Agendabundel
Tekst van het document
Artikel 9 Bestuurlijke boete en last onder dwangsom 1. Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van de meldplicht als bedoeld in artikel 3 lid 1 van deze verordening en artikel 7 lid 3 van de Leegstandwet overeenkomstig de tabel in bijlage 1. 2. Burgemeester en wethouders kunnen een last onder dwangsom opleggen bij overtredingen als bedoeld in artikel 3, 6 en 8 van deze verordening.
Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1-10-2023. 2. Deze verordening wordt aangehaald als Verordening leegstand gemeente Utrecht. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van <datum>. De burgemeester,
Sharon A.M. Dijksma De griffier, Merel van Hall
Bijlage 1 Boetetabel Tabel bij artikel 9.1 - Boete bij overtreding meldplicht Woonruimten Wettelijke bepaling Professional (de eigenaar die twee of Artikel 18 Leegstandwet, artikel 6t meer woonruimten in bezit heeft Besluit uitvoering Crisis- en bestemd voor bedrijfsmatige herstelwet (eenentwintigste activiteiten) tranche) Overige overtreders Artikel 18 Leegstandwet, artikel 6t Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (eenentwintigste tranche)
Boetebedrag 5.000 euro
2.800 euro
1 Toelichting verordening leegstand gemeente Utrecht.docx
Toelichting Algemeen Langdurige leegstand is een ongewenst maatschappelijk verschijnsel. Utrecht acht het, gelet op de grote vraag naar woonruimte, wenselijk dat leegstand van woonruimten zoveel mogelijk wordt beperkt. De gemeente Utrecht stelt in deze leegstandverordening het volgende vast: - Meldplicht: eigenaren van leegstaande woonruimte zijn verplicht de leegstand te melden zodra de leegstand langer duurt dan zes maanden. - Leegstandoverleg: na het ontvangen van de melding volgt een leegstandoverleg. In dit overleg bespreekt gemeente met de eigenaar wat er nodig is om de woonruimte zo snel mogelijk in gebruik te nemen. - Leegstandbeschikking: het resultaat van het leegstandoverleg kan worden vastgelegd in een leegstandbeschikking. Conform het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (eenentwintigste tranche) kunnen burgemeester en wethouders in de beschikking een maximale marktconforme huurprijs bepalen. - Voordracht gebruiker: als de leegstand langer duurt dan 12 maanden kunnen burgemeester en wethouders volgens de Leegstandwet een gebruiker voordragen. Experiment met de Leegstandwet conform artikel 6t Besluit Crisis- en herstel -wet Met dit experiment heeft de gemeente een aantal extra mogelijkheden die zij mag toepassen in de bestrijding van leegstand. De gemeente Utrecht kan gebruik maken van het experiment tot 2025 in verband met de landelijke evaluatie.
De gemeente Amsterdam neemt ook deel aan dit experiment. De mogelijkheden van het experiment zijn: - de meldplicht na ten minste 3 maanden (in plaats van 6 maanden) in te voeren. Hier maakt Utrecht geen gebruik van. Wij zien hierin een nadeel. In de praktijk blijkt dat er bij leegstand van drie maanden vaak sprake is van een verhuizing, verbouwing, erfenis of relationele problemen. Deze woonruimten worden zonder inzet van handhaving ook weer in gebruik genomen. Het doel van de leegstandverordening is namelijk om langdurige leegstand aan te pakken. Om de inzet van de handhaving efficiënt in te zetten wordt de meldingstermijn van 6 maanden aangehouden. - Het voeren van het leegstandoverleg na 2 maanden (in plaats van 3 maanden). - Het opnemen van bepalingen uit artikel 6.2 a tot en met f van de leegstandverordening in de beschikking. Kantoorgebouwen De leegstandverordening geldt niet voor kantoorgebouwen omdat we met de leegstandverordening meer woonruimte beschikbaar willen maken. Leegstaande kantoorgebouwen kunnen via de leegstandverordening niet getransformeerd worden naar woonruimte. Een leegstandverordening voor kantoren draagt in Utrecht niet bij aan een betere bezettingsgraad van kantoorruimten. Het opnemen van van kantoorruimte in de leegstandverordening is in de Utrechtse situatie niet efficiënt.
Utrecht heeft door intensieve monitoring voldoende zicht op leegstaande kantoorgebouwen. Het aandeel leegstaande kantoren dat actief wordt aangeboden is namelijk zeer laag en daalt al jaren op rij (4,2% in Q2 2022). Enige frictieleegstand is juist wenselijk vanwege renovatie of verduurzaming, groei en doorstroom van bedrijven. Net als bij woonruimten geldt in Utrecht ook een schaarste aan kantoren. De kantoren zijn de komende jaren hard nodig om onze werkgelegenheid mee te laten groeien met de bevolkingsgroei.
Er zijn enkele leegstaande kantoorgebouwen bekend die al langere tijd niet meer in gebruik zijn voor een kantoorfunctie. De gemeente is in contact met de eigenaren. Op enkele binnenstedelijke locaties is renovatie en/of transformatie voorzien maar is de situatie zeer complex c.q. voortgang afhankelijk van externe factoren. Daarnaast zijn met kantoren op bedrijventerreinen lastig verhuurbaar als kantoor en is transformatie naar woonfuncties niet aan de orde is omdat de zware milieucategorie in de weg zit. Een meldplicht of boete lost in die situaties niets op. Leegstandverordening in verhouding tot de regeling opkoopbescherming Indien de woonruimte onder de regelgeving van de opkoopbescherming valt, kan er gekeken worden naar de gronden om een verhuurvergunning aan te vragen zoals limitatief opgesomd in artikel 3.4.5 van de Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2019. Dit wordt besproken in het leegstandoverleg. Ook als een andere vergunning is aangevraagd dient de eigenaar zich te houden aan de termijnen bepaald in de leegstandbeschikking. Leegstandverordening in verhouding tot tweede woningen Een tweede woning is één zelfstandige woonruimte die niet dient als hoofdverblijf voor de gebruiker(s). De eigenaar van een tweede woning heeft zijn “hoofdverblijf” elders. De woonruimte wordt dus wel gebruikt, maar er staat niemand in het BRP ingeschreven.
Het is in Utrecht toegestaan één tweede woning te gebruiken. Bijvoorbeeld wanneer iemand hier af en toe vanwege werkzaamheden in Utrecht verblijft. Voor het in eigendom hebben van één tweede woning geldt in Utrecht alleen de meldplicht uit de leegstandverordening. Indien de eigenaar meer leegstaande woonruimten bezit, dan is de leegstandverordening onverkort van toepassing. Leegstandverordening niet voor Toegelaten Instellingen In de leegstandverordening zonderen we toegelaten instellingen uit. Dit zijn stichtingen of verenigingen die werken op het gebied van de volkshuisvestiging. De urgentie voor het gebruik van woonruimte staat bij deze organisaties niet ter discussie en daarom sturen zij actief op het beperken van leegstaande woonruimte. Voor deze organisaties wordt een andere leegstandsaanpak gevolgd die beter aansluit bij de bestaande prestatieafspraken en het convenant woonfraude. Afspraken over leegstand in relatie tot onderhoud, renovatie of nieuwbouw worden vastgelegd in de prestatieafspraken tussen gemeente en woningcorporaties. Eventuele afspraken over tijdelijke verhuur van woonruimten in geval van groot onderhoud, renovatie en nieuwbouw is ook onderdeel van het Algemeen Sociaal Plan (ASP). Overige leegstaande woningen worden middels een korter proces door corporatie en gemeente opgelost. Deze afspraken over leegstand wordt geborgd in de prestatieafspraken.
