Agendabundel
Tekst van het document
Vanuit verschillende onderzoeken zijn er aanwijzingen dat mbo-studenten te maken hebben met discriminatie bij het zoeken naar een stage, maar deze onderzoeken leveren geen onomstotelijk bewijs. Zo vindt bijna 70% van de mbo-studenten met een Nederlandse achtergrond na één keer solliciteren een stageplek, bij mbo-studenten met een niet-westerse migratieachtergrond geldt dat voor bijna 50%. Studenten met een migratieachtergrond moeten ook vaker solliciteren om een stageplek te vinden: 24% moet meer dan vier keer solliciteren, 8,5% meer dan tien keer. Voor studenten met een Nederlandse achtergrond zijn deze percentages respectievelijk 11% en 3% (Van Engelshoven, 2018). Specifiek voor bol-studenten2 bleek al eerder dat studenten met een niet-westerse migratieachtergrond langer naar een stageplek moeten zoeken: gemiddeld twee weken langer dan studiegenoten met een Nederlandse achtergrond (SBB, 2015). Hoewel het aannemelijk is dat discriminatie een rol speelt in deze verschillen, is het niet met zekerheid te zeggen omdat andere factoren (ook) een rol kunnen spelen.
Daarnaast kunnen mbo-studenten tijdens hun stage te maken krijgen met discriminatie. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn bij discriminatoir uitschelden op de werkplek door collega’s of klanten. Maar het kan ook gaan om een ongelijke behandeling, bijvoorbeeld wanneer studenten constateren dat er verschil bestaat in de verantwoordelijkheden of taken die zij krijgen in vergelijking met andere stagiairs en die zij relateren aan een persoonskenmerk. Stagediscriminatie is een complex probleem waar verschillende actoren (werkgevers, onderwijsprofessionals en studenten) bij betrokken zijn. Voor betrokkenen is niet altijd duidelijk of en wanneer iets discriminatie is (Klooster et al., 2016; Felten et al., 2021). Studenten en onderwijsprofessionals gedogen discriminatie op de stagemarkt vaak onbewust of bewust. De studenten zien veelal het nut van melden niet in, en willen simpelweg zo snel mogelijk een stageplaats vinden (Klooster et al., 2016). Onderwijsprofessionals geven aan het lastig te vinden om het gesprek aan te gaan met leerwerkbedrijven, maar vooral ook om discriminatie te herkennen (Felten et al., 2021). Een soortgelijk beeld blijkt uit het kwalitatieve onderzoek dat in het Regionale Meld- en Coördinatiepunt (RMC) regio Utrecht is gedaan (KBA, 2019). Onderwijsprofessionals erkennen (deels) de problematiek, maar vinden het lastig om individuele gevallen te signaleren.
Ook meldingscijfers geven geen goed inzicht in de omvang van feitelijke discriminatie. Het overgrote deel van de jongeren die discriminatie hebben ervaren, meldt dit namelijk niet. Zij denken dat het geen zin heeft en/of hebben er geen vertrouwen in dat hun klacht serieus behandeld wordt (Klooster et al., 2016; KIS, 2018). Het landelijke Meldpunt Stagediscriminatie van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven (SBB) heeft bijvoorbeeld in het schooljaar 2018/2019 slechts 62 meldingen ontvangen.3
2 Beroeps Opleidende Leerweg (BOL). Zie uitleg over verschil tussen BOL en BBL: https://www. mbostart.nl/bol-bbl/. 3 https://www.ad.nl/politiek/laat-mbo-studenten-stagediscriminatie-melden-met-app~aa4d1515/
8
Ervaren discriminatie tijdens het zoeken en tijdens de stage Verschillende onderzoeken laten zien dat mbo-studenten discriminatie ervaren bij het zoeken naar een stage (bijv. Van Rooijen & De Winter-Koçak, 2018). Zo geeft 10 procent van de mbo-studenten met een migratieachtergrond aan discriminatie te hebben ervaren bij het solliciteren naar een stage. Daarnaast geeft ongeveer 30 procent aan te twijfelen of zij te maken hadden met discriminatie tijdens het zoeken naar een stage (Klooster, Koçak & Day, 2016). De studenten geven met name aan discriminatie te hebben ervaren tijdens het zoeken naar een stageplek. Slechts een enkeling geeft aan ook tijdens hun stageperiode te zijn benadeeld op basis van hun etnische achtergrond. In een onderzoek onder bol-studenten geeft 5,2 procent aan dat zij tijdens hun stageperiode het gevoel hebben gehad dat zij anders zijn behandeld vanwege hun culturele of etnische achtergrond (Van Rooijen & De Winter-Koçak, 2018). Huidige onderzoek: objectief vastgestelde (feitelijke) en ervaren discriminatie Tot op heden ontbreekt concrete informatie over de omvang van stagediscriminatie. Ons onderzoek beoogt vast te stellen in welke mate er sprake is van objectief vastgestelde discriminatie in Utrecht.
In dit onderzoek maken we een onderscheid tussen objectief vastgestelde discriminatie en ervaren discriminatie. Om discriminatie objectief vast te stellen maken we gebruik van zogenoemde praktijktests: een vorm van veldexperimenten waardoor het mogelijk is vast te stellen of er verschil wordt gemaakt op een bepaald kenmerk door alleen dat specifieke kenmerk te variëren. Kort samengevat sturen we twee identieke cv’s en motivatiebrieven van fictieve studenten die verschillen op één kenmerk naar een beschikbare stageplek en kijken we wie uitgenodigd wordt voor een gesprek (zie hoofdstuk 3 voor meer toelichting). Met deze methode is op de arbeidsmarkt meerdere malen aangetoond hoe groot arbeidsmarktdiscriminatie is, in welke sectoren dit
speelt en welke groepen hier het meeste last van hebben (Andriessen, Nievers, Faulk & Dagevos, 2010; Andriessen, Van der Ent, Van der Linden & Dekker, 2015). In dit onderzoek gebruiken we deze methode om na te gaan of er sprake is van objectief vastgestelde discriminatie op grond van gender, migratie-achtergrond en religie. Dit betreft juridisch beschermde gronden op basis van de AWGB. Discriminatie op deze gronden is dus bij wet verboden. Hiernaast onderscheiden we ervaren discriminatie, waarbij we breder kijken naar meer discriminatiegronden, waaronder ook seksuele oriëntatie, chronische aandoeningen, het niveau van de opleiding en andere leerbehoeften (bijvoorbeeld door dyslexie, autisme of ADHD). Zoals gezegd: niet al deze gronden zijn ook wettelijk beschermde gronden, maar studenten kunnen wel ervaren dat zij op basis van deze kenmerken anders worden behandeld met negatieve uitkomsten. In dit gedeelte van het onderzoek gaat het uitdrukkelijk om de ervaringen van studenten zelf, zonder dat duidelijk is wat er feitelijk onder die ervaring ligt. Het is dus mogelijk dat studenten een gebeurtenis als discriminatie ervaren, terwijl dat feitelijk niet zo is. Het is andersom ook mogelijk dat studenten iets niet als discriminatie ervaren, terwijl dat feitelijk wel zo is.
