Agendabundel
Tekst van het document
1.6
Niet alle opbrengst van de participatie kon worden opgenomen in de Visie stedenbouw Utrecht 2040 Tijdens de participatie voorafgaand aan het opstellen van de Visie en tijdens de zienswijze periode op de concept Visie is veel extra informatie opgehaald (wensen, zorgen, signalen, klachten). Ook informatie die om verschillende redenen buiten de 8
scope van de Visie valt. Het gaat hierbij om een waaier aan informatie. Van zorgen over de drukte in de stad, het bieden van voldoende doorstroommogelijkheden voor senioren op de woningmarkt, opmerkingen over auto- en fietsparkeren en verkeersveiligheid, klachten over bijplaatsingen van afval en suggesties voor meer aandacht voor inclusiviteit in de participatie. Waar mogelijk hebben we de suggesties opgenomen in de Visie. Wat geen plek kon krijgen is meegegeven aan de desbetreffende gemeentelijke afdelingen, programma’s of collega’s van ander (thematisch) beleid van de gemeente Utrecht. In enkele gevallen zijn indieners gewezen op andere processen, zoals de Beleidsnota Wonen. Beslispunt 2
De Hoogbouwvisie uit de Omgevingsvisie (dd.13 januari 2005) in te trekken en de Visie stedenbouw Utrecht 2040: Ruimtelijke kwaliteit in de tien-minutenstad toe te voegen aan de ‘Omgevingsvisie Utrecht’ ter aanvulling van het koersdocument ‘Utrecht Dichtbij: de tienminutenstad; Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040’ en het overzicht ‘Lijst beleidsdocumenten van de Omgevingsvisie Utrecht’ en de internetpagina https://omgevingsvisie.utrecht.nl/ hierop aan te passen.
Argumenten 2.1
De hoogbouwvisie 2005 is gebaseerd op de structuurvisie 2015-2030 uit 2004 en biedt onvoldoende houvast om de ambities uit de RSU2040 te realiseren. De hoogbouwvisie uit 2005 biedt onvoldoende houvast voor nieuwe ruimtelijke vraagstukken en helpt niet voldoende voor de realisatie van Utrecht met meer aandacht en ruimte voor groen, wonen, werken, mobiliteit en (sociaalmaatschappelijke) voorzieningen. Zo wordt in de hoogbouwvisie uit 2005 nog uitgegaan van een typologie van binnentuinen, centrale zone en brandpunten in de stad, zoals opgesteld in de structuurvisie uit 2004. Ook sluit de hoogbouwvisie uit 2005 niet aan bij de (nieuwe) keuzes voor de verdichting van de stad rondom (nieuwe) knooppunten uit de RSU2040, ofwel de polycentrische stad met vier verschillende zones in de stad, waaronder hoogbouw op de knooppunten uit de RSU.
2.1
De Visie stedenbouw Utrecht 2040 bevat stadsbrede meer algemene uitgangspunten voor de bestaande en groeiende stad, waarbij hoogbouw één van de mogelijkheden is om kwaliteit en leefbaarheid te realiseren bij ruimtelijke ontwikkelingen. We willen in Utrecht een integrale afweging van ruimtelijke en maatschappelijke ambities om een zo goed mogelijk resultaat te realiseren waarbij kwaliteit en leefbaarheid leidend zijn. De uitgangspunten uit de Visie dienen als handelingsperspectief voor de uitwerking van ruimtelijke plannen van de gemeente en initiatiefnemers. In tegenstelling tot in de hoogbouwvisie is het uitgangspunt ‘hoogbouw met de menselijke maat’ uit de Visie één van de elf uitgangspunten bij ruimtelijke ontwikkelingen en niet het uitgangspunt. De hoogbouwvisie uit 2005 bevatte louter hoogbouw specifieke uitgangspunten die onvoldoende passen bij de huidige groei van de stad, verdichting en het realiseren van verdichting en hoogbouw bij knooppunten. De Visie stedenbouw Utrecht 2040 bevat de opgedane kennis en ervaringen van de afgelopen 20 jaar en is hiermee in zekere zin ook een doorontwikkeling van het beleid uit 2005.
2.3.
De Visie stedenbouw Utrecht 2040 borduurt voort op het resultaat van jaren ervaring met ruimtelijke ontwikkeling en hoogbouw in Utrecht. Bij het opstellen van de hoogbouwvisie uit 2005 hadden we nog weinig ervaring met hoogbouw in Utrecht. Inmiddels zijn we 20 jaar verder en is er steeds meer expertise over ervaringen met hoogbouw in Utrecht en elders in het land. Met de 9
Visie borduren we voort op de geleerde lessen uit het verleden en hebben deze vastgelegd in stedenbouwkundige uitgangspunten. Met de Visie ontstaat er duidelijkheid voor alle betrokken partijen op welke wijze we in Utrecht hoogbouw wenselijk vinden en daarmee worden het ontwerpproces en besluitvorming versneld omdat er minder ruimte is voor discussie over de basisprincipes. We beogen hiermee de doorlooptijd van projecten te verkorten. 2.4
Met het toevoegen van de Visie stedenbouw Utrecht 2040 ter vervanging van de hoogbouwvisie 2005 blijft de Omgevingsvisie actueel. In de RSU 2040 staat verwoord op welke manier we de ambities op de grote ruimtelijke vraagstukken voor de stad, nu en in de toekomst willen realiseren. We willen verdichten, op de knooppunten, maar niet ten koste van alles en ook niet overal. Met de Visie bieden we uitgangspunten voor wat er in Utrecht onder leefbaarheid en kwaliteit wordt verstaan, voor zowel de bestaande als de groeiende stad. Hierbij geven we o.a. aan welke maat en dichtheid we passend vinden bij ruimtelijke ontwikkelingen en ook hoe we de kwaliteit van de bestaande stad versterken. In de RSU 2040 is een hoogbouwkaart opgenomen en de Visie bevat een uitwerking van de maximale hoogtes per knooppunt, waarbij gezocht is naar de verschijningsvorm die past bij de identiteit en het stedenbouwkundige karakter van het gebied. De keuze voor hoogbouw is niet vanzelfsprekend en vraagt altijd om een zorgvuldige afweging. De Visie demonstreert dat hoogbouw een rol kan vervullen bij het bereiken van de gewenste verdichting in de aangewezen knooppunten, met behoud van kwaliteit en leefbaarheid. De Visie is een aanvulling op Ruimtelijke Strategie 2040, ‘Utrecht dichtbij: de tienminutenstad’ (hierna RSU 2040) en de oplegger.
Samen met de RSU 2040 vormt de Visie het richtinggevende kwaliteitskader en door deze toe te voegen aan de Omgevingsvisie zorgen we dat de ruimtelijke ontwikkeling in Utrecht op de langere termijn bijdraagt aan een leefbare, aantrekkelijke, gezonde stad voor iedereen. De stedenbouwkundige uitgangspunten vormen de basis voor verdere uitwerking van het ruimtelijk beleid, projecten en eventueel benodigde aanpassingen van het omgevingsplan.
2.4
Op deze manier leggen we de Visie stedenbouw Utrecht 2040 als onderdeel van de omgevingsvisie vast In lijn met De Utrechtse Standaard heeft dit visiedocument de status van visie. De Visie stedenbouw Utrecht 2040 is onderdeel van de Omgevingsvisie Utrecht omdat het beleid gaat over het fysieke domein.
Kanttekeningen/Risico’s 2.1
Het intrekken van de hoogbouwvisie 2005 zorgt ervoor dat er voor Utrecht minder specifiek beleid is gericht op hoogbouw en dat de uitgangspunten voor hoogbouw uitgewerkt worden in de project- of gebiedsuitwerking. De hoogbouwvisie uit 2005 beschrijft met name op welke manier hoogbouw kan bijdragen aan de stad, de locatie waar hoogbouw gewenst is en wat bijbehorende maximale hoogtes zijn. Bepaalde aandacht gaat uit naar de zichtlijnen op de Domtoren. In de hoogbouwvisie uit 2005 is er echter minimaal aandacht voor de beoogde kwaliteit van hoogbouw. Met de keuze voor een Visie die breder is dan enkel hoogbouw, is er minder ruimte voor specifieke regels die puur gericht zijn op hoogbouw. In het uitgangspunt ‘hoogbouw met een menselijke maat’ worden enkele richtlijnen meegegeven voor kwalitatieve hoogbouw in Utrecht. Specifiekere regels dienen opgenomen te worden in de uitwerking van de ruimtelijke ontwikkeling – per gebied of per project.
