Bijlages - Onderzoeken Bodem, Natuurtoets, Dieren, Stikstof
Tekst van het document
dient behouden te worden, omdat deze bomen het licht wat afkomstig is van de snelweg afschermen Kleinere vleermuissoorten, zoals gewone dwergvleermuis, zijn afhankelijk van lijnvormige elementen om zich te verplaatsen door een gebied. Een onderbreking in een groenstrook van maximaal 20 meter kan de soort veelal overbruggen. Vliegroutes kunnen worden verbeterd door bomen aan te planten wanneer sprake is van een onderbrekingen van een groenstrook langer dan 20 meter
9/9
Bijlage 1
Resultaten tellingen watervogels
Tabel 4.1: Resultaten watervogelonderzoek, waarbij de hoogste aantallen per veldbezoek dikgedrukt zijn 25-10-23 (Middag) Soort
Westplas
Aalscholver
09-11-2023 (Middag)
Oostplas
Oostplas
(zuidoost)
(overig)
Westplas
15-12-2023 (Middag/avond)
Oostplas
Oostplas
(zuidoost)
(overig)
Westplas
22-01-2024 (Ochtend)
Oostplas
Oostplas
(zuidoost)
(overig)
Westplas
21-02-2024 (Middag/avond)
Oostplas
Oostplas
(zuidoost)
(overig)
Westplas
0
0
8
3
0
5
0
0
3
2
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
22
0
0
Fuut
13
3
11
20
3
7
11
2
3
8
3
Grauwe gans
2
0
0
0
0
0
0
0
0
95
10
5
0
0
0
0
0
2
4
4
2
0
3
0
0
0
0
1
240
0
10
0
0
0
Kleine mantelmeeuw
0
0
0
2
0
0
2
0
0
0
0
Kokmeeuw
0
0
0
20
0
0
85
0
0
130
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
1
0
0
Knobbelzwaan
Oostplas (overig)
(zuidoost)
7
Canadese gans
Oostplas
Krakeend
0
0
0
0
13
0
0
5
0
56
2
12
0
0
16
Kuifeend
0
50
0
10
5
0
8
5
20
7
4
17
11
0
31
Meerkoet
11
8
2
30
34
20
85
40
10
65
35
10
75
30
15
Nijlgans
0
0
0
25
0
0
8
0
0
0
0
0
0
0
2
0
0
0
0
0
0
0
0
0
1
0
0
0
0
0
Slobeend
0
0
0
0
0
0
2
0
0
2
0
0
0
0
0
Smient
0
0
2
0
33
17
5
19
50
2
1250
250
0
0
130
Stormmeeuw
0
0
0
0
0
0
20
0
0
10
0
0
15
0
0
Tafeleend
0
0
0
0
2
0
0
3
0
2
2
0
0
0
0
Wilde eend
0
0
0
4
0
0
0
0
0
36
8
0
8
0
20
Wintertaling
0
0
0
0
0
0
0
0
0
14
9
3
0
0
0
Zilvermeeuw
0
0
0
0
0
0
0
0
0
1
0
0
0
0
0
Zwartkopmeeuw
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
1
0
0
362
34
227
Pontische meeuw
Totaal
33
61
15
119
93
44
231
74
83
455
1325
294
Soortgericht onderzoek Zonne-eiland(en) Nedereindse plas Onderzoek in het kader van beschermde soorten onder de Omgevingswet 14 februari 2025
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
Verantwoording Titel
Soortgericht onderzoek Zonne-eiland(en) Nedereindse plas
Opdrachtgever
Gemeente Utrecht
Projectleider Auteur(s) Tweede lezer Uitvoering meet- en inspectiewerk
Veldwerk o.l.v.
en
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
Aantal pagina’s
22 (exclusief bijlagen)
Datum
14 februari 2025
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Ekkersrijt 4008 Postbus 1680 5602 BR Eindhoven T +31 40 23 25 55 0 E info.eindhoven@tauw.com
2/22
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
Inhoud 1
2
Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1
Aanleiding en doel onderzoek ............................................................................................ 4
1.2
Eerder uitgevoerd onderzoek ............................................................................................. 4
1.3
Leeswijzer .......................................................................................................................... 4
Plangebied en beoogde ontwikkeling ........................................................................................ 5 2.1
Plangebied ......................................................................................................................... 5
2.2
Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 7
2.3
Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing .................................................................... 9
3
Relevante soorten en mogelijke effecten en verbodsbepalingen ............................................ 10
4
Onderzoeksmethode ............................................................................................................... 12 4.1
5
Resultaten ............................................................................................................................... 15 5.1
6
7
8
Vleermuizen ..................................................................................................................... 12
Vleermuizen ..................................................................................................................... 15
5.1.1
Resultaten ................................................................................................................. 15
5.1.2
Effecten en verbodsbepalingen ................................................................................ 19
Vervolgstappen........................................................................................................................ 20 6.1
Wanneer is een omgevingsvergunning nodig? ................................................................ 20
6.2
Mitigatie ............................................................................................................................ 21
6.3
Overige maatregelen ........................................................................................................ 21
Conclusie ................................................................................................................................. 21 7.1
Aanleiding ........................................................................................................................ 21
7.2
Conclusie ......................................................................................................................... 21
Literatuur ................................................................................................................................. 22
3/22
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel onderzoek
Gemeente Utrecht is van plan om een of meerdere zonne-eiland(en) aan te leggen op de oostelijke plas van de Nedereindse plassen ten noorden van IJsselstein in de provincie Utrecht. TAUW heeft deze plannen reeds getoetst aan de Omgevingswet in een natuurtoets (TAUW, 2024). De natuurtoets concludeert dat negatieve effecten op beschermde vleermuizen niet met zekerheid zijn uitgesloten. TAUW heeft daarom soortgericht onderzoek uitgevoerd om de functie van het plangebied voor vleermuizen te bepalen. Daarbij lag de focus op water- en meervleermuis omdat deze soorten specialistisch zijn als het gaat om foerageren boven water. Deze rapportage doet verslag van het soortgericht onderzoek en geeft antwoord op de vraag of een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig is.
1.2
Eerder uitgevoerd onderzoek
Reeds eerder heeft TAUW in opdracht van de gemeente ook watervogelonderzoek uitgevoerd en onderzocht of maatregelen om de biodiversiteit te bevorderen mogelijk zijn (TAUW, 2024b). Hoewel watervogelonderzoek in het kader van de Omgevingswet niet nodig was, heeft gemeente Utrecht er voor gekozen om in het kader van zorgvuldigheid toch onderzoek uit te laten voeren. Uit het onderzoek bleek dat de aanleg van het zonne-eiland naar verwachting geen of minimaal effect heeft op watervogels. Uit het biodiversiteitsadvies blijkt tevens dat er maatregelen mogelijk zijn om de biodiversiteit rond het (de) zonne-eiland(en) te vergroten. Zo is het mogelijk om ‘drijvend groen’ te creëren en zijn adviezen meegegeven over de vorm van het zonne-eiland.
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 volgt een overzicht van het plangebied en de beoogde ontwikkeling. In de navolgende hoofdstukken staan de details en de resultaten van het ecologisch onderzoek. In hoofdstuk 3 volgt eerst een samenvatting van de conclusies uit de natuurtoets. In hoofdstuk 4 is de onderzoeksmethode uitgewerkt, waarna in hoofdstuk 5 de resultaten van het onderzoek zijn behandeld. Aan de hand van de resultaten is een effectbeoordeling uitgevoerd. In hoofdstuk 6 ‘vervolgstappen’ is aangegeven of mitigerende maatregelen van toepassing zijn, of een omgevingsvergunning nodig is en onder welke voorwaarden een vergunning redelijkerwijs verleend kan worden. Tot slot vat hoofdstuk 7 alles in een conclusie samen.
