Agendabundel
Tekst van het document
Indien na dit onderzoek niet kan worden uitgesloten dat de activiteit een significant negatief effect heeft, dient de initiatiefnemer meer gedetailleerd dan in de oriënterende fase in kaart te brengen wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. Daarbij dienen
ook, indien noodzakelijk, de mitigerende maatregelen te worden betrokken. Deze analyse heet een ´passende beoordeling´. Het bevoegd gezag toetst de passende beoordeling. Wanneer uit de passende beoordeling alsnog de zekerheid wordt verkregen dat de activiteit niet leidt tot significant negatieve effecten, kan de activiteit doorgang vinden. Wanneer uit de voortoets blijkt dat er wel kans is op een negatief effect, maar dit als niet significant kan worden gezien, kan eveneens, op basis van een verslechteringstoets toestemming voor het uitvoeren van de activiteit worden verleend. Wanneer uit de passende beoordeling blijkt dat significante negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, kan het project alleen doorgang vinden op grond van de “ADC-criteria”. Dit betekent dat: • A – alternatieve oplossingen voor het plan ontbreken; • D – er dwingende redenen van groot openbaar belang zijn, en • C – de initiatiefnemer compenserende maatregelen vooraf en tijdig treft. Zorgplicht Binnen de kaders van de Wet natuurbescherming is de Zorgplichtbepaling (artikel 1.11) van toepassing. Deze zorgplicht houdt o.a. in dat als een activiteit wordt ondernomen waarvan kan worden vermoed dat deze nadelig kan zijn voor de natuurwaarden van het gebied, deze activiteit niet plaats mag vinden. Ook moeten alle maatregelen worden genomen om nadelige gevolgen te voorkomen of te beperken.
Stikstofdepositie Stikstofdepositie vormt veelal een knelpunt bij de besluitvorming over plannen en projecten, omdat in veel Natura 2000-gebieden overbelasting van stikstof een probleem is voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor het gebied aangewezen soorten en habitattypen. Per 1 juli 2021 is artikel 1 van de Wet tot wijziging van de Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) en artikel 1 van het bijbehorende Besluit (AmvB) in werking getreden. Hiermee is er een partiele vrijstelling gekomen voor de vergunningsplicht als het gaat om stikstofdepositie. Partieel omdat de vrijstelling enkel geldt voor tijdelijke deposities in de realisatiefase van werken. Voor dergelijke activiteiten hoeft dan ook geen AERIUS berekening naar stikstofdepositie uitgevoerd te worden.
Voorbeelden van werkzaamheden die onder de partiele vrijstelling vallen zijn bouw en sloop van woningen, utiliteitsgebouwen, bruggen en viaducten, en bouw- en aanlegactiviteiten voor duurzame energieopwekking, grond-, weg- en waterbouw, waaronder straten, pleinen, wegen, het verplaatsen van grond in het kader van bouwrijp maken van een terrein, spoorwegen, waterstaatswerken, waterwegen, waterkeringen, energieinfrastructuur, telecommunicatie-infrastructuur, drinkwaterinfrastructuur zoals waterleidingen, pompstations en winputten, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en vuilwaterriolen. De vrijstelling is partieel omdat een structurele toename van stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase (na realisatie project) niet vrijgesteld is. Middels een projectspecifieke AERIUS berekening dient voor de gebruiksfase getoetst te worden of er sprake zal zijn van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Wanneer depositie niet uitgesloten kan worden is aanvullende toetsing (voortoets, passende beoordeling, ADC-toets) benodigd en of dient gekeken te worden of de depositie middels mitigerende maatregelen of interne/externe saldering weggenomen kan worden. Bij een ADC-toets dient aangetoond te worden dat er geen Alternatief is met minder schadelijke effecten voor Natura 2000-gebieden, er een
Dwingende reden van groot openbaar belang is en dat er Compenserende maatregelen worden getroffen voor Natura 2000-gebieden. Soortbescherming
De Wet natuurbescherming maakt onderscheid tussen: 1) soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb); 2) soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb); 3) ‘andere soorten’ (artikel 3.10 e.v. Wnb). Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb) Het beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn is vastgelegd in artikel 3.1. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Onder de Wet natuurbescherming geldt dat het voor vogels zoals opgenomen in artikel 3.1 mogelijk is om bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de minister goedgekeurde gedragscode.
