CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagenbundel IPvE gebiedsontwikkeling Ockhuizen.pdf

Gemeenteraad 2 november 2023, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Integraal Programma van Eisen gebiedsontwikkeling Ockhuizen en verruiming van de algemene verklaring van geen bedenkingen voor zonne-energieproject OcK-Zon24.346 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

wordt de potentie van de gronden voor een verhoging van de biodiversiteit hoger dan wanneer er een intensief gebruik plaatsvindt. In Ockhuizen liggen de meest waardevolle locaties in het oostelijk deel en langs de watergangen in het overige deel van het gebied. De ontwikkeling van een zonnepark in het oostelijk deel wordt daarom sterk afgeraden. In het noordwestelijk deel zijn een aantal landbouwgronden waar de ontwikkeling van een zonnepark de huidige natuurwaarde niet zal verlagen, mits de watergangen ontzien worden en de oevervegetaties versterkt worden Het aanleggen van natuurvriendelijke oevers met een ontwikkelde oevervegetatie wordt geadviseerd. In conceptplannen wordt aangegeven dat het zonnepark door middel van bomen/struiken uit het zicht van bewoners en recreanten komen te liggen. Hoewel een goed ontwikkelde houtwal grote voordelen kan opleveren voor zowel de nu in het gebied aanwezige soorten (o.a. broedvogels en kleine marterachtigen), is het ook belangrijk om dat deel wat buiten het zicht wordt gehouden goed te beheren. Juist de ruimtes tussen de zonnepanelen bieden veel mogelijkheden voor de (uiteindelijke) ontwikkeling van kruidenrijke graslanden waar veel kansen liggen voor ongewervelden. Voor de ontwikkeling van een vegetatie is de plaatsing van de panelen van belang.

Zo blijkt uit onderzoek van Wageningen University (Schotman, 2021) dat een zuid-opstelling (plaatsing: …/…./…./…./….) beter is voor de ontwikkeling van vegetatie dan een oost-west opstelling (plaatsing: /\./\./\./\.). Meer ruimte tussen de panelen biedt meer kansen voor de vegetatie, bij de oost-west opstelling bereikt weinig tot geen zonlicht de bodem en wordt het regenwater niet meer gelijk verdeeld over de bodem. Hierdoor kan een verdichting van de bodem optreden en krijgt vegetatie geen kans om tot ontwikkeling te komen of kan er een verschuiving optreden van het type vegetatie. Van zonminnende vegetatie met veel

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht

37

grassen, naar vegetatie die wel kan gedijen in de verminderde licht- en watercondities. Door deze verandering in vegetatie zal de toplaag van de bodem onder de zonnepanelen droger en compacter worden, en de groei van de vegetatie verder afnemen. Er ontstaat dan minder voedsel voor bodemorganismen en de vorming van bodemorganische stof neemt af. Qua beheer van de vegetatie rondom de zonnepanelen wordt geadviseerd om in de ontwikkelingsfase (tenminste 5-10 jaar) gefaseerd te maaien en afvoeren om de voedselrijke bodem te verschralen. Wanneer er een kruidenrijke vegetatie tot stand is gekomen kunnen andere vormen van beheer verkend worden. Gedurende deze ontwikkelingsperiode dienen de locaties gemonitord te worden zodat het beheer bijgestuurd kan worden wanneer dit noodzakelijk is. 5.2.2 Toename recreatie Een verhoogde recreatiedruk kan negatieve effecten veroorzaken op een aantal in het gebied aanwezige soorten. Er wordt daarom geadviseerd om een groot deel van het gebied afgesloten te houden voor publiek en op andere locaties betreding van gebieden te beperken en het los laten lopen van honden te verbieden. Daarnaast kan er gedacht worden aan het na zonsondergang afsluiten van bepaalde delen van het gebied om zo tijdens de actieve periode van veel soorten de rust te behouden.

5.2.3 Algemeen beheer Gezien de aanwezigheid van kleine grondgebonden zoogdieren wordt geadviseerd om het maaibeleid aan te passen en rekening te houden met de kwetsbare perioden van soorten. Door de percelen van binnen naar buiten te maaien, kunnen soorten die zich in het

gebied schuilhouden op tijd vluchten voor de maaimachines. Tevens kunnen de wat ruigere randen langs de oevers van de gronden ontzien worden, op deze locaties houden soorten als egel zich verborgen en hebben geen kans om te vluchten wanneer er gemaaid wordt. Zo is er tijdens het muizenonderzoek bij raai 5 een dood gemaaide egel aangetroffen in het maaisel langs de oever. Hoewel het niet altijd mogelijk is om dergelijke incidenten te voorkomen kan door het aanpassen van het maaibeleid wel rekening worden gehouden met aanwezige soorten en wordt de kans op doden verlaagd. 5.2.4 Vleermuizen De huidige waarde van het gebied voor vleermuizen is redelijk laag, vooral met betrekking tot verblijfplaatsen en foerageergebied. Uit het onderzoek blijkt dat het gebied niet veel mogelijkheden voor verblijfplaatsen biedt. Er is weinig bebouwing in het gebied en er zijn maar weinig oude bomen met aantrekkelijke holtes voor vleermuizen. Het is mogelijk om het aanbod van verblijfplaatsen in de loop van de tijd veranderen als dat in het beheer wordt meegenomen. Om de potentie voor verblijfplaatsen te verhogen zouden er ook verspreid door het gebied vleermuiskasten aangebracht kunnen worden, zo zijn bijvoorbeeld bij de eendenkooi veel mogelijkheden voor vleermuiskasten. Ook leent het gebied zich uitstekend voor het plaatsen van een vleermuistoren of meerdere paalkasten.

Verder zal het omvormen van de landbouwgronden naar natuur met een meer ecologisch beheer het gebied aantrekkelijker maken als foerageergebied voor vleermuizen.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht

38

6 Bronnen

6.1

Literatuur

BIJ12, 12 juli 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis 1.0. Publicatienummer BIJ12-2017-004 BIJ12, 2017. Kennisdocument Grote modderkruiper 1.0, publicatienummer BIJ12-2017-007 Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea. – Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.

Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Jong, Th. de & K. van Bochove, 2016. De Grote modderkruiper, lastig te vangen? De Levende Natuur 117 (2): 65 – 69. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011. Vleermuizen Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Vertaling en bewerking PHC Lina. De Fontein/Tirion Uitgevers BV, Utrecht.

Boesveld, A., A.W. Gmelig Meyling, R.H. de Bruyne, 2009. Slakken van de Habitatrichtlijn waarnemen. Stichting Anemoon, Bennebroek.

Kleukers, R.M.J.C., E.J. van Nieukerken, B. Odé, L.P.M. Willemse & W.K.R.E. van Wingerden, 1997. De sprinkhanen en krekels van Nederland (Orthoptera). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.

Boesveld, A., A. Gmelig Meyling & R. de Bruyne, 2011. Natuurbeheer, bescherming en biotoopeisen van drie bijzondere Nederlandse slakken: de Nauwe korfslak, de Zeggekorfslak en de Platte schijfhoren. De Levende Natuur, 112(3): 114 – 119.

Koelman, R.M., 2011. Waterspitsmuis Gemeente Utrecht. Beoordeling van vier gebieden in de Gemeente Utrecht op de kwaliteit als leefgebied voor de waterspitsmuis. Rapport 2010.74. Zoogdiervereniging, Nijmegen

Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & Eis Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden.