4/22
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
2 Plangebied en beoogde ontwikkeling 2.1
Plangebied
Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Het gaat om het recreatiegebied Nedereindse plas, in de provincie Utrecht. Recreanten kunnen ontspannen, wandelen, fietsen, sporten, vogels kijken en vissen vanaf de oevers in het gebied. Figuur 2.2 geeft een sfeerimpressie van het gebied. In het recreatiegebied liggen twee waterplassen. Voor deze waterplassen geldt een zwemverbod. Tussen de waterplassen is een smalle landstrook aanwezig met een fiets- en wandelpad en een begroeiing van (jonge) wilgenbomen en (lokaal) intensief beheerd grasland. Op 2 plaatsen waar de waterplassen in verbinding staan met elkaar zijn betrekkelijk hoge bruggen aanwezig. Het plangebied bestaat uit de oostelijke plas en verschillende zones op het land. Op land gaat het om een strook aan noordoostkant van de westelijke plas en een strook aan de zuidkant van de oostelijke en westelijke plas. De oostelijke plas betreft een diepe voormalige zandwindplas welke in het verleden gedeeltelijk is gedempt met bouw- en sloopafval, chemisch afval en andersoortige afvalstoffen. Deze plas is maximaal 20-25 meter diep. Rondom de plas is een wandel- en fietspad aanwezig. Langs de randen van de plas groeien smalle rietkragen. Het talud van de oevers loopt onder water steil af. Op de oostelijke oever is een smalle bosschage aanwezig.
Op de noordelijke-, westelijke- en zuidelijke oever is afwisselend begroeiing van bomen aanwezig, waaronder wilgensoorten en zwarte els en (lokaal) intensief beheerd grasland. Aan de zuid- en oostkant van het plangebied liggen oude gronddepots met houtstapels welke dicht begroeid zijn met braamstruweel. Het gronddepot aan de oostkant van de oostelijke plas is grotendeels omheind met bouwhekken. Ten noorden van de oostelijke plas ligt een kunstmatige skipiste met een horecagebouw en een mountainbikeroute. Ten noorden van deze skipiste ligt een verharde parkeerplaats. Ten noorden en zuiden van de westelijke plas zijn ook parkeerplaatsen aanwezig. Alle 3 de parkeerplaatsen maken onderdeel uit van het plangebied. Grenzend aan de oostkant van het recreatiegebied ligt de Rijksweg A2 met daarachter Nieuwegein. Ten zuiden van het recreatiegebied ligt de woonwijk IJsselveld in IJsselstein. Ten noorden en westen van het recreatiegebied liggen agrarische percelen.
5/22
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
Figuur 2.1 Ligging van het plangebied op land (blauw omlijnd) en op het water (rood omlijnd) (globaal begrensd). Let op: ook de westelijke plas en oevers zijn tijdens het vleermuisonderzoek onderzocht. Binnen de begrenzingen van het plangebied wordt echter het zonne-eiland en bijbehorende gebouwen geplaatst.
6/22
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
Figuur 2.2 Impressie van het noordelijk deel van het plangebied (boven), oostelijk deel van het plangebied en zuidelijk deel van het plangebied
2.2
Beoogde ontwikkeling
De werkzaamheden omvatten de aanleg van een of meerdere zonne-eiland(en) op de oostelijke plas en de aanleg van een inkoopstation en omvormergebouw op land. Voor de vastlegging van het (de) zonne-eiland(en) zijn mogelijk op land of in de oevers ook enkele ankerpunten nodig. In het Integraal Programma van Eisen is opgenomen dat in totaal 25-50% van de waterplas bedekt wordt met zonnepanelen. Een gedetailleerd ontwerp van het zonne-eiland is nog niet bekend. Het voorlopig voornemen is om het (de) zonne-eiland(en) in het noordelijk deel van de oostelijke plas te plaatsen, waarbij tenminste 50 meter afstand tot de oevers wordt aangehouden.
7/22
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
Het (de) zonne-eiland(en) bestaat uit zonnepanelen welke geplaatst worden op een drijvend onderlichaam van plastic of beton. Het drijvend onderlichaam wordt verankerd middels een ketting of kabel aan een ballast op de bodem of in de oever. Enkele uitgangspunten voor het ontwerp zijn opgenomen in paragraaf 2.3. Een dergelijk drijvend zonne-energiesysteem heeft een technische levensduur van 25 à 30 jaar, waarbij de omvormers na 12 tot 15 jaar vervangen moeten worden. Op de noordelijke of zuidelijke oever van de oostelijke of westelijke plas worden 1 of 2 kleine gebouwen gerealiseerd voor een inkoopstation en omvormergebouw. In figuur 2.3 zijn 4 potentiële locaties opgenomen voor de gebouwen (groene stippen) zoals aangegeven door de gemeente. Het is niet zeker of de gebouwen op 1 van deze 4 locaties wordt geplaatst, daarom is een ruimer zoekgebied aangehouden (blauwe lijn, figuur 2.3). Het inkoopstation en omvormergebouw staat met 1 elektriciteitskabel in verbinding met de zonnepanelen en worden aangesloten op het openbare stroomnet. De gebouwen worden in de buurt van de waterkant gebouwd zodat de kabels van de zonne-eilanden zo kort mogelijk blijven. De gebouwen worden niet op de aanwezige gronddepots geplaatst. Het ontwerp van de gebouwen is nog niet bekend.
Indicatieve afmetingen van een omvormergebouw zijn 10x3x3 (lxbxh) meter en indicatieve afmetingen van een inkoopstation zijn 5x4x2,5 (lxbxh) meter (Provincie Utrecht, 2023). Een aan- en afvoerroute voor materiaal en materieel en de werkwijze van de uitvoering van de werkzaamheden zijn nog niet bekend. Dit is mede afhankelijk van de locatie van het inkoopstation, omvormergebouw en het (de) zonne-eiland(en). In de effectbeoordeling wordt ingegaan op de aanleg van het zonne-eiland en wordt worst case getoetst aan de bouw van een inkoopstation en omvormergebouw. Doordat onderzoek naar vleermuizen altijd ruimer wordt uitgevoerd dan het plangebied alleen, kunnen ook effecten van een eventuele aanvoerroute aan de noord- of zuidzijde van de plas beoordeeld worden. Een gedetailleerde uitvoeringsplanning voor het voornemen is nog niet bekend.
8/22
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
Figuur 2.3 Potentiële locaties voor het inkoopstation en omvormergebouw (groene stippen) binnen het plangebied op land (blauw omlijnd)
2.3
Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing
De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd: De zonnepanelen worden op minimaal 50 meter van de oevers gerealiseerd
Er worden geen bomen gekapt Zonnepanelen worden schoongemaakt met water, niet met schoonmaakmiddelen (al dan niet biologisch of afbreekbaar)
Er mag geen uitspoeling plaatsvinden van zware metalen, oplosmiddelen of andere chemische stoffen Het vergraven of dempen van oppervlaktewater is geen onderdeel van de werkzaamheden
De toetsing in dit rapport is gericht op de aanlegfase waarbij het zonne-eiland en 1 of 2 gebouwen worden geplaatst op de oever. Het vervangen van de omvormers en het verwijderen van het zonne-eiland na de het verstrijken van de technische levensduur maken geen deel uit van dit rapport
9/22
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
3 Relevante soorten en mogelijke effecten en verbodsbepalingen In de natuurtoets is gebleken dat niet op voorhand uitgesloten kan worden dat beschermde vleermuissoorten in het plangebied voorkomen en dat negatieve effecten op beschermde soorten tot een overtreding van de verbodsbepalingen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) leidt (TAUW, 2024). Verblijfplaatsen Rondom de waterplassen zijn mogelijk bomen aanwezig met holtes, scheuren en/of loszittend schors die kunnen dienen als rust- en verblijfplaats voor vleermuizen. Doordat geen bomenkap plaatsvindt blijven deze verblijfplaatsen behouden. Indien verlichting aan de buitenzijde van deze gebouwen of op het zonne-eiland wordt aangebracht, dient deze vleermuisvriendelijk te zijn, zodat wezenlijke verstoring van vleermuizen voorkomen wordt en eventuele verblijfplaatsen in de bomen nabij de gebouwen behouden blijven en niet aangetast worden. Met vleermuisvriendelijke verlichting wordt in de regel bedoeld: verlichting in het juiste kleurenspectrum en van lage intensiteit die zo min mogelijk effect hebben op vleermuizen. Daarnaast dient verlichting zo afgesteld te zijn dat op geen enkele manier geschikte verblijfplaatsen in gebouwen of bomen aangelicht worden. De toepassing van vleermuisvriendelijke verlichting is ook afhankelijk van de aangetroffen vleermuissoorten.