Een meldplicht van leegstaande woonruimten zorgt voor een verhoging van de administratieve werkzaamheden aan kant van de toegelaten instelling en bij de gemeente. De capaciteit kan effectiever ingezet worden op de controle en handhaving van langdurige leegstand van andere woonruimten. Eigendomsrecht Met het experiment met de Leegstandwet conform artikel 6t Besluit Crisis- en herstelwet heeft de gemeente extra mogelijkheden om leegstand in woonruimten te bestrijden. Deze maatregelen (waaronder het opleggen van een maximale marktconforme huurprijs en de eigenaar verplichten voorzieningen te treffen in de woonruimte) kunnen worden beschouwd als een regulering van het eigendomsrecht zoals deze is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Dit is slechts toelaatbaar indien de regulering gerechtvaardigd is. Dit houdt in dat voldaan moet zijn aan de onderstaande drie voorwaarden. 1. De maatregel moet bij wet voorzien zijn. Dat betekent dat de beperking voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de toepassing moet zijn.
De bevoegdheid tot het instellen van een leegstandverordening is neergelegd in artikel 2 van de Leegstandwet. De mogelijkheden en contouren ervan zijn tevens neergelegd in de Leegstandwet, maar vinden eveneens hun grondslag in artikel 6t van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (eenentwintigste tranche) en artikel 2.4 van de Crisis- en herstelwet. Het werkingsgebied en de voorwaarden zijn in de leegstandverordening Utrecht toegespitst op gemeente Utrecht. De maatregel is hiermee voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar. 2. De beperking moet noodzakelijk zijn in het algemeen belang. Dit wil zeggen dat de maatregel een legitiem doel dient. Vanwege de grote schaarste aan woonruimten is het noodzakelijk om leegstand van woonruimten tegen te gaan, zodat de bestaande woningvoorraad zo optimaal mogelijk benut wordt. De maatregelen in de leegstandverordening zijn bedoeld om woningleegstand te bestrijden en is daarmee noodzakelijk in het algemeen belang. 3. Er moet sprake zijn van een “fair balance” tussen de mate van regulering van het eigendomsrecht van woningeigenaren en het daarmee gediende algemeen belang. a. Is de inbreuk op het eigendomsrecht noodzakelijk voor het beoogde doel? Dit wil zeggen of het middel geschikt en noodzakelijk is om het doel te bereiken.
Om te kunnen spreken van een ‘‘fair balance’’ geldt voor de maatregelen in de leegstandverordening in de eerste plaats dat de maatregel noodzakelijk is om het doel (bestrijding van leegstand van woonruimte) te bereiken. De Leegstandwet en het experiment op grond van artikel 6t van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (eenentwintigste tranche) bieden mogelijkheden voor de gemeente om leegstand van woonruimten op te lossen. Deze kunnen afhankelijk van de feitelijke situatie verschillen en zijn daardoor uitermate geschikt om in individuele gevallen leegstand op te heffen. De leegstandmelding, de leegstandbeschikking en de verplichtende voordracht zijn afdwingbaar met een last onder dwangsom, waardoor eigenaren op een effectieve wijze kunnen worden bewogen om de leegstand in de woonruimte op te lossen. De maatregelen in de leegstandverordening zijn daarom noodzakelijk voor het beoogde doel. b. Er zijn geen andere oplossingen of andere mogelijkheden om het probleem op te lossen (subsidiariteit) Zonder de extra maatregelen voortkomend uit het experiment op grond van artikel 6t van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (eenentwintigste tranche) heeft de gemeente Utrecht niet effectieve instrumenten om eigenaren ertoe te bewegen de woonruimte weer te laten bewonen.
Overigens bevat de leegstandverordening zelf al verschillende minder verstrekkende alternatieven die afhankelijk van de situatie en de reden van leegstand kunnen worden ingezet. Aan de eisen van subsidiariteit wordt daarom voldaan. c. Het gebruik van de bevoegdheden is in verhouding met het beoogde doel gelet op de mate en ernst van de problematiek. Middel mag niet erger zijn dan de kwaal (proportionaliteit). Zoals blijkt uit jurisprudentie bij artikel 1 EP mag om te kunnen spreken van een ‘‘fair balance’’, de overheidsinmenging niet leiden tot een buitensporige last. Er moet echter vooropgesteld worden dat de overheid een grote mate van vrijheid toekomt om in het algemeen belang, vooral met het oog op sociale en economische doelstellingen, bepaald beleid te voeren waarbij inmenging plaats kan vinden in eigendomsrechten (een ruime margin of appreciation). De extra maatregelen in de leegstandverordening acht de gemeente proportioneel. De gemeente zal allereerst altijd in overleg gaan met de eigenaar. Het overleg is bedoeld om de reden van leegstand in de woonruimte te achterhalen. De gemeente zal in alle redelijkheid nagaan wat de mogelijkheden zijn om de woonruimte weer te kunnen bewonen en zal deze afspraken vastleggen in de leegstandbeschikking. De gemeente kan in de beschikking een maximale marktconforme huurprijs opleggen aan de eigenaar.
Met deze leegstandbeschikking kan het de eigenaar verboden worden een excessieve huurprijs aan te houden waardoor leegstand ontstaat of in stand gehouden wordt, in een gemeente waar schaarste is aan woonruimten. Daarnaast kan de gemeente bepalen
welke voorzieningen de eigenaar moet treffen om de woonruimte geschikt te maken voor gebruik (onderdeel a) en hier een termijn voor stellen De voorzieningen die van de eigenaar worden verlangd gaan niet verder dan de eisen die de gemeente nu al stelt aan de kwaliteit van woonruimten. Daardoor wordt het eigendomsrecht niet verder beperkt of gereguleerd. Handhaving Toezicht en handhaving is erop gericht om de naleving van de leegstandverordening te controleren en indien nodig handhavend op te treden om zo overtredingen te corrigeren. Het toezicht op de Leegstandwet en de leegstandverordening wordt uitgevoerd door toezichthouders van de gemeente Utrecht. De leegstandverordening geeft het college de mogelijkheid om bij een overtreding van artikel 3, 6 en 8 van de leegstandverordening en artikel 7.3 van de Leegstandwet bestuursrechtelijk handhavend optreden door het opleggen van een bestuurlijke boete, overeenkomstig de in bijlage 1 opgenomen tabel. In de tabel is een differentiatie aangebracht in de hoogte van de boetes. Voor een meer evenredig boetebeleid is onderscheid gemaakt tussen particuliere - en een professionele verhuurder. Op het moment dat de gemeente een overtreding constateert, dan wordt een bestuurlijke boete opgelegd aan de eigenaar van de woonruimte.
De boete is niet gericht op herstel van de overtreding maar op het bestraffen en daarmee voorkomen van een (volgende) overtreding. Het betreft een onvoorwaardelijke verplichting en kan dus niet voorwaardelijk worden opgelegd. De boete kan worden opgelegd in combinatie met een last onder dwangsom. Burgemeester en wethouders kunnen slechts wegens bijzondere omstandigheden afwijken van de genoemde bedragen in Bijlage 1 van deze verordening (artikel 5.46, derde lid, Algemene wet bestuursrecht). Het college kan de boete verlagen als er sprake is van verminderde verwijtbaarheid (artikel 5.41, Algemene wet bestuursrecht). De overtreder zal in beginsel de verminderde verwijtbaarheid aannemelijk moeten maken. Naast een boete kan de gemeente ook een last onder dwangsom opleggen op grond (artikel 5:31d en 5:32 Algemene wet bestuursrecht en artikel 125 Gemeentewet). De dwangsom is een herstelsanctie, bedoeld voor het ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, het voorkomen van herhaling, dan wel het wegnemen of beperken van de gevolgen van de overtreding (artikel 5:2, eerste lid onder b Awb). Ook bij het opleggen van een last onder dwangsom geldt dat de hoogte en de termijn van de dwangsom in redelijke verhouding moet staan tot de zwaarte van de vermeende geschonden belangen. Bij het niet voldoen aan de verplichtende voordracht kan geen boete worden opgelegd.
In dat geval kan alleen een last onder dwangsom worden opgelegd.
Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Begripsomschrijvingen Artikel 1 bevat definities van begrippen die op meerdere plaatsen in de verordening worden gebezigd. Indien een begrip uit artikel 1 in een bepaling wordt gebruikt dient dit begrip met inachtneming van de definities uit artikel 1 te worden toegepast. a. eigenaar Onder eigenaar wordt verstaan degene die bevoegd is een woonruimte in gebruik te geven. Dat kan naast de eigenaar ook een beheerder of een andere, door de eigenaar gemachtigde, partij zijn. b. leegstaan In de Leegstandwet wordt er voor het begrip leegstaan geen onderscheid gemaakt tussen het leegstaan van gebouwen en het leegstaan van woonruimten. In deze leegstandverordening gaat het enkel over woonruimten. Hieronder wordt verstaan het niet of niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht in gebruik zijn dan wel een gebruik dat de kennelijke strekking heeft afbreuk te doen aan de werking van de Leegstandwet of deze leegstandverordening. Een woonruimte wordt aangemerkt als leegstaand indien niemand daar zijn woonadres heeft als bedoeld in artikel 1.1. onder o, onder 1°, van de Wet basisregistratie personen. In deze wet wordt onder woonadres verstaan: 1.
het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste dagen zal overnachten; 2. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder 1, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zal overnachten. c. Tweede woning Een tweede woning is één zelfstandige woonruimte die niet dient als hoofdverblijf voor de gebruiker(s). De eigenaar van een tweede woning heeft zijn hoofdverblijf elders. De woonruimte wordt dus wel gebruikt, maar er staat niemand in het BRP ingeschreven. Het is in Utrecht toegestaan één tweede woning te gebruiken. Voor het in eigendom hebben van één tweede woning geldt in Utrecht alleen de meldplicht uit de leegstandverordening. d. wet Het begrip wet verwijst naar de Leegstandwet. e. woonruimte Onder woonruimte wordt verstaan een besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden. Deze definitie is overgenomen uit de Huisvestingswet 2014. Het begrip ‘gebouw’ in de Leegstandwet omvat ook woonruimte.
Het begrip ‘woonruimte’ is in de leegstandverordening afzonderlijk gedefinieerd. Daarmee wordt duidelijk dat de leegstandverordening alleen betrekking heeft op woonruimten
Artikel 2 Aanwijzing werkingsgebied Het werkingsgebied van dit hoofdstuk omvat alle woonruimten in de gemeente Utrecht met uitzondering van woonruimten in eigendom van toegelaten instellingen hoofdstuk 4 Woningwet.
Artikel 3 Meldplicht Zodra de woonruimten langer dan zes maanden leegstaat moet de eigenaar van de woonruimten die onder de leegstandverordening valt, de leegstand melden bij burgemeester en wethouders. De melding vindt plaats via een elektronisch formulier op de gemeentelijke website, die door burgemeester en wethouders is vastgesteld. De melding wordt geregistreerd.
Artikel 4 Leegstandlijst Dit artikel regelt dat burgemeester en wethouders een leegstandlijst bijhouden waarin woonruimten waarvoor een leegstandmelding is gedaan worden opgenomen. Woonruimten waarvan ambtshalve geconstateerd is dat ze leegstaan en waarvan de leegstand, bedoeld artikel 3, eerste lid, gemeld had moeten worden door de eigenaar, worden ook opgenomen op de leegstandlijst. De BAG-id (Basisregistratie Adressen en Gebouwen) wordt ook opgenomen in de leegstandlijst. De Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) bevat alle officiële, als zodanig toegekende, adressen op Nederlands grondgebied. Een adres is de door de bevoegde gemeente toegekende benaming, bestaande uit de naam van een openbare ruimte, een nummeraanduiding en woonplaats. In de BAG zijn, naast alle adressen, alle panden, verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen geregistreerd. Deze 'objecttypen' zijn afgebakend en voorzien van een unieke aanduiding.
Artikel 5 Leegstandoverleg Binnen twee maanden na een leegmelding wordt de eigenaar van een woonruimte uitgenodigd voor het leegstandoverleg over het gebruik van de woonruimte. Dit overleg kan uit meerdere gesprekken bestaan. Van dit leegstandoverleg wordt een verslag gemaakt waar de eigenaar een exemplaar van ontvangt.
Artikel 6 Leegstandbeschikking Artikel 6 bepaalt dat burgemeester en wethouders na het leegstandoverleg een leegstandbeschikking kunnen vaststellen. Het tweede lid bepaalt dat indien de eigenaar geen medewerking verleent aan het leegstandoverleg, burgemeester en wethouders ook een leegstandbeschikking kunnen vaststellen. Ook kunnen burgemeester en wethouders in de leegstandbeschikking de maximale marktconforme huurprijs vaststellen. Bij het vaststellen van de maximale marktconforme huurprijs zullen burgemeester en wethouders bij niet-geliberaliseerde woonruimten uitgaan van de maximale redelijke huurprijs op basis van het woningwaarderingsstelsel. Voor geliberaliseerde woonruimte is wettelijk geen maximale redelijke huurprijs geregeld. Bij het bepalen van de maximale marktconforme huurprijs voor geliberaliseerde woonruimten zullen burgemeester en wethouders een objectieve methode hanteren die uitgaat van de marktconforme huurprijs voor de woonruimte in de staat waarin het verkeert. De marktconforme huurprijs voor geliberaliseerde woonruimten wordt bepaald door een onafhankelijke taxateur.
Artikel 7 Leegstandbeheer Burgemeester en wethouders kunnen kwalitatieve eisen vaststellen voor leegstandbeheer van woonruimten, om de positie van de gebruikers te versterken.
Artikel 8 Voordracht gebruiker Het eerste en tweede lid bepalen dat burgemeester en wethouders aan de eigenaar van een leegstaande woonruimte, een gebruiker kan voordragen zodra die leegstand langer duurt dan twaalf maanden en in de leegstandbeschikking is vastgesteld dat de woonruimte geschikt is voor gebruik overeenkomstig de bestemming. Bovendien geldt dat de voordracht pas wordt gedaan als de eigenaar geen medewerking verleent aan het leegstandoverleg dan wel hetgeen is overeengekomen tijdens het leegstandoverleg niet nakomt. Een gebruiker kan één of meer natuurlijke personen of een rechtspersoon zijn. Als er een voordracht tot stand zal komen, wordt contact opgenomen met het huurteam. Het huurteam adviseert huurders en woningzoekenden en zijn een bekende partij in Utrecht die kosteloos toegankelijk is. Het huurteam houdt vanaf inschakeling een lijst woningzoekenden bij die als gebruiker voorgedragen kunnen worden door de
gemeente. De volgorde is gebaseerd op inschrijfduur oftewel hoe lang een persoon op de lijst staat bij het huurteam. Als voor gebruik van de woonruimte voorzieningen nodig zijn om weer op redelijkerwijze tot gebruik te kunnen dienen, kunnen burgemeester en wethouders bij de voordracht een termijn aangeven waarbinnen de eigenaar de aan te geven voorzieningen moet treffen. Het derde lid bepaalt dat de verplichtende voordracht vervalt indien de eigenaar binnen drie maanden een overeenkomst is aangegaan met een andere gebruiker, die de woonruimte binnen een redelijke termijn, dat wil zeggen twee maanden nadat die overeenkomst tot stand is gekomen, in gebruik neemt. Artikel 9 Bestuurlijke boete en last onder dwangsom Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van de meldplicht. De hoogte van deze boete staat in de tabel in bijlage 1. Onder professional wordt verstaan de eigenaar die twee of meer woonruimten in bezit heeft bestemd voor bedrijfsmatige activiteiten. Denk bijvoorbeeld aan woonruimten die bestemd zijn voor de verhuur. De ratio achter het verschil in boetebedragen is dat van professionals bij uitstek te verwachten valt dat zij zich houden aan de geldende regelgeving op de Utrechtse woningmarkt.
Naast een boete kan de gemeente ook een last onder dwangsom opleggen op grond van artikel 5:31d en 5:32 Algemene wet bestuursrecht en artikel 125 Gemeentewet. De dwangsom is een herstelsanctie, bedoeld voor het ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, het voorkomen van herhaling, dan wel het wegnemen of beperken van de gevolgen van de overtreding. De gemeenteraad acht de boete evenredig in de zin van artikel 6 van het EVRM. In het geval van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, die door de overtreder aannemelijk zijn gemaakt, is een lagere boete mogelijk. Dit artikel bevat de algemene bevoegdheid voor overheden, zoals de gemeente, om boetes in individuele situaties te matigen als er sprake is van bijzondere omstandigheden. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2096) heeft overwogen dat een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om een boete te matigen. Het is aan de overtreder om aan te tonen dat er omstandigheden zijn die nopen tot matiging.
Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel bepaalt dat deze verordening op 01-10-2023 in werking treedt en dat deze verordening wordt aangehaald als Verordening leegstand gemeente Utrecht.
1 Rapport RIGO Leegstandsanalyse Utrecht.pdf
RIGO Research en Advies Woon- werk- en leefomgeving www.rigo.nl
RAPPORT
Leegstandsanalyse Utrecht Gemeente Utrecht
De verantwoordelijkheid voor de inhoud berust bij RIGO. Het gebruik van cijfers en/of teksten als toelichting of ondersteuning in artikelen, scripties en boeken is toegestaan mits de bron duidelijk wordt vermeld. RIGO aanvaardt geen aansprakelijkheid voor drukfouten en/of andere onvolkomenheden.
RIGO Research en Advies Woon- werk- leefomgeving www.rigo.nl
RAPPORT
Leegstandsanalyse Utrecht Gemeente Utrecht
Opdrachtgever
Contactpersoon Lianne Wittkämper; lianne.wittkamper@utrecht.nl
Projectnummer P45550
Datum 2 maart 2023
Auteurs Tobias Meppelink; tobias.meppelink@rigo.nl Arend Jonkman; arend.jonkman@rigo.nl
Inhoud Inleiding
1
Verschil leegstandscijfers IIS-WOZ en LV-WOZ
1
Leegstandsanalyse
3
Utrecht en de G4
3
2.1.1
Situatie leegstand in 2021
3
2.1.2
Ontwikkeling leegstand 2018-2021
5
Leegstand Utrecht op buurtniveau
6
2.2.1
Situatie leegstand 2021
6
2.2.2
Ontwikkeling leegstand 2018-2021
11
Conclusie
16
Rapport Leegstandsanalyse Utrecht
Inleiding In dit rapport wordt de leegstand van woningen in de gemeente Utrecht beschreven. Er wordt gekeken naar de leegstand in de gemeente als geheel, en hoe deze zich verhoudt tot de andere G4-steden. Dit wordt gedaan voor zowel de situatie in 2021 als de ontwikkeling tussen 2018 en 2021. De huidige leegstand en ontwikkeling hiervan is tevens in kaart gebracht op buurtniveau. Naast aandelen leegstand wordt ook gekeken naar langdurige leegstand en leegstand na energiecorrectie. Woningen worden geoormerkt als l angdurig leegstaand, wanneer deze al meer dan één jaar leegstaan. Zo maakt men onderscheid tussen de langdurige, ‘problematische’ leegstand en zogenaamde frictieleegstand. Dit laatste is de tijdelijke leegstand van woningen als gevolg van verbouwing, renovatie of verhuizing. Een gezond aandeel frictieleegstand is een indicator van dynamiek van de woningmarkt. Zo schat de VNG een gangbare norm voor (frictie)leegstand op zo’n 2 procent van de voorraad. Daarnaast kan het voorkomen dat woningen officieel bestempeld zijn als leegstaand, terwijl deze de facto wel degelijk worden bewoond. Oorzaak kan bijvoorbeeld zijn dat bewoners zich niet hebben ingeschreven als bewoner van de woning bij de gemeente. Op papier staat de woning dan leeg, terwijl deze wel bewoond wordt.
Om dit tegen te gaan wordt er – in aanvulling op de officiële leegstandscijfers – gebruik gemaakt van een energiecorrectie. Bij leegstand zou men verwachten dat er relatief weinig energie verbruikt wordt. Energieverbruik kan dan ook een indicatie geven dat een woning tóch in gebruik is. Bij deze analyse worden leegstaande woningen alleen als zodanig beschouwd als zij in een kalenderjaar niet meer gas en/of elektra verbruiken dan de laagste tien procent van alle vergelijkbare bewoonde woningen. Dit geldt alleen voor woningen die zowel op het peilmoment zelf als een jaar eerder leeg stonden. Voor die woningen is een dergelijke hoog energieverbruik onwaarschijnlijk, en worden daarom niet gerekend als leegstaand.
Verschil leegstandscijfers IIS-WOZ en LV-WOZ De analyse berust op twee verschillende registratiemethoden van leegstandsmonitoring. Belangrijk is het verschil tussen deze methoden. Voor 1 januari 2020 werd enkel gebruik gemaakt van het Inkomensinformatiesysteem WOZ (IIS -WOZ). Sinds 1 januari 2020 wordt gebruik gemaakt van de Landelijk voorziening WOZ (LV-WOZ). Deze bron is nauwkeuriger doordat gekeken kan worden naar één peildatum en vollediger doordat het meer relaties met de Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG) waarmee het g ebruik kan worden vastgesteld 1. Deze trendbreuk in gehanteerde methode zorgt ervoor dat alleen gegevens vastgesteld d.m.v. het IIS-WOZ verder in de tijd terug gaan dan 2020. Wil men dus de trend over een langere periode dan twee jaar analyseren, dan ben je dus aangewezen op het IIS -WOZ. In deze memo zijn de analyses op buurtniveau evenals vergelijkingen tussen de G4 gedaan
1
Zie voor nadere toelichting op het verschil tussen de twee methodes: https://dashboards.cbs.nl/v3/landelijke_monitor_leegstand/
Rapport Leegstandsanalyse Utrecht
1
o.b.v. de IIS-WOZ. Het LV-WOZ wordt gebruikt voor analyses van de leegstandssituatie in 2021. Verder wordt het percentage leegstand bepaald o.b.v. de zogeheten Leegstandpopulatie. Dit is de totale vastgoedvoorraad min een aantal uitgesloten objecten. Voorbeelden van uitgesloten objecten zijn ruimten die te klein en dus ongeschikt voor mensen of economische activiteit, recreatiewoningen, nutsvoorzieningen, etc. Deze zijn eruit gelaten omdat het de daadwerkelijke leegstandssituatie zou kunnen vertekenen.
Rapport Leegstandsanalyse Utrecht
2
Leegstandsanalyse Utrecht en de G4 Eerst wordt gekeken naar Utrecht en de andere G4 -steden. In dit hoofdstuk zijn voor elk van deze gemeenten verschillende leegstandcijfers te zien. Het gaat hier om de Leegstandpopulatie, dat wil zeggen het aantal woningen na correctie van bijvoorbeeld recreatie woningen en dergelijke.
2.1.1 Situatie leegstand in 2021 In tabel 1 is te zien dat de gemeente Utrecht relatief weinig leegstand kent in vergelijking met de andere drie gemeenten. Zowel Rotterdam als Amsterdam hebben een flink hoger aandeel leegstaande woningen. Alleen in Den Haag is het aandeel leegstaande woningen kleiner dan in Utrecht. Tabel 1 – Aantal en aandeel leegstand per gemeente in 2021. Bron: CBS; bewerking RIGO. Gemeente
Aantal woningen
Leegstaande woningen
Procent leegstand
Utrecht
157.980
4.270
2,7%
Amsterdam
446.820
19.810
4,4%
Den Haag
260.200
4.590
1,8%
Rotterdam
313.760
13.770
4,4%
Echter, woningen kunnen ook officieel bestempeld zijn als leegstaand, terwijl deze in de praktijk wel degelijk worden bewoond 2. Om hier beter zicht op te krijgen, kan worden gekeken naar leegstand na energiecorrectie. In tabel 2 is te zien dat deze energiecorrectie voor alle gemeenten wordt bijgewerkt naar beneden. Dezelfde vergelijking kan worden gemaakt: Utrecht kent minder leegstand na de energiecorrectie dan Amsterdam en Rotterdam, maar houdt een hoger leegstandspercentage dan Den Haag.
