CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Nedereindseweg 543, Rijnenburg.pdf

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 13 januari 2022, gemeente UtrechtBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Nedereindseweg 543, Rijnenburg38.513 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Dit betekent: primaire oriëntatie op monumentale en beeldbepalende kwaliteiten en eigenschappen van de gebouwen; authenticiteit staat voorop, zowel voor nieuwe als voor bestaande gebouwen; geen nabouwen van maar voortbouwen op de historische context, waarbij "voortbouwen op" zowel op een traditionele als vooruitstrevende manier mag plaatsvinden; \nieuwe interpretaties zijn mogelijk. De boerderij in het plangebied heeft een monumentale status (Rijksmonument). Het plan heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarde van de boerderij aangezien het plan alleen voorziet in een functiewijziging. Er vinden geen fysieke ingrepen aan de boerderij plaats. Een toetsing aan de welstandsnota is daarom niet aan de orde. 2.3.2.2.4 Erfgoed en cultuurhistorie De Utrechtse Erfgoedagenda (2013) De Utrechtse Erfgoedagenda is in 2013 vastgesteld. Utrecht heeft veel erfgoed. Van bewoningssporen uit de bronstijd tot naoorlogse bouwkunst in wijken als Kanaleneiland en Overvecht. Utrecht is een van de oudste steden van Nederland en dat is overal terug te vinden. Utrecht is in de afgelopen decennia zo zorgvuldig mogelijk met het erfgoed omgegaan. En zal dit blijven doen. De Utrechtse Erfgoedagenda beschrijft het beleid, de projecten en de aandachtsgebieden met 2 2 bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

betrekking tot monumenten, archeologie en architectuur- en bouwhistorie en de mate waarin deze objecten toegankelijk zijn voor publiek. Plangebied De bebouwing in het buitengebied bestaat met name uit typische lintbebouwing waarbij de woningen of de hoofdgebouwen op het voorerf staan en de opstallen op het achtererf, uit het zicht vanaf het lint. Aan het (historische) dorpslint is een groot aantal monumenten gelegen waaronder de boerderij binnen het plangebied. De boerderij is een Rijksmonument (30408). Het betreft een Langhuisboerderij onder afgewolfd rieten zadeldak met de nok loodrecht op de straat. Met de wijziging van de agrarische bestemming in de bestemming 'Wonen' wordt de toekomst van de boerderij beter gewaarborgd aangezien de kopende partij bewust kiest een perceel te kopen waarop een Rijksmonument staat. Een agrariër zou bij de aankoop van de locatie vooral letten op het praktisch gebruik van de aanwezige bebouwing voor de agrarische bedrijfsvoering. Door de bestemmingswijziging is de groep potentiële kopers bovendien veel groter. Archeologie De gemeente Utrecht heeft ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een verordening opgesteld voor het hele grondgebied van de gemeente.

In de verordening op de archeologische monumentenzorg is een vergunningenstelsel opgenomen ter bescherming van het archeologische erfgoed, waarmee de wettelijk vereiste bescherming kan worden geboden. In bestemmingsplannen is verwezen naar de verordening en is een regel opgenomen (dubbelbestemming Waarde - Archeologie). In deze dubbelbestemming is opgenomen dat de voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden ook zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen. Met deze specifieke gebruiksregel is geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg. Door de verordening en de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig. Plangebied In het bestemmingsplan is ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen de dubbelbestemming Waarde-Archeologie opgenomen. In paragraaf 5.13 van dit plan wordt verder ingegaan op de archeologie in het plangebied.

2.3.2.2.5 Verkeer en mobiliteit Nota Stallen en Parkeren (2013) De gemeenteraad heeft op 28 maart 2013 de Nota Stallen en Parkeren vastgesteld. Met de uitwerkingsnota 'Parkeernormen Fiets en Auto' bepaalt de gemeente de benodigde capaciteit van het (fiets)parkeren. Voor de veiligheid, leefbaarheid en aantrekkelijkheid van Utrecht geeft de gemeente meer ruimte aan voetgangers en fietsers. Dit betekent dat er op sommige plekken op straat minder ruimte komt voor geparkeerde auto's. De gemeente stimuleert auto's om langs de rand van de stad te parkeren: in één van de drie herkenbare grote P+R terreinen, bij NS-stations en andere OV-knooppunten. Als stimulans voor binnenstedelijke ontwikkelingen, en daarmee voor een aantrekkelijke en bereikbare stad zijn de autoparkeernormen in betaald parkeergebied verlaagd. Ook schept de gemeente flexibiliteit door de vrijstellingsmogelijkheden van de parkeernormen te verruimen. Nieuw in de gemeentelijke aanpak is de verplichting om bij nieuwbouw, uitbreiding van bestaande gebouwen of in geval van een functiewijziging ook fietsenstallingen te realiseren. De parkeernormen hebben een bandbreedte, om optimale flexibiliteit en maatwerk te bieden bij de realisatie van bouwplannen.

Plangebied Voor een locatie met een bedrijfsmatige functie (de categorie bedrijfsverzamelgebouw/ atelier in het gemeentelijk parkeerbeleid) geldt in zone C2 (buitengebied) een parkeernorm van 1,10 tot 1,90 parkeerplaats per 100 m². De verhuurbare bedrijfsruimte heeft een oppervlakte van 900 m2 . Ten behoeve hiervan zijn daarom 9,9 tot 17,1 parkeerplaatsen nodig. Op basis van de ervaringen van initiatiefnemer wordt de bedrijfsruimte nooit voor 100% verhuurt. Uitgegaan wordt van en bezettingsgraad van 70%. De gemiddelde gecorrigeerde parkeernorm voor het bedrijfsgedeelte is dan 9 parkeerplaatsen. Voor de bedrijfsruimte zijn 9 parkeerplaatsen aanwezig. Dit is voldoende om de parkeerbehoefte van het bedrijfsgedeelte op te vangen. Voor woningen boven de 130 m² wordt uitgegaan van 1,7 tot 2 parkeerplaatsen per woning. Op het erf en / of in het achterhuis van de boerderij is meer dan voldoende ruimte voor het parkeren van bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

23

deze twee auto's. In de algemene bouwregels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen over parkeren. Per woning worden minimaal 2 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Het bestemmingsplan kan voldoen aan de Nota Stallen en Parkeren. In paragraaf 4.2 wordt verder ingegaan op het parkeren in het plangebied. Slimme routes, slim regelen, slim bestemmen (2016) De gemeenteraad heeft op 26 mei 2016 dit mobiliteitsplan vastgesteld. Dit plan bestaat uit 3 delen: 1.

2.

3.

Slimme Routes gaan over het handiger inrichten van de verbindingen voor voetganger, fiets, bus, tram, trein en auto. Bijvoorbeeld met doorfietsroutes, het kwaliteitsnet goederenvervoer en knooppunten; Slim Regelen gaat over het slimmer organiseren van de stromen voetgangers, fietsers, openbaar vervoer en auto's. Bijvoorbeeld door verkeerslichten met elkaar te laten 'praten', persoonlijke reisinformatie en informatie over vrije parkeerplaatsen voor auto's en fiets; Slim Bestemmen zorgt dat nieuwe woningen, kantoren en bezoekersfuncties op de juiste plekken komen en dat deze goed worden ontworpen. Dit draagt bij aan slimmer vervoer en bijvoorbeeld goede bevoorradingsmogelijkheden.

