Agendabundel
Tekst van het document
Van de vaststelling door het Algemeen Bestuur van een dergelijke begrotingswijziging wordt mededeling gedaan aan de vertegenwoordigende organen.
Artikel 36: Bijdrage deelnemers 1. 2. 3. 4.
In de begroting wordt aangegeven de door elke deelnemer, voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft, verschuldigde bijdrage. De deelnemers betalen bij wijze van bevoorschotting volgens een nader vast te stellen ritme. De deelnemers dragen zorg voor dat de BghU te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. De deelnemers staan gezamenlijk garant voor de juiste betaling van rente, aflossing, boeten en kosten van de door de BghU af te sluiten langlopende leningen, kasgeldleningen en in rekening courant op te nemen gelden, naar verhouding van de in het eerste lid bedoelde bijdrage op 1 januari van het jaar waarin de rente en aflossing is verschuldigd.
Afdeling 3: Jaarrekening Artikel 37: Jaarrekening en jaarverslag 1. 2. 3. 4. 5.
Van in de inkomsten en uitgaven van de BghU over het afgelopen jaar wordt door het Dagelijks Bestuur verantwoording afgelegd aan het Algemeen Bestuur onder overlegging van de jaarrekening met de daarbij behorende bescheiden. Het Dagelijks Bestuur zendt vóór 30 april van het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking hebben, de voorlopige jaarstukken, bestaande uit de concept jaarrekening en het concept jaarverslag, aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers van de BghU. Het Algemeen Bestuur stelt jaarlijks vóór 15 juli volgende op het jaar waarop deze betrekking hebben, de jaarstukken vast. Het Dagelijks Bestuur zendt de jaarstukken binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarstukken betrekking hebben, toe aan gedeputeerde staten van Utrecht. Na vaststelling van de jaarstukken zendt het Dagelijks Bestuur deze aan de vertegenwoordigende organen.
Artikel 38: Definitieve bijdrage 1. 2.
In de jaarrekening wordt de door elk van de deelnemers over het betreffende dienstjaar werkelijk verschuldigde bijdrage opgenomen. Verrekening van het verschil tussen het op grond van artikel 36 van deze regeling bepaalde bedrag en de werkelijk verschuldigde bijdrage vindt plaats terstond na de in artikel 37, vijfde lid van deze regeling bedoelde mededeling.
Hoofdstuk 6: Toetreding, uittreding, wijziging, opheffing Artikel 39: Toetreding 1.
2. 3.
4. 5. 6. 7.
Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente of het dagelijks bestuur van een waterschap dat wenst toe te treden, dient hiertoe een verzoek in bij het Dagelijks Bestuur. Het college van de desbetreffende gemeente of het dagelijks bestuur van het desbetreffende waterschap voegt hierbij het besluit tot toestemming van de gemeenteraad respectievelijk het algemeen bestuur van het waterschap als bedoeld in artikel 61, vierde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het Dagelijks Bestuur legt het verzoek tot toetreding ter advisering voor aan het Algemeen Bestuur. Vervolgens zendt het Dagelijks Bestuur het verzoek tot toetreding met het advies van het Algemeen Bestuur toe aan het Dagelijks Bestuur van het waterschap en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemers en verzoekt de deelnemers tot het nemen van een besluit omtrent de verzochte toetreding. Van hun besluit stellen de deelnemers het Algemeen Bestuur schriftelijk in kennis. Toetreding kan geschieden nadat de colleges en het toetredende bestuursorgaan hiertoe eensluidend hebben besloten. Het Algemeen Bestuur kan algemene en specifieke regels stellen omtrent de toetreding van nieuwe waterschappen of gemeenten. De toetreding gaat in op de datum waarop de aangepaste gemeenschappelijke regeling in werking treedt.
Het college van burgemeester en wethouders of het college van het waterschap dat toetreedt doet zo spoedig mogelijk de nodige aanwijzing overeenkomstig het bepaalde in artikel 7 van deze regeling.
Artikel 40: Uittreding 1. 2. 3. 4. 5.
6.
7.
8.
Een deelnemer kan uittreden uit de regeling. Voor uittreding uit de regeling wordt een opzegtermijn van ten minste één kalenderjaar in acht genomen. Gedurende drie jaar na de datum van toetreding tot de regeling is uittreding niet mogelijk. Het voornemen tot uittreding wordt, na verkregen toestemming door het betreffende college bij aangetekende kennisgeving aan het Algemeen Bestuur van de BghU en aan de andere deelnemers meegedeeld. Na ontvangst van de in het tweede lid vermelde kennisgeving wordt een in overleg met de uittredende deelnemer aan te wijzen onafhankelijke derde opdracht verleend een uittredingsplan op te stellen als ware tot opheffing van de regeling besloten. Op grond van het in het vierde lid opgestelde uittredingsplan besluit het college dat een kennisgeving als bedoeld in het derde lid heeft gedaan of daadwerkelijk tot uittreding wordt overgegaan. Het college besluit hier niet toe dan nadat het toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan heeft gekregen als bedoeld in artikel 61, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het college zendt zijn besluit tot uittreding, alsmede het toestemmingsbesluit van het vertegenwoordigend orgaan, aan het Algemeen Bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het Algemeen Bestuur de besluiten heeft ontvangen.
Ter voorbereiding op de besluitvorming van het Algemeen Bestuur, inventariseert het Algemeen Bestuur met inachtneming van het bepaalde in deze regeling de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in een concept uittredingsplan. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. De vertegenwoordiger van de uittredende deelnemer in het Algemeen Bestuur houdt gedurende de periode van het besluit tot uittreding tot de daadwerkelijke uittreding bij de beraadslaging in en besluitvorming door het Algemeen Bestuur rekening met de belangen van het samenwerkingsverband zoals deze zich kunnen voordoen vanaf het moment van daadwerkelijke uittreding. Indien nodig neemt deze vertegenwoordiger geen deel aan de beraadslaging en stemmingen van het Algemeen Bestuur. Indien de uittreding een wijziging van de gemeenschappelijke regeling noodzakelijk maakt, stelt het bestuur, ter voorbereiding op zijn besluitvorming, een voorstel op voor wijziging van deze regeling. Artikel 45 is onverkort van toepassing.
Artikel 41 Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1. 2. 3. 4.
5.
6. 7. 8.
Wanneer toepassing wordt gegeven aan artikel 40, vijfde lid, stelt het Algemeen Bestuur het uittredingsplan vast. De in het uittredingsplan omschreven financiële verplichtingen zijn voor de uittredende deelnemer bindend. Het uittredingsplan bepaalt met inachtneming van het bepaalde in deze regeling de systematiek voor de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding, te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen: de voorlopige uittreedsom. Ten minste acht maanden voorafgaand aan het moment van uittreding, stelt het Algemeen Bestuur het voorlopige uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het Algemeen Bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in het tweede lid en op de jaarrekening van het meest recent verstreken boekjaar. Uiterlijk zes maanden voorafgaand aan het moment van uittreding, stelt het Algemeen Bestuur het definitieve uittredingsplan en de definitieve uittreedsom vast. Het Algemeen Bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in het tweede lid en op de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar.
Nadat het uittredingsplan is vastgesteld is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor hem omschreven financiële verplichtingen aan het samenwerkingsverband te voldoen. De kosten van het opstellen van het uittredingsplan komen voor rekening van de deelnemer die het voornemen heeft om uit te treden. De leden van het Algemeen Bestuur kunnen het uittredingsplan op de voor hen gebruikelijke wijze voor consultatie toezenden aan hun vertegenwoordigend orgaan.