Een nader onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen in bomen is door het nemen van maatregelen zoals niet verlichting van boomholtes niet nodig en het overtreden van de verbodsbepalingen in het Bal is uitgesloten. Een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit voor het vernielen van verblijfplaatsen van vleermuizen is dus ook niet nodig. Foerageergebieden Foerageergebieden van vleermuizen zijn onder andere groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen, andere opgaande begroeiing en watergangen. In het plangebied zijn dergelijke foerageergebieden aanwezig, namelijk de bosschage op de oostelijke oever, groenstroken rondom de waterplassen, (braam)struwelen op de gronddepots en de (luwe delen van de) waterplas zelf. Deze foerageergebieden zijn mogelijk essentieel voor het behoud van lokale vleermuispopulaties omdat, naast het IJsselstijnse bos ten westen van het recreatiegebied geen (grootschalige) groengebieden aanwezig zijn in de directe omgeving. Het plaatsen van de zonnepanelen op de oostelijke plas leidt mogelijk tot het aantasten van een essentiële functie als foerageergebied van het plangebied voor het behoud van lokale vleermuispopulaties van wateren meervleermuis die gespecialiseerd zijn in het vangen van insecten op het water. Vooral meervleermuis gebruikt daarbij (ook) grotere wateren.
Om aan te tonen of uit te sluiten dat essentiële foerageergebieden aanwezig zijn, is nader onderzoek nodig. Met dit nader onderzoek kan bepaald worden wat de mogelijke effecten zijn van de plaatsing van het zonne-eiland. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek is het nemen van maatregelen en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk.
10/22
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
Vliegroutes Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige elementen zoals bomenrijen, randen van bebouwing en watergangen. In het plangebied zijn dergelijke lijnvormige elementen aanwezig in de vorm van groenstroken. Deze vliegroutes zijn mogelijk essentieel voor het behoud van lokale vleermuispopulaties. De wateren zelf kunnen door water- en meervleermuis gebruikt worden als foerageergebied, maar vormen voor die soorten geen vliegroute. Het zijn immers geen verbindende elementen van potentiële verblijfplaatsen naar een essentieel foerageergebied. De plassen zelf vervullen immers mogelijk die functie als essentieel foerageergebied. Doordat geen bomenkap plaatsvindt is het uitgesloten dat vliegroutes verloren gaan die essentieel zijn voor het behoud van lokale vleermuispopulaties. Een nader onderzoek naar dit type leefgebied is dan ook niet nodig. Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor het aantasten van essentiële vliegroutes is ook niet nodig. Migratieroutes Voor migratieroutes geldt dat deze al min of meer in beeld zijn voor de belangrijkste soorten die daarvan gebruik maken (ruige dwergvleermuis en meervleermuis). Voor deze soorten is ten behoeve van migratieroutes ook een onderzoeksmethode vastgesteld. Voor ruige dwergvleermuis geldt dat de belangrijkste migratieroutes langs de kustlijn en de grote waterwerken zoals de afsluitdijk gevolgd worden.
Voor meervleermuis geldt dat met name grote lijnvormige wateren zoals rivieren en kanalen gevolgd worden om de migratie van noord naar zuid mogelijk te maken. Recente publicaties tonen aan dat de meervleermuis gebruik maakt van de Hollandse IJssel en het Amsterdam-Rijnkanaal als (onderdeel van) migratieroutes. Beide wateren waren in 2012 reeds bekend als (onderdelen van) migratieroute (Haarsma, 2012). De Nedereindse plassen vormen mogelijk een belangrijk foerageergebied van meervleermuizen die tussen zomer- en winterverblijfplaatsen de Hollandse IJssel of het Amsterdam-Rijnkanaal volgen. Hoewel dus een functie als essentieel foerageergebied niet uitgesloten kan worden (zie ook 3.6.3.2), vervullen de plassen geen functie als migratieroute. De plassen zijn immers geen onderdeel van de lijnvormige wateren die dergelijke routes vormen. Daarmee vormen de plassen dus hooguit een belangrijke ‘uitstap-‘ en ‘opvetplaats’ tijdens de reis naar het zuiden. Een onderzoek specifiek gericht op migratieroutes is daarom niet nodig. Het is wél belangrijk dat onderzoek naar foerageergebieden ook wordt uitgevoerd in de periode waarin migratie redelijkerwijs te verwachten is. Dit om de functie als opvetplaats te onderzoeken. Dat betekent dat het laatste onderzoek naar foerageergebieden aan het eind van de verplichte periode moet vallen.
Daarmee valt dat bezoek samen met de start van de migratieperiode voor meervleermuis. Tabel 3.1 Mogelijk aan te tasten soortfunctiecombinaties in het plangebied, hiernaar dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Type functie
Vleermuissoorten
Essentieel foerageergebied
Baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, watervleermuis
11/22
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
4 Onderzoeksmethode 4.1
Vleermuizen
Het vleermuizenonderzoek is uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2021 van Netwerk Groene bureaus (NGB, 2021). Dit is gedaan met behulp van een batdetector (type: Petterson D240X). Een batdetector is een apparaat dat ultrasone geluiden, die een vleermuis maakt, omzet in voor de mens hoorbare tikkende geluiden. Aan de hand van het ritme en de frequentie kan worden bepaald om welke vleermuissoort het gaat. Voor het determineren van soorten wordt daarnaast gebruik gemaakt van opnameapparatuur en speciale software voor het analyseren van vleermuisgeluiden. Ook zijn 3 warmtebeeldcamera’s ingezet om het gedrag van de vleermuizen te kunnen blijven volgen na zonsondergang en zijn 2 stand alone batdetectors ingezet welke gedurende alle onderzoeksrondes alle vleermuisgeluiden opnemen. De stand alone batdetectors worden geplaatst bij de 2 bruggen tussen de waterplassen, zie figuur 4.1. De warmtebeeldcamera’s worden verspreid over het plangebied ingezet, namelijk 1 voor de westelijke plas, 1 voor de oostelijke plas en 1 voor in de kano. Rekening houdend met de eisen uit het vleermuisprotocol, zijn 2 bezoeken nodig om uit te sluiten dat essentieel foerageergebied aanwezig is. Om het foerageergebied van vleermuizen in het onderzoeksgebied in kaart te brengen is door 6 ervaren ecologen gedurende 3 onderzoeksrondes door het plangebied gelopen, gevaren en gepost.
