CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 13 juni 2024, gemeente Utrecht31.620 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Daarvoor is ruimte beschikbaar op daken: gronddekking minimaal 1m voor bomen, 0,5m voor struiken en klimplanten en 0,4m voor vaste planten. De beplanting heeft waarde voor mensen en doelsoorten. Op daken kan hemelwater worden opgevangen en benut voor het groen in het blok; • Verticale groene gevels worden (indien deze worden toegepast) alleen op locaties voorgesteld met geschikte condities voor groen en goed bereikbaar voor onderhoud;

40 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje

Afbeelding: Materialen omgeving als inspiratie

•

Het groen op daken en gevels wordt beheerd door de gebouweigenaar. Deze verplicht zich tot instandhouding van het groen voor een afgesproken termijn.

Bron: TeamV

4.8.2 Verbinden (Matser en Ondaatje) De architectuur is samenhangend en zoekt verbinding met de stad. De aangrenzende bebouwing van de bestaande Rabocampus én de omgeving van de dichterswijk spelen een nadrukkelijke rol. Het verbinden van de stad, van mensen, routes, niveaus en in- en exterieur staan centraal en de architectuur draagt hieraan bij. Plekken maken voor ontmoeten, ontspannen, sport en spel, zingeving, sociaal en cultureel inclusieve ruimte: verblijfsplekken voor de buurt, voor wonen en werken. Randvoorwaarden Verbinden van de stad (Matser en Ondaatje) • De bebouwing van het ontwikkelgebied tussen de Croeselaan en de Kruisvaart vormt één stedenbouwkundig en architectonisch geheel met een duidelijke samenhangende identiteit; • Bouwvolumes sluiten met de gevels qua rooilijn, schaal en uitstraling goed aan op de gevelwanden van de Croeselaan en de Jan van Foreeststraat; • De beeldkwaliteit markeert en vormt de overgang van de Dichterswijk naar de hoog stedelijke ontwikkeling van de westelijk centrumzijde, van wonen naar werken. Samenhang van gebouwen in het ensemble (Matser en Ondaatje) • De stedenbouwkundige en architectonische beeldkwaliteit van de plandelen Matserterrein en Ondaatje zijn afgestemd op elkaar, samenhang zit in het kleur- en materiaalpalet (palet wordt in de volgende fase samengesteld).

Naast elkaar staande panden kunnen een afwijkende kleur hebben, maar door ze in hetzelfde kleurenpallet te houden blijven ze toch verwant aan elkaar. Voor materialen worden hoogwaardige materialen gebruik van “warme” materialen, denk hier bijvoorbeeld aan baksteen, natuursteen, groene gevels en hout. Deze

SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 41

Afbeelding (l): Referentiebeeld samenbindende architectuur Bron: TeamV Afbeelding (r): Referentiebeeld flexibiliteit door afwijkend ritme en maatvoering Bron: TeamV

• • •

• •

• Afbeelding (l): Referentiebeeld natuurlijke kleur en tactiliteit Bron: TeamV

•

materialen worden alleen toegepast indien ze op een mooie manier verouderen, niet vervuilen en met de tijd aantrekkelijker worden; In de architectuur is veel aandacht voor een verfijnde detaillering; De gevels, entree’s en de inrichting van de binnentuin op de grens van de plandelen sluiten goed op elkaar aan en worden in overleg op elkaar afgestemd; De gebouwen kennen een hoogwaardige uitstraling naar de (publieke) buitenruimte en naar elkaar; Er zijn geen achterkanten. Gevels hebben een alzijdige uitstraling waarbij eventuele galerijen en trappartijen zijn geïntegreerd in de architectuur; Alle gebouwen kennen naast een eigen identiteit ook dezelfde architectonische kenmerken voor een samenbindend effect voor het plangebied als geheel; Materialen hebben een natuurlijke kleur en tactiliteit passend bij de Dichterswijk. De gevels sluiten goed aan op de (kleuren van) naastliggende bebouwing. Nader onderzoek is nodig naar de kleuren en materialen in de omgeving; De gevels zijn nooit ‘plat’, er zit diepte en tactiliteit in de gevel te bereiken met te onderscheiden elementen; zoals bijvoorbeeld banden, penanten, kozijnen, borstweringen, neggen, buitenruimten, erkers, loggia’s enz.; De gebouwen en de aangrenzende omgeving is sociaal veilig met voldoende verlichting waardoor het ook een prettige (buiten)ruimte wordt om ook ‘s avonds te verblijven;

Matser • De gebouwdelen zijn herkenbare losse gebouwen op een verbindende meerlaagse plint. De torens onderscheiden zich van de plint. Dat kan door positie, kleurstelling of materialisatie; • Werk- en woongebouwen zijn herkenbaar en hebben een verschillende uitstraling, passend bij de functie; • De bestaande Rabocampus wordt kwalitatief goed verbonden met de nieuwe ontwikkeling op het Matserterrein;

42 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje

Afbeelding: Schema architectuurconcept Bron: TeamV

Rabobank Campus

Architectuur; gradient van werken naar wonen

Dichterswijk

SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 43

Afbeelding: Referentiebeeld Woon- en werkfuncties liggen aan straatgevels en binnentuinen

•

Bron: TeamV

Verbinden van mensen (Matser en Ondaatje) • Woon- en werkfuncties liggen aan straatgevels, de Promenade en binnentuinen, direct bereikbaar met een gelijkvloerse aansluiting, soms ontsloten door luie trappen; • Een collectieve entree van de woonfunctie wordt gemarkeerd door bijvoorbeeld een dubbelhoge entreehal of andere verbijzondering; • Waar mogelijk de woningen op de openbare ruimte ontsluiten met individuele voordeuren; • Op maaiveldniveau dragen de inrichting met bijvoorbeeld plantenbakken bij aan de zorgvuldige overgang van publieke naar privé buitenruimte; • Afscheidingen van privé zones is vormgegeven als onderdeel van de architectuur, of andere vanzelfsprekende markeringen zoals bijv. hoogteverschillen, banken of planten, wat ook het verhardingsmateriaal en eventuele andere inrichtingsmiddelen bepaalt. De exacte kleur en textuur variëren per gebouw.

Afbeelding (l): Referentiebeeld plantenvakken dragen bij aan een zorgvuldige overgang van publiek naar privé buitenruimte Afbeelding (r): Referentiebeeld beplanting en hoogteverschil dragen bij aan een zorgvuldige overgang van publiek naar privé buitenruimte Bron: TeamV

•

In de gevels zijn verschillende geledingen toegepast afgestemd op de functies; De inrichting van de Promenade kan een eigen karakter hebben, maar sluit aan op die van het Forum en op de openbare ruimte aan de Croeselaan.

Verbinden van in- en exterieur (Matser en Ondaatje) • De functie en uitstraling van de plintgevels sluiten op elkaar aan. De plintfuncties op het raakvlak van Matserterrein en Ondaatje hebben passende attractieve functies met een samenhangende uitstraling, georiënteerd op het Dichtersplein; • De plinten aan de Jan van Foreeststraat, Croeselaan en de Kruisvaart hebben een open uitstraling met veel raampartijen en te openen delen in de gevel met zicht en voordeuren naar het attractief plintprogramma;

44 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje

Afbeelding: Referentiebeeld plint met open uitstraling Bron: TeamV

Afbeelding: Referentiebeeld ramen tot op vloer Bron: TeamV

•

Technische ruimten, (zoals bijvoorbeeld trafo’s) worden zorgvuldig geïntegreerd in de minst representatieve geveldelen.

Matser • De meerlaagse plint vormt een schakel tussen de verschillende gebouwdelen en heeft daarom een samenhangende uitstraling; • De Jan van Foreeststraat wordt een brede groene woonstraat met een open en karakter, bijvoorbeeld door veel voordeuren in de straat; • Exterieur en interieur aan de Promenade wordt ruimtelijk met elkaar verbonden door bijvoorbeeld ramen tot op de vloer, minimale drempels, doorlopende (vloer) materialisatie et cetera; • Parkeren en routes in het plangebied tot parkeren en expeditie zijn uit het zicht; • In-uitritten zijn netjes opgenomen in het gevelbeeld waarbij componenten zoals slagbomen en poorten zorgvuldig zijn geïntegreerd in het gevelvlak (niet losstaand in de openbare ruimte); • De levendige plinten hebben transparante volledig te openen puien waar het programma dit toe laat voor het creëren van licht, lucht en veel zicht; • Reclame en/of naamsaanduiding is geïntegreerd in het gevelontwerp. Verbinden van niveaus (Matser) • De toppen van de gebouwen hebben een samenhangende, bijzondere maar subtiele gevelbeëindiging van de bovenbouw, en mag zich over meerdere verdiepingen uitstrekken; • Trappartijen voor het overbruggen van hoogteverschillen zijn uitnodigend, groen ingericht, hebben verblijfskwaliteit en zitgelegenheid.