9.
De ondernemingsraad van het samenwerkingsverband wordt in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over de personele en organisatorische gevolgen die voortvloeien uit het uittredingsplan, overeenkomstig de bepalingen in de Wet op de ondernemingsraden.
Artikel 42 Onafhankelijke externe deskundige 1. 2. 3.
4. 5.
Na ontvangst van de in artikel 40, tweede lid, vermelde kennisgeving wordt een in overleg met de uittredende deelnemer aan te wijzen onafhankelijke externe deskundige opdracht verleend een uittredingsplan op te stellen als ware tot opheffing van de regeling besloten. Ter voorbereiding op de besluitvorming van het Algemeen Bestuur, stelt het Algemeen Bestuur een projectgroep samen die onder leiding van de onafhankelijke externe deskundige het conceptuittredingsplan voorbereid. Het Algemeen Bestuur geeft een onafhankelijke financieel deskundige, niet zijnde de onafhankelijk externe deskundige bedoeld in het eerste lid, opdracht om het door de projectgroep voorbereide concept uittredingsplan te toetsen, nadat voor de opdracht instemming is verkregen van de uittredende deelnemer. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe financieel deskundige zijn voor rekening van de uittredende deelnemer. Het tarief van de onafhankelijke externe financieel deskundige dient in overeenstemming te zijn met hetgeen voor dit soort werkzaamheden in de desbetreffende adviesbranche gebruikelijk is.
Artikel 43 Uittreedsom 1.
2.
3. 4. 5. 6.
7.
De voorlopige respectievelijk definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van de directe kosten van uittreding (frictiekosten en desintegratiekosten), verminderd met het aandeel van de uittredende deelnemer in het eigen vermogen minus de bestemmingsreserves van het samenwerkingsverband op de datum van uittreding. De frictiekosten en desintegratiekosten worden berekend op basis van de principes van goed koopmanschap en de principes van accounting, met dien verstande dat: a. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het samenwerkingsverband die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer, zoals inhuur externe deskundigen, een accountant en een advocaat. b. Onder desintegratiekosten worden verstaan kosten te maken door en de schade voor het samenwerkingsverband die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. c.
Het bepaalde in het tweede lid onder b is van overeenkomstige toepassing op kosten te dragen door het samenwerkingsverband die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan binnen een periode van vijf jaar vanaf het moment van uittreding als direct gevolg van de uittreding. Voor de periode van vijf jaar is aansluiting gezocht bij de termijn van de begrotingssystematiek. Het samenwerkingsverband brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de uittredende deelnemer. De waarde van de personeelsformatie die de uittredende deelnemer als gevolg van de uittreding eventueel overneemt van het samenwerkingsverband wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom. Het samenwerkingsverband is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden.
Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding. Het samenwerkingsverband en de uittredende deelnemer zijn gehouden om in het kader van de bepaling van de inhoud van het uittredingsplan alle relevante informatie over en weer te verstrekken.
Artikel 44 Overige bepalingen rond uittreding 1. 2. 3.
4.
De raming en berekening van de kosten voor uittreding wordt gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend zijn tot aan het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich zullen voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. Feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het moment van daadwerkelijke uittreding kunnen niet leiden tot wijziging van de hoogte van de uittreedsom, tenzij de uittredende deelnemer dan wel het Algemeen Bestuur kan aantonen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou zijn bepaald indien: a. De wederpartij onjuiste inlichtingen heeft verstrekt waarvan deze diende aan te nemen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou luiden indien deze onjuiste inlichtingen niet zouden zijn verstrekt; b. De wederpartij inlichtingen die hem op het moment van het bepalen van de uittreedsom bekend waren niet heeft verstrekt terwijl de wederpartij redelijkerwijs had moeten aannemen dat deze inlichtingen van invloed zouden kunnen zijn op de bepaling van de hoogte van de uittreedsom.
Bij de voorbereiding van het concept-uittredingsplan biedt het Algemeen Bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen betaling van een uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in één keer. In het definitieve uittredingsplan bepaalt het Algemeen Bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in één keer dient te betalen.
Artikel 45: Wijziging van de regeling 1. 2. 3. 4.
Zowel het Algemeen Bestuur, als de colleges van de deelnemers aan deze regeling kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling. Het Algemeen Bestuur zendt het ontwerp tot wijziging van de regeling toe aan de colleges van de deelnemers. De colleges zenden het ontwerp tot wijziging aan de vertegenwoordigende organen. De vertegenwoordigende organen kunnen binnen acht weken een zienswijze indienen. Wijziging van de regeling kan plaatsvinden bij daartoe strekkende eensluidende besluiten van de colleges van alle deelnemers na verkregen toestemming van de vertegenwoordigende organen conform artikel 1 Wgr. Een besluit tot wijziging dat conform het gestelde in artikel 1, respectievelijk artikel 61 Wgr tot stand is gekomen, treedt in werking op de in het wijzigingsbesluit genoemde datum tenzij de datum van bekendmaking is gelegen na de in het wijzigingsbesluit opgenomen datum.
Artikel 46: Opheffing en liquidatie 1. 2. 3.
4. 5. 6.
Tot opheffing van deze regeling kan slechts worden overgegaan bij daartoe gelijkluidende besluiten van de colleges van alle deelnemers. Een besluit tot opheffing vermeldt de datum waarop de opheffing ingaat. De opheffing gaat eerst in nadat deze is bekend gemaakt. Het Dagelijks Bestuur zal, nadat tot opheffing besloten is, overgaan tot de voorbereiding van de liquidatie van BghU en stelt daartoe zo spoedig mogelijk een ontwerp liquidatieplan op. Het liquidatieplan wordt ‐ nadat de vertegenwoordigende organen zijn gehoord ‐ vastgesteld door het Algemeen Bestuur. In het liquidatieplan kan van de bepalingen van deze regeling worden afgeweken. Het Dagelijks Bestuur is belast met de liquidatie conform het liquidatieplan. Van het besluit tot liquidatie wordt Gedeputeerde Staten in kennis gesteld. Het openbaar lichaam blijft na zijn ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig. Zo nodig blijven de bestuursorganen en commissies van BghU ook na het tijdstip van opheffen in functie totdat de liquidatie is beëindigd.
Hoofdstuk 7: Overige bepalingen Artikel 47: Archief Het Dagelijks Bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam. Artikel 48: Archiefbeheer 1. 2.
De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. Het Dagelijks Bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht.
Artikel 49: Archiefbewaarplaats Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van het Utrechts Archief. Artikel 50: Toezicht Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van het Utrechts Archief. Artikel 51: Verantwoording 1. 2.
De archivaris van het Utrechts Archief brengt tweejaarlijks aan het Dagelijks Bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. Het Dagelijks Bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het Algemeen Bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het openbaar lichaam.
Artikel 52: Terbeschikkingstelling 1. 2. 3.
De deelnemers aan de regeling stellen tijdig aan het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken. In een verklaring van terbeschikkingstelling worden de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden vastgelegd. In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de terbeschikkingstelling.