De belangrijkste uitgangspunten van het beleid zijn: Meer ruimte voor de voetganger en de fietser Lopen en fietsen zijn de meest gezonde, milieuvriendelijke en ruimte-efficiënte vormen van vervoer. Om fietsers aan te moedigen, krijgt de stad nieuwe en snelle doorfietsroutes: extra brede en prettige fietspaden, los van de autodrukte. Aantrekkelijk openbaar vervoer voor de langere afstanden Naast de voetganger en de fietser is het openbaar vervoer belangrijk. De bus en tram leggen snelle verbindingen met de binnenstad, Utrecht Sciencepark, Leidsche Rijn Centrum, wijken, de regio en de rest van Nederland. Hierdoor wordt het openbaar vervoer een betere keuze. Auto's langs de juiste routes In de binnenstad, Leidsche Rijn Centrum, Utrecht Science Park is de auto te gast, met 30 km per uur als standaard maximumsnelheid. Stedelijke verbindingswegen verbinden de wijken met de RING. Waar het kan, krijgen wegen een stadsboulevard: veilig en goed oversteken en meer groen. Een aantrekkelijke plek voor bewoners, 50 km per uur geldt als snelheidslimiet. De gemeente wil automobilisten, die niet uit de stad komen of naar de stad gaan, zoveel mogelijk laten rijden via de RING. Hierdoor ontstaat er ruimte voor automobilisten die in stad moeten zijn. De beleidslijn uit de nota Stallen en Parkeren sluit aan bij de beleidslijn van dit Mobiliteitsplan.

In dit Mobiliteitsplan is daarom geen nieuw beleid ten aanzien van het stallen van fietsen opgenomen. Plangebied De verkeersstructuur wijzigt niet. Het bestemmingsplan is in overeenstemming is met het mobiliteitsplan Slimme routes, slim regelen, slim bestemmen. In paragraaf 4.2 wordt de verkeerssituatie verder toegelicht. 2.3.2.2.6

Gezond stedelijk leven

Nota 'Gezondheid voor iedereen'-VolksgezondheidsbeleidUtrecht 2019-2023 Op 17 oktober 2019 heeft de gemeenteraad de Nota Volksgezondheid 'Gezondheid voor iedereen' vastgesteld. Gezondheid is van grote waarde. Voor mensen persoonlijk en voor de stad als geheel. Het behalen van gezondheidswinst (het verbeteren van de gezondheid) vraagt om een gezamenlijke inspanning van iedereen in de stad. Gezond stedelijk leven voor iedereen is daarin de ambitie. Gemeentelijk beleid biedt veel kansen om de gezondheid van Utrechters positief te beïnvloeden en daarmee gezondheidswinst te boeken. Met de nota worden kansen benut door gezondheid te koppelen aan gebiedsontwikkeling, duurzaamheid, mobiliteit en sociale- en economische ontwikkelingen. Een belangrijk speerpunt voor de beleidsperiode die extra gezondheidswinst helpt te realiseren is: de gezonde leefomgeving. In een gezonde leefomgeving is de milieukwaliteit goed, voelen mensen zich prettig en is het gemakkelijk om te kiezen voor gezond gedrag. In paragraaf 5.15 van de Nota wordt het aspect gezondheid toegelicht. Een belangrijk speerpunt voor de beleidsperiode die extra gezondheidswinst helpt te realiseren is: de gezonde leefomgeving. In een gezonde leefomgeving is: 2 4 bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

1.

2.

3.

De druk op gezondheid zo laag mogelijk: we werken aan een gezonde lucht- en geluidkwaliteit in de stad. Ook beschermen we stille plekken. We nemen passende maatregelen om de gevolgen van klimaatverandering zoals hittestress te beperken. Voelen mensen zich prettig: We werken aan een evenwichtige balans tussen wonen, werken en recreëren. Zo is er ruimte voor groen, water, er is ruimte om te spelen, te ontmoeten en te bewegen. Is het gemakkelijk om te kiezen voor gezond gedrag. We ontwerpen de openbare ruimte voor iedereen zo dat deze bespeelbaar is en uitnodigt om te bewegen, te sporten, te verblijven en te ontmoeten. We werken aan een omgeving waar Utrechters gemakkelijk gezonde voedselkeuzes kunnen maken.

Plangebied De woning staat op geruime afstand tot de snelweg. Het effect van emissies van autoverkeer op de snelweg is daardoor beperkt. De omgeving is groen ingericht en er wordt groen toegevoegd aan het perceel, dit heeft een positief effect op de gezondheid. De leefomgeving nodigt uit tot gezond gedrag. Er zijn voldoende wandel- en fietsroutes in de omgeving die uitnodigen tot bewegen en ontspannen. Het aspect gezondheid vormt derhalve geen belemmering voor het plan.

Geluidnota Utrecht 2014-2018 (2014) De Geluidnota Utrecht 2014-2018 is op 11 februari 2014 vastgesteld. Dit beleid gaat over het beperken en minimaliseren van geluidhinder bij ruimtelijke ontwikkelingen in Utrecht. De Geluidnota heeft betrekking op weg-, rail- en industrielawaai. Hiervoor is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. Daarbinnen is echter ook ruimte voor gemeentelijke beleidsvrijheden. In de Geluidnota wordt aangegeven hoe hier mee wordt omgegaan. De belangrijkste regels uit de Geluidnota zijn: nieuw te bestemmen woningen beschikken over een geluidsluwe gevel, een rustige buitenruimte en een akoestisch goede woningindeling; behoud van goed akoestisch woon- en leefklimaat in rustige woonwijken bij bestemmen van nieuwe woningen en bedrijven in elkaars nabijheid. Ook onderwerpen, die meer algemeen onder het begrip "een goede ruimtelijke ordening" vallen, worden in de Geluidnota beschreven. Plangebied Het betreft een bestaande situatie, waarbij een bestaande woning een andere bestemming krijgt. In zowel de bestaande als de nieuwe situatie betreft het een geluidsgevoelige functie. In paragraaf 5.4 'Geluidhinder' wordt nader op het geluidsaspect ingegaan. De afstand tot bedrijvigheid in de omgeving is voldoende. Zie hiervoor ook paragraaf 5.3 'Bedijven en milieuzonering'. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de geluidnota.

Nota externe veiligheid (2007) De Nota externe veiligheid, welke in 2007 is vastgesteld, gaat in op het beleid van de gemeente Utrecht voor de beheersing van risico's als gevolg van het werken met gevaarlijke stoffen in inrichtingen (bedrijf, productielocatie of kantoor) en het vervoer van gevaarlijke stoffen. De genoemde risico's zijn veiligheidsrisico's voor mensen die zich in de buurt van de inrichting of het transport bevinden. De beleidskeuzes hebben betrekking op nieuwe situaties, waarin een risicobron zich vestigt of uitbreidt of een risico-ontvanger, zoals een woning, planologisch mogelijk wordt gemaakt. De randvoorwaarden en regels zijn vertaald in afstandseisen tussen risicobronnen (bedrijven, transportroutes (weg, spoorweg, vaarweg) of buisleidingen) en omgevingsobjecten. De gemeente Utrecht kiest ervoor om geen zwaardere veiligheidseisen op te leggen dan die vermeld staan in de risiconormering van de rijksoverheid. In sommige gevallen biedt de rijksregelgeving ruimte tot afwijken van de normering. In de Nota spreekt de gemeente zich uit om terughoudend om te gaan met de mogelijkheid tot afwijken. Plangebied In paragraaf wordt het aspect externe veiligheid toegelicht. Uit deze paragraaf volgt dat er in het plangebied geen buisleidingen voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn en dat er geen Bevi bedrijven zijn gevestigd die van invloed zijn op het plangebied.

