Bijlagenbundel IPvE gebiedsontwikkeling Ockhuizen.pdf
Tekst van het document
Bijlagenbundel IPvE Ockhuizen Bevat: Natuurtoets Ockhuizen Cultuurhistorische waardenstelling Ockhuizen
Blz. 2 Blz. 55
November 2021
Natuurtoets
Ockhuizen, Gemeente Utrecht
In opdracht van: Gemeente Utrecht Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht Projectnummer: 2021-086
1
© 2021 Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, Culemborg Ecologisch Adviesbureau Viridis bv Randweg 30 4104 AC Culemborg T 0345 753 275 E info@bureau-viridis.nl W www.bureau-viridis.nl KvK 110 557 87
Btwnr
NL 820598215B01
IBAN
NL46 TRIO 0198 4486 00
Tekst: Veldonderzoek:
S. (Susan) Zwerver O.C. (Olivier) Horiot, M. (Marco) Snijder, V. (Vera) Praet, E. (Ewoud) van der Ploeg, F. (Ferdy) Timmerman
Foto voorblad:
Ockhuizen
Projectnummer: Wijze van citeren:
2021-086 Zwerver, S., 2021. Natuurtoets Ockhuizen, Gemeente Utrecht. Ecologisch Adviesbureau Viridis, Culemborg, PRNR-2021-086.
In opdracht van: Contactpersoon:
Gemeente Utrecht C. (Cecile) van Dijck
Datum: Ondertekening: Paraaf:
11-11-2021 P. (Pascalle) Dekker
Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, fotokopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecologisch Adviesbureau Viridis is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van Ecologisch Adviesbureau Viridis. De opdrachtgever vrijwaart Ecologisch Adviesbureau Viridis voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Ecologisch Adviesbureau Viridis is mede om die redenen lid van het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologische adviesbureaus. Hierdoor zijn wij zo goed mogelijk op de hoogte van de nieuwste ontwikkeling op het gebied van ecologie en wetgeving.
Door de inzet van conform de wet ter zake kundige ecologen, waarborgen wij onze onderzoekskwaliteit. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
2
S. (Susan) Zwerver
Natuurtoets Ockhuizen, Gemeente Utrecht
In opdracht van: Gemeente Utrecht
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
3
Inhoudsopgave
1
2
3
4
Inleiding ........................................................ 5
4.7
Reptielen ................................................. 32
1.1
Aanleiding en context ................................ 5
4.8
Ongewervelden en weekdieren .............. 33
1.2
Onderzoeksvragen ..................................... 5
4.9
Invasieve exoten ...................................... 36
Onderzoeksgebied ......................................... 6
5
Conclusie en advies ...................................... 37
2.1
Beschrijving van het gebied ....................... 6
5.1
Huidige natuurwaarden........................... 37
2.2
Beschrijving van de plannen ...................... 6
5.2
Advies ...................................................... 37
Onderzoeksmethode .................................... 10
5.2.1
Ontwikkeling zonnepark...................... 37
3.1
Literatuuronderzoek ................................ 10
5.2.2
Toename recreatie .............................. 38
3.2
Veldonderzoek ......................................... 10
5.2.3
Algemeen beheer ................................ 38
3.2.1
Vaatplanten ......................................... 10
5.2.4
Vleermuizen ........................................ 38
3.2.2
Vleermuizen ......................................... 10
3.2.3
Grondgebonden zoogdiersoorten ....... 12
6.1
Literatuur ................................................. 39
3.2.4
Weidevogels ........................................ 13
6.2
Websites .................................................. 40
3.2.5
Vissen ................................................... 13
Bijlage A.
Vegetatiekartering ............................ 41
3.2.6
Amfibieën............................................. 14
Bijlage B.
Locaties materiaal marteronderzoek . 45
3.2.7
Reptielen .............................................. 14
Bijlage C.
Locaties raaien muizenonderzoek...... 46
3.2.8
Ongewervelden.................................... 14
Bijlage D.
Wettelijk kader ................................. 47
3.2.9
Overige soortgroepen .......................... 14
Wettelijk kader ..................................................... 47
Resultaten ................................................... 17
Wet natuurbescherming ...................................... 47
6
Bronnen ....................................................... 39
4.1
Vaatplanten ............................................. 17
Zorgplicht ......................................................... 47
4.2
Grondgebonden zoogdieren .................... 19
Natura 2000-gebieden ..................................... 47
4.2.1
Kleine marterachtigen ......................... 19
Soortbescherming ............................................ 48
4.2.2
Waterspitsmuis .................................... 21
Vogellijst ........................................................... 50
4.2.3
Overige grondgebonden zoogdieren ... 22
Beschermde houtopstanden ............................ 50
4.3
Vleermuizen ............................................. 24
Ontheffing, vergunning of vrijstelling .................. 50
4.4
Weidevogels............................................. 29
Bijlage E.
Overzicht algemene vrijstellingen ...... 52
4.5
Vissen ....................................................... 30
Bijlage F.
Ter zake kundige............................... 53
4.6
Amfibieën................................................. 31
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
4
1 Inleiding
1.1
Aanleiding en context
Het gebied Ockhuizen is een agrarisch gebied gelegen in de gemeente Utrecht. De gemeente is voornemens een nieuwe visie op te stellen voor dit gebied waarin ruimte wordt geboden voor de ontwikkeling van zonneparken en natuur. Bij deze ontwikkeling dient er rekening te worden houden met de huidige natuurwaarden van het gebied en de aanwezige kansen voor natuur. De verandering van het gebied van grotendeels agrarisch naar een combinatie van zonnepark en natuur kan negatieve effecten veroorzaken op ter plaatse voorkomende (beschermde1) soorten. Mogelijk worden daarbij verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. In dit kader heeft de Gemeente Utrecht aan Bureau Viridis gevraagd om een onderzoek naar wettelijk beschermde (Wet natuurbescherming) en beleidsmatig beschermde (Utrechtse soortenlijst) soorten conform de geldende onderzoeksprotocollen uit te voeren. Hiermee wordt de huidige natuurwaarde van het gebied in kaart gebracht.
1.2
Onderzoeksvragen
Het onderzoek heeft zich met name gericht op de in het gebied voorkomende flora, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, weidevogels, vissen, amfibieën, reptielen en ongewervelden (libellen, dagvlinders, sprinkhanen en krekels). In het onderzoek worden de volgende vragen beantwoordt: • Welke wettelijk of beleidsmatige beschermde soorten (Utrechtse soortenlijst, Rode Lijst) zijn in het gebied aanwezig? • Welke kwaliteit indicatieve soorten zijn in het gebied aanwezig? • Wat zijn de huidige en potentiële natuurwaarden van het gebied? • Wat zijn de mogelijke effecten van de voorgenomen ontwikkelingen op de huidige natuurwaarden?
1
Beschermde soorten: alle onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten in de provincie Utrecht.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
5
2 Onderzoeksgebied
2.1
Beschrijving van het gebied
Het onderzoeksgebied bestaat uit het agrarisch gebied Ockhuizen, gelegen in de wijk Leidsche Rijn te Utrecht. De oppervlakte van het gebied beslaat ongeveer 170ha. Het gebied ligt ten westen van de A2 en grenst aan Landgoed Haarzuilens (zuidoostelijk), Kasteel de Haar (zuidzijde) en de Haarrijnse plas (oostelijk). Westelijk wordt het gebied begrenst door de spoorlijn en agrarisch land. Het gebied is in verdeeld eigendom van particuliere grondeigenaren, Gemeente Utrecht, Natuurmonumenten en waterschap (bron: Geo-point Utrecht). Centraal gelegen in het onderzoeksgebied ligt de woonkern van Ockhuizen. Het grootste deel van het omliggende gebied bestaan uit landbouwgronden die gebruikt worden voor akkerbouw (gras, mais), veeteelt en boomteelt (appels, peren). De overige gebieden bestaan uit recreatief natuurgebied, niet openbaar toegankelijke natuurgebieden en de eendenkooi ‘Haarzuilens’. De verschillende percelen in het gebied worden begrensd door een groot aantal watergangen,
een aantal van deze watergangen zijn in beheer van het waterschap Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden. In Figuur 2.1 is de ligging van het onderzoeksgebied weergegeven en in Figuur 2.1 en Afbeelding 2.1 t/m 2.12 is een impressie van het plangebied en de directe omgeving te zien.