10
Met de principes en uitgangspunten in de Visie hebben we voldoende handvatten om ervoor te zorgen dat de wenselijkheid van hoogbouw op een bepaalde plek zorgvuldig wordt afgewogen en bieden we voldoende handvatten om te sturen op de gewenste kwaliteit van hoge gebouwen.
11
Financiën De kosten (€ 0,7 miljoen) voor het opstellen van de Visie stedenbouw Utrecht 2040 zijn gedekt in de Programmabegroting in het programma Ontwikkelen en Wonen voor iedereen, onderdeel Strategie, Lobby en Stedelijke Sturing. Voor ruimtelijk beleid verloopt de toekenning van financiële middelen voor een belangrijk deel via de integrale afweging in het MPR, als onderlegger bij de Voorjaarsnota. Daarnaast werkt ruimtelijk beleid ook als een handelingsperspectief voor initiatiefnemers in het fysiek domein. De investeringen die hiermee gepaard gaan zijn vooraf niet te garanderen bij vaststelling van beleid. Een definitieve dekking is daarmee bij vaststelling van beleid vaak niet (volledig) mogelijk. De Visie is een toevoeging aan de RSU2040 en doet geen aanpassingen aan de programmatische uitspraken uit de RSU2040, de prioritering van de knooppunten en/of de planologische opgaven van de stad. Investeringsopgave Uitvoering van de RSU gaat gepaard met een grote publieke investeringsopgave, ook in de fasen 1 tot en met 3 (de periode tot circa 2035). Voor een deel van deze investeringsopgave is in de meerjaren programmabegroting al financiële ruimte bestemd. Voor het ander deel is nog geen dekking beschikbaar. Voor uitbreidingsinvesteringen na 2030 zijn er nog geen middelen in de programmabegroting opgenomen.
Ook is er nog geen informatie beschikbaar over de mogelijkheden van de inzet van de Nota kostenverhaal bovenwijkse voorzieningen en groeimiddelen voor toekomstige projecten. De enige nu specifieke beschikbare inkomstenbron die ingezet kan worden om uitgaven te dekken zijn de middelen voor de vervangingsopgave riolering en wegonderhoud. Om de resterende opgave te overbruggen passen we diverse strategieën toe, die per opgave en per project op verschillende manieren kunnen worden gecombineerd. De voornaamste strategieën zijn (in willekeurige volgorde): - Baathebbers betalen mee (gebruikers en/of ontwikkelende partijen, bijvoorbeeld via kostenverhaal voor bovenwijkse voorzieningen) - Inzet van toekomstige extra inkomsten uit gemeentefonds en ozb (“Groeikader”) - Inkomsten uit woningbouw en gebiedsontwikkeling (denk aan: grondexploitaties, erfpacht) - (Aanvullende) bijdragen van andere overheden - Bijsturing in projecten en/of combineren van investeringen met andere opgaven (bijvoorbeeld werken met werk). - Temporiseren van ambities en investeringen door prioritering en afwegen van keuzes. De toepassing van de ambities uit de Visie beïnvloedt de financiële haalbaarheid van projecten en opgaven. In de toekomst zal steeds per project en opgave moeten worden afgewogen in hoeverre deze ambities kunnen worden toegepast.
Daarbij is het op dat moment beschikbare financieel kader, zoals opgenomen in de meerjaren programmabegroting, randvoorwaardelijk. Derden De realisatie van de doelstellingen is naast de gemeentelijke beschikbare middelen ook afhankelijk van de mate en snelheid waarin door initiatiefnemers ontwikkeld wordt. Voor de grote publieke investeringsopgave zijn we ook afhankelijk van steun van en samenwerking met onze partners bij het Rijk, provincie en regio. We verkennen permanent de mogelijkheden om een beroep te doen op subsidies van Rijk, provincie en Europa.
Vervolg De Visie stedenbouw Utrecht 2040 wordt na vaststelling toegevoegd aan de Omgevingsvisie Utrecht. Deze omgevingsvisie is geen uitvoeringsplan met een budget. Het is een toekomstvisie die de kansen en ambities beschrijft voor de doorontwikkeling van de Utrecht. De visie maakt deze (bouw)plannen planologisch nog niet mogelijk. Deze kaderstellende visie geeft invulling aan onze rol en bijdrage als gemeente Utrecht aan de ontwikkeling van de verdichtende stad met behoud en versterking van kwaliteit en leefbaarheid vanuit stedenbouwkundig perspectief. De visie werkt door in thematisch beleid, in gebiedsbeleid en in
12
projecten. Aan elk (bouw)plan dat past binnen de bedoeling van Visie stedenbouw Utrecht 2040 kan het college en of de raad haar medewerking geven. De ontwikkeling volgt dan zoals gebruikelijk het Utrechts Planproces Gebiedsontwikkeling waarvan participatie onderdeel uitmaakt. Uiteindelijk realiseren we de ruimtelijke projecten en gebiedsontwikkelingen samen met onze partners voor onze inwoners, ondernemers en bezoekers en doen we dit samen met het Rijk, de provincie en de regio. Met de RSU 2040 en deze Visie stedenbouw omarmen we de diversiteit van buurten en wijken in Utrecht en hun verschillende identiteiten. In de bestaande woonwijken is op veel plekken rust en behoud van bestaande kwaliteiten belangrijk. In de (in voorbereiding zijnde) Nota Omgevingskwaliteit wordt per bestaand gebied het karakter beschreven en de bijbehorende aandachtspunten.
Samen stad maken (voorheen: Participatie) Voor de totstandkoming van de Visie is samengewerkt met Utrechters. Concreet is dit gedaan door middel van verschillende stappen: Een campagne met uitingen in de stad en online die verleiden om een digitale enquête te bekijken. Met behulp van deze digitale enquête en straatinterviews is opgehaald wat Utrechters belangrijk vinden voor de ruimtelijke ontwikkeling van de stad. Dit deden we aan de hand van de laagdrempelige onderzoekstool Swipocratie. Op twaalf verschillende locaties, verspreid over de 10 wijken van de stad, zijn interviews afgenomen. Ruim 4.600 mensen hebben met behulp van een digitale enquête en 553 straatinterviews aangegeven wat zij belangrijk vinden voor de toekomstige inrichting van Utrecht. Vervolgens zijn op allerlei manieren en momenten met (groepen) Utrechters verdiepende gesprekken gevoerd over bovenstaande vragen. De gesprekken vonden plaats op verschillende locaties en manieren, met een mix van prikkelende en uitnodigende vormen voor iedereen. Hierbij hebben we samen met Utrechters onderzocht wat we allemaal onder leefbaarheid en kwaliteit verstaan. Uit alle gesprekken zijn vier overkoepelende waarden naar voren gekomen die Utrechters belangrijk vinden bij het ontwikkelen en inrichten van een leefbare stad.
Deze waarden komen terug in de stedenbouwkundige uitgangspunten in de Visie en vormen de basis voor de toekomstige ontwikkeling en inrichting van een leefbare stad. Er zijn drie themagesprekken gevoerd met uw raad. In deze gesprekken zijn de raadsleden stapsgewijs meegenomen in de opzet van de Visie stedenbouw. Waarbij de mogelijkheid was om ideeën dan wel zorgen die leven bij uw raad als het gaat over de leefbaarheid en kwaliteit in de stad te benoemen. Meer informatie over de samenwerking met Utrechters is te vinden in de Visie. Via www.utrecht.nl/stedenbouwvisie kunt u de enquêteresultaten en alle gespreksverslagen lezen.
Communicatie Het vaststellingsbesluit van de Visie stedenbouw Utrecht 2040 wordt gepubliceerd in het gemeenteblad van de gemeente Utrecht. Indieners van een zienswijze krijgen persoonlijk antwoord op hun zienswijze. De definitieve Visie stedenbouw Utrecht 2040 wordt gepubliceerd op de internetpagina https://omgevingsvisieutrecht.nl. Eerder communiceerden we via verschillende communicatiekanalen intern en extern over de ontwerp Visie stedenbouw Utrecht 2040, de periode van de terinzagelegging en het vervolg. Denk aan: - Een melding in het gemeenteblad via www.overheid.nl. - Berichtgeving op de gemeentelijke website www.utrecht.nl, - Berichtgeving op participatieplatform www.denkmee.utrecht.nl - De gemeentelijke digitale nieuwsbrief van 17 oktober 2024; - Persbericht - Sociale mediakanalen van de gemeente; - Alle deelnemers aan de toekomstgesprekken die hun emailadres hebben achtergelaten zijn geïnformeerd over de start van de inspraakperiode. Zij ontvingen ook een digitale samenvatting van de ontwerp Visie; - Berichtgeving via intranet; - Lunchlezing voor collega’s.