De waarde van het in kaart brengen van discriminatie-ervaringen van studenten ligt in de gevolgen die deze ervaringen hebben voor de gezondheid en het welbevinden van die studenten. Zoals het bekende Thomas-theorema luidt: if men define situations as real, they’re real in their consequences. Met andere woorden: als studenten discriminatie ervaren, heeft dat gevolgen voor de manier waarop zij in de wereld staan (bijvoorbeeld voor hun zelfvertrouwen of hun verwachtingen voor de toekomst), de manier waarop zij hun gedrag aanpassen (bijvoorbeeld het vermijden van bepaalde situaties of bedrijven) en hoe ze zich voelen (bijvoorbeeld eenzaam). Onderzoek laat zien dat ervaren discriminatie negatieve gevolgen heeft voor de gezondheid en het welzijn van mensen (Klonoff et al., 2000; Schmidt et al., 2002; Liebkind & Jasinskaja-Lahti, 2000). 9
Mensen die discriminatie ervaren, kampen vaker met een lager zelfbeeld (Branscombe et al., 1999; Swim et al., 2001) en voelen zich onveiliger in bepaalde situaties (Andriessen et al., 2014). Ook wanneer er dus geen feitelijke discriminatie onder deze gevoelens zou liggen, zijn de gevolgen daarvan wel voelbaar en tastbaar. Overigens laat onderzoek zien dat mensen vaker discriminatie over het hoofd zien dan dat zij situaties ten onrechte als discriminatie bestempelen (Andriessen, 2017). Leeswijzer Het onderscheid in objectief vastgestelde en ervaren discriminatie houden we ook in de rapportage aan. Eerst beschrijven we de onderzoeksvragen en algemene opzet van het onderzoek (hoofdstuk 2). Daarna hebben we dit rapport in twee delen opgedeeld. Deel A gaat over de objectief vastgestelde discriminatie op de mbo-stagemarkt in Utrecht die is onderzocht door de praktijktests. We beschrijven eerst de methode van de praktijktests (hoofdstuk 3). In het volgende hoofdstuk beschrijven we de resultaten (hoofdstuk 4). Deel B gaat over de ervaren discriminatie van studenten, waarbij we eerst beschrijven hoe we de data hebben verzameld (hoofdstuk 5). De discriminatie-ervaringen van mbo-studenten en vooral de gevolgen zijn te lezen in hoofdstuk 6. We sluiten af met de algemene conclusies en aanbevelingen om stagediscriminatie aan te pakken (hoofdstuk 7).
10
2
Onderzoeksvragen en opzet van het onderzoek
In de huidige studie onderzoeken we de aard en omvang van stagediscriminatie onder studenten van Utrechtse mbo-instellingen. Daarvoor zijn de volgende onderzoeksvragen4 geformuleerd: 1.
2.
3. 4. 5.
In welke mate is er sprake van objectief vastgestelde discriminatie op grond van gender, migratie-achtergrond en religie op de Utrechtse mbo-stagemarkt? Zijn er verschillen tussen groepen studenten (op basis van bijvoorbeeld gender, etnische achtergrond, seksuele oriëntatie, geloofsovertuiging, beperking, opleidingsniveau) van Utrechtse mbo-instellingen in de mate waarin zij zich moeten inspannen om een stageplek te vinden? In welke mate is er sprake van ervaren discriminatie onder studenten van Utrechtse mbo-instellingen bij het zoeken naar een stage? Welk effect heeft de ervaring gediscrimineerd te worden tijdens het zoeken naar een stage en de stageperiode op het leven van de mbo-studenten? Welke oplossingsrichtingen voor het tegengaan en voorkomen van stagediscriminatie worden (door alle betrokkenen) gezien als meest kansrijk binnen de Utrechtse context?
Algemene opzet van het onderzoek De objectief vastgestelde stagediscriminatie zal gemeten worden met zogenaamde praktijktests, waarbij twee fictieve mbo-studenten tegelijkertijd solliciteren op een stagevacature (onderzoeksvraag 1). Om de ervaren stagediscriminatie van mbo-studenten in kaart te brengen, hebben we een digitale vragenlijst uitgezet onder de vier mbo-instellingen in Utrecht (onderzoeksvraag 2 en 3). We hebben met 16 mbo-studenten verdiepende interviews gehouden om meer inzicht te krijgen in wat ze hebben meegemaakt en wat de gevolgen zijn van ervaren discriminatie voor hun leven (onderzoeksvraag 4). Daarnaast hebben we drie groepsgesprekken georganiseerd met onderwijsprofessionals en werkgevers over mogelijke oplossingsrichtingen om stagediscriminatie te voorkomen (onderzoeksvraag 5). In totaal hebben 21 mensen deelgenomen aan de drie gesprekken. Bij twee gesprekken was ook een mbo-student aanwezig. De respondenten zijn geworven via de leden van de begeleidingscommissie. Het eerste groepsgesprek was met onderwijsprofessionals en het tweede gesprek met werkgevers, die allen direct betrokken waren bij het stageproces. In het derde gesprek waren beleidsmakers uit zowel onderwijs als het bedrijfsleven vertegenwoordigd. Door de maatregelen rond het covid-19-virus hebben alle gesprekken digitaal plaatsgevonden.
Gedurende het gehele onderzoek was een begeleidingscommissie betrokken bestaande uit vertegenwoordigers van alle mbo’s in Utrecht, SBB, de gemeente Utrecht en een mbo-student.
4 De volledige onderzoeksvragen, inclusief sub-vragen, zijn te vinden in Bijlage 1.
11
Deel A Objectief vastgestelde discriminatie op de Utrechtse mbo-stagemarkt
3 3.1.
Opzet van de praktijktests om discriminatie objectief vast te stellen Discriminatie objectief vaststellen via praktijktests
Discriminatie kan als volgt worden gedefinieerd: het nadelig behandelen van personen omdat zij tot een bepaalde groep behoren of daartoe gerekend worden (Köbben, 1985; Veenman 1990, 2003). Toegepast op stagediscriminatie gaat het dus om de vraag of bepaalde mbo-studenten minder kans hebben op een stageplek omdat zij tot een bepaalde groep - bijvoorbeeld een etnische of religieuze groep - behoren of daartoe gerekend worden. Onderzoek naar feitelijke discriminatie op de stagemarkt moet dus vaststellen in welke mate selectie voor een stageplek niet plaatsvindt op basis van relevante kenmerken, zoals de juiste vooropleiding, maar op basis van persoonskenmerken. Praktijktests zijn hiervoor een geschikte methode. Dit is een vorm van veldexperimenten waarbij alleen het persoonskenmerk gevarieerd wordt waarvan we willen weten of daar onderscheid op wordt gemaakt: gender, migratie-achtergrond of religieuze affiliatie. Op de andere kenmerken, zoals opleiding en werkervaring verschillen de studenten niet. Als er verschil wordt gemaakt tussen de studenten heeft dit dus te maken met het kenmerk dat wel verschilt (het persoonskenmerk). Praktijktesten kunnen in verschillende vormen worden uitgevoerd: schriftelijk, telefonisch of met acteurs. In bijlage 2 staan de ethische overwegingen bij deze methode van onderzoek vermeld.
In dit onderzoek hebben we gebruikgemaakt van schriftelijke tests, zogenaamde correspondentietests. De keuze voor dit type tests is gemaakt om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de maner waarop mbo-studenten doorgaans naar een stage zoeken. Dit gebeurt veelal door het sturen van e-mails, zo bleek uit gesprekken met onderwijsprofessionals. In onze tests reageren twee fictieve mbo-studenten op een bestaande vacature voor een stageplaats. Deze twee studenten zijn gelijkwaardig voor wat betreft relevante kenmerken: opleiding, werkervaring en eventueel eerdere stages. Ze verschillen van elkaar op één persoonskenmerk: bijvoorbeeld een mannelijke student en een vrouwelijke student. Of de een heeft wel en de ander geen migratieachtergrond. Een stagebedrijf kan beide studenten afwijzen, beide studenten uitnodigen voor een sollicitatiegesprek, of de een wel uitnodigen, maar de ander afwijzen. In dat laatste geval worden gelijke gevallen ongelijk behandeld.
Door dergelijke tests vaak te herhalen bij verschillende stagebedrijven is na te gaan of er systematisch verschil wordt gemaakt op basis van persoonskenmerken: hebben vrouwelijke studenten bijvoorbeeld meer kans om uitgenodigd te worden voor een sollicitatiegesprek dan mannelijke studenten? Het gaat hier om een statistisch significant verschil: we berekenen of de ongelijke kansen met 95% betrouwbaarheid echte verschillen zijn, en dus niet op toeval berusten. Als we met behulp van deze methode statistische verschillen vinden, betekent dit dat een bepaalde groep minder kans heeft op een stage vanwege een bepaald persoonskenmerk. Als we geen significante statistische verschillen vinden, dan is er geen statistisch bewijs van systematische discriminatie op een bepaald persoonskenmerk. Dan kan het nog steeds zijn dat een individuele student te maken heeft met discriminatie, maar in onze tests gebeurt dit niet vaak genoeg om te spreken van een systematisch verschil in kansen.
