingsvergunning niet nodig en het overtreden van de verbodsbepalingen in het Bal is uitgesloten. Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor het vernielen van verblijfplaatsen van vleermuizen is dan dus niet nodig. Verlichting kan vleermuisvriendelijk gemaakt worden door onder andere (en niet uitsluitend) (BIJ12 Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, 2017):
Aantal lampen te minimaliseren Positie van lamp aan te passen door deze van boven naar beneden te richten Verlichting toe te passen met een smalle lichtstraal (scherpe cut-off)
Delen van de armatuur af te schermen zodat uitstraling richting groenstroken voorkomen wordt Verlichting met een bewegingssensor toe te passen, zodat de verlichting alleen op
noodzakelijk momenten schijnt Vleermuisvriendelijke verlichtingskleuren toe te passen, zoals amberkleurig licht
3.6.3.2 Foerageergebieden Foerageergebieden van vleermuizen zijn onder andere groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen, andere opgaande begroeiing en watergangen. In het plangebied zijn dergelijke foerageergebieden aanwezig, namelijk de bosschage op de oostelijke oever, groenstroken rondom de waterplassen, (braam)struwelen op de gronddepots en de waterplas met luwe delen. Deze foerageergebieden zijn mogelijk essentieel voor het behoud van lokale vleermuispopulaties omdat, naast het IJsselstijnse bos ten westen van het recreatiegebied geen (grootschalige) groengebieden aanwezig zijn in de directe omgeving. Het plaatsen van de zonnepanelen op de oostelijke plas leidt mogelijk tot het aantasten van een essentiële functie als foerageergebied van het plangebied voor het behoud van lokale vleermuispopulaties. Om aan te tonen of uit te sluiten dat essentiële foerageergebieden aanwezig zijn, is nader onderzoek nodig. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek is het nemen van maatregelen en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk.
21/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
3.6.3.3 Vliegroutes en migratieroutes Voor vleermuizen wordt onderscheid gemaakt tussen vliegroutes (al dan niet essentieel) en migratieroutes. Voor vliegroutes geldt dat dit de routes zijn die gebruikt worden om de dagelijkse tochten tussen verblijfplaats en belangrijke foerageergebieden af te leggen. Migratieroutes daarentegen worden gevormd door landschappelijke lijnen die de zomer- en winterverblijfplaatsen met elkaar verbinden. Met name soorten die lange afstanden afleggen, maken gebruik van deze migratieroutes. Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige elementen zoals bomenrijen, randen van bebouwing en watergangen. In het plangebied zijn dergelijke lijnvormige elementen aanwezig in de vorm van groenstroken en de randen van beide waterpartijen. Deze vliegroutes zijn mogelijk essentieel voor het behoud van lokale vleermuispopulaties. De wateren zelf kunnen door water- en meervleermuis gebruikt worden als foerageergebied, maar vormen voor die soorten geen vliegroute. Het zijn immers geen verbindende elementen van potentiële verblijfplaatsen naar een essentieel foerageergebied. De plassen zelf vervullen immers mogelijk die functie als essentieel foerageergebied. Doordat geen bomenkap plaatsvindt is het uitgesloten dat vliegroutes verloren gaan die essentieel zijn voor het behoud van lokale vleermuispopulaties.
Een nader onderzoek naar dit type leefgebied is dan ook niet nodig. Een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit voor het aantasten van essentiële vliegroutes is ook niet nodig. Voor migratieroutes geldt dat deze al min of meer in beeld zijn voor de belangrijkste soorten die daarvan gebruik maken (ruige dwergvleermuis en meervleermuis). Voor deze soorten is ten behoeve van migratieroutes ook een onderzoeksmethode vastgesteld. Voor ruige dwergvleermuis geldt dat de belangrijkste migratieroutes langs de kustlijn en de grote waterwerken zoals de afsluitdijk gevolgd worden. Voor meervleermuis geldt dat met name grote lijnvormige wateren zoals rivieren en kanalen gevolgd worden om de migratie van noord naar zuid mogelijk te maken. Recente publicaties tonen aan dat de meervleermuis gebruik maakt van de Hollandse IJssel en het Amsterdam-Rijnkanaal als (onderdeel van) migratieroutes. Beide wateren waren in 2012 reeds bekend als (onderdelen van) migratieroute (Haarsma, 2012). De Nedereindse plassen vormen mogelijk een belangrijk foerageergebied van meervleermuizen die tussen zomer- en winterverblijfplaatsen de Hollandse IJssel of het Amsterdam-Rijnkanaal volgen. Hoewel dus een functie als essentieel foerageergebied niet uitgesloten kan worden (zie ook 3.6.3.2), vervullen de plassen geen functie als migratieroute.