13
Verder organiseerden we een fietstocht met journalisten van NRC, RTV Utrecht, DUIC en wethouder Eerenberg en een stedenbouwkundige om toelichting te geven over de ontwerp Visie, de inspraakperiode en het vervolg.
Referendabel De Verordening raadgevend referendum gemeente Utrecht is van toepassing.
Bijlagen Bijlagen besluitvorming - Visie stedenbouw Utrecht 2040 Bijlagen informatief - Reactienota Visie stedenbouw Utrecht 2040 - Infographic resultaten Swipocratie ronde 1 - Uitgebreide uitkomsten Swipocratie ronde 1 - Beeldverslag toekomstgesprekken ronde 1 - Beeldverslag toekomstgesprekken ronde 2 - Verslag toekomstgesprekken ronde 2 - Verslag commissie omgevingskwaliteit 11 juni 2024
14
Ruimtelijke kwaliteit in de tien-minutenstad
Visie stedenbouw Utrecht 2040 Stedenbouwkundige uitgangspunten voor kwaliteit en leefbaarheid
omgevingsvisie.utrecht.nl
2
Colofon
Gemeente Utrecht en De Zwarte Hond Januari 2025 Bestuurlijk opdrachtgever Eelco Eerenberg Ambtelijk opdrachtgever Edwin Koster Vormgeving Gemeente Utrecht en De Zwarte Hond Projectteam
Projectteam Toekomstgesprekken
Luc Mes Bart de Jong Sanneke van Wijk Ties Beekman Vincent Peters Jeroen Woestenburg Tom Spanjaard Anne Diepenbroek Clemencia Yard Daan Zandbelt (De Zwarte Hond) Jan-Maarten van Hemert (De Zwarte Hond) Floor van Dijk (De Zwarte Hond)
Yfke Faber Bart de Jong Isaac Puijk Irene Willems Alette Borman Sanneke van Wijk Vincent Peters Merel van Ekdom Suzy Koot (Bureau Lokahi) Marion van der Voort (Bureau voor Gebiedscommunicatie)
Niets uit deze rapportage mag worden overgenomen zonder bronvermelding. Eventueel rechthebbenden op gebruik beeldmateriaal kunnen contact opnemen met de gemeente Utrecht.
ST EDENBOU W V ISIE
INHOUD
3
Inhoud
A 4 4 4 5 6 6 7
1
Inleiding 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6
B 8
8 10 15 17
23 24 26
Aanleiding Wat is het doel van dit document? Hoe is het document tot stand gekomen? Voor wie is dit document en hoe gaan we het gebruiken? Status van dit document Leeswijzer
2
30 32 34 36 38 40 42 44 46
3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.11
Zachte overgang publiek-privé Een excellente plint Buurten nodigen uit om te lopen Een uitnodigende openbare ruimte Gevarieerd en verbonden groenblauw Een aangenaam microklimaat Ruimte voor het onverwachte Meervoudig ruimtegebruik Een toekomstbestendig gebouw
C
48
4
Hoe nu verder?
Sturing op kwaliteit en leefbaarheid 2.1 2.2 2.3 2.4
Identiteit van Utrecht Dynamiek van Utrecht Verdichting Hoogtes
3
Stedenbouwkundige uitgangspunten 3.1 3.2
Ruimte voor gemeenschappen Stedenbouw met een menselijke maat
Bijlagen 49 54 61
1. 2. 3.
Toekomstgesprekken De Utrechtse Praktijk Relevant beleid
63 64
Begrippenlijst Afbeeldingen
ST EDENBOU W V ISIE
4
1 INL EIDING
1 Inleiding
1.1
Aanleiding
In de Ruimtelijke Strategie 2040, ‘Utrecht dichtbij: de tien-minutenstad’ (hierna RSU 2040) staan de ambities die de gemeente Utrecht heeft op de grote ruimtelijke vraagstukken voor de stad, nu en in de toekomst. Het geeft een beeld hoe we de stad in de toekomst voor ons zien met aandacht en ruimte voor groen, wonen, werken, mobiliteit en (sociaal- maatschappelijke) voorzieningen. Ook beschrijft de RSU 2040 hoe Utrecht zich kan ontwikkelen tot tien-minutenstad. In een verdichtende stad is het behouden van kwaliteit en leefbaarheid van groot belang. We willen verdichten, maar niet ten koste van alles en ook niet overal. Onze historische binnenstad blijft het hart van de stad. Dat koesteren en behouden we. Net als veel dorpen en wijken en de landschappen rond de stad. Dat is een van de redenen om extra centra te ontwikkelen op andere plekken in de stad. Die centra noemen we knooppunten. De plaats waar openbaar vervoer en wegen bij elkaar komen. Rond deze knooppunten willen we woningen en kantoren bouwen, met daarin allerlei voorzieningen, zoals winkels, sportgelegenheden en zorginstellingen. Dit heeft als voordeel dat er meer voorzieningen voor meer Utrechters dichterbij zijn. Zaken die je elke dag of vaak nodig hebt zijn dan ongeveer op 10 minuten van je woon-of werkplek.
Met openbaar vervoer, fiets of lopend ben je dan sneller waar je moet zijn en dit scheelt veel bewegingen in de stad
1.2
Wat is het doel van dit document?
Hoe kunnen we als Utrecht blijven groeien met meer woningen, werkgelegenheid en (groen)voorzieningen en er tegelijkertijd voor zorgen dat Utrecht een prettige stad blijft waar inwoners en andere gebruikers op hun gemak zijn? Hoe houden we rekening met het karakter en de dynamiek van de verschillende delen van de stad en de bouwhoogtes die daarbij passen? En op welke manier ontwikkelt Utrecht zich niet alleen voor de toekomstige Utrechter, maar ook voor de huidige Utrechtse inwoners en ondernemers? Tot 2040 wordt het aantal woningen en werkplekken in Utrecht met circa 30% vergroot. Wat we bouwen – en met welke kwaliteit – heeft grote impact op de gehele stad. Met dit document bieden we uitgangspunten voor wat er in Utrecht onder leefbaarheid en kwaliteit wordt verstaan, voor zowel de bestaande als de groeiende stad. • •
•
We geven aan welke maat en welke dichtheid passend is bij ruimtelijke ontwikkelingen in Utrecht. Ook zetten we uiteen wat de maximaal toegestane bouwhoogtes op welke plek in de stad zijn. Dit biedt ruimte om de kwaliteiten van de bestaande stad te versterken en ruimtelijke ontwikkelingen toe te staan waar deze mogelijk zijn. De diversiteit in Utrecht koesteren we. Ieder dorp, wijk of buurt in Utrecht is anders.
ST EDENBOU W V ISIE
• •
•
1 INL EIDING
5
We borduren voort op successen en geleerde lessen uit het verleden en leggen dit vast in stedenbouwkundige uitgangspunten. In de gemeente ontwikkelen we steeds meer expertise, ontstaat er duidelijkheid voor alle betrokken partijen en wordt het ontwerpproces en besluitvorming versneld omdat er minder ruimte is voor discussie over de basisprincipes. We beogen de doorlooptijd van projecten te verkorten. Naast aandacht voor kwaliteit en leefbaarheid is het doel ook om integraliteit te borgen en handvatten te bieden om abstract (sociaal) beleid te vertalen naar de fysieke leefomgeving.
Dit document vorm een richtinggevend kader voor de stedelijke omgeving. Samen met de RSU 2040 vormt dit document het startpunt om vroegtijdig het gesprek te voeren over de beoogde kwaliteit en leefbaarheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit alles met als doel om ervoor te zorgen dat elke ruimtelijke ontwikkeling, groot of klein, de kwaliteit en leefbaarheid in Utrecht verbetert.
1.3
Hoe is het document tot stand gekomen?
Met behulp van een digitale enquête en straatinterviews is opgehaald wat Utrechters belangrijk vinden voor de ruimtelijke ontwikkeling van de stad. Dit deden we aan de hand van de laagdrempelige onderzoekstool Swipocratie. Op twaalf verschillende locaties, verspreid over de 10 wijken van de stad, zijn interviews afgenomen. Ruim 4.600 mensen hebben met behulp van een digitale enquête en 553 straatinterviews aangegeven wat zij belangrijk vinden voor de toekomstige inrichting van Utrecht. Vervolgens zijn op allerlei manieren en momenten met (groepen) Utrechters verdiepende gesprekken gevoerd over leefbaarheid en kwaliteit in de stad en specifiek over hun eigen buurt. De gesprekken vonden plaats op verschillende locaties en manieren, met een mix van prikkelende en uitnodigende vormen voor iedereen. Hierbij hebben we samen met Utrechters onderzocht wat we allemaal onder leefbaarheid en kwaliteit verstaan.