2.2
Beschrijving van de plannen
In de op te stellen visie wordt ruimte geboden voor natuurontwikkeling en de aanleg van een zonnepark van maximaal 20 hectare. De in het gebied voorziene natuurontwikkeling bestaat onder andere uit de mogelijke aanleg van 15 hectare bos, en het aanplanten van heggen en struiken rondom locaties van de zonnevelden. Ook zal er in het gebied meer ruimte komen voor recreatie, waarbij er aansluiting zal worden gezocht met het naastgelegen Haarzuilens. Welke exacte ingrepen op welke locatie uitgevoerd worden is ten tijde van het opstellen nog niet bekend.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
6
Figuur 2.1 | Overzicht onderzoeksgebied, de nummers in de kaart verwijzen naar de impressiefoto’s.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
7
Afbeelding 2.1 | Watergang met ruige oevers
Afbeelding 2.2 | Watergang met regelmatig gemaaide oevers
Afbeelding 2.3 | Oever langs rietzone natuurmonumenten
Afbeelding 2.4 | Appel en perenboomgaarden
Afbeelding 2.5 | Kortgemaaid perceel met kleine bosschage
Afbeelding 2.6 | Het merendeel van de percelen wordt tot aan de oever gemaaid
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
8
Afbeelding 2.7 | Maisvelden
Afbeelding 2.8 | Percelen met zeer weinig oevervegetatie
Afbeelding 2.9 | Tot aan de oever kortgemaaide percelen.
Afbeelding 2.10 | Perceel van natuurmonumenten
Afbeelding 2.11 | Eendenkooi
Afbeelding 2.12 | In het door Natuurmonumenten beheerde deel is een kruidenrijke oevervegetatie aanwezig
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
9
3 Onderzoeksmethode
Om antwoord te kunnen geven op de onderzoeksvragen is het gebied onderzocht door middel van een uitgebreid natuurwaardenonderzoek. Hiermee is de ecologische waarde van het gebied door middel van een literatuuronderzoek en soortspecifieke inventarisaties onderzocht op flora, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, weidevogels, vissen, amfibieën, reptielen en ongewervelden (libellen, dagvlinders, sprinkhanen en krekels). Daarnaast zijn waarnemingen van andere in het veld waargenomen soorten ook genoteerd. Op basis van de verkregen informatie wordt de potentie van het gebied bepaald. De gebruikte onderzoeksmethoden worden hieronder beschreven.
3.1
Literatuuronderzoek
Voor het literatuuronderzoek is gebruik gemaakt van bekende verspreidingsgegevens van beschermde soorten uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), verspreidingsatlassen van relevante soorten, het archief van Bureau Viridis en vrij beschikbare verspreidingsgegevens. De resultaten van het literatuuronderzoek hebben uitgewezen welke soorten in de omgeving van het onderzoeksgebied verwacht kunnen worden. Tijdens het veldbezoek is speciale aandacht besteed aan het mogelijke voorkomen van deze soorten.
3.2
Veldonderzoek
Naast het literatuuronderzoek heeft Bureau Viridis soortspecifieke inventarisaties uitgevoerd. Tijdens het veldonderzoek is het voorkomen van de soortgroepen flora, ongewervelden (libellen, dagvlinders en veenmol), reptielen, amfibieën, grondgebonden zoogdieren, vissen, broedvogels en vleermuizen onderzocht. De onderzoeksdata zijn weergegeven in Tabel 3.2 aan het einde van dit hoofdstuk. Als gedurende een onderzoek naar een specifieke soortgroep andere beschermde of bijzondere soorten zijn waargenomen, zijn deze soorten ook meegenomen in de resultaten. Alle waarnemingen zijn digitaal
vastgelegd met behulp van de software WrnPro en worden na afloop toegevoegd aan de NDFF. De inventarisaties zijn uitgevoerd conform de door het Netwerk Groene Bureaus (NGB) ontwikkelde inventarisatieprotocollen, de BMP-W methode voor weide en akkervogelmonitoring van SOVON en de richtlijnen voor het uitvoeren van kleine marteronderzoek (Bouwens, 2017). Onderstaand volgt per soortgroep een uitleg over de gebruikte methodiek. 3.2.1 Vaatplanten Het projectgebied is vlakdekkend geïnventariseerd op het voorkomen van beschermde soorten, Rode lijst soorten, en andere waardevolle planten en plantengemeenschappen. Doordat het veldonderzoek verspreid is uitgevoerd over het gehele groeiseizoen van planten, ontstaat hierdoor een compleet beeld. Het plangebied is lopend onderzocht. De locatie van de groeiplaatsen zijn per monsterpunt ingevoerd. Voor het bemonsteren van waterplanten (fonteinkruiden, kranswieren) is gebruik gemaakt van een harkje. 3.2.2 Vleermuizen Ecologie Gedurende het jaar maken vleermuizen gebruik van verschillende verblijfplaatsen die verschillende functies vervullen. Vleermuizen hebben een vaste cyclus die gedurende het jaar wordt gevolgd, waarbij deze verblijfplaatsen afhankelijk van het moment in het jaar worden gebruikt. Afhankelijk van het weer houden vleermuizen van half oktober tot maart hun winterslaap in een winterverblijfplaats.
Na de winterslaap verblijven vleermuizen vaak tijdelijk in kleine groepen in tussenverblijven. Vanaf mei verzamelen de vrouwtjes zich in kraamverblijfplaatsen en worden de jongen geboren en gezoogd. De mannen leven dan gezamenlijk of solitair in zomerverblijfplaatsen. De keuze van verblijfplaatsen is soortspecifiek. Sommige soorten, bijvoorbeeld de rosse vleermuis (Nyctalus noctula) en de watervleermuis (Myotis daubentoni), verblijven vaak in holten of spleten in bomen en achter loshangende schors. Andere soorten, zoals laatvlieger (Eptesicus serotinus) en gewone dwergvleermuis
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
10
(Pipistrellus pipistrellus), verblijven bijna altijd in gebouwen. Ook zijn er (in Nederland) soorten die regelmatig zowel in gebouwen als bomen worden aangetroffen, zoals de ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) en de gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus). In augustus, wanneer de jongen min of meer zelfstandig zijn, breekt de paartijd aan. De kraamkolonies vallen dan uiteen. Mannetjes van een aantal soorten zoals rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en gewone dwergvleermuis bezetten tijdens de paartijd één of meerdere paarverblijfplaatsen binnen een territorium, van waaruit ze vrouwtjes aantrekken om mee te paren. Hierbij maken ze gebruik van een paarroep. Afhankelijk van het weer en de soort zet dit door tot september of oktober. De rosse vleermuis overwintert in grote of kleine groepjes in boomholtes met dikke wanden. Watervleermuis en gewone grootoorvleermuis vertrekken na het zomerseizoen uit hun boomholtes en overwinteren in forten, bunkers of ijskelders. Dwergvleermuizen overwinteren op de meest uiteenlopende plaatsen, vaak in gebouwen of boomholtes. Onderzoeksmethode Onderzoek naar (verblijfplaatsen van) vleermuizen is uitgevoerd volgens de richtlijnen van het vigerende Vleermuisprotocol (Netwerk Groene Bureaus, 2017).
