Agendabundel
Tekst van het document
In beide knooppunten zijn reeds gebouwen aanwezig met een hoogte tussen de 70 en 90 meter. In de (toekomstige) gebiedsuitwerkingen van deze knooppunten behoren de bestaande torens onderdeel uit te maken van het stedenbouwkundige ensemble, waarin gestreefd wordt naar een compositie van torens met verschillende hoogtes. Met deze drie gebiedstypen maken we onderscheid tussen de knooppunten en werken we aan een gelaagd stadssilhouet: zowel binnen de verschillende knooppunten als tussen de knooppunten ontstaat hiermee een ensemble van hoogtes. We borduren voort op het ‘Utrechtse’: elke buurt een eigen identiteit en herkenbaarheid in de stad. In bijzondere situaties kan incidenteel afgeweken worden van de genoemde 105, 90 en 70 meter. Dit vraagt om een specifiek (vroegtijdig) raadsbesluit. Studiegebied Rijnenburg Samen met Rijk en regio werken we aan de programmatische kaders voor Rijnenburg. Uitgangspunt is dat we met Groot Merwede, A12-zone en Rijnenburg de grootste nieuwbouwlocatie van Nederland realiseren.
ST EDENBOU W V ISIE
20
2 ST URING OP K WA L IT EIT EN L EEFB A A R HEID
Disclaimer: Deze doorsnede is onderdeel van de Stedenbouwvisie en vormt het kader voor ontwikkelingen binnen de gemeente Utrecht. Dit kader is richtinggevend en dient zowel voor de knooppunten als voor de basis plus gebieden uitgewerkt te worden in specifiek gebiedsbeleid.
Beschermd
Basis
Basis plus
Knooppunten
Bouwen en verdichten binnen een beschermd stads- en dorpsgezicht gaat altijd uit van de bestaande bouwhoogte en is passend bij de bijzondere kwaliteit en het karakter van het gebied
Accenten tot twee keer de basishoogte is het uitgangspunt. De basishoogte wordt bepaald door de hoogte van het stedenbouwkundige ensemble waartoe het accent behoort en de gemiddelde hoogte van de aangrenzende bebouwing.
Hoogbouw tot maximaal 70 meter, mits zij de stedenbouwkundige structuur van de wijk versterken
Knoop L: hoogbouw tot maximaal 70 meter Knoop L+: hoogbouw met een bandbreedte van 70 tot 90 meter Knoop XL: hoogbouw tot maximaal 105 meter
Bij initiatieven is het verplicht een ruimtelijke onderbouwing op te stellen in het Utrechts planproces.
Bij initiatieven is het verplicht een ruimtelijke onderbouwing op te stellen in Utrechts planproces.
Hoogbouwinitiatieven worden beoordeeld aan de hand van hoogbouwkaart die onderdeel uitmaakt van gebiedsbeleid. In deze hoogbouwkaart worden de toegestane hoogtes binnen de basis plus-zone op gebouwniveau uitgewerkt.
Hoogbouwinitiatieven worden beoordeeld aan de hand van een hoogbouwkaart die onderdeel uitmaakt van gebiedsbeleid. In deze hoogbouwkaart worden de toegestane hoogtes binnen het knooppunt op gebouwniveau uitgewerkt.
Utrecht hanteert vier categorieën met bijbehorende maximale bouwhoogtes
Disclaimer: Deze bouwhoogtekaart is onderdeel van de Stedenbouwvisie en vormt het kader voor ontwikkelingen binnen de gemeente Utrecht. Dit kader is richtinggevend en dient zowel voor de knooppunten als voor de basis plus gebieden uitgewerkt te worden in specifiek gebiedsbeleid.
* Studiegebied Rijnenburg
Bouwhoogtekaart
ST EDENBOU W V ISIE
22
2 ST URING OP K WA L IT EIT EN L EEFB A A R HEID
Hiervoor zijn we o.a. sterk afhankelijk van nationale investeringen en flankerende maatregelen door het Rijk. De eerste stap voor Rijnenburg is een Programmatische Verkenning, dit is een beschrijving van de resultaten van uitgevoerde onderzoeken naar mobiliteit, werken en voorzieningen, en welke thematische uitgangspunten worden gehanteerd. Daarna wordt verder gewerkt aan een Uitgangspuntennotitie waarin de uitgangspunten voor de ontwikkeling van Rijnenburg worden vastgelegd, waaronder ook de kaders voor hoogbouw. Naar verwachting wordt de Uitgangspuntennotie in 2026 vastgesteld. Gebiedsspecifieke uitwerking Er is altijd een gebiedsspecifieke uitwerking nodig voor een goede inpassing van hoogbouw in verdichtend gebied. De vlekken op de bouwhoogtekaart, Legenda Legenda die de hoogbouwzones rondom knooppunten aangeven, betekenen bebouwing niet dat er overal binnen de vlek tot 70 dan wel 105 meter gebouwdLegenda mag worden. bebouwing sport Legenda bebouwing sport Legenda De gebieden waar hoogbouw is toegestaan zijn zeer verschillend in locatie water bebouwing sport water plantsoen maar ook in ontwikkelingsfase.
Het stationsgebied en het Legenda Beurskwartier bebouwing sport water plantsoen plangrens sport Lunettenzijn volop in ontwikkeling terwijl de gebiedsontwikkeling rondom stempels water plantsoen plangrens park water bebouwing inuitwerking het groen Koningsweg en Westraven nog in een verkennende fase is. De plantsoen plangrens park bomenlaan zone infrastructuur plantsoen en het abstractieniveau van de hoogbouwzones kan per gebied en per plangrens park bomenlaan voorzieningstroken plangrens ontwikkelfase verschillen en is maatwerk. Hoogbouwinitiatieven park worden bomenlaan park beoordeeld aan de hand van een hoogbouwkaart die onderdeel uitmaakt bomenlaan bomenlaan van gebiedsbeleid, begeleid met een goede ruimtelijke onderbouwing. In de ruimtelijke onderbouwing staat onder andere de goede inpassing van hoogbouw ten opzichte van de omliggende wijken, het landschap, diverse zichtlijnen en de compositie van de torens onderling beschreven. Voor hoogbouw in en nabij het werelderfgoed Hollandse Waterlinies moet mogelijk een heritage impact assesment gemaakt worden als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De uitwerking die in gebiedsbeleid is vastgelegd is een verdere uitwerking van de bouwhoogtekaart die in deze visie is opgenomen. Op basis van de uitwerking worden initiatieven vanuit de stad getoetst. .
S
M t Toekomstige bebouwingstructuur
M
M
L
M
L
S
L
S
S M
L L
M
L
S
M
L
M
Boven: voorbeeld van een uitwerking van de toegestande bouwhoogtes in de Omgevingsvisie Kanaleneiland-Transwijk. Onder: voorbeeld van een uitwerking in een hoogbouwkaart met een duidelijke opbouw in hoogtes zoals deze in het Beurskwartier wordt gebruikt.
M
S
S
M
L L S
bebouwing sport bebouwing sport water
M S
plantsoen plangrens park plangrens park bomenlaan
M
L
S
L S
S
M
S
M
L
S S M
S
M
MM
SM MM
M
S M
S
S
S
S
S M M
M S
S M
L L
S M
M
S
S L
L
S
L M
M M
Legenda
L
M M
S L L
sport water plantsoen Legenda water plantsoen plangrens S
S
S
bebouwingL
M
S
t Toekomstige bouwhoogtes
L S SL S M
Legenda Legenda
S
S
M M
S
S
S S
S
S
L
M
L
S
MS
S S M
park bomenlaan bestaand hoogbouwaccent bomenlaan zoekgebied wijkaccent zoekgebied stedelijk accent
Omgevingsvisie Kanaleneiland en Transwijk - 69
3 Stedenbouwkundige uitgangspunten Spelregels voor stedelijke ontwikkeling
In dit hoofdstuk formuleren we stedenbouwkundige uitgangspunten die gezamenlijk de ingrediënten vormen om bij elke ruimtelijke ontwikkeling te sturen op de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid. De uitgangspunten komen voort uit, en dragen stuk voor stuk bij aan de vier waarden die uit de toekomstgesprekken naar voren zijn gekomen: de mens voorop, diversiteit en mening, ruimte voor ontmoeting en een aangename en groene leefomgeving. De uitgangspunten gelden voor de hele gemeente. Bij elke stedelijke ontwikkeling dienen deze uitgangspunten vertaald te worden naar de gebiedseigen oplossingen. De eigenheid, cultuurhistorie en beleving van een plek, is altijd het startpunt bij de vertaling van de uitgangspunten naar het gebied. Zo ontstaat van woongebied tot werkgebied maatwerk dat voortkomt uit de generieke uitgangspunten. Aan de hand van inspirerende voorbeelden uit Utrecht en andere steden wordt bij elk uitgangspunt getoond hoe het in verschillende woon- of werkgebieden toegepast kan worden. Per uitgangspunt beschrijven we het gewenste doel en geven we richtlijnen mee om tot het doel te komen. Voor de richtlijnen geldt dat een ontwikkeling hieraan moet voldoen, tenzij kan worden aangetoond dat het doel ook met een andere oplossing, met tenminste dezelfde kwaliteit, bereikt kan worden.