De ecologen die ingezet zijn, hebben aantoonbare ervaring met vleermuisonderzoek in het buitengebied. Ook hebben de meesten aantoonbare ervaring met de meervleermuis, en belangrijker nog, in combinatie met watervleermuis. Medewerkers zonder ervaring met meervleermuis zijn alleen ingezet als 2e persoon in de kano. Een derde bezoek is voor dit project ingezet om nóg duidelijkere uitspraken te kunnen doen over het gebruik van de plassen door vleermuizen. Op deze manier is het gebruik van de plassen door vleermuizen uiterst zorgvuldig onderzocht De startposities van de ecologen zijn weergegeven in figuur 4.1. Het betreft de volgende posities: 1 ecoloog loopt heen en weer langs de noord- en oostkant van de westelijke plas
1 ecoloog loopt heen en weer langs de zuid- en westkant van de westelijke plas 1 ecoloog loopt heen en weer langs de oostkant van de oostelijke plas 1 ecoloog loopt heen en weer over de landstrook tussen de waterplassen, waarbij de focus
gelegd wordt op de twee bruggen 2 ecologen voeren het onderzoek uit vanuit een kano. Met de kano wordt over beide waterplassen gevaren
12/22
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
Figuur 4.1 Startposities ecologen. Hierna hebben de ecologen steeds rondgelopen in vooraf bepaalde segmenten zodat de gehele oevers onderzocht zijn. De personen in de kano zijn constant rondvarend op het water aanwezig geweest en wisselden ieder half uur van plas. Het zwaartepunt van het onderzoek met de kano lag op de centrale delen van de plassen.
Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd onder goede weersomstandigheden: weinig wind (< 4 Bft), geen neerslag en een voldoende temperatuur (> 12 C°). In totaal zijn 3 veldbezoeken uitgevoerd in de periode 1 juni – 15 augustus 2024. De 1e onderzoeksronde moet uitgevoerd worden in de kraamperiode van vleermuizen. De 3e onderzoeksronde dient minimaal 8 weken na de 1e onderzoeksronde uitgevoerd te worden, tot uiterlijk 15 augustus. De 2e onderzoeksronde vindt plaats tussen de 1e en 3e onderzoeksronde, voor deze onderzoeksronde geldt geen minimale tussenperiode aangezien deze ronde aanvullend is ten opzichte van de eisen uit het vleermuisprotocol (NGB, 2021). Het gaat om de volgende onderzoeksperioden en tijden:
1e onderzoeksperiode: 1 avondbezoek (zonsondergang tot 2 uur en 30 minuten na zonsondergang) in de kraamperiode van vleermuizen (1 juni – 20 juni) 2e onderzoeksperiode: 1 avondbezoek (zonsondergang tot 2 uur en 30 minuten na zonsondergang), in de periode 1 juni - 15 augustus 3e onderzoeksperiode: 1 avondbezoek (zonsondergang tot 2 uur en 30 minuten na zonsondergang) 8 weken na de 1e onderzoeksronde, uiterlijk op 15 augustus
13/22
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
Tabel 4.4.1 Data, focus/doel en weersomstandigheden per veldbezoek Ronde
Datum bezoek
Tijd bezoek
Focus/doel
Weersomstandigheden
1
5 juni 2024
21:45 – 00:28
Foerageergebied
Droog, onbewolkt (< 10%),
2
18 juli 2024
20:43 – 00:18
Foerageergebied
3
14 augustus 2024
21:01 – 23:42
Foerageergebied
13 °C, 1 Bft Droog, half bewolkt (1080%), 24 °C, 2-3 Bft Droog, bewolkt (>80%), 22 °C, 1 Bft
Aanvullende onderzoeksronde Om aan het Vleermuisprotocol 2021 van Netwerk Groene bureaus (NGB, 2021) te voldoen is het afdoende om alleen de 1e en 3e onderzoeksronde uit te voeren. Er is voor gekozen om een extra onderzoeksronde (2e onderzoeksronde) uit te voeren, om meer inzicht te krijgen in het verschil in gedrag/activiteit van vleermuizen bij verschillende weersomstandigheden. Zo is onderzoek gedaan tijdens iets koelere temperatuur met weinig wind (5 juni) en tijdens warmer weer met matige wind (18 juli) en tot slot met warm weer en weinig wind (14 augustus). De spreiding van de onderzoeken valt tot slot samen met de belangrijkste momenten in de jaarcyclus van de belangrijkste doelsoort meervleermuis. Meervleermuizen vormen zogeheten kraamgroepen en mannengroepen en migreren daarnaast jaarlijks tussen zomer- en winterverblijfplaatsen. Voor kraamgroepen en (gemengde) mannengroepen geldt dat de maanden juni en juli belangrijk zijn. In deze maanden zijn deze groepen immers op het hoogtepunt waardoor er een maximaal aantal dieren aanwezig is (Haarsma, 2023). Dit zijn dan ook de maanden waarop meer activiteit waarneembaar kan zijn bij foerageergebieden in de buurt van deze groepen. Vanaf de maand augustus breekt de migratieperiode aan waarbij meervleermuizen langs grote wateren van zomernaar winterverblijfplaatsen migreren.
Het toppunt van de migratietijd ligt tussen 15 augustus en 15 oktober, maar omdat het onderzoek gericht is op foerageergebieden moet het vleermuisprotocol gevolgd worden. Dat protocol stelt dat onderzoek tot 15 augustus uitgevoerd mag worden. Om binnen de protocolgrenzen te blijven en daarnaast zo dicht mogelijk bij de piek van de migratieperiode te blijven, is daarom gekozen om het onderzoek op 14 augustus te plannen. Dat is al ruim binnen de migratieperiode van meervleermuis die begin augustus start en valt nog binnen de datumgrens van 15 augustus die volgens protocol aangehouden moet worden. Hierdoor kan een uitgebreidere analyse plaatsvinden op het foerageergedrag van de vleermuizen en de functie die het plangebied als foerageergebied heeft voor deze vleermuizen.
14/22
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
5 Resultaten In dit hoofdstuk zijn de resultaten van het uitgevoerde onderzoek uitgewerkt. Tevens is bepaald wat de effecten van de beoogde ontwikkeling zijn op de aangetroffen soorten en functies en of/welke verbodsbepalingen die zijn vermeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (mogelijk) worden overtreden.
5.1
Vleermuizen
5.1.1
Resultaten
Tijdens de 1e onderzoeksronde zijn in totaal 50-60 individuen gewone dwergvleermuis foeragerend waargenomen. Deze foerageerden voornamelijk langs de groenstructuren aan de zuidkant van beide waterplassen en rond het pad tussen beide plassen in. De eerste individuen zijn een uur na zonsondergang aangetroffen, later op de avond nam het aantal toe. Hieruit blijkt dat in de directe omgeving vermoedelijk geen (grote) verblijfplaatsen van de soort aanwezig zijn. Aan het einde van de onderzoeksronde is ook een individu ruige dwergvleermuis aangetroffen, deze had ook geen binding met de waterplas. Halverwege de onderzoeksronde is het eerste individu watervleermuis waargenomen. In totaal zijn 20-40 individuen watervleermuis foeragerend aangetroffen. Deze foerageerden voornamelijk aan de zuidkant van beide waterplassen boven het water. De vleermuizen gebruiken daarbij vermoedelijk de luwte die ontstaat door de begroeiingen op de oever. Gedurende de onderzoeksronde is ook eenmalig een gewone grootoorvleermuis waargenomen aan de zuidwestzijde van de bosschage aan de oostkant van de oostelijke plas. Dit individu had geen binding met de waterplas, maar foerageert vermoedelijk in de bosschages aan de zuidzijde van de waterplas.
Nabij de noordelijke brug tussen de 2 waterplassen en aan de westzijde van de westelijke plas zijn aan het einde van de van de onderzoeksronde vanaf 23:48 ook 2 foeragerende meervleermuizen aangetroffen (zie figuur 5.1 voor een sonogram van een opname).
15/22
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
Figuur 5.1 Sonogram van een langsvliegende foeragerende meervleermuis op 5 juni 2024.