Indien de voorgenomen ontwikkeling valt binnen de reikwijdte van de gedragscode en er volgens de bepalingen uit de gedragscode wordt gewerkt, geldt er een vrijstelling van ontheffingplicht. Bij de aanvraag van een ontheffing voor overtreding van de verbodsbepalingen wordt de aanvraag getoetst op: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Vogelrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 1: ‘in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid’; - Er is geen verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en/of Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb) Deze categorie bestaat uit Europees beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.5: 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Onder de Wet natuurbescherming geldt dat het voor streng beschermde soorten zoals opgenomen in artikel 3.5 mogelijk is om bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de Minister goedgekeurde gedragscode. Indien de voorgenomen ontwikkeling valt binnen de reikwijdte van de gedragscode en er volgens de bepalingen uit de gedragscode wordt gewerkt, geldt er een vrijstelling van ontheffingplicht. Bij de aanvraag van een ontheffing voor overtreding van de verbodsbepalingen wordt de aanvraag getoetst op: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Habitatrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a.
belang 3: ‘in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’; - Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Andere soorten (artikel 3.10 e.v. Wnb) De categorie ‘andere soorten’ bestaat uit soorten zoals opgenomen in bijlage A en B van de wettekst. Dit zijn nationaal beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.10. Het is verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Onder de Wet natuurbescherming geldt dat het voor deze categorie soorten zoals opgenomen in artikel 3.10, mogelijk is om bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de minister goedgekeurde gedragscode. Indien de voorgenomen ontwikkeling valt binnen de reikwijdte van de gedragscode en er volgens de bepalingen uit de gedragscode wordt gewerkt, geldt er een vrijstelling van ontheffingplicht. Bij de aanvraag van een ontheffing voor overtreding van de verbodsbepalingen wordt de aanvraag beoordeeld op: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang h ‘in het algemeen belang’;
-
Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Algemeen vrijgestelde soorten Voor soorten van de categorie ‘andere soorten’ (bijlage A en B van de wettekst) kan een vrijstellingsregeling gelden, die per provincie anders kan worden ingestoken. De meeste provincies en het ministerie van LNV hebben ‘tabel 1 soorten’ van de oude Flora- en faunawet opnieuw vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit zijn soorten zoogdieren en soorten amfibieën. Bovengenoemde soorten zijn bij ruimtelijke projecten algemeen vrijgesteld van vergunningplicht. Wel dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze zorgplicht houdt in dat een ieder nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet voorkomen. Bescherming houtopstanden
De bescherming van houtopstanden is vastgelegd in artikel 4.1 tot en met 4.9 van de Wet natuurbescherming. Binnen de Wet natuurbescherming worden houtopstanden beschermd die aan bepaalde voorwaarden voldoen (Wnb artikel 4.1). Conform artikel 4.2 is het verboden houtopstanden te kappen zonder hier vooraf een melding van te maken aan het bevoegd gezag indien wordt voldaan aan de volgende twee punten: • de houtopstand buiten de 'bebouwde kom Wnb Houtopstanden' ligt. De begrenzing van de bebouwde kom in de zin van de Wnb komt niet altijd overeen met de begrenzing van de bebouwde kom op grond van de Wegenverkeerswet. Als een gemeente geen bebouwde kom in de zin van de Wnb heeft vastgesteld, is de Wnb overal van toepassing in die betreffende gemeente; • de houtopstand waarin de bomen worden gekapt groter is dan 10 are (1.000 vierkante meter) of het gaat om bomen in een rijbeplanting van 20 bomen of meer. De meldplicht geldt niet voor: a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgesteld grenzen van de bebouwde kom; b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. kweekgoed f. uit populieren of wilgen bestaande 1. wegbeplantingen 2. beplantingen langs waterwegen, en 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. g.
het dunnen van een houtopstand h. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per 10 jaar worden geoogst; 2. Bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door
onbeplante stroken brede dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013. De Wet natuurbescherming stelt dat wanneer houtopstanden worden gekapt, er voorafgaand aan de kap een meldingsplicht bij het bevoegd gezag is, veelal de provincie. De provincie bepaalt welke informatie omtrent de te kappen opstand aangeleverd dient te worden, op welke termijn dit aangeleverd dient te worden en welke voorwaarden voor de uitvoering van de kap gelden. Daarnaast geldt dat binnen drie jaar na de kap een herbeplantingsplicht geldt (door aanplant, bezaaiing of natuurlijke verjonging dan wel op andere wijze realiseren van een nieuwe houtopstand). Wanneer dat niet op dezelfde plaats kan, dan kan een provincie ontheffing verlenen de herbeplanting op andere gronden toe te staan indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels. Verder kunnen provincies ontheffing of vrijstelling verlenen voor bepaalde verbodsbepalingen en/of voorwaarden omtrent herbeplanting. Houtopstanden zijn tevens beschermd op grond van gemeentelijk regelgeving. Dit is vastgelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de betreffende gemeente. Ook kan de bescherming van een houtopstand zijn opgenomen in de planregels bij een bestemmingsplan.