In de bijlagen zijn voor de verschillende uitgangspunten verwijzingen naar relevant bestaand (thematisch) beleid opgenomen.
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
24
1: Ruimte voor gemeenschappen
De buurt is voor veel mensen de plek voor de dagelijkse sociale contacten. Mensen ontlenen hun identiteit deels aan de buurt waarin ze wonen en werken. Jezelf thuis voelen hangt samen met jezelf herkennen in de mensen in jouw omgeving. Het zorgt voor veiligheid en verbondenheid. Als mensen zich thuis voelen maken ze sneller contact met elkaar, voelen ze zich in grotere mate verbonden met hun buurt en nemen gemakkelijker deel aan het leven in de stad. Verbinding met buren zorgt voor weerbaarheid, voorkomt eenzaamheid en houdt bewoners betrokken bij hun eigen leefomgeving. Een sterke gemeenschap kan als een sociaal vangnet werken bij tegenslag. Buurten met een sterke gemeenschap zijn minder anoniem en sociaal veiliger. Om je thuis te kunnen voelen in de buurt is het van belang dat je binnen de buurt een gemeenschap van gelijkgestemden kan vormen. Om ontmoeting, zowel binnen de gemeenschap als tussen gemeenschappen, te stimuleren is het nodig om op buurtniveau ruimte te geven aan het vormen van gemeenschappen door openbare ruimte, gezamenlijke ruimtes en semiopenbare ruimtes goed en inclusief in te richten. Buitenruimten in de stad zijn zoveel mogelijk opengesteld voor het publiek. Tegelijkertijd moeten bewoners, werknemers en ondernemers zich veilig en beschut voelen als ze in of rond hun woning of bedrijf verblijven.
Ook de inrichting van gebouwen kunnen spontane ontmoeting tussen bewoners of werknemers stimuleren. Als laatste is het van belang om wooncarrière binnen de wijk mogelijk te maken. Dit zorgt ervoor dat mensen langer in de wijk kunnen blijven wonen en sociale banden sterker blijven.
Richtlijnen • Maak wooncarrière binnen de wijk mogelijk. Zorg voor een gezonde mix van verschillende woningtypen op buurtniveau. • Organiseer de buurt in kleine gemeenschappen. Binnen deze gemeenschappen kennen de bewoners elkaar en voelen ze zich veilig en verbonden. Zorg dat de eenheid te herkennen is in de vorm en grootte van het bouwblok en dat ze een eigen entree heeft. Idealiter zijn deze eenheden maximaal 150 woningen groot. • Maak en behoud voldoende semi-publieke ruimtes, zoals een bibliotheek, buurthuis of een groene binnentuin, die voor een ieder toegankelijk is. Probeer deze te plaatsen op de overgangszones tussen de gebieden van verschillende gemeenschappen. Dit kunnen de plekken worden van ontmoeting tussen verschillende gemeenschappen. • Het streven is om buitenruimten zo veel mogelijk voor het publiek open te stellen, met aandacht voor veiligheid en voldoende privacy. Bij gebiedsontwikkeling moeten de afspraken worden vastgelegd die passen bij de gewenste openstelling van buitenruimten voor het publiek. • Betrek bewoners bij het (ontwerp)proces bij nieuwe projecten. Het zorgt ervoor dat bewoners zich sneller thuis voelen en zich verbonden voelen met hun woonomgeving en mede-bewoners.
• Faciliteer spontane ontmoeting en herkenning tussen bewoners binnen een gebouw middels de routing en ordening in een gebouw bijvoorbeeld via de gezamenlijke trappenhuizen, de brievenbussen en de ontsluiting naar de openbare ruimte. • Maak mogelijk dat de bewoners gedeeld eigenaarschap gaan voelen over de (semi)publieke ruimte buiten hun woning. Dit kan een gedeelde binnentuin of het groen in de straat zijn, waar de bewoners gezamenlijk zorg voor dragen.
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
25
1. Een gemeenschappelijke binnentuin is een geschikte plek voor gedeeld eigenaarschap en ontmoeting. Bewoners kunnen gebruik maken van de gedeelde kwaliteiten van de tuin waar ze gezamenlijk of individueel zorg dragen voor de plek. 2. Een semi-publieke plek, zoals bijvoorbeeld een buurthuis, vormt een verbindende schakel tussen buurtgenoten.
1
3. De gezamenlijke entree van woningen kunnen ook dienen als gemeenschappelijke ruimte waar bewoners bijeenkomsten organiseren voor buurt- of flatbewoners.
2
“Heb aandacht voor de buurt en de sterke leefgemeenschappen daarbinnen. Ga daar sensitief mee om”
4. Gedeelde ruimtes in het gebouw zijn een extensie van de privéwoning. Hier wordt collectief gespeeld, ontmoet en informeel samengeleefd in kleine gemeenschappen.
3 4
5. De (semi-) publieke ruimtes bieden ruimte voor lokale bijeenkomsten voor de gemeenschap. 6. Collectieve voorzieningen bieden gelegenheid voor (spontane) ontmoetingen. De Syp kent een gezamenlijke huiskamer in de plint van het gebouw.
4
5
6
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
26
2: Stedenbouw met een menselijke maat
Om een prettige stad te maken is een heldere structuur met voldoende samenhang en hiërarchie een basisbeginsel. Binnen dat kader geven de gebouwen vorm aan de onbebouwde ruimtes, zowel de openbare als de private. Gebouwen en bouwblokken van verschillende formaten staan ‘aan de straat’. De straat is de plek waar adressen, brievenbussen en voordeuren zich bevinden. De gevel oriënteert zich op de straat en de gebouwen hebben een bepaalde samenhang zonder allemaal hetzelfde te zijn. Daarbij gaat het niet alleen over vorm en architectuur: het programma en wat er achter de gevel gebeurt, is net zo goed belangrijk. Een leesbaar gebouw -een gebouw waarin gebruikers hun woning of werkplek kunnen aanwijzen- draagt bij aan de menselijke maat van het gebouw en het gebied. De maat, schaal en architectuur van een gebouw zijn belangrijk voor de ervaring op straat. Een lange eentonige gevel draagt niet bij aan de verblijfskwaliteit. Bij grotere bouwvolumes kan het daarom noodzakelijk zijn om het volume op te delen in verschillende eenheden. Dit kan door variatie aan te brengen in de architectuur, het bouwvolume, of door een diversiteit aan functies. Een ander middel om meer diversiteit aan te brengen in het straatbeeld is door grote kavels in kleinere delen te ontwikkelen. Hierdoor wordt het eigenaarschap verdeeld over meerdere partijen, wat kan zorgen voor meer betrokkenheid.
