Agendabundel
Tekst van het document
Voor elke woningcategorie is het huidige verbruik vergeleken met het ingeschatte oorspronkelijk verbruik (afhankelijke van bouwjaar). Dit geeft een indicatie van de reeds gerealiseerde besparingen en is dus een maat voor de huidige stand van energiebesparing bij woningen in de stad. Paragraaf 4.2 kijkt naar het toekomstige besparingspotentieel. Er zijn gedetailleerde analyses uitgevoerd voor het woningbestand van particuliere eigenaren (4.3). Bijvoorbeeld geeft dit inzicht in de mogelijkheden om woningen geschikt te maken voor Lage Temperatuur (LT-)verwarming of over besparingspotentiëlen. Duidelijke verschillen zijn waarneembaar voor kansen bij voor- versus naoorlogse woningen of bij grondgebonden versus meerlaagswoningen.
38
Op een vergelijkbare wijze is het elektriciteitsverbruik in hoofdstuk 5 geanalyseerd. Na een kort overzicht van de huidige stand van zaken wordt in paragraaf 5.2 dieper ingegaan op de gevolgen van warmtepomptoepassingen bij particuliere woningen. Per woningcategorie is een inschatting gegeven van de besparing op aardgas en het extra benodigde elektriciteitsverbruik. Hoofdstuk 6 beschrijft het voorstel voor monitoring van de toekomstige ontwikkelingen. Door gebruik te maken van de resultaten uit de vorige hoofdstukken, zoals de kennis over de implementatiegraad van besparingsmaatregelen, is een eenvoudige methode ontwikkeld voor een nauwkeurige monitoring van het aardgas- en elektriciteitsverbruik voor woningen in de stad Utrecht. Tenslotte wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de mogelijkheid om de resultaten visueel weer te geven in wijken en buurten op de kaart van de gemeente Utrecht. Ter illustratie is in dit rapport voor één voorbeeldwijk kaartmateriaal opgenomen van het besparingspotentieel en wordt deze toegelicht. Voor een totaalanalyse in de stad, per wijk of per buurt is materiaal via een reader toegankelijk gemaakt. Hiermee komen resultaten inzichtelijk beschikbaar voor de ontwikkeling van lokaal beleid.
39
2. Databronnen en analysemethode Dit hoofdstuk geeft een korte samenvatting van de gebruikte databestanden en de gebruikte analysemethode. Voor een uitgebreide beschrijving van ontwikkelde methode en achtergronden wordt verwezen naar bijlage 1. Stedin meetgegevens Het netwerkbedrijf Stedin meet de energieverbruiken van aansluitingen in de stad Utrecht en maakt deze openbaar op het niveau van postcode-6 (PC6) gebieden. Het betreft 170.000 elektriciteit- en 117.000 gasaansluitingen in het jaar 2020. Het aantal aansluitingen is iets groter dan aantal woningen aangezien er ook overige gebouwen zijn aangesloten. De stad is onderverdeeld in ruim 8400 verschillende postcodegebieden. Binnen deze gebieden zijn er ruim 150.000 woningen met een elektriciteitsaansluiting. Van deze woningen hebben er 108.000 tevens een aardgasaansluiting en ruim 51.000 een SW-aansluiting. Een deel van de woningen heeft dus zowel SW als aardgas, waarbij aardgas meestal voor koken gebruikt wordt en de SW voor verwarming en warmwater. Stedin levert de gegevens alleen voor aardgas en elektriciteit. De SW-verbruiken zijn niet openbaar en kunnen dus niet meegenomen worden in de analyses. Databestand woningen Gemeente Utrecht De gemeente Utrecht beschikt over een databestand van de woningen in de stad, waaronder die van 70.000 particuliere koopwoningen.