Bij voorgenomen kap van houtopstanden dient daarom ook altijd naar de bepalingen in de APV en naar de planregels in het bestemmingsplan te worden gekeken. In verband met de bepalingen uit de APV en/of het bestemmingsplan kan volgen dat voor de kap van een houtopstand een omgevingsvergunning nodig is welke bij de gemeente moet worden aangevraagd. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur) van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het nationaal beleid met betrekking tot de gebiedsbescherming van het Natuurnetwerk Nederland is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De rijksoverheid heeft de bruto begrenzing van het NNN vastgesteld, de provincies zijn bevoegd om dit netto te begrenzen. De SVIR vervangt verschillende rijksbeleidsstukken zoals de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit. De juridische borging van de nationale ruimtelijke belangen die in de SVIR worden aangewezen vindt plaats via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Via het Barro werkt het rijksbeleid door naar de ruimtelijke verordeningen van de provincies. Het NNN is de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) sinds de afsluiting van het Natuurpact tussen Rijk en de provincies. ‘Nee, tenzij’-principe Voor het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. Dit betekent dat nieuwe plannen of projecten niet zijn toegestaan als ze de wezenlijke (potentiële) waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Uitzonderingen hierop zijn wanneer sprake is van redenen van groot openbaar belang en er geen reële alternatieven zijn. De schade dient in dat geval door mitigerende maatregelen zoveel mogelijk beperkt te worden.
De restschade dient te worden gecompenseerd. De rijkslijn zoals verwoord in het SVIR en Barro is dat er bij het NNN geen sprake is van externe werking.
Het NNN is planologisch beschermd in de Provinciale Structuurvisies en Verordeningen. In de Verordening staat aangegeven aan welke voorwaarden bij
ruimtelijke ingrepen in en langs het NNN moet worden voldaan. Ook is het compensatiebeleid bij aantastingen van het Natuurnetwerk Nederland hierin opgenomen.
6 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn" (vastgesteld)
Utrecht
Bijlage 3
AERIUS-berekening
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation, Oudenrijn" (vastgesteld)
63
ADVIESNOTA
AAN VAN TELEFOON KENMERK PROJECTNUMMER ONDERWERP DATUM
A90-J.-HS-MEMO-22006353 MN002912 Stikstofberekening Realisatiefase Hoogspanningsstation Oudenrijn 2 maart 2023
AANLEIDING Netbeheerder Stedin verwacht de komende 30 jaar minimaal een verdubbeling van het elektriciteitsverbruik in en om de stad Utrecht. Om te kunnen blijven voldoen aan de toenemende vraag naar elektriciteit is Stedin voornemens het hoogspanningsstation Oudenrijn, gelegen in Rijnenburg, te renoveren en uit te breiden. Het project bestaat uit twee fasen met elk een eigen plangebied. Fase 1 betreft het vervangen en uitbreiden van het bestaande hoogspanningsstation. Fase 2 betreft een reservering ten behoeve van de verdere uitbreiding van het hoogspanningsstation. Op dit moment wordt de haalbaarheid van het project (beide fasen) onderzocht. Onderdeel hiervan is het uitvoeren van AERIUS berekeningen naar stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden.
DOEL Voor de omschreven aanpassing dient te worden onderzocht of er een vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming moet worden aangevraagd. Dit is het geval wanneer er door de werkzaamheden ten behoeve van het realiseren van het project sprake is van een toename in de stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden met stikstofgevoelige habitattypen, welke leidt tot significant negatieve effecten. In deze adviesnota is het uitgevoerde onderzoek beschreven en wordt aangegeven of er als gevolg van de realisatie van het project (beide fasen) sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
AANPAK Voor het onderzoek wordt gebruik gemaakt van het rekenprogramma AERIUS versie 2022 (www.aerius.nl). Hierin zijn gegevens verwerkt met betrekking tot emissiemodellen, achtergrondwaarden en habitattypen. In dit rekenprogramma worden eerst de verschillende emissiebronnen (het gebruik van materieel en verkeersbewegingen) ingevoerd waarna de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden binnen 25 kilometer van het plangebied wordt berekend. In het onderzoek zijn alle bronnen beschouwd die stikstofuitstoot veroorzaken. Dit zijn alle werkzaamheden en verkeersbewegingen waarbij gebruik wordt gemaakt van verbrandingsprocessen op basis van fossiele brandstoffen.