Richtlijnen • Ontwerp gebouwen met aandacht voor alle zijdes. Levendige kopgevels en goede hoekoplossingen zijn essentieel om een gebouw te verankeren in de buurt. Het maken van een bijzondere woningtype of functie op de hoek van een bouwblok geeft de hoek van de straat een eigen gezicht en eigen adres. • Een juiste korrelgrootte van een gebouw is afhankelijk van de locatie. Een juiste korrel kan je bereiken door te werken met verticale geleding, verspringende rooilijn, variërende hoogte en afwisselend materiaalgebruik. Het is belangrijk rekening te houden met de parcellering. Dit zorgt ervoor dat lijnen als minder lang worden ervaren. • Wissel repetitie in het bouwblok af met onderscheidende architectonische elementen voor meer reliëf en diepte in de gevel. • De kap- of dakvormen van de bebouwing van weerszijden van de straat zijn van invloed op het karakter van de openbare ruimte. Zij kunnen de straat beschutting en intimiteit geven, of juist uitstraling geven. Het zijn bouwstenen voor een levendig stadsbeeld . • De bovenlaag van de bebouwing leent zich voor een afwijkende behandeling. Door de vorm van de toplaag kan de bebouwing een eigen karakter krijgen, en creëert bovendien mogelijkheden tot gebruik, zoals groene daken, wateropvang, zonnepanelen, dakterrassen, die relevant zijn voor duurzaamheid en woonkwaliteit.
• Ontwerp aansprekende architectuur met aandacht voor detaillering. Architectuur mag uitnodigen tot gesprek.
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
27
1. Een rijke detaillering zorgt voor diepte en verfijning. Parcellering door middel van gevelopeningen of ambachtelijke metselverbanden maken lijnen optisch minder lang. 2. Verticale geleding en een wisselende repetitie in architectuur en materiaal zorgt voor een passende korrelgrootte in het gebied.
4. De functies in dit kantoorgebouw zijn vanaf de buitenzijde zichtbaar in het gebouw.
3
2
3. Een gesloten hoekoplossing zorgt voor een continue straatbeeld en biedt ruimte aan een afwijkende woning.
1
1
5. Gebouwen staan aan de straat en vormen een aangename openbare ruimte.
4
6. De bovenste laag van de bebouwing leent zich goed voor een verbijzondering. Dit zorgt voor een passende maat en schaal dat ervaren wordt vanaf de straat.
5
“Zorg voor raffinement: Utrecht is een verfijnde dame”
7. Extra aandacht voor hoeken en kopgevels in architectuur, of programma, zorgt voor een accent in de straat die van meerder kanten beleefd kan worden.
6
47
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
Hoogbouw met een menselijke maat Gebouwen die hoger zijn dan 30 meter noemen we in Utrecht hoogbouw. Hiervoor gelden aanvullende kwaliteitseisen. Hoogbouw in Utrecht wordt altijd ingebed in de omgeving en de straat. Nieuwe hoogbouw is in Utrecht nooit meer een ‘stand alone’, maar is altijd onderdeel van een groter volume of bouwblok en heeft dus een stedelijke laag. Hiermee wordt voorkomen dat de technische functies die noodzakelijk zijn om een toren te laten functioneren, bijvoorbeeld afval en (fiets)parkeren, in de openbare ruimte landen. De hoogte van de stedelijke laag is afhankelijk van de plek in de stad, maar varieert tussen de vier en acht bouwlagen. Tot deze hoogte houdt men vanuit de woningen of andere functies contact met de straat en verhoudt de bebouwing zich tot de straat. De toren wordt terugliggend ten opzichte van de stedelijke laag aangebracht. Zo wordt hoogbouw op een natuurlijke manier onderdeel van de straatwand, bovendien wordt windoverlast voorkomen (zie uitgangspunt Een aangenaam microklimaat) en ontstaat binnen hoogbouw meer ruimte voor levendige plinten, naast het oplossen van allerlei noodzakelijke functies (zie uitgangspunt Een excellente plint).
Om te voorkomen dat de grote schaal van hoogbouw anoniem, eenvormig en sociaal onvelig wordt is een substantiele menging van functies, zoals wonen, bedrijvigheid, onderwijs, buurtfuncties, et cetera verplicht. Door deze mix ontstaat er een diversiteit aan mensen en gebeurtenissen waardoor er gedurende de dag en avond veel gebeurt op straat. Tevens stimuleert het om creatiever en slimmer gebruik te maken van de beschikbare ruimte. Nieuwe hoogbouw in Utrecht wordt vormgegeven met slanke torens (op een stedelijke laag). Hiermee wordt (zon)licht en lucht in de omliggende ruimte zo veel mogelijk behouden. Ook dragen slanke torens bij aan een mooi stadssilhouet en kunnen zichtlijnen in de stad beter worden gehandhaafd. De omvang van de toren wordt bepaald door zijn functie en hoogte. Het vloeroppervlak dat nodig is om betaalbare hoogbouw te realiseren verschilt
28
per functie. Er wordt gestimuleerd om compacte torens te maken in plaats van andere gebouwvormen. Schijven zijn niet toegestaan omdat zij - aan de brede zijde - te veel het zicht ontnemen. Andere vormen (rond, driehoekig, met afgeronde hoeken) zijn goed denkbaar, het is een kwaliteit als er niet alleen rechthoekige torens gebouwd worden. Richtlijnen specifiek voor hoogbouw • Hoogbouw - gebouwen hoger dan 30 meter - heeft een bredere stedelijke laag (een groter volume of een bouwblok). Hoogbouw staat nooit op zichzelf. • De stedelijke laag is vier tot maximaal acht bouwlagen hoog. De exacte hoogte is afhankelijk van de context van het gebied en is in goede verhouding met de hoogte van de toren. • Na de stedelijke laag volgt een terugliggende laag (setback). De setback zorgt voor een menselijke maat en aangename beleving op straatniveau. De afstand van de setback staat in verhouding met de hoogte van de toren en de stedelijk laag en wordt mede bepaald door de uitkomsten van de benodigde windonderzoeken. • In de stedelijke laag van een toren is voldoende ruimte voor een goede inpassing van alle noodzakelijke voorzieningen (technische ruimten, ruimte voor afval, fietsenstalling, parkeren, etc) zodat er voldoende ruimte is voor actieve functies in de plint.
• Een substantiele menging van functies, doelgroepen en/of een variatie in (woon- of werk)types en plattegronden is gewenst in de toren (verticaal bestemmen) en verplicht op blokniveau (horizontaal bestemmen). • Bij grotere gebiedsontwikkelingen behoren torens onderdeel uit te maken van een stedenbouwkundig ensemble, waarin gestreefd wordt naar een compositie van torens met verschillende hoogtes. • Hoogbouw wordt vormgegeven met slanke torens. • Utrechtse hoogbouw wordt beeindigd door de bovenste lagen op een subtiele wijze te verbijzonderen, waarbij technische installaties uit het zicht worden weggewerkt.
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
29
1. Hoogbouw staat niet op zichzelf maar is onderdeel van een stedelijke laag. De stedelijke laag wordt met een setback onderscheiden van de rest van het gebouw. Hierdoor ontstaat een menselijke overgang van straat, naar gebouw, naar de toren. 2. De eerste 4 tot 8 bouwalgen vormen de stedelijke laag. De bovenste verdiepingen worden verbijzonderd met een weloverwogen beëindiging van het gebouw. 3. De beëindiging van het gebouw heeft een subtiele verbijzondering.
3
1
2
4. De toren krijgt een menselijke maat door opdeling in kleinere
“De Dom moet je kunnen blijven zien”
eenheden. Zo kun je gemakkeljker aanwijzen waar je woont.
4
5. De stedelijke laag is voorzien van een actieve plint met een goede binnen- buitenrelatie. De setback kan een onderscheid geven in het programma van het gebouw. 6. Hoogbouw maakt onderdeel van een groter volume en ligt terug vanaf de straat. 7. ‘Stand alone’-torens zorgen voor slecht windklimaat en een gesloten begane grond. Eindeloze repetitie van ramen dragen niet bij aan de leesbaarheid van het gebouw.
5
36
7
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
30
3: Zachte overgang publiek-privé
Een goed vormgegeven overgang van een woning naar het openbaar gebied stimuleert spontane ontmoeting. Het voorkomt dode plinten en dichte gordijnen en daarmee anonimiteit en ongewenst gedrag. De overgang tussen openbaar en privé is in veel gevallen, zoals in een typische woonstraat, de ruimte tussen de stoep en je voordeur; de intermediaire zone. De intermediaire zone kan zich ook bevinden op de galerij of in de portiek waaraan je woont. Soms bestaat de overgang uit de gedeelde ruimte waar je langs komt om je post op te halen, nadat je je auto of fiets hebt geparkeerd in de parkeergarage onder je woning. In grotere woonblokken waar veel mensen samen in een gebouw wonen is extra aandacht nodig voor waar bewoners elkaar tegen komen. Ook moeten gebouwen in de volle breedte toegankelijk zijn. In het gebouw moeten routes zo vormgegeven worden dat vanuit elke entree (ook parkeren) een ontmoetingsplek (binnentuin, hal, plein) onderdeel van die route is. Het is bijvoorbeeld onwenselijk direct vanuit de parkeergarage naar de woonverdieping te gaan. Iedere bewoner komt eerst door de hal voordat hij/zij naar de woonverdieping kan gaan. De ruimte tussen publiek en privé is de plek waar het sociale contact met je directe buren plaatsvindt.