2
De afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving heeft in 2017 en 2018 honderd administratief leegstaande woningen gecontroleerd, zie de Raadsbrief Leegstandverordening van 27 januari 2021. Daaruit bleek dat het overgrote deel (96 woningen) wel gebruikt werd, maar dat het ging om illegaal gebruik (bijvoorbeeld logies) of dat bewoners zich niet hadden ingeschreven. In vier gevallen stond de woning daadwerkelijk leeg. Bij veertig controles in 2019 was in alle gevallen sprake van illegaal gebruik als tijdelijk verblijf. Het gaat hierbij niet om een representatieve steekproef. De controles laten wel zien dat administratieve leegstaande woningen in veel gevallen niet leegstaan, maar dat het gaat om andere vormen van (illegaal) gebruik en het niet bij de gemeente inschrijven door bewoners.
Rapport Leegstandsanalyse Utrecht
3
Tabel 2 – Aantal en aandeel leegstand na energiecorrectie per gemeente in 2021. Bron: CBS; bewerking RIGO. Gemeente
Aantal woningen
Leegstaande woningen na energiecorrectie
Procent leegstand na energiecorrectie
Verschil t.o.v. officiële leegstand
Utrecht
157.980
2.980
1,9%
-0,8%
Amsterdam
446.820
14.900
3,3%
-1,1%
Den Haag
260.200
2.820
1,1%
-0,7%
Rotterdam
313.760
9.900
3,2%
-1,2%
Vervolgens zoomen we in op langdurige leegstand: woningen die al meer dan één jaar leegstaan. Deze gegevens schetsen een ander beeld, zoals te zien in tabel 3. Te zien is dat Utrecht de laagste langdurige leegstand heeft in vergelijking met de andere G4-gemeenten. Ruim een derde van de leegstaande woningen in Utrecht staat langer dan een jaar leeg. Dit is net iets minder dan de 41 procent in Rotterdam, en een flink lager aandeel dan de zestig procent in Amsterdam en Den Haag.
Tabel 3 – Aantal en aandeel langdurige leegstand per gemeente in 2021. Bron: CBS; bewerking RIGO. Gemeente
Aantal woningen
Leegstaande woningen
Utrecht
157.980
4.270
1 590
1,0%
37%
Amsterdam
446.820
19.810
7 270
1,6%
60%
Den Haag
260.200
4.590
2 750
1,1%
60%
Rotterdam
313.760
13.770
5 700
1,8%
41%
Rapport Leegstandsanalyse Utrecht
Langdurig leeg- Procent langdu- Procent langdustaande woninrige leegstand rige leegstand gen t.o.v. totale t.o.v. leegstand voorraad
4
2.1.2 Ontwikkeling leegstand 2018-2021 Hier wordt gekeken naar de ontwikkeling van de leegstandcijfers in de periode 2018 t/m 2021. Belangrijk is om te onthouden dat deze cijfers zijn berekend door middel van het IIS-WOZ. Deze cijfers zijn dus niet hetzelfde als de cijfers die in het vorige hoofdstuk zijn besproken. In figuur 1 is te zien dat de officiële leegstandscijfers voor de gemeente Utrecht in de gehele vierjarige periode om en nabij de 1,5 procent schommelen; er is geen stijgende/dalende trend te zien. Dit in contrast met Amsterdam en Den Haag, waar duidelijk een daling is te zien in de afgelopen vier jaar. De leegstandscijfers na energiecorrectie laten vrijwel hetzelfde beeld zien als figuur 1.
Figuur 1 – Aandeel leegstand per ge meente over de periode 2018 t/m 2021. Bron: CBS; bewerking RIGO.
Als wordt gekeken naar de ontwikkeling van langdurige leegstand (langer dan één jaar), dan is te zien dat dit over de laatste jaren is toegenomen voor Utrecht. Vooral valt de toename in 2021 t.o.v. voorgaande jaren op. Ook voor Amsterdam en Den Haag is te zien dat langdurige leegstand is toegenomen tussen 2018 en 2021. Uitzondering is Rotterdam, die een daling heeft meegemaakt.
Rapport Leegstandsanalyse Utrecht
5
Figuur 2 – Aandeel langdurige leegstand per gemeente over de periode 2018 t/m 2021. Bron: CBS; bewerking RIGO.
De cijfers in figuur 2 wekken de indruk dat gemeente Amsterdam minder langdurige leegstand heeft dan gemeente Utrecht. Zoals te zien was in eerder wee rgegeven tabel 3 is dit niet het geval. Figuren 1 & 2 dienen alleen om een beeld te krijgen van de ontwikkelingen in de gemeenten. Voor up-to-date en nauwkeurige cijfers over leegstand is het advies om de LV-WOZ cijfers aan te houden uit deel 2.1.1.
Leegstand Utrecht op buurtniveau In dit onderdeel wordt ingezoomd op de gemeente Utrecht. De leegstand in de gemeente per 2021 is op buurtniveau in kaart gebracht, wederom met behulp van LV-WOZ gegevens. Voor de ontwikkeling van de verschillende leegstand -indicatoren tussen 2018 en 2021 zijn er indexen gemaakt, d.m.v. IIS-WOZ gegevens.
2.2.1 Situatie leegstand 2021 Het aandeel huidige leegstand per buurt is weergegeven in figuur 3. Er is duidelijk te zien dat leegstand zich clustert in de noordelijke delen van Kanalen eiland, Transwijk en in vrijwel de gehele binnenstad. Ook in Leidsche Rijn, met name het oostelijke deel van de wijk, zien we hoge aandelen leegstand. Daarnaast is er aanzienlijke leegstand in de noordoostelijke buurten van Overvecht en in Haarzuilens e.o.. Verder geldt voor grote delen van Overvecht, Utrecht-Noordwest en Utrecht-Oost dat er ook relatief veel leegstand is te zien in de buurten. Wanneer wordt gekeken naar leegstand na energiecorrectie (figuur 4), blijven vooral de aandelen leegstand in Haarzuilens e.o. en het oosten van Leidsche Rijn relatief hoog. In de binnenstad, Kanaleneiland en Transwijk is te zien dat de leegstandscijfers al enigszins naar beneden worden bijgesteld door de energiecorrectie. Voor resterende gebieden in het centrum en het noorden van de stad geldt ook dat de cijfers na energiecorrectie lager uitvallen.
Rapport Leegstandsanalyse Utrecht
6
De langdurige leegstand (woningen die leegstaan voor een periode van langer dan één jaar) als een percentage van de totale leegstand is weergegeven in figuur 5. Voor een rel atief groot aantal buurten zijn er helaas geen gegevens bekend van langdurige leegstand. In veel gevallen komt dit doordat het aantal langdurig leegstaande panden zo gering is (vaak kleiner dan 10) dat het CBS dit niet rapporteren mag. De gegevens die er z ijn, betreffen vooral buurten in het stadscentrum of hier relatief dichtbij, op een aantal uitzonderingen na. Langdurige leegstad is duidelijk te zien in centrale buurten als Wittevrouwen, Domplein, Nieuwgracht-Oost, Springweg e.o. en Geertebuurt. Verder van de binnenstad, is langdurige leegstand van woningen vooral te vinden in Kanaleneiland, de Transwijk en de noordelijke punt van Leidsche Rijn. In figuur 6 is te zien dat de langdurige leegstand als percentage van de totale woningvoorraad relatief hoog is in delen van de binnenstad, Leidsche Rijn en Kanaleneiland.
Figuur 3 – Percentage leegstand voor Utrechtse buurten in 2021. Bron: CBS; bewerking RIGO.
Rapport Leegstandsanalyse Utrecht
7
Figuur 4 – Percentage leegstand na energiecorrectie voor Utrechtse buurten in 2021. Bron: CBS; bewerking RIGO.
Rapport Leegstandsanalyse Utrecht
8
Figuur 5 – Percentage langdurige leegstand t.o.v. totale leegstand voor Utrechtse buurten in 2021. Bron: CBS; bewerking RIGO .
Rapport Leegstandsanalyse Utrecht
9
Figuur 6 – Percentage langdurige leegstand t.o.v. totale voorraad voor Utrechtse buurten in 2021. Bron: CBS; bewerking RIGO.
