CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Commissie Energie(transitie), Duurzaamheid, Vastgoed en Wonen (2022-2026) 9 januari 2025, gemeente Utrecht32.982 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Inleiding

Op 25 april 2024 is het Chw bestemmingsplan Papendorp en het Chw bestemmingsplan Groenewoud vastgesteld en op 21 juni 2024 zijn beide plannen in werking getreden. Beide plannen zijn toen gelijk onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Utrecht. Deze bestemmingsplannen maken de bouwplannen in Papendorp Noord en in Groenewoud mogelijk. Deze wijziging van het omgevingsplan voegt één aspect aan de regels van het omgevingsplan van Utrecht toe: de verplichte aansluiting (van de nieuwe gebouwen) op het warmtenet in Papendorp Noord en in Groenewoud. De wijze waarop de beide projecten binnen de geldende beleidskaders passen, wordt niet anders dan voor beide plannen al onderbouwd in de toelichting van beide bestemmingsplannen. Dat beide projecten op een warmtenet aangesloten gaan worden, is toen ook in de onderbouwing voor beide plannen betrokken. Deze wijziging van het omgevingsplan voorziet slechts in het verder borgen van de uitvoering daarvan. Wel is inmiddels de Omgevingswet in werking getreden. Daardoor gelden nu andere instructieregels. Ook is het beleid voor het warmtesysteem verder uitgewerkt. Voor de beschrijving van het relevante beleidskader wordt hierna alleen ingegaan op die veranderingen.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. De instructieregels voor een omgevingsplan staan in hoofdstuk 5 beschreven. In afdeling 5.1 staan de instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties houdt in dat er een balans is tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Deze regels houden meer in dan alleen het bestemmen in een bestemmingsplan. Denk bij een functie bijvoorbeeld aan een netwerkfunctie (kabels en leidingen) of waterbergende functie (milieu).

De instructieregels uit afdeling 5.1 gaan over: waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2) beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3) beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4) beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5) behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7) bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8) Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Het gaat dan vooral om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. Tot slot bevat afdeling 5.3 regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan. Wijziging De onderwerpen waarover de instructieregels gaan zijn van een toereikende motivering voorzien in de Chw bestemmingsplanen Papendorp en Groenewoud. Wel is het 'bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen' een nieuw aspect. Deze wijziging gaat daar niet over en heeft daarop ook geen invloed. Aanvullend geldt dat, voor het afwegen van het waterbelang (artikel 5.37 Bkl), wel overleg over de wijziging is gevoerd met het hoogheemraadschap.

Daar wordt in paragraaf 5.1.1 verder op ingegaan.

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Warmtesysteem Papendorp" (vastgesteld)

19

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Omgevingsverordening

In Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan regels voor de fysieke leefomgeving. Zo’n twintig verordeningen, regelingen en besluiten zijn in 2021 samengevoegd in één provinciale (Interim) Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening bevat de juridische uitwerking van de plannen en ambities uit de provinciale Omgevingsvisie. Deze verordening is op 1 januari 2024 samen met de Omgevingswet in werking getreden. Om de Omgevingsverordening actueel te houden, wordt de verordening op onderdelen gewijzigd. Op 7 februari 2024 hebben Provinciale Staten de eerste wijziging Omgevingsverordening vastgesteld. Op 1 maart 2024 is deze eerste wijziging in werking getreden. Deze wijziging bevat als nieuwe bepaling een zogeheten energietoets. Dit is een regel, die bepaalt dat gemeenten bij nieuwe initiatieven rekening houden met de elektriciteits-infrastructuur, om op deze manier overbelasting van het elektriciteitsnet (netcongestie) te voorkomen.

Wijziging De onderwerpen waarover de instructieregels in de Omgevingsverordening gaan en die van toepassing zijn op het werkingsgebied, zijn van een toereikende motivering voorzien in de Chw bestemmingsplanen Papendorp en Groenewoud en hebben geen effect op dit plan. De energietoets uit de huidige Omgevingsverordening is niet direct toepasbaar op deze wijziging van het omgevingsplan. Deze wijziging reguleert alleen de aansluiting op het al toegestane warmtesysteem, voor al toegestane functies. Het maakt dus geen nieuwe functies mogelijk waarvoor de beschikbare netcapaciteit relevant kan zijn. Het warmtesysteem en de nieuwe functies in het werkingsgebied zijn namelijk al toegestaan in beide genoemde bestemmingsplannen.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Energie Protocol en Transitievisie Warmte

Het Utrechts Energie Protocol en de Transitievisie Warmte Utrecht gaan uit van een aantal uitgangspunten die van belang zijn voor de transitie naar duurzame en hernieuwbare energie. De transitie van aardgas als energiebron naar hernieuwbare energiebronnen, duurzaamheid en milieukwaliteit zijn daarom voor gemeente ook belangrijke uitgangspunten bij de ontwikkeling van Papendorp Noord en Groenewoud. Energie uit hernieuwbare bronnen is schaars. De energie moet zo efficiënt mogelijk gebruikt en verdeeld worden over de stad. Nieuwbouw is goed te isoleren en kan zo ontworpen worden dat deze een lage temperatuur behoefte heeft. Daarom wordt de nieuwbouw bij voorkeur verwarmd met duurzame lage temperatuur bronnen zoals warmte-koude opslag, aquathermie of lage temperatuur restwarmte. In de ondergrond van Utrecht is in de bodem veel bruikbare duurzame energie beschikbaar. Deze energie wil de gemeente goed benutten. De Transitievisie Warmte gaat over de bestaande stad; hoe maken we bestaande bebouwing stap voor stap aardgasvrij. Omdat nieuwbouw al aardgasvrij moet worden gebouwd, hoeven die (aardgasvrij)stappen niet doorlopen te worden. Toch is het wel van belang (ook) nieuwbouw daarbij in het oog te houden. We streven namelijk naar het aanleggen van toekomstbestendige infrastructuur bij nieuwbouw.

Dat betekent dat nieuwbouw wordt aangesloten op lage temperatuursystemen (individueel of collectief). Nieuwbouw wordt dus niet aangesloten op hoge temperatuur bronnen. Hiermee blijven deze schaarse bronnen beschikbaar voor waar ze wel nodig zijn: de bestaande bouw. Voor de projectgebieden moeten lokale hernieuwbare energie bronnen optimaal worden gebruikt. Ook wil de gemeente ervoor zorgen dat alle aansluitingen toegang krijgen tot een duurzaam warmtesysteem. Dat moet ook gelden als een nieuw gebouw bijvoorbeeld pas over tien jaar gerealiseerd wordt. Ook draagt deze keuze bij aan andere doelstellingen van de gemeente op het gebied duurzaamheid en milieu, zoals het verbeteren van de luchtkwaliteit en een evenwichtig en efficiënt gebruik van de bodem, zowel wat betreft het gebruik van ruimte als het gebruik van bodemenergie. Om de aanwezige bodemenergiecapaciteit en de schaarse ruimte in de ondergrond optimaal te benutten, wordt er een collectief warmtesysteem gerealiseerd voor Papendorp Noord en Groenewoud. Hiermee kan een hoge energieprestatie behaald worden en kunnen zoveel mogelijk woningen voor een betaalbare prijs gebruik maken van een duurzaam warmtesysteem. 2 0 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Warmtesysteem Papendorp" (vastgesteld)

Utrecht

3.4.2

Bodemenergieplan Papendorp-Groenewoud

Burgemeester en wethouders hebben op 12 december 2023 het bodemenergieplan Papendorp/Groenewoud vastgesteld. Het doel van het bodemenergieplan is om de capaciteit voor de opslag van warm en koud water in de bodem zo goed mogelijk te benutten voor een open bodemenergiesystemen (WKO). De provincie is bevoegd gezag voor het afgeven van de vergunningen voor de aanvraag van een open bodemenergiesysteem. Daar gebruikt de provincie het bodemenergieplan voor na vaststelling van het plan door de Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht. Burgemeester en wethouders hebben het plan aangeboden bij het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht (GS) met het verzoek de in het bodemenergieplan opgenomen gebruiksregels voor de aanvraag vergunning bodemenergiesysteem) als aanvullend toetsingskader bij vergunningverlening OBES (Open Bodem Energie Systemen) te hanteren. Als GS akkoord gaat stellen zij beleidsregels vast, gebaseerd op het bodemenergieplan, en toetsen daar de vergunningaanvragen aan (in aanvulling op het toetsingskader van de Omgevingswet, in het bijzonder de regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving). In het bodemenergieplan Papendorp/Groenewoud zijn onder andere gebruiksregels opgenomen voor de realisatie van een open bodemenergiesysteem.