Trappen vormen geen aaneensluitende ‘wand’, worden onderbroken door meerdere ruime bordessen en bevatten ruimte voor (groene) verblijfskwaliteit; • Overgangen naar opgetilde binnentuinen hebben een hoogwaardige overgang voor het verbinden van niveaus; geen wandvorming, maar bijvoorbeeld sprongsgewijs en geleidelijk met gebruik van (groene) inrichtingselementen.

SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 45

Afbeelding (r): Referentiebeeld zorgvuldige overgang hoogteverschil Bron: TeamV

Verbinden van routes (Matser) • Verbindingen tussen gebouwdelen zoals (lucht)bruggen moeten in samenhang ontworpen worden met de bebouwing. Het is geen los tussengevoegd element maar vormt een integraal onderdeel van de geleding van het gebouw en de architectuur; • Hekwerken en poorten voor tijdelijk afsluitbare (binnen)tuinen zijn transparant, warm en tactiel in materiaal en vormgeving. Vormen geen obstakels in routes en maken onderdeel uit van de inrichting van de openbare ruimte of architectuur van de directe omgeving; • De locatie van de toegangen naar binnentuinen worden in goed overleg bepaald. Deze poorten fungeren als ontmoetingsplek, zijn 2 lagen hoog en minimaal 6m breed. De poorten worden meeontworpen, de detaillering krijgt veel aandacht en er is goede verlichting. Min 10 m

Min 10 m

Geen verhoogd maaiveld: wenselijk brede groenstrook langs het water onwenselijk voertuigen expeditie door de binnentuin

Afbeelding: Principes overbrugging hoogteverschillen tpv de Kruisvaart Bron: TeamV

Opgetild dek: wenselijk brede groenstrook trap gecombineerd met terrassen voertuigen expeditie uit het zicht

Min 10 m Min 10 m

Opgetild dek met enkele trap: wenselijk voertuigen expeditie uit het zicht onwenselijk smalle groenstrook langs het water steile trap te dicht op het water

Opgetild dek met enkele trap: wenselijk brede groenstrook langs het water steile trap binnen bouwblok voertuigen expeditie uit het zicht

46 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje

Afbeelding (l): Principes verbindingen tussen gebouwen Bron: TeamV

Afbeelding (r-boven): Referentiebeeld tijdelijk afsluitbaar hekwerk Bron: TeamV Afbeelding(r-onder): De inrichting buitenruimte begeleidt wandelaars en fietsers op een heldere overzichtelijke wijze Bron: TeamV

SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 47

Afbeelding (l): Referentiebeeld natuurlijke en duurzame materialisatie Bron: TeamV Afbeelding (r): Referentiebeeld PV-panelen op gevels onderdeel van architectuur Bron: TeamV

Afbeelding (r): Referentiebeeld PV-panelen op daken Bron: TeamV

4.8.3 Verduurzamen (Matser en Ondaatje) Naast aandacht voor de impact op de directe omgeving op de korte termijn heeft de ontwikkeling ook toekomstwaarde op de langere termijn. We bouwen immers voor een lange termijn maar weten niet hoe de toekomst er uit zal zien. Verduurzamen en de mogelijkheid tot veranderen is daarom van groot belang bij het ontwerp. Randvoorwaarden • De architectuur kent een natuurlijke en duurzame materialisatie, met bijvoorbeeld hout; • De hoger gelegen daken worden voornamelijk gebruikt voor energieopwekking. Installaties worden in de gebouwen geïntegreerd en worden zeer beperkt geplaatst op daken waar veel mensen op uitkijken; • De installaties op het dak steken max.

1m boven de dakrand en zijn niet zichtbaar vanaf het maaiveldniveau; • Bij PV-panelen op het dak en/of in de gevel dienen deze meeontworpen te worden en maken onderdeel uit van de architectuur; • Bovengrondse, bebouwde nutsvoorzieningen, trafo’s en telecomkasten (en andere gelijksoortige voorzieningen) worden geïntegreerd in het plan en liggen altijd binnen de rooilijn; • Deuren naar utilitaire voorzieningen zijn mee-ontworpen binnen de architectuur van het gebouw (zelfde detaillering, materialisering en maatvoering); • Levensduur gestuurde materiaalkeuze: materialen met een lange levensduur belasten het milieu het minst en zijn duurzaam als ook aandacht wordt besteed aan mogelijkheden voor circulair hergebruik. Bij korte en middellange levensduur wordt gekozen voor een biobased materiaal zoals hout of circulair materiaal: gerecycled of een eenvoudig her te gebruiken materiaal; • De materiaalkeuze en detaillering van de gevels is gericht op het mooi verouderen van het gevelmateriaal en het voorkomen van vervuiling in de loop der tijd.

48 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje

Afbeelding: Referentie van vegroening van gebouwen Bron: TeamV

Matser • Deuren vormen geen lange dichte plinten Maak gebruik van duurzame en circulaire materialen en technieken en laat deze zo mogelijk ook zien; • Programmeer duurzaam en flexibel, waarbij het veranderen van met name werken naar wonen niet onmogelijk wordt gemaakt; • De onderste lagen van de stedelijke laag moeten een dusdanige constructieve structuur en verdiepingshoogte hebben dat verblijf, werken en commerciële functies uitwisselbaar zijn; • Een demontabele en aanpasbare structuur en indeling moet het mogelijk maken in de toekomst steeds aan te kunnen sluiten op mogelijke transformaties, ruimtelijk en functioneel.

4.9 Groen en ecologie (Matser en Ondaatje)

Om te komen tot een kwalitatief hoogwaardig groensysteem dat bijdraagt aan de bescherming en ontwikkeling van de levenskwaliteit zijn de volgende uitganspunten van belang: • Het versterken en ontwikkelen van de stedelijke hoofdgroenstructuur; • Versterken van de biodiversiteit door leefgebied te ontwikkelen voor vijf doelsoorten; • Investeren in de groenstructuur door straten te vergroenen; • Groen tenzij principe, alleen verharding toepassen waar nodig. Groen en ecologie Er wordt natuurinclusief gebouwd. • Het groen dient geschikt te zijn als leefgebied voor de doelsoorten huismus, vleermuizen, gierzwaluw en wilde bijen en vlinders. De benodigde onderdelen voor een leefgebied voor een doelsoort mag verdeeld worden over verschillende groene onderdelen binnen de plangrenzen. Uitgangspunt is Diervriendelijk bouwen. Dit betekent dat er minimaal een ingebouwde verblijfsplaats voor een huismus, gierzwaluw en de gewone dwergvleermuis per 75m2 BVO wordt toegepast bij alle gebouwen. Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van maatwerk, open spouwmuur, eerste drie dakpannen toegankelijk

SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 49

• • • •

maken of boeiboorden geschikt maken etc. De positie en type verblijfplaatsen dienen te voldoen aan de voorwaarden voor diervriendelijk bouwen (zie bijlage) en te worden afgestemd met de stadsecoloog van de gemeente; Minimaal 40% van de daken worden groene daken, waarvan de helft kruidendak eventueel gecombineerd met zonnepanelen; Alle blinde muren en gevels grenzend aan het publieke gebied op de begane grond en verhoogd maaiveld worden zo mogelijk bedekt met (klim)planten, minimaal 30% van de gevels en muren; Het groen op daken, gevels en binnentuin/hofjes is ecologisch verbonden en staat in directe relatie tot de verblijfsplekken voor vogels en vleermuizen die in de gevels worden aangebracht; 1 boom per woning is een ambitie, dus wens.