Artikel 53: Uitvoeringsprotocol Het Algemeen Bestuur stelt een uitvoeringsprotocol vast waarin ten minste aan bod komen: a. de randvoorwaarden en uitgangspunten voor de dienstverlening van het samenwerkingsverband; b. de door het samenwerkingsverband te leveren producten en diensten; c. de definitie van resultaatgebieden; d. de wijze van aanslagoplegging; e. de invulling van klantcontacten; f. het regime voor afdrachten; g. de wederzijdse uitwisseling van eigendom en gegevens; h. de werkrelatie tussen het samenwerkingsverband en de deelnemers, en i. de invulling van overlegstructuren tussen het samenwerkingsverband en de deelnemers. Artikel 54: Maatwerkparagraaf Binnen de kaders van het uitvoeringsprotocol, bedoeld in artikel 53, kan het samenwerkingsverband jaarlijks met iedere afzonderlijke deelnemer een maatwerkparagraaf in het uitvoeringsprotocol afspreken waarbij nadere afspraken kunnen worden gemaakt over additionele taken als bedoeld in artikel 4.
Artikel 55: Secretarissenoverleg Het Dagelijks Bestuur stelt een verordening vast waarbij een adviesgroep, onder de naam secretarissenoverleg, wordt ingesteld. De secretaris onderscheidenlijk de secretaris-directeur kan zich laten vertegenwoordigen. Artikel 56: Geschillen 1. 2. 3.
4. 5.
6.
Onverminderd het bepaalde in artikel 28 en artikel 62 van de Wet gemeenschappelijke regelingen worden geschillen over de toepassing van de regeling, in de ruimste zin van het woord, onderworpen aan een niet-bindend deskundigenadvies. Voordat wordt overgegaan tot het vragen van het in het eerste lid bedoelde deskundigenadvies, wordt het geschil besproken tussen een afvaardiging van het Algemeen Bestuur en een afvaardiging van het college waarmee het geschil bestaat. Indien het in het tweede lid bedoelde overleg niet tot een oplossing leidt, benoemt het Algemeen Bestuur en het college waarmee het geschil bestaat elk een onafhankelijke deskundige. Beide deskundigen benoemen een derde deskundige, die tevens als Voorzitter van de adviescommissie optreedt. Het Algemeen Bestuur treedt mede namens het betreffende college op als opdrachtgever van de commissie. In de opdracht wordt tenminste het probleem geschetst, worden de te beantwoorden vragen geformuleerd en wordt de termijn genoemd waarbinnen de commissie haar advies dient uit te brengen. De in het derde lid bedoelde commissie regelt zelf de wijze waarop zij haar advies tot stand brengt. Het advies wordt tegelijkertijd toegezonden aan het Algemeen Bestuur en aan het betreffende college.
Op basis van het advies treden de in het tweede lid bedoelde personen nogmaals in overleg om te trachten tot een oplossing van het geschil te komen. Indien het overleg niet tot een oplossing leidt, is elk der partijen vrij om het geschil overeenkomstig het gestelde in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen voor te leggen aan gedeputeerde staten. De kosten van de adviescommissie worden door het Algemeen Bestuur en het betreffende college ieder voor de helft gedragen.
Hoofdstuk 8: Slotbepalingen Artikel 57: Inwerkingtreding Deze gewijzigde regeling treedt in werking op de eerste dag van de maand nadat de regeling overeenkomstig de Wet gemeenschappelijke regelingen bekend is gemaakt, doch niet eerder dan met ingang van 1 januari 2027 en vervangt de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2020. Artikel 58: Duur van de regeling De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.
Artikel 59: Evaluatie 1.
Het Algemeen Bestuur evalueert in het jaar voorafgaande aan reguliere gemeenteraadsverkiezingen de samenwerking en gaat daarbij in elk geval in op het functioneren van het samenwerkingsverband.
2.
De resultaten van de evaluatie, bedoeld in het eerste lid, worden uiterlijk in januari van het jaar van de gemeenteraadsverkiezing aangeboden aan de colleges en de vertegenwoordigende organen.
Artikel 60: Citeerwijze Deze regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2027”.
Artikel 61: Overgangsbepaling De delegatiebesluiten genomen krachtens artikel 3 en 4 van de Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht blijven van kracht, in die zin dat bevoegdheden die aan het bestuur zijn toegekend thans aan het Algemeen Bestuur van het samenwerkingsverband worden toegekend. De delegatiebesluiten worden geacht te zijn vastgesteld op grond van artikel 3 en 4 van deze regeling.
Ondertekening Aldus besloten en akkoord door: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lopik, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, d.d. De secretaris, De burgemeester, Het dagelijks bestuur van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, d.d.
De secretaris, De dijkgraaf,
Belastingsamenwerki n g gemeenten & hoo6heemraadschap UtÍecht
Aan: Algemeen Bestuur HDSR en de gemeenteraden van Bunnik, De Bilt, Houten, Lopik, Nieuwegein, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug en Zeist
onderwerp Weging zienswijzen CR BghU
Behandeld door M. Vrisou van Eck
Doorkiesnummer 088-0640200 Bijlage(en) gewijzigde CR
30 april 2026 Ons kenmerk
Verzonden
Geachte gemeenteraden en algemeen bestuur HDSR,
Op l5 december jl. heeft het Bestuurvan Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (BghU) u een ontwerp van de gewijzigde gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht gezonden om deze ter zienswuze aan te bieden aan uw gemeenteraden en algemeen bestuur. Van iedere deelnemer hebben wij een zienswijze mogen ontvangen. ln deze brief lichten wij toe hoe wij uw zienswijzen hebben gelezen en op welke wijze wij uw zienswijzen hebben gewogen en of uw zienswijzen aanleiding zijn om de gemeenschappelijke regeling aan te passen. Deze brief sluiten wij af met een schets van het vervolgproces.
l
Waardering
ledere ingediende zienswijze bevat blijken van waardering voor BghU en de gerealiseerde verbeteringen de afgelopen periode. Wij willen onze dank overbrengen voor de uitgesproken waardering voor het werk van BghU. Ook zijn we u erkentelijk voor de breed gedragen waardering voor het proces om tot een aanpassing van de rechtsvorm voor BghU te komen. De insteekvan het Bestuur is om meer bestuurlijke nabijheid, een duidelijke verdeling van rollen, taken en verantwoordelijkheden, en een adequatere bestuurlijke sturing van de belastingtaken te bereiken. BghU blijft streven naar continue verbetering voor deelnemers, inwoners en bedrijven. ln de zienswijze van een aantal deelnemers is aandacht gevraagd voor specifieke onderdelen. Wij gaan onderstaand in op de in uw zienswijzen gestelde vragen en voorstellen.
2. Financiële verwachtingen De gemeenten Bunnik en Utrecht hebben aangegeven te verwachten dat de wijziging van de bestuurlijke structuur niet zal leiden tot een verhoging van de deelnemersbijdragen. De structuurverandering heeft naar verwachting nauwel Uks f inancieel effect.
3. Effecten van de bestuurlijke nabijheid blijven monitoren De gemeente Utrecht en het waterschap HDSR vragen aandacht voor het monitoren van de effecten. We constateren dat uw gemeenteraad, het algemeen bestuur van het waterschap en het Bestuur van BghU op één lijn zitten: de structuurwUziging is ingezet om effectiever en sneller te kunnen (bij)sturen, zonder hulpconstructies in te zetten. ln de gemeenschappelijke regeling is opgenomen dat in het jaar voorafgaand aan de gemeenteraadsverkiezingen een evaluatie zal plaats vinden. ln ieder geval zal de nieuwe governance onderdeel van de evaluatie zijn. De gemeenteraad van Stichtse Vecht vraagt om iedere twee jaar te evalueren. Om iedere twee jaar te evalueren is voor een beleidsarme samenwerking wellicht een erg hoge frequentie. Het Bestuur is Bezoekadres: Stadsplateau l, Utrecht
Belasti ngsamenwerki n g gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht
voornemens om eenmalig de bestuurlijke sturing en besluitvorming te evalueren, twee jaar na de inwerkintreding van de gewijzigde CR BghU. Van een dergelijke evaluatie ligt het in de lijn der verwachting dat u als vertegenwoordigende organen van deelnemers over deze evaluatie te zijner tijd wordt geïnformeerd.
