Agendabundel
Tekst van het document
Daardoor worden de laagfrequente geluidniveaus bij hoogspanningsstations al beperkt door de normstelling in dB(A) (hoge geluidniveaus bij 100 Hz zullen al snel leiden tot een overschrijding van de norm in dB(A)). Voor de beoordeling van laagfrequent geluid bestaat nog geen wettelijke grondslag. Indien nodig worden maatregelen getroffen om aan de geldende geluidnormen die voortvloeien uit de landelijke regelgeving te voldoen. In bijzondere gevallen kan bij klachten en bezorgdheid over laagfrequent geluid aansluiting worden gezocht bij de Vercammen-curve. De Vercammen-curve is een richtlijn voor laagfrequent geluid op basis van (geobjectiveerde) hinder. Dit is echter geen wettelijke norm. De afstand tussen de woningen en het station is echter te groot voor een mogelijk effect dit blijkt ook uit het lage geluidniveau (zonder toeslagen 30 dB(A)) ter plaatse van de woningen.
LBP|SIGHT BV
R087622aa.2285FIE.eg | versie 02_001 | 25 oktober 2022
17
Utrecht
Bijlage 2
Natuur rapport
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn" (vastgesteld)
23
Stedin Oudenrijn: Quick scan ecologie
Effecten op beschermde soorten en gebieden
21-07-2022- Versie 3.0
Autorisatieblad
Stedin Oudenrijn: Quick scan ecologie
Naam
Akkoord
Opgesteld door der Gecontroleerd door
Vrijgegeven door
✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓
Datum 9-11-2021 01-07-2022 19-07-2022 9-11-2021 01-07-2022 19-07-2022 10-11-2021 01-07-2022 21-07-2022
Op dit autorisatieblad ontbreken de handtekeningen wegens de digitale verwerking van ons vrijgaveproces. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
Samenvatting Uit de quickscan komen de volgende bevindingen: • Er zijn gezien de aard van de werkzaamheden en de grote afstand tot beschermde gebieden geen vervolgstappen nodig betreffende Natura 2000-gebieden of gebieden die behoren tot het NNN en de Groene Contour. Voor mogelijke stikstofdepositie op gevoelige habitattypen/soorten in Natura 2000-gebieden tijdens de realisatiefase van het project kan gebruik worden gemaakt van de partiële vrijstelling voor de vergunningplicht, welke geldt per 1 juli 2021 door de inwerkingtreding van artikel 1 van de Wet tot wijziging van de Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) en artikel 1 van het bijbehorende Besluit (AmvB). Om mogelijke juridische risico’s geheel uit te sluiten, kan worden besloten om een AERIUS berekening wel uit te voeren zodat duidelijk wordt of er al dan niet sprake is van toename van depositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden. Het project zal in de gebruiksfase niet leiden tot een toename in stikstofemissie • In de directe omgeving zijn in potentie vaste rust- en/of verblijfplaatsen van de beschermde soort steenmarter aanwezig. Het plangebied maakt naar verwachting een niet-essentieel deel uit van het functioneel leefgebied van de steenmarter.
Om het functioneren van de vaste rust- en/of verblijfplaatsen niet te beperken dienen de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden en dienen de gebouwen verlicht te worden met middel (groene) orientatieverlichting (maximaal 5 Lux). In de omgeving van het plangebied komen ook de beschermde soorten heikikker en platte schijfhoren voor. Omdat het plangebied geen leefgebied vormt voor beide soorten en er geen werkzaamheden aan watergangen plaatsvinden, worden effecten op beide soorten uitgesloten. Indien toch werkzaamheden aan watergangen of randen met hoge vegetatie van het agrarische perceel plaatsvinden, is nader onderzoek noodzakelijk. Binnen het plangebied zijn algemene broedvogels te verwachten. Vernietiging en verstoring (waarbij dieren het nest verlaten) van bewoonde nesten is verboden. Geadviseerd wordt om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren (buiten de periode maart t/m half augustus). Verder moet vanuit de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening worden gehouden met aanwezigheid van algemene grondgebonden zoogdieren (onder andere haas) en amfibieën. • Een ontheffing i.h.k.v. de Wet natuurbescherming voor het uitvoeren van de werkzaamheden is niet benodigd. • Er staan geen houtopstanden binnen het plangebied.
Er zijn daarom geen verdere acties in het kader van beschermde houtopstanden noodzakelijk.
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
1/29
Inhoudsopgave Samenvatting
1
1
Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Locatie 1.3 Activiteiten 1.4 Wettelijk kader 1.5 Doel
3 3 3 7 8 9
2
Methode 2.1 Beschermde gebieden 2.2 Beschermde soorten 2.3 Beschermde houtopstanden
10 10 10 11
3
Resultaten 3.1 Beschermde gebieden 3.1.1. Natura 2000-gebieden 3.1.2. Natuurnetwerk Nederland (NNN) 3.1.3. Groene contour 3.2 Beschermde soorten 3.2.1. Vaatplanten 3.2.2. Vogels 3.2.3. Grondgebonden zoogdieren 3.2.4. Vleermuizen 3.2.5. Reptielen 3.2.6. Amfibieën 3.2.7. Vissen 3.2.8. Ongewervelden 3.3 Invasieve exoten 3.4 Houtopstanden
12 12 13 14 14 14 14 15 17 19 20 20 22 22 23 23
4
Conclusie 4.1 Beschermde gebieden 4.2 Beschermde soorten 4.2.1. Nader onderzoek 4.2.2. Maatregelen 4.1 Invasieve exoten 4.2 Houtopstanden 4.3 Kansen voor natuur
24 24 24 26 26 27 27 27
5
Bronnen
28
Colofon
29
Bijlage I Wet- en regelgeving Wet natuurbescherming (Wnb) Natuurnetwerk Nederland (NNN)
2 2 7
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
2/29
1
Inleiding
1.1 Aanleiding
Stedin is voornemens om station Oudenrijn te Utrecht uit te breiden. Het betreft nieuwbouw van een 50kV en 10kV station ter hoogte van het bestaande station Oudenrijn. De bestaande 50kV en 10kV installaties worden vervangen voor een nieuwe 50kV en 10kV gesloten schakelinstallatie. Deze worden aangesloten op een nieuw stationsautomatisering besturingssysteem. Stedin is tevens voornemens nieuwe transformatoren te plaatsen op het perceel gelegen ten noorden van het terrein met de installaties. In oktober 2021 is de quickscan ecologie uitgevoerd voor het bestaande station en een deel van het agrarische perceel ten noorden van het station. In juni 2022 is de quickscan ecologie voor het gehele agrarische perceel uitgevoerd. Waar relevant wordt aangeduid wanneer welke werkzaamheden door de ecologisch deskundige zijn uitgevoerd.