Op individueel woningniveau zijn diverse kenmerken in het bestand opgenomen. Het gaat bijvoorbeeld over bouwjaar, grootte en type woning, maar ook over eigendom of verhuur. Informatie over energiegebruik van woningen is via het databestand van Stedin ook bij de gemeente Utrecht beschikbaar. Het verbruik van aardgas, stadswarmte (SW) of elektriciteit kan echter niet per individuele woning gekoppeld worden aan het databestand. Dat is een gevolg van privacyregelgeving. Renow-model Energiepaleis heeft de afgelopen jaren het rekenmodel Renow ontwikkeld dat bestemd is voor gebruik bij particuliere woningverbeteringen. Met het Renow-model kan voor elke woning het energieverbruik berekend worden in de oorspronkelijke (bouwjaar) uitvoering en/of een prognose gegeven worden van toekomstige energiebesparing. Deze gegevens zijn beschikbaar voor 300 woningcategorieën waarin combinaties zijn opgenomen van woningtype, -omvang en bouwjaar. Bepalen van huidig verbruik en besparingspotentieel per woningcategorie Voor de in dit rapport beschreven analyse van besparingspotentieel particuliere woningen en het monitoren daarvan zijn de meetgegevens van Stedin gekoppeld aan de woningcategorieën. Dit gebeurt in twee stappen: Stap1: Op postcode 6 niveau zijn de energieverbruiksgegevens van Stedin gekoppeld aan de woninggegevens van de gemeente Utrecht.
Met behulp van een wiskundige analyse (meervoudig lineair regressiemodel) zijn voor elke woningcategorie de gemiddelde energieverbruiken uitgerekend, zowel voor aardgas als voor elektriciteit. Daarmee is per woningcategorie een gemiddeld gemeten energieverbruik bepaald. Stap 2: Deze verbruiksgegevens zijn vervolgens vergeleken met de simulaties uit het Renow-model. Daarmee worden de woningen met hun actuele energieverbruiken door het Renow-model geschaald naar een bijbehorend besparingsniveau. Voor elke woningcategorie is daarmee een indicatie gegeven 40
van de energiebesparing die in de loop der jaren is gerealiseerd en het besparingspotentieel dat nog aanwezig is.
Opbouw van de methode Met de ontwikkelde methode kan het energieverbruik van de woningen in de stad Utrecht geanalyseerd worden. Daarvoor zijn de volgende onderdelen beschikbaar: 1) Oorspronkelijk verbruik: Alle woningen in de stad zijn gekenmerkt naar type, grootteklasse en bouwjaar. Op basis daarvan is het energieverbruik met het Renow-model gesimuleerd voor de woningen in hun oorspronkelijke staat. 2) Huidige verbruik: Stedin geeft de jaarlijkse energieverbruiken voor kleinverbruikersaansluitingen in de stad per postcode-6 gebied. Deze gegevens worden gecombineerd met de aantallen en typen woningen zoals bekend vanuit de BAG. Met behulp van een wiskundige analyse zijn deze verbruiksgegevens vertaald naar huidige energieverbruik per woningcategorie. 3) Gerealiseerde besparing: Het Renow-model combineert de oorspronkelijke en huidige energieverbruiken en berekent daarmee het gemiddelde isolatieniveau dat momenteel in de woningen al is gerealiseerd. Deze informatie is beschikbaar per woningcategorie en ook per postcode6-gebied. 4) Verbeterniveau: Per woningcategorie zijn 5 concepten gedefinieerd die de energetische kwaliteit van een woning beschrijven. Zo is er bijvoorbeeld het ‘spijtvrije’ concept dat beschrijft met welk isolatieniveau de woning gebruik kan maken van een lage temperatuur verwarmingsniveau.
Maar ook is er een niveau dat beschrijft op welke wijze de woning volledig energieneutraal kan worden gerenoveerd. Voor elke woningcategorie zijn deze concepten beschikbaar. Deze worden gebruikt als ‘stip aan de horizon’ waarnaar woningen verbeterd kunnen gaan worden in de toekomst. 5) Besparingspotentieel: Het verschil tussen huidige niveau en het gewenste toekomstige niveau geeft het besparingspotentieel. Deze zijn met het Renow-model vertaald naar kentallen. De besparingspotentiëlen voor het niveau ‘spijtvrij’ zijn beschikbaar gemaakt per woningcategorie en per postcode-6 gebied (zie paragraaf 4.1 voor definitie van Spijtvrij). Monitoring van voortgang energiebesparing bestaande woningen Met de ter beschikking gekomen resultaten van energieverbruiken per woningcategorie is het ook mogelijk om de jaarlijkse voortgang van energiebesparing nauwkeuriger en met meer detail te gaan presenteren dat tot nu toe het geval is met de bestaande bronnen van Klimaatmonitor of de rapportages van Stedin. De mate van nauwkeurigheid wordt vergroot doordat de gepubliceerde jaarverbruiken van Stedin worden gefilterd naar verbruiken voor de diverse soorten afnemers (woningen, overige gebouwen, overige objecten) en de verschillende eigendomsvormen (particulier, huur, overige). Deze gegevens kunnen met hoge nauwkeurigheid per individuele postcode bepaald worden.