Het Vleermuisprotocol is ontwikkeld door het Netwerk Groene Bureaus (NGB) en de Zoogdiervereniging in samenwerking met het toenmalige Dienst Landelijk Gebied (DLG) en de Gegevensautoriteit Natuur (GaN). Het protocol wordt jaarlijks in het Vleermuisvakberaad geëvalueerd door deskundigen van het Netwerk Groene Bureaus, de Zoogdiervereniging en de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO). Bureau Viridis is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en hanteert de richtlijnen zoals beschreven in het protocol voor het uitvoeren van het onderzoek naar (verblijfplaatsen van) vleermuizen. Het onderzoek naar vleermuizen heeft plaatsgevonden met behulp van een batdetector met geluidsopnameapparatuur (Pettersson D240, M500-384 en Batlogger M). Daarnaast is tijdens alle vleermuisonderzoeken gebruik gemaakt van een warmtebeeldcamera (Pulsar Helion XP28). Dit type camera registreert al kleine temperatuurverschillen (vanaf een halve graad) tussen verschillende objecten, waardoor de warmere vleermuizen makkelijk te onderscheiden zijn van de koelere lucht en bomen of gebouwen. Het opsporen
en tellen van zwermende en foeragerende vleermuizen op donkere locaties is veel effectiever met een warmtebeeldcamera. Daarnaast lichten holtes die in gebruik zijn door warmbloedige dieren op waardoor deze goed zijn te vinden. Als een soort niet in het veld op naam gebracht kon worden, zijn digitale opnames gemaakt. Deze opnames zijn vervolgens met BatSound v.4.1 gedetermineerd op soort. Op basis van het vleermuisprotocol moet een gebied voldoende dekkend onderzocht worden. Als vuistregel voor een voldoende dekkend onderzoek in de kraamen zomerperiode geldt het volgende: wanneer in de kritische periode van in- of uitvliegen meer dan een kwart van het plangebied niet valt te overzien of te beluisteren dient er een extra waarnemer te worden ingeschakeld (75% overzichtsregel). Voor elke extra waarnemer geldt dezelfde vuistregel, totdat het hele plangebied goed in beeld is. In de praktijk betekent dit dat het gehele plangebied in een ongeveer 10 minuten tijd onderzocht moet kunnen worden, waardoor het mogelijk is om in de kritische periode van in- en uitvliegen (± 30 minuten) elke locatie binnen het plangebied minimaal driemaal aan te doen (Limpens & Regelink, 2017). Dit betekent dat de onderzoeker niet aan één stuk door loopt, maar juist de tijd heeft om regelmatig stil te staan. Zodoende kunnen de meest veelbelovende plekken vaker dan drie keer worden aangedaan.
Op deze manier kan een goed beeld worden gevormd van de verblijfplaatsen binnen het gebied. Onderzoek naar verblijfplaatsen Voorafgaand aan het onderzoek zijn de locaties met de meeste potentie in kaart gebracht waarna er gericht onderzoek uitgevoerd is. Dit onderzoek is deels per voet en deels per fiets uitgevoerd om voldoende dekking te hebben. Hierbij is het gehele gebied meermaals doorkruist. Kraam- en zomerverblijfplaatsen Het vleermuisonderzoek naar kraam- en zomerverblijfplaatsen in het onderzoeksgebied heeft plaatsgevonden middels twee ochtendbezoeken. De ochtendbezoeken startte ongeveer 3 uur voor zonsopkomst en liep door tot zonsopkomst. Onderzoek naar kraam- en zomerverblijfplaatsen heeft enkel plaatsgevonden wanneer de weersomstandigheden daarvoor geschikt
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
11
waren. De ochtendonderzoeken zijn uitgevoerd op ochtenden waarop het droog en minimaal 12°C was, met een maximale windkracht van 5 Bft. Paar- en winterverblijfplaatsen Het vleermuisonderzoek naar paar- en winterverblijfplaatsen in het plangebied heeft plaatsgevonden middels twee avondbezoeken. De bezoeken twee uur na zonsondergang en duurden minimaal twee uur. Rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis laten hun baltsroep horen vanaf een vaste plaats; de gewone dwergvleermuis doet dat echter vliegend. Hierdoor is voor deze soort veelal geen duidelijke paarverblijfplaats aan te wijzen. Tijdens de paarperiode zwermen vleermuizen ook rond middernacht bij plekken waar ze massaal kunnen overwinteren. De dieren vliegen gedurende enige tijd (half uur) rondom de openingen waarbij deze steeds even een opening aantikken en dan weer verder vliegen. Hierbij kunnen meerdere dieren door elkaar vliegen. Onderzoek naar paar- en winterverblijfplaatsen heeft enkel plaatsgevonden wanneer de weersomstandigheden daarvoor geschikt waren. Dit houdt in dat het onderzoek is uitgevoerd op avonden waarop het droog en minimaal 8°C was, met een maximale windkracht van 5 Bft Foerageergebieden en vliegroutes Tijdens het vleermuisonderzoek zijn belangrijke foerageerplaatsen in beeld gebracht. In de analyse is onderzocht of het hierbij gaat om essentiële foerageergebieden.
Vleermuizen verplaatsen zich in het landschap via oriëntatiepunten. In bepaalde gevallen wordt een bepaalde route steeds weer opnieuw gebruikt en spreekt men van een vliegroute. Om inzicht te krijgen in de voor vleermuizen belangrijke foerageergebieden vliegroutes is er gebruik gemaakt van batdetectoren, maar zijn ook batloggers gebruikt zodat er geen dieren gemist konden worden en een beeld kon worden gekregen van activiteit. 3.2.3 Grondgebonden zoogdiersoorten Het onderzoek naar grondgebonden zoogdieren heeft zich voornamelijk gericht op de mogelijke aanwezigheid van waterspitsmuis en kleine marterachtigen. De onderzoeksmethoden voor deze soorten worden hieronder uiteengezet.
Waterspitsmuis Het onderzoek naar de waterspitsmuis is uitgevoerd met zogenaamde Heslinga inloopvallen volgens de standaard gebruikte IBN-methode (Instituut voor Bosen Natuurbeheer). Tijdens de eerder uitgevoerde onderzoeken is een potentiebepaling voor de waterspitsmuis uitgevoerd. Hieruit bleek dat slechts een klein deel van het onderzoeksgebied geschikt biotoop voor de waterspitsmuis bevat. Het geschikte biotoop bevindt zich voornamelijk in het gebied rondom de eendenkooi. Uiteindelijk zijn vijf raaien noodzakelijk geacht alle geschikte locaties goed in beeld te krijgen. De locaties van de raaien zijn weergeven in Bijlage A. Gebruik van inloopvallen De vallen zijn in raaien geplaatst. Per raai zijn op tien plaatsen ongeveer 10 meter uit elkaar steeds twee vallen geplaatst. Hierdoor is voor elke raai steeds een traject van ca 100 meter bemonsterd. Doordat de vallen twee aan twee geplaatst zijn is voorkomen dat (territoriale) bosmuizen en bosspitsmuizen steeds weer alle vallen bezetten. De vallen zijn gevuld met hooi waardoor de gevangen muizen warmte en beschutting hebben. De vallen zijn geaasd met een standaard mix van appel en winterwortel, graan en meelwormen om gevangen dieren in de vallen in leven te houden.
Afbeelding 3.1 I Heslinga inloopval.