Of dat nu in een woonstraat is of in de gemeenschappelijke hal, het is de plek waar je even een praatje maakt met je buurman of buurvrouw na het wegbrengen van het afval. Tegelijkertijd is het een plek die je, je kan toe-eigenen door er een paar bloempotten of een bankje neer te zetten. Hoewel het contact in de overgangszone soms vluchtig en kortstondig is, draagt het wel degelijk bij aan de sociale verbinding van de buurt of in het gebouw. De intermediaire zone biedt extra leefruimte en kan een zekere intimiteit en gezelligheid creëren. Daarnaast biedt het ruimte voor extra (gevel)groen in de straat.
In levendige gebieden waar veel functies, zoals winkels, horeca en kantoren, aan de openbare ruimte gelegen zijn kan de intermediaire zone ook van toegevoegde waarde zijn. Het is een zone voor koopwaar, een bankje, of een klein terrasje. Het gebruik van de buitenruimte in samenhang met hetgeen er achter de gevel gebeurt kan op een positieve manier bijdragen aan de levendigheid van de stad. Richtlijnen • Zorg voor een intermediaire zone tussen de woning en de openbare ruimte. Voor woningen direct aan de stoep of op een galerij is dit de ruimte voor de deur die mensen kunnen toe-eigenen. Voor woningen in een woonblok is dit een gemeenschappelijke ruimte, waar de bewoners langs komen voordat ze hun woning betreden. Zorg er voor dat de overgang van publiek naar semipubliek of semiprivé, naar privé stapsgewijs is. • Zorg voor een heldere afbakening van de intermediaire zone, zodat duidelijk is welk gebied door de bewoner toegeëigend kan worden. Dit kan bijvoorbeeld door subtiele verschillen in de materialisering en/of beplanting. • Voor woonblokken met een parkeergarage geldt dat de parkeergarage niet direct doorgeschakeld naar de woning mag zijn. Dit betekent dat een lift of trap vanuit de parkeergarage eerst stopt bij een gemeenschappelijke ruimte, vanuit waar de bewoners een andere lift of trap nemen naar hun eigen voordeur.
Zo kunnen bewoners elkaar tegenkomen en wordt de kans op ondermijning verkleind. • Bij projecten wordt er in de volle breedte rekening gehouden met de toegankelijkheid van het gebouw. Niet enkel rolstoeltoegankelijkheid.
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
31
1. De routing van parkeergelegenheid naar de woonruimte wordt verbonden door een gemeenschappelijke ruimte. Dit geeft ruimte aan ontmoeting en voorkomt ondermijning en anonimiteit. 2. Een duidelijke afbakening van de drempelzone zorgt voor intimiteit en een bepaalde mate van privacy
1
2
3. Brede galerijen bieden een plek voor ontmoeting en eigenaarschap.
3
4. Onvoldoende privacy zorgt - ondanks entrees en raamopeningen - voor een gesloten straatbeeld. 5. De zone voor het huis kan
4
5
toegeeigend worden door bewoners en nodigt uit voor een praatje met de buren. 6. Het gebouw en het omliggende landschap lopen in elkaar over bij het Prinses Maxima Centrum en zorgt voor een zachte overgang.
36
“Zorg voor zitplekken voor de deur”
7. De drempelzone kan ook binnen de rooilijn liggen. Dit zorgt voor meer geborgenheid. 8. Een haag zorgt voor een heldere afbakening van de openbare ruimte met de private buitenruimte en zorgt voor privacy.
7
8
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
32
4: Een excellente plint
De eerste laag (of eerste lagen) van een gebouw, de plint, is de plek waar interactie plaatsvindt tussen binnen en buiten. Plinten zijn belangrijk voor de uitstraling van een gebouw en de levendigheid en sociale veiligheid in een buurt. De beleving op ooghoogte – hoe we de ruimte ervaren als we er doorheen lopen – speelt een belangrijke rol in de waardering van de leefbaarheid op straat. Het contact tussen het gebouw en de openbare ruimte is daarbij essentieel. Een aantrekkelijke openbare ruimte is gebaat bij een goed ontworpen plint met entrees en ramen op regelmatige afstand. Hoe een goede plint eruitziet en welke functies er in de plint zitten is afhankelijk van welke plek in de stad de plint zich bevindt. Levendige en actieve plinten zijn plekken in de buurt die kunnen bijdragen aan het functioneren en de leefbaarheid van de wijk: ruimte voor kleinschalige winkels en bedrijven, ateliers voor kunstenaars en ontwerpers, buurtvoorzieningen en dienstverlening. De levendige plint zorgt voor vitale en aantrekkelijke reuringgebieden. Om maximale interactie tussen de binnen en buiten te stimuleren worden de plinten transparant ontworpen. Daarnaast is het van belang is dat plintruimtes niet worden gezien als louter een commerciële ruimte die huur oplevert, maar als een ruimte die bijdraagt aan gebruik en levendigheid van een gebouw, straat en buurt.
Een goede plint is dus niet alleen aan ontwerpopgave maar ook een beheer- en managementopgave. Ook in de rustgebieden moet nagedacht worden over goede plinten. In rustgebieden zal af en toe een levendige functie in de plint zitten, maar zal vooral de woonfunctie dominant zijn. Bij woningen in de plint is er aandacht nodig voor het ontwerp, met name in de woningplattegrond. Slaapkamers grenzend aan de straat zorgen voor dichte gordijnen en anonimiteit. Een keuken daarentegen kan juist extra ontmoeting en contact tot stand brengen. Zorg voor een directe en makkelijke relatie tussen de drempelzone en de verblijfsruimtes van de woning die er direct aan grenzen. Het gebruik
van een borstwering, in plaats van glas, zorgt voor meer privacy. Om ‘dode’ plinten te voorkomen worden garages, bergingen en technische ruimtes zo veel als mogelijk buiten het straatbeeld georganiseerd. Ze kunnen binnen een bouwblok worden geplaatst, afgezoomd met woningen of andere functies. Richtlijnen • Zorg voor een plezierige beleving op begane grond door zorgvuldige en rijke detaillering en de toepassing van tactiele materialen in de gevel. • Zorg voor variatie bij langere aaneengesloten plinten, bijvoorbeeld door meerdere entrees over de lengte van het bouwblok. Deze entrees kunnen van woningen, bedrijven of voorzieningen zijn. • Zorg ervoor dat grootschalige functies worden afgezoomd met kleinschalige units. • Indien utilitaire functies onderdeel moeten uitmaken van de plint van het gebouw (bijvoorbeeld door vereiste toegang vanaf de straat) dan bevinden deze functies zich aan de minst publieke zijde van het gebouw. Entrees naar utilitaire functies zijn mee-ontworpen binnen de architectuur van het gebouw. • Raamopeningen moeten zorgen voor voldoende uitzicht van binnen naar buiten, maar ook voldoende privacy bieden. Voorkom bij woningen het gebruik van te veel glas op de begane grond, omdat deze in de praktijk vaak worden gesloten met gordijnen. Ook de indeling van de woningplattegrond heeft invloed op het straatbeeld.
• Afhankelijk van de ligging in de stad voorziet de plint in de behoefte voor diverse functies (winkels, horeca, bedrijvigheid en maatschappelijke voorzieningen) en zorgt de diversiteit aan functies voor levendigheid gedurende de dag: in de ochtend, middag en avond. • Voor een aantrekkelijk reuringgebied met diversiteit aan voorzieningen is diversiteit aan huurprijzen van plintruimte wenselijk.
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
33
1. Een goede plint is afgestemd op een de inpandige functie waarin de beleving van binnen en buiten naadloos met elkaar verbonden is. 2. Een gesloten plint door installaties en weerspiegelende ramen met dichte gordijnen dient - vooral over langere afstand voorkomen te worden.