Boven: Fragmenten uit beeldverslag verdiepende gesprekken Beneden: Beeldverslag uitkomsten digitale enquete
ST EDENBOU W V ISIE
Uit alle gesprekken zijn vier overkoepelende waarden naar voren gekomen die Utrechters belangrijk vinden bij het ontwikkelen en inrichten van een leefbare stad. Deze waarden komen terug in de stedenbouwkundige uitgangspunten in hoofdstuk 3 en vormen de basis voor de toekomstige ontwikkeling en inrichting van een leefbare stad. Het gaat om de vier waarden: •
• • •
De mens voorop: zet de mens voorop bij het ontwerpen van gebouwen en omgeving. Maak voorzieningen op loopafstand en toegankelijk voor iedereen. Laat Utrechters meedoen met het ontwerpen en inrichten van hun omgeving. Diversiteit en menging: behoud het eigen karakter van dorpen, wijken en buurten. Creëer diversiteit in soorten woningen en voorzieningen. Zorg voor rustig wonen en levendigheid dichtbij. Ruimte voor ontmoeting: zorg dat de ruimte in en om gebouwen fijn en veilig is, met plekken waar mensen kunnen samenkomen. Dat zorgt voor onderlinge verbondenheid en sociaal contact. Aangename en groene leefomgeving: richt de beschikbare ruimte zo groen en zo gevarieerd mogelijk in. Heb aandacht voor klimaatverandering, zon en wind. Groen zorgt voor een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving
In bijlage 1 is meer te lezen over de opbrengsten van de participatie en de wijze waarop de opbrengsten van de digitale enquête, straatinterviews en verdiepende gesprekken in dit document zijn verwerkt. De opbrengsten die geen plek hebben gekregen in dit document zijn gedeeld met de betreffende thematisch beleidsvelden binnen de gemeente Utrecht.
1.4
6
1 INL EIDING
Voor wie is dit document en hoe gaan we het gebruiken?
De ontwikkeling van de stad doen we voor de inwoners, ondernemers en bezoekers van Utrecht. Hierbij kunnen we niet zonder steun van onze partners bij het Rijk, provincie en regio. Gebiedsontwikkeling is een proces van lange adem met een steeds toenemende complexiteit, door meer maatschappelijke vraagstukken en ambities, druk op de financiële
haalbaarheid en aandacht voor samenwerking met Utrechters. De ruimtelijke projecten en gebiedsontwikkeling van Utrecht realiseert de gemeente Utrecht samen met haar partners en inwoners. De ontwikkeling van de stad wordt niet alleen bepaald door de richting die we uitzetten en hoe we hier samen vorm aan geven. We kunnen met hetzelfde geld steeds minder doen doordat alles duurder wordt. Door de stijgende bouwkosten, rente en inflatie, de energiecrisis en de overbelasting van het elektriciteitsnet hebben we zorgen over het opstarten en realiseren van nieuwe ontwikkelingen in de stad. Dit alles heeft directe invloed op de manier waarop en het tempo waarmee de stad zich ontwikkelt. Dit document ondersteunt stedenbouwkundigen, gebiedsregisseurs en thematische adviseurs om in gesprek te gaan met de bewoners, ontwikkelaars, vastgoedeigenaren en anderen over de stedenbouwkundige kwaliteiten en uitgangspunten die in Utrecht belangrijk zijn. Voor de gemeenteraad en het college B&W van de gemeente Utrecht dient dit document als strategisch en richtinggevende document om richting te geven aan kwaliteit en leefbaarheid bij de ruimtelijke en stedelijke ontwikkeling van de stad.
1.5
Status van dit document
De RSU 2040 is onderdeel van de omgevingsvisie Utrecht, de ‘koers’ van Utrecht. Dat is het beleid voor de lange termijn: de stip op de horizon. De koers van Utrecht bestaat momenteel uit de volgende documenten: RSU2040 en de oplegger RSU2040, Leefbare stad en maatschappelijke voorzieningen en Samen gezondheidsverschillen verkleinen, beleidsnota Gezondheid 2024-2027 De RSU 2040 is een visiedocument, een leidraad en dus geen dichtgetimmerd plan. Dit document is een toevoeging aan de RSU2040 en heeft diezelfde status. Het is een visie op de ontwikkeling van de verdichtende stad met behoud en versterking van kwaliteit en leefbaarheid vanuit stedenbouwkundig perspectief. Deze visie werkt door in thematisch beleid (bijv. Beleidsnota Omgevingskwaliteit), in gebiedsbeleid en in projecten. Bij de uitwerking van ruimtelijke ontwikkelingen in de gebieden
ST EDENBOU W V ISIE
1 INL EIDING
7
en projecten dient deze visie te worden gevolgd, maar mochten de omstandigheden om meer maatwerk vragen dan kan er gemotiveerd afgeweken worden. De visie heeft geen invloed op bouwhoogtes die eerder planologisch mogelijk zijn gemaakt. Na vaststelling van dit document door de gemeenteraad wordt deze visie toegevoegd aan de Koers van Utrecht. Dit document vervangt de RSU 2040 dus niet, maar vult deze aan. Samen met de RSU 2040 vormt dit het richtinggevende kwaliteitskader waarmee we zorgen dat de ruimtelijke ontwikkeling in Utrecht op de langere termijn bijdraagt aan een leefbare, aantrekkelijke, gezonde stad voor iedereen. De stedenbouwkundige uitgangspunten vormen de basis voor verdere uitwerking van het ruimtelijk beleid, projecten en eventueel benodigde aanpassingen van het omgevingsplan. Met de vaststelling van dit document door de gemeenteraad kan de hoogbouwvisie van 13 januari 2005 worden ingetrokken.
1.6
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 benoemen we de drie manieren waarop we sturen op de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid in de gemeente Utrecht. Ten eerste door aandacht voor de waardering van de identiteit en diversiteit van Utrecht. Met aandacht voor de verschillen tussen knooppunten, de bestaande stad en de beschermde stad- en dorpsgezichten. Ten tweede via de mate van rust en drukte in de stad. Dit doen we door gebieden in te delen op basis van rust, reuring en ruis. Dit is geen blauwdruk, maar wel richtinggevend voor diverse programma’s en activiteiten in de stad. Ten derde stuurt de Stedenbouwvisie – in aanvulling op de RSU2040 - op de mate en soort van verdichting.
Status van dit document
In hoofdstuk 3 formuleren we 11 uitgangspunten die gezamenlijk de ingrediënten vormen om bij elke ruimtelijke ontwikkeling te sturen op de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid. De uitgangspunten komen voort uit, en dragen stuk voor stuk bij aan de vier waarden die uit de participatie naar voren zijn gekomen. In hoofdstuk 4 schetsen we hoe we na vaststelling van dit document werken aan de realisatie van onze ambities. Aan het einde van het document is een begrippenlijst opgenomen waarin vaktermen worden uitgelegd..
ST EDENBOU W V ISIE
88
2 ST URING OP K WA L IT EIT EN L EEFB A A R HEID
2 Sturing op kwaliteit en leefbaarheid De identiteit, dynamiek en dichtheid vormt de context voor stedelijke ontwikkeling
Utrecht is een gemeente met een rijke geschiedenis. De inwoners van Utrecht zijn verdeeld over vier woonplaatsen en tien verschillende wijken. Wat de identiteit van Utrecht is, is hierdoor voor iedereen anders. De vijf ruimtelijke kwaliteiten1 zoals benoemd in de RSU2040 zijn een belangrijk onderdeel van deze identiteit, maar zijn te abstract om hier voldoende op te kunnen sturen. We omschrijven daarom welke kenmerken bijdragen aan de identiteit van een plek en uitgangspunt zijn bij de ontwikkeling van een locatie, zowel voor de grotere gebiedsontwikkelingen als de kleinere projecten.
hoogtes op verschillende plekken in de stad. Hoe mensen hoogte ervaren is vaak afhankelijk van de plek en de vormgeving van het gebouw en vraagt daarom om een zorgvuldige afweging.