1.2 Locatie
Het plangebied bevindt zich in de gemeente Utrecht en is gelegen aan de Heycopperkade 2B ten zuiden van de A12 (Figuur 1.1). Het plangebied betreft het huidige hoogspanningsstation van TenneT en Stedin en het agrarische perceel wat grenst aan de noordzijde van het bestaande station (Figuren 1.2 t/m 1.4). Het agrarische perceel is momenteel in gebruik als grasland/hooiland en wordt gekenmerkt door een vochtige ondergrond door de hoge grondwaterstand in het gebied. Verder zijn rondom het plangebied watergangen aanwezig (Figuren 1.5 en 1.6). De omgeving van het plangebied bestaat uit graslandpercelen, enkele weteringen en watergangen, gelijkvloerse woningen van het Leger Des Heils en boerenbedrijven (Figuren 1.7 en 1.8). Aan de noordkant wordt dit gebied begrenst door de A12. Het terrein van het hoogspanningsstation kent een begroeiing die bestaat uit laagblijvende kruiden en grassen. Onder andere ridderzuring, scherpe boterbloem, Engels raaigras en perzikkruid groeien hier. De randen van het terrein kennen een enigszins ruderale vegetatie bestaande uit bijvoorbeeld grote brandnetel en speerdistel.
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
3/29
Figuur 1.1: Globale ligging plangebied (rood).
Figuur 1.2: Bestaande hoogspanningsstation waar in de hoek achter het hek de gebouwen voor de 10- en 50kV installaties dienen te komen (bezoek 22 oktober 2021).
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
4/29
Figuur 1.3: Bestaande hoogspanningsstation met zicht op hoogspanningsmast (bezoek 17 juni 2022).
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
5/29
Figuur 1.4: Agrarisch perceel grenzen aan de noordkant van het huidige hoogspanningsstation (bezoek 22 oktober 2021).
Figuur 1.5: Zicht op de watergang die de westzijde van het agrarische perceel begrensd (bezoek 17 juni 2022). B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
6/29
Figuur 1.6: Watergangen ten westen van het plangebied (bezoek 22 oktober 2021).
1.3 Activiteiten
Figuur 1.7: Bebouwing ten noorden van het plangebied (bezoek 17 juni 2021).
De werkzaamheden bestaan uit het realiseren van een 10kV en 50kV gebouw. Fase één bestaat uit het eerst realiseren en inrichten van het 10kV gebouw en vervolgens drie bestaande containers en het oude bedieningsgebouw te amoveren. In een 2de fase wordt dan het 50kV gebouw gerealiseerd. De plannen voor het noordelijke agrarische perceel zijn in dit stadium van de planvorming nog niet bekend. In de voorliggende rapportage wordt uitgegaan van een worst-case scenario waarbij 40% van het perceel bebouwd zal worden met nieuwe installaties. Het voornemen is om bij de werkzaamheden de watergangen niet aan te tasten.
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
7/29
Figuur 1.8: Fase 1 waarbij het 10kV station (blauw) en het 50kV station (geel) in één keer tegen elkaar worden gebouwd. 1.4 Wettelijk kader
Bij een dergelijke ruimtelijke ontwikkeling is het vanuit natuurwetgeving van belang om na te gaan of de werkzaamheden effect hebben op beschermde natuurwaarden. Het volgende wettelijk kader is gehanteerd: • Wet natuurbescherming (Wnb), onderdelen beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde houtopstanden; • Provinciaal beleid (provinciale Verordening): beschermde gebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en gebieden die behoren tot de Groene Contour in de provincie Utrecht. Zie voor uitleg over het wettelijk kader bijlage 1. De provincies zijn in de meeste gevallen het bevoegde gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het rijk in de vorm van de minister van LNV bevoegd gezag. Dit is uitgewerkt in artikel 1.3 van het Besluit natuurbescherming en betreffen handelingen en projecten voor aanleg, uitbreiding en, voor zover van toepassing, inrichting, alsmede wijziging, gebruik, beheer en onderhoud van onder andere hoofdwegen, hoofdvaarwegen, hoofdspoorwegen, primaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen met een spanning van
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
8/29
tenminste 220 kV, winning van delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij, activiteiten Koninklijk Huis, etc. Voor dit project is provincie Utrecht bevoegd gezag. Dit wettelijk kader is van toepassing bij ruimtelijke ontwikkelingen. Ter aanvulling is tijdens het oriënterend veldbezoek voor de quickscan ook gelet op aanwezigheid van invasieve uitheemse soorten (exoten). De provincies, het Rijk en de waterschappen zijn verantwoordelijk voor de aanpak van de invasieve exoten die op de Unielijst zijn geplaatst. Dit is een Europese lijst met een aantal schadelijke exotische planten en dieren. Voor deze soorten geldt de plicht om in de natuur aanwezige populaties op te sporen en te verwijderen of zodanig te beheren dat verspreiding en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen. 1.5 Doel
Het doel van de quickscan is toetsing van de voorgenomen ingrepen aan het wettelijk kader ten aanzien van natuur zoals hierboven aangegeven. Voorliggende rapportage betreft een quickscan ecologie waarmee middels een bureaustudie en biotoopverkenning een goede eerste indruk over de natuurwaarden in het plangebied wordt verkregen. Er wordt duidelijkheid gegeven over eventuele vervolgstappen: is er aanvullend veldonderzoek nodig? En is het nodig om een ontheffing of vergunning aan te vragen? Indien mogelijk wordt aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen of te verzachten (mitigerende maatregelen).
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
9/29
2
Methode
Hieronder bespreken we de gehanteerde methoden voor het onderzoek naar beschermde gebieden en beschermde soorten. In oktober 2021 is de quickscan ecologie uitgevoerd voor het bestaande station en een deel van het agrarische perceel ten noorden van het station. In juni 2022 is de quickscan ecologie voor het gehele agrarische perceel uitgevoerd. Waar relevant wordt aangeduid wanneer welke werkzaamheden door de ecologisch deskundige zijn uitgevoerd. 2.1 Beschermde gebieden
Er is gekeken naar mogelijke effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde natuurgebieden in de omgeving. Beschermde gebieden die zijn meegenomen in deze quickscan omvatten: Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en gebieden die behoren tot de Groene Contour in de provincie Utrecht. Hierbij zijn brongegevens van de provincie Utrecht gebruikt. Voor de effectbepaling is gekeken naar ruimtebeslag op beschermde gebieden en, indien relevant, naar mogelijke indirecte effecten. Indirecte effecten zijn bijvoorbeeld verstoring door geluid, licht, trillingen en optische verstoring. Voor Natura 2000gebied is ook aangegeven of er vervolgstappen nodig zijn vanwege stikstofdepositie. Voor alle natuurgebieden is onderzocht of ze ook externe werking kennen. Dat wil zeggen dat de bescherming van het gebied ook bij activiteiten rondom het natuurgebied geldt. Dit is aan de orde voor de Natura 2000-gebieden. De provincie Utrecht past met betrekking tot het NNN geen externe werking toe. Op basis van de effectbepaling is aangegeven welke vervolgstappen nodig zijn. Hierbij kan gedacht worden aan nader onderzoek, het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming of het doorlopen van de ‘nee, tenzij-procedure’ voor NNN-gebied.