Daarbij zijn onder andere zones benoemd waar bodemenergie bronnen kunnen worden gemaakt en uitgangspunten voor de (energie)capaciteit van de bronnen beschreven. In het gebied Papendorp/Groenewoud kan de bodemenergie uit het 1 e of 2 e watervoerende pakket gehaald worden. Het bodemenergieplan is van toepassing op het gebruik van zowel het 1 e als het 2 e watervoerende pakket. Hierbij zijn aanvullende regels opgenomen voor het gebruik van het 2 e watervoerende pakket. Een open bodemenergie systeem in het 2 e watervoerend pakket heeft het risico dat vervuiling zich vanuit het 1 e pakket verspreidt naar het 2 e watervoerend pakket. Dat zou kunnen ontstaan door het door de scheidende laag tussen het 1 e en 2 e pakket heen te boren. Of doordat de werking van het bodemenergiesysteem invloed heeft op verplaatsing van grondwater. Om die risico’s te beheersen zijn maatregelen in het bodemenergieplan opgenomen. Die regels gaan over het vooraf in kaart brengen (door aanvrager) van de invloed van het systeem op verplaatsing van grondwater en door tijdens het gebruik ook de grondwaterstromen te monitoren, zowel in het systeem zelf als door afzonderlijk te plaatsen peilbuizen. Met die maatregelen wordt tijdig en snel een eventuele verspreiding van vervuiling opgemerkt.

Voor het boren door de scheidende laag heen is al wettelijk geregeld dat dit alleen door de juiste gecertificeerde bedrijven mag worden uitgevoerd. De bedoeling van die specifieke regels is het zicht op houden op de kwaliteit van de grondwaterstromen. Met de maatregelen worden de risico’s beheerst in de verschillende fasen: bij aanvraag vergunning (aanleveren onderzoek met effecten op de ondergrond), bij realisatie (werkzaamheden door gespecialiseerde gecertificeerde bedrijven) en bij exploitatie (monitoring)In het bodemenergieplan. 3.4.3

Verordening Interferentiegebieden Bodemenergiesystemen gemeente Utrecht 2018

Om de werking van het bodemenergieplan te borgen is het plangebied van het bodemenergieplan als interferentiegebied opgenomen in de Verordening Interferentiegebieden Bodemenergiesystemen gemeente Utrecht 2018. Daardoor, met het vaststellen van een interferentiegebied, worden ook gesloten bodemenergiesystemen vergunningsplichting. Met het aanwijzen van interferentiegebieden kan interferentie tussen gesloten en tussen gesloten en open bodemenergiesystemen onderling worden voorkomen en een doelmatig gebruik van bodemenergie worden bevorderd. Met het toevoegen van Papendorp/Groenewoud als interferentiegebied wordt het mogelijk om met een collectief systeem maximaal gebruik te kunnen maken van de bodemenergie

3.5

Conclusie

De keuze om een warmtesysteem te gaan realiseren in Papendorp en, daarvoor, een aansluitplicht in stellen voor de geplande nieuwbouw past binnen de duurzaamheidsambities uit het landelijke, provinciale en gemeentelijke beleid.

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Warmtesysteem Papendorp" (vastgesteld)

21

2 2 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Warmtesysteem Papendorp" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 4 Onderzoek en randvoorwaarden 4.1

Inleiding

Op 25 april 2024 is het Chw bestemmingsplan Papendorp en het Chw bestemmingsplan Groenewoud vastgesteld en op 21 juni 2024 zijn beide plannen in werking getreden. Beide plannen zijn toen gelijk onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Utrecht. Deze bestemmingsplannen maken de bouwplannen in Papendorp Noord en in Groenewoud mogelijk. Deze wijziging van het omgevingsplan voegt één aspect aan de regels van het omgevingsplan van Utrecht toe: de verplichte aansluiting van de nieuwe gebouwen op het warmtenet. De ruimtelijke aanvaardbaarheid en uitvoerbaarheid van beide projecten wordt niet anders dan voor beide plannen al onderbouwd in de toelichting van beide bestemmingsplannen. Dat beide projecten op een warmtenet aangesloten gaan worden, is toen ook in de onderbouwing voor beide plannen betrokken. Deze wijziging van het omgevingsplan voorziet slechts in het verder borgen van de uitvoering daarvan. De omgevingsaspecten en de uitvoerbaarheid worden daarom in dit hoofdstuk alleen beschouwd als dat nodig is vanwege de inhoudelijke wijziging die doorgevoerd wordt of omdat het een zelfstandige wijziging is, die zijn eigen procedure doorloopt. Voor het overige wordt kortheidshalve verwezen naar de toelichting van het Chw bestemmingsplan Papendorp en de toelichting van het Chw bestemmingsplan Groenewoud.

4.2

Milieueffectrapportage

Bij de voorbereiding van de Chw bestemmingsplannen voor Papendorp Noord en Groenewoud is geconcludeerd dat voor beide plannen geen MER opgesteld hoeft te worden. Deze wijziging regelt een uitvoeringsaspect van die beide plannen. Deze wijziging voorziet ook niet in een project als bedoeld in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Om deze twee redenen is er geen aanleiding om voor deze wijziging een mer-beoordeling uit te voeren.

4.3

Bodem en ondergrond

Voor Papendorp Noord en Groenewoud is een bodemenergieplan vastgesteld. Daarnaast is in voorbereiding om de verordening voor de interferentiegebieden van toepassing te verklaren op beide project gebieden. Daar is in paragraaf 3.4 al op ingegaan.

4.4

Natuurbescherming

Bij de de Chw bestemmingsplannen Papendorp en Groenewoud zijn de gevolgen voor beschermd natuur uitdrukkelijk in beeld geweest. Voor beide plannen is geconcludeerd dat de aanwezigheid van beschermde soorten de uitvoerbaarheid niet in de weg hoeft te staan. Ook was geen sprake van negatieve gevolgen op beschermde natuurgebieden. Vanuit het oogpunt van natuurbescherming regelt dit plan niets nieuws; het blijft gaan om de realisatie van nieuwbouw met bijbehorende voorzieningen en bijbehorende voorzieningen op nutsvoorzieningen die doorgaans ondergronds worden aangebracht.

4.5

Bomen

Deze wijziging van het omgevingsplan heeft geen andere gevolgen voor bomen dan al beschouwd in de Chw bestemmingsplannen Papendorp en Groenewoud.

4.6

Archeologie en cultuurhistorie

Voor de realisatie van het warmtenet en de aansluitingen daarop zullen grondwerkzaamheden nodig zijn. In de Chw bestemmingsplannen Papendorp en Groenewoud, inmiddels onderdeel van (het tijdelijk deel van) het omgevingsplan, zijn beschermingsregimes opgenomen vanwege naar verwachting, aanwezige archeologische waarden. Die regimes zijn ook toereikend voor dit plan.

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Warmtesysteem Papendorp" (vastgesteld)

23

4.7

Conclusie

Het verplicht aan laten sluiten van de nieuwe gebouwen in Papendorp Noord en Groenewoud op een open warmtenet is ruimtelijk en vanuit milieuoogpunt aanvaardbaar en uitvoerbaar.