1
3. Een geïntegreerd bankje bij een raamopening nodigt uit tot gebruik. 4 Een afgebakende ruimte biedt winkeliers de mogelijkheid hun waar te stallen. 5. In de gevel van deze woningen is een bijzondere gevelsteen opgenomen waar staaldraden in gespannen kunnen worden. Zo kunnen bewoners hun eigen gebouw vergroenen en de detaillering draagt bij aan het aangename straatbeeld.
“Een levendige plint met ‘ogen op straat’ zorgt voor een veilig gevoel”
2
3
4
5
6. Nutsvoorzieningen maken onderdeel uit van het gebouw en zijn in de architectuur geïntegreerd. 7. Het gebruik van detail en tactiele materialen zorgen voor een fijne beleving vanaf de straat. De hoogte van de plint varieert, heeft meerdere entrees en een arcade die een brug slaan tussen gebouw en openbare ruimte.
36
7
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
34
5: Buurten nodigen uit om te lopen
Buurten in de gemeente Utrecht stimuleren inwoners om te lopen, zowel functioneel, recreatief als sportief. Dat heeft meerdere voordelen, van directe persoonlijke gezondheid tot een duurzamere omgeving; het is immers een schone en goedkope vorm van mobiliteit met een kleine ruimtevraag. Lopen heeft fysieke en mentale gezondheidseffecten en het verhoogt de leefbaarheid doordat het ontmoetingen stimuleert en de zelfredzaamheid vergroot. Daarnaast draagt het vaak bij aan de economische gezondheid van een buurt. Door de focus op de voetganger maken we ruimte in de stad, letterlijk. Meer ruimte voor groen, klimaatadaptie, spelen, bewegen, verplaatsen, verblijven en ontmoeten. Alles wat wonen in onze compacte en groeiende stad zo fijn maakt. Lopen begint bij de voordeur en wordt naast fietsen voor korte afstanden in Utrecht de meest vanzelfsprekende en aantrekkelijke manier om een bestemming te bereiken. Om een uitnodigende buurt voor voetgangers te zijn moet de ruimte zo ingericht worden dat je er ook daadwerkelijk graag wilt en kunt lopen. Om te kunnen lopen is voldoende ruimte, verkeersveiligheid en sociale veiligheid randvoorwaardelijk. Door minder auto’s in het straatbeeld een plek te geven ontstaat hiervoor ruimte. Daarnaast zijn voldoende brede stoepen en een fijnmazig netwerk, waarbij dagelijkse voorzieningen op loopafstand aanwezig zijn, van belang.
Voor de fijnmazigheid is het nodig dat de afstand tussen bouwblokken voldoende klein is. Naast het functionele netwerk is er op wijkniveau een netwerk van groene ommetjes dat vanuit ieder huis ‘om de hoek’ ligt. Barrières in het netwerk, zoals drukke straten of een spoorlijn, dienen beslecht te worden om keuzevrijheid te vergroten. Veiligheid, zowel fysiek als sociaal, wordt georganiseerd door voldoende ogen op straat en een goede bescherming tegen de fysieke gevaren van andere weggebruikers. Naast deze randvoorwaarden – de ondergrens – heeft de kwaliteit van een route een grote impact op de keuze om wel of niet te gaan lopen. De
beleving, een aantrekkelijke inrichting en comfort zijn belangrijk: denk aan voldoende groen, keuze tussen zon of schaduw, niet worden weggewaaid en voldoende rustpunten (zie de uitgangspunten een aangename openbare ruimte en een aangenaam microklimaat). Een prettige beleving op ooghoogte stimuleert lopen. Er dient daarom voldoende visuele variatie in een straat gecreëerd te worden. Het is van belang dat er aandacht is voor detaillering en materiaalgebruik van de gebouwen naast de stoep, met name in de eerste bouwlagen (zie uitgangspunt Excellente plinten). Een houvast om te zorgen voor een beloopbare buurt voor iedereen moet er gedacht worden vanuit de meest kwetsbare doelgroepen. Wanneer de openbare ruimte toegankelijk en veilig is voor kwetsbare voetgangers, zoals mensen met beperking, ouders met jonge kinderen en ouderen, dan zal deze goed beloopbaar zijn voor iedereen. Richtlijnen • Ontwerp gebouwen en buurten met de beleving voor voetgangers en fietsers centraal. • Richt routes met kwaliteit en groen in. Wandelroutes lopen zo veel als mogelijk langs groen en onder de kronen van bomen. • Stimuleer lopen door keuzevrijheid te bieden. Richt een fijnmazig netwerk in dat verschillende type plekken met elkaar verbindt. De maaswijdte van het stratenpatroon tussen bouwblokken is bij voorkeur niet groter dan 50 tot 100 meter.
• Zet in op het verbeteren van de verbinding tussen verschillende buurten en naar groenvoorzieningen door barrières te slechten. Creëer zo min mogelijk nieuwe barrières. Bij ongelijkvloerse kruisingen blijft het langzaam verkeer idealiter op maaiveld. • Lopen in de buurten is inclusief. Ontwerp vanuit de meest kwetsbare doelgroepen, zodat de ruimte voor iedereen toegankelijk, comfortabel en sociaal veilig is.
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
35
1. Routes waar de wandelaar centraal staat maken een aantrekkelijke plek in de wijk waar mensen graag een ommetje maken. 2. Fijne straten om te wandelen zijn ingericht met groen. Bomen en beplanting leveren een esthetisch bijdrage maar zorgen ook voor verkoeling tijdens warmere periodes. 3. Een wandelpad verbindt belangrijke plekken in het Werkspoorkwartier en vormt daarmee voor werknemers een aantrekkelijke route om bijvoorbeeld tijdens de lunch een ommetje te maken.
3
1
2
4. Straten waar de verhouding tussen verharding (voor auto’s) en groen en bomen uit balans is, zijn niet uitnodigend om te wandelen.
4
5. Doorgangen in een fijnmazig netwerk hebben een bepaalde maat- en schaal waardoor de route veilig voelt. Entrees van woningen maakt de beleving aangenamer.
“als je het goed doet voor mensen die minder mobiel zijn, dan doe je het goed voor iedereen”
6. Barrières zijn voor wandelaars overbrugd waardoor een aaneengesloten wandelnetwerk ontstaat.
5
36
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
36
6: Een uitnodigende openbare ruimte
De openbare ruimte is de plek waar de bewoners -zowel mens en dier- van de stad samenkomen en samenleven. Een ideale buitenruimte nodigt uit tot bewegen, verblijven, verplaatsen, sporten, spelen, ontmoeten, ontdekken, recreëren en ontspannen. Het heeft voor ieder wat wils en is door iedereen te gebruiken. Het is belangrijk dat de verblijfskwaliteit op orde is en dat de openbare ruimte voldoende beschutting biedt zodat mensen, dieren en planten kunnen samenleven. Een belangrijke functie van de openbare ruimte is het faciliteren van allerlei vormen van ontmoeting. Betekenisvolle sociale contacten zijn belangrijk voor ons welzijn en gezondheid, en ze zorgen voor leefbare buurten en wijken. Ontmoetingen vinden plaats op allerlei manieren, van kortstondige spontane ontmoetingen tot ontmoetingen die uitgroeien tot vriendschappen. Multifunctionele ruimten waar verschillende mensen (variërend in leeftijd, etniciteit, opleidingsniveau, etc.) op hetzelfde moment verschillende dingen doen, zorgen voor toevallige ontmoetingen, contact en kennismaking met elkaar. De ruimtes moeten gelegenheid bieden voor zowel gezamenlijke gebeurtenissen als individuele ontmoetingen. Het is belangrijk in een stad dat de openbare ruimte in de basis voor iedereen toegankelijk is (publiek).
Er zijn plekken waar je even kunt zitten zonder een drankje te moeten bestellen en waar je zelf je eigen broodje kunt eten. Bij een verdichtende stad neemt de druk op de openbare ruimte toe. Als er meer woningen en bedrijven worden gebouwd komen er meer fietsen, auto’s, afvalcontainers, goederenstromen, et cetera. Daarnaast vraagt de energietransitie om een enorme ruimtelijke opgave om de benodigde energievoorzieningen in te passen in nieuwe, maar ook in de bestaande buurten. Al deze ruimtevragers staan op gespannen voet met elkaar. Alle functies die niet positief bijdragen aan de uitstraling en gebruikswaarde van de openbare ruimte moeten zo veel als mogelijk inpandig worden opgelost.