Ook zijn er geen andere bedrijven aanwezig bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

25

met dergelijke veiligheidsafstanden. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Nota externe veiligheid. Actieplan luchtkwaliteit Utrecht 'Lucht voor ambitie' Op 3 december 2009 heeft de gemeenteraad het Actieplan Luchtkwaliteit 2009 vastgesteld. Schone lucht, een bereikbare stad en duurzame groei. Dat zijn de doelstellingen van het Actieplan Luchtkwaliteit Utrecht (ALU). Het ALU bevat een samenhangend pakket maatregelen om de luchtkwaliteitsknelpunten op te lossen, bewoners, werkenden en bezoekers te stimuleren meer met het openbaar vervoer en de fiets te reizen en knelpunten in het autoverkeer op te lossen. Plangebied In paragraaf 5.8 van deze toelichting wordt het aspect luchtkwaliteit toegelicht. Uit deze paragraaf volgt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan. 2.3.2.2.7 Bodem, ondergrond en water Nota Bodembeheerplan 2017-2027 'Grondig Werken 4' (2017) en Aanvulling Nota Bodembeheerplan 2017-2027 beleid PFAS (2020) In 2017 is de Nota Bodembeheer 2017-2027 'Grondig Werken 4' vastgesteld. De Nota bodembeheer 2012–2022 is met de voorliggende Nota bodembeheer 2017-2027 geactualiseerd. Utrecht groeit en er wordt zowel in de stad als aan de randen veel gebouwd. Door deze bouwinitiatieven kan de vraag naar bouwgrond periodiek groot zijn. We willen voorkomen dat deze bouwgrond van elders (vaak over lange afstand) wordt aangevoerd.

De aanpak in de Nota Bodembeheer 2017 – 2027 zorgt ervoor dat de benodigde grond duurzaam uit de eigen en uit omliggende gemeenten in de regio kan komen, wat bijdraagt aan een gezonde verstedelijking en een circulaire economie. In 2020 is de Nota uitgebreid met een aanvullende nota over PFAS-stoffen. Daarbij is de ambitie om maximaal voordeel te behalen voor mens en milieu, efficiënter te werken (goedkoper, kortere doorlooptijden) en werk met werk te maken. In de Nota bodembeheer staat hoe beschikbare vrijgekomen grond en baggerspecie op en in de landbodem van de gemeente Utrecht mag worden opgeslagen, hergebruikt of toegepast en welke regels en procedures hierbij gelden. De nota is bedoeld voor professionele partijen. De gemeente Utrecht volgt zoveel mogelijk het algemene landelijke beleid zoals dat is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Dit landelijke beleid past echter niet in elke lokale situatie. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om lokaal beleid toe te staan. In Utrecht speelt, naast de grote vraag naar bouwgrond, mee dat gebiedseigen grond niet altijd kan worden hergebruikt en dat er te weinig hergebruiksmogelijkheden zijn. De lokale gebiedsgerichte invulling sluit aan bij de functie, kwaliteit en ontwikkelingen van een gebied. De nota is hierdoor ingedeeld in: gebiedsspecifiek beleid, ander gemeentelijk beleid en landelijk beleid.

Het gebiedsspecifieke beleid bestaat uit: een uitbreiding van het beheergebied en acceptatie van bodemkwaliteitskaarten uit omringende gemeenten; lokale maximale waarden op gebiedsniveau om zo gebruik te maken van de toegestane kwaliteit die past bij de bodemfunctie. Het betreft enkele wijken van Leidsche Rijn en de gemeentelijke hoofdwegen aan de oostzijde van de stad. Met deze lokale maximale waarden sluiten we aan bij de (toekomstige) woonfunctie van de wijken of industriefunctie van de hoofdwegen; lokale maximale waarden voor de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB's) en organochloor bestrijdingsmiddelen (OCB's) binnen bepaalde gebieden. Bij beide stofgroepen is met de lokale maximale waarden aangesloten bij de gebiedseigen kwaliteit; lokale maximale waarden voor het Noorderpark. Aangesloten is bij de gebiedseigen kwaliteit; een strengere eis met betrekking tot het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal bij het toepassen van grond; lokale maximale waarden voor de stofgroep PFAS, waarbij de gehele gemeente als één zone wordt beschouwd. Deze waarden gelden voor de bovenste meter.

Ander gemeentelijk beleid bestaat uit: strengere onderzoekseisen bij bodemonderzoek en hergebruik van arseenhoudende veenlagen afkomstig van bodemlagen dieper dan 2 meter; een strengere eis met betrekking tot het volumepercentage bodemvreemd materiaal bij het toepassen van grond; regels voor het toepassen van grond met zichtbare asbestdeeltjes (dit is geen verplichting, maar een advies. De gemeente heeft hierin een voorbeeldfunctie en verplicht zichzelf wel) ; regels voor het toepassen van grond vanuit diepere bodemlagen; tijdelijke uitname van grond bij kabels- en leidingen cunetten (uitgravingen). Verminderde onderzoeksinspanning voor gebieden met een verhoogde kans op 2 6 bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

bestrijdingsmiddelen. Landelijk beleid geldt voor alle andere gebieden en stoffen die niet onder het gebiedsspecifiek beleid of ander gemeentelijk beleid vallen. Plangebied In paragraaf 5.9 wordt het aspect bodem toegelicht. Uit deze paragraaf volgt dat er op basis van de onderzoeksresultaten geen aanleiding bestaat voor de uitvoering van een nader onderzoek of het nemen van saneringsmaatregelen. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Nota Bodembeheerplan. Plan Gemeentelijke Watertaken 2016-2019 Het Plan Gemeentelijke Watertaken beschrijft de invulling van de wettelijke gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Ook de wijze van beheer van oppervlaktewater wordt beschreven. Op basis van de zorgplichten heeft de gemeente op het gebied van water de volgende taken: 1. 2. 3. 4.

een veilige inzameling en transport van afvalwater, zonder risico's voor de volksgezondheid en het milieu; het inzamelen en verwerken van hemelwater zonder dat er wateroverlast optreedt; het voorkomen en verminderen van structurele grondwateroverlast; het samen met de waterschappen realiseren van veilig, gezond en aantrekkelijk oppervlaktewater waarlangs het goed wonen, werken en recreëren is.

Plangebied In paragraaf 5.12 van deze toelichting wordt het aspect water toegelicht. Uit deze paragraaf volgt dat het aspect water geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.

2.4

Conclusie

Het plan past binnen de uitgangspunten van het landelijke, het provinciale en het gemeentelijke beleid.

bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

27

2 8 bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 3 3.1

Bestaande situatie

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft inzicht in de huidige situatie in het plangebied en analyseert de wijk/gebied in ruimtelijk en functioneel opzicht. Voor zover de verschillende onderdelen van dit hoofdstuk daartoe aanleiding geven, wordt aan het einde van de verschillende paragrafen een aantal conclusies en uitgangspunten voor het bestemmingsplan geformuleerd.