Korsten, E. & Brekelmans, F., 2014, Massaal in winterslaap, Stadswerk Magazine, 07/2014, pp. 40 - 42

Brouwer, T., B. Crombaghs, A, Dijkstra, A.J. Scheper & P.P. Schollema, 2010. Vissenatlas Groningen en Drenthe. Profiel Uitgeverij, Bedum.

Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.

Brouwer, T., M. Dorenbosch, R. van Eekelen & J. Spier, 2008. Vissenatlas Noord-Brabant. Profiel Uitgeverij, Bedum.

Limpens, H. & J. Regelink, 2017. Cursus vleermuizen en Planologie, Zoogdiervereniging.

Netwerk Groene Bureaus, 2017. Vleermuisprotocol 2017

Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. – Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht

39

Netwerk Groene Bureaus, 2017. Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017) Rychlik L., 2000. Habitat preferences of for sympatric species of shrews. In: evolution in the Sorex araneus group: Cytogenetic and molecular aspects. J.B. Searle and J.M. Wójcik, eds.). Acta Theriologica 45, suppl. 1: 173-190. Schotman, A, F.F. van der Zee, G. Hazeu, J. Bloem, J. Sluijsmans & M. Vittek, 2021. Verkenning van bodem en vegetatie in 25 zonneparken in Nederland; Eerste overzicht van de ligging van zonneparken in Nederland en stand van de kennis over het effect van zonneparken op de bodemkwaliteit. Wageningen, Wageningen Environmental Research, Rapport 3061. 112 b SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.

Spitzen – Van der Sluijs, A.M., R. Zollinger & A.C. van Rijsewijk, 2007. Ecologisch onderzoek aan de rugstreeppad in de Noordoostpolder. Stichting RAVON, Nijmegen. • Spitzen – Van der Sluijs, A.M. & A. van Rijsewijk, 2008. Landschapsgebruik van de rugstreeppad in een intensief agrarisch landschap. Tijdschrift RAVON 30: 45-50 Twisk, P., Diepenbeek, A. van, Bekker, J.P., 2010. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Zeist.

6.2

Websites

Geo-point Utrecht Via: https://geo-point.provincie-utrecht.nl Verspreidingsatlas planten Via www.verspreidingsatlas.nl/planten Nationale Databank Flora en Fauna Via www.ndff-ecogrid.nl/

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht

40

Bijlage A. Vegetatiekartering Tabel A1 | Geïnventariseerde planten langs sloten,

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Locatie

Dichtheid

Gestreepte witbol Gewone hoornbloem Gewone waterbies Glanzhaver Holpijp Kruipende boterbloem Lidrus Liesgras Moerasrolklaver Moeraswalstro Pitrus Ruige zegge Scherpe zegge Tweerijige zegge Waterzuring Biezenknoppen Gewone hoornbloem Gewone waterbies Grote egelskop Liesgras Moerasvergeet-mij-nietje Scherpe zegge Tweerijige zegge Veldlathyrus Veldzuring Zomprus Biezenknoppen Echte koekoeksbloem Echte valeriaan Gele lis Harig wilgenroosje Kruipende boterbloem Liesgras Moerasrolklaver Riet Scherpe zegge Tweerijige zegge Veenwortel Veldzuring

Holcus lanatus Cerastium fontanum Eleocharis palustris Arrhenatherum elatius Equisetum fluviatile Ranunculus repens Equisteum palustre Glyceria maxima Lotus pedunculatus Galium palustre Juncus effusus Carex hirta Carex acuta Carex disticha Rumex hydrolapathum Juncus conglomeratus Cerastium fontanum Eleocharis palustris Sparganium erectum Glyceria maxima Myosotis scorpioides Carex acuta Carex disticha Lathyrus pratensis Rumex acetosa Juncus articulatus Juncus conglomeratus Silene flos cuculi Valeriana officinalis Iris pseudacorus Epilobium hirsutum Ranunculus repens Glyceria maxima Lotus pedunculatus Phragmites australis Carex acuta Carex disticha Persicaria amphibia Rumex acetosa

1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3

algemeen talrijk algemeen schaars talrijk weinig talrijk weinig talrijk weinig talrijk weinig talrijk algemeen weinig talrijk talrijk weinig weinig weinig schaars algemeen talrijk talrijk weinig talrijk talrijk schaars schaars schaars schaars schaars schaars talrijk schaars algemeen algemeen schaars weinig

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht

41

Waterzuring Blauw glidkruid Gele lis Hoge cyperzegge Moerasrolklaver Moerasspirea Moeraswalstro Pitrus Scherpe zegge Watermunt Waterzuring Wolfspoot Zwanenbloem

Rumex hydrolapathum Scutellaria galericulata Iris pseudacorus Carex pseudocyperus Lotus pedunculatus Filipendula ulmaria Galium palustre Juncus effusus Carex acuta mentha aquatica Rumex hydrolapathum Lycopus europaeus Butomus umbellatus

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht

3 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4

schaars talrijk talrijk talrijk schaars schaars talrijk algemeen algemeen talrijk talrijk algemeen schaars

42

Tabel A.2 | Overzicht waarnemingen vaatplanten Nederlandse naam Wetenschappelijke naam

aantal waarnemingen

Bijzonderheid

Aarvederkruid

Myriophyllum spicatum

3

Beekpunge

Veronica beccabunga

1

Biezenknoppen

Juncus conglomeratus

2

Blauw glidkruid

Scutellaria galericulata

1

Dotterbloem

Caltha palustris

2

Echte koekoeksbloem

Silene flos cuculi

4

Echte Valeriaan

Valeriana officinalis

2

Egelboterbloem

Ranunculus flammula

5

Engels Raaigras

Lolium perenne

1

Gele Lis

Iris pseudacorus

3

Gele Plomp

Nuphar lutea

1

Gestreepte witbol

Holcus lanatus

1

Gevleugeld Hertshooi

Hypericum tetrapterum

1

Gewone Bermzegge

Carex spicata

1

Gewone Brunel

Prunella vulgaris

2

Gewone Hennepnetel

Galeopsis tetrahit

1

Gewone hoornbloem

Cerastium fontanum

2

Gewone Rolklaver

Lotus corniculatus

1

Gewone waterbies

Eleocharis palustris

2

Gewoon Reukgras

Anthoxanthum odoratum

1

Glad Walstro

Galium mollugo

3

Glanzhaver

Arrhenatherum elatius

1

Goudgele Honingklaver

Melilotus altissimus

2

Grote Brandnetel

Urtica dioica

1

Grote Egelskop S.l.