In tabel 5.1 zijn de resultaten van de 2 stand-alone batdetectors opgenomen. Te zien is dat bij beide bruggen activiteit van watervleermuizen en gewone dwergvleermuizen is geconstateerd. Van gewone dwergvleermuis kan aangenomen worden dat het om foerageeractiviteit gaat. Voor watervleermuis geldt dat de individuen zowel foeragerend aanwezig zijn als langsvliegend. Hieruit blijkt dat uitwisseling van watervleermuizen tussen beide plassen dus met name over water gaat. Dat past goed bij de ecologie van de soort. Tot slot is bij beide bruggen eenmalig een meervleermuis geconstateerd. Tijdens het onderzoek is ook met warmtebeeldcamera vastgesteld dat watervleermuizen onder de bruggen door vliegen. Tabel 5.1 Resultaten stand-alone batdetectors 1e onderzoeksronde Ronde 1
Stand alone noordelijke brug
Stand alone zuidelijke brug
Gewone dwergvleermuis
98
92
Ruige dwergvleermuis
1
2
Rosse vleermuis
0
0
Meervleermuis
1
1
Watervleermuis
21
29
Tijdens de 2e onderzoeksronde zijn vanaf 22:30 de eerste individuen gewone dwergvleermuis waargenomen. Deze foerageerden opnieuw voornamelijk langs de groenstructuren langs de waterplassen. Later op de avond, rond 22:47 is de eerste foeragerende meervleermuis waargenomen aan de noordwestzijde van de westelijke plas. Iets later, vanaf 22:50 foerageerden twee individuen langdurig in de zuidwesthoek van de westelijke plas. Daarbij foerageerden ze beiden rond de kano, maar te allen tijde in de buurt van de randen van de plas.
16/22
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
Hoewel de personen in de kano voornamelijk de centrale delen van de plassen onderzochten, zijn ook vanuit de kano voornamelijk waarnemingen gedaan wanneer men dichter bij de oevers voer. Later op de avond vond ook foerageeractiviteit op de oostelijke plas plaats. In totaal foerageerden ongeveer 5 individuen meervleermuis tegelijk boven het wateroppervlak van de waterplassen. Tijdens de onderzoeksronde zijn verder foeragerende exemplaren van laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis waargenomen. Van watervleermuis lag het aantal individuen beduidend lager dan tijdens de het eerste veldbezoek. Van zowel water- als meervleermuis is vastgesteld dat zij met name van de randen van de plassen gebruik maken als foerageergebied. Watervleermuis kon opnieuw vastgelegd worden terwijl ze onder de brug doorvlogen. Vooralsnog is er in het midden van de waterplassen vrij weinig foerageeractiviteit waargenomen van vleermuizen en lijken voornamelijk de zuidelijke delen met groenstroken van beide waterplassen van belang als foerageergebied. Tijdens deze onderzoeksronde was geen duidelijk onderscheidt in foerageeractiviteit tussen de 2 waterplassen vast te stellen. In tabel 5.2 zijn de resultaten van de 2 stand-alone batdetectors opgenomen. Te zien is dat de activiteit beduidend lager was dan bij het eerste bezoek.
Of dat met een iets hogere windsnelheid te maken heeft, is niet met zekerheid te stellen. Vergeleken met het eerste bezoek zijn iets meer opnames van meervleermuis gemaakt. Tabel 5.2 Resultaten stand alone-batdetectors 2e onderzoeksronde Ronde 2
Stand alone noordelijke brug
Stand alone zuidelijke brug
Gewone dwergvleermuis
44
5
Ruige dwergvleermuis
3
2
Rosse vleermuis
2
0
Meervleermuis
3
1
Watervleermuis
14
24
Tijdens de 3e onderzoeksronde is het beeld hetzelfde als bij de overige bezoeken. Enkele meervleermuizen en enkele watervleermuizen foerageren vanaf een uur na zonsondergang constant boven het water. Met name aan de zuidrand van beide plassen is activiteit wederom waarneembaar, maar ook rondom de brug aan de noordzijde van de plas is veel activiteit waarneembaar. Andere waargenomen soorten zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. In tabel 5.3 zijn de resultaten van de 2 stand-alone batdetectors opgenomen. Opvallend is het relatief hoge aantal meervleermuizen bij de zuidelijke brug terwijl bij de noordelijke brug geen enkele meervleermuis is vastgelegd. Verder zijn de resultaten meer vergelijkbaar met de 1e ronde dan met de 2e. Bij beide bruggen is duidelijk foerageeractiviteit alsmede langs vliegen van watervleermuis en (bij de zuidelijke brug) meervleermuis vastgelegd.
17/22
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
Tabel 5.3 Resultaten stand-alone batdetectors 3e onderzoeksronde. Ronde 3
Stand alone noordelijke brug
Stand alone zuidelijke brug
Gewone dwergvleermuis
31
52
Ruige dwergvleermuis
1
5
Rosse vleermuis
3
4
Meervleermuis
0
11
Watervleermuis
39
66
Figuur 5.2 Aangetroffen essentiële foerageergebieden Voor alle gebieden geldt dat de aanwezigheid van gewone en geconstateerd is. Alle delen die over het water liggen, geldt dat deze delen belangrijk zijn voor water- en meervleermuis.
Conclusie resultaten onderzoeken Met name de randen van beide plassen zijn belangrijk als foerageergebied (zie figuur 5.1). Daarbij valt op dat vooral bij de zuidelijke delen van de plassen een verhoogde activiteit van vleermuizen waarneembaar is. Logischerwijs is dat te verklaren door de begroeiingen die op de oevers staan en de overwegend zuidwestelijke wind in Nederland. Hoewel aan alle randen gefoerageerd wordt, zijn deze zuidelijke delen, inclusief het pad in het midden dus essentieel als foerageergebied. Het midden van de plassen is met een kano telkens goed onderzocht, maar buiten enkele langsvliegende exemplaren is er nooit duidelijk foerageeractiviteit waargenomen, ook niet bij zachte wind.
18/22
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
Het pad in het midden van de plassen wordt aan weerszijden gebruikt door vleermuizen en het gebied rondom de brug in het noorden is ook belangrijk voor foerageeractiviteit (zie figuur 5.1). Verder is duidelijk dat beide bruggen belangrijke knooppunten betreffen voor het wisselen tussen de oostelijke en westelijke plas voor water- en meervleermuis. Beide soorten maken heel regelmatig gebruik van de wateroppervlaktes onder de brug om van oost naar west of andersom te vliegen. Hoewel van een duidelijke vliegroute geen sprake is, zijn deze plekken essentieel voor beide soorten om met zo min mogelijk energieverlies te wisselen tussen beide plassen. 5.1.2 Effecten en verbodsbepalingen De beoogde ontwikkeling heeft tijdens de gebruiksfase geen negatieve effecten op essentieel foerageergebied van gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis, meervleermuis en watervleermuis. Genoemde vleermuizen maken met name gebruik van de randen, het pad in het midden en het gebied rondom de brug in het noorden. Voor het zonne-eiland wordt tenminste 50 meter afstand tot de oevers aangehouden omdat de zone binnen 50 meter van de oever het meest gebruikt wordt door vleermuizen. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat daarbuiten weinig foerageeractiviteit is waargenomen. Daarmee wordt ook voldoende afstand gehouden tot beide bruggen die eveneens belangrijk zijn voor water- en meervleermuis.