De mate van detail wordt verhoogd door de gemeten verbruiken te vergelijken met de simulatieverbruiken. Daarmee kan de voortgang van isolatieverbetering en de te transitie van aardgas naar andere vormen (stadswarmte, warmtepompen) op postcode-6 gebied gevolgd gaan worden.
41
3. Totaal energieverbruik woningen Utrecht Alvorens dieper in te gaan op de resultaten van de analyse en de monitoring geven we in dit hoofdstuk een overzicht van de huidige energieverbruiken voor het jaar 2020. Deze gegevens zijn het resultaat van de analyses uit dit rapport. Onderwerp Totaal Eigenaar/bewoner Elektriciteit aantal woningaansluitingen
150.500
67.300
Gemiddelde vraag per woning
2645 kWh
2980 kWh
Aardgas aantal woningaansluitingen
108.500
51.600
Gemiddelde vraag per woning5
1270 m3
1400 m3
Stadswarmte aantal woningaansluitingen
42.100
15.600
Gemiddelde vraag per woning6
34 GJ
42 GJ
SW én aardgas aantal woningaansluitingen
10.500
1.750
36 GJ en 60 m3
43 GJ en 80 m3
Totaal aantal woningen
157.400
69.600
Totale elektriciteitsvraag
398 GWh
201 GWh
Totale aardgasvraag
125 Mm3
70 Mm3
1.790.000 GJ = 51 Mm3 aeq
730.000 GJ = 21 Mm3 aeq
Gemiddelde vraag per woning
Totale stadswarmtevraag uitgedrukt in GJ en m3 aardgasequivalenten7
Totaal warmtevraag (= aardgas+SW) 176 Mm3 aeq 91 Mm3 aeq Tabel 1 totaal en gemiddelde energieverbruik stad Utrecht voor het jaar 2020. Gecorrigeerd voor een gemiddeld klimaatjaar.
5 Gemiddelde voor de woningen die een aardgasaansluiting hebben bestemd voor verwarming. In andere
statistieken (bijvoorbeeld CBS, klimaatmonitor) kan het aardgasverbruik berekend worden als gemiddelde van alle woningen, waardoor dat lager uitkomt. 6 De totale stadswarmtevraag op woningniveau is niet gemeten maar ingeschat op basis van een vergelijking met aardgasverbruik bij vergelijkbare woningen. 7 De warmtevraag in GJ kan uitgedrukt worden in m3 aardgasequivalenten. 1 GJ stadswarmte komt overeen met 28,4 m3 aeq. 42
4. Besparingspotentieel Warmte (aardgas & stadswarmte) In hoofdstuk 3 is het gemiddelde energieverbruik per woning in de stad Utrecht gegeven voor het jaar 2020 en gecorrigeerd naar graaddagen. Bijvoorbeeld bedraagt het gemiddelde aardgasverbruik 1400 m3 aardgas per particuliere woning en dit wordt gebruikt voor verwarming, warmwater en koken. In dit hoofdstuk wordt het besparingspotentieel geanalyseerd. Dit is gedaan voor de data die afkomstig zijn uit het jaar 2018. Daardoor kunnen cijfers uit dit hoofdstuk iets afwijken van de genoemde totalen uit 2020. De afwijkingen zijn klein en hebben geen gevolgen voor conclusies. In dit hoofdstuk wordt zowel de besparing van aardgas als die van stadswarmte bij woningen besproken. Aangezien er meer (meet)informatie aanwezig is van woningen met aardgasaansluiting dan met stadswarmte zijn sommige analyses wel voor aardgas uitgevoerd, maar niet voor stadswarmte. Vóórdat we in paragraaf 4.2 doorgaan met een prognose voor het nog aanwezige besparingspotentieel zullen we eerst bepalen hoeveel daarvan reeds is gerealiseerd in het verleden.