3.2

Beschrijving van het plangebied

3.2.1

Historische ontwikkeling

Het gebied waarin het plangebied ligt is te kenmerken als een relatief open weideen akkerland, kenmerkend voor de veenweidegebieden op de overgang naar het rivierenland. De Nedereindseweg is een historisch lint met inheemse beplanting met voornamelijk agrarische bebouwing aan weerszijden van de weg. De bebouwde kavels zijn breed en langgerekt. Tussen de bebouwde kavels bevindt zich veel open ruimte met verre doorzichten over de langgerekte polderverkaveling. De bebouwing in het buitengebied bestaat met name uit typische lintbebouwing waarbij de woningen of de hoofdgebouwen op het voorerf staan en de opstallen op het achtererf, uit het zicht vanaf het lint. Aan het (historische) dorpslint is een groot aantal monumenten gelegen waaronder de boerderij binnen het plangebied. De meeste kavels langs de weg zijn rijk aan beplantingen, onder andere om enige beschutting en behaaglijkheid te creëren. Moestuinen worden vaak zo dicht mogelijk bij de keuken geplaatst. In het traditionele beeld werden moestuinen omringd door doornhagen, deze beschermden de gewassen tegen rondlopend vee. In het zuidwesten van erven werden vaak geriefhoutbosjes geplaatst om de wind te breken. 3.2.2

Monumenten, beeldbepalende elementen en cultuurhistorie

De boerderij in het plangebied is een Rijksmonument. Op de navolgende afbeelding is de boerderij vanaf de weg gefotografeerd.

Afbeelding 4: Rijksmonument boerderij "Groenestein". bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

29

Boerderij Groenestein is gelegen in een overgangszone tussen een oeverwal met kleidek en een kleiige kom. Tussen 3750 en 3000 v. Chr. stroomde hier het Linschoter stroomstelsel. 3.2.3

Structuurbepalende elementen

De boerderijen langs de Nedereindseweg zijn over het algemeen rijk aan beplantingen, ondermeer om enige beschutting en behaaglijkheid te creëren. Landschappelijk en ecologisch hebben deze groenopstanden ook een meerwaarde. De beplanting bevindt zich voornamelijk, zoals dat in de Waard gebruikelijk is, langs de kavelranden.

3.3

Beschrijving van de bestaande functies in het plangebied

De locatie kent een heldere opzet van een (oorspronkelijk) hoofdgebouw met functionele bijgebouwen. Het hoofdgebouw en het kleine, centraal gelegen gebouw (atelier) liggen in een afwijkende richting ten opzichte van de grotere schuren achter op het erf. Geen enkel gebouw staat haaks op de Nedereindseweg wat zorgt voor een speelse opzet en een fraaie presentatie van de boerderij aan de weg. Veel van de boerderijen zijn monumentaal of beeldbepalend. Dat geldt ook dus voor boerderij “Groenestein" van initiatiefnemer. Op de navolgende luchtfoto is het voormalige agrarisch erf met de bijbehorende bebouwing afgebeeld.

Afbeelding 5: Het erf met bebouwing De boerderij (no.1) is een langhuisboerderij met een aangebouwde erker. De boerderij stamt in oorsprong uit de zeventiende eeuw, maar heeft meerdere verbouwingen gekend (18de eeuw, 1926 en ca. 2001 ) waaraan het gebouw haar huidige uiterlijk heeft te danken. Het bedrijfsgedeelte is met een van deze verbouwingen verlengd. De boerderij is gebouwd op traditionele wijze. Het voormalige achterhuis aan de achterzijde van het pand is in gebruik als inpandige garage met opslag. Het woonhuis heeft een eigen oprit vanaf de Nedereindseweg. Naast het hoofdgebouw is een vrijstaand bijgebouw (no. 2) gerealiseerd dat in 3 0 bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

gebruik is als atelierruimte. Zie afbeelding 6.

Afbeelding 6: atelierruimte Achter het hoofdgebouw is de voormalige ligboxenstal (no. 3) zichtbaar. In de ligboxenstal werd het melkvee gehouden. De twee loodsen die de functieaanduiding 'bedrijf' hebben zijn aangegeven met no. 4 in afbeelding 5. Op de daken van deze loodsen liggen 70 zonnepanelen. Met name aan de voorzijde is het perceel aangekleed met groen en een waterpartij. Aan weerszijden wordt het perceel begrensd door watergangen. Het perceel heeft twee inritten. De zuidelijke inrit wordt gebruikt door huurders van de bedrijfsruimte. De noordelijke inrit is de privé-inrit van de bewoners van de boerderij.

bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

31

3 2 bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 4 4.1

Projectbeschrijving

4.1.1

Programma

Planbeschrijving

Het initiatief dat in dit bestemmingsplan centraal staat betreft de wijziging van de bestemming 'Agrarisch' van het plangebied in de bestemming 'Wonen'. Er vinden geen fysieke veranderingen plaats aan de bebouwing. Wél wordt de landschappelijk inpassing van het perceel verbeterd waardoor de ruimtelijke kwaliteit wordt versterkt. Feitelijk betreft het plan slechts een functieverandering van de bestaande bebouwing en het bijbehorend erf, waarbij het gebruik van de twee geschakelde loodsen van 900 m2 voor de verhuur aan derden voor opslagdoeleinden gehandhaafd blijft. In de bestaande planologische situatie hebben beide loodsen de aanduiding 'bedrijf'. Deze aanduiding wordt gewijzigd in 'specifieke vorm van wonen-1'. Ter plaatse van deze aanduiding blijft het verhuren van de loodsen aan derden voor opslag- en stalling toegestaan. 4.1.2

Landschappelijk inpassing

De kavel De kavel kent een heldere opzet van een (oorspronkelijk) hoofdgebouw met functionele bijgebouwen. Het hoofdgebouw en het kleine, centraal gelegen gebouw (atelier) liggen in een afwijkende richting ten opzichte van de grotere schuren achter op het erf. Geen enkel gebouw staat haaks op de Nedereindseweg wat zorgt voor een speelse opzet en een fraaie presentatie van de boerderij aan de weg. Opvallend is de grote openheid van de kavel. Aanknopingspunten voor de landschappelijke inpassing : De heldere opzet van hoofd- en bijgebouwen met veel ruimte voor contact met de omgeving; Presentatie aan de Nedereindseweg; Verspringende richtingen. Kenmerken omgeving Wat opvalt is dat de meeste kavels in de omgeving rijk zijn aan beplantingen, ondermeer om enige beschutting en behaaglijkheid te creëren. Landschappelijk en ecologisch hebben deze groenopstanden ook een meerwaarde. Het plangebied wijkt hier duidelijk van af. Zij kent nauwelijks grote groenopstanden en eigenlijk is alleen het voorerf groen ingericht, met een tuinachtige insteek. Hierdoor is er vanzelfsprekend wel sprake van optimaal contact met omliggend landschap.