Sparganium erectum

5

Grote Kaardebol

Dipsacus fullonum

1

Utrechtse soortenlijst

Grote Kattenstaart

Lythrum salicaria

3

Utrechtse soortenlijst

Grote Lisdodde

Typha latifolia

1

Grote Ratelaar

Rhinanthus angustifolius

1

Grote Waterweegbree

Alisma plantago-aquatica

2

Haagwinde

Calystegia sepium

1

Harig Wilgenroosje

Epilobium hirsutum

2

Heelblaadjes

Pulicaria dysenterica

1

Heen

Bolboschoenus maritimus

1

Heggenwikke

Vicia sepium

1

Hoge Cyperzegge

Carex pseudocyperus

5

Holpijp

Equisetum fluviatile

11

Jakobskruiskruid

Senecio jacobaea

1

Kale Jonker

Cirsium palustre

1

Kamgras

Cynosurus cristatus

1

Kleine Leeuwentand

Leontodon saxatilis

2

Kleine Lisdodde

Typha angustifolia

1

Knoopkruid

Centaurea jacea

1

Koninginnekruid

Eupatorium cannabinum

1

Kruipende Boterbloem

Ranunculus repens

3

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht

Utrechtse soortenlijst

Rode lijst: gevoelig

43

Krulzuring

Rumex crispus

1

Lidrus

Equisetum palustre

2

Liesgras

Glyceria maxima

3

Moerasrolklaver

Lotus pedunculatus

8

Moerasspirea

Filipendula ulmaria

5

Moerasvergeet-mij-nietje

Myosotis scorpioides

2

Moeraswalstro

Galium palustre

2

Moeraswederik

Lysimachia thyrsiflora

3

Muskuskaasjeskruid

Malva moschata

1

Ongelijkbladig vederkruid

Myriophyllum heterophyllum

3

Pastinaak

Pastinaca sativa subsp. sativa

1

Peen

Daucus carota

2

Pijlkruid

Sagittaria sagittifolia

1

Pijptorkruid

Oenanthe fistulosa

5

Pitrus

Juncus effusus

2

Reuzenbalsemien

Impatiens glandulifera

1

Riet

Phragmites australis

1

Rode Kornoelje

Cornus sanguinea

1

Ruige Zegge

Carex hirta

4

Scherpe Boterbloem

Ranunculus acris

3

Scherpe Zegge

Carex acuta

6

Slanke Waterkers/Witte Waterkers Slipbladige Ooievaarsbek

Nasturtium microphyllum/Nasturtium officinale Geranium dissectum

1

Timoteegras

Phleum pratense subsp. pratense

4

Tweerijige Zegge

Carex disticha

8

Valse Voszegge

Carex otrubae

2

Veenwortel

Persicaria amphibia

2

Veldlathyrus

Lathyrus pratensis

5

Veldzuring

Rumex acetosa

2

Watermunt

Mentha aquatica

2

Waterzuring

Rumex hydrolapathum

3

Wilde Marjolein

Origanum vulgare

1

Witte Honingklaver

Melilotus albus

1

Wolfspoot

Lycopus europaeus

3

Zomprus

Juncus articulatus

1

Zwanenbloem

Butomus umbellatus

13

Zwarte Bes

Ribes nigrum

1

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht

invasieve exoot

5

Utrechtse soortenlijst

Utrechtse soortenlijst

44

Bijlage B. Locaties materiaal marteronderzoek

Figuur A.1. | Locaties onderzoeksmateriaal marterachtigen. De rode cirkels geven locaties met waarnemingen aan.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht

45

Bijlage C. Locaties raaien muizenonderzoek

Figuur A.1. | Locaties raaien en struikrovers voor het onderzoek naar de waterspitsmuis.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht

46

Bijlage D. Wettelijk kader Wettelijk kader De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming heeft als doel bescherming, herstel en ontwikkeling van natuur zonder stijging van de lasten voor bedrijven en burgers. Het bevoegd gezag is gedecentraliseerd naar de Provincies. Deze decentralisatie houdt in dat de provincies nu o.a. verantwoordelijk zijn voor het toetsen van ontheffingsaanvragen. RVO blijft wel het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffing of vrijstellingen voor activiteiten en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland, waarvoor de provincies beleid maken.

Wet natuurbescherming Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden als afzonderlijke hoofdstukken opgenomen, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Zorgplicht Voor alle Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten (mét en zonder beschermstatus) is de zorgplicht van kracht (artikel 1.11). De zorgplichtbepaling houdt in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt aan Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurmonumenten en in het wild levende planten en dieren, evenals voor hun directe leefomgeving dergelijke handelingen achterwege laat, mitigerende maatregelen neemt of compenserende maatregelen neemt.

Natura 2000-gebieden De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden. In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en/of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Deze toetsing kan bestaan uit drie onderdelen; • Voortoets; • Verslechteringstoets of Passende Beoordeling; • ADC-toets. Voortoets Middels een Voortoets wordt onderzocht of de ingrepen (significant) negatieve effecten kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen binnen de Natura 2000-gebieden.

De Voortoets bestaat uit een beschrijving van het plan of project, de te verwachten effecten binnen en buiten het Natura 2000-gebied, en een analyse of daarbij (mogelijkerwijs) sprake is van significante effecten. In deze analyse mogen mitigerende en compenserende maatregelen niet meegenomen worden. Indien niet kan worden uitgesloten dat er significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen optreden moet een Passende Beoordeling worden opgesteld. Indien er zeker geen significant negatief effect is te verwachten dan is er geen vergunning nodig, bij het indienen van een aanvraag wordt er

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht

47

een besluit tot afwijzing genomen door het bevoegd gezag. Verslechteringstoets Indien uit de Voortoets blijkt dat er een kans is op een negatief effect, maar dat deze zeker niet significant is, dient er een Verslechteringstoets uitgevoerd te worden. In deze toetsing wordt er gekeken of de activiteit werkelijk een verslechtering van de natuurlijke habitats of habitats van soorten tot gevolg heeft. Het bevoegd gezag geeft aan welke gegevens verwacht worden en welke mate van gedetailleerdheid noodzakelijk is. Als uit de Verslechteringstoets blijkt dat er geen negatieve effecten optreden of dat de negatieve effecten aanvaardbaar zijn wordt de vergunning afgegeven, eventueel met voorwaarden of beperkingen. Tijdens het vaststellen van de mogelijk negatieve effecten mogen mitigerende maatregelen wél meegewogen worden in de beoordeling, compenserende maatregelen niet (Zie Kader Mitigerende en compenserende maatregelen). Kader | Mitigerende en compenserende maatregelen

Mitigerende maatregelen zijn maatregelen die de schadelijke gevolgen die rechtstreeks uit een plan of project voortvloeien, voorkomen of verminderen. Het doel van dergelijke maatregelen is het voorkomen van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied. Compenserende maatregelen zijn maatregelen die de aantasting (significante effecten) op de aangewezen habitats en -soorten in een natura 2000-gebied als gevolg van een project of plan compenseren. Passende beoordeling Indien uit de Voortoets blijkt dat er een kans is op een significant negatief effect, dient er een Passende Beoordeling uitgevoerd te worden. De Passende Beoordeling is vergelijkbaar met de Verslechteringstoets, maar is gedetailleerder en uitgebreider. Tijdens het vaststellen van de mogelijk negatieve effecten mogen mitigerende maatregelen wél meegewogen worden in de beoordeling, compenserende maatregelen niet. Indien uit deze toetsing blijkt de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aangetast worden kan een vergunning worden verleend en kan het plan vastgesteld

worden. Blijkt er echter dat er werkelijk sprake is van mogelijk significante effecten dan wordt een vergunning alleen afgegeven indien er geen Alternatieven zijn, er Dwingende redenen van groot openbaar belang zijn en er Compensatie plaatsvindt: de ADC-toets. ADC-toets Indien negatieve effecten niet uit te sluiten zijn, kan het plan alleen vastgesteld en vergund worden indien wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden (art. 2.8-4) a. Er zijn geen Alternatieve oplossingen b. Het project wordt uitgevoerd onder Dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard c. Er worden Compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