4. Kaderstelling en controle De gemeenteraad van Zeist heeft aandacht gevraagd voor het tijdig en transparant delen van bestuurlijke stukken. ln de gewijzigde gemeenschappelijke regeling is voor de positie van de gemeenteraad en het algemeen bestuur van HDSR expliciet aandacht geweest. Dit heeft onder meer geresulteerd in het verduidelijken van de processen, gelijktijdig aanbieden van de (concept)jaarrekening en ontwerpbegroting. Daarmee kunt u als gemeenteraad en algemeen bestuur van het waterschap gelijktijdig terugbl ikken en vooru itkijken. ln de structuur van het openbaar lichaam (door de gescheiden bevoegdheden tussen Dagelijks Bestuur en Algemeen Bestuur) is het beter te organiseren dat u als gemeenteraad of Algemeen Bestuur van het waterschap eerst een reactie krijgt op uw zienswijze alvorens het Algemeen Bestuur van BghU de begroting vaststelt. Deze aanpassingen dragen er toe bij dat u als gemeenteraad of algemeen bestuur in uw controlerende en kaderstellende taken beter gefaciliteerd kunt worden door BghU. Daarnaast is met de wijziging van deze regeling de kadernota en de begroting qua termijn uit elkaar getrokken. Waar het voorheen zo was dat de uiterste termijn voor de begroting en kadernota gelijk waren, wordt de kadernota vanaf 2027 verstuurd aan de gemeenteraden en het algemeen bestuur van HDSR voor 30 januari (in plaats van 30 april).
Dit stelt u in staat om, voordat de ontwerpbegroting voor zienswijzen wordt gezonden, reeds kennis te nemen van de verwachte ontwikkelingen en mee te geven aan uw bestuurslid in het Algemeen Bestuur van BghU hoe u daarover denkt.
5. Bijdragen op basis van werkelijke dienstverlening De zienswijze van de gemeenteraad van Zeist verzoekt om in 2026 inzichtelijk te krijgen wat de kosten per aanslag per deelnemer zijn. Dit is een separaat traject ten opzichte van de wijziging van de GR en een bestuursaangelegenheid. Afgesproken is dat in 2027 ten behoeve van herijking van het kostenverdelingsmodel een analyse wordt gemaakt van de kosten in 2026. Wanneer de analyse gereed is zal deze aan het Bestuur van BghU worden voorgelegd om een besluit te nemen over het vervolg.
6. Blik naar buiten Het algemeen bestuur van HDSR vraagt BghU om, nu het oordeel van de Waarderingskamer voldoende is, meer naar buiten gericht te zun. De afgelopen periode heeft BghU veel aandacht besteed aan het verbeteren van de kwaliteit van de dienstverlening waarvan het verkrijgen van drie sterren (waar vijf sterren het hoogst haalbare is) van de Waarderingskamer een gevolg is. Nu deze mijlpaal is behaald kan meer ruimte ontstaan voor verbinding met de omgeving van BghU. Daarbij is het streven van de organisatie en het Bestuur BghU om de dienstverlening zo goed mogelijk vorm te geven en de balans tussen professionele ruimte en wensen van deelnemers zo optimaal mogelijkvorm te geven. Het Bestuur en de organisatie zien graag de waardering van de Waarderingskamer verder stijgen naar vier sterren. De komende tijd wordt geïnventariseerd welke stappen daartoe moeten worden gezet. Via de reguliere
rapportagemomenten zullen wij u informeren over deze voortgang.
Bezoekadres: Stadsplateau l, Utrecht
Belasti ngsamenwerki ng gemeenten & hoogheemraadschap Ukecht
7. Balans tussen bestuurlijke sturing en ruimte voor de uiWoering Het algemeen bestuur van HDSR vraagt aandacht voor bestuurlijke sturing en de ruimte die de uitvoeringsorganisatie heeft om professioneel haar taak uit te voeren, mede in het licht van de taakstel ling. Uw bezorgdheid over politieke sturing op de organisatie en de mogelijke druk die dit kan geven op de organisatie, waarderen wij als uiting van het belang dat u hecht aan een goed functionerende uiwoeringsorganisatie met voldoende ruimte en mandaat. U uit een zorg over het samenvallen van bestuurlijke ambitie en het nog moeten realiseren van een bezuinigingsopgave welke nu als taakstelling is opgenomen in de begroting. De structuurwijziging naar een openbaar lichaam kan juist de door u
benoemde potentiële spanning beter kanaliseren. Door de heldere scheiding van de rollen, taken en verantwoordelijkheden in de bestuurlijke structuurverwachten wij een gedegen proces te kunnen doorlopen. Juist het Dagelijks Bestuur BghU vervult straks zijn rol met oog voor de belangen van de organisatie.
8. Voorzitterschap in de regeling geborgd voor HDSR Bij twee deelnemers is in de besluitvorming specifiek aandacht geweest voor de toekomstige invulling van de rol van voorzitter van BghU. De gemeenteraad van Utrecht heeft in een motie het college, respectievelUk de portefeuillehouder, opgeroepen de rol van voorzitter van BghU te gaan bekleden. Het Algemeen Bestuur van HDSR stelt in de zienswijze als randvoorwaarde voor toestemming dat de rol van voorzitter door HDSR wordt vervuld en als zodanig wordt vastgelegd in de regeling. Wij waarderen de bestuurlijke betrokkenheid van HDSR en de gemeente Utrecht bij BghU zeer. HDSR en de gemeente Utrecht hebben sinds de oprichting van BghU een stabiele en betrokken bijdrage geleverd aan het bestuur. Op deze plek nemen wij graag de ruimte om uitgebreid op dit onderdeel in te gaan.
Bestuurlijke ruimte Het bestuur van BghU ziet meerwaarde in het behouden van bestuurlijke ruimte om gezamenlijk, in overleg met alle deelnemers, de rolverdeling binnen het bestuur vorm te geven. Op die manier kan het bestuur optimaal functioneren en recht doen aan de belangen van de organisatie, de deelnemers, inwoners en bedrijven. Deze zorgvuldige balans en zuivere werking vinden wij, net als u, van groot belang. De voorgestelde inrichting van het bestuursmodel biedt hiervoor naar onze overtuiging de beste uitgangspunten. Hieronder lichten wij dit nader toe.
Taken van de voorzitter binnen een openbaar lichaam De rol van de voorzitter binnen een openbaar lichaam is anders dan in een Bedrijfsvoeringsorganisatie. De wijziging van rechtsvorm naar een openbaar lichaam maakt een andere invulling van het voorzitterschap dan tot nu toe gebruikelijk was, noodzakelijk. Deze wijziging vloeit voort uit een juridische beperking: binnen een openbaar lichaam krijgt een voorzitter eigenstandige bevoegdheden en (daarmee) de status van bestuursorgaan. Daarnaast is de rol van de voorzitter gericht op het zorgvuldig leiden van vergaderingen van het Dagelijks en Algemeen Bestuur, het bewaken van een ordentelijk proces en het verbinden van deelnemers en organisatie. Daarbij is het van belang dat de voorzitter ruimte biedt aan alle belangen en deze evenwichtig tot uitdrukking laat komen. Deze rolopvatting staat centraal in de voorgestelde inrichting. Van de voorzitter wordt verwacht dat deze boven de eigen belangen staat. De voorzitter heeft de verantwoordelijkheid voor het borgen van de integrale afweging van alle belangen. Belang van de belastingopbrengsten voor HDSR Het bestuur van BghU onderkent het grote belang dat HDSR heeft bij de belastingopbrengsten die via BghU worden gerealiseerd en bij het functioneren van de organisatie in algemene zin. Een belang dat overigens collectief wordt gedeeld door alle deelnemers.