Aanknopingspunten inrichting / inpassing: Vergroenen langs de randen, waarbij aan de westzijde gekozen wordt voor hoogopgaand groen vanwege een windbrekende functie; Contact met omgeving waarborgen (zichtlijnen); Verbeteren ecologische structuur/toename natuurwaarden Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen Met de ruimtelijke keuzes is tevens aangesloten op de principes zoals vastgelegd in de “Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen” (Provincie Utrecht 2011). In deze gids (gebiedskatern Groene Hart) wordt het landschap als “Waard” getypeerd: een open weidelandschap met een uitgesproken lengterichting begrensd door bebouwingslinten en beplante achterkaden. Daarnaast ligt het plangebied ook op een oude stroomgebied van de Hollandsche IJssel. Typerende voor dit landschapstype is de brede zone rond een meanderende rivier, met een mozaïek van bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

33

landgebruik, veel opgaand groen, dorpen langs de rivier en open linten langs slingerende wegen. De zone heeft van oorsprong aan weerszijden een geleidelijke overgang naar het omliggende open landschap. Blokverkaveling met akkers, weiden, bosschages en boomgaarden gaan geleidelijk over in strokenverkaveling met grasland. Nieuwe grootschalige infrastructuur ligt op enige afstand parallel aan de oude rivieren maakt van de oorspronkelijk geleidelijke overgang een scherpe grens. Inpassingsplan Op basis van de karakteristieken van de kavel en de omgeving, en rekening houdend met de uitgangspunten van de kwaliteitsgieds, is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt. Uitgangspunt voor het versterken van de landschappelijke inpassing is het realiseren van een duidelijke groenstructuur aan de oost- en westzijde van het perceel, waarmee aansluiting wordt gezocht op de typische landschappelijke kenmerken van het gebied. Zie de afbeelding voor dit principe.

Afbeelding 7: Groene aankleding van de zijdelingse kavelranden Een gedetailleerde uitwerking van de landschappelijke inpassing, inclusief de aan te planten soorten, is als Bijlage 1 aan de regels toegevoegd. Wat betreft de aan te planten soorten is 3 4 bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

rekening gehouden met het hoge grondwater ter plaatse van het plangebied en omgeving. Er zijn soorten gekozen die goed tegen hoge grondwaterstanden kunnen. Aan de westzijde wordt een gesloten struweelhaag met inheemse bomenrij aangeplant. Deze bomenrij krijgt de kans om uit te groeien tot een stevige, groene wand en zorgt -naast het versterken van de landschappelijke kwaliteiten- voor een potentiële toename van de natuurwaarden in het gebied. Hoogopgaande beplanting vindt oorspronkelijk juist aan deze zijde plaats voor het breken van de wind. De bomenrij stopt op enige afstand van de weg om te voorkomen dat de monumentale boerderij aan het zicht wordt onttrokken. Aan de voorzijde van het perceel, aan de westzijde, is ervoor gekozen om de bestaande groene uitstraling van het boerenerf te versterken door het aanplanten van een haag, het vergroenen van het bestaande hekwerk door klimop en het vervangen van het grind rondom de boerderij door gras. Aan de oostzijde is fysiek minder ruimte en is gekozen voor het verstreken van de groene kavelrand met de aanplant van knotbomen in de flank van de bestaande haag. Aan de voorzijde van het perceel, aan de oostzijde, wordt de bestaande haag doorgetrokken tot aan de toegangspoort. De uitloop van de toegangspoort wordt door de aanplant van beukenhaag aan het zicht onttrokken.

Ten noorden van de parkeerplaatsen, voor de twee geschakelde loodsen, wordt een haag aangeplant met knotbomen. Dit zorgt ervoor dat geparkeerde auto's aan het zicht worden onttrokken. Op het voorterrein, nabij de vlaggenmast worden hoogstamfruitbomen geplaatst zoals pruimen, appels, peren en kersen. De vlaggenmast wordt vanwege een verstorend effect verwijderd. De inpassing van het voorterrein is relatief open om het zicht op de karakteristieke boerderij zoveel mogelijk te behouden. Aan de zuidzijde blijft perceel open om prachtige (ver)gezichten op het open landschap te behouden. Op deze wijze ontstaat een zogenaamd “landschapsbalkon”. Ter plaatse van het landschapsbalkon is uitgegaan van het behouden van het open grasland en het realiseren van enkele zitgelegenheden.

4.2

Onsluiting, verkeer en parkeren

Ontsluiting In de huidige situatie zijn er twee inritten die toegang geven tot het terrein. Op de onderstaande foto zijn deze weergegeven.

bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

35

Afbeelding 8: bestaande inritten Uitgangspunt is het behouden van de huidige inritten. De zuidelijke inrit wordt gebruikt als toegang tot het bedrijfsgedeelte van de locatie. Dit is de meest logische toegang tot de verhuurbare bedrijfsruimte. De inrit ten noorden van de boerderij wordt alleen gebruikt door de bewoners van de locatie. Normaliter is deze inrit afgesloten door middel van een hek. Het scheiden van het privé verkeer en het zakelijk verkeer draagt bij aan de verkeersveiligheid op het perceel. Parkeren In de Nota Parkeernormen Fiets en Auto van de gemeente Utrecht zijn parkeernormen opgenomen voor diverse functies. Voor een locatie met een bedrijfsmatige functie (de categorie bedrijfsverzamelgebouw/ atelier in het gemeentelijk parkeerbeleid) geldt in zone C2 (buitengebied) een parkeernorm van 1,10 tot 1,90 parkeerplaats per 100 m². De verhuurbare bedrijfsruimte heeft een oppervlakte van 900 m2. Ten behoeve hiervan zijn daarom 9,9 tot 17,1 parkeerplaatsen nodig. Op basis van de ervaringen van initiatiefnemer wordt de bedrijfsruimte nooit voor 100% verhuurt. Uitgegaan wordt van en bezettingsgraad van 70%. De gemiddelde gecorrigeerde parkeernorm voor het bedrijfsgedeelte is dan 9 parkeerplaatsen. Voor de bedrijfsruimte zijn 9 parkeerplaatsen aanwezig. Dit is voldoende om de parkeerbehoefte van het bedrijfsgedeelte op te vangen.

Voor woningen boven de 130 m² wordt uitgegaan van 1,7 tot 2 parkeerplaatsen per woning. Op het erf en / of in het achterhuis van de boerderij is meer dan voldoende ruimte voor het parkeren van deze twee auto's. Verkeer De verkeersgeneratie van de huidige en nieuwe situatie is berekend aan de hand van de kengetallen van het CROW (publicatie 317, 2012). Daarbij is uitgegaan van de omgeving “zeer sterk stedelijk” en “buitengebied”. In de huidige (planologische) situatie is op basis het van het geldende bestemmingsplan agrarische bedrijfsbebouwing toegestaan. In twee schuren zijn bedrijfsmatige activiteiten toegestaan. De exploitatie van het agrarisch bedrijf en de verhuur van de bedrijfsruimte veroorzaakt verkeersbewegingen. Voor het geheel kan worden vastgesteld dat bedrijven zijn toegestaan, behorend tot de categorie “bedrijfsverzamelgebouw”. De verkeersgeneratie van een bedrijfsverzamelgebouw (“zeer sterk stedelijk/ buitengebied”) is 7,0 tot 8,7 voertuigbewegingen per 100 m² per etmaal. In de nieuwe situatie vervallen de agrarische activiteiten en de daarmee samenhangende verkeersbewegingen. Geconcludeerd kan worden dat de verkeersgeneratie van de nieuwe situatie lager is dan van de planologisch toegestane functie. De voorgenomen ontwikkeling leidt daarmee tot minder verkeersbewegingen en is daarmee verkeerskundig goed inpasbaar.