Soortbescherming Het hoofdstuk ‘Soortbescherming’ uit de Wet natuurbescherming bestaat uit drie aparte beschermingsregimes, ook wel de passieve soortbescherming genoemd: 1) de Vogelrichtlijn; 2) de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en; 3) nationaal beschermde soorten. Voor deze drie beschermingsregimes gelden verschillende verboden en wettelijke belangen voor een ontheffingsaanvraag. Vogelrichtlijn (artikel 3.1) Voor van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: 1. opzettelijk doden en vangen van vogels; 2. opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren; 3. eieren rapen en onder zich hebben; 4. opzettelijk verstoren van vogels; 5. het verbod onder 4 is niet van toepassing indien de verstoring niet van wezenlijk invloed is op de gunstige staat van instandhouding van de populatie. Een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht

48

ontheffingsaanvraag (zie paragraaf 2.3) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 3.3, lid 4: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora en fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten; 6. het selectief vangen, onder zich hebben of verstandig gebruik van bepaalde vogels. Habitatrichtlijn (artikel 3.5) Voor in het wild levende dieren van soorten, genoemd in de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, gelden de volgende verbodsbepalingen: 1. opzettelijk doden en vangen; 2. opzettelijk verstoren; 3. opzettelijk vernielen of rapen eieren; 4. opzettelijk beschadigen of vernielen voortplantings- of rustplaatsen; 5. opzettelijk plukken of vernielen planten. Een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.5 kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de ontheffingsaanvraag (zie paragraaf 2.3) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 3.8, lid 5: 1. ter bescherming van flora en fauna, en instandhouding van natuurlijke habitats; 2.

ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek of onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten of de daartoe benodigde kweek;

5. op selectieve wijze een aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben. Nationale beschermde soorten (artikel 3.10) Voor in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A gelden de volgende verbodsbepalingen: a. opzettelijk doden of vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Voor vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B gelden de volgende verbodsbepalingen: c. in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen. Een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.10 kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de ontheffingsaanvraag (zie paragraaf 2.3) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 3.8 lid 5 en artikel 3.10, lid 2: a. in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling; b. ter voorkoming van schade of overlast; c. ter beperking van de omvang van populaties; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud landbouw of bossen; f.

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; h. in het algemeen belang, of i. bestendig gebruik. Actieve soortbescherming Naast de passieve soortbescherming zijn provincies wettelijk verplicht om soorten te beschermen middels de Natuurvisie (artikel 1.7) en de actieve soortbescherming (artikel 1.12). In het kader van deze actieve bescherming kunnen de provincies de lijst met

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht

49

beschermde soorten uitbreiden en/of gebieden aanwijzen waarvoor een extra inspanning nodig is om de staat van instandhouding van populaties te behouden of te herstellen. Vogellijst Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd in het kader van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1). De nesten van vogels zijn beschermd als ze door de vogels in gebruik zijn, zowel in als buiten de gangbare broedperiode (15 maart tot 15 juli). De meeste vogels maken elk jaar een nieuw nest of zijn in staat een nieuw nest te maken. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. De nesten van deze vogelsoorten zijn jaarrond beschermd waardoor de verbodsbepalingen van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming het gehele jaar van toepassing zijn (zie Kader Jaarrond beschermde vogelnesten). De wetgever verstaat onder verblijfplaatsen van vogels ook nesten en holtes waar de vogels ook buiten de broedtijd regelmatig verblijven. Beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden is geregeld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming (voorheen Boswet). Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie.

Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen, op fruitbomen, op windschermen om boomgaarden, op naaldbomen bedoeld om te dienen als kerstbomen, op kweekgoed, op bepaalde beplantingen van wilgen of populieren, op bepaalde beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet. De provincie kan regels stellen ten aanzien van de meldingsplicht en de plicht tot herbeplanting. Alle

provincies hebben verordeningen vastgesteld waarin is geregeld hoe een kapmelding moet worden ingediend, waaraan herbeplanting moet voldoen en wanneer ontheffing van de herbeplantingsplicht kan worden verleend. Sommige provincies hebben ook beleidsregels vastgesteld waarin bijvoorbeeld is aangegeven wanneer een kapverbod wordt opgelegd. De Wet natuurbescherming beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. Waar de grens van de “bebouwde kom Wet natuurbescherming” ligt, wordt bepaald door de gemeenteraad. Dit valt vaak min of meer gelijk met de ‘bebouwde kom Verkeerswet’, maar kan afwijken. Binnen de bebouwde kom geldt meestal een kapverbod op grond van de algemene plaatselijke verordening (APV) of een gemeentelijke bomenverordening. Daarnaast kunnen gemeenten ook regels stellen voor bomen buiten de bebouwde kom, bijvoorbeeld in een bestemmingsplan

Ontheffing, vergunning of vrijstelling Het is mogelijk om voor de in de Wet natuurbescherming vermelde verboden een ontheffing of vergunning aan te vragen. Er kan alleen een ontheffing verleend worden als er aan drie criteria is voldaan: • Er is geen alternatieve bevredigende oplossing mogelijk; • Er moet sprake zijn van een wettelijk belang behorend bij het artikel dat overtreden wordt; • Er mag geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de populatie plaatsvinden. Vrijstelling Het is niet altijd nodig om een ontheffing aan te vragen wanneer er gevolgen voor beschermde planten- en diersoorten optreden. Er zijn verschillende soorten vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden indien strikt en aantoonbaar gewerkt wordt volgens een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode. De zorgplicht blijft ook bij het werken via een gedragscode onverminderd van kracht. Naast de gedragscode is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling te krijgen (artikel 3.11). Deze ministeriële regelingen zijn opgesteld door Gedeputeerde Staten als vrijstellingslijsten. Zie Bijlage E voor een overzicht voor de vrijgestelde soorten. In onderhavige rapportage

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht

50

wordt niet ingegaan op de voorkomende soorten van de vrijstellingslijst. Gezien de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied die zich binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden bevinden, zijn negatieve effecten van de werkzaamheden op beschermde soorten niet uit te sluiten. Dit betekent dat er mogelijk verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden worden. Een Natuurtoets Soortbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming is dan ook noodzakelijk.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland, waarvoor de provincies beleid maken (NNN). Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen geheel of gedeeltelijk binnen de begrenzing van het NNN plaatsvinden en een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd en/of negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden dient altijd een ‘Nee, tenzij’-toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden.

Kader | Jaarrond beschermde vogelnesten

De meeste vogels gebruiken hun nest slechts eenmalig voor de voortplanting. Elk jaar bouwen de dieren een nieuw nest op meestal een andere locatie. Nesten van deze vogels zijn slechts gedurende het broedseizoen beschermd. Er zijn echter ook vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn en waarop de verbodsbepalingen van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming het gehele jaar van toepassing zijn. Er worden 5 categorieën onderscheiden: 1. Vogels waarvan de nesten ook buiten het broedseizoen als rust- en voortplantingsplaats gebruikt worden (voorbeeld: steenuil). 2. Koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: gierzwaluw en huismus). 3. Vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar en kerkuil). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. (voorbeeld: ransuil). 5.