De opbrengsten die BghU realiseert zijn de belangrijkste en vrijwel de enige inkomstenbron voor HDSR. Dit is anders dan voor de andere deelnemers. Het is om deze reden essentieel dat de belangen van HDSR goed voor hetvoetlicht kunnen worden gebracht in bestuurlijke overleggen. ln de ontwerpregeling is daarom nadrukkelijk gezocht naar een evenwichtige situatie die recht doet aan het belang dat HDSR heeft Bezoekadres: Stadsplateau'1, Utrecht
Belastingsamenwerki n g gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht
bij een goed functionerende BghU. Dat evenwicht is onder meer gezocht in het aanwijzen van HDSR als vast lid van het Dagelijks Bestuur. ln deze balans is een duidelijke rolscheiding aangebracht. ln hetAlgemeen Bestuurvindt de zorgvuldige afweging plaats van zowel de belangen van de individuele deelnemers als het samenwerkingsverband als geheel. HetAlgemeen Bestuur is daarbij de plek waar deelnemers de individuele belangen van de eigen gemeente of het eigen waterschap kunnen inbrengen. Het Dagelijks Bestuur richt zich op de belangen van de organisatie BghU. De voorzitter zorgïin beide gremia voor het ordentelijk functioneren van het Dagelijks en Algemeen Bestuur. Gelet op de grote belangen van HDSR bij het goed functioneren van de BghU is het lidmaatschap van HDSR in het Dagelijks Bestuur expliciet geborgd. Hierdoor is HDSR altijd vertegenwoordigd in het Dagelijks Bestuur. Daarbij past de opmerking dat, in de voorgestelde structuur, het nadrukkelUk mogeliik is dat een vertegenwoordiger van HDSR door het Algemeen Bestuur wordt benoemd tot voorzitter. Vergelijkbare gemeenschappelijke regelingen HDSR geeft aan dat in belastingsamenwerkingen vaak de rol van voorzitter door een deelnemend waterschap wordt ingevuld. Dit is inderdaad in veel belastingsamenwerkingen het geval.
Wel is kenmerkend dat in geen van deze gemeenschappelijke regelingen hetvoorzitterschap structureel aan één deelnemer is toegewezen. Dat het voorzitterschap in deze regelingen door het waterschap wordt ingevuld is, zoals te doen gebruikelijk, het resultaat van gezamenlijk overleg binnen het Algemeen Bestuur. We zien in de samenwerking met de deelnemers in BghU geen aanleiding om van deze werkwijze af te wijken.
Verhoudingen tussen deelnemers ln de voorgestelde regeling is, mede gezien de specifieke verhoudingen binnen BghU, bewust gezocht naar een evenwichtige balans. Om recht te doen aan de belangen van alle deelnemers aan de belastingsamenwerking zijn zowel HDSR als de gemeente Utrecht geborgd als deelnemers in het Dagelijks Bestuur. Daarnaast biedt het nietvastleggen wie structureel de voorzitter levert, de ruimte om met alle leden van het Algemeen Bestuur BghU tezamen een voorzitter aan te wijzen. Daarbij zal oog te hebben voor de belangen van de deelnemers, de chemie tussen deelnemers, bestuursleden en organisatie (of het ontbreken daarvan), affiniteit en draagvlak onderdeel zijn van de gezamenlijk te maken keuze. Dat betekent ook dat een bestuurslid dat tot voorzitter is gekozen de afweging kan maken op enig moment zijn of haar functie als voorzitter over te dragen.
Afweging en vervolgstap Het bestuur acht het wenselijk om bestuurlijke ruimte te behouden en het voorzitterschap niet vooraf aan één deelnemer toe te wijzen. Dat betekent dat het bestuur van BghU in goed overleg de invulling van de rol van voorzitterwilvormgeven. Daarbij spelen uiteraard de in deze reactie genoemde uitgangspunten een nadrukkelijke rol. Daarbij blUft het nadrukkelijk mogelijk dat een vertegenwoordiger van HDSR door het Algemeen Bestuur wordt benoemd tot voorzitter. Om gezamenlijk te blijven leren en waar nodig bij te sturen, stellen wij voor om de werking van de regeling na twee jaar bestuurlijk te evalueren. lndien daar aanleiding toe is, kunnen zowel de regeling als de onderlinge werkafspraken in goed overleg worden aangepast. Wij blijven graag met u in gesprek om gezamenlijk te komen tot een inrichting die recht doet aan ieders belangen en bijdraagt aan een goed functionerende samenwerking. Wij kijken uit om in gezamenlijkheid, met respect voor elkaars belangen en wensen, de BghU toewerkend naar excellente dienstverlening te bestu ren.
9. Streven naar verdere verbetering. Het algemeen bestuur van HDSR vraagt het Bestuur van BghU zich nu uit te spreken over verdere ambities en koppelt daarbij governance aan het presteren in de uitvoering van de taak. Vanzelfsprekend streeft het Bestuur van BghU vanuit de missie en visie naar een goede en betrouwbare dienstverlening voor inwoners, bedrijven, de organisatie en deelnemers. U veronderstelt een causale relatie tussen de structuur van het Bestuur en de prestaties van de organisatie gemeten naar de maatstaven van de Waarderingskamer. De verbeterpunten van BghU om te komen tot een beoordeling 'goed' zijn gelegen in Bezoekadres: Stadsplateau 1, Utrecht
Belasti ngsamenwerki ng gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht
de interne organisatie en de processen van belastingoplegging en inning. De Waarderingskamer toetst en beoordeelt periodiek de betrouwbaarheid van de WOZ-waarde, administratie en verwerkingsprocessen, de bestuurlijke inrichting is daarvan geen onderdeel. Vanzelfsprekend streven wij naar excellente 'goed' en dienstverlening.WU werken samen met de organisatie van BghU graag toe naar het predicaat het verkrijgen van vier sterren van de Waarderingskamer als bevestiging van dat kwaliteitsniveau. ln de aankomende període zullen de randvoorwaarden waaronder deze ambitie gerealiseerd wordt nadrukkelijk onderwerp van gesprek zijn. I 0" Evenwichtig bestuursmodel
De gemeenteraad van Stichtse Vecht benadrukt het belang van een evenwichtig bestuursmodel. ln de nadere duiding op dit onderdeel in de zienswijze gaat Stichtse Vecht ervan uit dat het Dagelijks Bestuur jaarlijks een ander DB lid krijgt (naast Utrecht en HDSR) en daarmee ieder jaar een ander lid van het Algemeen Bestuur wordt benoemd tot lid van het Dagelijks Bestuur. Het is niet gebruikelijk om zo vaak te wisselen. Het is de bedoeling om eens per vier jaar een bestuurswissel plaats te laten vinden, voornamelijk na de gemeenteraadsverkiezingen zal eerst een nieuw Algemeen Bestuur worden voorgedragen. Uit dit Algemeen Bestuur wordt het Dagelijks Bestuur gekozen. Het algemeen bestuurslid van HDSR zou kunnen wisselen na de verkiezingen voor het waterschap. De gemeenteraadsverkiezingen en waterschapsverkiezingen vinden niet tegelijkertijd plaats. Daarmee wordt de bestuurlijke continuïteit
geborgd. I I . Verwijzingen De gemeenteraad van Stichtse Vecht vraagt aandacht voor twee verwijzingen, deze verwijzingen zijn gecorrigeerd. De herhaling in art. 4Q en 42 is ter verduidelijking van de proces gang opgenomen. Mocht een deelnemer willen uittreden dan wordt de juiste procesgang door het tweemaal opnemen beter geborgd. ln artikel 43, tweede lid sub c. is de periode van vijf jaar bepaald om de afbouwfrictiekosten en desintegratiekosten te berekenen en BghU in staat te stellen om de organisatie en de resultaten van het vertrek van een deelnemer op te vangen. Deze termijn is niet gewijzigd. I 2. Participatie expliciet opnemen De gemeenteraad van Stichtse Vecht vraagt om een artikel toe te voegen over participatie. ln de nieuwe
regeling BghU is opgenomen in artikel 9, zesde lid dat ingezetenen van de gemeenten respectievelijk het waterschap en andere belanghebbenden via de reguliere procedures bij de colleges en de vertegenwoordigende organen passend en worden betrokken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Daarmee is vastgelegd dat BghU zelf geen bevoegdheden heeft om een participatietraject te starten. De bevoegdheid daartoe is niet aan hetAlgemeen Bestuur op- of overgedragen. De deelnemers stellen zelf de kaders en de verordeningen vast. Participatie kan zich richten op de kaders en verordeningen, waardoor participatie door BghU niet logisch is en daardoor niet als passend wordt beschouwd.