1/10
ADVIESNOTA
LIGGING PLANGEBIED EN ONTSLUITINGSROUTE De plangebieden en ontsluitingsroutes van Fase 1 en Fase 2 bevinden zich aan de zuidkant van Utrecht op ongeveer 500 meter ten westen van knooppunt Oudenrijn. Figuur 1 geeft de ligging van de plangebieden inclusief ontsluitingsroutes weer. Het plangebied van Fase 2 ligt direct ten noorden van het plangebied van Fase 1. De ontsluitingsroute van Fase 2 verloopt daardoor over dezelfde wegen als de ontsluitingsroute van Fase 1, maar is iets korter.
Figuur 1: Visuele weergave van de plangebieden van Fase 1 en Fase 2 (zwart omlijnd) en bijbehorende ontsluitingsroutes (oranje lijn).
De Natura 2000-gebieden die het dichtst bij de plangebieden en de ontsluitingsroutes liggen zijn Oostelijke Vechtplassen en Uiterwaarden Lek. De gebieden liggen respectievelijk op circa 8,5 km afstand ten noorden en circa 9,9 km afstand ten zuiden van de plangebieden/de ontsluitingsroutes. Het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen is aangewezen in het kader van zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn. In dit gebied bevinden zich stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden die (naderend) overbelast zijn. Het Natura 2000gebied Uiterwaarden Lek is enkel aangewezen in het kader van de Habitatrichtlijn. Ook in dit gebied bevinden zich stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden die (naderend) overbelast zijn. In figuur 2 is de ligging van de plangebieden en ontsluitingsroutes ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden weergegeven.
A90-J.-HS-MEMO-22006353 / definitief / Versie 1.0
2/10
ADVIESNOTA
Figuur 2: De plangebieden van Fase 1 en 2 en bijbehorende ontsluitingsroute t.o.v. Natura-2000 gebieden (Uiterwaarden Lek onderin de figuur, in het geel, parallel aan de lek).
UITGANGSPUNTEN EN INVOERGEGEVENS De stikstof- en ammoniakemissie die optreedt tijdens de realisatie van Fase 1 en Fase 2 is gebaseerd op een opgave van activiteiten welke is opgesteld op basis van expert judgement en vervolgens geaccordeerd door de opdrachtgever. De totale emissie is de emissie die vrijkomt als gevolg van materieel dat gebruikt wordt op de bouwplaats en emissie die vrijkomt als gevolg van bouwverkeer (zwaar vrachtverkeer, middelzwaar vrachtverkeer en licht verkeer/personenvervoer) van en naar de bouwplaats. Algemene uitgangspunten Voor de invoer in AERIUS zijn de volgende uitganspunten vastgesteld: De uitvoering van Fase 1 vindt plaats in 2023 en uitvoering van Fase 2 in 2024. Activiteiten t.b.v. Fase 1 zijn dan ook gemodelleerd in rekenjaar 2023 en activiteiten t.b.v. Fase 2 in 2024; De activiteiten voor Fase 2 zullen vergelijkbaar zijn met de activiteiten voor Fase 1. Uitgangspunt is daarom dat de materieelinzet en het aantal vervoersbewegingen voor Fase 2 gelijk is aan de materieelinzet en het aantal vervoersbewegingen voor Fase 1; Uitgangspunt is dat eventuele bemaling d.m.v. een pomp in beide projectenfasen elektrisch geschied. Er is dan ook geen bemaling d.m.v. een pomp meegenomen in de berekening;
A90-J.-HS-MEMO-22006353 / definitief / Versie 1.0
3/10
ADVIESNOTA
Het AdBlue verbruik is voor al het materieel vastgesteld op 5% van het dieselverbruik. Kommagetallen zijn naar beneden afgerond (worst-case benadering).