De volgende vogelsoorten behoren tot deze categorie: vogels die weliswaar terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of in de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De nesten van deze soorten zijn buiten het broedseizoen niet beschermd, tenzij zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht

51

Bijlage E. Overzicht algemene vrijstellingen Tabel B | Overzicht vrijgestelde soorten per provincie, V = vrijgesteld. Soortgroep

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Drenthe

Flevoland

Friesland

Gelderland

Groningen

Limburg

N-Brabant

N-Holland

Overijssel

Utrecht

Zeeland

Z-Holland

LNV

Provincie

Zoogdieren

Aardmuis

Microtus agrestis

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

Zoogdieren

Bosmuis

Apodemus sylvaticus

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

Zoogdieren

Bunzing

Mustela putorius

V

V

V

V

V

Zoogdieren

Dwergmuis

Micromys minutus

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

Zoogdieren

Dwergspitsmuis

Sorex minutus

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

Zoogdieren

Egel

Erinaceus europaeus

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

Zoogdieren

Eekhoorn

Sciurus vulgaris

Zoogdieren

Gewone bosspitsmuis

Sorex areneus

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

Zoogdieren

Haas

Lepus europeus

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

Zoogdieren

Hermelijn

Mustela erminea

V

V

V

V

V

Zoogdieren

Huisspitsmuis

Crocidura russula

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

Zoogdieren

Konijn

Oryctolagus cuniculus

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

Zoogdieren

Ondergrondse woelmuis

Pitymys subterraneus

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

Zoogdieren

Ree

Capreolus capreolus

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

Zoogdieren

Rosse woelmuis

Clethrionomys glareolus

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

Zoogdieren

Steenmarter

Martes foina

Zoogdieren

Tweekleurige bosspitsmuis Sorex coronatus

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

Zoogdieren

Veldmuis

Microtus arvalis

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

Zoogdieren

Vos

Vulpes vulpes

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

Zoogdieren

Wezel

Mustela nivalis

V

V

V

V

V

Zoogdieren

Wild zwijn

Sus scrofa

Zoogdieren

Woelrat

Arvicola terrestris

Reptielen

Hazelworm

Anguis fragilis

V3

Reptielen

Levendbarende hagedis

Zootoca vivipara

V4

Amfibieën

Bruine kikker

Rana temporaria

V

V

V

V

V

Amfibieën

Gewone pad

Bufo bufo

V

V

V

V

Amfibieën

Kleine watersalamander

Lissotriton vulgaris

V

V

V

Amfibieën

Meerkikker

Pelophylax ridibundus

V

V

Amfibieën

Bastaardkikker

Pelophylax kl. esculentus

V

V

V

V

V1

V

V

V

V2

V

V

V

V V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

1 alleen vrijgesteld in de periode tussen maart t/m april en juli t/m november 2 alleen vrijgesteld in de periode tussen 15 augustus t/m februari 3 alleen vrijgesteld in de periodes juli, augustus en september 4 alleen vrijgesteld in de periode tussen 15 augustus t/m 15 oktober

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht

52

Bijlage F. Ter zake kundige

TER ZAKE KUNDIGE Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit verstaat onder een kundige een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de kundige:

• op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie en/of; • op mbo-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Flora- en faunawet, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten en/of; • als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en/of; • zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties. • Alle medewerkers van Bureau Viridis voldoen aan de eisen van het ministerie en zijn ter zake deskundig.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht

53

Cultuurhistorische waardenstelling

Ockhuizen te Haarzuilens

Specialisten in Groen Erfgoed

Cultuurhistorische waardenstelling

Ockhuizen te Haarzuilens

Opdrachtgever: Gemeente Utrecht

Specialisten in Groen Erfgoed

Costerweg 1- K

6702 AA Wageningen

0317 424 167

www.sb4.nl

info@sb4.nl

SB4

Colofon © 2022, SB4 Bureau voor Historische Tuinen, Parken en Landschappen BV Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd of openbaar worden gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij op papier of digitaal, zonder voorafgaande toestemming van de opdrachtgever, in overleg met SB4. In geval van publicatie, geheel of gedeeltelijk, van dit als intern rapport bedoelde document, kan het noodzakelijk zijn om auteursrechten, copyright, publicatierechten en/of andere rechten te regelen met SB4 of andere partijen. De afbeeldingen in dit rapport zijn gemaakt door de auteurs en de kaarten zijn noordwaarts georiënteerd, tenzij anders aangegeven. Cultuurhistorisch en tuinhistorisch onderzoek, tekst en opmaak: SB4 Bureau voor Historische Tuinen, Parken en Landschappen ir. C.H.P.M. (Kees) van Dam, ir. E.M.J. (Eric) Blok bnt Costerweg 1-K 6702 AA Wageningen www.sb4.nl Projectnummer:

10810

Opdrachtgever: Contactpersoon: Versie:

Gemeente Utrecht A. (Anne) Schipper 2 maart 2022

Ockhuizen te Haarzuilens

Inhoud

INLEIDING........................................................................................................................ 5 1. INTRODUCTIE.............................................................................................................. 7 2. Beknopte RUIMTELIJKE ONTWIKKELING.............................................................. 11 11 2.1. Ontginning 2.2. Kasteel De Haar 11 2.3. Woonwijk Leidsche Rijn 11 3. Relicten en hun historische achtergrond............................................... 13 3.1. Sloten- en kavelpatroon 13 3.2. Kasteel De Haar 19 3.3. Landgebruik en landschapselementen 21 27 3.4. Bebouwing 29 3.5. Infrastructuur 31 3.6. Resume: datering huidige situatie 4. WAARDERING............................................................................................................. 37 37 4.1. Waarderingsmethode 39 4.2. Cultuurhistorische waarden en karakteristiek van het gebied 43 4.3. Waardering van deelgebieden 45 4.4. Waardekaart met elementen 5. aanbevelingen........................................................................................................ 47 47 5.1. Algemeen 47 5.2. Boscompensatie 48 5.3. Zonnepanelen BRONNEN........................................................................................................................ 49

3

SB4

4

Ockhuizen te Haarzuilens

INLEIDING

Binnen de gemeentegrenzen van Utrecht ligt één van de kleinste buurtschappen van de provincie: Ockhuizen. De tegenwoordige situatie wordt in belangrijke mate bepaald door de middeleeuwse ontginning, de parkaanleg rondom Kasteel De Haar en de recente recreatieve voorzieningen in relatie tot de nieuwbouw van Leidsche Rijn. Aanleiding voor het voorliggendonderzoek zijn de plannen voor inpassing van een zonneveld en boscompensatie. Deze ontwikkelingen zijn gepland binnen het noordelijke deel van het rijksbeschermde stads- en dorpsgezicht van Haarzuilens, op het gebied tussen A2, Haarijn, Polderweg, Ockhuizerweg en Rijnveldsche Boschpad. Vanwege deze status is door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed geadviseerd om een cultuurhistorische waardestelling te maken, om mee te nemen in de verdere afwegingen in de planvorming. Hierbij is door de gemeente Utrecht verzocht om in ieder geval aandacht te besteden aan de historische verkaveling, zichtlijnen in relatie tot het beschermd dorpsgezicht en Kasteel de Haar, bijzondere elementen zoals de eendenkooi, buurtschap Ockhuizen en mogelijke historische bossen, bosschages of boomgaarden in het gebied, en grondgebruik in het verleden. Op basis van de historische aspecten wordt inzicht verkregen in de aanwezigheid en ligging van de belangrijkste cultuurhistorische kernwaarden.