De plassen zijn immers geen onderdeel van de lijnvormige wateren die dergelijke routes vormen. Daarmee vormen de plassen dus hooguit een belangrijke ‘uitstap-‘ en ‘opvetplaats’ tijdens de reis naar het zuiden. Een onderzoek specifiek gericht op migratieroutes is daarom niet nodig. Het is wél belangrijk dat onderzoek naar foerageergebieden ook wordt uitgevoerd in de periode waarin migratie redelijkerwijs te verwachten is. Dat betekent dat het laatste onderzoek naar foerageergebieden aan het eind van de verplichte periode moet vallen. Daarmee valt dat bezoek samen met de start van de migratieperiode voor meervleermuis.
22/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Tabel 3.3 Mogelijk aan te tasten soortfunctiecombinaties in het plangebied, hiernaar dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Type functie
Vleermuissoorten
Essentieel foerageergebied
Baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, watervleermuis
3.6.4 Vogels 3.6.4.1 Vogels - jaarrond beschermde nesten De nesten van deze vogelsoorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Uit de literatuurstudie blijkt dat boomvalk, buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer en steenuil voor kunnen komen in (de omgeving van) het plangebied. Tijdens het onderzoek van Bureau Waardenburg (2021) is het voorkomen van buizerd, havik, ransuil, sperwer en steenuil vastgesteld in het recreatiegebied. Van buizerd, havik, sperwer en steenuil zijn toentertijd geen verblijfplaatsen aangetroffen en functioneerde het recreatiegebied als niet essentieel foerageergebied. Van ransuil is toen een roestplaats aangetroffen in een boom aan de zuidkant van de dam tussen de twee plassen. Een voortplantingsplaats was niet aanwezig in het recreatiegebied. Boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer Boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek en sperwer broeden allen in (hoge) bomen. Tijdens het veldbezoek zijn 5 eksternesten aangetroffen welke door deze soorten uitgebouwd kunnen worden tot geschikte nestplaats (figuur 3.1). Doordat geen bomenkap plaatsvindt voor de aanleg van de gebouwen blijven de roestboom van ransuil en de bomen met eksternesten behouden en wordt deze niet aangetast door de werkzaamheden.
Er is een kans dat jaarrond beschermde nesten ontstaan in het plangebied voordat de werkzaamheden in 2027 starten. De eksternesten kunnen worden uitgebouwd of nesten kunnen gebouwd worden door de vogelsoorten. Een effect door verstoring kan daarom niet uitgesloten worden. Dit geldt echter ook voor vogelsoorten zonder jaarrond beschermd nest (zie paragraaf 3.6.4.3). Maatregelen zoals het werken buiten het reguliere broedseizoen, het uitvoeren van een broedvogelcontrole en eventueel instellen van een verstoringsvrije zone zijn vaak afdoende om effecten door verstoring te voorkomen. Een verstoringsvrije zone betekent overigens niet dat geen enkele werkzaamheid meer mogelijk is. Mogelijk kan een deel van de werkzaamheden wel uitgevoerd worden door het aanhouden van zo’n door een ecoloog vastgestelde verstoringsvrije zone. Tot slot zijn vanwege de beperkte omvang van de (graaf)werkzaamheden, negatieve effecten op essentieel foerageergebied van deze soorten ook uitgesloten. Een indirect effect op een jaarrond beschermd nest is daarmee uitgesloten. Huismus, gierzwaluw Huismus en gierzwaluw zijn typisch gebouw bewonende soorten. Beide soorten broeden onder daken en/of in andere gaten en kieren in bebouwing. Binnen het plangebied ontbreekt bebouwing, waardoor nesten van huismus en gierzwaluw zijn uitgesloten.