Vervolgproces De ingediende zienswijzen zijn zoals bovenstaand aangegeven verwerkt in de gemeenschappelijke regeling. Binnen het Bestuur bestaat consensus over de wijze waarop de ingebrachte zienswijzen zUn gewogen en verwerkt in de gemeenschappelijke regeling. Daarom heeft het Bestuur op I april 2026 ingestemd met het aanbieden van de gewijzigde gemeenschappelijke regeling voor besluiWorming aan de deelnemende colleges. Uw college zal uw raad of algemeen bestuurverzoeken toestemming te verlenen alvorens uw college kan instemmen met de wijziging van de regeling. Wij hebben uw college verzocht om uiterlijk 9 juli 2026 bericht te mogen ontvangen van de verleende toestemming en instemming. Gezien de zomervakantieperiode in zicht, zal de wijziging van de gemeenschappelijke regeling niet worden afgerond voor de eerder gecommuniceerde datum van I 5 juli 2026, maar zal deze worden geagendeerd voor het bestuurlijke overleg op 2 september 2026. De gewijzigde gemeenschappelijke regeling is beoogd om in werking te treden op1 januari2O27.
Bezoekadres: Stadsplateau'1, Utrecht
Belasti ngsamenwerki n g gemeontan & hootheemraidrchap Utrêcht
Hoogachtend, Namens het Bestuur van Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht,
C. H. Haan
voorzitter
Bezoekadres: Stadsplat€au I, Utrecht
M
secretaris
van Eck
Openbare Orde en Veiligheid Cluster Openbare orde en Crisisbeheersing
Technische Memo Aan
Gemeenteraad
Kopie
-
Datum Van
16 juni 2026 Fabienne Wind
E-mail Bijlagen
fabienne.wind@utrecht.nl -
Geachte leden van de raad, De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van Utrecht wordt in beginsel eenmaal per jaar geactualiseerd. De meest recente partiële herziening dateert van februari 2025. In de a.s. herziening van de APV komen onder andere het opheffen van het verbod op buiten slapen en het verbod op het gebruik van harddrugs in de openbare ruimte aan orde. Daarnaast worden de effecten van hogere regelgeving waar relevant verwerkt in de APV. Het raadsvoorstel kan naar verwachting nog voor het zomerreces aangeboden worden aan uw raad. Met het amendement ‘Horizonclausule harddrugsverbod’ is door uw raad een tijdelijke bepaling aangenomen die het gebruik van harddrugs in de openbare ruimte verbiedt. Deze tijdelijke bepaling loopt af op 1 november 2026 en is na één jaar geëvalueerd. Deze evaluatie wordt aan u ter beschikking gesteld. Met de partiële APV-herziening 2026 wordt aan uw raad voorgesteld om een blijvend verbod op gebruik van harddrugs in de openbare ruimte in de APV op te nemen. Wanneer de reguliere procedure voor het agenderen van raadsvoorstellen gevolgd wordt, zou dit betekenen dat het pas gedurende de maand november, na afloop van het huidige verbod, ter besluitvorming in de raad ligt.
Om u tijdig te kunnen laten beslissen (tot bestendiging dan wel beëindiging) over het verbod op harddrugsgebruik, wordt u verzocht om de partiële APV-herziening 2026 te agenderen voor de commissie Bestuur op 17 september 2026 en de raadsvergadering op 1 oktober 2026. Voor de volledigheid informeer ik u dat, net als in 2025, in het raadsvoorstel als beslispunt aan u wordt voorgelegd om af te wijken van de gebruikelijke procedure door het besluit direct na publicatie in werking te laten treden, in plaats van na de gebruikelijke termijn van vijf weken. Op deze manier ontstaat de mogelijkheid om u op tijd te laten beslissen over het verbod op harddrugsgebruik, en indien gewenst het verbod doorlopend van kracht te laten zijn. Met vriendelijke groet, Sharon A.M. Dijksma
Commissie Bestuur Dossiernummer
5384
Vergaderdatum
25 juni 2026
Agendapunt
3.3
Titel
RIB: APV wijziging harddrugsverbod
Geagendeerd
Vergaderdatum
Commissie Bestuur
25 juni 2026
Openbare Orde en Veiligheid Cluster Openbare orde en Crisisbeheersing
Technische Memo Aan
Gemeenteraad
Kopie
-
Datum Van
16 juni 2026 Fabienne Wind
E-mail Bijlagen
fabienne.wind@utrecht.nl -
Geachte leden van de raad, De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van Utrecht wordt in beginsel eenmaal per jaar geactualiseerd. De meest recente partiële herziening dateert van februari 2025. In de a.s. herziening van de APV komen onder andere het opheffen van het verbod op buiten slapen en het verbod op het gebruik van harddrugs in de openbare ruimte aan orde. Daarnaast worden de effecten van hogere regelgeving waar relevant verwerkt in de APV. Het raadsvoorstel kan naar verwachting nog voor het zomerreces aangeboden worden aan uw raad. Met het amendement ‘Horizonclausule harddrugsverbod’ is door uw raad een tijdelijke bepaling aangenomen die het gebruik van harddrugs in de openbare ruimte verbiedt. Deze tijdelijke bepaling loopt af op 1 november 2026 en is na één jaar geëvalueerd. Deze evaluatie wordt aan u ter beschikking gesteld. Met de partiële APV-herziening 2026 wordt aan uw raad voorgesteld om een blijvend verbod op gebruik van harddrugs in de openbare ruimte in de APV op te nemen. Wanneer de reguliere procedure voor het agenderen van raadsvoorstellen gevolgd wordt, zou dit betekenen dat het pas gedurende de maand november, na afloop van het huidige verbod, ter besluitvorming in de raad ligt.