2 4 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Warmtesysteem Papendorp" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.1.1

Overleg met vooroverleginstanties

Het plan is in het kader van vooroverleg aan de provincie Utrecht en het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) gestuurd om de mogelijkheid te geven om op het plan te reageren. De provincie en HDSR hebben aangegeven geen opmerkingen op het plan te hebben. 5.1.2

Participatie

Voor de bestemmingsplannen voor Papendorp Noord en Groenewoud is met diverse betrokkenen, op verschillende niveaus, geparticipeerd. Dat in Papendorp en Groenewoud een warmtesysteem wordt aangelegd was en is daarbij onderdeel van de plannen. Dat is ook beschreven in de toelichting van de bestemmngsplannen Papendorp en Groenewoud die de wettelijke inspraakprocedure hebben doorlopen. Deze wijziging van het omgevingsplan borgt de verdere uitvoering daarvan. Daarbij gaat het dan ook nog om een klein deel van het hele systeem: de aansluiting van de nieuwbouw op het warmtesysteem. Dat voor Papendorp en Groenewoud een warmtesysteem wordt aangelegd, is al geruime tijd bekend. Deze wijziging van het omgevingsplan is nodig om het warmtesysteem te laten slagen. Omdat de nieuwbouw nog gerealiseerd moet worden, zijn er nu ook nog geen bewoners of gevestigde bedrijven (die blijven in de nieuwe situatie) in het werkingsgebied. Daarom raakt dit wijzigingsbesluit nu slechts twee partijen in hun belang. De ontwikkelaar van Groenewoud en de gemeente zelf, die grondeigenaar is in Papendorp Noord. De genoemde ontwikkelaar is al bekend met de ontwikkeling van warmtenet. Voor de gemeente gaat het om de uitvoering van beleid. Concluderend is er voor dit wijzigingsbesluit nauwelijks beïnvloedingsruimte. Daarom is besloten af te zien van participatie.

Tijdens de terinzagelegging van het ontwerpbesluit kan iedereen zienswijzen over deze wijziging van het omgevingsplan indienen.

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Warmtesysteem Papendorp" (vastgesteld)

25

2 6 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Warmtesysteem Papendorp" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 6 Juridische plantoelichting 6.1

Wijziging omgevingsplan

6.1.1

Warmteplannen

Eerder, voordat de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking trad, werd de aansluitplicht op een warmtesysteem geregeld door een warmteplan vast te stellen op grond van het Bouwbesluit. Die mogelijkheid bestaat niet meer. Nu kan een aansluitplicht worden opgenomen in het omgevingsplan. Om de aansluitplicht voor Papendorp Noord en Groenewoud in te stellen is nu een wijziging van het omgevingsplan nodig. 6.1.2

Omgevingsplan van rechtswege

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Verder zijn de op basis van het oude Bouwbesluit vastgestelde warmteplannen onderdeel van de Bruidschat, voor zover die de maximale geldingstermijn van 10 jaar nog niet hebben bereikt. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege wijzigen. 6.1.3

Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is vooralsnog toegestaan tot en met 31 december 2024, maar waarschijnlijk wordt de mogelijk met minimaal één jaar verlengd. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2024 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2025 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD). 6.1.4

Werkingsgebied

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op Papendorp Noord en Groenewoud, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0344.BPTAMWARMSYSPAPEN-VA01.

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Warmtesysteem Papendorp" (vastgesteld)

27

6.1.5

Overzicht wijzigingen

Dit plan voegt regels toe aan het omgevingsplan. Het verandert de regels van het omgevingsplan niet. Dat betekent dat de regels uit de Chw bestemmingsplannen Papendorp en Groenewoud geheel van toepassing blijven, zodat de vervangingsplicht van artikel 22.6, eerste lid, van de Omgevingswet niet van toepassing is. Binnen de regels van die bestemmingsplannen (die dus nu deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan) kan het warmtesysteem al aangelegd worden. De regels van dit wijzigingsbesluit gaat alleen over de aansluiting van de nieuwbouw op dat warmtesysteem. Over het werkingsgebied wordt de gebiedsaanduiding 'overige zone - warmtesysteem Papendorp' gelegd. Aan die aanduiding worden de regels verbonden voor de aansluitplicht op het warmtenet.

6.2

Inleidende regels (hoofdstuk 1 van de regels)

Artikel 1 Werking van dit plan In artikel wordt aangegeven hoe het omgevingsplan wordt gewijzigd, hoe de regels gelezen moeten worden binnen de structuur van het omgevingsplan en wordt het werkingsgebied bepaald. Lid 1 Werkingsgebied In het eerste lid wordt bepaald wat het werkingsgebied is van deze wijziging is. Het werkingsgebied wordt bepaald door de gebiedsaanduiding 'overige zone - warmtesysteem Papendorp'. De begrenzing daarvan is opgenomen in een GML-bestand. De begrenzing wordt bepaald door de projectgrenzen van Papendorp Noord (inclusief het nog niet ontwikkelde deel van Taatsenplein Zuid) en van Groenewoud. Het Amsterdam-Rijnkanaal en de geplande fietsburg langs de zuidzijde van de De Meernbrug maken geen onderdeel uit van het werkingsgebied. Lid 2 Wijziging omgevingsplan In het tweede lid wordt bepaald hoe de regels van deze wijziging werken. Juridisch gezien worden de regels bij de vaststelling gelijk opgenomen in het omgevingsplan van Utrecht. De regels vullen het omgevingsplan gemeente Utrecht aan en worden onderdeel van het permanente deel van dat omgevingsplan. Daarbij wordt geen bestaande regels veranderd. De regels uit de Chw bestemmingsplan Papendorp en Groenewoud, onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, blijven ongewijzigd van toepassing op de beide projectgebieden.

Lid 3 Wijziging omgevingsplan In lid 3 van het eerste artikel zijn enkele begrippen opgenomen voor de goede werking en juiste interpretatie van dit TAM-omgevingsplan. Voor het overige zijn de al bestaande begrippen in het omgevingsplan ook van toepassing. De begrippen onder d. en f., 'nieuw gebouw' en 'warmtesysteem' zijn zo geformuleerd dat ze het toepassingsbereik van de regels in het volgende hoofdstuk afbakenen. Nieuw gebouw De aansluitplicht die dit plan regelt, zal gelden voor gebouwen die nog gebouwd moeten worden. Om in voorbereiding genomen projecten niet op een ongewenst moment te confronteren met een aansluitplicht, zal het niet gelden voor projecten die in aanbouw zijn genomen, op basis van een verleende omgevingsvergunning, en voor projecten waarvoor alle omgevingsvergunningen verleend zijn voor de totale bouw. Om dit eenvoudig in de regels een plek te geven, wordt in de regels gewerkt met het begrip 'nieuw gebouw'. Dat is een gebouw dat nog gebouwd moet worden, dat ook nog niet in aanbouw is genomen en waarvoor ook nog geen omgevingsvergunningen zijn verleend om te kunnen beginnen met de realisatie. Warmtesysteem Voor de aansluitplicht moet duidelijk zijn op welk warmtesysteem een woning of andere functie aangesloten moet worden. Het begrip 'warmtesysteem' bepaald dat het om een collectief systeem moet gaan om gebouwen van warmte én koude te voorzien.

Het kan niet om stadsverwarming gaan.