Het Dichtersplein en de Binnentuin worden biodivers ingericht. • De beplanting is gevarieerd en bestaat voor minstens 60% uit inheemse soorten; • Er wordt gelaagde beplanting aangebracht. Niet alleen gras en bomen, maar ook struiken; • Eventuele afscheidingen bestaan uit gemengde hagen. Het voorplein en de hofjes worden natuurvriendelijk ingericht. • Gebruik vleermuisvriendelijke verlichting. Ontzie voornamelijk de groenstroken en de gevel waarop vleermuiskasten aangebracht worden; • Waar van toepassing is het groen toegankelijk voor de egel (geen ondoordringbare afscheidingen, geen verhoogd groen); • Voor de inrichting van de openbare ruimte geldt het principe: Groen, tenzij. Maximaal 40% van de openbare ruimte is verhard; • Nieuwe grasvelden worden zoveel mogelijk bloemrijke extensief gemaaide grasvelden.

Groene verbinding langs de Kruisvaart. • De verbinding wordt versterkt door inheemse struiken en klimplanten te planten; • Er worden natuurvriendelijke oevers ontwikkeld. Over de gehele lengte worden waterplanten met schuilmogelijkheden voor vissen en insecten aangelegd. Klimaat • Er is een ruime, groene en koele plek in of aansluitend aan het plangebied met voldoende schaduw (door bomen), zitgelegenheid en toegankelijkheid; • Het project draagt bij aan 40% groenbedekking (incl. boomkronen en groen daken) in elke buurt als ondergrens voor het klimaatbestendig maken van de stad; • Het project draagt bij aan de realisatie van 40% schaduw op doorgaande fiets- en wandelroutes en 30% schaduw op overige routes; • Het project voldoet aan de minimale eis van 75m2 openbaar groen per huishouden in de stad. Dit betekend 34m2 op buurt niveau en 17m2 binnen het project. Bomen • Een bomeninventarisatie moet worden uitgevoerd; • Voor de bomen waarbij kappen is bedacht dient een afwegingskader opgeleverd te worden; • De nieuwe bomen zijn aantrekkelijk voor mens en dier. De bomen dienen op de lijst van ecologisch waardevolle bomen te staan; • De bestaande bomen worden zoveel mogelijk gehandhaafd. Indien het kappen van de bomen noodzakelijk is, vindt compensatie plaats binnen het plangebied.

Indien verplaatsing van een boom noodzakelijk én mogelijk is, wordt een nieuwe locatie gevonden binnen het plangebied.

50 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje

Hoofdstuk 5 Onderzoek en haalbaarheid (Matser) Tabel: Vigerende Geluidsnormen [1] Geluidbelastingen voor wegverkeer Wet geluidhinder (van toepassing op plandeel B) zijn weergegeven exclusief aftrek omdat de ambitiewaarde vanuit gezondheid logischerwijs geen rekening houdt met het toekomstig stiller worden van het autoverkeer.

Dit hoofdstuk is specifiek voor het plandeel Matserterrein. Voor dit plandeel moet nog een Stedenbouwkundig Plan en nieuw omgevingsplan worden vastgesteld. De onderzoeken en randvoorwaarden uit dit hoofdstuk hebben daar betrekking op.

het zo generiek mogelijk weer te geven. Een belangrijk verschil is dat onder de Omgevingswet alle wegen bij elkaar worden gezien als één geluidsbron terwijl de Wet geluidhinder per weg geldt en 30 kilometerwegen uitgezonderd zijn.

Voor het plandeel Ondaatje is al een recent omgevingsplan vastgesteld (nog niet onherroepelijk) en dit wordt verder uitgewerkt in een bouwenvelop.

Geluid – (spoor)wegen Geluid – nieuwe woningen In de wet- en regelgeving worden voor zowel wegverkeer als spoorwegverkeer normen gesteld voor nieuwe woningen. Dit gebeurt middels een standaardwaarde en een maximale waarde. Een geluidbelasting onder de standaardwaarde is zonder meer toelaatbaar, boven de maximale waarde is de bestemming wonen niet mogelijk. Tussen de standaardwaarde en de maximale waarde is een afweging mogelijk. Om deze afweging te kunnen maken heeft de gemeente beleid opgesteld. Kort gezegd is de essentie van het beleid dat een hogere geluidbelasting dan de standaardwaarde kan indien iedere woning beschikt over een luwe zijde (geluidbelasting niet boven de standaardwaarde); 30% van de verblijfsruimten aan deze luwe zijde en de buitenruimte bij voorkeur aan de luwe zijde maar zeker niet op een plek met meer dan 5 dB boven de standaardwaarde. Deze voorwaarden zijn

5.1 Geluidhinder

Eind 2019 is de Nota Volksgezondheid (‘Gezondheid voor Iedereen’ Volksgezondheidbeleid 2019-2023) vastgesteld. Een van de speerpunten van deze nota is ‘Gezonde leefomgeving’. In een gezonde leefomgeving is de druk op de gezondheid zo laag mogelijk. Ook geluid heeft invloed op de gezondheid van mensen. We werken daarom toe naar normen die op gezondheid zijn gebaseerd. Concreet vertaalt zich dit bijvoorbeeld in een lokale ambitiewaarde van 63 dB (zonder aftrek) voor nieuwe situaties langs wegen en spoorwegen. Ook zorgen we dat nieuwe ontwikkelingen zoals woningen niet leiden tot een hogere druk op gezondheid door bijvoorbeeld een slechtere geluidskwaliteit. Als dat toch zo is, dan compenseren we de extra druk door aanvullende maatregelen (luwe zijde). De kaderstelling wordt naast de Nota Gezondheid voor Iedereen gevormd door de Omgevingswet, de Wet geluidhinder, de Wet ruimtelijke ordening en de Geluidnota Utrecht. In onderhavig plan is sprake van de bijzondere situatie dat voor plandeel B (Ondaatje) reeds een bestemmingsplan is vastgesteld en voor het overige deel van het gebied de planologische besluitvorming nog dient te geschieden. Het bijzondere zit hem erin dat voor plandeel B de Wet geluidhinder en de Wet ruimtelijke ordening als wettelijk kader gelden en voor het overige deel de Omgevingswet. In beide gevallen geldt daarnaast het lokale geluidsbeleid.

Dit beleid is opgesteld voor de Wet geluidhinder maar zal separaat omgezet gaan worden t.b.v. de Omgevingswet. Ondanks deze verschillen is getracht om

SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 51

Afbeelding: Zone hulpwarmtecentrale Nicolas Beetsstraat

een compensatie met het oog op de gezondheid om te bouwen op een locatie met een hogere geluidbelasting. De ambitie van Utrecht met betrekking tot gezonde verstedelijking is hoger dan de wettelijke normen (dus lagere getallen). Rond en door het plangebied liggen spoorwegen; busbanen (Valeriusbaan onder de Rabotraverse en de Dichtersbaan) en diverse wegen (o.a. Croeselaan, van Zijstweg en Jan van Foreeststraat) die hun invloed hebben op de mogelijkheid of de wijze waarop toedeling van functies aan locaties kan plaats vinden. Geluid – wijziging van wegen Advies is dan om de wijziging van wegen, bijvoorbeeld de Jan van Foreeststraat, dusdanig vorm te geven dat er geen negatieve effecten voor bestaande woningen zullen zijn. Instrumenten die hierbij een rol kunnen spelen zijn: wegontwerp, snelheid, wegdek (geen gebakken klinkers maar juist asfalt of bij 30 km/uur stille klinkers) en groen in het profiel, maar ook de keuze voor het programma en of ontsluiting van het gebied en of parkeergarage kunnen hierbij een rol spelen. Geluid – effect van plan op zijn omgeving Onder de Omgevingswet is het een verplichting dat de effecten van een plan op de omgeving (grof gezegd het effect op de wegen in de omgeving) worden onderzocht.

Als de geluidbelasting elders toeneemt met meer dan 1.5 dB én als de geluidbelasting onder de maximale waarde van 70 dB blijft zijn ook voor die woningen geluidsisolerende maatregelen (ten laste van het project/omgevingsplan) verplicht als de binnenniveaus worden overschreden. Bij een geluidbelasting van meer dan 70 dB is geen sprake van een juiste toedeling van functies aan locaties en kán het initiatief simpelweg niet met die verkeersafwikkeling.