Fysiek negatieve effecten als gevolg van het zonne-eiland op foerageergebied zijn dan ook uit te sluiten. Vanwege de wind-brekende werking van het zonne-eiland zou het zelfs een positieve impact kunnen hebben op deze soorten. Dit omdat het zonne-eiland zelf theoretisch een nieuwe oever vormt waarlangs in de luwte gejaagd kan worden. Zeker wanneer het zonne-eiland met drijvend groen wordt uitgevoerd (TAUW, 2024b). Omdat onduidelijk is of de luwte van een zonne-eiland of drijvend groen ook daadwerkelijk gebruikt wordt door vleermuizen, kan niet met zekerheid een positief effect aan het zonne-eiland toegekend worden. Een negatief effect tijdens de gebruiksfase is echter uitgesloten mits rekening gehouden wordt met verlichting bij het zonne-eiland en omvormgebouw. Rekening houden met verlichting kent hierbij twee vormen: Verlichting op eventueel aanwezige boomholtes en de wateroppervlaktes moet te allen tijde voorkomen worden. Boomholtes moeten (opnieuw) in kaart worden gebracht wanneer
definitief bekend is waar gebouwen geplaatst worden en óf verlichting noodzakelijk is Verlichting op bosschages moet beperkt worden en ten minste afgestemd op de aanwezigheid van vleermuizen als het gaat om kleur en intensiteit. Dat geldt voor zowel de aanleg als de gebruiksfase
Voor de bouw van het zonne-eiland geldt dat verlichting voorkomen moet worden in de maanden april tot en met en oktober. Meer- en watervleermuis zijn namelijk bijzonder kritisch ten aanzien van verlichting, maar verblijven buiten deze maanden in winterverblijfplaatsen. Toch is het aan te raden om ook in deze wintermaanden geen verlichting bij het zonne-eiland toe te passen in verband met de rustende watervogels op de plassen (TAUW, 2024b). Bij het omvormgebouw kan verlichting wél geplaatst worden, mits deze vleermuisvriendelijk toegepast wordt. Dat wil zeggen dat de juiste kleur gebruikt wordt (licht met geen blauw of witte kleur in het spectrum), dat de juiste intensiteit gebruikt wordt en dat verlichting zo min mogelijk uitstraalt naar groenstructuren en het water.
19/22
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
Als verlichting op deze manier wordt toegepast wordt tijdens de gebruiksfase geen overtreding van de verbodsbepalingen begaan zoals die vermeld zijn in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van de Omgevingswet. Rekening houden met verlichting in de aanleg en gebruiksfase kan verder uitgewerkt worden in een ecologisch werkprotocol wanneer de definitieve inrichting en werkwijze bekend is. Op dat moment kan de precieze lichtkleur en intensiteit bepaald worden en kan ook bepaald worden op welke plaatsen verlichting wel of niet toegestaan is. Het is daarnaast nog mogelijk dat nachtelijke verlichting helemaal niet noodzakelijk is bij aanleg- en gebruiksfase. Als dat de uitkomst van het ontwerp is, dan zijn effecten door verlichting eveneens uitgesloten. Concluderend kan gesteld worden dat, rekening houdend met vleermuizen en watervogels:
Bij de aanlegfase en in de gebruiksfase van het zonne-eiland geen verlichting gebruikt mag worden die over het wateroppervlak schijnt Dat bij de aanlegfase en in de gebruiksfase verlichting gebruikt mag worden richting groenstructuren voor zover die: Niet richting potentiële verblijfplaatsen uitstraalt Afgestemd is (qua kleur en intensiteit) op de aanwezige vleermuizen
6 Vervolgstappen In dit hoofdstuk is aangegeven of mitigerende maatregelen van toepassing zijn, of een omgevingsvergunning nodig is en onder welke voorwaarden een eventuele vergunning redelijkerwijs verleend kan worden.
6.1
Wanneer is een omgevingsvergunning nodig?
Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, meervleermuis, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis zijn tijdens nader onderzoek waargenomen. Het gaat om incidenteel voorkomen van ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Daarnaast gaat het om foerageergebied op het water van meervleermuis en watervleermuis en foerageergebied van gewone dwergvleermuis rond de plassen. Hoewel het foerageergebied van gewone dwergvleermuis, water- en meervleermuis essentieel is, zijn effecten uitgesloten en/of te voorkomen. Negatieve effecten zijn uitgesloten mits er tijdens de aanleg en gebruiksfase wordt voorkomen dat verlichting een verstorend effect heeft op essentieel foerageergebied van watervleermuis, meervleermuis en gewone dwergvleermuis. Verlichting die uitstraalt richting het water moet voorkomen worden. Bij verlichting van de bebouwing (in of rond groenstructuren) is verlichting mogelijk mits rekening gehouden wordt met gewone dwergvleermuis (zie ook paragraaf 6.2). Om dit te borgen is het mogelijk de werkzaamheden onder begeleiding van ecoloog en/of onder ecologisch werkprotocol uit te voeren. Een omgevingsvergunning is niet nodig, indien rekening gehouden wordt met verlichting.
20/22
Kenmerk
6.2
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
Mitigatie
Om resteffecten van de werkzaamheden te minimaliseren is het in het kader van de zorgplicht nodig om te werken in de minst kwetsbare periode van vleermuizen (november-maart). Daarnaast is het in het kader van de zorgplicht van belang om te werken buiten het broedseizoen. Om overtreding van de verbodsbepalingen uit het Bal te voorkomen, is het daarnaast noodzakelijk om gebruik van verlichting te voorkomen of te beperken tot bovengenoemde periode. Als dat niet mogelijk is, zijn nadere maatregelen nodig om effecten op vleermuizen te voorkomen zoals in paragraaf 6.3 beschreven. Paragraaf 6.3 betreft echter geen complete uitwerking van de maatregelen. Daarvoor is immers een definitief ontwerp en werkwijze voor nodig. Bij gebruik van verlichting is het advies om deze maatregelen vast te leggen en toe te lichten in een ecologisch werkprotocol.
6.3
Overige maatregelen
In de door TAUW uitgevoerde natuurtoets (TAUW, 2024) en het watervogelonderzoek zijn nog overige maatregelen voor algemene broedvogels, soorten van de specifieke zorgplicht en andere soorten opgenomen. Bij het opstellen van een ecologisch werkprotocol (zie ook paragraaf 6.1) is het nodig om al deze maatregelen overzichtelijk, praktisch en afgestemd op de definitieve werkwijze en het definitieve ontwerp op te sommen. Het ecologische werkprotocol kan gebruikt worden om te borgen dat maatregelen genomen worden die overtredingen van de verbodsbepalingen uit het Bal moeten voorkomen. Het ecologisch werkprotocol is daarmee onmisbaar bij de uitvoering van het project.
7 Conclusie In dit hoofdstuk zijn de conclusies en gevolgen voor de beoogde ontwikkeling samengevat.
7.1
Aanleiding
Gemeente Utrecht is van plan om een zonne-eiland aan te leggen op de oostelijke plas van de Nedereindse plas aan de. TAUW heeft een natuurtoets uitgevoerd, gevolgd door een nader onderzoek naar het voorkomen van essentieel foerageergebieden van vleermuizen binnen het plangebied.
7.2
Conclusie
Gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis, meervleermuis en watervleermuis zijn tijdens nader onderzoek vastgesteld. Het gaat om incidenteel voorkomen van ruige dwergvleermuis, rosse dwergvleermuis, meervleermuis en foerageergebied van gewone dwergvleermuis en watervleermuis. Negatieve effecten zijn uitgesloten mits er mitigerende maatregelen worden genomen zoals werken buiten de kwetsbare periode (alleen overdag of in de periode novembermaart) en aangepast verlichting gebruiken. De resultaten van het soortgericht onderzoek in het plangebied zijn samengevat in tabel 7.1.
21/22
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
Tabel 7.1 Samenvatting resultaten soortgericht onderzoek (fg = foerageergebied) Soort
Aanwezig
Essentieel fg
Omgevingsvergunning nodig?
Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Nee, mits rekening gehouden wordt met verlichting.
Ruige dwergvleermuis
Ja
Nee
Nee
Rosse vleermuis
Ja
Nee
Nee
Laatvlieger
Ja
Nee
Nee
Gewone grootoorvleermuis
Ja
Nee
Nee
Meervleermuis
Ja
Ja
Nee, mits rekening gehouden wordt met verlichting.
Watervleermuis
Ja
Ja
Nee, mits rekening gehouden wordt met verlichting.