Ten slotte is gevraagd enkele aanbevelingen te doen wat betreft de inpassing van een zonnepark en boscompensatie, rekening houdend met de cultuurhistorische waarden. Voorliggend onderzoek is gebaseerd op een literatuur-, bronnen- en kaartenstudie en terreinbezoek. Het onderzoek is uitgevoerd door Kees van Dam (landschapsarchitect en historisch onderzoeker), met medewerking van Eric Blok (landschapsarchitect en tuinhistoricus), beiden werkzaam bij bureau SB4. SB4 Bureau voor Historische Tuinen, Parken en Landschappen Wageningen, 2021.

5

SB4

Actuele situatie van het onderzoeksgebied (bolletjeslijn). (Bron ondergrond: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.)

6

Ockhuizen te Haarzuilens

1. introductie

Locatiegegevens Hoofdadres: Thematerkade z.n., 3455 RX Haarzuilens Kadastraal: Gemeente Vleuten (VTN00), sectie D, diverse percelen. Onderzoeksgebied Het onderzoek richt zich op het landelijk gebied binnen de gemeente Utrecht, ten noorden van het park van Kasteel De Haar en ten westen van rijksweg A2. Het gebied wordt verder begrensd door de Haarijn, Schenkeldijk/Gieltjesdorp, Polderweg, Ockhuizerweg en het Rijnveldsche Boschpad. Het terrein omvat ca. 170 hectare. De ruimtelijke context en wijdere omgeving is waar nodig en relevant meegenomen in het onderzoek en de beschrijvingen. Huidig gebruik Het gebied kent een overwegend landelijk karakter met gronden in agrarisch gebruik. Aan de westzijde zijn twee (voormalige) boerderijen langs de Polderweg en Gieltjesdorp gelegen, namelijk ‘De Bom’ en ‘Dijkzicht’. Het buurtschap Ockhuizen bestaat uit vier (voormalige) boerderijen en een woning aan de noordzijde van de Ockhuizerweg/Thematerkade en drie woningen aan de zuidzijde. De erven en tuinen zijn omgeven door beplanting. Bij en achter nr. 24 ligt een grote fruitboomgaard. Aan de zuidoostzijde van het onderzoeksgebied liggen twee bungalows aan de Ockhuizerweg en zijn enkele woningen in ontwikkeling (nr. 39).

Aan de noordoostzijde van het onderzoeksgebied zijn nabij de eendenkooi en (voormalige) kooikerswoning (Thematerweg 4) enkele natuurontwikkelingsprojecten en recreatieve voorzieningen (wandel- en fietspaden). Aan de noordzijde vormt de Haarrijn, met daaraan een (voormalig) de afwatering van de polders en de wijk Leidsche Rijn naar het Amsterdam-Rijnkanaal. Bij het gemaal ‘Haarrijn’ is een (voormalige) dienstwoning gelegen. Status Het gebied valt geheel binnen het van rijkswege Beschermd Dorpsgezicht Haarzuilens, zoals aangewezen op 4 december 2013.1 Kasteel De Haar is aangewezen als rijksmonumentale Complex Historische Buitenplaats en ligt ten zuiden en net buiten het onderzoeksgebied.2 Binnen het onderzoeksgebied zijn vier rijksmonumenten aangewezen: Ockhuizerweg 20 (boerderij Het Klaverblad)3 en het complex van de eendenkooi bij Thematerweg 4 met kooikerswoning en tuinpaviljoen.4 De pand aan Polderweg 2 (Dijkzicht) is aangewezen als gemeentelijk monument.5 In het bestemmingsplan zijn tevens Ockhuizerweg 24 en 35 benoemd als waardevol of karakteristiek pand.6 Voor het gebied is tevens nadere regelgeving van toepassing, onder meer vanuit provinciale ruimtelijke verordeningen. Verdere beleidsanalyse is in het kader van dit cultuurhistorisch onderzoek niet uitgevoerd.

1 2 3 4 5 6

RCE, Beschermd Gebied nr. 223; https://archisarchief.cultureelerfgoed.nl/Beschermde_Gezichten/BG223/; RCE, Beschermd dorpsgezicht Haarzuilens, Toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermd dorpsgezicht Haarzuilens gemeente Utrecht (Utrecht) ex artikel 35 Monumentenwet 1988, 2013. RCE, Complexnr. 527891; https://monumentenregister.cultureelerfgoed.nl/monumenten/527892 RCE, Obj.nr. 37537 (aangewezen in 1977), RCE, Complexnr. 514789 en onderdelen eendenkooi (510856), kooikerswoning (514790) en tuinpaviljoen (514791), allen aangewezen in 2000. https://www.utrecht.nl/wonen-en-leven/wonen/uw-koopwoning/monument/monumentenlijst/; https://gemu.maps.arcgis. com/apps/webappviewer/index.html?id=50733b9f9ade426794da5f83b8b1f1ad Overzicht waardevolle panden Haarzuilens en overig monumenten versie 15 febr 2013, https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0344.BPHAARZUILENS-0401/tb_NL.IMRO.0344.BPHAARZUILENS-0401_5.pdf. Nr. 35 ligt buiten het onderzoeksgebied.

7

SB4

Aanwijzing van beschermde gezichten, complexen en monumenten in en rond het onderzoeksgebied (zwarte bolletjeslijn). De rijksmonumenten zijn aangeduid met een blauwe stip, het gemeentelijke monument binnen het onderzoeksgebied met een rode stip. De dunne rode lijn geeft de gemeentegrens van Utrecht aan. (Bron ondergrond: Kadaster, topotijdreis.nl.) Beschermd dorpsgezicht Complex Historische Buitenplaats

8

Ockhuizen te Haarzuilens

Archeologie Archeologie is als afzonderlijk beleidsterrein in onderhavig onderzoek niet nader onderzocht. Binnen het onderzoeksgebied bevinden zich geen archeologische rijksmonumenten.7 Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart uit 2009 zijn twee gebieden aangeduid als ‘hoge archeologische waarde’ (de historische erven) en een zone als gebied met archeologische verwachting (crevasses).8 In een actualisatie van de archeologische waardenkaart in 2022 blijft voor de rood aangeduide erven aan de Ockhuizerweg een hoge archeologische waarde gelden (vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 30 m2 en dieper dan 30 cm), waarbij het aangeduide vlak op de kruising van de Polderweg-Rijndijk vervalt. De ontginningsbasissen (Ockhuizerweg) en de kade (Westdijk) krijgen een hoge archeologische verwachting (vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm); de groen gearceerde zone op de waardenkaart uit 2009 wordt op de geactualiseerde waardenkaart uitgebreid en krijgt een middelhoge archeologische verwachting (vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 30 cm). Wit gebied op de huidige waardenkaart uit 2009 krijgt een lage archeologische verwachting op de geactualiseerde waardenkaart (vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 5000 m2 en dieper dan 30 cm).9

Uitsnede gemeentelijke archeologische waardenkaart 2009. (Bron: Afdeling Erfgoed, gemeente Utrecht.) 7 8 9

https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/bronnen-en-kaarten/overzicht/archeologie-in-nederland-amk-en-ikaw; https://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=Archeologie%2Din%2DNederland https://pki.utrecht.nl/Loket/product/19096562313d34964b6ae3244ec42f9b Bron: Wink, K., Kok, R.S. en R.A.C. Kroes, 2022: Toelichting op de Archeologische Beleidskaart gemeente Utrecht, RAAP-Rapport 3072, Weesp (in prep.); Afdeling Erfgoed, gemeente Utrecht.

