Bestemmingsplan Nedereindseweg 543, Rijnenburg.pdf
Tekst van het document
Plansituatie Door bureau Blom Ecologie is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport (kenmerk BE/2019/396/r d.d. 27 mei 2019) is als Bijlage 2 aan deze toelichting toegevoegd. In het plan uit 2019 was er sprake van aanpassingen aan de bestaande bebouwing. In het nu voorliggende plan is daar geen sprake van. Hierna volgt een samenvatting van de onderzoeksresultaten. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 11,3 km ligt het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Zie onderstaande afbeelding.
Afbeelding 10: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)
45
De planlocatie ligt op een afstand van circa 0,8 km ten zuidoosten van het Natuurnetwerk Nederland. Zie onderstaande afbeelding.
Afbeelding 11: ligging plangebied tot opzichte van het Natuurnetwerk Nederland De beoogde ontwikkeling betreft de transformatie van een boerderij naar 'Wonen' en het handhaven van de bedrijven aanduiding op twee schuren. Er vinden geen bouwactiviteiten plaats. Met behulp van Aerius calculator 2020 is van de gebruiksfase een berekening uitgevoerd van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. Omdat er geen bouwactiviteiten plaatsvinden is de aanlegfase niet van toepassing.
In de gebruiksfase is er sprake van verkeersbewegingen die gerelateerd zijn aan de verhuur van de opslag- en stallingsruimte, verkeersbewegingen door het privé-gebruik van de woning en het verwarmen van de woning. In de Aerius Calculator zijn de volgende gegevens ingevoerd: Bedrijfsmatig verkeer: 16 bewegingen per dag van en naar de Meerndijk; Privé-verkeer: 4 bewegingen per dag in oostelijke richting; Privé-verkeer: 4 bewegingen per dag in westelijke richting; Verwarmen van de woning; 3,69 kg NOx / jaar Gezien de grote afstand tot een Natura-2000 gebied was de verwachting dat het gebruik van de locatie in de nieuwe situatie geen stikstofdepositie zal veroorzaken op de gebieden. Dit wordt bevestigd de Aeriusberekening. Het gebruik van de locatie voor woondoeleinden en de verhuur van de 900 m2 aan bedrijfsruimte levert geen stikstofemissie op van meer dan 0,00 mol per ha / jaar. Zie de Aeriusberekening in Bijlage 3. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Houtopstanden Er worden geen bomen gekapt binnen de planlocatie. Een kapmelding in het kader van de Wet natuurbescherming is derhalve niet aan de orde. Soortenbescherming Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie komen voor zover bekend geen beschermde vaatplanten voor (NDFF, 2009-2019).
De planlocatie bestaat uit bijna volledige verharding of kunstmatige aangeplante (tuin)planten, derhalve zijn er geen sporen of delen van (beschermde) planten aangetroffen. Negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten kunnen uitgesloten 4 6 bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)
Utrecht
worden. Zoogdieren In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, woelrat (NDFF, 2009-2019). Voor alle vorengenoemde soorten geldt dat deze niet beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming of dat vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Essentieel leefgebied en/of vaste rust- en/of verblijfplaatsen van beschermde zoogdieren zijn niet aanwezig en worden derhalve niet aangetast. Aangezien er geen fysieke ingrepen worden gedaan aan bebouwing leidt de beoogde functiewijziging niet tot negatieve effecten voor beschermde zoogdieren. Vleermuizen In de aanwezige bomen binnen het plangebied zijn geen openingen aangetroffen. Daarbij zullen alle bomen behouden blijven in de beoogde ontwikkelingen. Negatieve effecten ten aanzien van boombewonende vleermuizen kunnen uitgesloten worden. De bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur.
De boerderij betreft een woning uit 1850 en bevat derhalve geen luchtspouw. Daarbij bevat de boerderij geen openingen. De aanbouw bevat daarentegen wel een luchtspouw, maar de stootvoegen bevinden zich op 0,5 m hoogte vanaf de grond. Dit is te laag om voor vleermuizen te kunnen invliegen. De overige bebouwing bevat geen openingen waardoor vleermuizen in een tussenruimte kunnen komen. In de achtergevel van de voormalige veestal ontbreekt bij een aantal stenen specie. Echter ontbreekt de specie niet dusdanig dat er sprake is van openingen welke leiden tot kruipruimtes. Alle golfplaten daken zijn niet toegankelijk voor vleermuizen door het ontbreken van een vrije invliegroute. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen uitgesloten worden. De Nedereindseweg wordt gebruikt als vliegroute voor vleermuizen. Gezien dit de enige straat is met bomen in de wijde omgeving, kan het aannemelijk zelfs als essentiële vliegroute betreffen. Omdat er geen fysieke veranderingen optreden en geen bomen worden gekapt, kan worden uitgesloten dat er negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving. Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Het voorkomen van inheemse reptielen is niet bekend in deze regio.
Tevens kan het voorkomen op de planlocatie worden uitgesloten aangezien deze over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Door het ontbreken van geschikt habitat is de aanwezigheid van reptielen op de planlocatie uitgesloten. Op de planlocatie is een vijver gelegen. De heikikker wordt vaak waargenomen in kleinschalige afwisselende landschappen, welke worden gekenmerkt door schrale, ruige en vochtige omstandigheden. De watersystemen zijn ondiep, voedselarm en enigszins zuur, vaak betreffen dit vennen of moerasgebieden. Het landhabitat waar de heikikker gedurende de actieve periode aanwezig is, dient ruig en te allen tijde vochtig te zijn. Veelal betreffen dit vochtig heidelandschappen of vochtige half-natuurlijke graslanden (Creemers & Van Delft, 2009). Door de hoge eisen aan het water en derhalve het ontbreken van functioneel leefgebied kan de aanwezigheid van de heikikker uitgesloten worden. Het voorkomen van rugstreeppad op de planlocatie wordt niet verwacht wegens het ontbreken van functioneel leefgebied in de vorm van vergraafbaar zand, ondiepe poeltjes of geschikte overwinteringslocaties. Omdat er ook geen werkzaamheden zullen plaatsvinden, zal er geen biotoop ontstaan waardoor de rugstreeppad zal opduiken. Vissen Binnen de planlocatie bevindt zich slechts een vijver. Er zijn geen beoogde ontwikkelingen voorzien aan de vijver.