6.3

Gebouwen en locaties gebruiken (hoofdstuk 2 van de regels)

Artikel 2 Warmtesysteem Papendorp Artikel 2 heeft in grote lijnen de volgende opbouw. Het eerste lid bevat ten eerste de aansluitplicht. Daarnaast geeft het aan waarvoor de aansluitplicht in ieder geval niet geldt en ook hoe lang de aansluitplicht geldt. In het tweede lid zijn de uitzonderingen opgenomen voor het kunnen laten vervallen van de aansluitplicht. Het derde lid bevat de aanvraagvereisten als een initiatiefnemer een verzoek wil doen om de aansluitplicht te laten vervallen. 2 8 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Warmtesysteem Papendorp" (vastgesteld)

Utrecht

Lid 1 Aansluitplicht Het eerste onderdeel van lid 1 bepaalt dat in het werkingsgebied een nieuw gebouw alleen gebouwd en gebruikt mag worden als het een aansluiting op het warmtesysteem krijgt of heeft. Het is zonder omgevingsvergunning verboden een gebouw te bouwen dat niet op het warmtesysteem is aangesloten. Als een gebouw wordt aangesloten op het warmtesysteem wordt dat verbod niet overtreden. Als een gebouw niet wordt aangesloten op een warmtesysteem wordt het verbod overtreden en is dus een omgevingsvergunning nodig. Die vergunning wordt slechts in twee gevallen verleend. Die gevallen worden verderop toegelicht. De regel geldt zowel voor het bouwen van nieuwe gebouwen, als voor het gebruiken van die nieuwe gebouwen. Het warmtesysteem wordt een collectief systeem. Met een aansluiting op een gesloten/'eigen' warmtesysteem wordt niet aan de aansluitplicht voldaan. Ook gaat het niet alleen om de fysieke aansluiting van een gebouw op het collectieve warmtesysteem. Het warmtesysteem moet ook gebruikt worden voor de verwarming én koeling van het betreffende, nieuwe gebouw. Bij aanvragen om omgevingsvergunningen vanwege bouwactiviteiten op grond van het omgevingsplan wordt de aansluitplicht in de beoordeling betrokken. Bij de aanvraag moet daarom worden aangegeven hoe het gebouw op het warmtesysteem wordt aangesloten.

Als de wens is om een gebouw niet aan te sluiten, moet gelijk (met dezelfde aanvraag) ook een omgevingsvergunning (voor een omgevingsplanactiviteit) aangevraagd worden om de aansluitplicht te laten vervallen. De aanvraag wordt dan beoordeeld aan de hand van de voorwaarden die verderop worden toegelicht. Het tweede onderdeel geeft drie soorten bouwwerken aan waarvoor de aansluitplicht direct niet geldt. Die bouwwerken zijn uitgezonderd van de aansluitplicht. Daarvoor is ook geen omgevingsvergunning nodig om de aansluitplicht te laten vervallen. De aansluitplicht geldt niet voor drijvende bouwwerken. Dergelijke bouwwerken zijn vaak niet geschikt om aan te sluiten op een collectief warmtesysteem. Overigens is in Papendorp en Groenewoud nergens in woonboten voorzien. De aansluitplicht geldt ook niet voor woningen die in particulier opdrachtgeverschap worden gebouwd, ook wel bekend als zelfbouwkavels. Bij dit type projecten is het vaak beter passend als de zelfbouwers zelf bepalen hoe de gebouwen verwarmd en gekoeld worden. Verder geldt de aansluitplicht ook niet voor gebouwen die geen verblijfsgebieden (in de zin van het Besluit bouwwerken leefomgeving) hebben. Het gaat dan om gebouwen waar doorgaans geen mensen verblijven, zoals transformatorhuisjes of gemaalgebouwtjes. Verwarming en koeling via het warmtesysteem is daarvoor niet noodzakelijk.

Het laatste onderdeel bepaalt de duur van de aansluitplicht. Voorheen, toen op grond van het Bouwbesluit met een vastgestelde warmteplan gewerkt werd, was de maximale duur wettelijk bepaald op 10 jaar. Dat geldt niet meer. De duur kan in het omgevingsplan bepaald worden. Gekozen is voor een duur van 20 jaar. De verwachting is dat binnen die periode het grootste deel van de nieuwbouw in Papendorp Noord en Groenewoud gerealiseerd zal zijn. Tijdens de periode kan de werking eventueel verlengd worden, bijvoorbeeld omdat de ontwikkelingen langer duren. Daarvoor is op dat moment een nieuwe wijziging van het omgevingsplan nodig. De periode kan ook worden verkort door de regeling uit het omgevingsplan te halen, bijvoorbeeld als het geplande aantal aansluitingen is bereikt of als Papendorp Noord en Groenewoud helemaal ontwikkeld zijn. Lid 2 Vervallen aansluitplicht Er kunnen een beperkt aantal redenen zijn om een nieuw gebouw niet aan te sluiten op het collectieve warmtesysteem. Of de aansluitplicht kan vervallen, moet dan beoordeeld worden door burgemeester en wethouders. Daarvoor moet een initiatiefnemer of ontwikkelaar een aanvraag omgevingsvergunning indienen die het verzoek inhoudt om af te zien van de aansluitplicht. Het gaat dan om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

Wordt de omgevingsvergunning afgegeven, dan hoeft het gebouw niet aangesloten te worden op het warmtesysteem en daar dan ook geen gebruik van te maken. Die omgevingsvergunning kan op grond van dit plan in slechts twee gevallen worden verleend. In beide gevallen is de toepassing van stadsverwarming expliciet uitgesloten. Gelijkwaardigheid Niet het warmtesysteem an sich, maar duurzaamheid staat voorop in Papendorp Noord en Groenewoud. Met andere technieken kan een alternatief warmtesysteem zo gerealiseerd worden dat de energieprestatie net zo goed of zelfs beter wordt dan met een aansluiting op het warmtesysteem. Een aansluiting op het warmtesysteem biedt dan voor het gebouw geen voordeel. In dat geval kan de aansluitplicht vervallen. Dit moet dan wel op basis van een zorgvuldige gelijkwaardigheidsbeoordeling gebeuren. Gebouwgebonden systemen zorgen vaak alleen voor verwarming. Koeling gaat via een afzonderlijk systeem, dat alleen bij behoefte aan staat (vaak airco's). Het warmtesysteem zorgt warmte en koude binnen één systeem. Voor een goede vergelijking moet koude ook in de te maken afweging bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Warmtesysteem Papendorp" (vastgesteld)

29

worden betrokken. Het collectieve warmtesysteem zal steeds beter gaan werken naarmate er meer aansluitingen komen. De verwachte energieprestatie wordt pas behaald als het geplande aantal aansluitingen een feit is. Daarom moet de gelijkwaardigheidstoets wordt gemaakt op basis van een situatie waarin voor het warmtesysteem het geplande aantal aansluitingen is gehaald. Daarvoor moet worden uitgegaan van de actuele energieprestatie van het collectieve systeem zoals dat vastligt in het register van autoriteit Bureau Certificering en Registratie Gelijkwaardigheid (BCRG). Zolang die nog geen waarde heeft geregistreerd, gelden de voorlopige energieprestatiewaarden, zoals die zijn opgenomen in bijlage 1 van de regels. Ook geldt dat de berekening voor de vergelijking gemaakt moeten worden op basis van de Nederlandse technische afspraak: NTA 8800. NTA 8800 is de methode voor de bepaling van de energieprestatie van gebouwen. Van belang daarbij is dat voor de vergelijking ook een berekening wordt gemaakt op basis van bijlage P van NTA 8800. Op basis daarvan kan een goede berekening worden gemaakt voor een gebiedswarmtesysteem. Voor een nadere toelichting op deze uitzonderingsmogelijkheid wordt verwezen naar het onderstaande kader. Bij deze uitzonderingsmogelijkheid geldt de aanvullende voorwaarde dat de uitstoot van stikstofoxiden en fijnstof kleiner of gelijk aan nul moet zijn.

Aansluitafstand Het aansluiten van een gebouw op het warmtesysteem kost geld. Hoe groter de afstand tot het warmtesysteem, hoe duurder het wordt. Die kosten kunnen zo groot worden dat het niet meer in verhouding staat tot de voordelen die een aansluiting op het warmtesysteem biedt. Vanaf een afstand van 40 meter, tussen het aanwezige of geplande warmtesysteem en het nieuwe gebouw, bestaat daarom de mogelijkheid om af te zien van de aansluitplicht. Dat kan alleen als de aansluitkosten daadwerkelijk hoger zijn, in vergelijking met de situatie dat de aansluitafstand 40 meter zou zijn. Bij deze aansluitkosten gaat het niet om de werkelijke kosten die exploitant van het warmtesysteem maakt om het betreffende gebouw aan te sluiten op het warmtesysteem. Het gaat om de bijdrage die de exploitant van het warmtesysteem vraagt aan een initiatiefnemer of ontwikkelaar om een gebouw aan te sluiten. Lid 3 Aanvraagvereisten Om de aansluitplicht te laten vervallen, op basis van de mogelijkheden in lid 2, zal een initiatiefnemer of ontwikkelaar een aanvraag omgevingsvergunning moeten indienen voor een omgevingsplanactiviteit. Daarmee vraagt hij of zij aan burgemeester en wethouders om bij omgevingsvergunning af te wijken van de aansluitplicht (in lid 1). Voor de beoordeling van die vraag zijn diverse gegevens nodig.