De combinatie van rust en reuring is de kracht van Utrecht en juist die kracht willen we behouden bij het ontwikkelen van de stad. Uit de gesprekken met Utrechters komt de roep om de stad te ontwerpen vanuit de balans in de dynamiek van de stad. Dit doen we door meer te sturen op basis van het onderscheid tussen rust, reuring en ruis. Dit geeft richting aan de manier waarop een plek wordt gebruikt door Utrechters. De gewenste ruimtelijke kwaliteit kan hierdoor verschillen per gebied. We leggen in dit hoofdstuk uit hoe daar op stads-, buurt- en gebouwniveau mee gewerkt kan worden.
2.1
Als laatste is ook de gewenste verdichting en de toegestane bouwhoogte van belang als startpunt voor het maken van plannen. De gemeente kiest er in de RSU2040 voor om de groei van de stad zo veel mogelijk op te vangen rond een aantal (nieuwe) knooppunten en grotere binnenstedelijke gebiedsontwikkelingen. Dit biedt ruimte om de kwaliteiten van de bestaande stad te versterken. Verdichting moet altijd bijdragen aan een verbetering van de leefomgeving. Deze visie geeft kaders mee voor de maximaal toegestane
In Utrecht kiezen we ervoor om als startpunt van stedelijke ontwikkeling aandacht te hebben voor de identiteit van de plek, de manier waarop de plek gebruikt wordt en de gewenste mate van verdichting om te kunnen sturen op de kwaliteit en leefbaarheid.
De identiteit van Utrecht
De Utrechtse identiteit gaat over inwoners, over hoe de stad door de eeuwen heen gebruikt wordt en hoe deze eruit ziet. De mensen in de wijk, hun culturele achtergrond en hun gebruiken maken onderdeel uit van de identiteit van een plek. Utrecht is niet overal hetzelfde maar juist heel verschillend. De gemeente Utrecht bestaat uit veel verschillende buurten, wijken, oude dorpskernen en gemeenschappen elk met hun eigen historie, sociale structuur en ruimtelijke kenmerken. De buurten variëren in leeftijd, stedenbouwkundige opzet en hebben een veelheid aan verschillende typologieën in zich. Zo heeft Kanaleneiland met zijn naoorlogse portiekflats een compleet andere uitstraling dan Lunetten met experimentele woningbouw uit de jaren 70. Ook de achtergronden van mensen verschillen van wijk tot wijk. Rijke historie en er fgoed, compacte stad te midden van diverse landschappen, k nooppunt in nationaal net werk, hoogont w ik keld kenniscluster en voor zieningenniveau, een grote stad met een menselijke maat, een stad voor iedereen. 1
ST EDENBOU W V ISIE
2 ST URING OP K WA L IT EIT EN L EEFB A A R HEID
9
De (stedelijke) structuren van Utrecht zijn door de eeuwen heen gevormd. De eerste nederzettingen zijn ruim 2000 jaar geleden ontstaan aan een kromming van de Rijn. In elke tijdsperiode hierna zijn nieuwe structuren en bouwwerken aan de stad toegevoegd, denk aan de ‘straatwegen’, spoorlijnen, gegraven waterwegen, of verdedigingswerken. Deze structuren zijn niet statisch. Door de eeuwen heen zijn bestaande structuren aangepast of compleet opnieuw uitgevonden. De Nieuwe Hollandse Waterlinie, ontworpen als verdedigingslinie van een groot deel van Holland, is nu UNESCO Werelderfgoed en een belangrijk groen recreatiegebied rond de stad. De Werkspoorkathedraal, vroeger gebruikt voor de fabricage van spoorwegmaterieel, is nu een plek voor ontmoeting met evenementen, concerten en horeca.
“Behoud de diversiteit van Utrecht: geen wijk is hetzelfde, en dat is een kracht.” deelnemer toekomstgesprekken
Deze ontstaansgeschiedenis is op veel plekken in Utrecht zichtbaar en zorgt ervoor dat de stad leesbaar is: je kunt herkennen waar je bent in de stad op basis van deze structuren en de gebouwde omgeving. Het karakter is in de basis ontstaan door het onderliggende bodem- en watersysteem in combinatie met de tijdsperiode waarin de verschillende buurten zijn gebouwd. De positie in de stad en de ligging aan stedelijke structuren is tevens van invloed op de identiteit van een plek. Ook dragen de landschappelijke kenmerken bij aan de wijze waarop de eigenheid van een plek wordt ervaren. Het Utrechts erfgoed, de historische, maar ook hedendaagse monumenten zijn dragers voor de Utrechtse identiteit. Op de schaal van het gebouwen zijn bijvoorbeeld de bouwstijl, compositie, maat en schaal, materiaalgebruik en detaillering van belang. Bij elke locatie zijn er aanknopingspunten die benut kunnen worden in het ontwerp. Bij elke ontwikkeling moet de vraag gesteld worden of een ontwikkeling zich moet voegen naar het bestaande, of het bestaande juist een impuls moet geven met meer eigenheid.
Diversiteit aan buurten in de gemeente Utrecht
ST EDENBOU W V ISIE
2.2
2 ST URING OP K WA L IT EIT EN L EEFB A A R HEID
10
Dynamiek van de stad
In een compacte tien-minutenstad zijn functies meer gemengd en dichter op elkaar. Zaken die je elke dag of vaak nodig hebt zijn dan ongeveer op 10 minuten van je woon-of werkplek. Met openbaar vervoer, fiets of lopend ben je dan sneller waar je moet zijn en dit scheelt veel bewegingen in de stad. Het mengen van die functies zoals wonen, werken, ontspannen en uitgaan is een extra uitdaging. Sturing op de verschillende activiteiten in de stad en hoe we de stad gebruiken is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat al deze activiteiten naast elkaar (fysiek of in tijd) kunnen plaatsvinden zonder dat de verschillende functies en gebruikers elkaar in de weg gaan zitten.
“Ik woon in een van de dichtste stukjes van Utrecht, maar zo voelt het niet door de goede balans tussen rust en drukte.” deelnemer toekomstgesprekken
Het verschil in dynamiek schept de voorwaarden voor gebieden met verschillende kenmerken: van rustige woonomgevingen tot levendige straten in de buurt. Vanuit de verschillen in gebruik en dynamiek in de stad kunnen we de stad grofweg opdelen in gebieden en structuren waarin rust, reuring of ruis het sterkst aanwezig is. Daarbinnen onderscheiden we twee soorten structuren: • buurten en plekken waar je verblijft omdat je daar woont, werkt of bezoekt (gebieden), en • de structuren en lijnen waarlangs je je beweegt, of dat nu te voet, met de fiets, bus, auto, tram, trein of vrachtwagen is (structuren). In de volgende kaders wordt uitgelegd wat onder rust, reuring en ruis wordt verstaan.
Rust In de buurten waar rust dominant is, is vooral ruimte voor wonen, groen en (kantoor)werk. Je kan hier prettig en veilig wonen, werken en ontspannen. Een rustige buurt betekent niet dat het altijd stil is. Deze buurten zijn gebaat bij een beetje functiemenging, zoals werken in de wijk, een school, lokale winkels en ontmoetingsplekken. Binnen de buurt zijn er verschillende soorten woningen en/of type bedrijfjes. De openbare ruimte kent veel groen en schaduw, nodigt uit tot ontmoeten en spelen en is geschikt voor dieren. De manier waarop woningen of werkruimtes aan de straat staan draagt bij aan het straatleven. Voetgangers en fietsers staan centraal, maar er is ook ruimte voor de auto maar in balans met ruimte voor groen en verblijf. Aantrekkelijke groenblauwe routes verbinden de buurten met elkaar en met de landschappelijke omgeving rondom de stad. Naast fietsers hebben voetgangers prioriteit. Er is een goede balans tussen activiteiten en rust. Daarnaast brengen de groenblauwe verbindingen ook verkoeling naar de stad, en vormen zijn een uitstekende leefomgeving voor verschillende planten en dieren, waar in bepaalde rustzones mensen niet welkom zijn.
ST EDENBOU W V ISIE
2 ST URING OP K WA L IT EIT EN L EEFB A A R HEID
Reuring Deze gebieden bieden meer stedelijke levendigheid. Het zijn plekken waar veel gebeurt op straat door een grote diversiteit aan mensen en activiteiten. Er zijn (hoogstedelijke) voorzieningen met ruime(re) openingstijden en er is een fijne openbare ruimte om te verblijven en elkaar te ontmoeten. Ook de aanwezigheid van verschillende woningsoorten en soorten bedrijven zorgt voor een verschillende mensen die elk op hun eigen manier gebruik maken van hun leefomgeving. Reuringgebieden vormen vaak belangrijke herkenningspunten in de stad. Het zijn de knooppunten, buurtcentra of andere plekken waar veel mensen samen komen. Ook stadsstraten kennen reuring. Doorgaand verkeer valt samen met stedelijke voorzieningen en kleinschalige werkgelegenheid. Stadsstraten vormen kenmerkende, lange lijnen vanaf het centrum naar buiten en verbindt verschillende buurten met elkaar. Stadsstraten zoals de Amsterdamsestraatweg, Kanaalstraat, de Rijnlaan en de Biltstraat zijn de economische plekken om elkaar als buurtgenoten te treffen en hebben tegelijkertijd een economische en verzorgende functie voor de gehele stad.