2.2 Beschermde soorten
Bureaustudie
Er is een inventarisatie gedaan naar bestaande verspreidingsgegevens van beschermde soorten flora en fauna, zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. Voor de bureaustudie zijn de verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd in juni 2022. Hierbij zijn gegevens van de afgelopen 5 jaar in (de omgeving van) het plangebied geraadpleegd. Als zoekgebied is een afstand van tenminste 1 kilometer tot het plangebied gehanteerd. Ten aanzien van vogels zijn in de bureaustudie alleen soorten met een jaarrond beschermd nest meegenomen. Voor algemene broedvogels geldt de algemene verbodsbepaling dat nesten niet mogen worden verstoord of vernietigd als het nest in gebruik is. Oriënterend veldbezoek
Het oriënterend veldbezoek van een quickscan ecologie kan het hele jaar door worden uitgevoerd omdat het in eerste instantie gaat om een verkenning van geschikte biotopen voor beschermde soorten in het plangebied. Een veldecoloog van Movares heeft tweemaal het plangebied bezocht: op 22 oktober 2021 en 17 juni 2022. Tijdens de veldbezoeken zijn middels visuele inspecties gekeken naar de mogelijke aanwezigheid B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
10/29
van beschermde planten en (sporen van) beschermde dieren in (de omgeving van) het plangebied. Tijdens de inspecties zijn ook biotoopbeoordelingen uitgevoerd. Daarbij is gekeken naar de aanwezigheid van geschikte biotopen en essentiële landschappelijke functies voor beschermde soorten. Effectbepaling beschermde soorten
Op basis van de gegevens uit de bureaustudies en de oriënterende veldbezoeken heeft een beoordeling plaatsgevonden van de effecten van de voorgenomen ingreep op de beschermde natuurwaarden in (de omgeving van) het plangebied. Vervolgstappen
Op basis van de effectbepaling zijn de vervolgstappen vastgesteld. Hierbij is per soortgroep aangegeven of nader/ aanvullend onderzoek nodig is. Indien een soort aanwezig is binnen het plangebied en er sprake is van negatieve effecten, is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. Indien mogelijk wordt aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen of te verzachten (mitigerende maatregelen). 2.3 Beschermde houtopstanden
Er is gekeken naar mogelijke raakvlakken van de voorgenomen werkzaamheden met houtopstanden. Hierbij is in eerste instantie getoetst of omwille van de ruimtelijke ontwikkeling houtopstanden gerooid of geveld dienen te worden. Indien er sprake is van verwijderen van houtopstanden, is bepaald of de betreffende houtopstanden vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming onderdeel houtopstanden. Er is aangegeven of en welke vervolgstappen er nodig zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden in relatie tot dit beschermingsregime.
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
11/29
3
3.1 Beschermde gebieden
Resultaten
In Figuur 3.1 is de ligging van beschermde gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Figuur 3.1: De ligging van beschermde natuurgebieden in de omgeving van het plangebied.
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
12/29
3.1.1. Natura 2000gebieden
De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de Natura 2000-gebieden Oostelijke Vechtplassen en Uiterwaarden Lek op een afstand van respectievelijk 8.850 meter en 10.000 meter ten opzichte van het gebied. Ruimtebeslag
De nieuwbouw leidt niet tot ruimtebeslag op het Natura 2000-netwerk. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen ligt op een afstand van tenminste 8.850 meter. Directe negatieve effecten als gevolg van oppervlakteverlies zijn daarmee uitgesloten. Verstoring
Gezien de grote afstand tot het Natura 2000-netwerk kunnen indirecte effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van storingsfactoren zoals geluid en licht worden uitgesloten. Stikstofdepositie
Realisatiefase Per 1 juli 2021 is artikel 1 van de Wet tot wijziging van de Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) en artikel 1 van het bijbehorende Besluit (AmvB) in werking getreden. Hiermee is er een partiele vrijstelling gekomen voor de vergunningsplicht als het gaat om stikstofdepositie. Partieel omdat de vrijstelling enkel geldt voor tijdelijke deposities in de realisatiefase van werken. Voor dergelijke activiteiten hoeft dan ook geen AERIUS berekening naar stikstofdepositie uitgevoerd te worden. Voorbeelden van werkzaamheden die onder de partiele vrijstelling vallen zijn bouw en sloop van woningen, utiliteitsgebouwen, bruggen en viaducten, en bouw- en aanlegactiviteiten voor duurzame energieopwekking, grond-, weg- en waterbouw, waaronder straten, pleinen, wegen, het verplaatsen van grond in het kader van bouwrijp maken van een terrein, spoorwegen, waterstaatswerken, waterwegen, waterkeringen, energie-infrastructuur, telecommunicatie-infrastructuur, drinkwaterinfrastructuur zoals waterleidingen, pompstations en winputten, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en vuilwaterriolen. Voorliggend project valt onder dergelijke werkzaamheden en is daarmee vrijgesteld van de vergunningsplicht voor het realiseren van het project.
Om mogelijke juridische risico’s geheel uit te sluiten kan worden besloten om een dergelijke berekening wel uit te voeren zodat duidelijk wordt of er al dan niet sprake is van toename van depositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden. Gebruiksfase Voorliggend project zal in de gebruiksfase niet leiden tot een toename in stikstofemissie. Het betreft het realiseren van twee gebouwen voor een 10kV en een 50kV installatie en het plaatsen van transformatoren. In de gebruiksfase vinden geen aanvullende vervoersbewegingen plaats. Tijdens de gebruiksfase wordt geen extra stikstof uitgestoten. Er hoeft derhalve voor de gebruiksfase geen AERIUS berekening naar de emissie en depositie van stikstof uitgevoerd te worden.
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
13/29
3.1.2. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Op een afstand van 2.888 meter ten zuidwesten van het plangebied bevinden zich terreinen die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het betreft bestaande natuur langs de Hollandse IJssel. De aanleg van een nieuwe 10kV en 50k installatie leidt niet tot ruimtebeslag op het NNN. Gezien de aard van de werkzaamheden en afstand van tenminste 2.888 meter kunnen negatieve effecten als gevolg van verstoring en verontreiniging worden uitgesloten. De voorgenomen werkzaamheden leiden niet tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Er is geen nadere NNN-toetsing benodigd.