Negatieve effecten ten aanzien van (beschermde) vissen kunnen uitgesloten worden. Insecten, libellen en andere ongewervelden Gezien de structuur van de planlocatie en de afwezigheid van nectarrijke- en structuurrijke groenelementen is de aanwezigheid van veel vlindersoorten en libellen uitgesloten. Tevens ontbreken zowel waardplanten, geschikt oppervlaktewater (ondiep, vegetatierijk en stilstaand) als andere specifieke abiotische omstandigheden die voor veel soorten essentieel zijn voor hun bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)
47
levenscyclus. De vijver voldoet niet aan de hoge eisen van beschermde libellen voor voortplantingswater. Algemeen verspreide insecten, libellen en ongewervelden kunnen (sporadisch) op de planlocatie aanwezig zijn. De plaats van de ruimtelijke omgeving alsmede de directe omgeving hebben geen relevantie voor deze soorten. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkelingen op zowel beschermde als algemene dagvlinders en libellen zijn uitgesloten. Effecten van de beoogde ontwikkeling op beschermde weekdieren zijn tevens uitgesloten door afwezigheid van geschikt leefgebied. Vogels In de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen (niet limitatief) : spreeuw, blauwe reiger en koolmees. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Op de planlocatie zijn geen (grote, oude) bomen met horsten, holtes en/of oude nesten aanwezig van of die geschikt zouden kunnen zijn voor roofvogels en uilen. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. In de ruime omgeving zijn slechts sporadische waarnemingen van steenuil bekend. De directe omgeving is niet kleinschalig genoeg. Er is derhalve geen functioneel leefgebied voor de soort aanwezig. Ook voor de kerkuil ontbreken waarnemingen in de directe omgeving.
Het plangebied zelf biedt geen rust- en/of verblijfplaats door het ontbreken van openingen waar de kerkuil gebruik van kan maken. Tevens biedt het plangebied geen foerageergebied door het ontbreken van weides of graslanden. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort is binnen het plangebied geen functioneel leefgebied aanwezig. De huismus en gierzwaluw broeden vrijwel altijd in menselijke bebouwing, en bouwen hun nesten onder dakpannen tegen het isolerende dakbeschot of in kieren in de muur. In de bebouwing zijn dergelijke openingen waar deze soorten gebruik van kunnen maken niet aangetroffen. Tevens zijn er tijdens het veldbezoek geen huismussen waargenomen/gehoord. Negatieve effecten ten aanzien van de huismus en gierzwaluw kunnen uitgesloten worden. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) Binnen het plangebied bevindt zich een torenvalk nestkast. Tijdens het veldbezoek zijn krijtsporen en braakballen onder de nok van de loodsen aangetroffen van een torenvalk. Braakballen van roofvogels kunnen herkend worden door het ontbreken van botrestanten in de braakballen. De eigenaar gaf tevens aan dat er veelal torenvalk in de directe omgeving aanwezig zijn.
De torenvalk behoort tot categorie 5 vogels: honkvaste broeders, maar voldoende flexibel. Onder de Wet natuurbescherming wordt het volgende onderscheid gemaakt: nesten van vogelsoorten van categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd en de nesten van soorten onder categorie 5 zijn beschermd mits er ecologisch zwaarwegende redenen gelden. De broedvogel trend laat zien dat er een significant afname van <5% per jaar is (SOVON torenvalk, 2019). De torenvalk nestkast zal behouden blijven in de beoogde ontwikkeling. Omdat er geen fysieke werkzaamheden zullen plaatsvinden aan de bebouwing is het uitgesloten dat er verstoring optreedt voor de torenvalk. Conclusie In het onderzoek is geconcludeerd dat de planlocatie geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. Aanvullend onderzoek is niet nodig.
5.11 Bomen Uit de beschrijving van de bomenparagraaf moet blijken: welke en hoeveel bomen aanwezig zijn in het plangebied; welke bomen gekapt moeten worden; hoe het omliggende terrein, na realiseren van het bouwinitiatief, wordt ingericht; of te kappen bomen zijn te herplanten of niet? Op welke wijze aan de herplantplicht wordt voldaan. Plansituatie Op de tekening in Bijlage 4 is aangegeven welke en hoeveel bomen in het plangebied in de bestaande situatie aanwezig zijn. 4 8 bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)
Utrecht
Om te komen tot een kwalitatief goede landschappelijke inpassing wordt aan het perceel groen toegevoegd. Op de tekening in Bijlage 5 is aangegeven waar welke groen wordt aangeplant. Tot slot is in Bijlage 1 van de regels de eindsituatie weergegeven, inclusief de soorten en aantallen. Conclusie Door een zorgvuldige landschappelijke aankleding van het perceel wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt.
5.12 Water Kader Met de watertoets wordt beoogd de waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken waardoor het water een evenwichtige plaats krijgt in ruimtelijke plannen. Een evenwichtige plaats houdt in dat in elk plan de negatieve effecten voor de waterhuishouding ten gevolge van ruimtelijke ontwikkelingen -waar mogelijk- moeten worden voorkomen. De resultaten van de watertoets worden weergegeven in deze paragraaf. Deze paragraaf is opgesteld in overleg met het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR). Waterschapsbeleid Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) heeft de zorg voor het kwantiteits- en kwaliteitsbeheer van het oppervlaktewater in het plangebied. Het beleid en de regels van het waterschap zijn vastgelegd in diverse wetten en verordeningen. De belangrijkste verordening is de keur. Keur Het beleid en de regels van het waterschap zijn vastgelegd in diverse wetten en verordeningen. Aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem moeten door het Hoogheemraadschap worden vergund. Er geldt een vergunningsplicht op grond van de belangrijkste verordening, de "Keur" (ex artikel 77 en 80 van de Waterschapswet). In de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009 staan verboden en geboden die betrekking hebben op oppervlaktewatergangen, waterkeringen en grondwater.
De verboden betreffen die handelingen en gedragingen die in principe onwenselijk zijn voor de constructie of de functie van oppervlaktewatergangen, waterkeringen of grondwatergangen. De geboden geven de verplichtingen aan om deze waterstaatswerken in stand te houden. Eventuele vergunningen worden alleen verleend als waterstaatkundige belangen niet in het gedrang komen. Bij het verlenen van een vergunning worden deze belangen altijd afgewogen. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de verbrede doelstellingen van de Waterwet, te weten de samenhang met chemische en ecologische aspecten en de vervulling van maatschappelijke functies van watersystemen. In de Keur is daarnaast bepaald dat 'beschermingszones' voor watergangen en waterkeringen in acht dienen te worden genomen. Het komt erop neer dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het Waterschap gebouwd en opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aanen/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Watertoets Op 12 januari 2021 is voor het plan de digitale watertoets uitgevoerd. De toetsresultaten zijn als Bijlage 6 aan deze toelichting toegevoegd. Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is hiermee op de hoogte gebracht van het plan.
Uit de analyse blijkt dat er geen sprake is van een waterbelang. De ruimtelijke ontwikkeling maakt het mogelijk om een functiewijziging in bestaande bebouwing toe te staan. Functiewijzigingen hebben geen invloed op water. Om deze reden voldoet het plan aan de belangrijkste minimale voorwaarde: "het standstill beginsel". Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden adviseert daarom positief over het ruimtelijk plan. Indien in de toekomst ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, waarbij het verhard oppervlak toeneemt met meer dan 500m2 in stedelijk gebied en/of 1.000m2 in landelijk gebied, heeft dit tot gevolg dat het hemelwater van dit oppervlak versneld tot afvoer komt. Het bestaande watersysteem kan tijdens een hevige regenbui deze extra versnelde afvoer niet verwerken, waardoor wateroverlast binnen of buiten het plangebied kan ontstaan. Om de waterhuishouding niet te verslechteren, moet de versnelde afvoer worden voorkomen of gecompenseerd. bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)
49
Conclusie De geplande ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterhuishouding in en rondom het plangebied. Via de digitale watertoets adviseert het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden betrokken positief over het ruimtelijk plan.