Controleregime De vallen zijn uitgezet op vrijdagochtend 29 oktober, hiermee is de prebait periode gestart: het valmechanisme staat tijdens deze periode nog uit waardoor de dieren niet gevangen worden.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
12
Tabel 3.1 | Planning van het onderzoek naar de aanwezigheid van de waterspitsmuis Datum Dag Dagdeel
Activiteit
29-10-2021 30-10 t/m 1-11-2021 2-11-2021 2-11-2021 3-11-2021 3-11-2021 4-11-2021 4-11-2021 5-11-2021
uitzetten prebait periode scherp stellen controle controle controle controle controle controle en opruimen
Vrijdag
overdag
Dinsdag Dinsdag Woensdag Woensdag Donderdag Donderdag Vrijdag
ochtend avond ochtend avond ochtend avond
De muizen kunnen gedurende de prebait periode aan de vallen wennen als onderdeel van hun leefgebied zonder dat dit personele inspanning vergt door de noodzaak om ze periodiek te controleren en muizen vrij te laten. Op dinsdag 2 november zijn de vallen op scherp gesteld en is de vangperiode van start gegaan. De vangperiode liep tot en met vrijdag 5 november. Op vrijdagochtend zijn de vallen voor de laatste keer gecontroleerd, verwijderd en schoongemaakt. Het onderzoek naar muizen vindt bij voorkeur plaats in het najaar, wanneer de populatiedichtheden van muizen het grootst zijn, hierdoor is de kans om een soort daadwerkelijk te vangen maximaal. Tijdens dit onderzoek is er tevens gebruik gemaakt van een drietal Struikrovers. Struikrovers zijn buizen met cameravallen die voor een periode van een week op voor waterspitsmuizen geschikte locaties in het veld gelegd worden waarna vervolgens de beelden geanalyseerd zijn. Onderzoek van Bureau Viridis wijst erop dat deze methode de waterspitsmuis vrij gemakkelijk vastlegt op camera (bron: recent onderzoek Bureau Viridis, publicatie volgt). Kleine marterachtigen Voor het onderzoek naar kleine marterachtigen zijn er gedurende zes weken vier struikrovers met lokstof (opengeprikt blikje sardines) op geschikte locaties geplaatst in de meest gunstige periode (maart – augustus).
Daarnaast zijn er verspreid over het gebied 23 sporenbuizen geplaatst op geschikte locaties. Tijdens alle veldbezoeken is gezocht naar (sporen van) alle grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en looproutes. Alle zichtwaarnemingen en sporen van zoogdieren zijn vastgelegd. Tevens is tijdens het onderzoek naar vleermuizen waarbij er gebruik is
gemaakt van een warmtebeeldcamera gelet op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren. 3.2.4 Weidevogels Het onderzoek naar weidevogels is uitgevoerd volgens de BMP-W-methode van SOVON (Vergeer et al 2016). Er zijn in totaal drie bezoeken uitgevoerd in de periode april- juni, waarbij het hele onderzoeksgebied is onderzocht. Door omstandigheden bij de opdrachtgever is pas laat in de onderzoeksperiode voor weidevogels definitief opdracht verleend en toestemming verkregen voor het betreden van de diverse percelen. De eerste bezoeken zijn daarom enkel op afstand vanaf de openbare weg uitgevoerd. Tevens zijn hierdoor slechts drie in plaats van de vereiste vijf bezoeken uitgevoerd. Tussen de verschillende bezoeken dient minimaal 10 dagen te zitten. De waarnemingen tijdens de weidevogelbezoeken zijn geregistreerd in AVIMAP (SOVON), hierdoor kunnen alle broedterritoria op een eenvoudige manier in kaart worden gebracht. 3.2.5 Vissen In en rondom het plangebied komen verschillende wateren voor. Tijdens het veldonderzoek zijn de wateren bemonsterd met een schepnet (70 x 55 cm) om te onderzoeken welke beschermde vissoorten aanwezig zijn. Hierbij is het net 1,5 à 2 meter ver in het water gestoken en met kracht vlak boven de bodem in de richting van de oever binnengehaald. Daarnaast is op 29 oktober een onderzoek uitgevoerd met behulp van een elektro-vis apparaat.
Tijdens de inventarisaties naar andere soorten is een selectie gemaakt van watergangen die het meest geschikt leken voor grote modderkruiper. Uit deze voorverkenning bleek dat slechts een klein aantal watergangen in het gebied zijn voor de grote modderkruiper. Deze soort heeft maar een kleine trefkans met een schepnet,
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
13
maar zijn betrouwbaar te onderzoeken met behulp van elektro-visserij. Bij deze methode wordt een stroomkring in het water aangebracht die de vissen dwingt naar de pluspool (de schepnetrand) te zwemmen. De vissen raken hierbij soms voor korte tijd verdoofd, maar zwemmen daarna al gauw weer weg. Er wordt uitsluitend gebruik gemaakt van gelijkstroom. Het visonderzoek is uitgevoerd met twee personen (bij gebruik van elektrovisserij is dat wettelijk verplicht) en conform de gedragscode Veilig Werken van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). 3.2.6 Amfibieën Het veldonderzoek naar beschermde amfibieën heeft zich voornamelijk gericht op geschikte voortplantingswateren. De wateren zijn bemonsterd met het standaard RAVON-net bemonsterd op de aanwezigheid van eieren, larven en adulten van padden, kikkers en salamanders. Daarnaast zijn de oevers afgezocht naar juveniele amfibieën als bewijs van voortplanting en is ook onder geschikte schuilplaatsen (stenen, planken e.d. langs wateren en vooral bij weilanddammen) van amfibieën op het land gezocht naar (sub)adulte dieren. Met name tijdens regen na een droge periode zijn de dieren goed te vinden. Het onderzoek naar amfibieën is uitgebreid met drie avondbezoeken op geschikte zwoele zomeravonden om roepactiviteit van rugstreeppadden en zo voortplantingswateren van deze soort in kaart te brengen.
3.2.7 Reptielen In de omgeving van het onderzoeksgebied is het voorkomen van ringslang bekend. Met name in het voorjaar, direct na de overwintering zijn ringslangen langdurig zonnend aan te treffen. Het onderzoek naar reptielen is uitgevoerd door langzaam lopend gunstige zonplaatsen in de ochtend of late middaguren of op dagen met zon maar met lage temperaturen af te zoeken. Zo worden voor de ringslang structuurovergangen en slootkanten in de periode april – september tijdens vier inventarisatierondes onderzocht. Deze onderzoeken vinden plaats onder ideale weersomstandigheden in de ochtend. Tevens worden aanwezige
objecten zoals stronken, planken, boomstammen e.d. omgedraaid om eventueel er zich onder verschuilende dieren, te vinden. Andere reptielen worden op basis van de geografische ligging en de inrichting van het plangebied niet verwacht, hier is daarom geen specifiek onderzoek naar uitgevoerd. 3.2.8 Ongewervelden Tijdens het onderzoek naar vaatplanten, vissen en amfibieën zijn de watergangen met een schepnet bemonsterd, tijdens deze onderzoeken is ook specifieke aandacht besteed aan het voorkomen van de platte schijfhoren. De platte schijfhoren wordt overwegend aangetroffen in ondiepe onbeschaduwde wateren met voldoende onderwatervegetatie. Wanneer een mogelijk exemplaar is aangetroffen zal determinatie in het veld plaatsvinden, bij twijfel zal één individu meegenomen worden voor determinatie. Het onderzoek naar dagvlinders, sprinkhanen en libellen is uitgevoerd tijdens twee inventarisatierondes in de periode van juli-september met voldoende spreiding tussen de bezoeken. Libellen en dagvlinders zijn op zicht geïnventariseerd. Indien noodzakelijk zijn individuen met vlindernet gevangen, gedetermineerd en weer vrijgelaten. Wanneer larven of larvenhuidjes van libellen en rupsen van (dag)vlinders waargenomen zijn, zijn ook deze meegenomen in de inventarisatie.
Naast de twee specifieke bezoeken voor deze soortgroepen zijn ook bij alle andere onderzoeken naar de overige soorten ook de waarnemingen van de ongewervelden genoteerd. En tijdens het onderzoek naar rugstreeppad en vleermuizen is daarbij ook geluisterd naar de aanwezigheid van de veenmol. 3.2.9 Overige soortgroepen Er is geen soortgericht onderzoek naar andere dan hierboven genoemde soortgroepen uitgevoerd. Echter is tijdens alle andere bezoeken wel gelet op de aanwezigheid van bijzondere soorten. Deze soorten zijn genoteerd en worden meegenomen in de resultaatbeschrijving.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
14
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
15
Tabel 3.2 | Onderzoeksdata
Bezoekdata
Soort(groep)
22-4-2021 20-5-2021 11-6-2021 17-6-2021 08-7-2021 14-7-2021 20-7-2021 29-7-2021 30-7-2021 5-8-2021 11-8-2021 17-8-2021 19-8-2021 30-8-2021 21-9-2021 29-10-2021 2-11-2021 3-11-2021 4-11-2021 5-11-2021
Weidevogels Weidevogels Weidevogels Vleermuizen Vleermuizen Flora Diverse soortgroepen Diverse soortgroepen Flora, diverse soortgroepen Diverse soortgroepen Diverse soortgroepen Zoogdieren, diverse soortgroepen Zoogdieren, diverse soortgroepen Vleermuizen Vleermuizen Vissen, muizen Muizen Muizen Muizen Muizen
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
16
4 Resultaten
Hierna worden de resultaten van het literatuur- en veldonderzoek per soortgroep besproken. Er wordt aangegeven welke soorten vaatplanten, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, broedvogels, amfibieën, reptielen en ongewervelden in het gebied aanwezig zijn en wat de functie en waarde is van het gebied voor deze soorten.