Hierdoor blijft er in de openbare ruimte meer ruimte over voor de voetganger, groen in de volle grond en ruimte voor ontmoeting. Voor een goed ingerichte openbare ruimte is sturing op de ondergrond essentieel. Richtlijnen • Zorg voor duidelijk afgebakende openbare ruimte door middel van goed geplaatste en ontworpen volumes. Maak een helder netwerk van straten pleinen en plekken met een duidelijke hiërarchie. • Stimuleer in de openbare ruimte (intensief en) meervoudig ruimtegebruik door meerdere activiteiten op en rond dezelfde plek te mogelijk te maken. • Stimuleer ontmoeting tussen verschillende groepen door het programmeren van een diversiteit aan voorzieningen rond parken, pleinen en andere verblijfsgebieden. • Zorg voor helder bestemde openbare ruimte (gebruik) passend bij de context (rustige woonwijk of druk centrumgebied). • Alle utilitaire voorzieningen die behoren bij een gebouw worden geïntegreerd in het plan en liggen altijd binnen de rooilijn om de openbare ruimte te ontlasten. • Nutsvoorzieningen moeten inpandig ingepast worden om de openbare ruimte te ontlasten. Wanneer dit niet mogelijk is dan worden ze achter de rooilijn ingepast, bijvoorbeeld geclusterd met een ander gebouw of op een binnenterrein. Pas wanneer er gemotiveerd kan worden dat dit niet mogelijk is, wordt een locatie in de openbare ruimte onderzocht.
Er wordt in eerste instantie gezocht naar een verharde plek. Als er echt nergens een andere plek beschikbaar is, is het plaatsen in het groen mogelijk.
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
37
1. Een aangename zitplek faciliteert een korte stop op de route of een spontane ontmoeting. 2. De fijne openbare ruimte langs de singel nodigt uit om te sporten, verblijven en ontmoeten. 3. De benodigde nutsvoorziening is ingepast in het buurtcafe.
2
4. Een parkeerterrein op maandag is de plek voor de markt op dinsdag. Intensief en meervoudig ruimtegebruik zorgt er voor dat de plek maximaal wordt benut.
1
5. Een waterelement zorgt voor speelplezier en brengt verschillende type mensen bij elkaar. 6. Het skatepark op het Jaarbeursplein zorgt voor levendigheid en is een belangrijke ontmoetingsplek.
3
4
5
56
“Begin áltijd met het structureren en ontwerpen van de openbare ruimte”
7. De hiërarchie van het netwerk is helder onderscheiden door middel van materiaalgebruik. Aan het netwerk zijn zitplekken waar spontane ontmoetingen plaats kunnen vinden.
7
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
38
7: Gevarieerd en verbonden groenblauw
Groen in de stad is het fundament voor gezond stedelijk leven. Het zorgt voor een aantrekkelijke leefomgeving voor de inwoners van Utrecht waar mensen elkaar kunnen ontmoeten, tot rust kunnen komen, ontspannen of verkoeling zoeken. Daarnaast zorgt het voor een gezondere leefomgeving: schonere lucht, sneller herstel, een beter microklimaat en meer beweging. Groen legt CO2 vast en beperkt de gevolgen van klimaatverandering door hemelwater vast te houden, de stad te verkoelen en het ecosysteem robuuster te maken voor meer biodiversiteit. Een gezonde bodem en een goede waterkwaliteit is een belangrijke voorwaarde voor een goed functionerend groenblauw systeem. Door verdichting wordt de menselijke druk op het groen in en om de stad steeds groter. Op alle schaalniveaus wordt gewerkt aan een versterking van het groenblauwe raamwerk waarin mens, plant en dier samengaan. De mogelijkheden voor groen worden door zowel de boven- als ondergrondse ruimte beperkt. Het is daarom belangrijk om de verschillende waarden van groen en blauw met elkaar te combineren, en te koppelen aan andere functies. Op gebouwniveau kunnen daken, gevels en (verhoogde) binnenterreinen gebruikt worden als plekken om te vergroenen. Daarnaast kan door natuurinclusief te bouwen nest- en verblijfsruimte voor dieren worden gerealiseerd. Dieren, bomen, bodem en water maken ook deel uit van de stad.
Bij gebiedsontwikkeling is het essentieel dat er wordt ingezet op een gezonde stad in de brede zin. Een houvast hiervoor kan zijn om gebiedsontwikkelingen te beschouwen ‘door de ogen’ van een paar doelsoorten. Om ervoor te zorgen dat groen bijdraagt aan een aantrekkelijke leefomgeving is het essentieel dat de condities voor bomen, struiken en planten om te kunnen groeien op orde zijn.
Richtlijnen • Zorg voor een robuust groen en blauw systeem. Stem de inrichting van groen af op de waterfunctie, bodemsoort, het natuurtype en de doelsoorten die in de omgeving gewenst zijn. Gebruik een diversiteit aan soorten ten behoeve van de biodiversiteit. • Zorg voor verbonden groen. Groen op daken, gevels en in tuinen staat niet op zichzelf maar sluit zo veel als mogelijk aan bij het groen in de openbare ruimte en de stedelijke groenstructuur. Eventuele barrières worden voorzien van een passagemogelijkheid voor dieren. • Zorg dat het gerealiseerde groen aan meerdere doelen/waarden bijdraagt en combineer andere functies, zoals waterberging, zo veel mogelijk met groen. • Natuurlijke oplossingen gaan voor technische oplossingen. • Idealiter worden bomen, struiken en planten in de volle grond geplaatst. Zorg daarbij voor voldoende onder- en bovengrondse groeiruimte voor bomen, struiken en planten. Dit kan ook door uitsparingen in (de benodigde) parkeergarage. • Zorg op daken, gevels en binnentuinen voor een goede leeflaag voor groen. • Houd hemelwater vast waar het valt (minimaal 90%) en gebruik het bij voorkeur nuttig. Bijvoorbeeld als bewatering van het groen. • Voorkom (grond)wateroverlast door rekening te houden met de hoogte van het bouw- en vloerpeil van gebouwen.
• Maak gebouwen en de buitenruimte natuurinclusief bijvoorbeeld door middel van nestvoorzieningen voor soorten zoals de huismus, de gierzwaluw en de dwergvleermuis.
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
1. Een groene inrichting van de straat door bewoners zorgt voor een aangename sfeer en binding met de eigen leefomgeving.
39
“Geen voortuin is prima als er een park om de hoek is”
2. Een leeflaag met onvoldoende dikte zorgt voor schrale beplanting die onvoldoende bijdraagt aan een fijn leefklimaat voor mens en dier. 3.. Een (verhoogde) binnentuin heeft een goede leeflaag nodig voor robuust groen. Bomen, en planten die uit kunnen groeien tot hun volwassen grote zorgen voor een fijne plek voor de bewoners en de biodiversiteit.
1
1 2
4
5
4
57
4. Gevels worden benut voor groen. 5. Het duurzaam vergroenen van bedrijventerreinen maakt de vaak verharde terreinen tegelijkertijd aantrekkelijker voor werknemers, klanten en leveranciers.
3
6. De binnentuin van een van de woonblokken in de Veemarkt vormt een gedeelde groene oase die bedacht is door toekomstige bewoners. Privetuinen grenzen via een zachte overgang aan een gedeelde ruimte. 7. Verbindingswegen, zoals de Eykmanlaan, bieden ruimte voor waterberging en biodiversiteit.