In lid 3 is opgenomen welke gegevens in ieder geval bij een aanvraag gevoegd moeten worden. Het gaat het om tekeningen die een goed beeld geven van de situatie en gegevens om te beoordelen of een van de 'uitzonderingsgronden' aanwezig is. Als het om gelijkwaardigheid gaat, zullen berekeningen op basis van NTA 8800 bij de aanvraag gevoegd moeten zijn. Daarbij is van belang dat ook een berekening op basis van bijlage P van NTA 8800 wordt gemaakt. Die berekening moet, voor een goede vergelijking worden gemaakt voor de situatie waarin het geplande aantal aansluitingen op het warmtesysteem zijn gerealiseerd.

3 0 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Warmtesysteem Papendorp" (vastgesteld)

Utrecht

Kader: stappenplan vervallen aansluitplicht op het warmtesysteem op basis van gelijkwaardigheid Een aanvrager van een omgevingsvergunning die een nieuw gebouw wil bouwen in Papendorp Noord of Groenewoud maar een duurzamer of tenminste gelijkwaardig, alternatief wil realiseren, moet een aanvraag tot vervallen van de aansluitplicht indienen. De procedure om te beoordelen of de aansluitplicht kan vervallen, verloopt volgens onderstaand stappenplan. Stap 1: de aanvraag De aanvrager doet een aanvraag voor een omgevingsvergunning en geeft bij deze aanvraag (ook) doet voor het laten vervallen van de aansluitplicht omdat hij een minimaal gelijkwaardig alternatief wil realiseren. Voor onderbouwing van dit onderdeel van de aanvraag levert de aanvrager ook de volgende informatie aan: a. NTA 8800-berekening met aansluiting op het warmtesysteem. b. NTA 8800-berekening van het toegepaste alternatief, zonder de aansluiting op het warmtesysteem. c. Aanvullende documentatie zoals kwaliteitsverklaringen. Stap 2: toeting door de gemeente Burgemeester en wethouders controleren of aanvraag volledig en correct is (ontvankelijkheidstoets): a. Zijn alle documenten aangeleverd? b. Zijn juiste getallen uit NTA 8800 berekening overgenomen? c.

Zijn juiste waarden uit de kwaliteitsverklaring(en) overgenomen? Nee: Aan de aanvrager wordt medegedeeld dat aanvraag tot vervallen van de aansluitplicht nog niet in behandeling genomen kan worden. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld om de benodigde aanvullende gegevens alsnog aan te leveren. Indien deze niet binnen de gestelde termijn worden geleverd, wordt de aanvraag omgevingsvergunning, wegens onvolledigheid van stukken, buiten behandeling gelaten. Ja: Burgemeester en wethouders toetsen of de aansluitplicht kan vervallen door de NTA 8800-berekeningen te controleren. Als dat nodig is, kunnen burgemeester en wethouders hierover uiteraard advies inwinnen bij deskundigen. Stap 3: besluitvorming door burgemeester en wethouders Burgemeester en wethouders beoordelen of de energieprestatie van het beoogde alternatief minimaal gelijkwaardig is aan een aansluiting op het warmtesysteem. Voor het warmtesysteem wordt daarbij gekeken naar de energieprestatie van het systeem op het moment dat de geplande aansluitingen zijn gerealiseerd. Nee: Indien het duurzame alternatief niet voldoet, wordt de omgevingsvergunning niet verleend op grond van dit plan. De aanvrager kan eventueel een nieuwe aanvraag indienen voor omgevingsvergunning op basis van: 1. Een aansluiting op het collectieve warmtesysteem. 2.

Een aangepaste aanvraag met een duurzaam alternatief dat gelijkwaardig aan of beter scoort dan aansluiting op het collectieve warmtesysteem. Ja: De omgevingsvergunning voor het laten vervallen van de aansluitplicht wordt verleend.

6.4

Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4 van de regels)

Artikel 3 Overgangsregeling In artikel 4 is een overgangsregels opgenomen voor nieuwe gebouwen waarvoor de aanvragen om omgevingsvergunning aangevraagd waren toen deze wijziging in werking trad. Als die aanvragen resulteren in omgevingsvergunningen op basis waarvan een nieuw gebouw geheel gebouwd kan worden, geldt de aansluitplicht uit artikel 2.1 niet voor dat nieuwe gebouw. Uiteraard is het wel mogelijk om een dergelijk gebouw aan te sluiten op het warmtenet. Maar als dat niet gebeurt, is daarvoor geen omgevingsvergunning voor nodig.

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Warmtesysteem Papendorp" (vastgesteld)

31

3 2 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Warmtesysteem Papendorp" (vastgesteld)

Utrecht

Bijlagen toelichting

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Warmtesysteem Papendorp" (vastgesteld)

33

3 4 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Warmtesysteem Papendorp" (vastgesteld)

Utrecht

Bijlage 1 Bodemenergieplan Papendorp (IF Technologie, 29nov2023)

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Warmtesysteem Papendorp" (vastgesteld)

35

Papendorp in Utrecht Bodemenergieplan

Datum Referentie Betreft Behandeld door Gecontroleerd door Versienummer

29 november 2023 71298/AW/20231129 Bodemenergieplan Papendorp in Utrecht L. Borst, H. de Jonge H. de Jonge 1.7

OPDRACHTGEVER Gemeente Utrecht Dhr./Mevr. *** Postbus *** 1111 AA *** Contactpersoon: dhr./mevr. *** E ***@***.nl

ADVISEUR BODEMENERGIE IF Technology BV Postbus 605 6800 AP Arnhem contactpersoon:

dhr. H. de Jonge

Datum Referentie Pagina

29 november 2023 71298/AW/20231129 3/32

INHOUDSOPGAVE 1 Inleiding 1.1 Kader 1.2 Waarom regie op bodemenergie 1.3 Doel van een bodemenergieplan 2 Gebruiksregels 2.1 Gebruiksregels tav de melding bij de gemeente 2.2 Gebruiksregels tav de aanvraag vergunning bodemenergiesysteem 3 Algemene toelichting 3.1 Principe bodemenergie 3.1.1 Open en gesloten systemen 3.1.2 Indeling open systemen 3.2 Bodemeigenschappen 3.2.1 Bodemopbouw 3.2.2 Bodemgeschiktheid open bodemenergiesystemen 3.2.3 Bodemgeschiktheid gesloten bodemenergiesystemen 3.2.4 Geohydrologische eigenschappen 3.3 Bodembelangen 3.4 Wettelijke kaders 3.4.1 Open systemen 3.4.2 Gesloten systemen 3.4.3 Lozingen 4 Inventarisatie vraag en aanbod 4.1 Ontwikkelingen 4.2 Warmte- en koudevraag 4.3 Match vraag/aanbod 5 Toelichting gebruiksregels 5.1 Toelichting gebruiksregels tav de melding bij de gemeente 5.2 Toelichting gebruiksregels tav de aanvraag vergunning bodemenergiesysteem Bijlage 1 – Plankaart eerste watervoerende pakket Bijlage 2 – Plankaart tweede watervoerende pakket

4 4 4 5 7 7 8 10 10 10 10 11 12 12 13 13 14 18 18 19 21 23 23 23 25 27 27 28

Datum Referentie Pagina

29 november 2023 71298/AW/20231129 4/32

1

Inleiding

1.1

KADER Utrecht verwacht in 2040 meer dan 455.000 inwoners te hebben. Daarom investeert de Gemeente Utrecht in de bouw van duizenden woningen in de komende jaren. Eén van de locaties waar de komende jaren nieuwbouw wordt gerealiseerd is het plangebied Papendorp. Dit bevindt zich in de driehoek tussen het Amsterdam-Rijn kanaal, de A2 en A12 en bestaat uit de delen Papendorp Noord (2.000 woningen plus 74.000 m² utiliteit) en Groenewoud (1.650 woningen). Voor de klimatisering van deze gebouwen wenst de gemeente een collectief warmtesysteem op basis van lokale hernieuwbare energiebronnen. Als referentie-energieconcept is dit een warmtesysteem met een open bodemenergiesysteem (zijnde WKO: Warmte Koude Opslag) in combinatie met aquathermie (zijnde TEO: Thermische Energie uit Oppervlaktewater). Daar kunnen in de toekomst mogelijk ook andere lokale duurzame hernieuwbare energiebronnen op worden aangesloten. Voor dit Bodemenergieplan geldt als referentie-energieconcept een concept van WKO en TEO. Het plangebied en de deelgebieden binnen het plangebied zijn weergegeven in Figuur 1.1.