Een overweging kan het zijn om vroegtijdig de verkeersgeneratie van het plan af te stemmen op de beschikbare milieucapaciteit van de omliggende wegen. Geluid – Industrielawaai Direct aan de overzijde van het spooremplacement bevindt zich een bedrijfsterrein dat gezoneerd is op grond van de Wet geluidhinder vanwege de daar gelegen Hulpwarmtecentrale ‘Nicolaas Beets’. Dit is een bestemming die geldt als een grote lawaaimaker. De geluidszone hiervan ligt deels over het spoor en ook over de Dichtersbaan en deels over de Jan van Foreeststraat tot de noordoostrand van de Reviusstraat (zie afbeelding). In de nieuwe Omgevingswet is de geluidszone vervangen door een (wettelijk te bepalen) aandachtsgebied . Van dat andachtsgebied

52 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje

is de omvang thans nog niet bekend evenzo is nog niet bekend wanneer het aandachtsgebied wordt vastgelegd. Als er overlap met de zone of het aandachtsgebied is, zal voor een woonbestemming of andere geluidsgevoelige bestemming daarbinnen geluidsonderzoek nodig zijn. Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) is onder de huidige wetgeving een hogere waarde procedure nodig en onder de Omgevingswet een afweging. De maximale geluidbelasting bedraagt 55 dB(A). Een belemmering wordt hiervan niet verwacht, omdat aan de buitenrand van de zone de geluidbelasting, ook op grotere hoogtes, normaliter betrekkelijk laag zal zijn.

Geluid – installaties / bedrijvigheid Kantoren in de omgeving en in het plangebied zelf maken gebruik van installaties voor luchtbehandeling en verwarming/koeling. Meestal bevinden die zich op het dak of de bovenste verdieping, al of niet inpandig of omgeven door geluidsschermen. Kantoren gelden als functiemengingsbedrijven zodat het uitgangspunt is dat woonbestemmingen normaliter op korte afstand inpasbaar zijn. Toch is het aan te bevelen om nader onderzoek te doen naar geluid van zowel in de omgeving aanwezige installaties van kantoren zoals de Rabo als ook de nieuw aan te leggen installaties.

Geluid – bedrijven en milieuzonering Voor geluid van bedrijven en bedrijfsmatige activiteiten hanteert de gemeente Utrecht de beoordelingssystematiek van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ aangevuld met het Utrechtse geluidsbeleid. Daarbij worden richtafstanden in acht genomen die afhangen van de zwaarte van de bedrijfsbestemming. Bij lichte bedrijvigheid zoals kantoren, horeca en detailhandel is menging met de woonbestemming verantwoord en hoeft geen afstand te worden aangehouden (bedrijven op de lijst van functiemenging).

Een belangrijke bedrijfsmatige activiteit betreft het spooremplacement (richtafstand 300 m). Dit geldt met name (maar niet alleen) voor het plangebied dat hier direct naast ligt. Voor woonbestemmingen is geluidsonderzoek nodig.

Geluid – parkeergarage Het geluid van parkeerbewegingen op het terrein van de naastgelegen Rabobank, zowel buiten als inpandig, speelt bij de planontwikkeling een rol en moet tijdig worden onderzocht. Dat geldt ook voor (nieuwe) parkeervoorzieningen voor zover die binnen het plangebied komen. Onderzoek hiernaar is nodig, omdat dit gevolgen kan hebben voor de mogelijkheid om geluidgevoelige functies aan locaties toe te kunnen delen of onder welke condities dit mogelijk is (of welke maximale omvang van de parkeervoorziening mogelijk is, etc.).

Tussen het spoor en de planlocatie ligt momenteel een busbuffer (richtafstand 100 m) die ook moet worden betrokken in het geluidsonderzoek. Evenzo moet goed gekeken worden of eventuele terrassen (stemgeluid), evenementenlocaties en (buiten)horeca inpasbaar zijn. Geluid – randvoorwaarden nieuwe woningen Nieuwe woningen dienen in Utrecht de beschikking te hebben over een geluidsluwe gevel. Op deze luwe gevel mag de geluidbelasting niet hoger zijn dan de standaardwaarde. Aan deze luwe gevel liggen per woning tenminste 30% van de verblijfsruimten. Vanuit gezondheidsoogpunt zijn dit bij voorkeur de slaapkamers. Verder geldt dat de buitenruimte van een woning is gelegen aan deze luwe gevel of, als het niet anders kan, aan een gevel waar de geluidbelasting niet meer dan 5 dB hoger is dan de standaardwaarde. Vanwege deze voorwaarden is het niet wenselijk om op geluidbelaste locaties eenzijdige woningen te projecteren. Zeker als de geluidbelasting

SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 53

5 dB of meer boven de standaardwaarde is zorgt dit voor enorme problemen of ingrijpende (veelal niet fraaie, praktische, dure en wenselijke) oplossingen. Bij geluidbelastingen tot 5 dB boven de standaardwaarde is een luwe gevel vaak wel te organiseren met extra afscherming bij de buitenruimten (verhoogde gesloten borstwering, een inpandige buitenruimte of zelfs een afsluitbare buitenruimte). Vanuit dit perspectief is het ook minder logisch om in de zone(s) direct gericht op het spoor of Croeselaan woningen te projecteren; zeker eenzijdige woningen.

gezondheidsrisico’s, waarvoor de overheid medeverantwoordelijk wordt gehouden.

Bij de planvorming zal aangetoond moeten worden dat iedere woning in het plan bij voorkeur voldoet aan de ambitiewaarde, maar tenminste aan de maximale waarde en beschikt over een luwe gevel. Gezien de oriëntatie van het plangebied in combinatie met de gewenste dichtheid is het creëren van de benodigde luwe zijde voor iedere woning de grootste uitdaging. Uitkomst van het onderzoek kan of invloed hebben op de morfologische structuur, het toewijzen van functies aan locaties of zorgen voor aanpassing van het gebouwontwerp. Het kan de vorming van het plan nadrukkelijk mede bepalen. Om die reden is het juist van belang om onderzoek hierna vroeg in het planproces uit te laten voeren en niet alleen te zien als “formele stap” later in het planproces.

Het plan moet worden getoetst aan de Wet Milieubeheer. Artikel 5.16 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) geeft een opsomming van de bevoegdheden waarbij luchtkwaliteitseisen een directe rol spelen, zoals bij bestemmingsplannen. Een bestemmingsplan kan worden vastgesteld indien: • Aannemelijk is gemaakt dat geen sprake is vaneen feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Een project – al dan niet per saldo – niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Aannemelijk is gemaakt dat de ontwikkelingen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie PM10 (fijn stof) en NO2 (stikstofdioxide) inde buitenlucht; • Het voorgenomen besluit is genoemd of is niet in strijd is met het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Verder is het ook van belang om een nieuw gebied groen (horizontaal en verticaal) in te richten omdat dat de geluidskwaliteit ten goede komt. Er is dan minder last van “reflecties/galm” van geluid van zowel de “wettelijke” geluidsbronnen als de bijdragen van mensen in de (openbare) ruimte.

5.2 Luchtkwaliteit

Een gezonde en veilige leefomgeving heeft een goede luchtkwaliteit. Een ongezond milieu bepaalt gemiddeld 6% van de totale ziektelast in Nederland. Na roken (13%) levert het de belangrijkste bijdrage aan de ziektelast. Ter vergelijking: te veel eten (overgewicht) veroorzaakt 5% van de ziektelast en te weinig bewegen 3,5%. Maar anders dan bij de risico’s van de eigen leefstijl gaat het bij milieuverontreiniging om onvrijwillige

De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woonen leefomgeving. Bij lucht gaat het om de aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de buitenlucht. Wegverkeer is, samen met de achtergrondconcentratie in Utrecht, in belangrijke mate bepalend voor de luchtkwaliteit. Door het plan neemt de intensiteit van het wegverkeer in de omgeving van het plangebied toe.

Er dient aangetoond worden of op grond van artikel 5.16, lid 1 onder (a, b, c, en/of d) van de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor de uitvoering van het plan. Daarbij dient ook gekeken te worden naar het behalen van de WHO-advieswaarden, omdat de gemeenteraad het College (motie 2015-78) heeft opgedragen om te streven naar het behalen van de WHO-advieswaarden (2015) en de luchtkwaliteit voortdurend te verbeteren.

54 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje

Gelet op de omvang van de ontwikkeling, alsmede de netto verkeersaantrekkende werking, kan worden aangenomen dat de ontwikkeling aanvaard¬baar is uit het oogpunt van luchtkwaliteit.