Materieel op de bouwlocatie Het materieel dat nodig is voor de realisatie van het project is, per projectfase, onderverdeeld naar de verschillende activiteiten waarvoor het materieel wordt gebruikt. De relevante specificaties van het materieel, zoals het vermogen en brandstofverbruik, zijn bepaald op basis van expert judgement. Op basis van deze inputgegevens is het materieel vervolgens in AERIUS ingevoerd als ‘mobiele werktuigen’ in de categorie ‘bouw, industrie en delfstoffenwinning’. De inputgegevens met betrekking tot materieelinzet en de daarbij horende, door AERIUS berekende, NOx- en NH3-emissies zijn per fase weergegeven in tabel 1 en 2.
A90-J.-HS-MEMO-22006353 / definitief / Versie 1.0
4/10
ADVIESNOTA
Tabel 1: Specificaties materieel t.b.v. bouwwerkzaamheden behorend bij Fase 1, uitvoeringsjaar 2023 Aanleggen bouwweg en Bouwrijp maken terrein. Werkzaamheid
Materieel
Stageklasse
Vermogen (kW)
Draaiuren
Brandstofverbruik (l/j)
AdBlueverbruik (l/j)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
Ontgraven terrein
Graafmachine
IV
200
100
850
42
9,2
0,2
Uitvlakken terrein
Bulldozer
IV
60
80
800
40
8,4
0,2
Aan en afvoer grond / zand
Vrachtauto (op de bouwplaats)
IV
215
170
1785
89
18,8
0,4
Realiseren nieuwbouw van het 10 en 50 kV station (in de vorm van één geschakeld gebouw) Werkzaamheid
Materieel
Stageklasse
Vermogen (kW)
Draaiuren
Brandstofver bruik (l/j)
AdBlueverbruik (l/j)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
Uitvlakken terrein
Bulldozer
IV
60
21
170
8
1,6
0
Bouw
Mobiele kraan
IV
350
321
3606
180
37,8
0,9
Bouw
Heistelling
IV
280
95
1120
56
11,7
0,3
Bouw
Verreiker
IV
115
48
312
15
3,6
0,1
Bouw
Vrachtauto (op de bouwplaats)
IV
215
105
1102
55
11,6
0,3
Sloop van voormalig 50 kV station, Werkzaamheid
Materieel
Stageklasse
Vermogen (kW)
Draaiuren
Brandstofver bruik (l/j)
AdBlueverbruik (l/j)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
Sloop fundering
Graafmachine
IV
200
210
1336
66
14,8
0,3
Uitvlakken terrein
Bulldozer
IV
60
55
475
23
5,4
0,1
sloop
Verreiker
IV
115
34
216
10
2,7
0,1
Bouw
Dumper afvoer
IV
215
100
870
43
9,4
0,2
Scherfwanden en staalwerkplaatsen ten behoeve van de ‘Schakeltuin’, Werkzaamheid
Materieel
Stageklasse
Vermogen (kW)
Draaiuren
Brandstofver bruik (l/j)
AdBlueverbruik (l/j)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
Bouw
Verreiker
IV
115
80
506
25
5,6
0,1
Bouw
Vrachtauto (op de bouwplaats)
IV
215
25
262
13
2,8
0,1
Definitief afmaken van het terrein, Werkzaamheid
Materieel
Stageklasse
Vermogen (kW)
Draaiuren
Brandstofver bruik (l/j)
AdBlueverbruik (l/j)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
grondverzet
Graafmachine
IV
200
60
441
22
4,7
0,1
Uitvlakken terrein
Bulldozer
IV
60
110
980
49
10,4
0,2
verdichten
wals
IV
350
65
655
32
7,2
0,2
Bouw
Vrachtauto (op de bouwplaats)
IV
215
25
262
13
2,8
0,1
terreininrichting
Trilplaat etc.