Figuur 1.1 | Projectgebied en deelgebieden binnen plangebied

1.2

WAAROM REGIE OP BODEMENERGIE Bij grootschalige toepassing van bodemenergie neemt de drukte in de ondergrond sterk toe. Voorkomen moet worden dat bij een toename van het aantal bodemenergiesystemen negatieve

Datum Referentie Pagina

29 november 2023 71298/AW/20231129 5/32

interferentie tussen bodemenergiesystemen onderling of nadelige beïnvloeding van andere ondergrondse functies optreedt (Figuur 1.2). Daarnaast is de ruimte in de ondiepe ondergrond voor het leidingnet van bodemenergiesystemen zeer beperkt vanwege de grote hoeveelheid andere functies in de ondiepe ondergrond. Regie op het ondergrondse ruimtegebruik is dan ook noodzakelijk. Regie op het gebruik van de energiepotentie van de bodem (lees bodemwarmte en koude) is tevens gewenst om een optimaal en duurzaam gebruik van de ondergrond te borgen. Daarmee wordt bedoeld dat met een zo beperkt mogelijk aantal boringen en bodemenergiesystemen, een zo hoog mogelijke benutting van de bodemenergie behaald wordt, zodat zoveel mogelijk gebouwen in Papendorp gebruik kunnen maken van duurzame bodemenergie. Regie op het gebruik van de energiepotentie zorgt ervoor dat ongewenste interferentie (negatieve interactie) tussen bodemenergiesystemen onderling of met andere ondergrondse functies wordt voorkomen. Zonder regie op energiepotentie is het zeer waarschijnlijk dat toekomstige partijen die zich gaan vestigen in Papendorp op een gegeven moment geen gebruik meer kunnen maken van bodemenergie.

Figuur 1.2 | Overzicht ondergrondse functies

1.3

DOEL VAN EEN BODEMENERGIEPLAN Een bodemenergieplan heeft tot doel de ondergrondse inrichting van Papendorp met betrekking tot bodemenergiesystemen te regisseren, waardoor optimaal gebruik gemaakt wordt van de ondergrond voor bodemenergie. De gemeente zet hierbij in op de toepassing van (collectieve) open bodemenergiesystemen, omdat open bodemenergiesystemen het beste aansluiten bij de omvang van de warmte- en koudevraag en het gelijktijdige warmtevermogen binnen dit gebied. In dit bodemenergieplan zijn de volgende randvoorwaarden gehanteerd bij het bepalen van de gebruiksregels: - bovengrondse inrichting projectgebied (beschikbare ruimte voor bronpositionering); - ingeschatte energievraag bouwontwikkelingen;

Datum Referentie Pagina

29 november 2023 71298/AW/20231129 6/32

-

bestaande en toekomstige overige ondergrondse functies/belangen; bodemopbouw en capaciteit; dit bodemenergieplan is van toepassing op het 1e en 2e watervoerend pakket.

Op basis van deze randvoorwaarden is het bodemenergieplan opgesteld, waarbij kansen voor combinatie van gebouwfuncties (zoals wonen en vergaderen) binnen het collectieve warmtesysteem worden benut en negatieve interactie tussen de verschillende gebouwfuncties wordt geminimaliseerd.

Datum Referentie Pagina

29 november 2023 71298/AW/20231129 7/32

2 Gebruiksregels Ontwikkelende partijen die in het gebied een bodemenergiesysteem willen realiseren moeten aan de wettelijke kaders voor bodemenergie en aan de gebruiksregels van dit Bodemenergieplan voldoen. Vanaf 1 januari 2024 geldt de Omgevingswet. Als uitvoeringsregeling onder de Omgevingswet bevat in het bijzonder het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) algemeen geldende voorschriften voor zowel open bodemenergiesystemen en gesloten bodemenergiesystemen. Voor gesloten bodemenergiesystemen geldt (in beginsel) op grond van het Bal dat een melding moet worden gedaan bij de gemeente. Als het gaat om open bodemenergiesystemen moet in verband met de op grond van het Bal geldende vergunningplicht een aanvraag voor een omgevingsvergunning worden ingediend bij de provincie. In beide gevallen moet aangetoond worden dat het te ontwikkelen bodemenergiesysteem voldoet aan de gebruiksregels. De gebruiksregels stellen de voorwaarden voor toepassing van de verschillende vormen van bodemenergie binnen Papendorp in Utrecht. De gebruiksregels gelden binnen het gebied zoals weergegeven op de plankaarten (bijlage 1 en 2). In paragraaf 3.4 is een samenvatting van de algemene wettelijke kaders voor bodemenergie opgenomen. De gebruiksregels zijn opgedeeld in twee delen.

Het eerste deel betreft de gebruiksregels die behoren bij de melding bij de gemeente op grond van het Bal, waar de ontwikkelende partij zijn booractiviteiten meldt. Bij de melding moet worden aangetoond dat het ontwerp en uitvoeringsplan voldoet aan deze gebruiksregels. Vervolgens zijn de gebruiksregels opgenomen waaraan voldaan moet worden voor de aanvraag van de omgevingsvergunning bij de provincie op grond van het Bal. Voor beide delen geldt dat de gebruiksregels gelden voor boringen van zowel open als gesloten bodemenergiesysteem in het eerste watervoerende pakket als in het tweede watervoerende pakket, tenzij anders is vermeld in de betreffende gebruiksregel.

2.1

GEBRUIKSREGELS TAV DE MELDING BIJ DE GEMEENTE Het projectgebied Papendorp valt binnen het gebied van het Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer. Daarom moeten ontwikkelende partijen bij de melding aantonen dat zij voldoen aan de eisen die, conform de Omgevingswet, in het bijzonder het Bal , vanuit dit plan gelden. In dit plangebied is dit, onder andere, het uitvoeren van een melding op basis van het Bal bij het bevoegd gezag (Gemeente Utrecht). Daarbij geldt voor meldingen voor activiteiten in het tweede watervoerend pakket het volgende: 1.

De bronnen en het leidingwerk moeten gerealiseerd worden door een BRL 2100 gecertificeerde partij.

2.

Bij een boring geldt dat de aanvulling van het boorgat moet voldoen aan de eisen gesteld in protocol 2101. De grondwatermonstername (gebruiksregel 4) moet uitgevoerd worden door een BRL 2000 gecertificeerde partij.

Datum Referentie Pagina

2.2

29 november 2023 71298/AW/20231129 8/32

3.

Bij de melding op basis van het Bal wordt een beschrijving gevoegd met de (geohydrologische) effecten van het open bodemenergiesysteem (voor de duur van 30 jaar) op de verontreinigingssituatie.

4.

Binnen het plangebied moet minimaal één peilbuis voor grondwatermonitoring worden geplaatst en jaarlijks bemonsterd ter tijdige signalering van een grondwaterverontreiniging. Deze peilbuis wordt geplaatst op de locatie waar op basis van de natuurlijke grondwaterstroming verwacht mag worden dat verontreinigingen vanuit de dynamische zone (uit het Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer en diens opvolger onder de Omgevingswet) het snelst (minimaal op 30 jaar toetsend) het gebied instromen. Deze peilbuis heeft minstens één filter (net) onder de scheidende laag.