3.1.3. Groene contour
Op een afstand van 2.860 meter ten zuidwesten van het plangebied bevinden zich terreinen die onderdeel uitmaken van de Groene Contour. Het betreft bestaande natuur langs de Hollandse IJssel. De aanleg van een nieuwe 10kV en 50k installatie leidt niet tot ruimtebeslag op de Groene Contour. Gezien de aard van de werkzaamheden en afstand van tenminste 2.860 meter kunnen negatieve effecten als gevolg van verstoring en verontreiniging worden uitgesloten. Effecten op de Groene Contour als gevolg van de werkzaamheden worden uitgesloten.
3.2 Beschermde soorten
In deze paragraaf wordt per soortgroep aangegeven welke beschermde soorten er op basis van de bureaustudie en het oriënterend veldbezoek in (de omgeving van) het plangebied worden verwacht. Vervolgens wordt per soortgroep ingegaan op mogelijke effecten die door de werkzaamheden op kunnen treden. Tot slot wordt per soortgroep aangegeven welke vervolgstappen er nodig zijn (zoals maatregelen, nader onderzoek of aanvraag ontheffing).
3.2.1. Vaatplanten
Resultaten bureaustudie
In de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van beschermde soorten vaatplanten bekend. Resultaten veldbezoek
Tijdens de veldbezoeken zijn geen beschermde soorten planten aangetroffen. Het eerste veldbezoek is midden oktober 2021 uitgevoerd, een periode die verre van optimaal is om beschermde soorten goed te identificeren. Op basis van biotoop worden op voorhand echter geen beschermde soorten verwacht. Waarnemingen van beschermde vaatplanten in de directe omgeving zijn ook niet bekend. Het terrein waar nieuwe gebouwen dienen te worden gerealiseerd en het noordelijke agrarische perceel worden regelmatig gemaaid. De vegetatie is daardoor laagblijvend en bestaat uit onder andere Engels raaigras, ridderzuring, scherpe boterbloem, rode klaver, witte klaver, madeliefje en kleine ooievaarsbek. De randen van het hoogspanningsstation zijn enigszins ruderaal en daar groeien ook soorten als speerdistel en grote brandnetel. De slootkanten kennen een spaarzame oevervegetatie. Het tweede veldbezoek is in juni 2022 uitgevoerd. Aanvullend op de eerdere bevindingen zijn de oevers van de watergangen in dit jaargetijde uitbundig begroeid met zwanenbloem, watermunt, viltige basterdwederik en rietgras. In de watergang ten oosten van het noordelijke agrarische perceel groeide diverse watervegetatie, waaronder gele plomp en grote egelskop. B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr.
MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
14/29
Binnen het plangebied is weinig tot geen kale grond aanwezig waar beschermde pioniersoorten zich kunnen vestigen. Ook is de ondergrond vrij voedselrijk. De meeste beschermde vaatplanten zijn soorten van voedselarme of matig voedselrijke gronden. Effectbespreking en vervolgstappen
Er zijn geen beschermde soorten vaatplanten aanwezig en deze worden ook niet verwacht. Negatieve effecten op deze soortgroep zijn uitgesloten. Voor deze soortgroep zijn geen vervolgstappen benodigd. 3.2.2. Vogels
Resultaten bureaustudie
In de onderstaande tabel zijn de beschermde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.2: Vogels met een jaarrond beschermd nest die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, juni 2022. Soort Categorie Wnb Boerenzwaluw V Boomvalk V Bosuil V Buizerd V Gierzwaluw V Grote gele kwikstaart V Havik V Huismus V Kerkuil V Ooievaar V Ransuil V Roek V Slechtvalk V Sperwer V Steenuil V Torenvalk V Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen de provincie Utrecht een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek Algemene broedvogels
Er is binnen het plangebied geschikt broedbiotoop aangetroffen voor algemene broedvogels. Het gaat om grasland en slootkanten. Er zijn tijdens het veldbezoek in oktober 2021 diverse algemene vogelsoorten waargenomen zoals veldleeuwerik, meerkoet, kauw en blauwe reiger. Tijdens het veldbezoek in juni 2022 zijn de vogelsoorten knobbelzwaan, ooievaar, merel, kauw en zwartkop waargenomen. B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
15/29
Vogels met jaarrond beschermde nesten
Tijdens het veldbezoek in juni 2022 is in het plangebied een overvliegende ooievaar waargenomen, een vogel waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. De hoogspanningsmasten zijn geschikt als broedlocatie voor de ooievaar. Tijdens het veldbezoek in juni 2022 zijn de hoogspanningsmasten binnen en in nabijheid van het plangebied onderzocht op aanwezigheid van nesten. In de hoogspanningsmasten waren geen nesten aanwezig. Tevens is het plangebied ongeschikt als verblijfplaats voor overige vogels met jaarrond beschermde nesten. Ten eerste zijn er in het plangebied geen bomen aangetroffen die een nestplaats kunnen bieden voor boombewonende soorten. Ten tweede beschikt de aanwezige bebouwing in en rondom het plangebied niet over geschikte invliegopeningen en nestplaatsen voor gebouwbewonende soorten met jaarrond beschermde nesten als de huismus of gierzwaluw. Ook vormt het plangebied geen essentieel foerageergebied voor huismus. Verblijfplaatsen van de soort zijn afwezig en geschikte struwelen die als foerageergebied kunnen dienen, ontbreken. Wel kan het noordelijke agrarische perceel als foerageergebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten fungeren. Tijdens het velbezoek in juni 2022 zijn diverse muizenholen waargenomen en hazen waargenomen binnen het plangebied. Effectbespreking en vervolgstappen Algemene broedvogels
Er is binnen het plangebied broedbiotoop aanwezig voor algemene soorten broedvogels. Er kan niet met zekerheid uit worden gesloten dat boerenlandvogels tot broeden komen op het noordelijke agrarische perceel. Het is niet aannemelijk dat binnen de hekken van het huidige hoogspanningsstation wordt gebroed door vogels. Het meest aannemelijk is dat in de slootkanten wordt gebroed door watervogels en/of boerenlandvogels. Het vernietigen van bewoonde nesten is verboden conform Wnb artikel 3.1. Dit geldt ook voor het zodanig verstoren van bewoonde nesten dat vogels hun nest verlaten. Om vernietiging van nesten en verstoring van broedende vogels te voorkomen dienen werkzaamheden die op het noordelijke agrarische perceel plaatsvinden buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. De duur van het broedseizoen verschilt per soort. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige worden gecontroleerd of er actieve broedgevallen aanwezig zijn. Ook kan de aanwezige vegetatie voorafgaand aan het broedseizoen kort worden gehouden waardoor het plangebied ongeschikt is als broedgebied. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet gewerkt worden Vogels met jaarrond beschermde nesten