9

SB4

ca. 1832

ca. 1900

ca. 1966

ca. 2021

Ruimtelijke ontwikkeling van het onderzoeksgebied aan de hand van vier fases.

hoofdgebouw bijgebouw erf/tuin boomgaard bos water

10

sloot weg pad kade

Ockhuizen te Haarzuilens

2. beknopte Ruimtelijke ontwikkeling

In deze samenvattende schets van de gebiedsgeschiedenis worden de drie meest bepalende ontwikkelingen aangestipt: de grote veenontginningen omstreeks 1100-1200, de herbouw van kasteel De Haar in pakweg 1900 en de aanleg van woonwijk Leidsche Rijn vanaf circa 2000. 2.1. Ontginning Bewoning van de oeverwal van de (Oude) Rijn vond al vroeg plaats, waaronder in de romeinse tijd. Enkele gunstig hoger gelegen terreinen werden relatief vroeg geschikt gemaakt voor vestiging en agrarisch gebruik, zoals de voormalige stroomruggen tussen Vleuten en Haarzuilens. Na de afdamming van de Rijn bij Wijk bij Duurstede in 1122 nam de ontginning van de uitgestrekte veengebieden een vlucht. Hierbij werden ook de polders Themaat, De Haar, Haarveld en Ockhuizen ontgonnen, vanuit zuidelijke richting en met een opstrekkende strokenverkaveling. Dit gebeurde in opdracht van de bisschop van Utrecht, die de gronden bij kasteel De Haar in bezit had. De ontginning vond echter later plaats dan die vanaf de Vecht, zodat men op de achter- en zijgrenzen van de blokken van Maarssenbroek en Gieltjesdorp stuitte. De Rijndijk (westzijde onderzoeksgebied) en Eikslaan (oostzijde onderzoeksgebied) vormden zijgrenzen van de blokken.

De Thematerkade en Ockhuizerdijk, waaraan twee boerderijen kwamen te liggen, vormden een iets latere begrenzing en aanpassing van het polderblok, naar aanleiding van een wijziging in de afwatering. 2.2. Kasteel De Haar In de periode tussen de 12e en 15e eeuw zou er een versterking per plekke van Kasteel De Haar gebouwd worden. Naast enkele nabijgelegen huizen als Den Ham, Den Eyck en Ter Mey groeide De Haar uit tot een residentie van invloedrijke families Van de Haar en later Van Zuylen. Tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten werd in 1482 het kasteel verwoest. Hoewel het weer zou worden hersteld verviel het kasteel vanaf de 17e eeuw tot een ruïne. Pas na de vererving op Etiènne baron van Zuylen van Nyevelt in 1890 volgde een herleving. Mede door zijn huwelijk met Hélène barones de Rothschild kon het kasteel via een zeer ambitieus bouwprogramma worden hersteld. Tezamen met de verschillende parkdelen, verplaatsing van het dorp naar een nieuw Haarzuilens en aankoop van vele gronden in de omgeving zou het één van de grootste ontworpen ensembles worden in Nederland. 2.3.

Woonwijk Leidsche Rijn In het begin van de jaren 90 werd het gebied ten westen van Utrecht door het Rijk aangewezen als uitbreidingslocatie: met meer dan 30.000 woningen de grootste Vinex-locatie in Nederland.10 Het grondgebied van de gemeente Vleuten-De Meern (waar in 1954 onder meer gemeente Haarzuilens in was opgenomen) werd daarbij toegevoegd aan gemeente Utrecht. In dezelfde periode werden rond Utrecht vier groengebieden aangewezen, als recreatievoorziening dichtbij de stad, waaronder Haarzuilens en omgeving. Om deze voorzieningen te realiseren, bestaande uit ca. 450 hectare openbaar toegankelijk recreatiegebied en ca. 15 kilometer aan paden, werd gekozen voor het instrument ‘herinrichting’, uitgevoerd door Dienst Landelijk Gebied. Daarnaast speelde een verdubbeling van de snelweg A2, waarover een nieuw viaduct kwam dat het gebied met Maarssenbroek zou gaan verbinden. Natuurmonumenten heeft in 2000 389 hectare van landgoed Haarzuilens verworven en is daarmee één van de belangrijkste grondeigenaren in het gebied geworden. Naaststaande schema’s geven een beeld van de ontwikkeling van het onderzoeksgebied in de laatste 200 jaar. Tot op de dag van vandaag overheerst een agrarisch karakter. De aanleg van het park bij kasteel De Haar had een zekere invloed in de vorm van de aanleg van de Polderweg en enkele bosjes ten noorden hiervan.

Ook kwam omstreeks 1900 tijdelijk de fruitteelt op, waartoe enkele percelen werden omgevormd tot boomgaard. In de jaren 70 vond een uitbreiding van bebouwing plaats door de bouw van enkele woonhuizen. Vanaf ca. 2010 is gewerkt aan recreatieve voorzieningen.

10

De vinex-locaties werden aangewezen in de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra uit 1991,

11

SB4

Uitsnede van de geomorfogenetische kaart, waarop crevasses bij Ockhuizen zijn aangegeven. (Bron: Huiting, 2020, p. 64; Berendsen, Genese.)

Uitsnede van de actuele hoogtekaart (AHN4), waarin het hoogteverloop van het maaiveld zich aftekent: van hoger gelegen (rood naar oranje en geel) naar lager gelegen (groen naar blauw). (Bron: www.AHN.nl)

12

Ockhuizen te Haarzuilens

3. Relicten en hun historische achtergrond

3.1. Sloten- en kavelpatroon Door de afdamming van de Rijn bij Wijk bij Duurstede in 1122 werd een betere waterbeheersing mogelijk van de gronden die benedenstrooms lagen. Eerder waren de gronden direct langs de Oude Rijn al in gebruik genomen (A, zie kaart volgende pagina), waarbij de Thematerweg en Bochtdijk de (globale) achtergrens van de oude ontginningen vormde.11 Vanaf de Vecht was men begonnen met een systematische verkaveling van het Otterspoorbroek en Maarssenbroek (B) volgens een cope-ontginning van ca. 1250 meter diep. Maarssenbroek werd in 1174 voor het eerst vermeld.12 De achtergrens van deze ontginning was de Oude(n)aarskade. Aansluitend op Otterspoorbroek werd een zelfde systematische ontginning uitgezet, namelijk het blok van Kortrijk, Vijfhoeven en Gieltjesdorp (F). De (latere) Haarrijn vormde de zuidelijke zijdwende (zijkade) van deze ontginning.13 In het gebied ten westenvan De Haar werd een ontginning gestart vanaf de Breudijk. In een vervolg op deze ontginning zal de regelmatige cope-ontginning van Gerverscop zijn gerealiseerd, waarbij de Gerverscopse dijk en wetering haaks werden uitgezet op een grens met De Haar. Vanaf de Lagehaarsedijk werden het Haarveld of De Haar uitgezet met regelmatige kavelindeling (D). Op de achtergrens van het ontginningsblok De Haar werd een nieuwe ontginning gestart: Laag-Nieuwkoop (K).