4.1
Vaatplanten
In het onderzoeksgebied zijn geen beschermde soorten vaatplanten aangetroffen. Beschermde plantensoorten worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en de terreingesteldheid niet verwacht in het plangebied. Over het algemeen is het gebied goed ontwaterd. Wel zijn er een aantal soorten van de Utrechtse soortenlijst gevonden en een soort die op de rode lijst staat als gevoelig Wat betreft de natuurwaarden in het gebied kan het onderzoeksgebied globaal worden verdeeld in een westelijke deel, ten westen van de boomgaard, waar de landbouw vrij intensief uitgevoerd wordt, en een oostelijke deel dat meer extensief onderhouden wordt en waar de vegetatie meer gevarieerd is. In het westen wordt daarbij langs watergangen bijna de gehele oever gemaaid terwijl in het oosten minder vaak wordt gemaaid en er daardoor een veel meer
ontwikkelde vegetatie ontstaat. Echter is de oevervegetatie in het westen langs sloten nog plaatselijk vrij interessant met bij voorbeeld de tweerijige zegge (Carex disticha) en de moerasrolklaver (Lotus pedunculatus), twee soorten die op een niet te voedselrijke situatie wijzen. Verspreid door het gebied zijn een aantal groeilocaties van vaatplanten vermeld die op de Utrechtse soortenlijst staan. Over het algemeen zijn deze planten langs de watergangen in het gebied te vinden. Zo zijn Dotterbloem (Caltha palustris subsp. palustris), grote kaardebol (Dipsacus fullonum), grote kattenstaart (Lythrum salicaria), en zwanenbloem (Butomus umbellatus) in het gebied te vinden. De wilde marjolein (Origanum vulgare) is waargenomen op een zoom in het uiterst westen dichtbij huizen. Deze soort kan ook uit een tuin komen en daar verwilderd zijn. De rode lijst soort betreft kamgras (Cynosurus cristatus). Deze soort is aanwezig op de berm langs het fietspad. In Figuur 4.1.1 zijn de groeilocaties van de soorten van de Utrechtse soortenlijst weergegeven. Een lijst met de in het gebied vastgesteld (bijzondere) flora soorten is in Bijlage A te vinden.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
17
Figuur 4.1.1 | Groeilocaties vaatplanten van de Utrechtse soortenlijst
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
18
4.2
Grondgebonden zoogdieren
Op basis van het literatuuronderzoek is het bekend dat binnen het onderzoeksgebied de volgende soorten verwacht kunnen worden: ree (Capreolus capreolus), mol (Talpa europaea), woelrat (Arvicola amphibius), haas (Lepus europaeus), konijn (Oryctolagus cuniculus), wezel (Mustela nivalis). Daarnaast is de aanwezigheid van een groot aantal muizensoorten bekend en zijn net buiten het onderzoeksgebied sporen van bever (Castor fiber) vastgesteld. 4.2.1 Kleine marterachtigen Marterachtigen hebben een verborgen levensstijl en zijn daarom moeilijk waar te nemen. Daarom is er specifiek onderzoek gedaan naar deze soorten met behulp van sporenbuizen en struikrovers voorzien van een lokmiddel. In Bijlage B zijn de locaties van het onderzoeksmateriaal weergegeven. Het onderzoek heeft waarnemingen van wezel (Mustela nivalis), steenmarter (Martes foina) en bunzing (Mustela putorius) opgeleverd. Tijdens het onderzoek met de struikrover en sporenbuizen zijn meerdere waarnemingen gedaan van wezel en één waarneming van steenmarter (enkel struikrover). Bunzing is daarnaast op zicht en op basis van sporen vastgesteld in het gebied. In Tabel 4.1 zijn de waarnemingen van de marterachtigen middels struikrovers en sporenbuizen weergegeven. Enkel in struikrover 3 en 5 zijn marterachtigen aangetroffen, de andere struikrovers hebben geen waarnemingen van marters opgeleverd.
Deze struikrovers met waarnemingen zijn geplaatst in het noordoostelijk deel van het onderzoeksgebied, in de bos/rietvelden van natuurmonumenten (3) en langs een vangarm van de eendenkooi (5).
Tabel 4.1 | Waarnemingen van marterachtigen middels sporenbuis (SB), struikrover (SR) en inloopval (IV), de nummers geven het volgnummer van het materiaal aan.
Type
Nummer
Soort
SB
2
wezel
20-7-2021
SB
2
wezel
19-8-2021
SB
12
wezel
5-8-2021
SB
22
wezel
20-7-2021
SB
22
wezel
19-8-2021
SB
25
wezel
5-8-2021
SB
26
wezel
17-8-2021
SB
27
wezel
SR
3
wezel
SR
5
steenmarter
20-7-2021 2-8-2021 t/m 9-8-2021** 24-7-2021
SR
5
wezel
4-8-2021
SR
5
wezel
6-8-2021
SR
5
steenmarter
7-8-2021
wezel
4-11-2021
IV***
Datum*
* **
datum sporenbuis is moment van controle gedurende deze periode is de struikrover dagelijks meermaals bezocht (133 fotomomenten). *** tijdens muizenonderzoek
Wezel Op basis van de waarnemingen kan met grote zekerheid gesteld worden dat in de directe omgeving van struikrover 3 een vaste verblijfplaats van een wezel bevindt. Twee weken na plaatsing van de struikrover in het gebied is de eerste waarneming van de wezel geweest, waarna het individu dagelijks de struikrover heeft bezocht. Tegen het einde van de onderzoeksperiode was het dier zo vertrouwd met de struikrover dat deze in gebruik is genomen als slaapplaats. Tenminste tweemaal in dezelfde periode is de struikrover bezocht door een tweede wezel. De individuen zijn op diverse foto’s eenvoudig te onderscheiden door het formaat en een kenmerkende keelvlek. Gezien het verschil in formaat gaat het hier met grote zekerheid om een mannetje en vrouwtje wezel. De wezel is ook tweemaal waargenomen op struikrover 5, langs de eendenkooi. Het gaat hier om een wat kleiner exemplaar, echter is het op basis van de foto’s niet vast te stellen of het hier gaat om hetzelfde individu als bij struikrover 3. Zekerheidshalve wordt er daarom vanuit gegaan dat dit een derde individu is.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
19
Naast de waarnemingen uit de struikrovers zijn er ook in de in het gebied verspreide sporenbuizen diverse prenten van wezel vastgesteld. Het gaat hierbij om sporenbuis 2, 12, 22, 25, 26, 27. Op basis van de afmeting van de prenten gaat het om tenminste drie verschillende individuen. De desbetreffende sporenbuizen zijn verspreid over het gebied geplaatst, er is daarmee vastgesteld dat wezels van het gehele gebied gebruik maken.
Tenslotte is ook bij het muizenonderzoek een wezel aangetroffen in een van de inloopvallen en is er een wezel gefotografeerd in een van de struikrovers (nabij raai 1). De in de inloopval gevangen wezel betreft vermoedelijk een vierde exemplaar, de markeringen in de vacht komen niet overeen met de op de struikrovers vastgestelde exemplaren.