In het plangebied worden geen nesten van jaarrond beschermde vogels verwacht. Het noordelijke agrarische perceel kan een functie vervullen als foerageergebied van vogels met jaarrond beschermde nesten die buiten het plangebied nestelen, zoals boomvalk en buizerd. Gezien de geschiktheid van de omgeving als foerageergebied wordt bij een B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
16/29
afname van 80% van het oppervlakte van het noordelijke agrarische perceel geen effect op de aanwezige foerageermogelijkheden verwacht. Negatieve effecten op jaarrond beschermde vogels kunnen worden uitgesloten. 3.2.3. Grondgebonden zoogdieren
Resultaten bureaustudie
In de onderstaande tabel zijn de beschermde grondgebonden zoogdieren weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.3: Beschermde grondgebonden zoogdieren die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, juni 2022. Soort Categorie Wnb Boommarter N Bosmuis AV Bunzing AV Haas AV Hermelijn AV Huisspitsmuis AV Konijn AV Rosse woelmuis AV Steenmarter N Veldmuis AV Vos AV Wezel AV Woelrat AV Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen de provincie Utrecht een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek
De afwezigheid van bomen en het open karakter van het gebied maakt het plangebied ongeschikt als leefgebied voor boommarter. Binnen de hekken van station Oudenrijn zijn geen groenstructuren en bosschages aanwezig. Wel is bij beide bezoeken een haas binnen de hekken waargenomen. De graslandpercelen en het terrein binnen de hekken vormen geschikt leefgebied voor deze soort, evenals voor de veldmuis. Tijdens het bezoek van juni 2022 waren de randen van het noordelijke agrarische perceel en de watergangen niet gemaaid. Door de vegetatie heen waren looproutes van kleine dieren waar te nemen (‘wissels’). In de bodem naast de toegangsweg en in de oevers bij de watergangen zijn diverse muizenholen waargenomen. Direct ten noorden van het noordelijke agrarische perceel (buiten het plangebied) vormen rietgras, haagwinde en krulzuring een dichte begroeiing van circa 1 meter hoog. Achter deze begroeiing zijn stapels stenen, opgeslagen pallets en oude schuurtjes aanwezig. In de schuurtjes en tussen de opgeslagen materialen kan een vaste rust- en/of verblijfplaats van de steenmarter aanwezig zijn. Indien een steenmarter zich heeft gevestigd op het perceel ten noorden van het plangebied kan de steenmarter foerageren op het noordelijke agrarische perceel. De randen van het noordelijke agrarische perceel kunnen gebruikt worden door de steenmarter om zich rond het veld te bewegen.
De B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
17/29
steenmarter is door artikel 3.10 van de Wnb beschermd. De niet-gemaaide begroeiing rondom het noordelijke agrarische perceel kan verblijfplaatsen bevatten en/of een looproute vormen voor de soorten bunzing, hermelijn, wezel, bosmuis, rosse woelmuis en woelrat. Dit zijn door de provincie Utrecht algemeen vrijgestelde soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor overige soorten uit Tabel 3.3 kan het plangebied foerageergebied vormen, maar de aanwezigheid van verblijfplaatsen wordt uitgesloten. Effectbespreking en vervolgstappen
De bebouwing en opgeslagen materialen ten noorden van het plangebied zijn geschikt als vaste rust- en/of verblijfplaats voor de steenmarter, een Nationaal beschermde soort (artikel 3.10 Wnb). Naar verwachting vormen de groenstroken binnen het plangebied geen essentiële functie als looproute of foerageergebied voor de steenmarter. Bij verwijdering van het groen binnen het plangebied zijn alternatieve looproutes aanwezig naar de omliggende percelen in de vorm van de dichtbegroeide groenstrook direct ten noorden van het noordelijke agrarische perceel en de oevervegetatie aan de overzijde van de watergang grenzend aan de schuurtjes. Rondom de potentiële verblijfplaats(en) is in de directe omgeving voldoende foerageeraanbod aanwezig in de vorm van grotere agrarische percelen met ruige bermen en het groen met een hoge mate van dekking in de directe omgeving van de schuurtjes. Verstoring door menselijke activiteit in de gebruiksfase wordt niet verwacht, aangezien de schuurtjes op een terrein staan waar al een hoge mate van menselijke activiteit is en het toekomstige gebruik van het noordelijke agrarische perceel weinig tot geen toename in de menselijke activiteit zal betekenen.
Wel dient rekening gehouden te worden met potentieel aanwezige steenmarters door de werkzaamheden enkel tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren en door de verlichting in de gebruiksfase steenmarter-vriendelijk in te richten. In het huidige stadium van de planvorming is het verlichtingsplan niet bekend. Bij voorkeur wordt in de gebruiksfase zo min mogelijk verlichting toegepast. Indien verlichting wordt gebruikt dienen de watergangen en groenstrook / bebouwing direct ten noorden van het perceel in ieder geval onverlicht te blijven (eventueel door het afschermen van armaturen). Aanbevolen wordt om amberkleurig licht met een lage armatuur te gebruiken. De uitstraling naar de omgeving mag maximaal 01 Lux zijn. Indien verlichting van de omgeving noodzakelijk is zal nader onderzoek aan de orde zijn. Ten slotte wordt geadviseerd om de randen van het agrarische perceel te behouden, zodat deze kunnen blijven bijdragen aan het aanwezige aanbod in leefgebied. Indien ervoor gekozen wordt om deze stroken te behouden wordt ook geadviseerd om deze onverlicht te laten. Het plangebied is geschikt als vaste rust- en/of verblijfplaats voor algemene soorten grondgebonden zoogdieren, zoals de haas, de veldmuis en de kleine marterachtigen (wezel, bunzing en hermelijn). Deze dieren kunnen door de werkzaamheden worden verstoord.
Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig omdat de soorten algemeen zijn vrijgesteld door de provincie Utrecht bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel moet worden voldaan aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden waarbij vegetatie wordt verwijderd van één kant uit te voeren zodat aanwezige dieren de kans krijgen zich te verplaatsen.