2
6
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
40
8: Een aangenaam microklimaat Het weer beïnvloedt in steeds grotere mate het gebruik van onze leefomgeving. Vooral voor verblijfsplekken is een aangenaam microklimaat van belang omdat dit de plekken zijn waar veel mensen zich langdurig bevinden. Factoren die van belang zijn voor een aangenaam microklimaat zijn wind, zon, groen, schaduw en geluid. De invloed van wind kan zowel positief als negatief zijn. Een briesje kan verkoelend zijn op hete dagen, maar wind kan ook vervelend of zelfs gevaarlijk zijn. Bij de ontwikkeling van nieuwbouw, vooral als deze hoger is dan de naastliggende omgeving, moet windhinder en windgevaar voorkomen worden. Bij windgevaar kunnen windsnelheden zo hoog worden dat mensen omvergeblazen worden. Er is sprake van windhinder als op loop- of verblijfsniveau de drempelsnelheid voor windhinder te vaak wordt overschreden. Bij het meten van windhinder wordt er voor verschillende activiteiten (doorlopen, slenteren en verblijven) een drempelwaarde gedefinieerd. Afhankelijk van het type gebied en het daaraan gekoppelde activiteit kunnen strengere eisen aan het windklimaat worden gesteld. Over het algemeen zijn op plekken waar veel mensen verblijven de eisen strenger. In doorloopgebieden zijn de eisen minder hoog. Slentergbieden zitten hier tussenin. De zon werkt vaak uitnodigend en dus positief voor het maken van een aangenaam microklimaat.
In gebieden met woningen, winkels en (groene) ontmoetingsplekken ligt het onttrekken van zonlicht dan ook gevoeliger dan in gebieden met veel grootschalige infrastructuur en bedrijvigheid. Naast de effecten van bezonning op de openbare ruimte dienen ook de effecten op bestaande woningen en binnenterreinen te worden beoordeeld bij een initiatief. Naast het willen stimuleren van voldoende zonuren, wordt het steeds urgenter om hittestress te voorkomen. Het ontwerpen van voldoende groen, schaduwen het inzetten van het verkoelende effect van wind is dus net zo belangrijk. Met name in de zomer. Geluid is van grote invloed op gezondheid. Ongewenst geluid is een vaak onderschatte oorzaak van gezondheidsproblemen. Vanwege deze negatieve gezondheidseffecten wordt er gestreefd naar lage
geluidsbelasting op gevels van woningen. Per woning is één geluidsluwe gevel randvoorwaardelijk. Bewoners krijgen hiermee de mogelijkheid zich even terug te trekken van het rumoer in de stad. Om ervoor te zorgen dat bewoners van stedelijke bouwblokken geen overlast van elkaar ondervinden, door bijvoorbeeld een spelend kind op de galerij of een aantal bewoners die afspreken in de gezamenlijke binnentuin, is ook hier een goede akoestiek van wezenlijk belang. Richtlijnen • Windonderzoek is verplicht bij hoogbouw en bij grotere gebiedsontwikkelingen (500 woningen of meer). De initiatiefnemer moet vroeg en in meerdere fases van het ontwerpproces onderzoek laten doen door een gespecialiseerd bureau. Windonderzoek moet altijd uitgevoerd worden volgens de landelijke methode. Windgevaar en windhinder moeten beiden (apart) onderzocht worden. • Windgevaar is nooit toegestaan. Windhinder wordt getoetst op basis van vooraf vastgestelde windklassen per activiteit (doorlopen, slenteren of verblijven). • Windoverlast veroorzaakt door gebouwen wordt opgelost door de positionering van volumes binnen het stedenbouwkundig plan en/of de vorm van het gebouw (zoals rondingen of setbacks). Maatregelen in de openbare ruimte (zoals schermen of bomen) zijn ongewenst om windoverlast op te lossen.
• Voor hoogbouw (of gebouwen aan een representatieve openbare ruimte) moet voor het gehele gebied een zonnestudie gedaan worden waarin sunspots en representatieve ruimtes zijn aangewezen. • Neem de bezonning op woningen en bijbehorende (gezamenlijke) buitenruimte vroegtijdig mee in het ontwerp. • Voor elke ontwikkeling moet de bezonning op omliggende woningen worden uitgewerkt op basis van twee bezonningsuren per dag, met als toetsingsdatum 21 maart of 21 september. • Neem de geluidsbelasting op de gevels en de akoestiek van de verblijfsplekken vroegtijdig mee in het ontwerp van het gebouw. Elke woning heeft één geluidsluwe gevel. Verblijfsplekken zijn bijvoorbeeld een gezamenlijke binnentuin, een brede galerij of een individueel balkon.
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
41
1. Setbacks in de bouwvolumes verminderen windhinder en voorkomen dat maatregelen achteraf opgelost moeten worden in, of ten kostte van, de openbare ruimte. 2. Op het Jaarbeursplein gebruiken mensen de trap als zitplek om te genieten van de zon. 3. Het voorkomen van windhinder is belangrijk voor de veiligheid en leefbaarheid van de stad. 4. Een luifel tegen valwinden is een ongewenste oplossing, en dient voorkomen te worden.
2
3
5
6
1
5. Inzicht in geluidsbelasting en akoestiek zorgt voor een beter ontwerp van een gebouw waar gebruikers fijner kunnen verblijven. 6. Een waterelement zorgt voor verkoeling tijdens warme periodes. 7. Voldoende groen zorgt jaarrond voor een beter microklimaat. Bomen laten zon toe in de winter en beschermen tegen de zon in de zomer met hun bladerdak.
“Houd rekening met wind bij hoge gebouwen. Bij ons huidige huis kunnen we soms de voordeur amper open krijgen vanwege de wind” 4
7
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
42
9: Laat ruimte voor het onverwachte
Aan de rafelranden van de stad ‘gebeurt het’. Het zijn niet de letterlijke randen van de stad, maar de plekken waar nieuwe ideeën ontstaan, waar onderkomens goedkoop zijn en waar creatieve geesten elkaar opzoeken. Rafelranden laten zich niet plannen. Ze ontstaan juist bij het ontbreken van planning. Op plekken die langzaam hun functie verliezen, waar meer leegstand is, minder regels en daarmee ruimte voor initiatief. Een gemeente heeft behoefte aan deze goedkope, laagdrempelige plekken, waar meer vrijheid is. De creatieve en culturele sector floreert op plekken waar veel kleine nieuwe bedrijfjes zich kunnen vestigen. Vaak zorgen ze ervoor dat een vergeten plek weer op de kaart komt te staan en bij een groter publiek bekend wordt, zoals de Vechtclub XL de Merwedekanaalzone activeert en Perron E het wisselspoorgebied. De rafelrandjes van de stad dreigen vaak verloren te gaan op het moment dat de gebiedsontwikkeling start, terwijl deze onverwachte plekken vaak van meerwaarde zijn voor de buurt en de stad als geheel. Wanneer een ontwikkeling nog niet is gestart kan leegstaand vastgoed gebruikt worden voor tijdelijke initiatieven. Braakliggende kavels kunnen ingezet worden voor (tijdelijke) natuurontwikkeling of placemaking: het geven van gebruikswaarde aan de plek.
Het omarmen en het inpassen van de broedplaatsen draagt bij aan de eigenheid en identiteit van de plek en dienen zo veel mogelijk behouden te blijven, ook na de ontwikkeling. Eigenaarschap - collectief of individueel - draagt positief bij aan de ontwikkeling van de stad en zorgt voor betrokkenheid. Ruimte bieden aan (collectieve) initiatieven, zoals bijvoorbeeld (collectief) particulier opdrachtgeverschap, is belangrijk. Bewoners of andere gebruikers hebben ruimte nodig om individueel of gezamenlijk hun eigen (woon) omgeving eigen te maken. Er is plek nodig om te kunnen rommelen. Dit kan bijvoorbeeld vooraf een plek krijgen in het ontwerptraject waarbij (toekomstige) gebruikers betrokken worden bij bijvoorbeeld de inrichting van
een gezamenlijke binnentuin. Of achteraf waarin er ruimte wordt gegeven aan gebruikers om ruimte toe te eigen (zie principe zachte overgang openbaar privé). Ook de mate van flexibiliteit in de woningplattegronden speelt hierin een rol. Wanneer woonruimtes aan te passen zijn aan de eigen (veranderende) situatie dan zorgt dit voor een hogere waardering en binding met de eigen woonomgeving. Richtlijnen • Biedt ruimte voor de tijdelijke invulling van leegstaand vastgoed of lege kavels. • Behoud bestaande lokale ondernemers, broedplaatsen en andere initiatieven, zoals (collectief) particulier opdrachtgeverschap in (gebieds) ontwikkelingen zo veel mogelijk. • Behoud industriele panden, panden met erfgoedwaarden en markante gebouwen. • Zorg bij nieuwe (gebieds)ontwikkelingen voor commerciële en maatschappelijke ruimtes met verschillende huurprijzen voor een diversiteit aan aanbod. • Aanpassingen in de woningplattegrond zijn mogelijk, zodat woonruimtes aan te passen zijn aan de eigen situatie van de bewoner. • Houdt rekening met nazorg na oplevering van een project. In de eerste gebruiksfase van een project zijn altijd aanpassingen nodig, die pas naar boven komen bij het gebruik.