Het plan bevindt zich niet binnen de maatgevende risicocontour of een plasbrandaandachtsgebied. Aan deze minimale afstandsbepalingen wordt dus voldaan. Wel dient het groepsrisico te worden verantwoord.

5.3 Externe veiligheid

Bij uitwerking van het plan zal de hoogte van het groepsrisico middels een analyse inzichtelijk moeten worden gemaakt, dit is onderdeel van de zogenaamde verantwoording.

5.3.1 Groepsrisico Het werken met, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen leidt tot veiligheidsrisico’s vooromwonenden, bedrijven en passanten. Om deze risico’s te beheersen worden in bestemmingsplannen de relaties tussen deze activiteiten en hun omgeving conform wet- en regelgeving verantwoord en vastgelegd. Daartoe moeten in de eerste plaats risicobronnen geïnventariseerd worden. Vervolgens wordt een toets uitgevoerd aan de betreffende wet- en regelgeving. Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van het doorgaande spoor waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de omgeving bevinden zich geen buisleidingen of inrichtingen met gevaarlijke stoffen die vanuit oogpunt van externe veiligheid relevant zijn voor de realisatie van de plannen. De normen en richtlijnen voor externe veiligheid zijn onder andere vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt; voor transport over weg, spoor en water). Het Bevt geeft antwoord op vragen hoe om te gaan met ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van transportroutes. In het Bevt staan twee soorten risico’s beschreven waarop normen en richtlijnen van toepassing zijn. Het betreft het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Naast risiconormeringen kent het Bevt tevens een extra afstandsbepaling, het zogenaamde plasbrandaandachtsgebied.

Voor dit plasbrandaandachtsgebied geldt een motivatieplicht indien bebouwing gewenst is. Indien nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd moet deze aan extra brandveiligheidseisen volgens het Bouwbesluit voldoen.

De maatgevende scenario’s voor het gebied door het transport zijn brand en onbedoeld vrijkomen van giftige (of schadelijke) stoffen. In geval van brand (op het spoor) is het belangrijk dat personen van het spoor af kunnen vluchten/het gebouw verlaten. Het is daarom belangrijk ook aan de zijde gericht van het spoor af (nood) uitgangen aanwezig zijn. Mochten er schadelijke of giftige stoffen vrijkomen, is het belangrijk dat personen (zo lang mogelijk) veilig in het gebouw kunnen schuilen. Het is daarom belangrijk dat in het gebouw, of delen hiervan, de mechanische ventilatie kan worden gesloten en de bediening in geval van een dreigende ramp goed kan worden bereikt. 5.3.2 Buisleidingen In en nabij het plangebied bevinden zich geen buisleidingen die van belang zijn in het kader van de externe veiligheid. 5.3.3 Risicobedrijven In en nabij het plangebied is op dit moment geen sprake van (toekomstige) risicobedrijven.

5.4 Bodem en ondergrond

Wettelijk kader en beleid Landelijke wetgeving is gericht op zorgvuldig gebruik van de bodem en ondergrond zonder risico’s voor mens en milieu. Dit is vastgelegd in de

SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 55

Afbeelding: Overzicht verontreinigingscontour (grondwater)

Structuurvisie Ondergrond (2018) en de Kamerbrief ‘Water en bodem Sturend’ (2022). De Utrechtse nota bodembeheer 2017-2027 en het Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer (2015) geven de kaders voor grondverzet en gebruik van het grondwater. Het bodembeleid gaat uit van: • Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen; • Bij graafwerkzaamheden of (nieuw)bouw op gevallen van bodemverontreiniging zijn saneringsmaatregelen noodzakelijk. Tevens is sanering nodig als er sprake is van risico’s voor de volksgezondheid en het milieu; • Bij hergebruik van grond gelden de (toepassings)eisen uit de Nota bodembeheer 2017-2027, voor het plangebied is dit kwaliteit wonen; • Om te bepalen of het terrein geschikt is voor het toekomstig gebruik moet er inzicht zijn in de bodemkwaliteiten. • De beschikbare ondergrondse ruimte moet zo effectief mogelijk worden gebruikt, waar mogelijk door combinaties van (onder- en bovengrondse) functies en opgaven. • Bij grondwateronttrekkingen voor bouw of bodemenergie moet rekening gehouden worden met de kwaliteit van het grondwater en nabijgelegen grondwateronttrekkingen en bodemenergiesystemen. 5.4.1 Bodemkwaliteit Wettelijk kader en beleid De wet bodembescherming 1986) bevat het wettelijk kader voor het bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering).

Sinds 1 mei 2006 geldt de Circulaire Bodemsanering 2006 (Staatscourant 2006, 83, pagina 34). De Circulaire is daarna een aantal keer aangepast (in 2008, 2009, 2012 en 2013). In de Circulaire staat de uitwerking van het saneringscriterium.

Bodemkwaliteit In het verleden zijn op de locatie vijf gevallen van ernstige bodemverontreiniging gesaneerd. De verontreinigingen zijn veroorzaakt door de activiteiten van de Regionale Energiemaatschappij Utrecht (REMU), dat hier zijn hoofdkantoor had. Het betrof verontreinigingen met minerale olie, vluchtige aromatische koolwaterstoffen en kwik. In 2002 is door Chemielinco BV een saneringsplan opgesteld (rapportnr. 22040, 8 november 2002). Dit plan is beoordeeld en beschikt door de gemeente Utrecht (nr. DSO 02.120991, 13 Januari 2003). In 2004 is een aanvullend saneringsplan door InfraSoil ingediend (rapportnr. 01.04.301, d.d. 18 februari 2004). Op dit aanvullende saneringsplan is ook een beschikking afgegeven (nr. DSO 04.104669, 28 april 2004). In 2005 is door InfraSoil een tussentijdse evaluatie van de uitgevoerde

56 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje

grondsanering opgesteld (rapportnr. 01.04.321, 25-03-2005). Tot slot is in 2013 door InfraSoil een saneringsevaluatie van de grondwatersanering opgesteld (rapportnr. 01.08.0731, 6-3-2013). Op 22-7-2013 heeft het bevoegd gezag ingestemd met de uitgevoerde sanering. Na de bodemsanering zijn, voor zover bekend, geen bodemonderzoeken meer uitgevoerd op het terrein.

brengen. Voor intensief gebruikt groen dient deze 1 meter dik te zijn. Een ophooglaag van grond kan gerealiseerd worden door het maaiveld met een meter te verhogen of door een combinatie van gedeeltelijke afgraving en ophoging tot de gewenste maaiveldhoogte.

5.4.2 Grondverzet Wettelijk kader Uit de evaluatie van de grondwatersanering blijkt dat vanaf 4 meter beneden Bij grondverzet gelden de regels van het Besluit bodemkwaliteit en de maaiveld (m-mv) nog licht verhoogde concentraties vluchtige aromatische Nota Bodembeheer (2017-2027) van de gemeente Utrecht. De kwaliteit koolwaterstoffen aanwezig zijn. Daarnaast is het ondiepe en het diepere van toe te passen grond moet aansluiten bij het beoogde gebruik. grondwater licht verontreinigd met Vluchtige Organo Chloorverbindingen (VOCl). In het eerste watervoerend pakket (> 6 m-mv) kunnen sterk De toepassingseis van grond is woonkwaliteit. Ook voor PFAS kan, bij verhoogde concentraties VOCl voorkomen. In figuur x is een overzicht onverdachte locaties, gebruik gemaakt worden van deze kaart bij gegeven van de verontreinigingscontour (grondwater). Het gebied ligt in de grondverzet. Dynamische zone van het Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer 2015. Ontgravingen dieper dan 4 m-mv en het onttrekken van grondwater Vanuit duurzaamheid en vanuit financiële overwegingen moet gestreefd worden gezien als een saneringsmaatregel en moeten daarom gemeld worden naar een minimale afvoer van grond (‘gesloten grondbalans’) worden bij het bevoegd gezag. waarbij hoogwaardige (vruchtbare) grondstromen zo veel als mogelijk lokaal hergebruikt moeten worden.