4.1. In verleden gerealiseerde besparingen Oorspronkelijke verbruik Om een indruk te krijgen van het huidige (jaar 2018) aardgasverbruik voor woningen in de stad Utrecht en de reeds gerealiseerde besparingsmaatregelen wordt gekeken naar 107.000 woningen, waarvan 49.000 particulier, die alléén met aardgas worden verwarmd. De totale hoeveelheid aardgasverbruik van deze woningen bedraagt 129 respectievelijk 70 miljoen m3. Van alle woningen is bekend in welke van de 300 verschillende woningcategorieën zij zich bevinden en met het Renow-model is uitgerekend wat het totale aardgasverbruik zou zijn geweest als de woningen nog in de oorspronkelijke staat zouden verkeren van tijdens het bouwjaar. Dit niveau beschouwen we als referentie voor de berekening van de reeds gerealiseerde aardgasbesparing. 43
In werkelijkheid zijn de meeste bestaande woningen al voor een deel voorzien van energiebesparingsmaatregelen zoals isolatie, kierdichting of dubbelglas. Daardoor zal het aardgasverbruik voor de meeste woningen al lager zijn dan oorspronkelijk. Ook kunnen deze woningen in de toekomst niet meer zoveel extra besparen, immers een deel van het besparingspotentieel is al opgenomen. Voor de bepaling van het besparingspotentieel is het dus van belang te weten wat voor soort energiebesparing er al is uitgevoerd en welk deel van het potentieel nog benut kan gaan worden in de toekomst. Met het Renow-model kunnen we op basis van het werkelijk gemeten energieverbruik inschatten hoeveel energiebesparingsmaatregelen er al zijn getroffen in de woning. Dat betekent dat we wel een inschatting kunnen maken de mate van energiebesparing (bijvoorbeeld veel of weinig), maar niet exact kunnen aangeven met welke maatregel dit is gedaan (bijvoorbeeld spouwmuurisolatie of dubbel glas). Vanuit de praktijk zijn er echter wel een aantal ‘logische’ pakketten van maatregelen te benoemen die regelmatig voorkomen. Bijvoorbeeld zien we bij vooroorlogse woningen wel vaak de combinatie van verbeteringen met zolderisolatie met dubbel glas, maar zelden de combinatie van triple glas met ongeïsoleerde muur.
Met andere woorden er is op empirische gronden een samenstelling te maken van maatregelen die vaak in samenhang voorkomen. Binnen het Renowmodel zijn daar 4 vaste pakketten voor ontwikkeld die elk staan voor een bepaalde mate van energiebesparing en gekenmerkt worden door een kwaliteit. De pakketten worden hieronder genoemd en vergeleken met de bekende energielabels van woningen. In bijlage 1.2 zijn deze Renowconcepten nader beschreven. RENOW concept komt ongeveer overeen met Oorspronkelijk
Label is afhankelijk van bouwjaar
1) Basis
Label D
2) Comfort
Label C
Bijzonder niveau ‘Spijtvrij’ 3) Duurzaam
Label B Label A
4) NOM Label A+ of beter Tabel 2 Renow-concepten bestaan uit een samenstel van energiebesparingsmaatregelen die in de praktijk vaak samengaan. Elke pakket wordt gekenmerkt door een mate van energiebesparing die vergelijkbaar is met de labelsystematiek van woningen. In de tabel komt een bijzonder niveau voor dat we ‘Spijtvrij’ noemen. Dit niveau is gedefinieerd om voor een woning te kunnen aangeven welke isolatiemaatregelen er in de gebouwschil moeten worden genomen om in de toekomst over te kunnen gaan naar een lage temperatuur verwarmingsbron. Dat kan bijvoorbeeld een warmtepomp worden of een warmtedistributiesysteem met een watertemperatuur van gemiddeld 35 graden. Het spijtvrije niveau wordt gekenmerkt door isolatie en glassoort. Aangezien dit gepaard gaat met verbeterde kierdichting is het noodzakelijk om tevens de ventilatievoorziening te verbeteren. De maatregelen die nodig zijn voor het spijtvrije niveau verschillen per woningcategorie, maar zijn in de regel te financieren uit een lagere energierekening. Dit spijtvrije niveau is vergelijkbaar met het niveau dat recent door ministerie van BZK is aangekondigd in de ‘Standaarden en Streefwaarden’ voor woningrenovatie. Alleen voor woningen van vóór 1945 is het Spijtvrije niveau iets strenger dat dat van BZK.