5.13 Archeologie Wettelijk kader In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 1998 geratificeerd. Doel van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium dient plaats te vinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'. Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen worden betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed. De Erfgoedwet heeft betrekking op archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.
Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijft artikel 38a van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 38a schrijft voor dat in een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond te aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Verordening en bestemmingsplan De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een verordening op te stellen voor het hele grondgebied van de gemeente. In de verordening op de archeologische monumentenzorg is een vergunningenstelsel opgenomen ter bescherming van het archeologische erfgoed, waarmee de wettelijk vereiste bescherming kan worden geboden. In bestemmingsplannen wordt verwezen naar de verordening en een regel opgenomen (dubbelbestemming Waarde - Archeologie). In deze dubbelbestemming is opgenomen dat de voor Waarde- archeologie aangewezen gronden mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen. Met deze specifieke gebruiksregel wordt geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg.
Door de verordening en de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig. Gemeentelijke archeologische waardenkaart De Archeologische Waardenkaart van de gemeente Utrecht ligt ten grondslag aan de verordening op de archeologische Monumentenzorg. Deze waardenkaart is geënt op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarde (IKAW) van de provincie en op de kennis en ervaring opgedaan in tientallen jaren archeologisch onderzoek in de stad. Hij geeft inzicht in de ligging van beschermde archeologische rijksmonumenten, gebieden van hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische verwachting en gebieden van archeologische verwachting en bij welk te verstoren oppervlakte en diepte een vergunningsplicht geldt. In de op de waardenkaart aangeduide gebieden waar een vergunningplicht geldt zal van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een inspanning vereist worden om resten uit het verleden op te laten sporen en zo nodig veilig te stellen. Beschermde archeologische rijksmonumenten worden op grond van de Erfgoedwet beschermd.
Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijven paragraaf 2 en 3 van hoofdstuk II van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierin staat dat aantasting van de beschermde archeologische monumenten niet is toegestaan. Voor wijziging, sloop of verwijdering van een archeologisch Rijksmonument moet een vergunning worden aangevraagd waarop de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beslist. Gebieden van hoge archeologische waarde (rood) zijn gebieden waarvan bekend is dat er archeologische waarden zijn, maar die niet beschermd zijn als archeologisch rijks- of gemeentelijk monument. Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm. Gebieden van hoge archeologische verwachting (geel) zijn zones waar op grond van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek dan wel op basis van historisch geografisch 5 0 bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)
Utrecht
onderzoek archeologische waarden te verwachten zijn (er wordt een middelhoge tot hoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht). Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm. Bij gebieden met een archeologische verwachting (groen) zijn de verwachtingen lager (er wordt een middelhoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht). Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 1000 m2 en dieper dan 50 cm. Daarnaast zijn op de kaart witte gebieden aangewezen. Voor deze zones geldt geen verwachting en geen vergunningstelsel. Plansituatie Het plangebied Nedereindseweg 543 ligt grotendeels in een gebied met een hoge archeologische verwachting (geel) en voor een klein deel in een gebied zonder verwachting. Zie navolgende afbeelding.
Afbeelding 12: uitsnede Archeologische Waardenkaart In gebieden met een hoge archeologische verwachting geldt bij graafwerkzaamheden tot 100 m2 en 30 cm beneden huidig maaiveld een vrijstelling van de archeologische voorwaarden. Mocht er meer dan 100 m2 en 30 cm beneden huidig maaiveld worden gegraven dan is wellicht een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk. Met het voorliggende plan wordt de agrarische bestemming van het perceel gewijzigd in de woonbestemming, waarbij de functieaanduiding 'bedrijf' blijft gehandhaafd. Er vinden geen fysieke ingrepen plaats. De bodem wordt niet verstoord. Conclusie Omdat het plan alleen toeziet op een functieverandering en er geen bodemverstorende werkzaamheden worden uitgevoerd, is het uitvoeren van archeologisch onderzoek niet aan de orde.
5.14 Kabels en leidingen Kader Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het bestemmingsplan nodig hebben. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en leidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt rekening gehouden met een zakelijke rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen wordt beschadiging van de leiding voorkomen. Plansituatie Op het perceel ligt er een rioolpersleiding. De rioolpersleiding ligt evenwijdig aan de bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)
51
Nedereindseweg. In het bestemmingsplan Rijnenburg, Utrecht is op de verbeelding ter plaatse van deze leiding een dubbelbestemming Leiding - Riool gelegd. Dit ten behoeve van de aanleg en instandhouding van de rioolwaterpersleiding. Conclusie Door het handhaven van de dubbelbesteming Leiding - Riool in het onderhavige bestemmingsplan is de instandhouding van deze leiding verzekerd.
5.15 Gezondheid Kader Gezonde verstedelijking betekent: gezond, vitaal, sociaal en zelfstandig samenleven, in een schone, prettige, duurzame en economische welvarende stad. Het bewaken, beschermen en bevorderen van de gezondheid in het fysieke domein gaat vanuit drie invalshoeken: De druk op gezondheid zo laag mogelijk houden. Het bouwen van woningen op een redelijke afstand van de snelweg, een schonere lucht, een betere water- en bodemkwaliteit en op minder; geluidhinder. Het gaat hier om meer dan alleen het naleven van de milieunormen; De inrichting van de leefomgeving wordt door mensen als prettig ervaren. Het gaat er dan om of de omgeving levendig, afwisselend en veilig is ingericht. Belangrijk zijn voldoende bereikbaar, aantrekkelijk en bruikbaar groen, voldoende ruimte voor ontmoeting en voldoende aangename geur en kleur; De leefomgeving nodigt uit tot gezond gedrag. Belangrijk is dat mensen elkaar ontmoeten en voldoende bewegen. Dat kan onder meer door dagelijkse beweging in de buurt beter te faciliteren met goede wandel- en fietsroutes, fietsparkeervoorzieningen en speelmogelijkheden. Plansituatie Het plangebied ligt in het buitengebied waar de druk op de gezondheid ten opzicht van een meer stedelijk gebied relatief laag is. Door het toevoegen van extra groen op het perceel wordt de kwaliteit van de leefomgeving nog verder versterkt.
Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
5.16 Toegankelijkheid Kader Utrecht wil een stad zijn waar iedereen mee kan doen, waar we niemand buitensluiten. Een inclusieve toegankelijke stad. We willen dat alle inwoners en bezoekers, met en zonder beperking, alle openbare gebouwen, woningen, de openbare ruimte en dienstverlening kunnen gebruiken. Utrecht werkt al sinds 2007 actief aan toegankelijkheid, eerst met Agenda 22 en nu volgens het VN-verdrag handicap. De ambities van de gemeente voor het VN-verdrag handicap staan in de agenda 'Utrecht voor iedereen toegankelijk'. In de agenda 'Utrecht voor iedereen toegankelijk' zijn drie kansen omschreven die we als gemeente willen pakken. Dit zijn: sneller en concreet resultaat, niet alleen fysiek maar ook sociaal toegankelijk en samenwerken met de stad. Met het uitvoeringsprogramma 'Utrecht voor iedereen toegankelijk' laten we zien wat we al doen en wat we nieuw op pakken. Dit zijn acties die nodig zijn voor het benutten van de drie kansen. Plangebied Woningen Voor woningen is het Bouwbesluit van kracht. Utrecht wil graag rolstoelbezoekbare en rolstoelbewoonbare woningen. Wij willen dat iedereen, ook als hij of zij gebruik maakt van een rolstoel, alle nieuwe of verbouwde woningen kan bezoeken.
Iedereen kan vanaf de openbare weg bij de voordeur komen, een brief in de bus doen, aanbellen, binnengaan, in de woonkamer komen en bij het toilet, gebruik maken van de buitenruimte zoals een balkon of tuin. Dit houdt bijvoorbeeld in dat er geen trappetjes of opstapjes zijn, binnen of buiten de woning. Dit is een woning die bezoekbaar is. We willen dat mensen in een rolstoel in alle nieuwe of verbouwde nultredenwoningen (woningen waarbij de entree, woonkamer/eetkamer, keuken, badkamer, toilet en ten minste één slaapkamer zonder trap bereikbaar zijn) kunnen wonen. Of het is gemakkelijk om daarvoor te zorgen. De ambitie van Utrecht gaat hiermee verder dan het Bouwbesluit. Het is mogelijk dat bestaande bouwwerken bijvoorbeeld van oudsher niet aan de toegankelijkheidsambities voldoen. Bestaande bouwwerken mogen door het verbouwen daarvan in ieder geval niet minder toegankelijk worden. Woningen die in privébezit zijn en door de eigenaar bewoond worden zijn hiervan uitgezonderd. 5 2 bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)
Utrecht
Conclusie Het aspect toegankelijkheid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
5.17 Duurzaamheid Kader De gezonde stad Utrecht groeit en zet in op verduurzaming. Ze streeft hierin naar de wording van een 'gezonde stad'. Met de binnenstedelijke verdichting worden de groene stadsranden steeds belangrijker. Ze fungeren als recreatieve buffer, waar ruimte en zicht op het cultuurhistorische landschap belangrijke pijlers zijn. De omgeving zal met deze planontwikkeling verder vergroenen. Dit heeft een positief effect op de gezondheid van mensen en werkt klimaat adaptief. Groen reduceert stress, bevordert herstel van ziekte, stimuleert tot bewegen, geeft de mogelijkheid om tot rust te komen en te ontspannen. Energie Bij een gezonde stad hoort ook een ambitie ten aanzien van energiebesparende maatregelen. De gemeente Utrecht heeft in haar beleid op energiegebied een duidelijke ambitie vastgelegd. In het eerdere MBP en in het Programma Utrechtse Energie is opgenomen dat Utrecht in 2030. klimaatneutraal is. Ontwikkel- en herstructureringslocaties bieden kansen om een bijdrage te leveren aan de realisatie van deze ambitie. De inzet van maatregelen om de CO2-uitstoot vergaand te verminderen gaat in de volgorde: energiebehoefte verminderen, inzet van duurzame bronnen en, tenslotte, een zo efficiënt mogelijke omzetting van primaire energie in warmte en kracht. Die klimaatambities betekenen een fors betere energieprestatie.
In de hoofdstukken Gemeentelijk beleid en Planbeschrijving is het duurzaamheidbeleid geschetst. Het gaat daarbij om het verminderen van het fossiel energieverbruik, om welbevinden en om een goed evenwicht tussen de 3 P's. Onder duurzame ontwikkeling wordt een ontwikkeling verstaan die voorziet in de behoefte van de huidige generatie zonder daarmee voor de toekomstige generaties de mogelijkheid in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Dit houdt in dat het streven is naar een evenwicht tussen de 3 P's: People (sociale component), Planet (ecologie en milieu) en Profit (economie). Voor gebruikers levert duurzaamheid een hoog kwalitatieve leefomgeving door verhoging comfort, veiligheid en gezondheid. Het levert ook kostenbesparingen op én het is goed voor het milieu. Circulair bouwen Circulair bouwen is de norm. Het doel van circulair bouwen is het koppelen van de afvalstromen in de bouw aan de bouwstromen, zodat er zo min mogelijk afval ontstaat en schaarse grondstoffen binnen de gebruikscyclus blijven. Hierbij kan als hulpmiddel gebruik gemaakt worden van een materialenpaspoort, en een circulariteits-prestatieberekening via de tool CPG waarbij een rapportcijfer wordt gegeven van de mate van circulair bouwen. Plansituatie Het plangebied ligt in de landelijke omgeving.
Door de investering in de groene aankleding van het perceel zal deze groene kwaliteit alleen nog maar versterkt worden. De bestaande groene kwaliteit van het projectgebied wordt met name gevormd door de groene opgaande beplanting en bomen langs de randen van het projectgebied. Deze elementen blijven behouden en worden versterkt. Aangezien er geen sprake is van fysieke veranderingen aan de bebouwing op het perceel, is het circulair bouwen niet aan de orde. Met de aanwezige 70 zonnepanelen wordt een bijdrage geleverd aan het verminderen van de CO2-uitstoot. Conclusie Het bestemmingsplan kan voldoen aan de duurzaamheidsambities van Utrecht.
5.18 Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat, als voldaan wordt aan de randvoorwaarden zoals in de vorige paragrafen zijn beschreven, er vanuit milieukundig oogpunt geen belemmeringen zijn van de uitvoering het plan. bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)
53
5 4 bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Inleiding Dit bestemmingsplan is naar aanleiding van een aanvraag in procedure gebracht. Dit bestemmingsplan voorziet in de bestemmingswijziging van het plangebied van Agrarisch in Wonen. De twee geschakelde loodsen voor opslag- en stallingsdoeleinden door derden hebben in het vigerende bestemmingsplan de aanduiding 'bedrijf'. Deze aanduiding wordt gewijzigd in 'specifieke vorm van wonen-1'. Financiële uitvoerbaarheid De initiatiefnemer draagt de kosten voor dit initiatief. Vanuit het plan vloeien geen kosten of risico's voort die voor rekening van de gemeente zijn. Daarnaast zijn de kosten zodanig dat de initiatiefnemer dit kan betalen. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is daarmee verzekerd. Economische uitvoerbaarheid Vanwege de geprognosticeerde groei van Utrecht naar circa 400.000 inwoners en de aantrekkende woningmarkt wordt de economische uitvoerbaarheid van dit plan voldoende aannemelijk geacht (zie ook paragraaf 2.1.3). Met de voorgenomen bestemmingswijziging neemt de verkoopbaarheid van de boerderij enorm toe. De uitvoerbaarheid van het project binnen de voorgestane planperiode is hiermee voldoende aangetoond. Kostenverhaal Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad verplicht om een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop 'aangewezen bouwplannen' zijn voorgenomen.