Rapport Leegstandsanalyse Utrecht
10
2.2.2 Ontwikkeling leegstand 2018-2021 Voor de ontwikkeling van leegstand per buurt, zijn er indexcijfers geproduceerd. Deze vergelijkt het aandeel leegstand in 2021 met het aandeel in 2018. Is deze gelijk gebleven, dan is het indexcijfer 100. Wanneer het aandeel leegstand is gegroeid, dan is deze groter dan 100. Bij afname is er sprake van een indexcijfer onder de 100. Hoe sterker de toename of afname is geweest, hoe verder het cijfer van de 100 zal liggen. In figuur 7 zijn deze indexcijfers in kaart gebracht voor de officiële leegstand in de gemeente. In het noorden van Leidsche Rijn is de leegst and flink toegenomen de afgelopen vier jaar. Het zelfde geldt voor meerdere buurten in Overvecht en Utrecht-Noordwest (Tigrisdreef e.o., Vechtzoom-zuid, Schaakbuurt, Taagdreef en Neckardreef). Ook is leegstand fors toegenomen in enkele buurten nabij het stadscentrum, namelijk Lombok-West, LangeNieuwstraat e.o. en nabij de Egelantierstraat. Daarnaast is de leegstand ook flink afgenomen in een aanzienlijk aantal buurten verder van het stadscentrum af. In het oosten van Utrecht-Noordoost en Utrecht-Oost zijn forse dalingen te zien in de afgelopen vier jaar. Hetzelfde geldt voor Lunetten in het zuiden, en voor De Meern-zuid, Vleuterwelde en Veldhuizen in het westen van de stad. Verder zijn er enkele buurten rondom de binnenstad met een flink gedaalde leegstand .
Na toepassing van de energiecorrectie is te zien dat de ruimtelijke verdeling van leegstand nagenoeg hetzelfde patroon volgt (figuur 8). Het zijn ook hier de buurten in het noorden van de stad waar relatief forse toenames waren in het aandeel leegstaande woningen. In Lunetten en buurten in het oosten van de stad zijn is te zien dat door de energiecorrectie de daling in leegstand iets is bijgesteld. Tegelijkertijd geeft de correctie weer dat leegstand in een aantal centraal gelegen buurten meer is gestegen dan de officiële cijfers weergeven. Het gaat hier om de buurten als Buiten-Wittevrouwen, Zeeheldenbuurt en het Domplein. Ten slotte wordt gekeken naar het aandeel langdurige leegstand. Figuur 9 geeft weer dat voor een aanzienlijk deel van de Utrechtse buu rten er geen gegevens beschikbaar zijn over langdurige leegstand. Het aandeel langdurige leegstand t.o.v. het totale aandeel leegstand is voor een groot aantal buurten (flink) toegenomen. Dit geldt voor een groot aantal buurten ten noorden en oosten van het stadscentrum. Ook in zuidelijkgelegen buurten, zoals de Rivierenwijk, Kanaleneiland-zuid, Oud Hoograven-zuid en Lunetten, is het aandeel langdurige leegstand t.o.v. totale leegstand toegenomen. Een aantal buurten kent ook grote afname, zoals binnenstedelijke buurten als Hoog Catherijne en Lombok. In figuur 10 is de verandering in langdurige leegstand t.o.v.
de totale woningvoorraad te zien. Hieruit op te merken is dat toename in langdurige leegstand zich vooral concentreert in Utrecht-West en Overvecht.
Rapport Leegstandsanalyse Utrecht
11
Figuur 7 – Verandering in leegstand tussen 2018 en 2021 voor Utrechtse buurten. Bron: CBS; bewerking RIGO.
Rapport Leegstandsanalyse Utrecht
12
Figuur 8 – Verandering in leegstand na energiecorrectie tussen 2018 en 2021 voor Utrech tse buurten. Bron: CBS; bewerking RIGO.
Rapport Leegstandsanalyse Utrecht
13
Figuur 9 – Verandering in langdurige leegstand t.o.v. de totale leegstand tussen 2018 en 2021 voor Utrechtse buurten. Bron: CBS; bewerking RIGO.
Rapport Leegstandsanalyse Utrecht
14
Figuur 10 – Verandering in langdurige leegstand t.o.v. de totale woningvoorraad voor Utrechtse buurten in 2021. Bron: CBS; bewerking RIGO.
Rapport Leegstandsanalyse Utrecht
15
Conclusie Leegstand wordt gezien als onwenselijk, zeker gezien het aanzienlijke woningtekort en de gevolgen die schaarste van woningen in verschillende segmenten met zich meebrengt. De gemeente Utrecht verkent de mogelijkheden voor de invoering van een Leegstandverordening als aanvulling op een bredere leegstandsaanpak. Daarvoor is in dit rapport onderzocht in welke mate (langdurige) leegstand van woningen voorkomt in verschillende delen van de gemeente. Dat geeft een indicatie in welke mate een leegstandsverordening kan bijdragen aan het beter benutten van de bestaande woningvoorraad. Of deze potentiële effecten opwegen tegen de lasten die gepaard gaan met een vergunningstelsel valt buiten de scope van deze rapportage. Met deze analyse is de omvang en aard van woningleegstand in beeld gebracht op basis van cijfers van het CBS. Daarbij is de leegstand in perspectief geplaatst door deze te vergelijken met de andere drie grote steden en is voor Utrecht hoeveel woningen leegstaan in verschillende buurten. Daarbij is zowel de situatie in 2021 als de ontwikkeling in de periode 2018 tot en met 2021 verkend. In deze periode van 2018 tot en met 2021 is de leegstand toegenomen (ook na energiecorrectie) in een aantal buurten; voornamelijk net ten oosten van het stadscentrum en in het noorden van de stad.
Wel is in een groot deel de Utrechtse buurten een toename t e zien in het aandeel langdurige leegstand. Leegstaande woningen maken in 2021 in buurten in van de binnenstad en ten westen daarvan een relatief groot aandeel uit van de totale woningvoorraad. Dit geldt ook voor delen van Zuidwest-Utrecht, Overvecht en Leidsche Rijn; na energiecorrectie geldt dit nog voornamelijk voor laatstgenoemde. Langdurige leegstand clustert zich voornamelijk ten oosten van de binnenstad en in Zuidwest. Al met al is de leegstand in de gemeente Utrecht iets lager dan in de andere grote steden. Waar in Amsterdam en Rotterdam circa 4,4 procent van de voorraad leegstaande woningen zijn, is dit 2,7 procent in Utrecht – maar 1,8 procent in Den Haag. Dat betekent dat ongeveer 4.300 woningen in de gemeente Utrecht administratief leegstaan. De energiecorrectie geeft weer dat het daadwerkelijke aantal vermoedelijk iets lager ligt, bij benadering zijn dit drieduizend woningen. Hiermee is het aandeel rond de twee procent, volgens de VNG de norm voor een gezonde woningmarkt. Van de officiële leegstand in de gemeente is 37 procent langdurig; laag in vergelijk met Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. In absolute aantallen gaat het in Utrecht om meer dan 1.500 langdurig leegstaande woningen – en daarmee een procent van de gehele Utrechtse woningvoorraad.
Rapport Leegstandsanalyse Utrecht
16
3.3 Raadsvoorstel Zienswijze Programmabegroting 2024 RUD Utrecht 1 Programmabegroting 2024 RUD Utrecht.pdf
Ontwerp Programmabegroting 2024 31 maart 2023
Inhoud 1.
Inleiding .......................................................................................................................................2
2.
Algemeen......................................................................................................................................3
3.
4.
5.
2.1.
Uitgangspunten van de begroting 2024 ......................................................................................3
2.2.
Verwerking beleidsmatige ontwikkelingen en keuzes zoals beschreven in de kadernota ..................3
2.3.
Financiële positie per 31 december 2024 ....................................................................................3
2.4.
Staat van baten en lasten over 2024..........................................................................................4
Programma’s ................................................................................................................................7 3.1.
Indicatoren..............................................................................................................................7
3.2.