3 6 bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 5 Onderzoek en randvoorwaarden 5.1

Inleiding

In toenemende mate wordt de milieukwaliteit van belang bij de ontwikkeling van functies in het landelijk en stedelijk gebied. Het milieubeleid heeft zich in de loop van enkele decennia ontwikkeld tot een complexe materie, die er in de praktijk toe leidt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen met verschillende milieuaspecten rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van de relevante (milieu)aspecten in het plangebied en de diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd.

5.2

Milieueffectrapportage

Kader Het doel van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over deze plannen en besluiten. Het maken van een milieueffectrapport is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten, die activiteiten mogelijk maken welke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In onderdeel C van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. wordt aangegeven welke activiteiten altijd m.e.r.-plichtig zijn. Bij de activiteiten die in onderdeel D van die bijlage genoemd worden moet beoordeeld worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Uit deze m.e.r.-beoordeling kan de conclusie volgen dat er een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Plansituatie De in het plan opgenomen activiteit heeft betrekking op het omzetten van de agrarische bestemming van het perceel in de bestemming Wonen. In de bijlage bij het Besluit mer is de categorie D 11.2, "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen", opgenomen.

Het kleinschalige karakter van de ontwikkeling maakt dat bestemmingsplan niet kan worden gekwalificeerd als een ruimtelijke plan dat in de aanleg van het stedelijke ontwikkelingsproject voorziet zodat er geen milieueffectrapport of m.e.r.-beoordeling nodig is. Conclusie Het bestemmingsplan is getoetst aan het Besluit-m.e.r. Gelet op het kleinschalige karakter van de ontwikkeling is een milieueffectrapport of m.e.r.-beoordeling niet nodig.

5.3

Bedrijven en milieuzonering

Kader Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Deze milieuzonering dient aldus twee doelen: 1. 2.

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteitenduurzaam kunnen (blijven) uitoefenen.

VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

37

milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzonering om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde brochure Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Plansituatie Beperken van hinder en gevaar voor woningen Een bedrijf gericht op het houden en fokken van rundvee valt in categorie 3.1 van de VNG-brochure. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter voor het aspect geur. Door het beëindigen van het agrarisch bedrijf komt de geurcirkel van het bedrijf te vervallen. De bedrijfsactiviteiten op het terrein vallen in categorie 2 van de VNG-brochure (aangesloten is bij de functie caravanstalling SBI 6321). Hiervoor geldt een richtafstand ten opzichte van gevoelige objecten in de omgeving van 30 meter. Gerekend vanaf de functieaanduiding 'bedrijf' tot de geval van woningen van derden. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Bovendien gaat het hier om een bestaande functie dat blijft gehandhaafd. Het plan veroorzaakt geen hinder of gevaar voor woningen van derden in de omgeving van het plangebied.

Geen beperking ontwikkelingsmogelijkheden voor bedrijven Tegenover het plangebied ligt het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf van derden. Dit betreft de locatie aan de Nedereindseweg 576 in Utrecht. Deze locatie heeft een agrarische bestemming. Het wijzigen van de bestemming van het perceel van initiatiefnemer van agrarisch naar woondoeleinden heeft geen negatieve gevolgen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van dit bedrijf. De woning van initiatiefnemer is in zowel de huidige als de toekomstige situatie een woning van derden voor dit bedrijf. De afstand tussen de woning van initiatiefnemer tot de stal op deze locatie is meer dan 50 meter. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij heeft het bedrijf op de locatie aan de Nedereindseweg 576 daarom vanuit de milieuwetgeving ruimte om uit te kunnen breiden in haar dieraantallen. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.4

Geluidhinder

Kader De Wet Geluidhinder (Wgh) geeft aan in welke mate het geluid het woonmilieu mag belasten. De kern is dat de geluidgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. De wet geeft aan welke objecten aangemerkt worden als geluidgevoelige objecten. Het gaat hierbij om woningen, geluidgevoelige terreinen of andere geluidgevoelige gebouwen (welke bij algemene maatregel van bestuur als zodanig zijn aangewezen). Een bedrijfswoning en een burgerwoning dienen in het kader van de Wet geluidhinder allen te worden beschouwd als geluidsgevoelige functie. De voorkeursgrenswaarde is in beide gevallen 48 dB. In het kader van bestemmingsplan Rijnenenburg is door de gemeente akoestisch onderzoek uitgevoerd om de mogelijke nieuwe ontwikkelingen te toetsen aan de Wet geluidhinder. Normering bij nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen Het bestemmen van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen zoals Wonen is zonder meer mogelijk wanneer de geluidsbelasting onder de voorkeursgrenswaarde blijft. Deze waarde bedraagt voor zowel binnen- als buitenstedelijke wegen 48 dB. Van de voorkeursgrenswaarde kan gemotiveerd worden afgeweken tot aan een zekere maximale ontheffingswaarde. Hiervoor moet een zogeheten hogere waarde besluit worden genomen. De maximale ontheffingswaarde bij buitenstedelijke wegen bedraagt 53 dB voor een nieuw te bestemmen woning, onderwijs- of gezondheidszorggebouw.

Voor agrarische woningen geldt een afwijkende maximale ontheffingswaarde van 58 dB. 3 8 bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

Bij het omzetten van de ene bestemming naar de andere dient ook aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder te worden voldaan. In principe zou dus voor de omzetting van een agrarisch woningen naar een (burger-)woning een maximale ontheffingswaarde gelden van 53 dB. Deze situatie dient echter te worden beschouwd als 'vervangende nieuwbouw' waarvoor de wet afzonderlijke toetswaarden kent. Voor vervangende nieuwbouw buiten de bebouwde kom geldt een maximale ontheffingswaarde van 58 dB.

Plansituatie Een bedrijfswoning en een burgerwoning moeten in het kader van de Wet geluidhinder worden beschouwd als geluidsgevoelige functies. De voorkeursgrenswaarde is 48 dB. Berekend is dat de geluidbelasting door het wegverkeerslawaai op de gevel van de woning 54 dB is.

Het reduceren van de geluidbelasting door het nemen verdergaande geluidsbeperkende maatregelen stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige en financiële aard (niet doelmatig). Omdat de bestemmingswijziging wordt beschouwd als 'vervangende nieuwbouw' kan de gemeente een ontheffing van de voorkeursgrenswaarde verlenen tot 58 dB. De reden hiervan is dat bij bestemmingswijzigingen de inpassingmogelijkheden van de woningen in de bestaande geluidssituatie vaak beperkter zijn dan voor een nieuwe situatie. Er wordt gestreefd naar het voldoen aan de voorwaarde voor een geluidsluwe gevel maar een waarde van 5 dB boven de voorkeursgrenswaarde is op grond van het beleid ook acceptabel. Omdat het aanpassen van de gevels van de monumentale boerderij onwenselijk is, is ervoor gekozen om een hogere waarde vast te stellen van 54 dB. De voorgenomen ontwikkeling leidt tot minder verkeersbewegingen van en naar de locatie omdat de agrarische bedrijfsactiviteiten komen te vervallen. De verkeersbewegingen van de verhuur van de bedrijfsruimte zijn bestaand. De functiewijziging heeft daarom geen negatieve gevolgen voor de geluidbelasting op omliggende woningen. Gesteld kan zelfs worden dat deze afneemt. Conclusie De geluidbelasting van het wegverkeer op de gevel van de woning is hoger dan 48 dB.