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
18/29
3.2.4. Vleermuizen
Resultaten bureaustudie
In de onderstaande tabel zijn de soorten vleermuizen weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.4: Beschermde vleermuizen die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, juni 2022. Soort Categorie Wnb Gewone dwergvleermuis H Gewone grootoorvleermuis H Kleine dwergvleermuis H Laatvlieger H Meervleermuis H Rosse vleermuis H Ruige dwergvleermuis H Watervleermuis H Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen de provincie Utrecht een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek
De oriënterende veldbezoeken hebben overdag plaatsgevonden waardoor geen actieve vleermuizen konden worden waargenomen. Wel is zo goed als mogelijk biotoopinformatie verzameld om de aan- of afwezigheid van mogelijke foerageergebieden, vliegroutes en verblijfplaatsen te bepalen. Vleermuizen foerageergebied
Het plangebied is ongeschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Het plangebied bestaat namelijk uit een open omgeving zonder opgaande groenstructuren, lijnvormige objecten of open water. Vleermuizen vliegroutes
Het plangebied is ongeschikt als vliegroute voor vleermuizen. Het plangebied bestaat namelijk uit een open omgeving zonder opgaande groenstructuren of lijnvormige objecten en water. Vleermuizen verblijfplaatsen
Er zijn in het plangebied geen bomen aanwezig. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kunnen daarmee worden uitgesloten. De aanwezige bebouwing in het plangebied is ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Op het terrein van het huidige hoogspanningsstation bestaat de enige bebouwing uit drie containers. Deze containers kennen geen openingen of tussenruimtes welke geschikt zijn voor vleermuizen. Daarnaast zijn de te laag om als verblijfplaats te fungeren.
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
19/29
Effectbespreking en vervolgstappen Vleermuizen foerageergebied
Door de werkzaamheden vindt er geen ruimtebeslag plaats op foerageergebied van vleermuizen. Vleermuizen vliegroutes
In het plangebied zijn geen lijnvormige structuren aanwezig die door vleermuizen als vliegroute kunnen worden gebruikt. Er treden dan ook geen negatieve effecten door ruimtebeslag op essentiële vliegroutes op. Vleermuizen verblijfplaatsen
In het plangebied staan geen bomen en geen gebouwen met geschikte invliegopeningen voor vleermuizen. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden uitgesloten. Er zijn geen vervolgstappen nodig. 3.2.5. Reptielen
Resultaten bureaustudie
In de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van beschermde soorten reptielen bekend. Resultaten veldbezoek
Tijdens de veldbezoeken zijn geen reptielen waargenomen. Op basis van biotoop en verspreiding worden er geen beschermde reptielen verwacht. In de wijdere omgeving komen wel ringslangen voor. Het plangebied bevindt zich in een open en natte omgeving, maar kent voor de aan waterrijke habitat gebonden ringslangen geen geschikte locaties voor overwintering of ontwikkeling van eieren. Overige soorten reptielen, op de muurhagedis na, zijn meer aan hoge zandgronden gebonden. Het plangebied is gelegen op veengrond en in de directe omgeving komen geen overige soorten reptielen voor. De aanwezigheid van beschermde soorten reptielen wordt uitgesloten. Effectbespreking en vervolgstappen
Er worden geen beschermde soorten reptielen in het plangebied verwacht. Negatieve effecten op beschermde reptielen kunnen worden uitgesloten. 3.2.6. Amfibieën
Resultaten bureaustudie
In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten amfibieën weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn.
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
20/29
Tabel 3.6: Beschermde amfibieën die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, oktober 2021. Soort Categorie Wnb Bastaardkikker AV Gewone pad AV Heikikker N Kleine watersalamander AV Meerkikker AV Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen de provincie Utrecht een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek
Direct ten westen en ten oosten van het plangebied liggen watergangen Overwinterlocaties van amfibieën zijn aanwezig in de vorm van het opgeslagen materiaal ten noorden van het noordelijke agrarische perceel, gelegen op circa 5 meter buiten het plangebied. Het is niet uit te sluiten dat er algemeen vrijgestelde soorten amfibieën, zoals gewone pad of bastaardkikker in het plangebied aanwezig zijn. Dit zijn door de provincie Utrecht algemeen vrijgestelde soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast algemeen vrijgestelde soorten komen in de omgeving van het plangebied heikikkers voor. De kleinere sloten die uitkomen in de wetering zijn geschikt als leefgebied en voortplantingsgebied voor heikikker. Normaliter zijn heikikkers niet te vinden in intensief gebruikt agrarisch landschap en rond infrastructuur. Met name de sloten van het laagveen vormen leefgebied en voortplantingsplaatsen voor de soort. Half natuurlijke graslanden vormen ook geschikt leefgebied voor de soort. Vanuit het agrarisch perceel wat grenst aan de noordkant van het hoogspanningsstation is één waarneming van heikikker bekend. Binnen het hekwerk van het station komen naar verwachting geen heikikkers voor. De vegetatie is korter dan de graslanden daaromheen omdat het frequenter wordt gemaaid.
Het noordelijke agrarische perceel is geschikter als leefgebied voor de heikikker door de hoge vegetatie aan de randen en langs de watergang. Op het plangebied zijn geen vorstvrije plaatsen aanwezig waar heikikkers kunnen overwinteren. Tussen het opgeslagen materiaal bij de bebouwing direct ten noorden van het plangebied is overwintering wel mogelijk. Indien aan de sloot wordt gewerkt of de randen van het agrarische perceel worden aangetast is nader onderzoek naar de aanwezigheid van heikikkers noodzakelijk. Er worden binnen het plangebied verder geen beschermde soorten amfibieën verwacht die niet algemeen zijn vrijgesteld door de provincie Utrecht. Effectbespreking en vervolgstappen
Het plangebied is geschikt voor algemene soorten amfibieën, zoals de gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Deze dieren kunnen door de werkzaamheden worden verstoord. Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig omdat de soorten algemeen zijn vrijgesteld door de provincie Utrecht bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel moet worden voldaan aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden waarbij B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
21/29
water wordt gedempt of vegetatie wordt verwijderd van één kant uit te voeren zodat aanwezige dieren de kans krijgen zich te verplaatsen. Indien aan de watergangen en de hogere vegetatie aan de randen van het noordelijke agrarische perceel wordt gewerkt is nader onderzoek naar de aanwezigheid van heikikker noodzakelijk. Mogelijk vormen de veensloten rondom het plangebied geschikte voortplantingsplaatsen voor heikikker. 3.2.7. Vissen
Resultaten bureaustudie
In de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van beschermde soorten vissen bekend. Resultaten veldbezoek