Programma Handhaving ...........................................................................................................9
3.3.
Programma Vergunningverlening ...............................................................................................9
3.4.
Programma Bedrijfsvoering .......................................................................................................9
Paragrafen .................................................................................................................................. 11 4.1.
Weerstandsvermogen en risicomanagement ............................................................................. 11
4.2.
Financiering........................................................................................................................... 13
4.3.
Bedrijfsvoering ...................................................................................................................... 14
4.4.
Onderhoud Kapitaalgoederen .................................................................................................. 14
4.5.
Incidentele baten en lasten ..................................................................................................... 14
Bijlagen ...................................................................................................................................... 15 5.1.
Meerjarenperspectief financiële positie ..................................................................................... 15
5.2.
Meerjarenperspectief staat van baten en lasten ........................................................................ 16
5.3.
Begrotingswijziging ................................................................................................................ 17
5.4.
Ontwikkeling variabele bijdrage ............................................................................................... 18
Ontwerp Programmabegroting 2024 Status: t.b.v. vergadering Algemeen Bestuur d.d. 31 maart 2023
Pagina 1 van 18
1. Inleiding Voor u ligt de Programmabegroting 2024 van de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (RUD Utrecht). De Programmabegroting 2024 is sluitend, evenals het meerjarenperspectief voor de periode 2023 – 2027. Er zijn echter nog wel enkele ontwikkelingen die invloed kunnen hebben op de Programmabegroting 2024, die nog niet financieel verwerkt zijn in deze begroting. Dit betreft een gedeelte van de effecten die de invoering van de Omgevingswet op de RUD Utrecht zal gaan hebben. Bij de invoering van de Omgevingswet moet dan gedacht worden aan nieuwe of veranderde producten en diensten alsmede de verschuiving van bodemtaken. De verschuiving van bodemtaken brengt voor de RUD Utrecht en haar deelnemers een risico met zich mee. Onder de Omgevingswet verschuift het bevoegd gezag van de provincie naar de gemeenten. De verschuiving inclusief een nieuwe wet zorgen ervoor dat op een aantal onderdelen inschattingen moeten worden gemaakt. Deze zijn gezamenlijk met de deelnemers alsmede de OdrU gemaakt. Dat wat we met elkaar kunnen voorzien hebben we dan ook in deze begroting verwerkt. Op basis van de uitvoering met bijbehorende monitoring moeten we dit misschien in 2024 bijstellen. De invoeringsdatum van de Omgevingswet is 1 januari 2024. Het jaar 2024 is het eerste jaar onder de Omgevingswet zijn.
Het Algemeen Bestuur heeft op 30 september 2021 besloten in te stemmen met het vastzetten van de variabele bijdrage voor het jaar waarin de Omgevingswet in werking zal treden. De komst van de Omgevingswet is namelijk een uitdaging voor zowel gemeenten als provincie, maar ook de RUD Utrecht moet voldoende geëquipeerd zijn om onder de nieuwe wetgeving het werk op een goede manier uit te kunnen voeren. De invoering van de Omgevingswet is de uitgelezen kans om de eerste belangrijke stappen te zetten op het gebied van de ontwikkelrichting voortkomend uit ‘Kleur bekennen’ en het traject ‘Samen op weg’. De expertise, kennis en data die bij de RUD Utrecht aanwezig is zal steeds meer worden ingezet om beleidskeuzes van de deelnemers te ondersteunen en faciliteren. De verandering heeft zowel personele effecten (onder meer gewenste competenties en gedrag), maar stelt ook andere eisen aan bijvoorbeeld systemen. Het is helaas nog steeds niet volledig duidelijk hoe het (basis)takenpakket er per deelnemer uit zal gaan zien onder de Omgevingswet. Zowel binnen het programma Omgevingswet als het traject ‘Samen op weg’ is de RUD druk bezig geweest in 2022 om dit in samenwerking met alle deelnemers uit te werken. Gedurende 2023 zullen wij ons voornamelijk richten op de samenwerkingsafspraken verder vorm geven.
De effecten van eventuele aanpassingen in het (basis)takenpakket die we gezamenlijk nog niet hebben voorzien kunnen mogelijk gevolgen hebben voor de variabele en vaste bijdrage van onze deelnemers. Mocht dit zo zijn dan zullen begrotingswijzingen volgen die worden voorgelegd voor besluitvorming. Bij dit alles blijft de doelstelling dat opdrachtgevers, bedrijven en bewoners optimaal kunnen profiteren van het bundelen van de krachten op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. De RUD Utrecht wil een betrouwbare partner zijn die meer kwaliteit levert en eenvoudiger werkt dan met twaalf afzonderlijke afdelingen mogelijk was en zo een structurele bijdrage blijven leveren aan een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving.
Ontwerp Programmabegroting 2024 Status: t.b.v. vergadering Algemeen Bestuur d.d. 31 maart 2023
Pagina 2 van 18
2. Algemeen 2.1.
Uitgangspunten van de begroting 2024
In deze programmabegroting is in hoofdstuk 2.2 een toelichting opgenomen over de verwerking van de beleidsmatige ontwikkelingen en keuzes zoals beschreven in de kadernota. Er is één onderdeel dat echter nog teveel onzekerheid kent om volledig financieel vertaald te worden in deze begroting: - Eventuele nog niet voorzienbare gevolgen van inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. De belangrijkste financiële uitgangspunten zijn: - De voor 2024 gehanteerde financieringssystematiek is onveranderd; - Het Algemeen Bestuur heeft op 30 september 2021 besloten in te stemmen met het vastzetten van de variabele bijdrage voor het jaar waarin de Omgevingswet ingaat. Dit betreft het begrotingsjaar 2024; - De uren zoals vastgelegd in de op dit moment geldende DVO’s (en uitvoeringsplannen 2023) en de ingeschatte afname van bodemtaken zijn het uitgangspunt voor de verdeling van de vaste bijdrage en de basis voor de opgenomen variabele bijdragen; - Er is nog geen rekening gehouden met eventuele aanvullende opdrachten, danwel mogelijke wijzigingen in de DVO's voor het jaar 2024; - Er wordt gebruik gemaakt van een tweetal tarieven, één voor handhaving: € 71,60 (2023: € 66,00) en één voor vergunningverlening: € 77,00 (2023: € 73,00).
Voor het vaststellen van de tarieven is gekeken naar de CAO-stijging die in de Septembercirculaire provinciefonds 2022 door de Rijksoverheid voor 2024 is vastgesteld (+4,2%). Verder is de som van de individuele stijgingen in relatieve salarispositie van de medewerkers hierin meegenomen (+1%). Gemiddeld stijgen de tarieven met 6,8%, deels dus ingegeven door de hoge CAOstijging en de individuele stijgingen. Daarnaast dwingt de krapte in de arbeidsmarkt de RUD Utrecht steeds vaker om medewerkers te laten instromen in een hogere aanloopschaal dan aanvankelijk gebruikelijk was en dienen we dit in de tarieven mee te nemen; - Voor aanvullende opdrachten wordt op basis van de kosten (inhuur of eigen medewerkers) een voorstel gedaan aan de opdrachtgever. Dit uurtarief is minimaal € 85,00, maar kan (aanzienlijk) hoger zijn indien specialistische kennis moet worden ingehuurd; - Er is nog geen rekening gehouden met de wijzigingen aan (de afgenomen) producten en diensten die voort zullen vloeien uit de overgang naar de Omgevingswet; - Er is naar de laatste inzichten rekening gehouden met de toename van bodemtaken bij de gemeenten als gevolg van de invoering van de Omgevingswet, waardoor het bevoegd gezag verschuift.; - Er is nog niet volledig rekening gehouden met hoe het pakket van basistaken onder de Omgevingswet effect gaat hebben op de afname en bijdrage van deelnemers.
Dat wat we kunnen inschatten is verwerkt, daar waar het nog niet duidelijk is, wordt uitgegaan van huidige wetgeving. De verwachting is echter dat dit tot beperkte wijzigingen leidt. Wijziging van de DVO alsmede ontwikkelingen met betrekking tot de hierboven genoemde onzekerheden kunnen zowel een effect gaan hebben op de variabele als vaste bijdrage van onze deelnemers. Deelnemers zijn ook afhankelijk, met betrekking tot de hoogte van hun vast bijdrage, van de keuzes die andere deelnemers maken.