In artikel 6.2.1 Bro zijn de 'aangewezen bouwplannen' opgenomen. Het gaat om nieuwbouw van woningen of andere hoofdgebouwen, grote uitbreidingen van bestaande gebouwen of kassen (met meer dan 1.000 m²). De bestemmingswijziging betreft geen aangewezen bouwplan (artikel 6.12, eerste lid Wro). Er is dus geen exploitatieplan verplicht. Planschade Voor de uitwerking van dit plan is een planschadeovereenkomst opgesteld tussen de initiatiefnemer van dit plan en de gemeente. Het risico op planschade wordt afgewenteld op initiatiefnemer.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening
Het plan wordt aan een aantal instanties toegezonden voor reactie als bedoeld in art 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. De provincie Utrecht heeft aangegeven dat het voorliggende bestemmingsplan “Nedereindseweg 543, Rijnenburg” geen aanleiding geeft om opmerkingen te plaatsen in het kader van het provinciaal belang zoals dat is opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (herijking 2016) en de Provinciale Ruimtelijke Verordening, P Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) geeft aan dat er geen sprake is van een waterbelang. Ook de HDSR heeft verder geen opmerkingen op het plan. De reacties hebben inhoudelijk niet geleid tot aanpassing van het plan. 6.2.2
Participatieproces
Bewoners in de directe omgeving van het plangebied zijn door initiatiefnemer geïnformeerd over de bestemmingsplanprocedure en zijn in de gelegenheid gesteld om te reageren.
bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)
55
5 6 bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 7 Juridische plantoelichting 7.1
Inleiding
Het bestemmingsplan is opgesteld volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). De SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere leesbaarheid, raadpleegbaarheid en helderheid voor de gebruiker en draagt zo bij aan een effectiever en efficiëntere dienstverlening.
7.2
Planvorm
Het bestemmingsplan Nedereindseweg 543, Rijnenburg kenmerkt zich door een gedetailleerde bestemmingsregeling, zowel op de verbeelding als in de planregels. Het plan wordt gecoördineerd behandeld met de omgevingsvergunning bouwen.
7.3
Opbouw regels
De opzet van de bestemmingsregels is steeds gelijk: bestemmingsomschrijving (met ondergeschikte en nevengeschikte doeleinden); bouwregels; nadere eisen waar de bestemmingsregeling dat nodig maakt; afwijkingsregels van de bouwregels; waar nodig: een bijzondere gebruiksregel, bijvoorbeeld bij wonen een aan-huis-verbonden bedrijf. afwijkingsregels van de gebruiksregels; eventueel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, ter bescherming van aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke of natuurwaarden; waar nodig: een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht. 7.3.1
Het gebruik van het woord of
Wanneer in de regels van dit bestemmingsplan in een opsomming van gevallen het woord 'of' wordt gebruikt, is daaronder mede begrepen de situatie dat meer dan een van de genoemde gevallen zich tegelijk voordoen. Onder 'of' wordt een combinatie van opties niet uitgesloten.
7.4
Regeling bijbehorende bouwwerken
7.4.1
Inleiding
Utrecht hanteert regels voor erfbebouwing. Deze worden in alle bestemmingsplannen opgenomen. Hierbij wordt uitgegaan van uniforme regels voor de hele stad die, waar nodig, aan specifieke situaties en gebiedskarakteristieken kunnen worden aangepast. Uitgangspunten voor deze regels zijn: het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat. Dit houdt onder andere in dat op alle erven voldoende licht, lucht en ruimte aanwezig kan zijn, en dus ook dat erfbebouwing op het ene perceel geen onevenredig grote negatieve gevolgen heeft voor de naastgelegen percelen; het mogelijk maken van groen (bomen, tuinen) op erven; het waarborgen van goede verhoudingen in maat en schaal tussen hoofd- en bijgebouwen; voor de grotere percelen: het in stand houden en versterken van bestaande landschappelijke structuren.
bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)
57
7.4.2
De regeling
Voor de regeling zijn de mogelijkheden om op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) onder de daarbij gestelde voorwaarden, vergunningvrij te bouwen als uitgangspunt genomen. Voor de meeste percelen in stedelijk gebied zijn deze mogelijkheden voldoende, maar voor de grotere percelen niet. De erfbebouwingsregeling voorziet hiervoor in meer bebouwingsmogelijkheden. De basisregels van de erfbebouwingsregeling voor bijbehorende bouwwerken, zijn de volgende: uitsluitend op het achtererf, minimaal 1 meter achter de voorgevelrooilijn; de erfzone* grenzend aan het hoofdgebouw mag volledig worden bebouwd; de diepte van bijbehorende bouwwerken (aan achtergevel en/of zijgevel) bedraagt maximaal 3 meter. * Erfzone is de zone van 4 meter direct grenzend aan de achterkant en de zijkant van een hoofdgebouw op het achtererfgebied. Het achtererfgebied is het erf aan de achterkant en de niet naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant van een hoofdgebouw (overgenomen uit de Wabo). In het bestemmingsplan Rijnenburg is geen sprake van een reguliere erfzone. Gelet op de bijzondere waarden in het gebied zijn zones aangegeven waar bebouwing niet wenselijk is. Deze zones liggen op plaatsen verder achter de voorgevel. In deze zones is vergunningvrij bouwen ook uitgesloten.
In aanvulling op deze basisregels is een uitsplitsing gemaakt naar de grote van het achtererf (het achtererf wordt in het bestemmingsplan Rijnenburg bepaald door het gebied achter de woning dat geen dubbelbestemming Waarde - Landschap heeft gekregen): 1. Een achtererf tot 300 m2: bijbehorende bouwwerken mogelijk tot maximaal 50 % van het achtererfgebied, inclusief de erfzone, tot maximaal 30 m2 naast hetgeen is toegestaan in de erfzone; goothoogte vrijstaande bijbehorende bouwwerken maximaal 3 meter; nokhoogte vrijstaande bijbehorende bouwwerken maximaal 4,5 meter 2. Een achtererf tussen 300-1500 m2: bijbehorende bouwwerken mogelijk tot maximaal 10% van het achtererfgebied, inclusief erfzone, tot maximaal 75 m2 naast hetgeen is toegestaan in de erfzone; goothoogte vrijstaande bijbehorende bouwwerken maximaal 3 meter; nokhoogte vrijstaande bijbehorende bouwwerken maximaal 4,5 meter 3. Een achtererf groter dan 1.500 m2: bijbehorende bouwwerken mogelijk tot maximaal 5 % van het achtererfgebied, inclusief erfzone, tot maximaal 125 m2 naast hetgeen is toegestaan in de erfzone; goothoogte vrijstaande bijbehorende bouwwerken maximaal 3 meter; nokhoogte vrijstaande bijbehorende bouwwerken maximaal 6 meter; aangebouwde bijbehorende bouwwerken (aan achtergevel en/of zijgevel) maximaal 3 meter diep.