5.

Bij de melding moet de indiener een onderbouwing bijvoegen op welke wijze zorgvuldig rekening is gehouden met het risico op verplaatsing van verontreinigen die vallen onder het Gebiedsplan. De onderbouwing gaat in op de volgende vier fasen: ontwerp en positiekeuze, realisatie, exploitatie en beëindiging van de activiteit.

GEBRUIKSREGELS TAV DE AANVRAAG VERGUNNING BODEMENERGIESYSTEEM Bodemenergiesystemen moeten binnen de hieronder beschreven gebruiksregels en toetsingskader voor vergunningverlening worden ontworpen, gerealiseerd en geëxploiteerd. Nadere toelichting op de onderstaande gebruikersregels staat beschreven in hoofdstuk 5. 1.

Open bodemenergiesystemen moeten worden uitgevoerd als een doubletsysteem (monobronnen en recirculatiesystemen zijn niet toegestaan).

2.

Gesloten bodemenergiesystemen met verticale bodemwarmtewisselaars zijn niet toegestaan.

3.

De bronfilters van open bodemenergiesystemen zijn toegestaan in het eerste en het tweede watervoerende pakket.

4.

De warme en koude bronnen van een doubletsysteem moeten binnen de op de plankaarten in bijlage 1 (voor bodemenergiesystemen in het eerste watervoerende pakket) en 2 (voor bodemenergiesystemen in het tweede watervoerende pakket) aangegeven rode (warme bronnen) en blauwe (koude bronnen) zoekgebieden worden gepositioneerd.

5.

De bronnen in het eerste watervoerend pakket moeten geschikt zijn voor een broncapaciteit van minimaal 90 m³/uur. De bronnen in het tweede watervoerend pakket moeten geschikt zijn voor een broncapaciteit van minimaal 200 m³/uur.

6.

Binnen een zoekgebied in het eerste watervoerende pakket mag in totaal maximaal 180 m³/uur aan broncapaciteit gerealiseerd worden. Indien voor een open bodemenergiesysteem één bron binnen een zoekgebied beoogd is, moet aangetoond worden dat altijd ruimte is binnen het zoekgebied om een tweede bron binnen dit zoekgebied te realiseren met een aanvullend open bodemenergiesysteem.

Datum Referentie Pagina

29 november 2023 71298/AW/20231129 9/32

7.

Voor een bodemenergiesysteem in het tweede watervoerende pakket is monitoring en rapportering van concentraties VOCl in de bron(nen) van het bodemenergiesysteem verplicht. Het betreft een 0-meting, meting na 2 jaar en vervolgens elke 3 jaar. Het aantal en de posities van de bronnen waarin gemeten moet worden, moet afgestemd en overeengekomen worden met de gemeente, voordat de vergunning voor het open bodemenergiesysteem aangevraagd wordt.

8.

Het bodemenergiesysteem bereikt uiterlijk vijf jaar na de datum van ingebruikname een moment waarop de hoeveelheid koude die door het systeem aan de bodem is toegevoegd gelijk is aan de hoeveelheid warmte, die vanaf die datum door het systeem aan de bodem is toegevoegd. Het systeem herhaalt dit telkens uiterlijk vijf jaar na het laatste moment waarop die situatie werd bereikt.

9.

Een vergunning voor een open bodemenergiesysteem in het plangebied wordt door de provincie Utrecht alleen verleend aan de marktpartij die middels Europese aanbesteding door de gemeente wordt geselecteerd om een gebiedsgericht open bodemenergiesysteem te realiseren en exploiteren.

10. Indien het redelijkerwijs niet mogelijk is om aan alle gebruiksregels te voldoen, kan afgeweken worden van de gebruiksregels. Een onderbouwing van de afwijking moet, samen met een schriftelijke goedkeuring van de gemeente, bij de aanvraag van de Omgevingsvergunning voor het open bodemenergiesysteem gevoegd worden. Afwijken van gebruiksregel 9 is alleen mogelijk als het collectief gerealiseerd is en/of het warmtebedrijf heeft aangegeven een bepaalde positie voor bronnen niet te benutten.

Datum Referentie Pagina

29 november 2023 71298/AW/20231129 10/32

3 Algemene toelichting 3.1

PRINCIPE BODEMENERGIE Bodemenergiesystemen onttrekken en infiltreren grondwater om warmte en/of koude op te slaan in en te onttrekken uit de bodem. Deze warmte en/of koude wordt gebruikt voor de klimatisering van gebouwen of processen. Onderstaand figuur presenteert de verschillende typen bodemenergiesystemen. opslag doublet recirculatie open systeem bodemenergie

opslag monobron gesloten systeem

recirculatie

Figuur 3.1 | Overzicht bodemenergiesystemen

Hieronder worden de verschillende typen bodemenergiesystemen nader toegelicht. 3.1.1

Open en gesloten systemen Open systemen, ook wel warmte-/koudeopslag (WKO) genoemd, bestaan uit bronnen die grondwater onttrekken en infiltreren. Energie in de vorm van warmte en koude wordt opgeslagen in een ondergrondse watervoerende laag. Deze energie wordt vervolgens onttrokken om te verwarmen (in combinatie met warmtepompen) of te koelen. In de zomer wordt gekoeld met winterkoude en in de winter wordt verwarmd met zomerwarmte. Open systemen worden meestal toegepast op dieptes tussen de 20 en 250 meter beneden maaiveld. Een open systeem is wat betreft businesscase met name rendabel bij de grotere ontwikkelingen vanaf circa 50 woningen, kantoren en andere utiliteitgebouwen. Gesloten systemen, ook wel bodemwarmtewisselaars genoemd, bestaan uit flexibele kunststof lussen in de bodem waarmee warmte en koude aan de bodem wordt onttrokken door middel van geleiding. Er wordt geen grondwater onttrokken. Gesloten systemen worden over het algemeen gerealiseerd tot een diepte van circa 200 meter beneden maaiveld. Een systeem kan al interessant zijn voor één woning. Daarnaast worden gesloten systemen ook toegepast bij kleine utiliteitsbouw (scholen, kleine kantoren), maar in toenemende mate ook bij grotere ontwikkelingen, zoals kantoorgebouwen en appartementencomplexen.

3.1.2

Indeling open systemen De categorie van open systemen kan nader onderscheiden worden naar concepten met één of meer bronnen en met wél of géén opslag van de warmte of koude.

Datum Referentie Pagina

29 november 2023 71298/AW/20231129 11/32

Doublet en monobron Open systemen zijn onderverdeeld in doubletten en monobronnen. Bij een doubletsysteem worden twee bronnen horizontaal ten opzichte van elkaar geplaatst, zodat de warme en koude bellen zich naast elkaar vormen. Een monobron bestaat uit slechts één bron, waarbij twee filters op ongelijke diepte in de bodem gepositioneerd worden. Hierbij vormen de warme en koude bel zich onder elkaar. Opslagsystemen en recirculatiesystemen Bij een opslagsysteem wordt de warmte en koude opgeslagen bij de bronnen. Eén bron is de zogenoemde warme bron, de andere bron de koude bron. Deze bronnen onttrekken en infiltreren afwisselend, afhankelijk van het seizoen. Een recirculatiesysteem is een alternatief systeem dat bestaat uit een onttrekkings- en een infiltratiebron. Er is geen sprake van opslag. Er wordt namelijk continu grondwater onttrokken uit de ene bron en geïnfiltreerd in de andere bron. Met het onttrokken grondwater, met een temperatuur gelijk aan de natuurlijke grondwatertemperatuur, wordt in de zomer gekoeld en in de winter verwarmd. In Figuur 3.2 zijn de hierboven beschreven concepten schematisch weergegeven. Open: doublet (opslag)

Open: monobron (opslag)