Om u tijdig te kunnen laten beslissen (tot bestendiging dan wel beëindiging) over het verbod op harddrugsgebruik, wordt u verzocht om de partiële APV-herziening 2026 te agenderen voor de commissie Bestuur op 17 september 2026 en de raadsvergadering op 1 oktober 2026. Voor de volledigheid informeer ik u dat, net als in 2025, in het raadsvoorstel als beslispunt aan u wordt voorgelegd om af te wijken van de gebruikelijke procedure door het besluit direct na publicatie in werking te laten treden, in plaats van na de gebruikelijke termijn van vijf weken. Op deze manier ontstaat de mogelijkheid om u op tijd te laten beslissen over het verbod op harddrugsgebruik, en indien gewenst het verbod doorlopend van kracht te laten zijn. Met vriendelijke groet, Sharon A.M. Dijksma
Amendement: Horizonclausule harddrugsverbod De gemeenteraad van Utrecht, in vergadering bijeen op 23 januari 2025, gezien het raadsvoorstel Wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, partiële herziening 2024, kenmerk 12718397.
Constaterende dat: 1. Binnen de partiële wijziging 2024 van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 wordt voorgesteld een verbod op openlijk harddrugsverbruik toe te voegen (artikel 2:45A APV); 2. Uit de evaluatie van het eerdere harddrugsverbod blijkt dat de mix van verschillende maatregelen heeft geholpen de overlast op specifieke locaties, zoals het Lucasbolwerk, terug te dringen; 3. De effectiviteit van het harddrugsverbod als losse maatregel niet bewezen is;
Overwegende dat: 1. Het criminaliseren van drugsgebruik de volksgezondheid kan benadelen; 2. Het harddrugsverbod een zware maatregel is die alleen tijdelijk en proportioneel mag worden ingezet; 3. Het nadrukkelijk de intentie is om de maatregel in te zetten in combinatie met andere maatregelen en samenwerking tussen organisaties, gericht op structurele oplossingen voor zowel overlast als zorg voor gebruikers; 4. Het van belang is om de proportionaliteit en effectiviteit van het verbod te waarborgen door deze periodiek te evalueren; 5. Een horizonbepaling ervoor zorgt dat het verbod automatisch eindigt, tenzij de gemeenteraad opnieuw besluit tot verlenging, en daarmee voorkomt dat een tijdelijke maatregel onnodig wordt voortgezet; 6. Een evaluatie van het verbod over uiterlijk anderhalf jaar wenselijk is om op basis van feitelijke resultaten een weloverwogen besluit te nemen over voortzetting, aanpassing of beëindiging van de maatregel.
Besluit: Onder beslispunt 1d van het ontwerp raadsbesluit Wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, partiële herziening 2024, kenmerk 12718397, aan artikel 2:45a Verbod op openlijk harddrugsgebruik een nieuw lid toe te voegen: ‘’ 2. Dit artikel vervalt op1 november 2026.’’
Ingediend door: • • •
Ralph Peters, D66 Ruben Snijder, Student en Starter Gert Dijkstra, EenUtrecht
• •
Hester Assen, PvdA Mahaar Fattal, GroenLinks
BEANTWOORDING SCHRIFTELIJKE RAADSVRAGEN 2024, NUMMER 41
Datum Van Behandeld door Doorkiesnummer E-mailadres Kenmerk Beleidsveld
16 april 2025 College B&W Ineke Jenniskens 14030 Ineke.jenniskens@utrecht.nl 30230205 OOV
Geachte leden van de raad, Hierbij ontvangt u de beantwoording van de schriftelijke raadsvragen jaargang 2025 nummer 41 van Sjaak van Bemmel & Maarten van Heuven (PvdD), Stevie Nolten (BIJ1) en Ralph Peeters (D66) “Voor het harddrugsverbod is feitelijke informatie hard nodig". De gestelde vragen zijn onderaan bijgevoegd. Vraag 1 Het harddrugsverbod is een onderdeel van een pakket aan maatregelen die bedoeld zijn om overlast te verminderen en kwetsbare en verslaafde mensen naar zorg te begeleiden. Om duidelijk te hebben welke onderdelen van dat pakket nog nodig zijn in november 2026 moet inzichtelijk gemaakt worden wat het feitelijke effect is van de losse maatregelen. Hoe gaat het college dat aanpakken en duidelijk maken wat het effect van elke maatregel is? Antwoord vraag 1 In januari van dit jaar heeft u als gemeenteraad ingestemd met het voortzetten van het verbod op harddrugs in de openbare ruimte tot november 2026. In voorbereiding op dat besluit hebben we, op uw verzoek, door een onafhankelijk onderzoeksbureau een uitgebreid onderzoek laten doen naar het eerste jaar (augustus 2023- augustus 2024) waarin het harddrugsverbod van kracht was. In dit onderzoek is niet alleen naar de APV-bepaling gekeken, maar zijn ook de andere maatregelen in de evaluatie meegenomen.
Dit omdat er een mix van repressieve- en zorgmaatregelen wordt ingezet om de overlast rondom het Lucasbolwerk, Hieronymusplantsoen, Park Lepelenburg en andere hotspotlocaties (zoals de Sijpesteijntunnel) in te perken en te beheersen. Voorafgaand aan dit onderzoek hebben wij aangegeven dat het heel lastig zal worden om aan te tonen wat de precieze effecten zijn van de losse maatregelen. Dit blijkt ook uit het onderzoek dat door het onderzoeksbureau is uitgevoerd. Een van de uitkomsten is dat de maatregelen op elkaar ingrijpen en elkaar juist versterken. Dat maakt dat een specifiek effect vaak niet kan worden teruggebracht tot één specifieke maatregel. Een belangrijke uitkomst van de eerdere evaluatie kort na de invoering van het verbod, was dat de grote dagelijkse toestroom van mensen die verslaafd zijn aan (hard)drugs en dealers van buiten de stad, direct gestopt is. Het komende anderhalf jaar monitoren we de maatregelen die we hebben ingezet aan de hand van signalen en cijfers. Dit doen we onder andere door gesprekken met omwonenden/ ondernemers, registraties van overlast en criminaliteit bij de gemeente en politie, signalen van het Eropaf-team, het aantal verblijfsontzeggingen en boetes die zijn
opgelegd. Maar we monitoren ook of mensen toe- of teruggeleid worden naar zorg door oa het aantal bezoekers en bezoeken aan de Stek en andere locaties maar ook door de gesprekken met de doelgroep zelf, betrokken professionals en belangenbehartigers. Vraag 2 De zorgmaatregelen veranderen ook de omstandigheden. Zo weet het eropaf-team steeds beter de doelgroep te bereiken en de locatie om binnen te gebruiken wordt steeds beter benut. Hierdoor zou het goed kunnen dat de doelgroep in 2026 in omvang is afgenomen, minder snel terugvalt in de verslaving en de voorkeur heeft aan binnengebruik. Hoe gaat het college onderzoeken en duidelijk maken in hoeverre de situatie van de overlast veranderd is door de geïmplementeerde zorgmaatregelen? Antwoord vraag 2 Onze inzet is om de drempel om buiten te gebruiken te verhogen en de drempel om op een veilige manier binnen te gebruiken te verlagen (harm reduction). Het verbod op gebruik van harddrugs in de openbare ruimte wordt enkel gehandhaafd bij excessen. Onze insteek is altijd dat het begint met zorg en eindigt met zorg. Ook de zorgmaatregelen zijn meegenomen in de eerdere evaluatie en zijn moeilijk los van elkaar te evalueren. Wel hebben we eerder kunnen zien dat bijvoorbeeld het aantal bezoekers en het aantal bezoeken aan de Stek flink gestegen zijn.