Bij aanleg van groen adviseren wij het Voorafgaand aan de geplande ontwikkelingen dient een verkennend gebruik van levende bodem met veel organische stof. bodemonderzoek conform protocol NEN 5740 uitgevoerd te worden. Gezien de saneringsresultaten, wordt verwacht dat er nog beperkt mobiele 5.4.3 Archeologische waarden verontreinigingen in lage concentraties aanwezig zijn. Uit de in het verleden Wettelijk kader en beleid uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt dat op de gehele locatie een zandige Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. Deze wet heeft betrekking op ophooglaag met puin- en kooldeeltjes aanwezig is, die licht tot sterk archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige verontreinigd is met de niet-mobiele verontreinigingen zware metalen en Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons PAK. cultureel erfgoed mogelijk. Wetgeving bepaalt dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond aanwezige dan wel te Niet-mobiele verontreinigingen kunnen gesaneerd worden door middel van verwachten archeologische resten. ontgraving of afdekking. Afdekking kan plaats vinden met een gesloten verharding van beton (bebouwing) of een gesloten verharding van asfalt/ Het archeologische beleid van de gemeente Utrecht is vastgelegd in het tegels/klinkers (paden).

Daar waar dit niet gewenst is, kan een afdekking CHW Bestemmingsplan Algemene Regels Utrecht (2023) en bijbehorende gerealiseerd worden door een ophooglaag van schone grond aan te Archeologische Waardenkaart (2023). De regels en de waardenkaart worden op 1 januari 2024 overgenomen in het Omgevingsplan

SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 57

Afbeelding: Archeologische waardenkaart Gemeente Utrecht

(Omgevingswet). In het Omgevingsplan worden regels opgenomen (Gebiedsaanduiding ‘Overige zone-archeologische verwachting’), waaraan een vergunningstelsel (omgevingsvergunning) is gekoppeld ter bescherming van het archeologisch erfgoed. Op de archeologische waardenkaart is met kleuraanduidingen aangegeven waar archeologische resten aanwezig zijn of verwacht kunnen worden en bij welke bodemingrepen (oppervlakte en diepte) een vergunning van toepassing is. Het plangebied ligt op de archeologische waardenkaart (2023) in een gebied van hoge archeologische verwachting’ en ‘middelhoge archeologische verwachting’. Voor gebieden met een hoge archeologische verwachting geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 100m2 en dieper dan 30 cm. Voor gebieden met een middelhoge archeologische verwachting geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 30 cm. Aan de vergunning kunnen voorwaarden voor archeologisch onderzoek worden verbonden. Bij de aanvraag van de vergunning dient in ieder geval een deskundigenrapport te worden overlegd dat goedgekeurd is door of namens het bevoegd gezag, als zo’n rapport over de gevolgen van het grondwerk op de archeologische waarde nodig is voor een goede beoordeling van de aanvraag.

58 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje

Afbeelding: In rood is de loop van het Lijnpad(rijn) en historische bebouwing weergegeven. In blauw het open water van de Kruisvaart.

Ontwikkelplannen worden getoetst aan de vigerende wet- en regelgeving. Eventuele wijzigingen in beleid en/of vergunningsstelsel zijn dan ook voorbehouden. Archeologische verwachting en archeologische rijksmonumenten Er zijn geen archeologische rijksmonumenten in het plangebied aanwezig. De archeologische verwachting op de archeologische waardenkaart is gebaseerd op de aanwezigheid van de stroomgordel (bedding- en oeverafzettingen) van de Oude Rijn in de ondergrond, waarop bewoning vanaf de prehistorie (Bronstijd/IJzertijd) kan hebben plaatsgevonden. Op basis van onderzoeken in de ruimere omgeving van het plangebied kan de verwachting voor het plangebied op hoofdlijnen nader worden gespecificeerd. Het plangebied ligt op de afzettingen van de stroomgordel van de Oude Rijn (Romeinse tijd en deels Late Middeleeuwen). Binnen het plangebied kunnen meerdere restgeulen aanwezig zijn die gedateerd kunnen worden in de vroege en late Middeleeuwen en mogelijk de Romeinse tijd. Langs de waterlopen kunnen bewoningsresten worden verwacht en in de geulen kunnen water gerelateerde archeologische waarden, zoals bijvoorbeeld schepen, beschoeiingen, visfuiken en afvaldumps worden aangetroffen. Het plangebied ligt naar verwachting ten zuiden van de hoofdgeul van de Romeinse rijn, die de noordgrens van het Romeinse rijk vormde.

Ten zuiden van deze geul kunnen resten van de limesweg aanwezig zijn, alsook wachttorens, nederzettingen en begravingen. Op historische kaarten is af te lezen dat het plangebied ten minste tot 1695 in het buitengebied van de stad Utrecht lag. In 1664 zijn de grachten van het plan Moreelse gegraven, die al afgebeeld zijn op de kaart van Specht (1695). Dwars door het plangebied heeft langs één van de rijnlopen (zogenaamde Lijnpad-Rijn) het historische Lijnpad gelopen, dat in ieder geval vanaf de zestiende eeuw, maar mogelijk al vanaf de vroege

SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 59

Middeleeuwen in gebruik was. Op historische kaarten is langs dit Lijnpad op enkele plaatsen bebouwing aanwezig, waaronder in of in de directe omgeving van het plangebied. Aan de westkant van het plangebied is op de Minuutplan 1811-1882 bebouwing weergegeven. Met de aanleg van de moesgrachten van het plan van Moreelse in 1664 raakte dit Lijnpad in onbruik. Resten van de moesgracht Blekersgracht zijn te verwachten onder de huidige Croeselaan en de moesgracht Bloemgracht (nu bekend als Kruisvaart) ligt aan de oostkant van het plangebied en is nog steeds watervoerend. Op basis van onderzoeken in de omgeving van het plangebied geldt er een hoge verwachting op archeologische resten vanaf de Romeinse tijd tot en met de Nieuwe tijd. Door later gebruik en recente bebouwing van het plangebied kunnen archeologische waarden zijn aangetast. Archeologisch onderzoek Voor het deelgebied Ondaatje is in het kader van de ontwikkeling Beurskwartier 1 een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Voor het deelgebied Matser zijn nog geen archeologische onderzoeken uitgevoerd. Deelgebied Ondaatje Het uitgevoerde archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat het gebied tot 1,5 m onder maaiveld verstoord is. Daarom is de verwachting op nederzettingsresten en begravingen naar ‘laag’ bijgesteld en is het gebied tot deze diepte vrijgegeven (selectiebesluit bevoegd gezag).

Dit betekent dat er tot 1,5 m onder huidig maaiveld geen archeologische verplichtingen meer gelden. Voor bodemingrepen dieper dan 1,5 m geldt er een onbekende verwachting op resten die gerelateerd kunnen worden aan de aangetroffen restgeul, zoals beschoeiingen en scheepswrakken. Het toetsen van de verwachting kan bijvoorbeeld worden uitgevoerd in de vorm van een archeologische begeleiding van de uitvoeringswerkzaamheden. Het dateren van de diepe restgeul op deze

locatie is hierbij een belangrijk aandachtspunt, omdat dit belangrijke inzichten kan opleveren over mogelijke vindplaatsen in het verleden. Deelgebied Matser Om de archeologische verwachting van het deelgebied Matser vast te stellen moet een bureauonderzoek gecombineerd met een verkennend booronderzoek worden uitgevoerd. Het bureauonderzoek heeft tot doel om een gespecificeerde verwachting voor het gebied op te stellen op basis van bekende gegevens, waaronder landschappelijke, archeologische, historische gegevens en informatie over verstoringen (saneringen, kabels en leidingen, voormalige bebouwing in het plangebied). Het verkennend booronderzoek heeft tot doel om de gespecificeerde verwachting te toetsen en de bodemopbouw en de intactheid van het plangebied in kaart te brengen. Op basis van de resultaten van dit booronderzoek kan worden bepaald of en zo ja, welk aanvullend archeologisch noodzakelijk is. Eventueel vervolgonderzoek kan bestaan uit een karterend/waarderend booronderzoek of proefsleuvenonderzoek en/of een opgraving. Eisen aan archeologische onderzoeken Alle archeologische onderzoeken dienen uitgevoerd te worden door een gecertificeerd archeologisch bedrijf en moeten voldoen aan de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en de richtlijnen voor archeologisch onderzoek van de gemeente Utrecht.

Voorafgaand aan het booronderzoek dient een Plan van Aanpak te worden opgesteld dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het bevoegd gezag (afdeling Erfgoed (archeologie), gemeente Utrecht). Voorafgaand aan een proefsleuvenonderzoek en/of opgraving dient een Programma van Eisen en een Plan van Aanpak te worden opgesteld, dat ter goedkeuring moet worden voorgelegd aan het bevoegd gezag.