Omdat het gaat om een bestaande situatie en het aanpassen van de gevels van de woning niet wenselijk is, wordt tegelijkertijd met het (ontwerp)bestemmingsplan het (ontwerp) besluit hogere waarde ter inzage gelegd. Het aspect geluid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.5

Trillingen

Kader bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

39

In Nederland bestaat geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen ten gevolge van het treinverkeer. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillingshinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. De volgende richtlijnen en beleidsregels worden daarbij gebruikt: SBR-richtlijn; Beleidsregel trillinghinder spoor; Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening. De afstand tussen een trillingsbron en een trillingsgevoelige functie is niet altijd een goede indicator. De bodemopbouw speelt een grote rol bij de voortplanting van een trilling. Daarbij kunnen trillingen in de bodem op korte afstand niet tot overschrijding leiden. En trillingen op iets grotere afstand wel. Plansituatie In de omgeving van het plangebied zijn geen bronnen aanwezig die trillingen veroorzaken. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de realisatie van de nieuwe woning.

5.6

Geur

Kader Geurhinder kan optreden bij het houden van dieren in dierenverblijven (stallen, inclusief een vaste uitloop) en het opslaan en bewerken van agrarisch bedrijfsstoffen (mest, kuilvoer, krachtvoer). Hierna wordt het risico van geurhinder voor deze activiteiten getoetst aan de wettelijke criteria. Dierenverblijven Voor de beoordeling van geurhinder vanwege het houden van dieren in dierenverblijven is de Wet geurhinder en veehouderij het exclusieve toetsingskader. Voor melkrundvee en paarden zijn geen emissiefactoren vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij. De beoordeling van geurhinder vindt plaats op basis van afstandsnormen tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en de gevel van de omliggende voor geur gevoelige objecten. Bij natuurlijke ventilatie wordt de dichtstbij gelegen opening van de stal gezien als emissiepunt. Om geurhinder te voorkomen moet de afstand tussen het emissiepunt en de gevel van een geurgevoelig object in het buitengebied ten minste 50 meter bedragen. Voor geurgevoelige objecten in de bebouwde kom moet de afstand ten minste 100 meter bedragen. Opslag en bewerken van mest en kuilvoer Overige activiteiten, zoals de opslag van mest en veevoer, kunnen lokaal geurhinder veroorzaken. Geurhinder kan worden voorkomen door voldoende afstand te houden tussen de geurbron en een geurgevoelige locatie.

Hiervoor kan worden aangesloten bij de afstanden die worden genoemd in het Besluit landbouw milieubeheer. Plansituatie Tegenover het plangebied, aan de Nedereindseweg 576, is het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf van derden gevestigd. Op deze locatie worden alleen dieren gehouden waarvoor geen emissiefactoren zijn vastgesteld. De afstand tussen het emissiepunt van het agrarisch bedrijf en de gevel van de woning binnen het plangebied voldoet aan de afstandsnorm van 50 meter. Binnen 50 meter uit het plangebied bevinden zich geen opslagen voor mest en/of kuilvoer. Conclusie Het aspect geurhinder vorm geen belemmeringen voor de uitvoering van het plan. Bovendien is de woning binnen het plangebied in de huidige situatie voor bedrijven van derden ook al een geurgevoelig object. De bestemmingswijziging brengt hier geen verandering in.

5.7

Externe veiligheid

Kader 4 0 bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving als gevolg van gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water, het spoor en door buisleidingen. De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau van transport en aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Deze begrippen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute of inrichting bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route of binnen die inrichting. Plaatsen met een gelijk risico kunnen door zogenaamde risicocontouren op een kaart worden weergegeven. Voor nieuwe situaties is voor kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) de grenswaarde voor het PR gesteld op een niveau van 10-6/jr. Voor beperkt kwetsbare objecten (bijvoorbeeld bedrijven) is dit een richtwaarde.

Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde transportroute of inrichting. Het aantal personen dat in de omgeving van de route of inrichting verblijft, bepaalt daardoor mede de hoogte van het GR. Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing. Voorbeelden van deze risicovolle bedrijven zijn LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. De normstelling van het Bevi richt zich zowel op vergunningverlening als ruimtelijke ordening. Plansituatie Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart Nederland weergegeven. Hierop is te zien dat in de direct omgeving van het plangebied geen bedrijven aanwezig zijn die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

41

Afbeelding 9: uitsnede risicokaart Vervoer over de weg Het perceel aan de Nedereindseweg ligt op ruim 2 kilometer van de A12 en de A2 waar gevaarlijke stoffen kunnen worden vervoerd, en daarmee buiten het invloedsgebied. Hetzelfde geldt voor andere transportassen (spoor en water). Over niet-Rijkswegen vindt conform het geldende bestemmingsplan beperkt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats dat wordt gereguleerd door de gemeentelijke routeringsverordening. Gasleiding Ten zuid / zuidwesten van het plangebied loopt een leiding van de Gasunie (W-518-01). Deze is in de afbeelding aangegeven met een rode stippellijn. Deze leiding heeft een druk van 40 bar en een uitwendige diameter van 219 mm. Het invloedsgebied van deze buisleiding is 100 meter (bron: bestemmingsplan Reijerscop 28, Rijnenburg). Het plangebied ligt op circa 160 meter uit deze gasleiding en daarmee buiten het invloedsgebied. Verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde omdat door het plan niet voorziet in een toename van het aantal personen binnen het plangebied ten opzichte van de bestaande (vigerende) situatie. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4 2 bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

5.8

Luchtkwaliteit

Kader Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging door gasvormige stoffen en verontreiniging van de lucht met stof, door met name verkeer. De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Wegverkeer is samen met de hoge achtergrondconcentratie in Utrecht, in belangrijke mate van invloed op de luchtkwaliteit. In november 2007 is de wijziging van de Wet milieubeheer met betrekking tot luchtkwaliteit in werking getreden. Deze wetswijziging staat bekend als de "Wet luchtkwaliteit". Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Op basis van deze wet, opgenomen in artikel 5.16 lid 1 Wet milieubeheer, dient het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, rekening te houden met de effecten op de luchtkwaliteit. Plansituatie Het voornemen gaat uit van het wijzigen van de functie van voormalige agrarische gebouwen aan de Nedereindseweg. Uit paragraaf 4.2 is gebleken dat de nieuwe situatie niet leidt tot extra verkeer ten opzichte van de planologisch toegestane situatie. Omdat het aantal verkeersbewegingen niet zal toenemen, is de bijdrage van het project aan de toename van NO2 en PM10 nul. De concentratie van stikstofdioxide en fijn stof als gevolg van het project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10.

Het plan draagt dus niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Conclusie Op voorhand kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat er negatieve gevolgen zijn voor de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering bij het vaststellen van het nieuwe bestemmingsplan, zodat geen aandacht besteedt hoeft te worden aan effecten op de luchtkwaliteit en geen luchtonderzoek nodig is.