13
Wij hebben ervoor gekozen te kijken naar verschil in kansen op drie persoonskenmerken: z
z
z
Gender (of mannen en vrouwen evenveel kans hebben op een stageplek, ook in combinatie met migratieachtergrond). Een migratieachtergrond (gesignaleerd door de naam van de fictieve student). Religie (of fictieve studenten die moslim zijn evenveel kans hebben op een stageplek).
Onderzoek wijst uit dat deze discriminatiegronden belangrijk zijn in de ervaringen van studenten bij het zoeken naar stage en werk (Andriessen et al., 2020). Tot slot kijken we of er verschil is naar sectoren in de mate van eventuele discriminatie op deze persoonskenmerken. Er zijn aanwijzingen dat de mate van stagediscriminatie verschilt naar sectoren (Klooster et al., 2016), iets wat op de arbeidsmarkt is vastgesteld (Andriessen et al., 2010).
3.2.
Uitvoering praktijktests Utrechtse mbo-stagemarkt
Keuze van sectoren De praktijktests werden uitgevoerd in vier sectoren van de Utrechtse stagemarkt: z z z z
ICT Zorg en welzijn Bouw en techniek Zakelijke dienstverlening
De keuze voor deze sectoren was gebaseerd op de volgende overwegingen: z
z
z
z
z
verschillen tussen dergelijke sectoren (Baert, 2017; Rich, 2014). Een meta-analyse op studies met praktijktests laat zien dat mannen meer gediscrimineerd worden in stereotiepe vrouwenberoepen dan vrouwen in stereotiepe mannenberoepen (Rich, 2014). De sector heeft geen groot tekort aan stageplekken, zodat er een redelijke kans bestaat voor de fictieve studenten om uitgenodigd te worden voor een sollicitatiegesprek. De sectoren zijn verdeeld over wat we weten vanuit ervaringsonderzoek (bijvoorbeeld niet alleen maar sectoren waarin er veel discriminatie wordt ervaren). Binnen de sector zijn er meerdere beroeps opleidende leerwegen (bol-opleidingen) op niveau 3 of 4 die in aanmerking komen op basis van de twee bovenstaande criteria. De opleiding wordt liefst verzorgd door meerdere mbo-instellingen in Utrecht.
Vergelijkbare en aantrekkelijke cv’s Cruciaal in de methode van de praktijktests is dat de gekoppelde studenten alleen verschillen op een van tevoren bepaald persoonskenmerk. Het is dus allereerst zaak om voor elk van de opleidingen waar de fictieve studenten een stage bij zochten twee vergelijkbare cv’s en motivatiebrieven te maken. Met behulp van deskresearch zijn twee cv’s en motivatiebrieven per opleiding opgesteld. Enkele prototypes zijn vervolgens voorgelegd aan vertegenwoordigers van de verschillende mbo-instellingen in Utrecht om na te gaan of het inderdaad ging om vergelijkbare, realistische en aantrekkelijke cv’s en brieven. Waar nodig zijn aanpassingen gedaan. De twee vergelijkbare cv’s en brieven zijn opgemaakt in twee verschillende formats, zodat ze uiterlijk van elkaar verschilden, maar dus vergelijkbaar waren wat betreft de inhoud, zoals (voor) opleiding en werkervaring.
De sectoren zijn verdeeld over stereotiepe ‘mannen’- en ‘vrouwen’-sectoren: sectoren waarin veel mannen of juist veel vrouwen werkzaam zijn. Onderzoek wijst uit dat de mate van discriminatie naar gender kan 14
Persoonskenmerk signaleren Met behulp van de praktijktests willen we uitspraken doen of verschil wordt gemaakt tussen verder vergelijkbare studenten op grond van hun gender, etnische achtergrond en/of religie. Het stagebedrijf kon de gender van de fictieve studenten afleiden uit de naam van de student. Omdat de gender van de oorspronkelijk niet-Nederlandse namen wellicht niet direct duidelijk zou zijn voor de selecteurs is in de motivatiebrief een zin opgenomen die expliciet de gender van de fictieve student vermeldt: ‘ik ben een enthousiaste jongen/ meisje’. Of een student een migratieachtergrond heeft kon ook blijken uit de naam van de fictieve student. Hierbij zijn veel voorkomende namen met een Surinaamse, Antilliaanse, Marokkaanse of Turkse herkomst gekozen die voor potentiële stagebegeleiders makkelijk te associëren zijn met wel of geen migratieachtergrond (tabel 3.1.). Alle studenten zijn geboren in Nederland en hebben hun vooropleidingen gevolgd op een Nederlandse middelbare school; zij hebben vmbo-tl of mavo op deze scholen afgerond. We hebben de namen van de fictieve studenten opgezocht op sociale media om te controleren of ze niet gekoppeld zijn aan een bestaand profiel, zodat potentiële stagebegeleiders geen extra informatie vinden wanneer zij studenten die solliciteren op internet opzoeken.
Tabel 3.1. Namen van fictieve studenten naar migratieachtergrond en gender Zonder migratieachtergrond
Met migratieachtergrond
Mannen
Vrouwen
Mannen
Vrouwen
Brian Willemsen
Wendy de Koning
Arjun Ramautara
Rania Kalloe
Kevin van Loon
Daphne Verbeek
Raman Rambocusa
Avani Sardjoe
Julian van Dongen
Chantal Dijkstra
Diego Martis
Solange Isenia
Danny Maas
Britt Hoekstra
Ismail Moussaouic
Dylan de Jong
Anne Postma
Mohammed Hassan
Samira Tahiri
Patrick Smit
Laura de Wit
Yusuf Özcan
Fatima Özturk
b
Aïsha El Abdi c
d
Opmerking. a= Surinaamse/Hindoestaanse migratieachtergrond; b = Antilliaanse migratieachtergrond; c = Marokkaanse migratieachtergrond en d = Turkse migratieachtergrond.
Tot slot wilden we kijken in welke mate er sprake is van discriminatie van studenten die moslim zijn. Aan de helft van alle tests is hiertoe vrijwilligerswerk toegevoegd aan de cv’s. De fictieve studenten zonder migratieachtergrond kregen vrijwilligerswerk bij een religieus neutrale organisatie, zoals het buurthuis of de sportvereniging. De fictieve studenten met een migratieachtergrond kregen vrijwilligerswerk op hun cv dat qua taken en verantwoordelijkheden vergelijkbaar was. Dit vrijwilligerswerk deden deze studenten echter bij een religieuze organisatie (een moskee). Uit deze religieuze affiliatie van de student kan de selecteur afleiden dat de student moslim is. In tabel 3.2 staat het vrijwilligerswerk voor beide studenten beschreven.
15
Tabel 3.2. Koppels van vrijwilligerswerk in religie-manipulatie Koppel
Islamitisch vrijwilligerswerk
1
Utrecht Ulu Moskee
Neutraal/niet-islamitisch vrijwilligerswerk Huiswerkbegeleiding in buurthuis
2
Helpen bij het geven van Koranlessen aan basisschoolkinderen. Door bijvoorbeeld samen de Koran te lezen en erover te praten. Utrecht Ulu Moskee
Het geven van bijles in rekenen en taal aan verschillende kinderen tussen de 7 en 11 jaar. Dit deed ik in het buurthuis bij mij in de buurt. HKC Utrecht (Hoograven)
Helpen bij de voorbereidingen en het organiseren van Iftar- en Sahur-maaltijden tijdens de Ramadanmaand.
Het helpen organiseren van het jaarlijkse pannenkoekentoernooi aan het begin van het seizoen voor alle jeugdleden.