Indien in de bestaande situatie de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken groter is dan op grond van de regeling is toegestaan, en de goothoogte en nokhoogte afwijken van de maximaal toegestane hoogten, dan geldt de bestaande oppervlakte als maximaal toelaatbare oppervlakte. Dit geldt tevens voor de bestaande goot- en nokhoogte. Deze nieuwe erfbebouwingsregels zijn vertaald in de regels van de woonbestemming en de bestemmingen waar de functie wonen.
7.5
Nadere toelichting begripsomschrijvingen
Een aantal begripsomschrijvingen vraagt om nadere toelichting. Zo wordt onder een Aan-huis-verbonden bedrijf ook een kleinschalige voorziening ten behoeve van kinderopvang verstaan. Door de beperking van de maatvoering van een aan-huis-verbonden bedrijf in de bestemmingen waar dat is toegestaan (maximaal 1/3 van de vloeroppervlakte van de woning met een maximum van 60 m²), is de kleinschaligheid gegarandeerd. 5 8 bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)
Utrecht
Bij het begrip Bebouwingspercentage is het van belang uit te leggen hoe dit moet worden berekend. Zie hiervoor de onderstaande tekening. Een Bouwperceel is een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Meestal is dit het kadastrale perceel, maar dat hoeft niet altijd het geval te zijn. Een voorbeeld: wanneer een kadastraal perceel bijvoorbeeld twee bestemmingen heeft op grond van het bestemmingsplan,1 deel bestemming Wonen en 1 deel bestemming Bos, dan is niet het hele kadastrale perceel aan te wijzen als bouwperceel. Immers volgens de bestemming is niet volgens de regels zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing mogelijk. Voor het deel met de bestemming Bos gelden andere regels dan het deel met de bestemming Wonen.
7.6
Systematiek van de bestemming Wonen
Aan-huis-verbonden bedrijf Een belangrijk onderdeel van de bestemming Wonen is de regeling van de aan-huis-verbonden bedrijven als ondergeschikte functie bij het wonen. Zoals de naam al aangeeft, gaat het bij een aan-huis-verbonden bedrijf om een beroeps- of bedrijfsuitoefening in combinatie met wonen en dus door één van de bewoners van de woning. De maximale oppervlakte die daarvoor is toegestaan is 1/3 deel van het vloeroppervlak van de woning (inclusief aanbouwen) en vrijstaande bijgebouwen met een maximum van 60 m². Bij een aan-huis-verbonden bedrijf mag geen sprake zijn van detailhandel, horeca, afhaalzaken of belhuizen. Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het toestaan van milieucategorie B2 voor een aan-huis-verbonden bedrijf, echter onder de voorwaarde dat de bedrijfsactiviteit in kwestie naar aard en invloed op de omgeving gelijk kan worden gesteld met bedrijfsactiviteiten in milieucategorie A of B1 van de Lijst van Bedrijven functiemenging. Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan het handhaven van parkeergelegenheid op eigen terrein. Door het toenemend autobezit en het toenemend aantal woninguitbreidingen "tot het maximaal mogelijke" zou de situatie kunnen ontstaan, dat parkeergelegenheid op eigen terrein vervalt of onvoldoende wordt.
In deze gevallen is het wenselijk te kunnen "sturen" en door middel van het stellen van nadere eisen parkeergelegenheid op eigen terrein te kunnen behouden in de bestemming Wonen. Ook kan het uit een oogpunt van de bebouwingskarakteristiek in de omgeving of de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden of bouwwerken nodig of gewenst zijn nadere eisen te stellen aan de situering van bebouwing ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrens.
7.7
Artikelsgewijze toelichting
Op een aantal bestemmingen is in deze paragraaf een nadere toelichting opgenomen. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Wonen Het plangebied is bestemd als Wonen. Daarbij zijn bepalingen opgenomen voor wat betreft de gooten bouwhoogte en inhoud van de woning. Daarnaast is een regeling opgenomen voor de omvang en situering van bijbehorende bouwwerken. Voorwaardelijke verplichtingen landschappelijke inpassing Voorwaardelijke verplichtingen zijn gebaseerd artikel 3.1.2 Bro, tweede lid, wat mogelijk maakt dat een bestemmingsplan regels bevat waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid, afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de landschappelijke inpassing van het perceel. Artikel 4 Leiding - Riool De bestaande riolering is in deze dubbelbestemmingen aangegeven en beschermd. Artikel 5 Waarde - Archeologie Deze bestemming is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. In dit artikel is bepaald dat het handelen in strijd met de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg wordt gezien als met het bestemmingsplan strijdig gebruik. Artikel 6 Waarde - Landschap bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)
59
Voor belangrijke delen van het plangebied is de dubbelbestemming Waarde -Landschap opgenomen. Het gaat hier om gebieden die vanwege hun openheid en/of belangrijke structuur alsmede kenmerkende beplanting in stand dienen te worden gehouden. Deze aangewezen gebieden dienen vrij te worden gehouden van bebouwing om het bijzondere karakter van het gebied te beschermen. Daarnaast is een aantal activiteiten niet zonder meer mogelijk. Hiervoor is een omgevingsvergunning nodig. Bij de bestemming Waarde-Landschap is het vergunningvrij bouw uitgesloten, ter bescherming van de landschappelijke waarden. Een uitzondering wordt gemaakt voor erfafscheidingen. Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat een stuk grond dat al eens was betrokken bij het verlenen van een omgevingsvergunning bij de beoordeling van latere bouwplannen nogmaals wordt betrokken. Artikel 8 Algemene bouwregels Dit artikel regelt de mogelijkheid voor (beperkte) overschrijdingen van bebouwingsgrenzen die op de kaart zijn aangegeven, een voorwaardelijke verplichting over parkeren en regels voor woningvorming en omzetting. Artikel 9 Algemene gebruiksregels De Wabo bevat een algemeen verbod om de gronden en bebouwing in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken. Een algemeen gebruiksverbod hoeft derhalve niet meer in de planregels te worden opgenomen.