5.9

Bodem

Kader Bij het bestemmingsplan wordt getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functies. Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten uit de Wet bodembescherming: Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien er toch bodemverontreiniging ontstaat, moet de bodem direct worden gesaneerd. Een geval van bodemverontreiniging waarbij de verontreiniging geheel of grotendeels na 1987 is ontstaan, is een 'nieuw' geval. Deze zorgplicht houdt in dat nieuwe gevallen van bodemverontreiniging zoveel mogelijk ongedaan dienen te worden gemaakt. Overige gevallen van ernstige bodemverontreiniging moeten binnen een bepaalde termijn worden gesaneerd als er tevens sprake is van risico's. Het gaat daarbij om humane of milieuhygiënische risico's en om risico's voor verspreiding van de verontreiniging. De sanering gebeurt ten minste functiegericht en kosteneffectief. Nieuwbouw op of graafwerkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging zijn ongeacht de risico's niet toegestaan zonder saneringsmaatregelen, middels een melding of een vergunning. Hergebruik van (schone of licht verontreinigde) grond kan bij onverdachte terreinen plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan.

Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning moet een bodemonderzoek conform de NEN 5740 worden verricht. Op basis van dit onderzoek wordt beoordeeld of de locatie geschikt is voor de geplande functie of dat er nog een nader onderzoek of een bodemsanering noodzakelijk is, voordat de locatie geschikt is voor de geplande functie. Als er voor de bouwwerkzaamheden een grondwateronttrekking nodig is, moet gekeken worden of nabij gelegen grondwaterverontreinigingen hierdoor kunnen verplaatsen, waarbij een saneringsvergunning aangevraagd of melding (eventueel op grond van gebiedsgerichte aanpak Utrecht) gedaan moet worden. Plansituatie Door Linge Milieu B.V. is een verkennend bodemonderzoek, inclusief asbest, uitgevoerd op het terrein aan de Nedereindseweg 543 in Utrecht (projectnummer 19-2037, d.d. 2 juli 2019). Het complete rapport is als Bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd. bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

43

Er zijn 23 boringen en een peilbuis geplaatst tot maximaal 2.6 m-mv. Het grondwater stond op het moment van het onderzoek op 0.9 m-mv. Grond en grondwater zijn geanalyseerd op het NEN 5740-pakket, bestrijdingsmiddelen en asbest. Wat eventuele verontreiniging betreft is de bodem als onverdacht beschouwd, met de volgende aandachtspunten: een bovengrondse dieseltank; een gedempte sloot; asbest in de bovengrond langs een schuur met een voormalig asbest-dak zonder dakgoot; asbest in de licht puinhoudende bovengrond; bestrijdingsmiddelen in de bovengrond. Grond De bovengrond van het terrein aan de Nedereindseweg is licht verontreinigd met enkele metalen en PAK. Dat geldt ook voor de grond uit de gedempte sloot. Lichte verhogingen zijn gebruikelijk voor de lintbebouwing langs de Nedereindseweg volgens de bodemkwaliteitskaart van Utrecht. In de kleiige ondergrond zijn nikkel en molybdeen licht verhoogd. Van de bestrijdingsmiddelen is alleen DDE meetbaar verhoogd. Het gehalte ligt onder de Achtergrondwaarde. DDE is een afbraakprodukt van DDT. Asbest Het asbestonderzoek betreft de licht puinhoudende bovengrond van de locatie. Dit is onder andere de grond uit de contour van de gedempte sloot. Verder is een mengmonster samengesteld van 20 grepen van de onverharde toplaag tot 0.1 m-mv langs de loods achter de woning. Deze gootlijn heeft een lengte van 2 maal 30 meter.

Visueel is nergens asbestverdacht (plaat)materiaal gevonden in of op de grond op het terrein rond de opstallen aan de Nedereindseweg. Analytisch is door het lab geen asbest kleiner dan 20 m aangetoond in het mengmonster van de puinhoudende bovengrond van het terrein. Het mengmonster van de gootlijnen langs de loods achter de woning bevat wel asbest kleiner dan 20 mm. Het gaat om drie stukjes hecht-gebonden chrysotiel, die resulteren in een gewogen asbestgehalte van 23 mg/kg ds. Het asbest is door het lab omschreven als vlakke cementplaat. Voor asbest in grond zijn een tussen- en interventiewaarde beschikbaar van 50 en 100 mg/kg ds. Het gewogen gehalte van 23 mg/kg ds in de gootlijn ligt onder de tussenwaarde. Gehaltes onder de 100 mg/kg ds worden geacht geen risico te vormen voor de volksgezondheid. Voorwaarde daarbij is dat de grond geen asbestvezels kleiner dan 0.5 mm bevat. Dat is hier de situatie. Sanering van de gootlijnen is dus niet nodig. Grondwater Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Dit metaal is landelijk verhoogd en niet specifiek voor het perceel aan de Nedereindseweg zelf. Conclusie De lichte verontreiniging in de bovengrond en het grondwater vormt geen risico voor de volksgezondheid. De algemene kwaliteit van de grond en grondwater van de locatie aan de Nedereindseweg 543 is geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging van de locatie.

5.10 Natuurbescherming Op grond van de Wet natuurbescherming moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van (wijzigingen in) een bestemmingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast moet worden gekeken naar de regels in de Provinciale Ruimtelijke Verordening Provincie Utrecht en de Provinciale Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017. Beschermde dier- en plantensoorten Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan moet er worden onderzocht: 1. 2. 3.

of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied; of er verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden; of er vrijstellingen gelden of dat er een ontheffing nodig is.

Als er een ontheffing nodig is, moet aannemelijk zijn dat deze verleend zal worden. Daarnaast moet er duidelijkheid zijn over eventuele ontheffingsvoorwaarden en het treffen van mitigerende 4 4 bestemmingsplan "Nedereindseweg 543, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

maatregelen. - Doe altijd verkennend onderzoek naar de in het plangebied voorkomende soorten en de gevolgen van de geplande ontwikkelingen op die soorten. - Volg de aanwijzingen uit het onderzoek dat je aan het bestemmingsplan ten grondslag legt nauwkeurig op. (en dat geldt niet alleen voor de aanwijzing dat er nader onderzoek uitgevoerd moet worden, ook andere aanwijzingen uit rapporten die aan een bestemmingsplan ten grondslag gelegd worden, moeten natuurlijk serieus worden genomen. Steeds zal bekeken moeten worden wat er met die aanwijzingen gedaan moet worden). Beleidsregels: Utrechtse soortenlijst In de voormalige Flora en faunawet werden soorten beschermd die niet meer beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, die per 1 januari 2017 in werking is getreden. Hieronder vallen diverse kwetsbare soorten die voor Utrecht erg belangrijk zijn. Deze soorten zijn in de Utrechtse soortenlijst genoemd. De gemeenteraad heeft besloten dat bij gemeentelijke ruimtelijke plannen de Utrechtse soortenlijst bij het onderzoek en ontwikkelingen wordt betrokken zodat de soorten zo goed mogelijk beschermd worden. Bij ruimtelijke plannen van derden beveelt de gemeente nadrukkelijk aan om de Utrechtse soortenlijst mee te nemen in onderzoek en ontwikkelingen. Wanneer de Utrechtse soortenlijst niet wordt meegenomen in het plan of project, dan wordt dit gemotiveerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=d13ec3a0-9b4b-4ab8-a2c7-ec51f0cdc3bc