Contactgegevens op het cv Voor iedere naam is een e-mailadres aangemaakt via Gmail. Deze e-mailadressen werden gebruikt om de sollicitaties te versturen en om reacties van stageorganisaties te ontvangen. Daarnaast beschikten we over drie mobiele prepaid telefoons. Op de cv’s van de fictieve studenten werd een telefoonnummer vermeld dat gekoppeld was aan een prepaid telefoon met een automatische voicemail. Hiermee konden stageorganisaties de fictieve student bellen en een bericht achterlaten. Om een geloofwaardig profiel van de studenten te creëren werden ook woonadressen op de cv’s vermeld. Hierbij waren bestaande adressen van belang, zodat mogelijke reacties van stageorganisaties via de post ontvangen konden worden. Deze adressen hebben wij ontvangen van collega’s, vrienden en familie wanneer zij woonachtig waren in en rondom de gemeente Utrecht. Design Per sector zijn 72 tests gedaan. Een test omvat een vacature waarop twee reacties worden gestuurd van vergelijkbare studenten die verschillen op een persoonskenmerk. Vooraf is een design gemaakt waarbij deze tests werden verdeeld over de persoonskenmerken, de opleidingen en het gebruikte
cv-format. Van tevoren werd dus bepaald voor elke test met welke profielen (opleiding, gender, migratieachtergrond en naam) er werd gesolliciteerd en welk format van het cv werd gebruikt. Er was daarmee niet een specifiek cv voor de studenten met of zonder migratieachtergrond of voor mannelijke of vrouwelijke studenten. Beide formats van het cv werden evenveel gebruikt bij de verschillende persoonskenmerken. Uitvoering De vacatures met stageplekken waarop gesolliciteerd werd, zijn voornamelijk verkregen via de website www.stagemarkt.nl. Wanneer hierop geen geschikte vacatures beschikbaar waren, werden andere websites gebruikt of werd een open sollicitatie verstuurd. Om argwaan bij de stagebedrijven te voorkomen, stuurden we de sollicitaties van de studenten op verschillende dagen, steeds met een tussenpoos van maximaal twee dagen tussen de gekoppelde sollicitaties. Iedere dag werden de e-mailadressen en voicemails gecheckt op reacties. Wanneer een reactie werd ontvangen, werd dit nauwkeurig vastgelegd in een databestand (zie tabel 4.2). Wanneer er na twee weken nog geen reactie op de sollicitatie was ontvangen, werd een herinneringsmail gestuurd. Dit is gedaan om er zekerder van te zijn dat het om een afwijzing ging en niet om een ’onder op de stapel belande’ sollicitatie.
Er zijn twee soorten herinneringsmails opgesteld, die qua format iets van elkaar verschilden maar inhoudelijk op hetzelfde neerkwamen. Deze herinneringsmails zijn gerandomiseerd verstuurd. Bij een uitnodiging van een fictieve student voor een sollicitatiegesprek werd deze zo snel mogelijk afgezegd om de overlast voor bedrijven zoveel mogelijk te beperken. Naast de datum van ontvangst, datum van sollicitatie en het versturen van een mogelijke herinneringsmail, werd in het databestand bijgehouden of er een uitnodiging of een afwijzing volgde. Overige kenmerken van de fictieve 16
studenten, zoals naam, gender, migratieachtergrond, leeftijd, woonplaats, telefoonnummer, opleiding, leerjaar, mbo-instelling en gebruikt cv-format werden ook vastgelegd. Kenmerken van de stagebedrijven, zoals sector, omvang stagetekort en afstand in kilometers van het fictieve woonadres van de student tot de stageplek werden ook genoteerd.
3.3.
z
Analyses
Om te bepalen of discriminatie aan de orde is, hebben we gebruikgemaakt van logistische multi-levelanalyses. Dit deden we omdat de data die we analyseren een geneste structuur heeft: er zijn steeds twee sollicitaties op dezelfde vacature gedaan. Er bestaat dus een zekere afhankelijkheid tussen die observaties. Om daarmee rekening te houden is een multi-levelanalyse de meest geschikte methode. De afhankelijke variabele in deze analyse is steeds de callback: of een student een positieve of een negatieve reactie kreeg (zie ook hoofdstuk 4). We kijken of die reactie anders is voor studenten met bepaalde persoonskenmerken: krijgen bijvoorbeeld mannelijke studenten vaker een positieve reactie dan vrouwelijke studenten? De studenten solliciteerden in het onderzoek met vergelijkbare cv’s, die random waren toebedeeld aan de studenten. Per saldo solliciteren de studenten dus met hetzelfde cv. Toch is het goed om deze assumptie van vergelijkbaarheid ook nog expliciet te toetsen door de kans op een positieve reactie tussen de verschillende formats van de cv’s te vergelijken. Ze zijn inderdaad vergelijkbaar: de twee formats verschillen niet in de kans op een positieve reactie.
z
z
z
Door het design zullen studenten met verschillende persoonskenmerken redelijk goed verdeeld zijn over de mbo-instellingen. Om eventuele effecten toch uit te sluiten is deze controlevariabele toegevoegd. De afstand van het woonadres van de fictieve student tot de stageplek in kilometers. Op de cv’s van de fictieve studenten werd een bestaand adres vermeld (van vrienden, collega’s en familie). Voor elke stagevacature is geprobeerd twee adressen te vinden die ongeveer even ver van de stageplek af lagen, omdat er een voorkeur kan zijn van stagebedrijven voor studenten die dichterbij wonen. Om voor eventuele overgebleven verschillen in afstand te controleren is de afstand tussen huisadres en stageadres in de analyses opgenomen als controlevariabele. De Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) heeft voor een groot aantal mbo-opleidingen een inschatting gemaakt van de beschikbaarheid van stages en hiermee de kans om een stage te vinden (gering, matig, voldoende, ruim voldoende, goed of niet bekend). Omdat de kans op discriminatie groter kan zijn bij grotere tekorten is deze variabele ook meegenomen als controlevariabele. Het is mogelijk dat de mate van discriminatie op de stagemarkt, net als op de arbeidsmarkt, naar sector verschilt. Daarom is ook sector opgenomen als controlevariabele.
Doorgaans beschikken grotere bedrijven vaker over een professionelere HR-afdeling die selectieprocessen meer gestandaardiseerd en geobjectiveerd kan hebben, waardoor (onbewuste) discriminatie voorkomen kan worden. De omvang van het bedrijf is daarom opgenomen in vijf categorieën: 1-9 werknemers, 10-50 werknemers, 51-100 werknemers, 101-500 werknemers, meer dan 500 werknemers en onbekend.5
Om ook andere mogelijke verschillen tussen de fictieve studenten uit te sluiten hebben we in de analyses een aantal controlevariabelen toegevoegd: z
De mbo-instelling waar de student studeert. Het kan zijn dat stagebedrijven een positiever beeld of ervaring hebben met een bepaalde mbo-instelling en daardoor studenten van die instelling positiever benaderen.
5 Voor meer informatie, zie de website: KIES MIJ. Tegen stagediscriminatie. Voor gelijke behandeling.
17
Op 12 november 2020 werd de landelijke campagne Kies mij3 tegen stagediscriminatie gelanceerd. Deze campagne is gericht op bewustwording en het verminderen van stagediscriminatie. In de analyses hebben we aanvullend gekeken of de uitkomsten van de praktijktests (de mate van discriminatie) verschillen voor en na lancering van de campagne (op de drie verschillende discriminatiegronden). Dat is niet het geval. Dit wil echter niet per definitie zeggen dat de campagne geen effect heeft; mogelijk duurt het langer voordat resultaten zichtbaar worden.
18
4
Uitkomsten van de praktijktests
Discriminatie op de Utrechtse mbo-stagemarkt In dit hoofdstuk beschrijven we de uitkomsten van de praktijktests. De methode is in hoofdstuk 3 toegelicht. We beginnen het hoofdstuk met de beschrijvende resultaten en gaan daarna over naar de uitkomsten van de analyses om antwoord te geven op de volgende vraag: In welke mate is er sprake van discriminatie op grond van gender, migratieachtergrond en religie op de Utrechtse mbo-stagemarkt?
4.1.