2.2.
Verwerking beleidsmatige ontwikkelingen en keuzes zoals beschreven in de kadernota
Voor de (beleidsmatige) ontwikkelingen van de RUD Utrecht in het jaar 2024 verwijzen we naar de kadernota 2024. De hierin beschreven richting en voorstellen zijn financieel verwerkt in deze programmabegroting. Eventuele onzekerheden die nog bestaan en niet financieel konden worden vertaald zijn in deze begroting tekstueel toegelicht.
2.3.
Financiële positie per 31 december 2024
In deze paragraaf is de geprognosticeerde financiële positie per 31 december 2024 opgenomen inclusief bijbehorende toelichtingen. Voor het meerjarenperspectief van de financiële positie voor 2023 – 2027 wordt verwezen naar bijlage 4.1. Meerjarenperspectief financiële positie.
Ontwerp Programmabegroting 2024 Status: t.b.v. vergadering Algemeen Bestuur d.d. 31 maart 2023
Pagina 3 van 18
Financiële positie per 31 december 2024 ACTIVA Vaste activa - Investeringen met een economisch nut €
31 december 2024 497.000
Materiële vaste activa
€
PASSIVA Vaste passiva - Algemene reserve 497.000 - Bestemmingsreserves - Gerealiseerd resultaat
31 december 2024 € € €
Eigen vermogen
Totaal vaste activa Vlottende activa - Vorderingen op openbare lichamen - Uitzettingen in 's Rijks schatkist
Uitzettingen met een rente typische looptijd korter dan één jaar
€ € €
677.000 2.849.000
Overlopende activa - Banksaldi
Liquide middelen
€
250.000
Totaal vlottende activa Totaal generaal
497.000 Totaal vaste passiva Vlottende passiva - Overige schulden
277.000 Overlopende passiva
€
250.000
€ 1.280.000 € 1.280.000
Netto vlottende schulden met een rente € 3.526.000 typische looptijd korter dan één jaar €
566.000 712.000 2.000
€
376.000
€
376.000
€ 2.894.000
€ 4.053.000 Totaal vlottende passiva € 4.550.000 Totaal generaal
€ 3.270.000 € 4.550.000
De financiële positie per 31 december 2024 In de financiële positie per 31 december 2024 zijn geen uitgangspunten verwerkt buiten de reguliere activiteiten van de RUD Utrecht. Onderhanden zaken ontstaan in verband met het afrekenen onder outputfinanciering. In de financiële positie zijn deze niet weergegeven, omdat er zowel een schuldpositie als voorschotten van éénzelfde omvang bestaan.
2.4.
Staat van baten en lasten over 2024
In deze paragraaf is de geprognosticeerde staat van baten en lasten over 2024 opgenomen inclusief bijbehorende toelichtingen. Voor het meerjarenperspectief van de staat van baten en lasten voor 2023 – 2027 wordt verwezen naar bijlage 4.2. Meerjarenperspectief staat van baten en lasten.
1 Handhaving
Baten
Lasten
Saldo
€
7.316.000 €
7.262.000
€
54.000
Directe variabele kosten
€
6.159.000 €
6.105.000
€
54.000
Directe vaste kosten
€
1.157.000 €
1.157.000
€
-
2 Vergunningverlening
€
6.482.000 €
6.529.000
€
-47.000
Directe variabele kosten
€
5.442.000 €
5.489.000
€
-47.000
Directe vaste kosten
€
1.040.000 €
1.040.000
€
-
3 Bedrijfsvoering
€
4.649.000 €
4.499.000
€
150.000
Totaal programma's
€
18.447.000
€ 18.290.000
€
240.000
Stelpost loon- en prijscompensatie Onvoorzien Totaal saldo van baten en lasten
€
325.000
€
19.012.000
Toevoegingen en onttrekking aan reserves: - Doorontwikkelen RUD Gerealiseerd resultaat
€
-
€
19.012.000
€
157.000
€
240.000 €
-
€
325.000 €
€ 18.855.000
-
€
157.000
€
150.000 €
-150.000
€
150.000 €
-150.000
€ 19.005.000
€
7.000
Toelichting op de staat van baten en lasten over 2024 Ten opzichte van de kadernota 2024 hebben we de begroting aangepast op basis van de nieuwste uitvoeringsplannen, aangezien dit een realistischere inschatting is voor het jaar 2024. De afname binnen de DVOafspraken is verhoogd. Als gevolg hiervan zijn de variabele bijdragen van deze deelnemers en de daarmee samenhangende salariskosten binnen de programma's Handhaving en Vergunningverlening aangepast. Bij de berekening van de vaste en variabele bijdrage is gebruik gemaakt van de DVO’s voor die deelnemers waar de DVO’s opnieuw zijn vastgesteld. Ontwerp Programmabegroting 2024 Status: t.b.v. vergadering Algemeen Bestuur d.d. 31 maart 2023
Pagina 4 van 18
De Omgevingswet is opnieuw uitgesteld; nu naar 1 januari 2024. In de kadernota 2024 gingen we nog uit van een ingangsdatum van de wet op 1 juli 2023 en, met het verschuiven van het bevoegd gezag van Provincie Utrecht naar gemeenten, een afbouw van de uren van de provincie van ongeveer 10%. Deze verlaging zal naar verwachting pas in 2025 zijn en daarmee verwachten we in 2024 daarom ruim 2.000 uur meer afname dan in de kadernota 2024 opgenomen was. In totaal is de variabele bijdrage met € 1.907.000 verhoogd ten opzichte van de begroting van 2023 (eerste begrotingswijziging 2023). Ten opzichte van de kadernota 2024 is de variabele bijdrage met € 929.000 verhoogd. In bijlage 5.4 is een analyse opgenomen van de ontwikkeling van de variabele bijdrage van de begroting 2024 ten opzichte van de begroting 2023. De ‘Stelpost loon- en prijs compensatie’ betreft de prijscompensatie. De looncompensatie is al doorgerekend in de programma’s. Hiermee sluiten wij beter aan bij de werkelijke kosten per programma. De RUD Utrecht heeft de verschillende materiele kostenposten in de begroting van totaal € 3.296.000 niet aangepast voor de te verwachten prijsstijging. Wel is er in de begroting een post opgenomen om de prijsstijging van deze kosten op te kunnen vangen (stelpost prijscompensatie). Uiteraard is de prijsstijging tussen 2023 (huidig jaar) en 2024 nog onzeker.
De RUD Utrecht maakt voor een inschatting gebruik van de Septembercirculaire van de rijksoverheid. De verwachting is dat de prijzen in 2023 met 4% zullen stijgen en in 2024 met 4,2%. Op totaalniveau verwachten we dus een prijsstijging van € 239.000. De stelpost is om deze reden verhoogd naar € 240.000. De post Onvoorzien is verhoogd naar € 325.000. De totale begroting van de RUD Utrecht is tussen 2014 (jaar van oprichting) en 2024 (jaar van deze kadernota) gestegen van € 10,9 miljoen naar € 18,9 miljoen. Behalve in het jaar van Oprichting waarin de post onvoorzien € 329.000 bedroeg is de post onvoorzien elk begrotingsjaar ongeveer gelijk gebleven (€ 225.000). Uiteraard brengt een groeiende begroting (72% tussen 2014 en 2024) meer risico’s met zich mee. Daarnaast zien we ook dat Omgevingsdiensten de komende jaren te maken hebben met veel onzekerheden. Voorbeelden hiervan zijn de komst van de Omgevingswet, de benodigde doorontwikkelingen van de organisatie en opvolging van het rapport van Aartsen en het Inter Bestuurlijk Programma (IBP). Om deze reden is voorgesteld de post te verhogen. De begrotingswijziging ten opzichte van de kadernota 2024 is opgenomen in bijlage 5.3. Begrotingswijziging.