Daarnaast gaan we de komende periode in beeld brengen wat de impact is van de inzet van het Eropaf-team. Hierin worden we ondersteund vanuit de ministeries VWS en J&V en het landelijke programma (Grip op Onbegrip) wat zich erop richt om de aanpak op mensen met onbegrepen gedrag te versterken. Zij zien het Eropaf-team als een ‘best practice’ en willen ons helpen om enerzijds de administratieplicht van het team laag te houden (we willen de hulpverleners op straat en niet achter een bureau) en tegelijkertijd de impact van wat zij doen zichtbaar te maken. Vraag 3 Is het college bereid in het nodige onderzoek ook de belangen en wensen van de doelgroep mee te nemen, door bijvoorbeeld bij Stichting GOUD informatie op te halen en deze te verweken in de evaluatie? Zo nee, waarom niet? Antwoord vraag 3 Ja. Net als in de vorige evaluatie nemen we de belangen en de wensen van de doelgroep mee. We voeren zowel gesprekken rechtstreeks met de doelgroep zelf als met verschillende belangenbehartigers. Dat doen we overigens niet alleen tijdens het evalueren van het verbod maar gedurende het hele jaar. Zo is vorig jaar ook op wens van de doelgroep de tuin van de Stek aangepast (in samenwerking met de mensen zelf) zodat het een fijne plek is geworden waar mensen samen veilig en sociaal met elkaar kunnen gebruiken.
Vraag 4 Elke optie die er is om de doelgroep op een niet-repressieve manier te ondersteunen, zou door het college serieus onderzocht moeten worden. Kan het college toezeggen voorafgaand aan de evaluatie te onderzoeken of er nog andere niet-repressieve maatregelen zijn om het probleem op te lossen? Zo ja, kan het college de raad tussentijds op de hoogte brengen wanneer er een optie gevonden is? Zo nee, waarom niet? Antwoord vraag 4 We zoeken binnen de aanpak van de problemen rondom overlast en criminaliteit door mensen met een harddrugsverslaving (en hun dealers) continu naar nieuwe (niet-repressieve) manieren waarmee we mensen passende zorg kunnen bieden en hen kunnen verleiden om hier ook gebruik van te maken. Hierbij luisteren we goed naar de signalen van de professionals die dagelijks in contact staan met deze mensen en naar de wensen van de doelgroep zelf. We hopen natuurlijk dat mensen hiermee structureel goed in zorg komen en blijven. We weten echter ook dat dit zeker niet altijd (meteen) lukt en dit bij sommige mensen een (hele) lange adem 2
vraagt. Juist de mix van maatregelen vanuit zowel zorg als veiligheid biedt de meeste kansen om mensen te ondersteunen. De aanpak vraagt een intensieve en structurele inzet van alle partners. Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Utrecht,
de secretaris,
de burgemeester,
3
Schriftelijke vragen: Voor het harddrugsverbod is feitelijke informatie hard nodig 19-3-2025 Vragen: Op 23 januari 2025 heeft de raad Amendement 17 ‘Horizonclausule harddrugsverbod’ aangenomen om middels een horizonclausule het ingestelde harddrugsverbod te laten vervallen op 1 november 2026. Het amendement stelt dat een evaluatie van het verbod over uiterlijk anderhalf jaar gewenst is om op basis van feitelijke resultaten een weloverwogen besluit te nemen over de voortzetting, aanpassing of beëindiging van de maatregel. Vooralsnog is onduidelijk hoe deze feitelijke informatie vergaard wordt. Daarom hebben de Partij voor de Dieren, BIJ1 en D66 de volgende vragen. 1. Het harddrugsverbod is een onderdeel van een pakket aan maatregelen die bedoeld zijn om overlast te verminderen en kwetsbare en verslaafde mensen naar zorg te begeleiden. Om duidelijk te hebben welke onderdelen van dat pakket nog nodig zijn in november 2026 moet inzichtelijk gemaakt worden wat het feitelijke effect is van de losse maatregelen. Hoe gaat het college dat aanpakken en duidelijk maken wat het effect van elke maatregel is? 2. De zorgmaatregelen veranderen ook de omstandigheden. Zo weet het eropaf-team steeds beter de doelgroep te bereiken en de locatie om binnen te gebruiken wordt steeds beter benut.
Hierdoor zou het goed kunnen dat de doelgroep in 2026 in omvang is afgenomen, minder snel terugvalt in de verslaving en de voorkeur heeft aan binnengebruik. Hoe gaat het college onderzoeken en duidelijk maken in hoeverre de situatie van de overlast veranderd is door de geïmplementeerde zorgmaatregelen? 3. Is het college bereid in het nodige onderzoek ook de belangen en wensen van de doelgroep mee te nemen, door bijvoorbeeld bij Stichting GOUD informatie op te halen en deze te verweken in de evaluatie? Zo nee, waarom niet? 4. Elke optie die er is om de doelgroep op een niet-repressieve manier te ondersteunen, zou door het college serieus onderzocht moeten worden. Kan het college toezeggen voorafgaand aan de evaluatie te onderzoeken of er nog andere niet-repressieve maatregelen zijn om het probleem op te lossen? Zo ja, kan het college de raad tussentijds op de hoogte brengen wanneer er een optie gevonden is? Zo nee, waarom niet? Gesteld door: • Sjaak van Bemmel – Maarten van Heuven, Partij voor de Dieren • Stevie Nolten, BIJ1 • Ralph Peters, D66
4
BEANTWOORDING SCHRIFTELIJKE RAADSVRAGEN 2026, NUMMER 70 Datum Van Behandeld door E-mailadres Kenmerk Beleidsveld
19 mei 2026 College B&W I. Jenniskens ineke.jenniskens@utrecht.nl 34170237 Openbare Orde en Veiligheid
Geachte leden van de raad, Hierbij ontvangt u de beantwoording van de schriftelijke vragen jaargang 2026 nummer 70 ‘Terughoudendheid met het beboeten van harddrugsgebruik’ van Sjaak van Bemmel en Maarten van den Heuvel (Partij voor de Dieren), Stevie Nolten (BIJ1) en Aileen Siedenburg en Lars van Rooij (Student & Starter). De gestelde vragen zijn onderaan bijgevoegd. Vraag 1 Waarom zijn er 100 meer boetes uitgedeeld: welke verklaring is hiervoor? Antwoord 1 In 2025 is de overlast en criminaliteit toegenomen. Zo zien we bijvoorbeeld dat het aantal overlastregistraties bij de politie in de binnenstad, waar veel van de boetes op openlijk harddrugsgebruik zijn opgelegd, is toegenomen van 4765 in 2024 naar 5089 in 2025. Omwonenden en ondernemers van bijvoorbeeld omgeving Sijpesteijntunnel, Stationstraat, stationsgebied, Jaarbeursplein en de kop van Lombok hebben onlangs op verschillende manieren en op verschillende plekken hun zorgen en gevoelens van onveiligheid geuit. Onze Utrechtse aanpak om deze overlast en criminaliteit tegen te gaan, bestaat uit een pakket van maatregelen. De toename van de overlast vraagt een grotere inzet vanuit zowel de zorg-/ondersteuningskant (perspectief bieden) als op het handhaven bij –dreigende- excessen (grenzen stellen). We zien dan ook dat niet alleen het aantal boetes op het gebruik van harddrugs in de openbare ruimte is gestegen.