Binnen het plangebied komen geen watergangen voor waar aan gewerkt wordt. Ook worden geen beschermde vissen verwacht in de voedselrijke veensloten rondom het plangebied. Effectbespreking en vervolgstappen
Negatieve effecten op deze soortgroep worden niet verwacht. Voor deze soortgroep zijn geen vervolgstappen benodigd. 3.2.8. Ongewervelden
Resultaten bureaustudie
In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten ongewervelden weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.8: Beschermde ongewervelden die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, oktober 2021. Soort Categorie Wnb Platte schijfhoren H Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen de provincie Utrecht een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek
Er zijn geen waardplanten of geschikt biotoop van streng beschermde vlinders aangetroffen. Deze worden beiden ook niet verwacht op basis van biotoop en verspreiding. Ook is geen biotoop aanwezig voor beschermde libellen. In de omgeving van het plangebied zijn watergangen aanwezig die geschikt zijn als leefgebied voor bijvoorbeeld de platte schijfhoren. Hier zijn ook twee waarnemingen bekend van platte schijfhoren uit verschillende sloten. Dit zijn dezelfde type sloten met een vergelijkbare begroeiing en diepte als de sloten die het plangebied begrenzen. Het is niet uitgesloten dat de platte schijfhoren in meer sloten aanwezig is dan bekend vanuit de NDFF. Binnen het plangebied wordt voor de aanleg van de gebouwen die de 10kV en de 50kV installaties huizen in principe niet aan watergangen gewerkt. Negatieve effecten op platte schijfhoren worden daarmee uitgesloten. Indien toch niet kan worden uitgesloten dat aan watergangen wordt gewerkt, bijvoorbeeld als sloten worden gedempt of worden verlegd, dient nader onderzoek naar platte schijfhoren plaats te vinden. B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
22/29
Effectbespreking en vervolgstappen
Indien geen werkzaamheden aan sloten plaatsvinden worde negatieve effecten op deze soortgroep niet verwacht. Voor deze soortgroep zijn geen vervolgstappen benodigd. Indien toch aan watergangen wordt gewerkt, bijvoorbeeld het dempen van sloten, dan dient nader onderzoek naar platte schijfhoren plaats te vinden. 3.3 Invasieve exoten
Uit de bureaustudie (NDFF) blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende exoten van de Unielijst zijn waargenomen: Nijlgans, muskusrat, grote waternavel, reuzenbalsemien en smalle waterpest. Er zijn tijdens het oriënterend veldbezoek in het plangebied geen invasieve uitheemse soorten (exoten) waargenomen.
3.4 Houtopstanden
Er staan geen houtopstanden binnen het plangebied. Er zijn daarom geen verdere acties in het kader van beschermde houtopstanden noodzakelijk.
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
23/29
4
Conclusie
In onderstaande paragrafen worden de conclusies en aanbevelingen uit de quickscan besproken. 4.1 Beschermde gebieden
Natura 2000
De nieuwbouw leidt niet tot ruimtebeslag op het Natura 2000-netwerk. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen ligt op een afstand van tenminste 8.850 meter. Directe negatieve effecten als gevolg van oppervlakteverlies zijn daarmee uitgesloten. Gezien de aard van de werkzaamheden, de ligging van het plangebied en de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied zijn negatieve effecten door verstoring op Natura 2000-gebied uitgesloten. Voor mogelijke stikstofdepositie op gevoelige habitattypen/soorten in Natura 2000gebieden tijdens de realisatiefase van het project kan gebruik worden gemaakt van de partiële vrijstelling voor de vergunningplicht, welke geldt per 1 juli 2021 door de inwerkingtreding van artikel 1 van de Wet tot wijziging van de Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) en artikel 1 van het bijbehorende Besluit (AmvB). Om mogelijke juridische risico’s geheel uit te sluiten, kan worden besloten om een AERIUS berekening wel uit te voeren zodat duidelijk wordt of er al dan niet sprake is van toename van depositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden. Het project zal in de gebruiksfase niet leiden tot een toename in stikstofemissie. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Er is geen ruimtebeslag op het NNN. Gezien de aard van de werkzaamheden en afstand van tenminste 2.860 meter worden indirecte negatieve effecten zoals verstoring en verontreiniging op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN eveneens uitgesloten. Er is geen nadere NNN-toetsing benodigd. Groene Contour
Er is geen ruimtebeslag op gebieden die behoren tot de Groene Contour. De dichtstbijzijnde gebieden van de Groene Contour liggen op 2.888 meter van het plangebied. Negatieve effecten op de Groene Contour worden uitgesloten. Er zijn geen vervolgstappen benodigd. 4.2 Beschermde soorten
Binnen het plangebied is biotoop aangetroffen die geschikt is voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroep: algemene broedvogels, amfibieën en grondgebonden zoogdieren. Verder is rondom het plangebied biotoop aangetroffen wat geschikt is voor de beschermde heikikker en platte schijfhoren. Indien de watergang intact blijft en zowel de oevers van de watergang als de hogere begroeiing langs de randen van het agrarische perceel behouden blijven, is nader onderzoek naar de heikikker niet aan de orde. Doordat niet aan watergangen wordt gewerkt zijn geen vervolgstappen benodigd voor de platte schijfhoren.
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
24/29
In onderstaande tabel is per soortgroep aangegeven of er nader onderzoek nodig is en mogelijk een ontheffing nodig is in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 4.1: Conclusies en aanbevelingen over beschermde soorten (Wet natuurbescherming). Soortgroep
Beschermde Soorten/functie?
Nader onderzoek nodig?
Ontheffing Wet natuurbescherming nodig?
Vaatplanten Algemene Broedvogels
Nee Ja
Nee Nee
Vogels met jaarrond beschermde nesten Grondgebonden zoogdieren
Nee
Nee
Nee Nee, mits maatregelen worden genomen om vernietiging van nesten en verstoring van broedende vogels te voorkomen Nee
Ja, het plangebied vormt leefgebied voor algemeen vrijgestelde grondgebonden zoogdiersoorten zoals veldmuis en haas. Ook komt de beschermde steenmarter mogelijk in de omgeving voor.
Nee
Vleermuizen Nee foerageergebied
Nee
Nee, er dient wel rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11). Ten aanzien van de steenmarter dienen werkzaamheden tussen zonsondergang en zonsopkomst uitgevoerd te worden. Daarbij dienen de noordelijke zijde van het agrarische perceel, watergangen en eventueel behouden groenstroken onverlicht gelaten te worden (of afgeschermd tegen uitstraling). Dit geldt ook voor de gebruiksfase. Nee
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
25/29
Soortgroep
Beschermde Soorten/functie?
Nader onderzoek nodig?
Ontheffing Wet natuurbescherming nodig?
Vleermuizen vliegroutes
Nee
Nee
Nee
Vleermuizen verblijfplaatsen Reptielen Amfibieën
Nee
Nee
Nee
Nee Ja, het plangebied vormt leefgebied voor algemeen vrijgestelde amfibieënsoorten zoals bastaardkikker en gewone pad. Ook komt de beschermde heikikker voor in de omgeving van het plangebied. Nee Ja, platte schijfhoren komt voor in enkele sloten in de omgeving van het plangebied.