Afbeelding 4.1 | Wezel in struikrover 3
Afbeelding 4.2 | Tweede wezel in struikrover 3
Afbeelding 4.4 | Wezel uit inloopval in raai 1
Afbeelding 4.3 | Slapende wezel in struikrover 3
Afbeelding 4.5 | Wezel in struikrover 5
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
20
Gezien de spreidingen van de waarnemingen en de geschiktheid van tenminste een deel van het gebied kan geconcludeerd worden dat er meerdere verblijfplaatsen van wezel zich binnen het onderzoeksgebied bevinden. De oppervlakte van het gebied biedt zeker voldoende plaats voor meerdere territoria, zeker gezien de hoge dichtheid aan muizen. Qua schuilmogelijkheden is voornamelijk het oostelijk deel zeer geschikt. Wezel heeft een voorkeur voor structuurrijk kleinschalig landschap, dit is in dit deel voldoende aanwezig. Ondanks dat de wezel slechts een beperkt formaat heeft, dient voldoende dekking aanwezig te zijn om te schuilen voor eventuele predatoren In het overig deel van het onderzoek ontbreekt beschutting op veel locaties. Er zijn hier in mindere mate bosschages en structuurrijk terrein aanwezig, ook ontbreken voldoende jaarrond aanwezige structuurrijke elementen die verbindingen vormen tussen de bosschages. Vooral het schonen van de diverse watergangen en de maaibeurten, waarbij er tot aan de oever afgemaaid wordt, zorgt ervoor dat de verbindingen niet meer functioneel zijn. Vermoedelijk doet het westelijke deel daarom voornamelijk dienst als foerageergebied, maar zijn rustlocaties toch ook hier niet uit te sluiten. Een wezel kan bijvoorbeeld al gebruikmaken van muizenholletjes als rustplaats, deze zijn veel aanwezig zijn binnen het gehele onderzoeksgebied.
Steenmarter en bunzing De steenmarter is tweemaal met een tussenperiode van 2 weken waargenomen op de struikrover (5) gelegen in de eendenkooi. Een steenmarter kan in een nacht 3 tot maximaal 15 kilometer afleggen (afhankelijk van geslacht en formaat territorium). Een verblijfplaats binnen het onderzoeksgebied kan niet met zekerheid uitgesloten of vastgesteld worden. Er zijn voldoende mogelijkheden voor de soort om een schuilplaats te vinden; zo kunnen takkenhopen, schuren of dichte struwelen al voldoende mogelijkheden bieden om als schuil of rustplaats te dienen. De bunzing is op basis van uitwerpselen langs de maisvelden en op basis van een zichtwaarneming in de omgeving van de eendenkooi vastgesteld in het gebied. Op basis van deze sporadische waarnemingen is voor de bunzing eveneens niet vast te stellen of thans uit te sluiten dat er ergens in het onderzoeksgebied een verblijfplaats aanwezig is. Ook voor deze soort zijn er
voldoende mogelijkheden in het gebied; een (oud) hol van een mol of onder boomwortels kan als verblijfplaats gebruikt worden. 4.2.2 Waterspitsmuis De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, al dan niet stromend water met een rijke onderwatervegetatie en ruig begroeide oevers maar ook in rietlanden en moerasvegetaties en vochtig elzenbroekbos. Voorwaarde is een, ook in de winter aanwezige dekkende vegetatie van onder andere grove grassen en veel schuilgelegenheid (Koelman 2011, Twisk 2010, Rychlik 2000, De Jong et al. 2008 & Broekhuizen 2016). Structuur en dekking in de oever in de vorm van uitgebreide oevervegetatie is in het plangebied slechts zeer matig aanwezig. De locaties van de inloopvallen zijn gekozen op basis van biotoopgeschiktheid. Uit de vooraf uitgevoerde biotoopanalyse bleek dat slechts zes locaties geschikt waren voor de waterspitsmuis. Ten tijde van het onderzoek bleek dat op een van de locaties de aanwezige oevervegetatie geheel was afgemaaid, waardoor deze locatie is afgevallen. Uiteindelijk zijn er vijf raaien uitgezet in het noordoostelijke deel van het onderzoeksgebied, rondom de eendenkooi. De locaties van de raaien worden weergegeven in Bijlage C Bij het onderzoek is waterspitsmuis niet aangetroffen. Wel zijn er andere soorten veelvuldig gevangen.
De meest gevangen soort betreft de aardmuis en de veldmuis, deze soorten zijn respectievelijk 92 en 80 keer gevangen (Zie Tabel 4.2). Ten aanzien van bosspitsmuizen is telkens bosspitsmuis spec. (Sorex sp.) geregistreerd (Figuur 4.1 en Tabel 4.1). De gewone bosspitsmuis (Sorex araneus) en de tweekleurige bosspitsmuis (Sorex coronatus) komen beide in deze regio voor en zijn levend niet van elkaar te onderscheiden. De struikrovers die uitgezet zijn in het kader van het waterspitsmuizenonderzoek hebben eveneens geen waarnemingen opgeleverd van de waterspitsmuis. Op de beelden zijn meerdere malen bosmuis, woelmuis (spec), en andere spitsmuissoorten zien.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
21
Tabel 4.2 | Aantal* vangsten van soorten per raai. Voor locaties van raaien zie Bijlage B. Sterfte van muizen (aantal) is aangegeven tussen haakjes onder totalen. raai 1 2 3 4 5 totaal Aardmuis
11
Bosmuis
5
Bosspitsmuis Spec.
11
4
Dwergmuis
2
1
3 12 1
Rosse Woelmuis 7
Wezel
1
Eindtotaal
26
3
92 5
Dwergspitsmuis Veldmuis
75 1
22
50
2
13
18
1
2
1
3
4
23
30
12
8
80 (1)
39
46
92
49
252
1
Figuur 4.2.2 de dubbele waarnemingen eruit gefilterd. Ockhuizen voldoet in vele opzichten aan de habitateisen van de haas, die een voorkeur heeft voor kleinschalige graslanden, akkers en weilanden. Ook ree en egel (Erinaceus europaeus) komen verspreid over het gebied voor, deze soorten zijn echter vaker waargenomen aan de oostelijke zijde van het gebied, mogelijk heeft dit te maken met de mate van beschutting die in het oostelijk deel hoger is. Langs een boerderij in het dorp Ockhuizen zijn sporen gevonden van een vos (Vulpes vulpes), er zijn echter geen andere waarnemingen van deze soort in het gebied.
*Gevangen soorten zijn niet gemarkeerd, er is niet gecorrigeerd voor hervangst.
4.2.3 Overige grondgebonden zoogdieren Bij alle onderzoeken is er gelet op de aanwezigheid van overige grondgebonden zoogdieren, hierbij zijn er verspreid over het gebied diverse soorten waargenomen. Deze waarnemingen zijn weergegeven in Figuur 4.2.2.
Anders soorten die zijn waargenomen middels camerabeelden of op basis van sporen in het veld of sporenbuizen zijn bosmuis (Apodemus sylvaticus), bosspitsmuis spec. (Sorex araneus/coronatus), bruine rat (Rattus norvegicus), dwergspitsmuis (Sorex minutus), huisspitsmuis (Crocidura russula), rosse woelmuis (Myodes glareolus) en woelrat.
De meest kenmerkende soort voor het gebied is de haas, deze soort komt verspreid over het hele onderzoeksgebied in grote aantallen voor. Om een goed beeld te geven van de aantallen in het gebied zijn in
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
22
Figuur 4.2.1 | Waarnemingen marterachtigen
Figuur 4.2.2 | Waarnemingen overige grondgebonden zoogdieren (exclusief resultaten inloopvallen).