8 Literatuur Haarsma, A.J., 2023. Pond bat Myotis dasycneme. In Russo, D (red.). Handbook of the Mammals of Europe Chiroptera (pp. 193-224). Springer Nature, Switzerland, 2023. NGB, 2021. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging Vleermuisprotocol 2021, januari. TAUW, 2024. Natuurtoets zonne-eiland Nedereindse plas. Rapportage met kenmerk R0011293206FLR-V01-sss-NL, d.d. 29 maart 2024. TAUW, 2024. Watervogelonderzoek en biodiversiteitsadvies. Notitie met kenmerk N0011293206FLR-V02-sss-NL, d.d. 19 april 2024
22/22
Kenmerk
R002-1293206RGR-V02-ssc-NL
Ecologisch advies Zonnepark Nedereindse plassen Actualisatie natuurtoets en aanvullende onderbouwing vleermuizen 2 juli 2025
Kenmerk
R003-1302119RGR-V02-hme-NL
Verantwoording Titel
Ecologisch advies Zonnepark Nedereindse plassen
Opdrachtgever
Gemeente Utrecht - projectmanagementbureau
Projectleider Auteur(s) Tweede lezer Uitvoering meet- en inspectiewerk Kenmerk
R003-1302119RGR-V02-hme-NL
Aantal pagina’s
27 (exclusief bijlagen)
Datum
2 juli 2025
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Ekkersrijt 4008 Postbus 1680 5602 BR Eindhoven T +31 40 23 25 55 0 E info.eindhoven@tauw.com
2/27
Kenmerk
R003-1302119RGR-V02-hme-NL
Inhoud 1
Inleiding ..................................................................................................................................... 5
2
Plangebied en beoogde ontwikkeling ........................................................................................ 5
3
4
5
2.1
Plangebied ......................................................................................................................... 5
2.2
Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 7
Actualisatie natuurtoets ............................................................................................................. 9 3.1
Aanleiding actualisatie ....................................................................................................... 9
3.2
Methode actualisatie ........................................................................................................ 10
3.3
Flora ................................................................................................................................. 10
3.4
Grondgebonden zoogdieren ............................................................................................ 10
3.5
Vleermuizen ..................................................................................................................... 11
3.5.1
Verblijfplaatsen.......................................................................................................... 11
3.5.2
Functionele leefomgeving van verblijfplaatsen ......................................................... 12
3.6
Vogels .............................................................................................................................. 12
3.7
Amfibieën ......................................................................................................................... 12
3.8
Reptielen .......................................................................................................................... 13
3.9
Vissen .............................................................................................................................. 13
3.10
Vlinders ............................................................................................................................ 13
3.11
Libellen ............................................................................................................................. 14
3.12
Overige ongewervelden ................................................................................................... 14
3.13
Utrechtse soortenlijst ........................................................................................................ 14
3.14
Specifieke zorgplicht ........................................................................................................ 14
Nadere informatie en effectbeoordeling vleermuizen .............................................................. 16 4.1
Afstemming vergunningverleners van provincie Utrecht .................................................. 17
4.2
Nadere informatie vleermuizen ........................................................................................ 18
4.3
Essentieel foerageergebied ............................................................................................. 19
4.4
Beantwoording van de vragen ......................................................................................... 20
4.4.1
Een nadere onderbouwing dat foerageergebied alleen in de oeverzones ligt .......... 20
4.4.2
Onderbouwing waarborging functies, effecten zonnepanelen en ecologische plus . 21
4.4.3
Impact in de aanlegfase ............................................................................................ 24
Conclusie ................................................................................................................................. 26
3/27
Kenmerk
6
R003-1302119RGR-V02-hme-NL
5.1
Aanleiding ........................................................................................................................ 26
5.2
Conclusie ......................................................................................................................... 26
5.3
Vervolgstappen ................................................................................................................ 26
Literatuur ................................................................................................................................. 27
4/27
Kenmerk
R003-1302119RGR-V02-hme-NL
1 Inleiding Gemeente Utrecht is voornemens om op de Nedereindse plassen te Utrecht een zonnepark aan te leggen. Op basis van een voorlopig ontwerp heeft TAUW deze plannen reeds getoetst aan de geldende natuurwetgeving in een natuurtoets (TAUW, 2025a) en heeft TAUW nader onderzoek uitgevoerd naar de functies van de plassen en haar omgeving voor vleermuizen (TAUW, 2025b). Op verzoek van de gemeente Utrecht heeft TAUW daarnaast onderzoek gedaan naar watervogels (TAUW, 2025c). Van die watervogels was al in de natuurtoets geconstateerd dat effecten uitgesloten zijn die overtredingen van de Omgevingswet betekenen. Het watervogelonderzoek diende de intrinsieke motivatie van de gemeente om rekening te houden met aanwezige watervogels. Inmiddels is de gemeente verder in haar planvorming en is er een concreter ontwerp voorhanden om te toetsen. Daarin zijn ook de voorheen onduidelijke locaties van het inkoopstation, transformatorhuisje, aanlegsteiger voor de onderhoudsboot en kabels duidelijk geworden. De huidige planvorming maakt het mogelijk om een actualisatie van de natuurtoets uit te voeren, gericht op de geplande locaties van inkoopstation, transformatorhuisje en kabel. Ook de locatie en vorm van het zonnepark zelf is duidelijker geworden.
Naast een actualisatie van de natuurtoets, wordt in dit rapport ook aanvullende informatie behandeld met betrekking tot de aanwezige vleermuizen. Deze aanwezigheid is reeds in 2024 onderzocht (TAUW, 2025b) en door de gemeente gedeeld met provincie Utrecht. De vergunningverleners van de provincie hadden op basis van het onderzoek nog aanvullende vragen met betrekking tot vleermuizen. Deze aanvullende vragen worden in onderliggende notitie behandeld. In deze rapportage wordt in hoofdstuk 2 het plangebied en de beoogde ontwikkeling geschetst. In hoofdstuk 3 wordt de actualisatie van de natuurtoets behandeld waarin gefocust is op de nieuw bekende locaties van inkoopstation, transformatorhuisje en kabel. In hoofdstuk 4 worden vervolgens de effecten van dit ontwerp opnieuw getoetst aan de aanwezige vleermuizen en worden de vragen van de provincie Utrecht behandeld. Hoofdstuk 5 vat alle gegevens kort samen.
2 Plangebied en beoogde ontwikkeling Dit hoofdstuk beschrijft het plangebied en de voorgenomen ontwikkelingen die daar van toepassing zijn.
2.1
Plangebied
Het plangebied voor de voorgenomen ontwikkeling betreft de Nedereindse plassen te Utrecht. Aanvankelijk betrof het plangebied voor het ecologische onderzoek zowel de oostelijk als de
5/27
Kenmerk
R003-1302119RGR-V02-hme-NL
westelijk gelegen plas, maar de huidige ontwerpen gaan alleen uit van het gebruik van de oostelijk gelegen plas en de daaromheen gelegen oevers (zie figuur 2.1).