Beschrijvende resultaten
In de maanden oktober, november en december 2020 werden 5776 sollicitaties verstuurd naar 288 vacatures. De vacatures werden voornamelijk gevonden
6 Bij alle vacatures op een na zijn twee reacties gestuurd. Op een vacature zijn echter drie reacties verstuurd. De eerste twee fictieve studenten ontvingen op hun sollicitatie het verzoek om hun portfolio op te sturen. Daarop werd besloten de fictieve studenten een voor een hun sollicitatie te laten intrekken, omdat aan dit verzoek niet voldaan kon worden. Nadat de eerste sollicitant een afzegging had verstuurd kreeg de gekoppelde sollicitant toch een uitnodiging voor een gesprek. Daarmee ontstond een situatie van ongelijke behandeling. Maar het riep ook de vraag op of de eerste sollicitant anders ook uitgenodigd zou zijn, waarmee er dus wel een gelijke behandeling was. Om hier meer duidelijkheid over te krijgen is een derde sollicitatie gestuurd met dezelfde persoonskenmerken als de eerste sollicitant die zijn sollicitatie had ingetrokken. Ook de derde sollicitant ontving een verzoek tot het sturen van een portfolio, maar geen uitnodiging voor een gesprek. De conclusie is dat hier sprake is van ongelijke behandeling.
op de website stagemarkt.nl (281 vacatures), waar stagebedrijven hun vacante stageplekken posten. Daarnaast was een aantal vacatures afkomstig van de nationale vacaturebank of van een website van een specifiek bedrijf. Per vacature werden de cv’s en brieven van twee gelijkwaardige fictieve studenten verstuurd. De studenten waren altijd 17 of 18 jaar oud en zaten in het tweede of derde leerjaar van hun studie. Het leerjaar werd tussen de gekoppelde studenten gelijk gehouden. We hanteerden een gebalanceerd design, waarbij de helft van de sollicitaties afkomstig was van een vrouw (288), de andere helft van een man (289). Daarnaast had de ene helft van de studenten een migratieachtergrond en de andere helft niet. Zoals te zien is in tabel 4.1 hadden ongeveer evenveel vrouwelijke als mannelijke fictieve studenten een migratieachtergrond. Tabel 4.1. Verdeling van fictieve studenten over persoonskenmerken gender en migratieachtergrond Zonder migratieachtergrond
Met migratieachtergrond
Man
143
145
vrouw
145
144
Totaal
288
289
Van de studenten met een migratieachtergrond had de helft (144) als extra toevoeging een verwijzing naar een islamitische achtergrond. Tot slot waren de sollicitaties gelijkelijk verdeeld over de vier sectoren: ICT (145), zorg en welzijn (144), bouw en techniek (144) en zakelijke dienstverlening (144). Ook hierbinnen was er een gelijke verdeling naar etnische achtergrond, religieuze affiliatie en gender.
19
Type uitkomsten De fictieve studenten ontvingen op hun sollicitatiebrief diverse reacties, die zijn weergegeven in tabel 4.2. Een uitnodiging betekende dat een fictieve student een uitnodiging voor een sollicitatiegesprek ontving. Bij een afwijzing werd de student afgewezen omdat er bijvoorbeeld al een stagiair was gevonden, omdat er door de corona-pandemie toch geen stageplaats beschikbaar was,7 of omdat het bedrijf de stagiair niet geschikt vond. Bij een vraag om meer informatie wordt de fictieve student gevraagd om naast de informatie die al in de brief en het cv wordt gegeven aanvullend informatie te verstrekken. Het gaat dan bijvoorbeeld om vragen over verduidelijking van de stageperiode, zoals precieze start- en einddata, om hoeveel uren het gaat of op welke dagen de student beschikbaar zou zijn. Waar mogelijk is antwoord gegeven en is deze aanvullende informatie verstrekt. In een aantal gevallen was het niet mogelijk, omdat bijvoorbeeld werd gevraagd om het opsturen van voorbeeldwerk of een portfolio of er werd gevraagd naar de specifieke invulling van de stageopdracht. Bij de categorie ‘afwijzing maar wel in bestand voor volgende keer’ werd de fictieve student afgewezen, maar werd er wel expliciet gevraagd of de gegevens van de student in het archief mochten worden bewaard.
Ook kwam het voor dat een fictieve student pas werd uitgenodigd nadat de andere fictieve student had afgezegd. Dit kwam bijvoorbeeld doordat het stagebedrijf op de dag van de sollicitatie de student direct uitnodigde voor een gesprek de volgende ochtend. De tweede student had dan nog niet gesolliciteerd, maar omdat het streven was om altijd een afmelding te sturen voordat het gesprek plaats zou vinden, moest de eerste student zich al afmelden voordat de tweede student überhaupt had gesolliciteerd. Ook kwam het voor dat beide studenten een tijdje terug hadden gesolliciteerd en maar één van hen een uitnodiging had ontvangen. Er werd dan nog gewacht met afmelden, maar wanneer de andere
7 48 fictieve studenten kregen als reactie op hun sollicitatie dat door de coronamaatregelen het niet mogelijk was stage te lopen.
student na een week nog geen uitnodiging had werd voor de student die wel een uitnodiging had gekregen de afzegmail verstuurd. Het is een aantal keer voorgekomen dat vrijwel direct na die afzegging de tweede student ineens wel een uitnodiging kreeg. Een gemiste oproep betekent dat er gebeld was zonder voicemailbericht achter te laten en dat de uitslag niet via de mail was gecommuniceerd, maar het nummer wel herleid kon worden naar het betreffende stagebedrijf. Ook kregen studenten een aantal keer als positieve reactie dat ze een erg mooie motivatiebrief en cv hadden, maar werd vermeld dat pas later gekeken zou worden naar sollicitaties en gevraagd tegen die tijd weer contact op te nemen. Soms was dit pas nadat het onderzoek al afgerond zou zijn, waardoor dit niet verder opgevolgd kon worden. Tot slot was er ook een grote groep studenten die nooit een reactie heeft ontvangen. Tabel 4.2. Frequentie van typen uitkomsten op de verstuurde sollicitaties van fictieve studenten Type uitkomst
Frequentie (n)
Uitnodiging.
162
Afwijzing.
220
Verzoek om meer informatie.
12
Afwijzing maar wel in bestand voor volgende keer.
6
Uitnodiging nadat andere fictieve student had afgezegd.
13
Gemiste oproep.
2
Interesse maar verzoek om later contact te hebben.
9
Geen reactie.
153
TOTAAL
577
De verschillende typen reacties zijn samengevoegd tot twee soorten reacties: een positieve reactie op de sollicitatie (waarbij er een kans bestaat dat de student de stageplek krijgt) en een negatieve reactie (geen kans op deze stageplek). In de wetenschappelijke literatuur wordt naar deze variabele vaak verwezen onder de naam ‘callback’. 20
Onder ‘positieve reactie’ hebben we geschaard: z z z z z
Uitnodiging. Verzoek om meer informatie. Uitnodiging nadat andere fictieve student had afgezegd. Gemiste oproep. Interesse, maar verzoek om later contact te hebben.
De negatieve uitkomst omvat: z z z
Afwijzing. Afwijzing, maar wel in bestand voor volgende keer. Geen reactie.
Wanneer we de uitkomsten op deze manier indelen heeft 34% van de fictieve studenten een positieve uitslag gekregen (198 sollicitaties) en 66% een negatieve uitslag (379 sollicitaties).
Uit onze statistische analyses blijkt er een significant verschil te zijn in de kans op een positieve reactie tussen mannelijke en vrouwelijke studenten. Dit verschil blijft bestaan als we in de analyses rekening houden met de sector van het stagebedrijf waar werd gesolliciteerd, de mbo-instelling waar de fictieve student studeert, de afstand tussen het fictieve woonadres van de student en de stageplek, de omvang van het bedrijf en het geschatte stagetekort voor de opleiding die de student volgt. In figuur 1 zijn de voorspelde kansen9 op een positieve reactie voor mannelijke studenten en vrouwelijke studenten weergegeven, waarbij rekening is gehouden met de controlevariabelen. Hierdoor verschilt dit iets van de hiervoor genoemde percentages waarbij geen rekening is gehouden met deze variabelen. Mannelijke mbo-studenten hebben met dezelfde kenmerken een kleinere kans uitgenodigd te worden voor een stageplek dan vrouwelijke mbo-studenten. Figuur 1. Voorspelde kansen op een positieve reactie,10 naar gender 40
30
4.2.
Positieve discriminatie van vrouwelijke studenten, vooral in bouw en techniek
Van de 289 mannelijke studenten die solliciteerden op een stageplaats kregen er 92 een positieve uitslag (32%); de overige mannelijke studenten ontvingen dus een negatieve reactie. Van de 288 vrouwelijke studenten die solliciteerden kregen er 106 (37%) een positieve reactie. Tussen mannelijke studenten en vrouwelijke studenten die per saldo met hetzelfde cv reageerden bestaat dus een verschil van 5 procentpunten. De vraag is nu of dit een statistisch significant verschil is: met 95% zekerheid uit te sluiten dat het geen toeval betreft.8
37
35 30
25 20 15 10 5 0
Mannen
Vrouwen
9 Op basis van een statistisch model voorspel je de kans op een gebeurtenis. Het gaat hier dus om de kans dat een man of vrouw een positieve reactie zal krijgen op een sollicitatie, gebaseerd op ons statistische model. 8 Hiervoor voerden we een logistische multi-level analyse uit met callback als afhankelijke variabele en gender als onafhankelijke variabele.