Vanwege de beperkte omvang van de werkzaamheden op land zijn negatieve effecten op essentieel foerageergebied van deze soorten ook uitgesloten.
23/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit voor deze soorten is daarom niet nodig. Kerkuil, steenuil Kerkuil en steenuil komen voor in halfopen tot open cultuurlandschappen en broeden voornamelijk in speciale nestkasten, op zolders van schuren en (incidenteel) in bomen. Geschikte nestplaatsen, zoals nestkasten, schuren en boomholten ontbreken binnen het plangebied. Vanwege de beperkte omvang van de werkzaamheden op land zijn negatieve effecten op essentieel foerageergebied van deze soorten ook uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor deze soorten is daarom niet nodig. Ooievaar Ooievaar broedt in grote nesten op hoge plekken zoals bomen, schoorstenen, kerktorens, houten platforms en hoogspanningsmasten. Tijdens het veldbezoek zijn geen potentiële nesten voor deze soort waargenomen in het plangebied. Vanwege de beperkte omvang van de werkzaamheden op land zijn negatieve effecten op essentieel foerageergebied van deze soort ook uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit voor deze soort is daarom niet nodig.
Slechtvalk Slechtvalk broedt vrijwel uitsluitend in voor de soort gemaakte nestkasten op hoge gebouwen in of nabij stedelijk gebied of in oude kraaiennesten in hoogspanningsmasten. Tijdens het veldbezoek zijn geen potentiële nesten voor deze soort waargenomen in het plangebied. Vanwege de beperkte omvang van de werkzaamheden op land zijn negatieve effecten op essentieel foerageergebied van deze soort ook uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor deze soort is daarom niet nodig. 3.6.4.2 Vogels – jaarrond beschermd: afhankelijk van ecologische factoren Bij vogelsoorten uit deze categorie gaat het om vogels die vaak elk jaar terugkeren naar de omgeving waar ze eerder gebroed hebben, maar die wel flexibel zijn en een nieuw nest kunnen maken of zich elders kunnen vestigen. Het gaat dus om de bescherming van het functionele leefgebied en dit is alleen aan de orde als de betreffende soort voor zijn voortplanting uitsluitend afhankelijk is van dat functionele leefgebied en er geen alternatieven of uitwijkmogelijkheden in de omgeving zijn. Bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, ekster, groene specht, grote bonte specht, ijsvogel, ijsvogel, koolmees, oeverzwaluw, pimpelmees, zwarte kraai en zwarte roodstaart hebben allemaal een gunstige staat van instandhouding (SOVON, 2024).
Maatregelen ten gunste van deze soorten wordt daarom niet nodig geacht. Nesten van deze vogels zijn wel beschermd tijdens het broedseizoen. Blauwe reiger heeft een matig ongunstige staat van instandhouding (SOVON, 2024).
24/38
Kenmerk
R001-1293206FLR-V02-evm-NL
Boerenzwaluw, gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, huiszwaluw, spreeuw en torenvalk hebben een zeer ongunstige staat van instandhouding (SOVON, 2024). Hieronder wordt per vogelsoort met een matig tot zeer ongunstige staat van instandhouding toegelicht of soorten voorkomen en of aanvullende stappen voor deze soorten noodzakelijk zijn:
Blauwe reiger en torenvalk broeden in bomen en torenvalk broedt ook in nissen van gebouwen. Binnen het plangebied ontbreken gebouwen. In de bomen van het plangebied zijn geen nesten van blauwe reiger en torenvalk aangetroffen. Het voorkomen van broedende blauwe reigers en torenvalk is daarom uitgesloten in het plangebied Boerenzwaluw en huiszwaluw broeden in gebouwen aan de gevel of in open schuren en onder bruggen. Binnen het plangebied ontbreken gebouwen. Aan de westkant van de oostelijke plas is wel een kleine brug aanwezig. Aan deze brug vinden geen werkzaamheden plaats, waardoor eventuele aanwezige nesten behouden en onaangetast blijven. Negatieve effecten op nestplaatsen van boerenzwaluw en huismus zijn uitgesloten