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
23
4.3
Vleermuizen
Op basis van het literatuuronderzoek is het bekend dat in de directe omgeving van het plangebied vleermuizen verwacht kunnen worden. Uit de NDFF is het voorkomen van tenminste zes vleermuissoorten bekend: baardvleermuis (Myotis mystacinus) of brandts vleermuis (Myotis brandtii), gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), laatvlieger (Eptesicus serotinus), rosse vleermuis (Nyctalus noctula), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) en watervleermuis (Myotis daubentoni). De aanwezigheid van al deze soorten is bij het onderzoek in 2021 vastgesteld in het gebied, tevens is de gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) vastgesteld. In Figuur 4.3.1 t/m 4.3.5 zijn de kaarten met waarnemingen van vleermuizen weergegeven. Bij het gebruik van het landschap door vleermuizen wordt onderscheid gemaakt in verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied.
holtes of andere openingen vastgesteld waar de vleermuizen zich in konden bevinden. Een van de redenen hiervoor is dat bij het opstarten van de onderzoek de bomen al volledig in de bladeren zaten en niet de gehele boom geïnspecteerd kon worden.
Verblijfplaatsen Binnen de grenzen van het onderzoeksgebied zijn een aantal verblijfplaatsen aangetroffen, dit betreft verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en een mogelijke verblijfplaats van een gewone grootoorvleermuis. Van de gewone dwergvleermuis zijn twee kraamlocaties vastgesteld bij een woning aan de Ockhuizerweg 20C in Ockhuizen, één van de verblijfplaatsen (15 individuen) bevindt zich achter een luik aan de woning, de ander (20 individuen) is aanwezig in één van de bijgebouwen achter de woning. Bij de woning aan de Thematerkade 2 is een paarverblijfplaats aanwezig, deze bevindt zich vermoedelijk in de betreffende woning zelf. Daarnaast zijn op diverse locaties in totaal negen paarterritoria van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Bij deze paarterritoria kon de exacte locatie van de verblijfplaats niet vastgesteld worden. De territoria bevinden zich bij de woningen aan de Ockhuizerweg, en rondom bomen aan de Thematerkade, eendenkooi en de Ockhuizerweg langs de zuidelijke grens van het onderzoeksgebied. Van de ruige dwergvleermuis zijn vier paarverblijfplaatsen aangetroffen, alle verblijfplaatsen bevinden zich in bomen, langs de Ockhuizerweg, Thematerkade en de eendenkooi. De exacte locaties in de bomen konden niet worden vastgesteld, i.e. er zijn geen
Afbeelding 4.3.1 | Locatie kraamverblijfplaats
Tenslotte is bij de Ockhuizerweg, bij de woningen met nr. 53 en 55 een gewone grootoorvleermuis vastgesteld, deze soort vloog rond tussen de bomen in de tuinen van de woningen. Omdat de tuinen niet direct toegankelijk waren is een potentiële verblijfplaats niet vastgesteld, wel wordt verwacht dat deze zich ergens in de directe omgeving van deze woningen bevindt. Vliegroutes Essentiele vliegroutes zijn niet of nauwelijks aanwezig binnen het onderzoeksgebied. Uit de onderzoeksgegevens blijkt dat er voornamelijk gebruik wordt gemaakt van de bomenrij langs het fietspad tussen Haarzuilens en de eendenkooi en de bomenrij langs de Thematerkade. Foerageergebied Het onderzoeksgebied wordt door vrijwel alle aanwezige soorten gebruikt als foerageergebied, echter zijn
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
24
echt essentiële gebieden niet aan te wijzen. De voornaamste locaties waar door de diverse soorten gefoerageerd wordt liggen rondom de eendenkooi, Thematerkade en Ockhuizen. Deze locaties worden gebruikt door de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. De omgeving van de boomgaard en maisvelden wordt sporadisch gebruikt door laatvlieger en rosse vleermuis. De watervleermuis en baardvleermuis zijn ook waargenomen in het onderzoeksgebied, maar dit betroffen enkel overvliegende individuen. Het belangrijkste foerageergebied voor
deze soorten ligt naast het onderzoeksgebied bij de Haarrijnse plas. Uit de onderzoeksgegevens blijkt dat er boven de landbouwgronden weinig tot geen vleermuizen aanwezig zijn, enkel een aantal passerende individuen zijn waargenomen. Waarnemingen van vleermuizen zijn vooral gebonden aan de in het gebied aanwezige structuren.
Figuur 4.3.1. | Waarnemingen gewone dwergvleermuis
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
25
Figuur 4.3.2. | Waarnemingen laatvlieger
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
26
Figuur 4.3.3. | Waarnemingen baardvleermuis, watervleermuis en Myotis onbekend.
Figuur 4.3.4. | Waarnemingen gewone grootoorvleermuis en rosse vleermuis
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
27
Figuur 4.3.5. | Waarnemingen ruige dwergvleermuis
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
28
4.4
Weidevogels
In het onderzoek is specifiek aandacht besteed aan de aanwezigheid van weidevogels omdat deze soorten de grootste negatieve effecten kunnen ondervinden van de aanleg van het zonnepark. Gezien de oppervlakte van het gebied zijn er maar een klein aantal soorten in lage dichtheid vastgesteld. Enkel kievit (Vanellus vanellus), scholekster (Haematopus ostralegus) en tureluur (Tringa totanus) zijn aanwezig en komen voornamelijk centraal in het gebied voor. Zie Figuur 4.4.1 voor de locaties.
Naast de weidevogels komen verspreid over het gehele gebied een groot aantal algemene broedvogels voor. Zo zijn alle bosschages, rietvelden en de eendenkooi geschikt als broedlocatie en kunnen in en langs de watergangen diverse watervogels tot broeden komen. Tenslotte kunnen in de woningen en op de erven van de woningen broedvogels tot broeden komen, waaronder de merel (Turdus merula), een soort van de Utrechtse soortenlijst.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
29
4.5
Vissen
Het onderzoek naar vissen is uitgevoerd met behulp van een schepnet en een elektrisch visapparaat met gelijkstroom. Voorafgaand aan het onderzoek met het elektrisch vis apparaat zijn alle in het gebied aanwezige watergangen beoordeeld op de geschiktheid voor grote modderkruipers (Misgurnus fossilis) zodat er gericht onderzoek uitgevoerd kon worden. Deze geschikte watergangen bestaan in het agrarisch gebied uit met kwelwater gevoede sloten met een rijke (onder)watervegetatie en een gevarieerde oevervegetatie. De bodem bestaat uit zand of stevige klei met een tot 30 cm dikke sliblaag. Daarbij lijkt de soort een voorkeur te hebben voor ‘oude’ polderlandschappen, waar weinig aan de verkaveling of het waterregiem is
veranderd (BIJ12, De Jong & van Bochove, 2016; Brouwer et al., 2008; Brouwer et al., 2010). In Ockhuizen zijn deze type watergangen of landschappen niet of nauwelijks aanwezig, echt geschikt biotoop voor de grote modderkruiper is niet aanwezig binnen het plangebied. Toch zijn verspreid door het gebied een aantal watergangen onderzocht op het voorkomen van de soort. Tijdens geen van deze onderzoeken is de modderkruiper aangetroffen. Wel zijn een aantal andere vissoorten aangetroffen in het gebied, waaronder bittervoorn (Rhodeus amarus) en kleine modderkruiper (Cobitis taenia), twee soorten van de Utrechtse soortenlijst. Ook de pos (Gymnocephalus cernua) is in een van de watergangen nabij een stuw vastgesteld. In Figuur 4.5.1 zijn deze soorten weergegeven.