11
Ruis In gebieden met meer bedrijvigheid is er vaak sprake van een mate van ruis. Het zijn plekken voor experiment en vernieuwing, zoals op het USP. Op sommige locaties komen creatieve ondernemers en makers samen om zich te kunnen vestigen en te laten inspireren door anderen, zoals het Werkspoorkwartier. Andere werkterreinen, zoals Lage Weide of Strijkviertel, zijn meer gericht op de circulaire economie of bijvoorbeeld stadslogistiek. Op al deze gebieden is het begrijpelijk dat de werkzaamheden van invloed zijn op de manier waarop het gebied wordt ervaren. Daarnaast kent Utrecht een aantal stedelijke verbindingen met veel verkeersbewegingen. Ze kennen grotere verkeersstromen en een hoger aandeel goederenvervoer. Ze helpen de stad te functioneren en bereikbaar te houden zonder dat zij een onoverbrugbare barrière vormen. De stedelijke verbindingswegen in de stad hebben vaak een lange structuur door de stad en zijn daarmee ook ideaal om parallel hieraan snelle, comfortabele fietsroutesaan te leggen. Zowel de grootschalige opzet van de werklocaties als de brede profielen van verkeersaders zijn bij uitstek geschikt om klimaat adaptief en biodivers in te richten.
ST EDENBOU W V ISIE
12
2 ST URING OP K WA L IT EIT EN L EEFB A A R HEID
Groenblauwe structuren
Woongebieden
Stadsstraten
Interactiezones
Werkgebieden
Stedelijke verbindingen
Rust
Rust
Reuring
Reuring
Ruis
Ruis
“Rustige groene verbinding die je binnen 10 min in een groter groen gebied brengt”
“Voor je woning ontmoet je je buren en kunnen kinderen spelen”
“Levendige, goed oversteekbare verbindingen die fietsers binnen 10 min. in een interactiemilieu of de binnenstad brengt ”
“Levendige stedelijke plekken met ruime gebruikstijden waar je een onbekende ontmoet”
“Plekken om het te maken, waar meer mag en kan dan elders in de stad”
“Drukke verbinding, die helpt de stad te bevoorraden en autobereikbaar te houden zonder een onoverbrugbare barrière te vormen”
De drie zones en drie structuren binnen rust, reuring en ruis.
ST EDENBOU W V ISIE
2 ST URING OP K WA L IT EIT EN L EEFB A A R HEID
13
Ontwerpen voor rust, reuring en ruis Elk gebied heeft zijn eigen accent. Voor veel gebieden zal snel duidelijk zijn welke dynamiek met bijbehorende kwaliteit het meest van toepassing is. Gebieden zijn echter nooit helemaal alleen rust of alleen drukte. Op de schaal van de buurt zie je dat in een zone die als rust kan worden geclassificeerd er ook een school gevestigd is of een gezellige koffietent, die beide op een andere manier voor drukte zorgen. Op een bedrijfsterrein kan ook een rustig parkje zijn. De zones vullen elkaar ook aan; zodra je vanuit een drukke stadsstraat de aanliggende woonstraat ingaat heerst er rust, terwijl de levendigheid nabij is.
Bij de inrichting van een park moet juist nagedacht worden over een zonering met zowel besloten, rustige plekken als de drukkere plekken waar activiteiten plaatsvinden.
Ook binnen een gebouw zijn er verschillen, die elkaar aanvullen. In de plint is ruimte voor reuring. Een woning aan de binnentuin biedt rust en de bevoorrading aan de achterkant van het gebouw zorgt voor ruis. De systematiek van rust, reuring en ruis werkt door op alle schaalniveaus, en is een vereiste bij het ontwerpen hieraan. Denk bijvoorbeeld bij gebiedsontwikkeling aan de positonering van functies met grote goederenstromen, zoals horeca, zodat deze functies bereikbaar zijn en tegelijkertijd overlast beperkt is. Voor een woongebouw dat zich in een levendige knoop bevindt, moet goed nagedacht worden hoe er voor de bewoners een rustige binnenzijde gecreëerd kan worden.
Vanuit de verschillen in gebruik vragen gebieden en structuren iets anders van de gewenste kwaliteit en leefbaarheid. Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen wordt bepaald in welke zone de ontwikkeling ligt en in welke manier er invulling wordt gegeven aan het onderscheid tussen rust, reuring en ruis op gebieds- en/of gebouwniveau. Dit is van belang bij het vertalen van de stedenbouwkundige uitgangspunten uit hoofdstuk 3 naar gebiedseigen oplossingen.
“Wonen op hoogte is fijn, maar ontwerp geen klankkasten. Soms is het opstijgende lawaai zo erg, dat het raam dicht moet.” deelnemer toekomstgesprekken
Zones voor rust, reuring en ruis op bouwblokniveau.
ST EDENBOU W V ISIE
2 ST URING OP K WA L IT EIT EN L EEFB A A R HEID
Een raamwerk voor ontwikkeling van de dynamiek In de toekomst zal de verdeling tussen rust, reuring en ruis in Utrecht er anders uitzien. In de stad met meerdere stedelijke centra is de levendigheid met name rond deze knooppunten in gemengde (hoog)stedelijke gebieden georganiseerd. Stadsstraten verbinden deze knopen met de historische binnenstad. De groenblauwe routes verbinden de woonbuurten en werklocaties met het groen in en om de stad. De verkeersverbindingen maken de stad bereikbaar voor verschillende vervoersmiddelen.
14
ST EDENBOU W V ISIE
2.3
2 ST URING OP K WA L IT EIT EN L EEFB A A R HEID
15
Verdichting
De gemeente kiest er in de RSU2040 voor om de groei van de stad zoveel mogelijk in de stad (verdichting) op te lossen. En deze groei te concentreren rondom een aantal nieuwe plekken waar (in de toekomst) sprake is van nabijheid van zeer goed openbaar vervoer en hoogstedelijke voorzieningen. Daarmee verandert Utrecht van een stad met één centrum, naar een stad met meerdere centra. Door te kiezen voor geconcentreerde groei vermindert de druk op de bestaande wijken en ontstaat er ruimte om de kwaliteit van de bestaande wijken te verbeteren. Verdichting als een investeringsmotor voor kwaliteit Hoewel een groot deel van de groei op en rond de knooppunten plaatsvindt, zullen er ook in de bestaande buurten initiatieven ontstaan waarbij verdichting een rol speelt. Verouderde terreinen en ongebruikte gebouwen worden getransformeerd, braakliggende kavels bebouwd en bestaande panden kunnen worden opgetopt. Deze ontwikkelingen moeten bijdragen aan een betere stad, buurt en of straat. Door het toenemende aantal een- en tweepersoonshuishoudens neemt het gemiddelde aantal personen per huishouden al decennia af. Waar in 1950 nog 3,93 personen in een Nederlands huis woonde, is dat inmiddels gedaald naar 2,11. In Utrecht is het gemiddelde zelfs maar 1,9 personen per huishouden. Verdichting keert deze tendens en draagt daarom ook bij aan voldoende draagvlak voor voorzieningen.