456

RNO-036-7 RNO-036-6

60 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje

RNO-036-3

456018

RNO-036-2

RNO-036-6 RNO-036-6

RNO-036-6

RNO-036-7

RNO-036-6

455768

RNO-036-6 RNO-036-6

RNO-036-6

RNO-036-6 RNO-036-6

RNO-036-7 RNO-036-7

RNO-036-3

RNO-036-3 RNO-036-3

RNO-036-5

RNO-036-7 RNO-036-3

RNO-036-3

RNO-036-7

RNO-036-3

455518

RNO-036-3

RNO-036-6 455268

RNO-036-6

RNO-036-6

RNO-036-3

RNO-036-3

RNO-036-4

134736

134986 RNO-036-7

Afbeelding: Bodembelastingskaart OO (2016; RNO-036-5))

RNO-036-7

135736

135986

136236

136486

136736

136986

137236

137486

137736

137986

454518

RNO-036-4

Status met verwijzing naar deelgebieden Verdacht

Onverdacht

135486

RNO-036-4

Legenda

Verdacht, naoorlogs geroerd/beperkt vrijgegeven

135236

454768

134486

RNO-036-4

0

250

500

750

1000

³

Meter

Esri Nederland & Community Maps Contributors

RNO-036-7

T&A Survey BV Dynamostraat 48 Postbus 20670 1001 NR Amsterdam

Telefoon: 020-6651368 Fax: 020-6685486 E-mail: info@ta-survey.nl Internet: www.ta-survey.nl

454268

134236

455018

RNO-036-4 RNO-036-6

RNO-036-6

HO CE te Utrecht Bijlage:

3. CE-Bodembelastingkaart

Projectnummer:

GPR5420.39

Opdrachtgever:

ProRail

Tekenaar:

Akkoord:

M. van Veelen

M. van Oers

Formaat:

A3

Schaal:

1:10.000

Datum:

14-06-2016

RNO-036-6

RNO-036-2

RNO-036-6 RNO-036-3

RNO-036-7

RNO-036-6

RNO-036-6

RNO-036-6 RNO-036-6

RNO-036-6

RNO-036-6

RNO-036-6 RNO-036-3

RNO-036-6

RNO-036-7 RNO-036-7

RNO-036-3

RNO-036-3 RNO-036-3 RNO-036-3

RNO-036-7 RNO-036-5

RNO-036-3 RNO-036-7 RNO-036-3

RNO-036-6 RNO-036-6

RNO-036-3

RNO-036-3

RNO-036-4

RNO-036-4 RNO-036-6

RNO-036-7

RNO-036-4 RNO-036-7

RNO-036-4

RNO-036-4

Esri Nederland & Community Maps Contributors

SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 61

Afbeelding: overzicht zettingsgevoeligheid

Aandachtspunten • Het advies is om in een zo vroeg mogelijk stadium in overleg met het bevoegd gezag archeologie (gemeente Utrecht) te bepalen welk archeologisch onderzoek noodzakelijk is en hoe dit kan/moet worden uitgevoerd. • Uitgangspunt is dat eventuele archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard blijven. Dit kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door planaanpassing of archeologievriendelijkbouwen. Indien archeologische waarden niet in situ behouden kunnen worden is ex situ behoud door middel van archeologisch onderzoek mogelijk. • Voor de voorgenomen ontwikkeling is een omgevingsvergunning voor het aspect archeologie vereist. In de vergunning worden voorwaarden opgenomen ten aanzien van het uit te voeren archeologisch onderzoek. • Het zichtbaar maken van eventuele archeologische waarden in de openbare ruimte is een mooie ruimtelijke en cultuurhistorische kans. 5.4.4. Ontplofbare Oorlogsresten (voorheen NGE) Wettelijk kader en beleid In het kader van de Arbowet hebben zowel opdrachtgever als opdrachtnemer de verplichting de risico’s, die in de uitvoering van het project kunnen ontstaan, in beeld te brengen. Dit geldt ook voor de risico’s door de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten die na de Tweede Wereldoorlog zijn achtergebleven. Met ingang van 1 januari 2021 is een wijzing opgetreden van artikel 4.10 van het Arbobesluit.

Hiermee is het Werkveld Specifiek Certificatieschema voor het Opsporen van Conventionele Explosieven (WSCS-OCE) vervangen door het Certificatie Schema Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO), waarin staat beschreven aan welke wettelijke regels moet worden voldaan betreffende de opsporing van ontplofbare oorlogsresten. Ontplofbare Oorlogsresten In opdracht van de gemeente Utrecht en ProRail zijn in het Stationsgebied diverse (bureau)onderzoeken uitgevoerd naar de aanwezigheid van

Ontplofbare Oorlogsresten (voorheen Niet Gesprongen conventionele Explosieven (NGcE’s)). In de potentieel verdachte gebieden zijn tijdens veldonderzoeken geen explosieven aangetroffen. In 2023 is het plangebied Ondaatje aanvullend onderzocht (RAWDATA, mei 2023). Hieruit is gebleken dat Ondaatje niet verdacht is voor Ontplofbare Oorlogsresten. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is het plangebied Matserterrein grotendeels vrijgegeven. Nog niet de hele toekomstige bouwplot van het Matserterrein is onderzocht en vrijgegeven van explosieven (zie figuur x). Daarom moet voorafgaand aan de werkzaamheden een actualiserend/aanvullend OO-onderzoek plaatsvinden.

62 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje

Afbeelding: Overzicht warmtenet en midden spanningsleiding

SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 63

Afbeelding: KLIC Melding

De kans op de aanwezigheid van explosieven wordt laag ingeschat . Er hebben al naoorlogse graafwerkzaamheden in het gebied plaatsgevonden. Tijdens werkzaamheden aan kabels en leidingen in de Mineurslaan en de Croeselaan, bij de realisatie van de tijdelijke eindhalte van de tram en bij werkzaamheden op het nabijgelegen Jaarbeursplein zijn geen explosieven gevonden. 5.4.5. Zettingsgevoeligheid Het plangebied is op basis van de bodemopbouw, weinig gevoelig voor zetting. 5.4.6. Kabels en leidingen Wettelijk kader en beleid Het beleid van de gemeente Utrecht aangaande kabels en leidingen is vastgelegd in de Verordening ondergrond en het Handboek Kabels en leidingen. Binnen het plangebied bevindt zich momenteel diverse kabels en leidingen (zie onderstaande figuren). Extra aandacht dient te worden besteed aan het warmtenet en de midden spanningsleiding van Stedin welke centraal over het terrein loopt. Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling moet hiermee rekening worden gehouden. Ook staat vervanging van het gemengd riool gepland in de Croeslaan met aansluitingen binnen het projectgebied (2041-2050). 5.4.7.

Ondergrond algemeen Het is verstandig om ook het toekomstig ondergronds ruimtegebruik (voor bodemenergie, waterberging en infiltratie, boomwortels, groen, bodemecologie, kabels en leidingen, riolering, parkeerkelders, infrastructuur) inzichtelijk te maken, om vooraf te kunnen sturen op eventuele knelpunten met (ander) ondergronds en bovengronds gebruik. Hierbij moet ook de mogelijke aanwezigheid van restanten van oude fundering, damwanden of andere ondergrondse structuren worden geïnventariseerd. Het gaat dan om het fysieke ruimtegebruik en het

64 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje

invloedgebied. Met vroegtijdige ordening, minimaal ruimtegebruik en toekomstbestendig inrichten van de ondergrond kunnen conflicten in functies en processen (mogelijk) worden voorkomen. Inzicht in de kwaliteiten die de ondergrond biedt (bijvoorbeeld waterbergend vermogen, draagvermogen) helpt hierbij. Als deze kwaliteiten worden aangetast kan schade of overlast het gevolg zijn. Door deze kwaliteiten te benutten voor de diverse thema’s is veelal een duurzame en toekomstbestendige inrichting mogelijk. Nabij het plangebied is omstreeks 2030 ook herinrichting van de Jan van Foreeststraat gepland.