Nee Nee, indien er niet aan watergangen en randen met hoge vegetatie van het agrarische perceel wordt gewerkt waar voortplantingsplaatsen van heikikker aanwezig kunnen zijn.
Nee Nee, indien watergangen ongemoeid blijven. Overige soorten betreffen door de provincie Utrecht algemeen vrijgestelde dieren. Er dient wel rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11).
Nee Nee, indien watergangen ongemoeid blijven door de werkzaamheden.
Nee Nee, indien watergangen ongemoeid blijven door werkzaamheden
Vissen Ongewervelden
4.2.1. Nader onderzoek
In bovenstaande tabel is aangegeven dat er geen nader onderzoek nodig is naar beschermde soorten indien watergangen en randen met hoge vegetatie van het agrarische perceel ongemoeid blijven.
4.2.2. Maatregelen
Om negatieve effecten op algemeen beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen worden in ieder geval de volgende maatregelen voorgesteld: Soortgroep Maatregel Algemene - Om effecten op broedende vogels te voorkomen dienen broedvogels werkzaamheden, waarbij beplanting wordt verwijderd buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. Het verschilt per soort. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige op het gebied van broedvogels worden gecontroleerd of broedende vogels aanwezig B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
26/29
-
Grondgebonden zoogdieren & Amfibieën
-
-
-
-
zijn. Dit geldt ook voor de periode vlak voor of na het broedseizoen, het gaat om een broedgeval ongeacht de datum. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet gewerkt worden. Voorafgaand aan het broedseizoen kan vegetatie kort worden gemaaid om het plangebied onaantrekkelijk te maken als broedplaats voor algemene broedvogels. Om effecten op de heikikker te voorkomen dient de begroeiing op de oevers en de begroeiing aan de randen van het agrarische perceel behouden te worden. Ook voor de potentieel aanwezige steenmarter in de directe omgeving, is de aanbeveling om de hogere vegetatie langs de randen van het agrarisch perceel te behouden. Werkzaamheden dienen tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden zodat potentieel leefgebied van de steenmarter niet in functionaliteit beperkt wordt. Bij de inrichting van de verlichting van het noordelijke agrarische perceel dient uitstraling naar watergangen, de groenstrook ten noorden van het perceel en (indien behouden) de groene stroken rondom het perceel voorkomen te worden. De uitstraling mag maximaal 0,1 Lux zijn. Indien dit niet mogelijk is zal nader onderzoek naar de effecten van verlichting op het functioneel leefgebied van de steenmarter benodigd zijn.
Om effecten op algemeen beschermde kleine grondgebonden zoogdieren en amfibieën zoveel mogelijk te beperken dienen werkzaamheden waarbij vegetatie wordt verwijderd van één kant te worden uitgevoerd, zodat aanwezige dieren de kans krijgen om zich te verplaatsen. Deze maatregel valt onder de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb).
4.1
Invasieve exoten
Er zijn tijdens het oriënterend veldbezoek in het plangebied geen invasieve uitheemse soorten (exoten) waargenomen. Deze worden ook niet verwacht binnen het plangebied.
4.2
Houtopstanden
Er staan geen houtopstanden binnen het plangebied. Er zijn daarom geen verdere acties in het kader van beschermde houtopstanden noodzakelijk.
4.3
Kansen voor natuur
Om biodiversiteit in en rondom het plangebied te verhogen, wordt een landschappelijk en natuur-inclusieve inpassing gemaakt van het nieuwe ontwerp. Bij de ontwikkeling van het hoogspanningsstation en het landbouwperceel wordt een ontwerpplan opgesteld waarbij een ecologisch deskundige betrokken is. Voorbeelden van maatregelen die mogelijk toegepast zullen worden is het realiseren van een wadi of het aanbrengen van sedum op het dak van het nieuwe gebouw.
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
27/29
5
Bronnen
Kennisdocument Heikikker, BIJ12 (juli 2017). Nationale Databank voor Flora en Fauna (20 juni 2022).
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
28/29
Colofon Opdrachtgever
Uitgave
Stedin Netbeheer BV - Hoofdkantoor
Movares Nederland B.V. Kennislijn Omgeving en Processen groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
Postbus 2855 3500 GW Utrecht Telefoon
030
Ondertekenaar Projectnummer Kenmerk
MN002912 B85-HLA-KA-2100042
© , Movares Nederland B.V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Movares Nederland B.V.
B85-HLA-KA-2100042 / Proj.nr. MN002912 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 10 november 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
29/29
Bijlage I Wet- en regelgeving In deze bijlage staat een beschrijving van de relevante wet- en regelgeving en het beleidskader. Wet natuurbescherming (Wnb)
De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Wnb richt zicht op bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Met de in werking treding van de Wnb zijn de oude Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en de Boswet vervallen. Bevoegd gezag
De provincies zijn in de meeste gevallen het bevoegde gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het rijk in de vorm van de minister van LNV bevoegd gezag. Dit is uitgewerkt in artikel 1.3 van het Besluit natuurbescherming en betreffen handelingen en projecten voor aanleg, uitbreiding en, voor zover van toepassing, inrichting, alsmede wijziging, gebruik, beheer en onderhoud van onder andere hoofdwegen, hoofdvaarwegen, hoofdspoorwegen, primaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen met een spanning van tenminste 220 kV, winning van delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij, activiteiten Koninklijk Huis, etc. Gemeenten hebben een loketfunctie. Het is mogelijk om een natuurvergunning ‘aan te haken’ bij de omgevingsvergunning, maar dit hoeft niet. Gebiedsbescherming
De gebiedsbescherming is vastgelegd in artikel 2.1 tot en met 2.11 van de Wet natuurbescherming. Hierin wordt de aanwijzing en bescherming van Natura 2000gebieden geregeld. Hiermee zijn de verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, voor zover die betrekking hebben op gebiedsbescherming, geïmplementeerd in het Nederlands recht. De begrenzing van de Natura 2000-gebieden en de instandhoudingdoelstellingen voor die gebieden zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden. De instandhoudingdoelstellingen beschrijven voor de voor het gebied aangewezen habitattypen en soorten of een bepaalde ontwikkeling ervan gewenst is of dat het behoud ervan op het aanwezige niveau moet worden nagestreefd. Voor activiteiten of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van LNV. Voortoets en Passende beoordeling Bij plannen in, of in de nabijheid (externe werking) van, een Natura 2000-gebied dienen de initiatiefnemers in een oriënterende fase (voortoets) te onderzoeken of het plan een significant negatief effect op de instandhoudingdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied kan hebben. Met externe werking wordt bedoeld dat ook activiteiten buiten het gebied de natuurwaarden in het gebied kunnen beïnvloeden.