Verdichting moet tevens leiden tot meer kwaliteit in de leefomgeving en is een investeringsmotor. Wanneer er bij kleine en grote projecten ook een investering in de omgeving gedaan worden, kan de buurt meeprofiteren; denk aan het opknappen en vergroenen van de openbare ruimte, het verbeteren van voorzieningen, het toevoegen van andere woningtypen, of het verduurzamen van de energievoorziening. Ook bedrijventerreinen kunnen profiteren van verdichting. Om ook in de toekomst een aantrekkelijke vestigingsplaatst te blijven zijn vaak investeringen nodig. bijv: Vergroenen, verduurzamen, Identiteit en positionering, levendigheid, esthetische verbeteringen. Op de (nieuwe) knooppunten kan en zal de dichtheid hoger en meer stedelijk zijn. De hoge concentratie van mensen die wonen, werken of studeren maken het mogelijk om een hoog voorzieningenniveau te realiseren, inclusief hoogwaardig openbaar vervoer. Omliggende buurten
Boven: Wittevrouwen met 75 won/ha - fsi 1,0 Beneden: Veemarkt met 45 won/ha - fsi 0,9
ST EDENBOU W V ISIE
2 ST URING OP K WA L IT EIT EN L EEFB A A R HEID
16
profiteren van deze nabije voorzieningen. Zo kunnen inwoners bijvoorbeeld gebruik maken van de toegevoegde voorzieningen in de knooppunten en profiteren van de bus of tram die vaker rijden. Elk afzonderlijk knooppunt heeft zijn eigen identiteit en programmering en zijn onderscheidend ten opzichte van elkaar. De grote ontwikkellaties vormen een aanvulling op de bestaande woon- en werkmilieus in de gemeente. De verschillende identiteiten, dichtheden en functies maken de stad interessant en sterk. Verschijningsvorm van verdichting Verdichting kan zich op verschillende manieren uiten, van kleine ingrepen aan een of enkele panden tot grootschalige gebiedsontwikkeling. Hoe stedelijke dichtheid een ruimtelijke vorm krijgt komt voort uit de samenhang tussen de structuren van de stad en de manier waarop deze bebouwd zijn. De structuren van de stad bestaan uit het patroon van straten, pleinen, parken en rivieren, die compact of juist heel ruim opgezet zijn. Binnen die structuren kan de bebouwing bestaan uit een variatie van losse vrijstaande bebouwing tot een rij aaneengesloten panden, waarbinnen met uiteenlopende dieptes en hoogtes eindeloze variaties ontstaan.
In Utrecht bestaat de stedenbouwkundige basisstructuur op dit moment veelal uit een stratenplan met bouwblokken, bestaande uit een voorkant met gebouwen aan de straat en een achterzijde waar zich (gemeenschappelijke) tuinen, parkeerplekken, of bergingen bevinden. In veel gevallen sluiten we met nieuwe bebouwing aan op deze basisstructuur van bouwblokken. Een bouwblok kan in uiteenlopende dichtheden worden vormgegeven. In Tuindorp of Veldhuizen zijn de woningen in de bouwblokken 2 tot 3 verdiepingen hoog. Er zijn in Utrecht ook voorbeelden van meer stedelijke bouwblokken zoals Leidsche Rijn Centrum en Zijdebalen, beiden met een hoogte variërend van 5 tot 7 lagen. Ook het zogenaamde hybride bouwblok kent dezelfde basis; een stedelijk bouwblok van 5 tot 8 lagen, maar in combinatie met torens leidt dit tot een zeer hoge dichtheid. In Utrecht zijn de plannen voor het Beurskwartier hiervan een voorbeeld, of in Merwede waarin hoge en lage gebouwen worden gecombineerd in een stedelijk bouwblok. Het bouwblok - in al zijn vormen - biedt een helderheid van vóór en achterkanten; voordeuren aan de straat, een luw binnenklimaat en daarmee een menselijke maat en schaal. Boven: Leidsche Rijn Centrum met 110 won/ha - fsi 1,9 Beneden: Beurskwartier met 270 won/ha - fsi 3,4
ST EDENBOU W V ISIE
2 ST URING OP K WA L IT EIT EN L EEFB A A R HEID
Utrecht kent ook enkele wijken waar het bouwblok niet de basisopzet is. Wijken zoals Overvecht en Kanaleneiland zijn kenmerkend door hun naoorlogse opzet met dezelfde bouwstempels en stroken, ontwikkeld volgens het destijds - en nogsteeds gewaardeerde - modern gedachtegoed van licht, lucht en ruimte. Het openbaar gebied mist vaak duidelijkheid: veel groenstroken en parkeerterreinen voelen anoniem en onbeheerd aan. Het zorgvuldig bijbouwen en transformeren van woningen kan leiden tot een verbeterde situatie met een duidelijker functie van de onbebouwde ruimte. Per knooppunt - die in de RSU 2040 zijn aangewezen als hoogstedelijke verdichtingslocatie - moet worden gezocht naar de verschijningsvorm die past bij de identiteit en het stedenbouwkundige karakter van het gebied. De keuze voor hoogbouw is niet vanzelfsprekend en vraagt om een zorgvuldige afweging. Ook zonder toepassing van hoge torens kan er wel degelijk ook in hoge dichtheden gebouwd worden. Zie hiervoor de vele voorbeelden van stedelijke bouwblokken van 5 tot 8 verdiepingen waarin ook hoge dichtheden worden behaald. Dit betekent dat er voor hoogbouw altijd extra argumenten nodig zijn: •
•
•
Hoogbouw in een stedelijke omgeving en als onderdeel van een stedelijk weefsel is een doordachte en gelaagde vorm van stedelijkheid. Daarin gaan hoogwaardige woon- en werkmilieus, bereikbaarheid rondom ov-knooppunten en het draagvlak voor voorzieningen samen. Dit sluit aan bij de keuzes die in de RSU2040 zijn gemaakt voor een stad waarin alle dagelijkse functies dichtbij zijn georganiseerd. Het hybride stadsblok waarin een stedelijk bouwblok gecombineerd wordt met torens levert een extra hoge dichtheid op die nodig kan zijn als er beperkt ruimte beschikbaar is om veel mensen te huisvesten. De extra hoge dichtheid is op bepaalde plekken gewenst om voldoende stedelijke kwaliteit te creëren en nabijheid te garanderen. Het realiseren van hoogbouw is een aanvulling op de bestaande woon- en werkmilieus die aantrekkelijk is voor bepaalde doelgroepen. De diversiteit in leefmilieus neemt toe, waardoor Utrecht aantrekkelijker wordt voor een meer diverse en uiteenlopende groep mensen. Door hoogbouw te realiseren, houden we ook ruimte voor traditionelere woonvormen elders in de stad.
17
•
Daarnaast kan hoogbouw vanuit een stedenbouwkundig oogpunt helpen om de stad leesbaar te maken en belangrijke plekken, de nieuwe centra of stations - te markeren. Ook een specifieke plek in de stedenbouwkundige structuur kan vragen om een hoogteaccent.
79% vindt gebouwen tot 30 meter passen in Utrecht. 54% vindt dat ook hogere gebouwen bij Utrecht horen. Resultaten uit de Swipocratie
Deze argumenten laten zien dat hoogbouw een rol kan vervullen bij het bereiken van de gewenste verdichting in de aangewezen knooppunten, met behoud van kwaliteit en leefbaarheid. In de volgende paragraaf wordt uiteengezet hoe we met de maximale hoogtes omgaan voor verschillende delen van de stad. In hoofdstuk 3 worden uitgangspunten meegegeven om - indien er wordt gekozen voor hoogbouw - ervoor te zorgen dat deze hoogbouw bijdraagt aan de kwaliteit, leefbaarheid en identiteit van Utrecht.
Hoogbouw in Utrecht In Utrecht beschouwen we gebouwen hoger dan 30 meter als hoogbouw. Utrecht is een relatieve laagbouwstad waar een gebouw van dertig meter al snel boven de gemiddelde bouwhoogte uitstijgt en daarmee zichtbaar vanuit een brede omgeving. Een tweede belangrijke grens is 70 meter. Deze grens volgt uit de bouwregelgeving; vanaf deze hoogte worden extra technische- en veiligheidseisen aan een gebouw gesteld. Dit heeft financiële consequenties; de kosten per vierkante meter stijgen enorm vanaf deze grens. Hoger bouwen dan de 70-metergrens moet daarom echt meerwaarde hebben voor de stad. Nieuwe hoogbouw moet zich verhouden tot ons historische centrum met de Dom als belangrijk oriëntatiepunt van Utrecht. De Dom is vooralsnog de hoogste toren met een hoogte van 112,3 meter. In Leidsche Rijn Centrum wordt de Mark gebouwd, het eerste gebouw in Utrecht dat hoger is de Domtoren.