Figuur 4.5.1 | Waarnemingen van vissen in het gebied. Ten noorden van het gebied is per abuis een sloot buiten het onderzoeksgebied bemonsterd, op deze locatie zijn een groot aantal bittervoorns (Utrechtse soortenlijst) aangetroffen.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
30
4.6
Amfibieën
Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde amfibieën (met uitzondering van enkele vrijgestelde soorten) in het onderzoeksgebied voorkomen. Uit de NDFF zijn waarnemingen van onder andere bastaardkikker (Pelophylax kl. esculentus), bruine kikker (Rana temporaria), gewone pad (Bufo bufo), kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) en meerkikker (Pelophylax ridibundus) bekend. In de directe omgeving van het onderzoeksgebied, op een locatie bij het dorp Haarzuilens, zijn waarnemingen van de rugstreeppad (Epidalea calamita) uit 2017 bekend. De rugstreeppad is een pioniersoort die vrij snel nieuwe locaties bezit mits deze aan de habitateisen voldoen. Er is op drie zwoele avonden, en voorafgaan aan de
vleermuisonderzoeken daarom specifieke aandacht besteed aan het voorkomen van de soort binnen het onderzoeksgebied. De rugstreeppad is voor zijn voortplanting afhankelijk van onbeschaduwd, ondiep water (5 -30 cm) zoals tijdelijke poeltjes en plassen, maar ook in (recent geschoonde) slootjes, vennen en ondiepe delen van grotere wateren. Voorwaarde is dat het water snel opwarmt en geen of nauwelijks vegetatie bevat (Creemers et al., 2009; Spitzen-Van der Sluijs et al., 2007; Spitzen-Van der Sluijs et al., 2008). Hoewel op een aantal locaties wateren aanwezig zijn die tenminste deels aan deze eisen voldoen zijn er geen rugstreeppadden vastgesteld in het gebied.
Figuur 4.6.1 | Waarnemingen van amfibieën.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
31
4.7
Reptielen
Vanuit de NDFF zijn geen waarnemingen van reptielen bekend in de directe omgeving van het onderzoeksgebied, wel ligt de locatie binnen het verspreidingsgebied van de ringslang (Natrix helvetica). Er is op tenminste vier momenten gezocht naar de aanwezigheid van ringslang in het gebied. Daarnaast is er bij elk bezoek gelet op de aanwezigheid van de ringslang. Er zijn hierbij geen individuen vastgesteld Op basis van habitatgeschiktheid worden voortplantingslocaties in het grootste deel van het gebied uitgesloten. Enkel aan de zuidzijde van de eendenkooi
(Figuur 4.7.1) is een zeer geschikte locatie vastgesteld, echter zijn er ook hier tijdens de veldbezoeken geen waarnemingen geweest. Hoewel er geen individuen zijn waargenomen tijdens het veldonderzoek is het is nog steeds mogelijk dat de ringslang sporadisch gebruik maakt van het gebied, dit zullen dan voornamelijk zwervende exemplaren betreffen. De trefkans van zwervende exemplaren van de ringlang is vrij laag, het gaat hier voornamelijk om toevalstreffers.
Figuur 4.7.1 | Het geel gemarkeerde deel geeft een zeer geschikte locatie voor ringslang aan, er zijn echter geen individuen vastgesteld.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
32
4.8
Ongewervelden en weekdieren
In het plangebied zijn geen beschermde soorten ongewervelden of weekdieren aangetroffen. Ongewervelden worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en de terreingesteldheid niet verwacht in het onderzoeksgebied (NDFF, 2021). Strikt beschermde ongewervelden als dagvlinders en libellen stellen specifieke eisen aan hun biotoop. In het plangebied zijn in het geheel geen geschikte biotopen voor deze soorten aanwezig. De vastgestelde soorten ongewervelden zijn weergegeven in Figuur 4.8.1 t/m 4.8.3. Bij dit onderzoek is er wel aandacht besteed aan het voorkomen van de veenmol (Gryllotalpa gryllotalpa) (rode lijst) en de platte schijfhoren (Anisus vorticulus). Veenmol Bij dit onderzoek is er speciale aandacht besteed aan het voorkomen en de verspreiding van de veenmol in het onderzoeksgebied. Hierbij is er tijdens de onderzoeken naar vleermuizen gelet op de aanwezigheid van deze soort. De veenmol is een krekelachtige met een ondergrondbestaan die voornamelijk voorkomt op de veengronden, maar ook op enkele locaties daarbuiten. De soort is eenvoudig te herkennen aan zijn geluid, waarbij er wel voor gewaakt moet worden dat er geen verwarring optreedt met de gelijkende rugstreeppad. Tijdens het onderzoek is de veenmol op vier locaties in het onderzoeksgebied vastgesteld. Deze locaties bevinden zich allen in het oostelijke deel
van het gebied, op de grens van het onderzoeksgebied. Platte schijfhoren Tijdens de dagbezoeken is er met behulp van het schepnet gezocht naar de aanwezigheid van de platte schijfhoren. Hoewel het voorkomen van de soort niet bekend is in de NDFF is het een soort die allereerst eenvoudig over het hoofd gezien kan worden en daarnaast lastig te determineren is, verwarring met andere soorten treedt makkelijk op. Ockhuizen ligt binnen het verspreidingsgebied van de soort, daarom is in voor de soort geschikte watergangen gezocht naar de aanwezigheid van de soort. In Nederland leeft de platte schijfhoren overwegend in ondiepe, onbeschaduwde wateren met een uitbundige onderwatervegetatie. Jonge exemplaren worden veel in draadwierenvegetaties aangetroffen. In voedselrijke poldersloten komt platte schijfhoren voor in vegetaties met soorten als smalle waterpest, grof hoornblad, kikkerbeet, puntkroos en drijvende kroossoorten. In minder voedselrijke wateren komt de platte schijfhoren in vegetaties met brede waterpest, krabbenscheer of glanzig fonteinkruid (Boesveld 2008; Boesveld 2011). In geen van de watergangen zijn platte schijfhorens vastgesteld. De aanwezigheid binnen het onderzoeksgebied kan daarom uitgesloten worden.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
33
Figuur 4.8.1 | Waarnemingen sprinkhanen en krekels.
Figuur 4.8.2 | Waarnemingen dagvlinders
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
34
Figuur 4.8.3 | Waarnemingen libellen en juffers
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
35
4.9
Invasieve exoten
Op diverse locaties (Figuur 4.9.1) zijn in het gebied invasieve exoten vastgesteld. Het gaat voornamelijk om de aanwezigheid van Amerikaanse rivierkreeften die verspreid in de watergangen door het hele gebied verspreid zijn. Ook is langs het fietspad vanuit Haarzuilens in de richting van de eendenkooi een watergang aanwezig waar het ongelijkbladig vederkruid over de gehele lengte van de watergang aanwezig.
Figuur 4.9.1 | Invasieve exoten in het onderzoeksgebied
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Ockhuizen – Gemeente Utrecht
36
5 Conclusie en advies
5.1
Huidige natuurwaarden
De huidige natuurwaarde van het gebied ligt nu vooral in het oostelijke deel van het gebied (ten oosten van de boomgaarden). Dit gebied is grotendeels in beheer van Natuurmonumenten. Op deze percelen vindt een minder intensief gebruik van de gronden plaats waardoor er meer ruimte is voor natuur. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dan ook dat hier de hoogste biodiversiteit aanwezig is, waaronder de rode lijst soort veenmol. In de bosschages en rietvelden bevinden zich mogelijke verblijfplaatsen van wezel en rondom de eendenkooi wordt veel gefoerageerd door diverse soorten vleermuizen. In het overige gebied zijn tevens interessante locaties aanwezig maar deze zijn voornamelijk gelegen langs de watergangen. De landbouwgronden zelf worden bijna uitsluitend gebruikt door grondgebonden zoogdieren als ree, en haas en muizen. Voor andere soorten hebben deze gronden te weinig te bieden in de vorm van voedselaanbod of beschutting en is het gebruik te intensief.
5.2
Advies
De effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de huidige natuurwaarden is ten tijde van het opstellen van het rapport lastig te bepalen. De reden hiervoor is dat het nog niet bekend is waar welke plannen uitgevoerd worden. Wel kan er een globaal advies worden gegeven betreffende de huidige natuurwaarden en de ontwikkeling van het zonnepark op de natuurwaarden in het gebied. 5.2.1 Ontwikkeling zonnepark De huidige landbouwgronden in het gebied worden vrij intensief beheerd. Op dit type landbouwgronden kan veel potentie zijn voor een toename van de biodiversiteit wanneer er een goed beheerplan wordt opgesteld voor het gebied én er rekening wordt gehouden met de plaatsing van zonnepanelen. Wanneer er op de voormalige landbouwgronden geen bemesting of gebruik van bestrijdingsmiddelen meer plaatsvindt