10 In deze analyses is gecontroleerd voor: cv-format, sector, mbo-instelling, afstand tot stageplek, omvang van het bedrijf en geschatte kans op stage.
21
Uit de literatuur blijkt dat het nadeel (in de literatuur ook wel penalty genoemd) voor mannen in typische vrouwensectoren hoger is dan het nadeel voor vrouwen in typische mannenberoepen op de arbeidsmarkt. We hebben daarom ook gekeken of in ons onderzoek de kansen voor mannen en vrouwen verschillen in de vier sectoren.11 Overall vinden we geen significant interactie-effect: de kansen van mannelijke studenten en vrouwelijke studenten verschillen niet naar sectoren. In alle sectoren liggen de kansen van vrouwelijke studenten om een positieve reactie te krijgen hoger of gelijk. Echter, de kansen in de sector bouw en techniek zijn wel heel verschillend voor mannelijke studenten en vrouwelijke studenten. Vrouwelijke studenten hebben daar 40 procent kans op een positieve reactie in die sector, voor mannelijke studenten met dezelfde kenmerken ligt dit op 22 procent. Een aparte toets op dit verschil laat wel een significant effect zien. Over het algemeen hebben vrouwelijke studenten in alle onderzochte sectoren dus meer kans op een positieve reactie op hun sollicitatie, maar in de sector bouw en techniek is het verschil extra groot. Mogelijk komt dit door het diversiteitsbeleid van verschillende bedrijven in deze sector waarbij bij gelijke geschiktheid een vrouw voorrang krijgt boven een man.
Een andere verklaring betreft subtyping: werkgevers kunnen vrouwen die in deze sector werkzaam zijn extra positieve eigenschappen toeschrijven, met de gedachte dat als je het als vrouwelijke student redt in die mannenwereld, je over flinke capaciteiten moet beschikken.
Figuur 2. Voorspelde kansen op een positieve reactie op de sollicitatie naar een stage voor mannelijke studenten en vrouwelijke studenten, naar sector 50 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0
4.3.
47 41
40 35
27
29
27
ICT
22
Zorg en welzijn
Bouw en techniek vrouwen
Zakelijke dienstverlening mannen
Minder kans op stage met migratieachtergrond
Ook tussen de studenten met en zonder migratieachtergrond vinden we een verschil van 5 procentpunten. Van de fictieve studenten zonder migratieachtergrond ontving 37 procent een positieve reactie, de fictieve studenten met migratieachtergrond die per saldo solliciteerden met hetzelfde cv kregen in 32 procent van de gevallen een positieve reactie. Het betreft hier een significant verschil, dat blijft bestaan als we controleren voor het cv-format, de mbo-instelling waar de fictieve studenten aan studeren, de sector van het stagebedrijf, de omvang van het bedrijf, de afstand tot de stageplek en het geschatte stagetekort bij de opleiding. Er is dus sprake van etnische discriminatie bij het zoeken naar een stage. De gecorrigeerde voorspelde kansen op een positieve reactie zijn weergegeven in figuur 3.
11 Hiervoor voerden we een logistische multi-levelanalyse uit op callback met een interactieterm van gender en sector. Als controlevariabelen werden meegenomen in de analyse: cv-format, de mboinstelling waar de student studeert, de afstand tot de stageplek, omvang van het bedrijf en het geschatte stagetekort.
22
Figuur 3. Voorspelde kansen op een positieve reactie op de sollicitatie naar een stage voor mbo-studenten met en zonder migratieachtergrond 36 35 34 33 32 31 30 29 28 27
35
30
Zonder migratie-achtergrond
Met migratie-achtergrond
Als we de kansen van studenten met en zonder migratieachtergrond uitsplitsen naar mannen en vrouwen, zien we (1) dat studenten zonder migratieachtergrond meer kans hebben op een positieve reactie dan studenten met een migratieachtergrond, of ze nu man of vrouw zijn, en (2) dat vrouwelijke studenten meer kans op een positieve reactie hebben dan mannelijke studenten, ongeacht hun migratieachtergrond.
Figuur 4. Voorspelde kansen op een positieve reactie op de sollicitatie naar een stage naar etnische achtergrond12 voor mannelijke en vrouwelijke studenten 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0
40 32
27
mannen Zonder migratie-achtergrond
vrouwen Met migratie-achtergrond
Over het algemeen hebben studenten met een migratieachtergrond minder kans op een positieve reactie (figuur 4.3). Alleen in de sector zorg en welzijn zien we dat de etnische achtergrond van een student niet uitmaakt. Het kleine verschil dat we in deze sector vinden is niet significant.
12 Logistische multi-level analyses gecontroleerd voor cv-format, sector, mbo-opleiding, afstand tot stageplek, omvang van het bedrijf en beschikbaarheid stages.
23
Figuur 5. Voorspelde kansen op een positieve reactie op de sollicitatie naar een stage voor studenten met en zonder migratieachtergrond,13 naar sector 50 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0
40
43 30
29 20
ICT
33 25
Zorg en Bouw en welzijn techniek Zonder migratie-achtergrond
24
Zakenlijke dienstverlening Met migratie-achtergrond
4.4. Moslimdiscriminatie in sector ICT, positieve discriminatie van moslims in zorg en welzijn Om te kijken of religieuze affiliatie een extra ‘penalty’ oplevert voor studenten met een migratieachtergrond, hebben we bij de helft van de studenten die een migratieachtergrond hebben in hun cv aangegeven dat zij vrijwilligerswerk verrichten bij een islamitische organisatie. Dit vrijwilligerswerk kan gezien worden als extra werkervaring. Daarom is bij de gekoppelde studenten zonder migratieachtergrond vergelijkbaar vrijwilligerswerk toegevoegd bij een religieus neutrale organisatie.
die hun vrijwilligerswerk verrichten in een islamitische organisatie. Er wordt daarmee geen verschil gemaakt tussen studenten zonder migratieachtergrond en studenten die als moslim gezien kunnen worden. In sommige onderzoeken blijkt dat vooral moslimvrouwen last hebben van discriminatie. In ons onderzoek vonden we wel een verschil naar gender (vrouwelijke studenten hebben meer kans op een positieve reactie dan mannelijke studenten), maar dit verschilt niet naar hun religieuze achtergrond. Met andere woorden: het maakt niet uit of een vrouwelijke student aangeeft moslim te zijn, hun kansen op een positieve reactie zijn hetzelfde en deze kansen zijn hoger dan de kansen voor mannelijke mbo-studenten, of zij nu moslim zijn of niet. Figuur 6. Voorspelde kansen op een positieve reactie op de sollicitatie naar een stage naar religieuze achtergrond14, voor mannelijke studenten en vrouwelijke studenten
45 40 35 30 25 20 15 10 5 0
39 27
39
23
Mannen Zonder migratie-achtergrond
Met migratie-achtergrond en moslim
In totaal ontvingen de studenten zonder migratieachtergrond (met extra vrijwilligerswerk op hun cv) in 33% van de sollicitaties een positieve reactie. Dit percentage ligt ook op 33% voor de studenten met een migratieachtergrond
13 Logistische multi-level analyse met controle voor cv-format, gender, mbo-opleiding, afstand tot stageplek, beschikbaarheid stage en de omvang van het bedrijf.
14 Logistische multi-level analyses gecontroleerd voor cv-format, sector, mbo-opleiding, afstand tot stageplek en beschikbaarheid stages en omvang van het bedrijf.
24
In de sector ICT hebben studenten die moslim zijn minder kans op een positieve reactie dan studenten zonder migratieachtergrond. In de sector zorg en welzijn ligt de kans voor studenten die aangeven moslim te zijn juist hoger dan voor studenten zonder migratieachtergrond. De kansen voor moslims en niet-moslims verschillen niet significant van elkaar in bouw en techniek en in de zakelijke dienstverlening.