Het is wel mogelijk om in het bestemmingsplan aan te geven wat onder verboden gebruik in ieder geval wordt verstaan. In dit artikel is opgenomen dat onder verboden gebruik wordt verstaan: onbebouwde gronden te gebruiken als staanplaats voor onderkomens als opslagplaats voor onklare voer-, vlieg- en vaartuigen of onderdelen daarvan of als stortplaats voor puin en afvalstoffen. Het gebruik of bouwen in strijd met het bestemmingsplan was vroeger onder de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening via een algemene gebruiksbepaling en strafbepaling geregeld in het bestemmingsplan. Onder de Wet ruimtelijke ordening was een en ander geregeld in de wet zelf. Met de invoering van de Wabo is dat opnieuw gewijzigd. Nu is het als volgt geregeld. Voor elke verandering van gebruik (in ruime zin) die in strijd komt met een bestemmingsplan is volgens artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo een omgevingsvergunning nodig. Indien voor een dergelijk planologisch strijdig gebruik geen omgevingsvergunning wordt gevraagd of een gevraagde vergunning niet wordt verleend, komt dit gebruik dus in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Dat artikel kan vervolgens bestuursrechtelijk of strafrechtelijk via de Wet op de economische delicten worden gehandhaafd.
Strijdig gebruik met planologische regelingen waarvan afwijking niet is toegestaan valt niet onder artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Met het oog op dergelijk gebruik is in artikel 7.2 Wet ruimtelijke ordening een verbodsbepaling opgenomen bij de invoering van de Wabo. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels Dit artikel regelt de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders om af te wijken van de regels. Dit heeft primair tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Ze kunnen worden toegepast als er niet op grond van de bestemmingsregelingen in hoofdstuk 2 al afgeweken kan worden. Het gaat dan om een afwijking van maten, afmetingen en percentages, het plaatsen van objecten van beeldende kunst, het realiseren van kleine nutsgebouwtjes. De overgangs- en slotregels van hoofdstuk 4 bevatten de onderstaande twee regels. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overige regels Er mogen uitsluitend geluidgevoelige bestemmingen worden opgericht indien het bouwplan in overeenstemming is met de Wet geluidhinder of met het besluit ontheffing Hogere waarde. Artikel 14 Overgangsrecht In het Besluit ruimtelijke ordening is overgangsrecht opgenomen dat in elk bestemmingsplan moet worden overgenomen.
Indien de in het plan opgenomen regels, voor wat betreft gebruik of bebouwing, afwijken van een bestaande legale situatie, dan zijn daarop de overgangsregels van toepassing. De overgangsregel heeft tot doel bestaande belangen te respecteren totdat realisering van de nieuwe regels plaatsvindt. Voor bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen, is bepaald dat deze gedeeltelijk mogen worden vernieuwd of veranderd, mits de bestaande afwijking niet wordt vergroot. Gehele 6 0 bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)
Utrecht
vernieuwing is in principe uitgesloten, waaronder ook gefaseerde vernieuwing van een bouwwerk wordt verstaan. Het doel van het overgangsrecht is dat het bestaande bouwwerk in de bestaande staat in stand mag worden gehouden. Uitsluitend na het tenietgaan van het bouwwerk door een calamiteit, waarmee onder andere brand of extreme weersomstandigheden wordt bedoeld, is onder voorwaarden gehele vernieuwing toegestaan. Vergunningplichtige bouwwerken die zonder vergunning zijn opgericht, kunnen door overgangsrecht niet gelegaliseerd worden. Bouwen zonder vergunning is immers een overtreding van de Wabo die niet door een regeling in een bestemmingsplan ongedaan kan worden gemaakt. Wel kan met een beroep op het overgangsrecht een aanvraag worden ingediend voor de verbouw van een illegaal bouwwerk. Om te voorkomen dat een dergelijke aanvraag moet worden gehonoreerd, is in de overgangsbepaling van dit plan opgenomen dat deze slechts van toepassing is op legale bouwwerken. Voor het gebruik dat onder het overgangsrecht valt, is bepaald dat dat gebruik mag worden voortgezet. Het gebruik mag eveneens worden gewijzigd, voor zover de afwijking ten opzichte van het toegestane gebruik niet vergroot wordt. Hiervoor is reeds aangegeven dat illegale bouwwerken niet gelegaliseerd kunnen worden door overgangsrecht.
Voor gebruik is dat in principe wel mogelijk maar vanuit het oogpunt van handhaving ongewenst. Gezien het voorgaande is in de overgangsbepaling opgenomen dat het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, van het overgangsrecht is uitgesloten. Ook na het van kracht worden van dit plan kan dus nog met succes handhavend worden opgetreden tegen gebruik dat reeds in strijd was met het voorgaande bestemmingsplan. Dit laatste is uiteraard mede afhankelijk van andere aspecten, waaronder de vraag of het strijdige gebruik reeds zolang plaatsvindt dat de gemeente haar rechten heeft verwerkt. Artikel 15 Slotregel In dit artikel is de naam van het bestemmingsplan, de citeertitel, omschreven. Prostitutie In het plangebied van dit bestemmingsplan zijn geen seksinrichtingen gevestigd met een vergunning op basis van de APV. Gezien het in Utrecht gehanteerde maximumstelsel zijn nieuwe seksinrichtingen niet toegestaan en zijn seksinrichtingen uitgesloten in de gebruiksbepaling en in de begripsbepaling "aan-huis-verbonden bedrijf". Gelet op het binnen de gemeente gehanteerde maximumstelsel betekent de regeling in dit bestemmingsplan geen algeheel verbod, maar wel een verbod op seksinrichtingen binnen dit plangebied.
7.8 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Ter bescherming van het beschermd en het waardevol stadsgezicht is een vergunningenstelsel opgenomen. Bij de bestemmingsomschrijving van verschillende bestemmingen is aangegeven dat de gronden die de aanduiding 'beschermd stadsgezicht' of 'waardevol stadsgezicht' hebben, tevens bestemd zijn voor de bescherming en instandhouding van de het beschermd respectievelijk waardevol stadsgezicht. Het is verboden bepaalde werken en werkzaamheden uit te voeren zonder een omgevingsvergunning. Het betreft werken en werkzaamheden zoals: het wijzigen van het gevelaanzicht, het ophogen, verlagen of afgraven van de gronden, het aanleggen van verhardingen, het aanbrengen van constructies die verband houden met bovengrondse leidingen en dergelijke. Op werken en werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen, noodzakelijk zijn voor het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de grond of reeds vergunde werken of werkzaamheden is het verbod niet van toepassing. De omgevingsvergunning wordt afgegeven als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, herstel en ontwikkeling van het beschermd of waardevol stadsgezicht. Ook zijn vergunningplichten opgenomen in de regeling van de bestemming Groen met de nadere aanduidingen ecologische verbindingszone en ecologische kerngebied.