IV
100
60
260
13
2,9
0,1
A90-J.-HS-MEMO-22006353 / definitief / Versie 1.0
5/10
ADVIESNOTA
Tabel 2: Specificaties materieel t.b.v. bouwwerkzaamheden behorend bij Fase 2, uitvoeringsjaar 2024 Aanleggen bouwweg en Bouwrijp maken terrein. Werkzaamheid
Materieel
Stageklasse
Vermogen (kW)
Draaiuren
Brandstofverbruik (l/j)
AdBlueverbruik (l/j)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
Ontgraven terrein
Graafmachine
IV
200
100
850
42
9,2
0,2
Uitvlakken terrein
Bulldozer
IV
60
80
800
40
8,4
0,2
Aan en afvoer grond / zand
Vrachtauto (op de bouwplaats)
IV
215
170
1785
89
18,8
0,4
Realiseren nieuwbouw van het 10 en 50 kV station (in de vorm van één geschakeld gebouw) Werkzaamheid
Materieel
Stageklasse
Vermogen (kW)
Draaiuren
Brandstofver bruik (l/j)
AdBlueverbruik (l/j)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
Uitvlakken terrein
Bulldozer
IV
60
21
170
8
1,6
0
Bouw
Mobiele kraan
IV
350
321
3606
180
37,8
0,9
Bouw
Heistelling
IV
280
95
1120
56
11,7
0,3
Bouw
Verreiker
IV
115
48
312
15
3,6
0,1
Bouw
Vrachtauto (op de bouwplaats)
IV
215
105
1102
55
11,6
0,3
Sloop van voormalig 50 kV station, Werkzaamheid
Materieel
Stageklasse
Vermogen (kW)
Draaiuren
Brandstofver bruik (l/j)
AdBlueverbruik (l/j)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
Sloop fundering
Graafmachine
IV
200
210
1336
66
14,8
0,3
Uitvlakken terrein
Bulldozer
IV
60
55
475
23
5,4
0,1
sloop
Verreiker
IV
115
34
216
10
2,7
0,1
Bouw
Dumper afvoer
IV
215
100
870
43
9,4
0,2
Scherfwanden en staalwerkplaatsen ten behoeve van de ‘Schakeltuin’, Werkzaamheid
Materieel
Stageklasse
Vermogen (kW)
Draaiuren
Brandstofver bruik (l/j)
AdBlueverbruik (l/j)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
Bouw
Verreiker
IV
115
80
506
25
5,6
0,1
Bouw
Vrachtauto (op de bouwplaats)
IV
215
25
262
13
2,8
0,1
Definitief afmaken van het terrein, Werkzaamheid
Materieel
Stageklasse
Vermogen (kW)
Draaiuren
Brandstofver bruik (l/j)
AdBlueverbruik (l/j)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
grondverzet
Graafmachine
IV
200
60
441
22
4,7
0,1
Uitvlakken terrein
Bulldozer
IV
60
110
980
49
10,4
0,2
verdichten
wals
IV
350
65
655
32
7,2
0,2
Bouw
Vrachtauto (op de bouwplaats)
IV
215
25
262
13
2,8
0,1
terreininrichting
Trilplaat etc.
IV
100
60
260
13
2,9
0,1
A90-J.-HS-MEMO-22006353 / definitief / Versie 1.0
6/10
ADVIESNOTA
Bouwverkeer De verkeersbewegingen die horen bij de realisatie van beide fasen van het project zijn als wegverkeer op een lijnbron (wegtype buitenwegen) gemodelleerd vanaf het plangebied, via de Heycopperkade naar de Meerndijk (N228). De Meerndijk is een drukke provinciale weg met, op basis van de CIMLK-monitoringstool (www.cimlk.nl), circa 13.000 verkeersbewegingen (alle categorieën samen) per etmaal. Voor de realisatie van zowel Fase 1 als Fase 2 vinden in de betreffende rekenjaren gemiddeld slechts 17 verkeersbewegingen (alle categorieën samen) per etmaal plaats. Derhalve is als aanname gehanteerd dat verkeer ten behoeve van de realisatiefasen van het project vanaf de Meerndijk opgaat in het heersende verkeer. In tabel 3 en 4 zijn per projectfase en per categorie de aantallen verkeersbewegingen, inclusief NOx emissie, weergegeven. In figuur 2 (pagina 2) en in de AERIUS-uitvoer in bijlage 1 en 2 zijn de ontsluitingsroutes afgebeeld. Tabel 3: Bouwverkeer tijdens de realisatiefase op de ontsluitingsroute behorend bij Fase 1, uitgevoerd in 2023
Ontsluitingsroute, Bouwplaats – N228 Type
Aantal verkeersbewegingen (j)
NOx (kg/j)
Licht verkeer
1320
Middelzwaar vrachtverkeer
2640
Zwaar vrachtverkeer
1920
Totaal
26,7
Tabel 4: Bouwverkeer tijdens de realisatiefase op de ontsluitingsroute behorend bij Fase 2, uitgevoerd in 2024
Ontsluitingsroute, Bouwplaats – N228 Type
Aantal verkeersbewegingen (j)
NOx (kg/j)
Licht verkeer
1320
Middelzwaar vrachtverkeer
2640
Zwaar vrachtverkeer
1920
Totaal
A90-J.-HS-MEMO-22006353 / definitief / Versie 1.0
23,3
7/10
ADVIESNOTA
RESULTAAT Uit de berekening met het AERIUS model versie 2022 blijkt dat het realiseren van het project (beide fasen) op basis van de opgenomen uitgangspunten niet zal leiden tot een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden die (naderend) overbelast zijn. In bijlage 1 is de AERIUS-uitvoer van de berekening voor Fase 1 weergegeven. Bijlage 2 geeft de AERIUS-uitvoer van de berekening voor Fase 2 weer.