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
43
1. Op het Berlijnplein in Leidsche Rijn biedt het placemaking concept RAUM een bruisende plek in de wijk. 2. De binnentuin biedt de bewoners ruimte voor eigen invulling en is een plek waar men samen kan zijn. 3. Het Hof van Cartesius is een verzameling van circulaire gebouwen dat is uitgegroeid tot een proeftuin voor circulair en groen ondernemen.
1
“Organiseer ruimte om te experimenteren”
4. De culturele vrijplaats De Nijverheid is een creatieve verzamelplaats voor de creatieve sector voor experimenten, exposities en inspiratie. 5. In het wooncomplex Space-S (Eindhoven) hadden bewoners zelf invloed op de indeling van hun appartement en waren zij zelf aan zet bij het afbouwen.
2
3
4
6. Een woonstraatje waarin bewoners ruimte hebben om te rommelen en hun eigen invulling geven. 7. Het buurtcentrum Hoge Weide maakt onderdeel uit van de plint van het gebouw.
5
6
7
ST EDENBOU W V ISIE
44
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
10: Meervoudig ruimtegebruik
Door binnenstedelijke verdichting wordt de ruimte binnen de stad schaars. Slim omgaan met de ruimte, meer integraal en gebruik makend van nieuwe technologische mogelijkheden, biedt een kans. Het meervoudig gebruiken van ruimte zorgt ervoor dat er meer ruimte overblijft voor andere functies. Er ontstaat een verschuiving van het claimen van ruimte voor elke functie apart naar het combineren van functies die elkaar versterken. Meervoudig ruimtegebruik wordt gestimuleerd voor het combineren van functies in het gebouw, op het dak van een gebouw en in de aangrenzende (semi)publieke ruimte van een gebouw.
Ook in de (semi)openbare ruimte zijn veel kansen voor meervoudig ruimtegebruik. Ruimtes kunnen op verschillende tijden anders gebruikt worden. Parkeerplekken van bijvoorbeeld kantoren of sportclubs worden vaak op specifieke momenten intensief gebruikt en kunnen op andere momenten anders worden ingezet. Een ander voorbeeld is het schoolplein dat na sluitingstijd een speelplek wordt voor de buurt of het waterplein wat volloopt als het hard regent. Ook inrichtingselementen kunnen tot verschillend gebruik uitnodigen, zoals de rand van een plantenbak waarop je kunt zitten.
Het combineren van verschillende functies in een gebouw zorgt voor levendigheid in de buurt en brengt mensen in contact met voorzieningen die ze nog niet kennen. Clustering van functies kan een beeldbepalend gebouw opleveren en een duidelijke herkenbare plek voor voorzieningen in de buurt. Door voorzieningen goed te positioneren in de buurt worden mobiliteitsstromen beperkt.
Richtlijnen • Het bundelen van voorzieningen in multifunctionele accommodaties, of het mengen van functies in een gebouw (mixed-use gebouw) heeft de voorkeur boven monofunctionele ontwikkelingen. • Verschillende functies delen zoveel mogelijk dezelfde ruimte in gebouwen. Denk aan sporthallen die overdag door leerlingen van een school gebruikt worden en ’s avonds voor recreatieve doeleinden. • Private ruimtes van voorzieningen en bedrijven kunnen na openingstijden opengesteld worden voor publiek gebruik. Denk aan schoolpleinen die als speelplek kunnen dienen en parkeerterreinen die ook gebruikt kunnen worden door omwonenden. • Een dak heeft altijd ten minste twee functies. Functies die te combineren zijn, zijn ontmoeting, energie, waterberging en groen. Installaties tellen niet mee in de functiemix, maar dienen wel goed ingepast te worden.
Het dak van een gebouw vraagt extra aandacht. In het verleden werden daken vaak monofunctioneel gebruikt voor het oplossen van functionele zaken. Het dak kan een oplossing bieden voor veel ruimtevragende functies, zoals groen, waterberging, het opwekken van energie en buitenruimte. Geen dak mag onbenut blijven. Deze ‘ruimtevragers’ kunnen met elkaar gaan concurreren. We maken daarom onderscheid tussen hoger en lagergelegen daken. In hoge gebouwen kijken veel mensen op daken uit, waardoor met name de lagergelegen daken van een gebouw aantrekkelijk moeten worden vormgegeven en gebruikswaarde kunnen bieden voor mens en dier, terwijl hoger gelegen daken beter geschikt zijn om zaken als techniek, waterberging en energieopwekking op te lossen.
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
45
1. De Acamdemie 10 in Leidsche Rijn combineert een school, sporthal en verhoogd schoolplein tot een compact gebouw. 2. Door sportvelden op het dak van de IKEA te realiseren, kan zowel de winkel uitbreiden als de sport- en sociale activiteiten in de buurt behouden worden. 3. Zonnepanelen in combinatie met groen geven een meervoudige functie aan een dak.
3 1
2
4. Een schoolplein is na de lessen toegankelijk voor de hele buurt en is tegelijkertijd een groene, koele plek in de buurt. 5.Wateropvang wordt gecombineerd met een fijne openbare ruimte die uitnodigt om te spelen. 6. Het dak van een parkeergarage in Kopenhagen is een plek om te sporten en te spelen en functioneert als ontmoetingsplek voor diverse mensen.
6 4
5
7
8
7. Verharde parkeerterreinen in een bouwblok bieden geen enkel vorm van dubbelgebruik voor bijvoorbeeld spelen of groen. 8. De schaarse ruimte in de gemeente wordt niet optimaal benut door de gymzaal naast de middelbare school te positioneren.
“Vergroen de speelplekken en schoolpleinen. Zorg dat ze ook na schooltijd toegankelijk zijn”
ST EDENBOU W V ISIE
3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN
46
11: Een toekomstbestendig gebouw
De manier waarop we de gebouwde omgeving ontwikkelen en gebruiken heeft direct effect op de leefomgeving. Grondstoffen raken op en de grote hoeveelheden afval en vervuilende productieprocessen beschadigen de natuur en onze directe leefomgeving. De manier waarop we bouwen moet bijdragen aan een positieve milieu-impact tijdens de realisatie en het gebruik van de gebouwen. Om dat te bereiken moeten we vaker bestaande gebouwen renoveren of transformeren zodat we hun waarde kunnen behouden. Bij nieuwbouw maken we voornamelijk gebruik van hergebruikte en/of biobased materialen en hernieuwbare energie. Daarnaast hebben al deze (vernieuwende) manieren om te bouwen ruimtelijke consequenties: ze kunnen leiden tot een ander beeldkwaliteit en verschijningsvorm van de gebouwen dan wat we tot nu toe gewend zijn. Gebouwen hebben verschillende gebouwschillen, met elk een andere levensduur. Het is daarbij vooral van belang dat de fundering, de constructie en de schil lang meegaan, gezien de hoeveelheid grondstof die er mee gemoeid is. Het casco van gebouwen heeft de langste technische levensduur en moet voldoende overmaat in zich hebben om zonder grote ingrepen te kunnen transformeren. Binnen het casco kunnen afzonderlijke ruimtes worden samengevoegd of gesplitst om zo een andere doelgroep of functie te bedienen.
Belangrijke kenmerken van de circulaire transitie zijn het minimaliseren van het gebruik van eindige grondstoffen, het aanpasbaar maken van het gebruik van de bebouwing en zo bouwen dat het gebouw in de toekomst hoogwaardig hergebruikt kan worden. Materialen blijven in de gebruikscyclus en worden geen afval. Wanneer hout als materiaal gebruikt wordt voor het casco leidt dit tot ruimere dimensies van het casco door een combinatie van constructieve en bouwfysische eigenschappen zoals sterkte en stijfheid, brandveiligheid en akoestiek. Dit zorgt voor ruimere verdiepingshoogtes dan bij het gebruik van traditionele materialen.