ST EDENBOU W V ISIE
2.4
18
2 ST URING OP K WA L IT EIT EN L EEFB A A R HEID
Hoogtes
Zorgvuldig omgaan met hoogteaccenten Hoogte is een relatief begrip. Een gebouw van een bepaalde hoogte kan in de ene stad of straat als hoog worden ervaren terwijl hetzelfde gebouw in een andere stad of straat nauwelijks opvalt. Dat heeft alles te maken met de omgeving. De omgeving van de buurt, en de context van de stad als geheel. In de omliggende straten is dat ene hoogteaccent zichtbaar, en tegelijkertijd heeft hoogbouw ook van grotere afstand effect op het silhouet van de stad. Utrecht ligt in het centrum van verschillende waardevolle (UNESCO) landschappen, heeft een historische binnenstad, en verschillende beschermde stads- en dorpsgezichten rijk aan cultuurhistorie waar grote bouwhoogten veel impact kan hebben. Grote watervlakten als tegenwicht ontbreken. Dit vraagt om een slimme sturing op hoogbouw en een beperkte maximale bouwhoogte. Nieuwe hoogbouw moet zich verhouden tot ons historische centrum met de Dom als belangrijk oriëntatiepunt van Utrecht. Ook in buurten waar geen hoogbouw is toegestaan kunnen hogere accenten wel degelijk grote impact hebben op de beleving in de buurt. De context van de buurt – de stedenbouwkundige opzet – is hierin leidend. Een hoogteaccent van 30 meter past in de ene buurt heel goed, terwijl in een andere buurt eenzelfde toren een enorme impact kan hebben.
Om zorgvuldig om te gaan met hoogbouw en hoogteaccenten onderscheiden we in Utrecht vier categorieën waarin we anders omgaan met maximale bouwhoogtes. Beschermd Utrecht kent verschillende beschermde stads- en dorpsgezichten, zoals de middeleeuwse binnenstad, Blauwkapel en Haarzuilens, die vanwege hun karakteristiek en ruimtelijke kwaliteit worden beschermd. In deze gebieden wordt altijd uitgegaan van de bestaande bouwhoogte en zijn hoogbouw of hoge accenten niet toegestaan. De mogelijkheid om een beperkt aantal verdiepingen extra toe te voegen ten opzichte van omliggende bebouwing is altijd maatwerk. Het is verplicht om een ruimtelijke onderbouwing op te stellen in het Utrechts planproces. In of nabij werelderfgoed kan een Heritage Impact Assessment nodig zijn.
Basis Utrecht bestaat uit diverse buurten met elk een eigen karakter. Het overgrote deel van deze buurten vallen in de categorie basis. Denk daarbij aan Tuindorp, Lunetten, Vleuterweide of Zuilen. De stedenbouwkundige opzet bepaalt de samenhang van de buurt. De samenhang is zichtbaar in architectuur, ruimtelijke opzet, bouwhoogtes en gebruik en inrichting van de openbare ruimte. De toegestane hoogte van nieuwe bebouwing in de buurt is gerelateerd aan de hoogte van de omgeving. Accenten in de bebouwing zijn onder voorwaarden toegestaan. De wenselijkheid en positie van accenten wordt bepaald door verschillende fatoren zoals de positie binnen de stedenbouwkundige structuur van de buurt, de functie(s) en de aanwezigheid van hoogwaardig openbaar vervoer. Voor de maximale toegestane hoogte van accenten hanteren we als algemeen uitgangspunt twee keer de basishoogte. De basishoogte wordt bepaald door de hoogte van het stedenbouwkundige ensemble waartoe het accent behoort en de gemiddelde hoogte van de aangrenzende bebouwing. Op bijzondere plekken, zoals grootschalig openbare ruimte (een plein, singel of park) kan maximaal 1 tot 2 extra verdiepingen worden toegestaan. Ook voor werklocaties hanteren we dit uitgangspunt. De grote diversiteit aan gebieden in Utrecht vraagt altijd om een gebiedsspecifieke afweging.
Per initiatief wordt de positie en de maximaal toegestane hoogte beoordeeld door de gemeente. Bij initiatieven is het verplicht een ruimtelijke onderbouwing op te stellen voor hoogteaccenten in het Utrechts planproces. Hierbij moeten ook de effecen op beschermde monumenten in beeld worden gebracht. Basis plus Een aantal wijken in Utrecht leent zich voor een soepelere omgang met de maximale bouwhoogte. Dit zijn onder andere de naoorlogse wijken zoals Kanaleneiland, Transwijk en Overvecht. Deze wijken worden gekenmerkt door de voor die tijd typerende grootschalige ruimtelijke opzet en een grotere afwisseling tussen hoge en lage gebouwen. De soepele omgang geldt ook voor nieuwe wijken (in ontwikkeling), zoals Papendorp en Merwede. Ook deze wijken kennen een grootschaligere
ST EDENBOU W V ISIE
2 ST URING OP K WA L IT EIT EN L EEFB A A R HEID
stedenbouwkundige opzet, al is deze hier juist compact en gericht op hogere dichtheid en hoogtes. In al deze wijken is hoogbouw tot 70 meter op bepaalde plekken toegestaan. Voor deze gebieden (zie de kaart op pagina 21) geldt dat op bepaalde plekken tot 70 meter bouwen is toegestaan. Hoogbouw wordt in deze gebieden alleen toegestaan als zij de betekenisvolle structuren van deze wijken versterken en bijdragen aan de oriëntatie en leesbaarheid van de wijk in zijn geheel. De stedenbouwkundige betekenis van het accent bepaalt de uiteindelijke hoogte. Niet op elke plek is dezelfde hoogte passend. De stedenbouwkundige structuren van de wijk en op welke plekken hoogbouw wordt toegestaan wordt (bij voorkeur) vastgesteld in het gebiedsbeleid, zoals gedaan is in de omgevingsvisies van Kanaleneiland-Transwijk en Overvecht. Bij het ontbreken van gebiedspecifiek hoogbouwbeleid wordt, om de wenselijkheid van een eventuele aanvraag te kunnen beoordelen, op het moment van de aanvraag alsnog een hoogbouwkader opgesteld. Knooppunten Het uitgangspunt voor hoogbouwzones in de stad is de aanwezigheid van hoogwaardig openbaar vervoer. Het bouwen van grote hoogte in combinatie met een hoge dichtheid levert veel bewegingen op van bewoners, werknemers en bezoekers.
De aanwezigheid van hoogwaardig openbaar vervoer zorgt voor minder gebruik van auto’s, en zorgt juist voor meer langzaamverkeersbewegingen, wat bijdraagt aan de kwaliteit van de stad op straatniveau. De locaties waar hoogbouw mogelijk is, zijn dan ook gekoppeld aan de knooppunten die in de RSU2040 zijn vastgelegd. Deze (nieuwe) knooppunten kennen een hoge dichtheid, waarbij hoogbouw als een van de middelen ingezet kan worden om deze dichtheid te bereiken. Binnen de knooppunten onderscheiden we drie type gebieden: • Knooppunten met een stadsoverstijgende betekenis (XL): hoogbouw tot maximaal 105 meter. De gebieden die hier aan voldoen zijn de (toekomstige) stationsknooppunten: Stationsgebied/Beurskwartier, Leidsche Rijn Centrum en het nieuw te ontwikkelen gebied Lunetten/ Koningsweg. Deze centra hebben een stadsoverstijgende betekenis. Het zijn belangrijke bestemmingen in de Metropoolregio Utrecht en het Stedelijk Netwerk Nederland (‘Holland Metropole’). Naast de
19
stationsknooppunten behoort ook het Utrecht Science Park tot deze stadsoverschrijdende gebieden. Dit kenniscluster heeft geen station, maar is voorzien van HOV en heeft (inter)nationale aantrekkingskracht. • Knooppunten met stedelijke betekenis (L): hoogbouw tot maximaal 70 meter. Dit zijn knooppunten die van belang zijn op de stedelijke schaal en gelegen zijn aan het ‘HOV-wiel’, zoals Papendorp, Rijnsweerd en Overvecht. • Knooppunten met een stedelijke betekenis (L+): hoogbouw tot 90 meter. Voor de knooppunten Galgenwaard en Westraven geldt een bandbreedte van 70 tot 90 meter als maximale bouwhoogte. In Galgenwaard wordt de bandbreedte verruimd om een kwalitatieve stedenbouwkundige inpassing van het gewenste programma mogelijk te maken. De ruimtelijke beperking van het stadion en de noodzaak voor voldoende groen en openbare ruimte in het gebied leidt tot een beperking van de stedenbouwkundige mogelijkheden. De wens voor lagere bouwhoogtes aan de zijde van de Kromme Rijn leidt tot hogere volumes aan de stadszijde. In Westraven wordt de bandbreedte verruimd om, op voorwaarde van een voldoende hoogwaardige Merwedelijn, een hoogstedelijke knoop te realiseren, die in kwaliteit en beoogd programma aansluit bij de uitgangspunten van de lopende MIRT-trajecten ‘OV & Wonen’ en ‘A1-zone’ in samenhang met Rijnenburg.