Open: doublet (recirculatie)

Gesloten: bodemwarmtewisselaars

Figuur 3.2 | Schematische weergave verschillende varianten van bodemenergie

3.2

BODEMEIGENSCHAPPEN Het technisch functioneren van een bodemenergiesysteem is afhankelijk van een aantal bodemeigenschappen. De belangrijkste voorwaarde voor open bodemenergiesystemen is dat in de bodem een geschikte watervoerende zandlaag aanwezig is die voldoende capaciteit biedt voor de opslag van koude en warmte. Een ander aspect dat een rol speelt is grondwaterstroming. Voor open bodemenergiesystemen zijn de snelheid en de richting van de grondwaterstroming van belang bij het positioneren van de bronnen. Bij een hoge grondwaterstroming kan thermische interactie tussen de warme en koude bellen

Datum Referentie Pagina

29 november 2023 71298/AW/20231129 12/32

optreden, of kan de opgeslagen energie sneller afstromen. Dit dient in verband met rendementsverlies te worden voorkomen. Tenslotte is voor open bodemenergiesystemen de grondwaterkwaliteit van belang. De chemische samenstelling en de temperatuur van het grondwater zijn van belang voor het goed functioneren van een open systeem. Daarnaast mag een open systeem geen verzilting veroorzaken, dus moet ook gekeken worden naar de invloed op het zoet-/brak-/zoutgrensvlak. Bovengenoemde aspecten worden verder in dit hoofdstuk behandeld. Daarbij wordt aangegeven in hoeverre ze de haalbaarheid van open bodemenergiesystemen in Papendorp kunnen beïnvloeden. Elke initiatiefnemer van bodemenergie binnen het projectgebied dient zelf de benodigde onderzoeken uit te voeren om de haalbaarheid van het beoogde bodemenergiesysteem te toetsen. Onderstaande informatie is daarom ter indicatie weergegeven. Hieraan kunnen geen rechten worden ontleend. 3.2.1

Bodemopbouw De bodemopbouw in en in de directe omgeving van Papendorp is beschreven op basis van de volgende gegevens: • Grondwaterkaart van Nederland • Regionaal Geohydrologisch Informatie Systeem (REGIS) • boorbeschrijvingen uit het archief van TNO Bouw en Ondergrond via DINOLoket • boorbeschrijvingen van gerealiseerde open bodemenergiesystemen in de omgeving Op basis van deze gegevens is de bodemopbouw geschematiseerd in een aantal watervoerende pakketten en scheidende lagen. Tabel 3.1 geeft de globale bodemopbouw in het plangebied weer. Lokaal kan de bodemopbouw variëren. De lokale bodemopbouw dient bij de vergunningaanvraag voor elk individueel systeem nader te worden beschouwd. Tabel 3.1 | Bodemopbouw diepte [m-mv]*

lithologie

geohydrologische benaming

0-6

klei, leem en fijn zand

deklaag

6 – 57

matig fijn tot zeer grof zand met bijmengingen van silt en

1e watervoerend pakket

grind 57 – 80

klei en fijn zand

1e scheidende laag

80 – 155

matig grof tot zeer grof zand met enkele kleilagen

2e watervoerend pakket

> 155

klei

hydrologische basis

* m-mv = meter minus maaiveld; het maaiveld bevindt zich op circa 0,5 m-NAP

3.2.2

Bodemgeschiktheid open bodemenergiesystemen Eerste watervoerende pakket Het eerste watervoerende pakket is technisch en juridisch geschikt voor toepassing van een open bodemenergiesysteem. Ervaringen met andere projecten in de gemeente Utrecht laten zien dat er over het algemeen broncapaciteiten van 80 tot 90 m³/uur haalbaar zijn. De verwachting is dat het eerste watervoerende pakket op de projectlocatie enkele meters dikker is en de doorlatendheid hoger is dan in andere gebieden in Utrecht. Daarom zijn mogelijk op de locatie hogere broncapaciteiten haalbaar: ca. 100 - 125 m³/uur. Omdat dit onzeker is, wordt vooralsnog uitgegaan van een broncapaciteit van 90 m³/uur.

Datum Referentie Pagina

29 november 2023 71298/AW/20231129 13/32

Tweede watervoerende pakket Het tweede watervoerende pakket in dit gebied is technisch geschikt voor een open bodemenergiesysteem. Er is beperkt informatie beschikbaar over de samenstelling en doorlatendheid van het tweede watervoerende pakket, met name van het diepere deel. Op basis van de beschikbare informatie wordt verwacht dat het bovenste deel van het tweede watervoerende pakket, van circa 80 – 120 m-mv, uit matig grof tot zeer grof zand bestaat. Op basis van regionale informatie kunnen in het diepere deel, van circa 120 – 155 m-mv, ook grove zandlagen voorkomen. Op basis van de beschikbare informatie wordt een haalbare broncapaciteit van circa 150 – 250 m³/uur verwacht. 3.2.3

Bodemgeschiktheid gesloten bodemenergiesystemen De bodem is geschikt voor het toepassen van gesloten bodemenergiesystemen, waarbij de bodem tot aan de hydrologische basis het meest geschikt is. Om onderlinge thermische interferentie tussen open en gesloten bodemenergiesystemen te voorkomen moet er een verticale scheiding aangehouden worden tussen de open en gesloten bodemenergiesystemen. De open bodemenergiesystemen worden beoogd in het eerste en tweede watervoerende pakket. Vanwege de ondiepe ligging van het eerste watervoerende pakket is het niet mogelijk om een verticale scheiding tussen open en gesloten bodemenergiesystemen met verticale bodelussen aan te houden. Omdat open bodemenergiesystemen op een doelmatiger manier gebruik maken van de aanwezige energiepotentie worden de verticale gesloten bodemenergiesystemen binnen Papendorp uitgesloten.

3.2.4

Geohydrologische eigenschappen De overige geohydrologische eigenschappen die belangrijk zijn voor de toepassing van een open bodemenergiesysteem zijn weergegeven in Tabel 3.2. Tabel 3.2 | Geohydrologische eigenschappen voor een open bodemenergiesysteem parameter

toelichting

grondwaterstand

0,9 m-mv (0,8 – 1,0 m-mv) (bron: kaart grondwaterstand Utrecht)

stijghoogten

1e watervoerende pakket: 1,2 m-mv (bron: peilbuis B31H0562) 2e watervoerende pakket: 1,8 m-mv (bron: REGIS)

stromingssnelheid- en richting

1e watervoerende pakket: <10 m/jaar in zuidwestelijke richting 2e watervoerende pakket: 10 m/jaar in westelijke richting

temperatuur

12°C (eerste watervoerende pakket) tot 13°C (tweede watervoerende pakket)

redox

deklaag aanwezig, kans op redoxovergang in is klein. Aanwezige risico’s eerste watervoerende pakket: - invloed hemelwaterinfiltratie - invloed waterglas

zoet/brak/zoutgrensvlak

zoet-/brakgrensvlak: circa 200 m-mv, brak-/zoutgrensvlak: >200 m-mv, geen beinvloeding verwacht

geschikt, geen belemmering of aandachtspunt

aandachtspunt of risico

hoog risico of belemmering

Redox Een redoxgrens is een overgang van (sub)oxisch (zuurstof- en nitraatrijk, ijzerloos) grondwater naar gereduceerd (ijzerrijk en zuurstof- en nitraatloos) grondwater. Bij menging van (sub)oxisch grondwater met gereduceerd grondwater vinden redoxreacties plaats, waarbij ijzer(hydr)oxiden worden gevormd. Deze ijzer(hydr)oxiden, beter bekend als roest, zetten zich af in de bronnen, het verbindend leidingwerk en de warmtewisselaars. De neerslag van ijzer(hydr)oxiden in het grondwatersysteem leidt tot verstopping van de bronnen, wat grote nadelige gevolgen heeft voor de werking van het bodemenergiesysteem. Deze problematiek is vaak moeilijk beheersbaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=01cb8e5f-366b-4f38-8290-f85823e695e4