Figuur 2.1 Ligging van het plangebied. In de huidige situatie is bekend dat er in het zuidelijk gelegen deel op het land (blauw) geen werkzaamheden worden verricht (zie figuur 2.2)
De Nedereindse plassen betreft een recreatiegebied waar recreanten kunnen ontspannen, wandelen, fietsen, sporten, vogels kijken en vissen vanaf de oevers in het gebied. In het recreatiegebied liggen zoals gezegd twee waterplassen. Voor deze waterplassen geldt een zwemverbod. Tussen de waterplassen is een smalle landstrook aanwezig met een fiets- en wandelpad en een begroeiing van (jonge) wilgenbomen en (lokaal) intensief beheerd grasland. Op 2 plaatsen waar de waterplassen in verbinding staan met elkaar zijn bruggen aanwezig. Het plangebied bestaat uit de oostelijke plas en verschillende zones op het land daar omheen. Op het land gaat het om een strook aan de noordoostkant van de westelijke plas en een strook aan de zuidkant van de oostelijke en westelijke plas. De oostelijke plas betreft een diepe voormalige zandwindplas welke in het verleden gedeeltelijk is gedempt met bouw- en sloopafval. Deze plas is maximaal 20-25 meter diep. Rondom de plas is een wandel- en fietspad aanwezig. Langs de randen van de plas groeien smalle rietkragen. Het talud van de oevers loopt onder water steil af. Op de oostelijke oever is een smalle bosschage
6/27
Kenmerk
R003-1302119RGR-V02-hme-NL
aanwezig. Op de noordelijke-, westelijke- en zuidelijke oever is afwisselend begroeiing van bomen aanwezig, waaronder wilgensoorten en zwarte els en (lokaal) intensief beheerd grasland. Ten noorden van de oostelijke plas ligt een kunstmatige skipiste met een horecagebouw en een mountainbikeroute. Ten noorden van deze skipiste ligt een verharde parkeerplaats. Ten noorden en zuiden van de westelijke plas zijn ook parkeerplaatsen aanwezig. Grenzend aan de oostkant van het recreatiegebied ligt de Rijksweg A2 met daarachter de woonkern van Nieuwegein. Ten zuiden van het recreatiegebied ligt de woonwijk IJsselveld in IJsselstein. Ten noorden en westen van het recreatiegebied liggen agrarische percelen.
2.2
Beoogde ontwikkeling
Gemeente Utrecht is voornemens om een zonnepark aan te leggen op de oostelijke plas. Het zonnepark moet stroom gaan opwekken voor een groot aantal huishoudens. Om het zonnepark landschappelijk in te passen is een variantenstudie uitgevoerd door de gemeente. Daarnaast is voor de inpassing van het transformatorhuisje en inkoopstation tevens een variantenstudie uitgevoerd. Bij beide variantenstudies is al rekening gehouden met de resultaten van de door TAUW uitgevoerde natuuronderzoeken (TAUW, 2025a; TAUW, 2025b). In het huidige ontwerp bestaat het zonnepark uit een zonne-eiland met een min of meer rechthoekige vorm waarbij de lange zijdes aan oost- en westkant van het zonne-eiland aanwezig zijn (zie figuur 2.2). De westzijde van het zonne-eiland wordt groen ingericht met drijvend groen. Dat zorgt ervoor dat het zonne-eiland aan die zijde enigszins wegvalt tegen de omgeving.
7/27
Kenmerk
R003-1302119RGR-V02-hme-NL
Figuur 2.2 Ontwerp voor het zonne-eiland (donkerblauw vlak), het inkoopstation, het transformatorhuis, kabels en de aanlegplaats bij de Nedereindse plassen
Het inkoopstation is in de huidige ontwerpen ten noorden van de noordelijke parkeerplaats gesitueerd (zie figuur 2.2). Daar staat in de huidige situatie al een toiletgebouw. Het inkoopstation
8/27
Kenmerk
R003-1302119RGR-V02-hme-NL
wordt tegen dit toiletgebouw aan geplaatst. Het transformatorhuis moet ten zuiden van de skihelling op de noordoever van de plas gerealiseerd worden. Aan de noordoostzijde van de oostelijke plas wordt een aanlegplaats gecreëerd ten behoeve van een onderhoudsboot. De kabel die het transformatorhuisje verbindt met de op de plas gelegen zonnepanelen wordt verzonken aangebracht en ligt niet op het wateroppervlak.
3 Actualisatie natuurtoets In onderstaande paragrafen wordt beoordeeld of het nieuwste ontwerp effecten heeft op de eerder getrokken conclusies uit de natuurtoets door TAUW. Ook worden aanvullend de inmiddels bekende locaties voor de nutsvoorzieningen beoordeeld.
3.1
Aanleiding actualisatie
De door TAUW uitgevoerde natuurtoets is opgesteld met behulp van oriënterende veldbezoeken op 20 februari en 7 maart 2024 (TAUW, 2025a). Het plangebied en/of de natuurwet- en regelgeving zijn tussentijds niet noemenswaardig veranderd. Deze natuurtoets is daarom nog voldoende actueel om te gebruiken bij de voorgenomen ontwikkeling van het zonne-eiland. In de huidige fase zijn echter de locaties van het inkoopstation, het transformatorhuis en de aanlegsteiger bekend geworden en is bekend dat de kabel die het transformatorhuisje met het zonne-eiland verbindt, verzonken komt te liggen op de bodem van de plas. Tot slot is ook de vorm van het zonne-eiland vastgesteld. Dit geeft de aanleiding en mogelijkheid om de conclusies uit de eerder uitgevoerde natuurtoets te actualiseren naar het huidige ontwerp. De conclusies met betrekking tot beschermde natuurgebieden (zoals Natura 2000- en NNN-gebieden) en houtopstanden blijven onveranderd ten opzichte van de natuurtoets. Van bomenkap is geen sprake. In voorliggende rapportage wordt dan ook niet meer ingegaan op deze beschermde natuurwaarden. In onderstaande paragrafen wordt steeds per soortgroep behandeld of er als gevolg van het nieuwe ontwerp aanvullende of juist minder effecten op te verwachten beschermde soorten ontstaan.
9/27
Kenmerk
R003-1302119RGR-V02-hme-NL
Figuur 3.1 Sfeerimpressie van het plangebied (foto’s d.d.27 mei 2025). Linksboven de locatie van de nieuwe aanlegsteiger. Rechtsboven en -onder de locatie van het inkoopstation. De foto linksonder betreft de beoogde locatie voor het transformatorhuisje
3.2
Methode actualisatie
Op 27 mei 2025 heeft een ervaren ecologisch deskundige van TAUW opnieuw een oriënterend veldbezoek uitgevoerd bij de Nedereindse plassen te Utrecht. Tijdens het veldbezoek lag de focus op de beoogde locaties voor het realiseren van inkoopstation, transformatorhuisje en aanlegplaats. In figuur 3.1 is een sfeerimpressie van deze locaties weergegeven. Op 4 juni 2025 zijn zowel de NDFF als de ecoviewer van TAUW geraadpleegd. Beide bronnen geven geen aanleiding om, aanvullend op de reeds genoemde soorten in de natuurtoets (TAUW, 2025a) nieuwe of aanvullende beschermde soorten te verwachten dan die al vermeld zijn in de eerder uitgevoerde natuurtoets. Datzelfde geldt ook voor soorten die volgens de ‘Utrechtse soortenlijst’ beleidsmatig beschermd zijn.
3.3
Flora
De begroeiingen ter plaatse van de beoogde locaties voor het transformatorhuis, inkoopstation en de steigerplaats geeft geen aanleiding om beschermde plantensoorten te verwachten. De begroeiingen aldaar zijn, in lijn met de conclusie uit de eerder uitgevoerde natuurtoets, grazig en voedselrijk. Daarbij worden deze locaties relatief intensief gemaaid waardoor aanwezigheid van beschermde flora uitgesloten is. H Op de aangegeven locaties is sprake van een voedselrijke situatie en grazige vegetatie waarin geen van de plantensoorten zijn waargenomen die op de Utrechtse soortenlijst staan. Veel van de soorten op die lijst kunnen behouden worden door op het juiste moment te maaien en zaden uit het maaisel te kloppen. Alleen bij orchideeën werkt die methode niet omdat deze soorten relaties met andere organismen aangaan en die niet overal voorkomen. Op de nieuw onderzochte locaties zijn echter geen orchissen aangetroffen, terwijl het veldbezoek wel in de groeiperiode van deze soorten plaatsvond. Effecten op deze soorten zijn dan ook uitgesloten.
3.4
Grondgebonden zoogdieren
De conclusies van de eerder uitgevoerde natuurtoets blijven ongewijzigd als het gaat om bever, das, eekhoorn, haas, waterspitsmuis en boommarter. Er wordt, gelet op het huidige ontwerp namelijk niet gewerkt op het gronddepot waar verblijfplaatsen van boommarter, steenmarter en