Deze laatste moet na Gieltjesdorp (F) en vóór Portengen (M) en Kockengen (N) zijn gerealiseerd. De gronden die behoorden tot Themaat (E, G, in het oostelijke deel van het onderzoeksgebied) bestonden hoofdzakelijk uit zwaarder te bewerken grondsoorten zoals fijne klei op veen, hetgeen de reden zal zijn geweest dat deze relatief laat werden ontgonnen. De ontginning van het blok in copen zou volgens Storm van Leeuwen geruime tijd vóór 1220 moeten hebben plaatsgevonden, mogelijk zelf vóór 1100, maar nadat de blokken van Maarssenbroek (B) en Gieltjesdorp (F) in het terrein waren uitgezet.14 De naam ‘Themaat’ duidt op een aanvankelijk gemeenschappelijk gebruik als gras- of hooiland van de bewoners van Vleuten. De Thematerdijk diende als ontginningsbasis en hieraan kwamen de boerderijen te liggen. De oorspronkelijke westgrens van de polder lag op de Eikslaan (globaal het huidige fietspad westelijk langs de eendenkooi). Aan de westzijde was voldoende ruimte om percelen van ca. 1250 à 1300 meter diep te maken, zodat hier een dwarssloot werd gegraven die (later) de naam Middelwetering kreeg. Het resterende driehoekige gebied (G) werd afzonderlijk verkaveld en kreeg later een eendenkooi.15 Het ontginningsblok van Ockhuizen (H, I,J) zal afzonderlijk zijn ontgonnen, mogelijk pas na Themaat. Het vormde een eigen tiendblok en viel gerechtelijk onder Themaat.

In 1285 is sprake van ‘woninghen tOechusen’.16 Het land in het blok viel onder vier hoeves: twee aan de Eiksstraat (zuidzijde) en twee aan de Ockhuizerdijk (midden). Deze laatste werd relatief diep in de ontginning gelegd, hetgeen mogelijk was door de aanwezigheid van crevasses (doorbraaksediment) in de ondergrond. Het gebied ten noorden van De Haar (C) betrof vermoedelijk een relatief late ontginning, die uitging van de bisschop van Utrecht zelf.17 De kavels direct ten noorden van het kasteel vielen onder het gebruik van het kasteel, de vier stroken ten oosten daarvan waren in gebruik bij de hoeves aan de Haardijk en de gronden nog verder naar ten oosten (tot aan de Thematerkade/Ockhuizerlaan) behoorden tot de 11 12 13 14

15 16 17

Blijdenstijn, R., Tastbare tijd 2.0, cultuurhistorische atlas van de provincie Utrecht, vierde druk, Amsterdam 2015, p. 279. Gaasbeek, F., et al., Maarssen, Geschiedenis en Architectuur, Monumenten-inventarisatie Provincie Utrecht, Uitgeverij Kerckebosch/SPOU, Zeist/Utrecht, 2007, p. 25. Manten, A.A., M. Laméris, Breukelen, Geschiedenis en Architectuur, Monumenten-inventarisatie Provincie Utrecht, Uitgeverij Kerckebosch/SPOU, Zeist/Utrecht, 2008, p. 21. Storm van Leeuwen, J.A., Themaat, van maat tot polder (I), in: Tijdschrift van de Historische Vereniging Vleuten, De Meern, Haarzuilens, jg. 18 1998 nr. 1, p. 18-25. Zie ook: Hartog, C.M.W. den, e.a., Terug naar Themaat, Het archeologisch onderzoek LR50 en LR52 naar drie huisplaatsen aan de Thematerweg, Basisrapportage archeologie 29, Gemeente Utrecht, 2009. Storm van Leeuwen, J.A., Themaat, van maat tot polder (II), in: Tijdschrift van de Historische Vereniging Vleuten, De Meern, Haarzuilens, jg. 18 1998 nr. 2, p. 29-36. Binnen deze ‘driehoek werd bij de aanleg van Rijksweg 2 (A2) een depot opgeworpen van veen uit het wegcunet, waarop spontaan berken opkwamen uit fossiel zaad. Huiting, 2020, p. 131. Huiting, 2020, p. 331.

13

SB4

M

F

N K

L

J

I

H

G

B

C D E

A

Indicatieve volgorde van ontginningen rondom Haarzuilens, op basis van de vorm en richting van het ontginningsblok en literatuur (Huiting, 2020, p. 51; Storm van Leeuwen, 1998). De rode bolletjeslijn geeft het onderzoeksgebied aan. A. Het oude land langs de Oude Rijn, o.a. Wielerveld (of Wilderveld) en Goystraat B. Maarssenbroek (vanaf de Vecht) C. De Haar ten oosten van de Rijndijk: De Haar D. De Haar ten westen van de Rijndijk: polder Haarveld/De Haar of Lage Haar E. Themaat F. Gieltjesdorp (vanaf de Vecht) G. Uitbreiding van Themaat aan noordzijde H. Uitbreiding van Themaat aan westzijde I. Ockhuizen J. Uitbreiding van De Haar aan oostzijde K. Laag-Nieuwkoop L. Uitbreiding van De Haar aan noordzijde, gerelateerd aan Laag-Nieuwkoop (Bron ondergrond: Hisgis; KNAW, Fryske Akademie.)

De boerderij aan de Ockhuizerweg 20 in 1971. (Bron: HUA, nr. 89021 en 89023.)

Een sloot met stuw langs de Thematerkade, 1971. (Bron: HUA, nr. 91943.)

14

Ockhuizen te Haarzuilens

Uitsnede van de ´Nieuwe Caerte van den lande van Utrecht´ door Bernard de Roy, 1743. Ockhuizen is door middel van een symbool van een door bomen omgeven huis aangeduid. Langs de Haarrijn zijn drie molen aangegeven: één aan de zijde van Gieltjesdorp, één aan het eind van de Thematerkade en één op de samenkomst van ‘Den Themater Ouwenaer’. Ter plekke van boerderij De Bom (aan het westelijk eind van de Westdijk) is een gebouw aangegeven. (Bron: WUR, Spec.Coll., RKk.I,370; https://images.wur.nl/digital/collection/coll21/id/526#.YekiYs0th4Y.link.)

Rode Hoeve.18 De percelen ten noorden van de Westdijk (L) werden mogelijk afzonderlijk ontgonnen of in samenhang met Laag-Nieuwkoop (K). Tot de gemeentegrensherzieningen in 1942 en 1963 behoorde dit blok namelijk tot de zelfstandige gemeente en heerlijkheid Laag-Nieuwkoop. Het is ook mogelijk dat de ontginning pas in de 13e eeuw plaatsvond, na de aanleg van de Haarrijn en Thematerkade, waarbij de Laag-Nieuwkoopse Dijk in verband met de waterhuishouding richting het oosten werd doorgetrokken. Deze kade werd de Westdijk (of Werfdijk) genoemd. Vanwege een afspraak tussen de graaf van Holland en de bisschop van Utrecht in 1226 om wateroverlast vanuit de Oude Rijn tegen te gaan, werd ten zuiden van kasteel De Haar een dam gelegd (bij hofstede De Wel). Hierdoor konden de polders onder Vleuten en Haarzuilens niet meer afwateren op de Oude Rijn. Er werd een alternatieve mogelijkheid gezocht in afwatering op de Vecht. Deze werd gevonden in de aanleg van de Haarrijn, die het water uit de polders Themaat, De Haar en Laag-Nieuwkoop ging afvoeren. Mogelijk werd na die wijziging van de afwateringsrichting pas het blok van Ockhuizen (H, I, J) ontgonnen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=f0d0de4f-0e32-454f-bd7b-752c35ebc22e