4.5.
Met behulp van praktijktesten zijn we nagegaan of er sprake is van objectief vastgestelde discriminatie op de Utrechtse stagemarkt voor mbo-studenten. Dat blijkt zo te zijn. Samenvattend kunnen we stellen dat: 1.
Dat we eerder constateerden dat er over het algemeen geen verschil is tussen moslim- en niet-moslimstudenten maskeert dus de verschillen die er bestaan tussen sectoren. Binnen de sector ICT vinden we moslimdiscriminatie, binnen zorg en welzijn positieve discriminatie van moslims. Figuur 7. Voorspelde kansen op een positieve reactie op de sollicitatie naar een stage voor studenten met en zonder islamitische achtergrond15, naar sector 60 43
40 30 20
36
23
28
36 29
33
14
10 0
2.
53
50
Conclusie: discriminatie op de stagemarkt
3.
Er sprake is van discriminatie op grond van gender: vrouwelijke studenten hebben een grotere kans op een positieve reactie van een stagebedrijf dan mannelijke studenten die dezelfde productieve kenmerken hebben. Met name in de bouw en techniek is de positieve discriminatie van vrouwelijke studenten groot. Bij wet is deze vorm van positieve discriminatie toegestaan wanneer in een bepaalde functie binnen een bedrijf aanzienlijk minder vrouwen dan mannen werken. Er sprake is van discriminatie op grond van migratieachtergrond: studenten met een naam die verwijst naar een migratieachtergrond hebben minder kans op een positieve reactie dan studenten met dezelfde productieve kenmerken die geen migratieachtergrond hebben. In de sector zorg en welzijn is echter geen sprake van deze discriminatie. Er sprake is van discriminatie van moslimstudenten in de sector ICT, en er positieve discriminatie is van moslimstudenten in de sector zorg en welzijn.
Zorg en Bouw en Zakelijke techniek welzijn dienstverlening Zonder migratie-achtergrond Met migratie-achtergrond en moslim
ICT
15 Logistische multi-level analyse met controle voor cv-format, gender, mbo-opleiding, afstand tot stageplek, beschikbaarheid stage en omvang van het bedrijf.
25
Deel B Ervaren discriminatie van mbo-studenten
5
Opzet van de vragenlijst en interviews
In dit hoofdstuk staat de manier waarop we ervaren discriminatie in kaart brengen centraal. We starten met een opzet van de vragenlijst (5.1), gevolgd door de verdiepende interviews met mbo-studenten (5.2).
5.1.
De vragenlijst
Het doel van de vragenlijst is om de ervaren discriminatie van mbo-studenten in Utrecht in kaart te brengen. In de vragenlijst is onderscheid gemaakt in het zoeken naar een stage en de stageperiode zelf. Studenten werd gevraagd naar hun ervaringen met hun laatste stage, zowel de zoektocht als de stage zelf. Op die manier wilden we een algemeen beeld schetsen van de ervaringen van mbo-studenten. Op basis van de SCP-vragenlijst over ervaren discriminatie (Andriessen et al., 2020) en eerdere onderzoeken naar stagediscriminatie, hebben we een korte vragenlijst opgesteld. Middels een pilot onder mbo-studenten hebben we de lijst aangepast en definitief gemaakt. De vragenlijst is digitaal afgenomen met behulp van Survalyzer. Studenten waren ongeveer 10 minuten bezig met invullen.
Werving De leden van de begeleidingscommissie die werkzaam zijn bij een mbo-instelling hebben de vragenlijst intern binnen hun mbo-instelling verspreid, bijvoorbeeld via opleidingsdirecteuren. Studenten hebben de vragenlijst bijvoorbeeld in een digitale les ingevuld. Om studenten te motiveren om deel te nemen aan de vragenlijst, hebben we vijf cadeaubonnen verloot van 50 euro. Respondenten: wie hebben de vragenlijst ingevuld? In totaal hebben 637 mbo-studenten de vragenlijst ingevuld. 605 studenten hebben hem volledig ingevuld, 32 studenten hebben hem gedeeltelijk ingevuld. We hebben de gedeeltelijk ingevulde vragenlijsten gebruikt als studenten in ieder geval een vraag over ervaren discriminatie hadden beantwoord. In de vragenlijst is gebruikgemaakt van routing (als vragen niet van toepassing waren, kregen studenten deze ook niet). Daardoor verschilt de totale respons per vraag. Opleiding van de respondenten Van de 637 studenten geven 338 (53%) aan dat ze aan ROC Midden Nederland studeren, 105 (17%) op Nimeto, 104 (16%) op MBO Utrecht en 90 (14%) op het Grafisch Lyceum. De meeste studenten zitten in het derde jaar van hun opleiding (231; 36%), gevolgd door tweedejaarsstudenten (192; 30%), vierdejaarsstudenten (134; 21%) en eerstejaarsstudenten (80; 13%).
27
De grote meerderheid volgt een mbo-opleiding op niveau 4 (537; 84%). Een veel kleinere groep studenten volgt een opleiding op niveau 3 (49; 8%) en niveau 2 (48; 8%). Slechts drie (1%) studenten volgen een opleiding op niveau 1. Meer dan 90% van de studenten volgt een bol-opleiding (577; 91%). Minder dan 10% (55 studenten; 9%) geeft aan een bbl-opleiding te volgen. Enkele studenten hebben deze vraag niet ingevuld of een ander antwoord gegeven.
De meerderheid van de respondenten geeft aan niet religieus te zijn (58%). De studenten die aangeven wel religieus te zijn, geven voornamelijk aan dat ze christelijk zijn (24%) of islamitisch (16%). Enkelen geven aan joods of hindoeïstisch te zijn of een ander geloof te hebben (zie tabel 5.1). 16 studenten (3%) willen geen antwoord geven op de vraag. Tabel 5.1. Tot wel geloof reken je jezelf? (N = 608)
Ongeveer de helft van de studenten (327; 51%) volgt een opleiding in de richting van Welzijn, zorg en sport.16 Daarnaast volgt ongeveer een kwart van de studenten (152; 24%) een opleiding in de richting Media, vormgeving en communicatie. Ook studenten van de richting Bouw & interieur (54; 9%) en Economie & ondernemen (45; 7%) zijn redelijk vertegenwoordigd. Andere studenten volgen opleidingen in de richting van ICT, Techniek en Beauty.
Geloof
Aantallen (percentages)a
Ik ben niet religieus.
350 (57,6%)
Christelijk. Islamitisch. Joods. Hindoeïstisch. Ander geloof.
143 (23,5%) 97 (16,0%) 1 (0,2%) 4 (0,7%) 14 (2,3%)
a Door afronding van de percentages komt het totaal percentage hoger uit dan 100%.
Achtergrond van de respondenten De gemiddelde leeftijd van de mbo-studenten is 19,7 jaar (met een standaardafwijking van 4 jaar). De jongste student die de vragenlijst heeft ingevuld is 16, de oudste is 62 en geeft aan een zij-instromer te zijn. Driekwart van de studenten die de enquête hebben ingevuld is vrouw (471;78%) en 22% man (N = 134). Drie studenten (1%) geven aan dat ze zich geen vrouw of man voelen. 546 (90%) van de studenten is in Nederland geboren. In onze steekproef hebben 182 studenten (29%) een migratieachtergrond en 423 (66%) geen migratieachtergrond. Van 32 studenten (5%) hebben we hier geen informatie over. Binnen de groep studenten met een migratieachtergrond, kunnen er 121 (67%) gerekend worden tot de groep tweede generatie met een migratieachtergrond en 61 (34%) tot de eerste generatie migranten.17
16 Deze indeling in studierichtingen is gemaakt op basis van de college-/academienamen van de Utrechtse mbo’s.
Meer dan driekwart van de studenten geeft aan geen chronische aandoening te hebben (80%) (zie tabel 5.2). 14% geeft aan wel een chronische aandoening te hebben, met ongeveer een gelijke verdeling tussen lichamelijke aandoeningen (6%) en psychische aandoeningen (6%). Tabel 5.2. Heb je een langdurige aandoening? (N = 608) Langdurige aandoening Ja, vooral lichamelijk. Ja, vooral psychisch. Ja, zowel lichamelijk als psychisch. Wil ik geen antwoord op geven. Nee.