CONCLUSIES De realisatiefase van het project (beide fasen) leidt niet tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en/of habitatsoorten in Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat er voor de realisatiefase van het project, in het kader van stikstofdepositie, geen vergunning voor de Wet natuurbescherming hoeft te worden aangevraagd.
A90-J.-HS-MEMO-22006353 / definitief / Versie 1.0
8/10
ADVIESNOTA
Bijlage 1 Uitvoer AERIUS berekening Fase 1
A90-J.-HS-MEMO-22006353 / definitief / Versie 1.0
9/10
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
Totale emissie
Realisatiefase - Fase 1 - Beoogd
Resultaten
Realisatiefase - Fase 1 - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename van depositie Grootste afname van depositie
RZHNx8xy7kaX (02 maart 2023)
Movares Rijnenburg, Utrecht NL Renovatie en uitbreiding hoogspanningsstation Oudenrijn Berekening naar stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de realisatie van fase 1 van het project, doorgerekend voor het jaar 2023. RZHNx8xy7kaX 02 maart 2023, 08:52 Wnb-rekengrid Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
2023 -
4,7 kg/j
198,5 kg/j
2/7
Projectberekening
Realisatiefase - Fase 1 (Beoogd), rekenjaar 2023 Emissiebronnen 1 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Realisatie Fase 1 Verkeersnetwerk
RZHNx8xy7kaX (02 maart 2023)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
3,8 kg/j 171,8 kg/j 0,8 kg/j 26,7 kg/j
3/7
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste afname van depositie Grootste toename van depositie Hoogste totale depositie
De bronnen op de kaart horen bij de Beoogde situatie.
RZHNx8xy7kaX (02 maart 2023)
4/7
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Realisatiefase - Fase 1" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
RZHNx8xy7kaX (02 maart 2023)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste gekarteerd) afname (mol N/ha/jr)
-
-
5/7
Projectberekening
Realisatiefase - Fase 1, Rekenjaar 2023 1
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning
Naam Locatie Oppervlakte Naam
Realisatie Fase 1 X:132236,69 Y:453031,95 0,67 ha
Stageklasse
Graafmachine Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja Bulldozer Vrachtauto Heistelling Verreiker Dumper Wals Trilplaat Mobiele Kraan
RZHNx8xy7kaX (02 maart 2023)
NOₓ NH₃
171,8 kg/j 3,8 kg/j
Brandstofverbruik Draaiuren AdBlue verbruik
2627 l/j
370 u/j 130 l/j
Stof Emissie
NOₓ NH₃
Stage-IV, 2014-2018, 56-75 kW, diesel, SCR: ja
2425 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
3411 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
1120 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
1034 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
870 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
655 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
260 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
3606 l/j
266 u/j 120 l/j
NOₓ NH₃
325 u/j 170 l/j
NOₓ NH₃
95 u/j
56 l/j
NOₓ NH₃
162 u/j 50 l/j
NOₓ NH₃
100 u/j 43 l/j
NOₓ NH₃
65 u/j
32 l/j
NOₓ NH₃
60 u/j
13 l/j
NOₓ NH₃
321 u/j 180 l/j
NOₓ NH₃
28,7 kg/j 0,6 kg/j 26,2 kg/j 0,6 kg/j 36,0 kg/j 0,8 kg/j 11,7 kg/j 0,3 kg/j 11,9 kg/j 0,2 kg/j 9,4 kg/j 0,2 kg/j 7,2 kg/j 0,2 kg/j 2,9 kg/j 62,4 g/j 37,8 kg/j 0,9 kg/j
6/7