Ook in deze gevallen is er een omgevingsvergunning noodzakelijk ter bescherming van de aanwezige waarden, omdat de genoemde werkzaamheden deze waarden onherstelbaar kunnen aantasten. Het is daarom van belang om die werkzaamheden aan een vergunningsvereiste te koppelen zodat een afweging kan worden gemaakt voordat zij worden uitgevoerd.
bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)
61
7.9
Lijst van Bedrijfsactiviteiten
Algemeen Om de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten in dit bestemmingsplan vast te leggen is gebruikgemaakt van een milieuzonering. Een milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) waar nodig ruimtelijk voldoende worden gescheiden. De gehanteerde milieuzonering is gekoppeld aan een Lijst van Bedrijfsactiviteiten. Een Lijst van Bedrijfsactiviteiten is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten, naarmate de te verwachten belasting voor het milieu, zijn ingedeeld in een aantal categorieën. In de bijlagen bij de regels is de Lijst van Bedrijfsactiviteiten opgenomen. Voor de indeling in de categorieën zijn de volgende ruimtelijk relevante milieuaspecten van belang: geluid; geur; stof; gevaar (vooral brand- en explosiegevaar). Daarnaast kan de verkeersaantrekkende werking van een bedrijf relevant zijn. Omgevingstype bepalend voor de daadwerkelijk te hanteren afstanden De aanpak van milieuzonering en de in dit plan gebruikte Lijst van Bedrijfsactiviteiten zijn gebaseerd op de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). De Lijst van Bedrijfsactiviteiten omvat de bedrijfstypen met codering volgens de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) 2008. Mocht een bedrijf meerdere SBI codes kennen dan moet voor elk aspect de grootste afstand worden genomen.
De gewenste afstand tussen een bedrijfsactiviteit en woningen (of andere gevoelige functies zoals scholen) wordt mede bepaald door het type gebied waarin de gevoelige functie zich bevindt. Volgens de VNG-publicatie worden daarbij twee omgevingstypen onderscheiden: rustige woonwijk en gemengd gebied. Omgevingstype rustige woonwijk In een rustige woonwijk komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en vrijwel geen andere functies zoals kantoren of bedrijven. Langs de randen (in de overgang naar eventuele bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Als daarmee vergelijkbare omgevingstypen noemt de VNG-publicatie onder meer een rustig buitengebied (eventueel met verblijfsrecreatie) en een stilte- of natuurgebied. Omgevingstype gemengd gebied In een gemengd gebied komen naast wonen ook andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Daarmee vergelijkbare gebieden zijn lintbebouwingen in het buitengebied waarin functiemenging voorkomt en gebieden gelegen direct langs een hoofdinfrastructuur. Kenmerkend voor het omgevingstype gemengd gebied is dat sprake is van een zekere verstoring en dus van een relevant andere omgevingskwaliteit dan in een rustig woongebied. Bedrijfswoningen Een bedrijfswoning op een bedrijventerrein is een specifiek woningtype waar minder hoge eisen aan het woon- en leefklimaat kunnen worden gesteld.
Bedrijfswoningen zijn in het algemeen minder milieugevoelig dan de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Te hanteren richtafstanden De volgende tabel geeft voor beide omgevingstypen (rustige woonwijk en gemengd gebied) per milieucategorie inzicht in de gewenste richtafstanden. De richtafstand geldt tussen de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan (of via vergunningvrij bouwen) mogelijk is. Daarbij gaat het nadrukkelijk om een richtafstand. Kleinere afwijkingen ten opzichte van deze afstand zijn mogelijk zonder dat hierdoor knelpunten behoeven te ontstaan. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2
Richtafstand rustige woonwijk (in meters) 10 30 50 100 200 300 500 700
6 2 bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)
Richtafstand gemengd gebied (in meters) 0 10 30 50 100 200 300 500
Utrecht
5.3 6
1.000 1.500
700 1.000
Toelaatbaarheid van bedrijven die onder een specifieke regelgeving vallen Bepaalde bedrijven vallen onder een specifieke wettelijke regeling. Het betreft: bedrijven die "in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken" zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (zogenoemde grote lawaaimakers); deze bedrijven zijn alleen toegestaan op industrieterreinen die in het kader van deze wet gezoneerd zijn; bedrijven die onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) kunnen vallen (nu of in de toekomst); het betreft risicovolle bedrijven waar gebruik, opslag of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; voor dergelijke bedrijven gelden (wettelijke) normen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico; bedrijven die onder het Vuurwerkbesluit vallen; voor dergelijke bedrijven gelden (wettelijke) afstandsnormen. De toegepaste Lijst van Bedrijfsactiviteiten De Lijst van Bedrijfsactiviteiten is samengesteld volgens dezelfde methodiek als de betreffende Staat van Bedrijfsactiviteiten uit de VNG-publicatie. Op een punt is een andere werkwijze toegepast: In dit plan wordt alleen de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten gekoppeld aan de Lijst. In de Lijst van Bedrijfsacticviteiten zijn daarom alleen de activiteiten opgenomen die passen binnen de definitie van bedrijf volgens de begripsbepalingen in de regels van dit bestemmingsplan.
De toelaatbaarheid van andere functies wordt in dit plan indien nodig op een andere wijze in de regels en op de digitale verbeelding (plankaart) van dit bestemmingsplan geregeld (bijvoorbeeld horecabedrijven via een afzonderlijke Lijst van Horeca-activiteiten). Flexibiliteit De Lijst van Bedrijfsactiviteiten blijkt in de praktijk een relatief grof hulpmiddel te zijn om hinder door bedrijfsactiviteiten in te schatten. De richtafstanden en inschalingen gaan uit van een gemiddeld bedrijf met een moderne bedrijfsvoering. Het komt in de praktijk voor dat een bepaald bedrijf als gevolg van een geringe omvang van hinderlijke deelactiviteiten, een milieuvriendelijke werkwijze of bijzondere voorzieningen minder hinder veroorzaakt dan in de Lijst van Bedrijfsactiviteiten is verondersteld. In de planregels is daarom bepaald dat het college van burgemeester en wethouders kan afwijken van de regels en een dergelijk bedrijf toch kan toestaan, indien dit bedrijf niet binnen de algemene toelaatbaarheid past. Om te kunnen afwijken moet worden aangetoond dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) vergelijkbaar is met andere bedrijven uit de desbetreffende lagere categorie.
Daarnaast is het mogelijk dat bepaalde bedrijven zich aandienen, waarvan de activiteiten in de Lijst van Bedrijfsactiviteiten niet zijn genoemd, maar die qua aard en invloed overeenkomen met bedrijven die wel zijn toegestaan. Met het oog hierop is in de regels opgenomen dat het college van burgemeester en wethouders vestiging van een dergelijk bedrijf via een afwijkingsbevoegdheid kan toestaan. Om te kunnen afwijken moet op basis van milieutechnisch onderzoek worden aangetoond dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar is met direct toegelaten bedrijven. In de Lijst van Bedrijfsactiviteiten is bij de indeling van sommige bedrijfsactiviteiten uitgegaan van een continue bedrijfsvoering, waarbij de hinderlijke activiteiten ook 's nachts plaatsvinden. Dit is in de Lijst van Bedrijfsactiviteiten aangegeven met een "C" in de laatste kolom. Het kan echter voorkomen dat een specifiek bedrijf niet continu werkt. Dit gegeven kan eveneens aanleiding zijn om het bedrijf via de bovengenoemde afwijkingsbevoegdheid een categorie lager in te delen.