Aantallen (percentages) 34 (5,6%) 36 (5,9%) 16 (2,6%) 35 (5,8%) 487 (80,1%)
Op basis van een vraag naar de sekse waartoe studenten zich aangetrokken voelen en hun eigen geslacht, blijkt dat 57 (9,4%) studenten lesbisch, homoseksueel of biseksueel zijn en 78,6% heteroseksueel is. 1% van de studenten voelt zich tot niemand aangetrokken en 11% wil geen antwoord geven op de vraag.
17 We volgen hierbij de definitie van het CBS. Voor meer informatie zie: Migratieachtergrond (cbs.nl).
28
Vergelijking met totale populatie mbo-studenten Om te bepalen in hoeverre we een representatieve steekproef hebben, zullen we een beknopte vergelijking maken met de totale populatie mbo-studenten. In totaal volgen circa 27.500 studenten een opleiding op een Utrechtse mbo-instelling. De grootte van de instellingen is in aflopende volgorde ROC Midden Nederland (ca. 18.000 studenten), MBO Utrecht (ca. 5000 studenten), Grafisch Lyceum (ca. 2200 studenten) en Nimeto (ca. 1500 studenten). Hieruit volgt dat MBO Utrecht is ondervertegenwoordigd in de vragenlijststeekproef vergeleken met de Utrechtse mbo-populatie. Het aandeel mannen in het mbo ligt circa 5 procent hoger dan het aandeel vrouwen die een mbo-opleiding volgen. Dit is niet in lijn met onze steekproef, waarin een relatief hoog percentage vrouwen zit. Dit zou kunnen komen door het grote aandeel studenten die een mbo-niveau 4-opleiding volgen, omdat dit een opleiding is die vaker door vrouwen wordt gevolgd. Het percentage studenten dat een bbl-opleiding volgt in onze steekproef, ligt lager dan het landelijk gemiddelde (26%).18 Circa 55 procent van de studenten in het Utrechtse mbo heeft geen migratieachtergrond. Dit betekent dat er gemiddeld minder studenten met een migratieachtergrond in onze steekproef zijn dan in de totale populatie studenten.
5.2.
Semigestructureerde diepte-interviews
Opzet en werving Het doel van de semigestructureerde diepte-interviews was het verkrijgen van verdiepende informatie over de ervaringen van stagediscriminatie, de impact van de discriminatie en de ondersteuningsbehoeften van de mbo-studenten. We wilden studenten interviewen die discriminatie hadden ervaren op diverse
18 Voor meer informatie zie: Feiten en cijfers | SBB (s-bb.nl)
gronden, zoals huidskleur, culturele achtergrond, religie, chronische aandoening of opleidingsniveau. We hebben studenten geworven voor de interviews op basis van de respons op de vragenlijst. Aan het eind van de vragenlijst konden de studenten invullen of zij met ons in gesprek wilden gaan. Alleen de studenten die hier ‘ja’ hebben ingevuld zijn meegenomen in de selectie. Daarnaast hebben we zowel studenten geïncludeerd die discriminatie hadden ervaren als studenten die daarover twijfelden. We hebben bewust geen studenten geselecteerd die geen discriminatie hadden ervaren, omdat het doel van de interviews was met studenten de ervaren discriminatie en de gevolgen te bespreken. Uiteindelijk zijn studenten geselecteerd die aangegeven hadden discriminatie te hebben ervaren op basis van: gender, chronische beperking, opleidingsniveau en etniciteit. Als tegemoetkoming voor hun deelname aan de interviews ontvingen de geïnterviewden een cadeaubon van 10 euro. Participanten In totaal zijn vijftien interviews19 digitaal via Microsoft-Teams afgenomen. Bij één participant is het interview schriftelijk afgenomen. Dertien geïnterviewde studenten waren vrouw. De gemiddelde leeftijd van de participanten lag hoger dan het gemiddelde van de mbo-populatie, namelijk op 23 jaar. De jongste participant was 16 jaar en de oudste 35 jaar.
Het overgrote deel van de participanten volgde een mbo-niveau 4-opleiding (twaalf studenten). Deze opleiding werd het meest gevolgd op het ROC Midden Nederland of (het) Nimeto. De meest voorkomende sector is de sector Media, vormgeving en communicatie (zeven studenten) gevolgd door de sector Welzijn, zorg & sport (vier studenten).
19 In totaal zijn 16 digitale interviews afgenomen. Tijdens één van de interviews werd de respondent geëmotioneerd en vertelde een ongestructureerd verhaal. We hebben daarom besloten om dit interview niet mee te nemen in de analyses.
29
6
Ervaren discriminatie van mbo-studenten
In dit hoofdstuk beschrijven we de ervaringen met discriminatie vanuit het perspectief van mbo-studenten. We doen dit op basis van de vragenlijst die is uitgezet in vier verschillende Utrechtse mbo-instellingen. In totaal hebben 637 studenten deze vragenlijst ingevuld (zie hoofdstuk 5). Per thema geven we met behulp van de data uit de 16 afgenomen interviews verdieping aan de resultaten (zie paragraaf 5.2). Achtergrond We richten ons in dit hoofdstuk op discriminatie die studenten ervaren hebben bij het zoeken naar een stage (paragraaf 6.1) en tijdens de stage (paragraaf 6.2). Hierbij gaan we, anders dan bij de praktijktesten, uit van wat studenten zelf onder discriminatie verstaan. In de vragenlijst is een korte omschrijving gegeven van wat er doorgaans onder het concept wordt verstaan, maar het perspectief van de mbo-student staat in dit hoofdstuk nadrukkelijk centraal. De discriminatie die studenten ervaren hoeft dus niet (juridisch) bewijsbaar of zelfs strafbaar te zijn. Het gaat om de mate waarin studenten deze ervaringen hebben, hoe deze ervaringen eruit zien en wat de ervaringen voor gevolgen hebben. We verwijzen hierbij nogmaals naar het Thomas-theorema dat we ook in de inleiding van dit rapport aanhaalden: if men define situations as real, they are real in their consequences.
In de vragenlijst zijn concrete situaties aan studenten voorgelegd met de vraag of zij deze situatie hebben meegemaakt en zo ja, of zij dachten dat discriminatie daarbij een rol speelde (zie bijlage 3 voor de vragenlijst). Er is bijvoorbeeld aan studenten gevraagd ‘Heb je meegemaakt dat een bedrijf zei dat een stage niet meer beschikbaar was?’ Studenten die hierop bevestigend antwoordden kregen als vervolgvraag of zij dachten dat dit met discriminatie te maken had. Op deze wijze worden de situatie zelf en de beoordeling van de situatie uit elkaar getrokken. Door uit te gaan van concrete vraagstellingen zijn betere schattingen mogelijk van ervaren discriminatie dan door middel van abstracte vragen (Andriessen et al., 2015; Wittebrood, 2006). Studenten konden op de vraag naar discriminatie kiezen tussen drie antwoorden: ja, nee, ik twijfel. De laatste antwoordcategorie is toegevoegd om recht te kunnen doen aan de gevoelens van twijfel en onzekerheid die ervaringen met discriminatie omgeven. Het is vaak erg lastig zeker te weten of het gaat om discriminatie, waardoor studenten terughoudend kunnen zijn de eigen ervaringen als discriminatie te benoemen. Voor deze studenten biedt de ‘twijfelcategorie’ uitkomst. Opzet van het hoofdstuk We hebben het hoofdstuk onderverdeeld in vier paragrafen. Het zoeken naar een stage staat centraal in paragraaf 6.1.
In paragraaf 6.2 beschrijven we de ervaringen van studenten tijdens de stage. In beide paragrafen gaan we in op de gevolgen die deze ervaringen voor de student hebben (gehad). Vervolgens gaan we in op de ondersteuningsbehoeften van studenten en hoe ze de ondersteuning vanuit de onderwijsinstellingen ervaren (paragraaf 6.3). We sluiten het hoofdstuk af met de conclusies (paragraaf 6.4).
30
6.1.
Zoeken naar een stage
Tabel 6.1. Wat heb je allemaal gedaan om een stageplek te zoeken? (N=614) Antwoordmogelijkheden