5.5 Klimaatadaptatie en Wateropgave

5.5.1 Klimaatadaptatie Algemeen Utrecht moet ook in een opwarmend klimaat een aangename plek zijn om te wonen, te werken of te recreëren. Utrecht zal in de toekomst steeds vaker te maken krijgen met de gevolgen van het veranderende klimaat en is gevoelig voor het vaker voorkomen van extreme regenbuien, wateroverlast en langere perioden van hitte en droogte. Als Utrecht klimaatrobuust wil zijn zal de sponswerking van de stad vergroot moeten worden. We willen hemelwater niet langer afvoeren via het riool naar de rioolwaterzuivering, maar het regenwater – ook op eigen terrein – vasthouden in de openbare ruimte, in de bodem of het oppervlaktewater. Regenwater zal beter en langer vastgehouden moeten worden op de plek waar het valt. Om dit te bereiken moet zo veel mogelijk oppervlak onverhard blijven en vergroend worden. Hiermee wordt het riolerings- en afwateringssysteem ontlast, maar het zorgt er ook voor dat water beschikbaar is in periode van droogte. Wateroverlast We richten het gebied zo in dat zelfs bij zeer extreme regenbuien van 80 mm in een uur geen schade optreedt aan gebouwen en nutsvoorzieningen en dat veiligheidsrisico’s worden voorkomen.

Wegen, parkeerplaatsen, pleinen en groenvoorzieningen kunnen bijdragen aan tijdelijke waterberging bij extreme regenval. Aandachtspunten hierbij zijn de profilering van het terrein en hoogteliggingen. Er moet dus gezorgd worden voor voldoende hoogteverschil tussen vloer- en wegpeilen. Regenwater mag niet langer dan 3 uur op straat staan. Uitgangspunt is dat vuil water en schoon regenwater zoveel mogelijk gescheiden worden. Waar mogelijk worden bestrating en dakvlakken afgekoppeld van het gemengde riool en bij voorkeur wordt hemelwater zichtbaar over het oppervlak afgevoerd i.p.v. ondergronds. Water wordt zoveel mogelijk vastgehouden op de plek waar het valt. Uitgangspunt is dat buien tot 20 mm per uur verwerkt kunnen worden zonder dat er water op straat blijft staan. Voorkeursvolgorde Voor het verwerken van regenwater wordt in Utrecht een voorkeursvolgorde aangehouden. Allereerst wordt water zoveel mogelijk vastgehouden om te hergebruiken. Pas daarna stroomt regenwater oppervlakkig af naar bovengrondse bergingsvoorzieningen t.b.v. infiltratie. Als dat niet kan wordt water geborgen en geïnfiltreerd in ondergrondse voorzieningen. Pas als het niet anders kan wordt het regenwater afgevoerd naar het oppervlaktewater. In dit geval de Kruisvaart. Droogte Om droogteschade te voorkomen moet de sponswerking van de bodem vergroot worden.

Hiervoor moet zoveel mogelijk regenwater vastgehouden en geïnfiltreerd worden. Het uitgangspunt is om minimaal 90% van het regenwater in het gebied op te vangen en te verwerken zonder afwenteling op het oppervlaktewater. Om hieraan te voldoen moet 15 mm regenwater per m2

SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 65

verharding (incl. dakvlakken) vastgehouden kunnen worden in daarvoor bestemde voorzieningen ten behoeve van infiltratie.

Het streven is dat het in de stad op een hete zomerdag maximaal 5 graden warmer is dan in het buitengebied (referentie KNMI De Bilt).

Infiltratie gebeurt bij voorkeur en waar mogelijk d.m.v. bovengrondse voorzieningen zoals wadi’s of waterdoorlatende bestrating. Deze voorzieningen moeten in minimaal 10 en maximaal 48 uur leeg kunnen lopen.

Maatregelen tegen hittestress hebben 2 doelen: De gemiddelde luchttemperatuur van de stad verlagen, zowel overdag als ’s nachts en het creëren van lokale koele plekken met een lage gevoelstemperatuur. Als verkoelende maatregelen kan worden ingezet op het creëren van koele plekken en looproutes met schaduw, bij voorkeur door bomen, zo min mogelijk verharden (groen tenzij), het aanleggen van groene gevels en daken en bewegend water (fonteinen). Concreet betekent dit dat we stadsbreed streven naar een percentage groenoppervlak in het horizontale vlak van minimaal 40%. Dit is inclusief boomkronen en groene daken. Hierdoor is er voldoende mogelijkheid voor verdamping door bomen en groen en het vasthouden van water.

Om zoveel mogelijk water vast te kunnen houden is voor het ontwerp en inrichting van de openbare ruimte in de binnenstad “groen, tenzij” het leidende principe. Verharding voegen we alleen toe als het nodig is om het gewenste gebruik en beheer te faciliteren. Daken en gevels zijn zo groen mogelijk ingericht volgens het principe “geen dak of gevel onbenut”. Combinaties met zonnecollectoren hebben daarbij de voorkeur. Dit draagt zowel bij aan de belevings- en ecologische waarde als ook de akoestische en hittestressbestendige kwaliteit van de gebouwen. Hitte Klimaatverandering leidt naar verwachting tot meer zomerse en tropische dagen. Door het opslaan van de warmte van zonlicht in verharding, gevels en daken is het dan in de stad nog warmer dan het buitengebied. De temperatuur in de huidige stad is op een zomerse dag op sommige plekken meer dan 7 graden warmer dan aan de randen van de stad. De in asfalt, steen of beton opgeslagen zonne-energie wordt ‘s nachts als warmte uitgestraald. Dit hitte-eiland effect is een serieuze bedreiging voor de leefbaarheid en volksgezondheid. Vooral kinderen, ouderen en zieken zijn kwetsbaar voor hitte-gerelateerde gezondheidseffecten. Door de grote hoeveelheid verharding kan de gevoelstemperatuur juist in het stationsgebied op hete dagen tot wel 10 graden meer oplopen dan buiten de stad.

Uitgangspunt is dat iedere woning binnen 200 meter loopafstand over een koele groene plek van minimaal 200 m2 moet kunnen beschikken. Een koele plek wordt gedefinieerd als een plek van minimaal 200 m2, met schaduw van bomen, gebouwen of doeken die ingericht is als aantrekkelijke verblijfsplek is, bij voorkeur met veel groen i.v.m. verdamping. Daarnaast moet de koele plek openbaar toegankelijk en bereikbaar zijn door de aanwezigheid van een (wandel)pad, een zitgelegenheid in de schaduw of een activiteit. Daarnaast moet je in iedere straat op een hete dag in de schaduw (bij voorkeur door bomen) kunnen lopen. Op de belangrijkste looproutes moet er op het heetst van de dag 40% schaduw aanwezig zijn en in overige loopgebieden is er op het heetst van de dag 30% schaduw. Zo blijven essentiële functies in de stad voor iedereen beschikbaar. 5.5.2 Wateropgave Te dempen oppervlaktewater Te dempen oppervlaktewater dient conform de Keur van het waterschap 1 op 1 te worden gecompenseerd met nieuw open water.

66 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje

Toename verhard oppervlak en watercompensatie Om de waterhuishouding op orde te houden en wateroverlast te voorkomen, zijn op grond van de Keur bij een verhardingstoename van meer dan 500 m2 maatregelen vereist (dit is de ondergrens voor watercompensatie binnen de bebouwde kom). HDSR eist ten behoeve van het tegengaan van versneld afvoeren een compensatie in de vorm van nieuw te graven oppervlaktewater van 15% ten opzichte van het toegenomen verhard oppervlak, of 45 mm waterberging over het toegenomen verhard oppervlak. Richtlijnen voor het ontwerp van infiltratievoorzieningen zijn te vinden op www.hdsr.nl/watertoets. Kunstwerken Nieuwe bruggen mogen niet leiden tot versmalling en/of verkleining van het (natte) profiel van de Kruisvaart. Let ook op de doorvaarbaarheid i.v.m. andere en bestaande functies zoals roeien, kanoën en het beheer. Bij aanleg van nieuwe bruggen moet daarom worden uitgegaan van de hoogte van bestaande bruggen. Natuur en ecologie Om de water- en ecologische kwaliteit te verbeteren is het wenselijk om, in overleg met de gemeente en het waterschap, natuurvriendelijke oevers te realiseren. Het gaat dan vooral om een geleidelijke overgang van water naar land zodat er voldoende habitat- en biotoopmogelijkheden ontstaan voor flora en fauna. De beperkt beschikbare ruimte is bepalend is voor welke oplossingen mogelijk zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=c2ea5374-9c3b-4ab2-91b3-cd2387f0485c