Daar waar de ‘Standaarden & Streefwaarden’ geen betaalbare mogelijkheden zien voor gevelisolatie bij vooroorlogse woningen, zien we in de praktijk dat dit in de meeste gevallen wel realistisch vormgegeven kan worden. Het Spijtvrije niveau zal in deze studie dus ook van toepassing zijn bij de vooroorlogse woningen. 44
Om de mate te kunnen bepalen van het ‘gemiddelde’ niveau van energiebesparing van woningen in de gemeente Utrecht is voor alle woningen berekend wat het verbruik zou zijn geweest als alle bestaande woningen minimaal naar het genoemd niveau zouden worden gerenoveerd. De woningen die op basis van hun bouwjaar al aan de energieprestatie voldoen blijven oorspronkelijk. De resultaten staan in onderstaande tabel 3 en figuur 1. Situatie
Totaal aardgasverbruik in miljoen m3 (alle woningen)
Particuliere woningen
Oorspronkelijk niveau
204
116
Huidig verbruik
129
70
Concept Basis (label D)
117
65
Concept Comfort (label C)
96
54
Concept Spijtvrij (label B)
79
44
Concept Duurzaam (label A)
75
42
Concept NOM (label A+) 52 29 Tabel 3 Prognose van totale aardgasverbruik in miljoen m3 voor de stad Utrecht bij de verschillende renovatieconcepten
Figuur 1: Reeds gerealiseerde besparing bij alle woningen die met aardgas verwarmd worden In bovenstaande figuur is tevens het huidige aardgasverbruik gegeven van 129 miljoen m3 per jaar voor woningen. Vergeleken met het verbruik van 204 miljoen m3 van alle woningen in oorspronkelijke staat (linker kolom) is er al 37% aardgas bespaard. Dat betekent dat gemiddeld over de stad bijna alle oudere woningen al energiebesparingsmaatregelen hebben getroffen die gekarakteriseerd worden door het niveau Basis. In de volgende paragraaf wordt dit verder uitgewerkt. De figuur laat ook zien dat er nog ruimte is om extra te gaan besparen. Bijvoorbeeld kan er nog 50 miljoen m3 aardgas bespaard worden (bijna 40% ten opzichte van huidig) als alle woningen minimaal het niveau ‘Spijtvrij’ gaan behalen.
45
Technisch gezien zou het niveau NOM als meest vergaande energiebesparing kunnen worden gezien. Voor de stad zou dit nog ‘maar’ 29 miljoen m3 (20%) extra besparing geven ten opzichte van het Spijtvrije niveau. Gerealiseerde besparing Ten opzichte van de oorspronkelijke situatie in de bouwjaren van de woningen is er 37% aardgas bespaard. Dit is bijvoorbeeld een gevolg van de oudere woningen die met relatief eenvoudige maatregelen zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn in het algemeen uitgevoerd om het comfort te verbeteren en/of de hoge energielasten te verlagen. Het besparingsgetal van 37% is een gemiddelde over het gehele woningbestand, maar niet elke woning zal op dezelfde wijze en in dezelfde mate besparingsmaatregelen hebben genomen. Met het Renow-model zijn enkele besparingsniveaus onderzocht en vergeleken met het gemeten huidige niveau. Hierbij is gedetailleerd gekeken naar de verschillende woningtypen en bouwjaren. In bijlage 4 zijn de genoemde besparingsniveau ’s in meer detail beschreven. Binnen elke categorie is een match gezocht tussen besparingsprognose (Renow) en huidige waarden (Stedin). Eén van de resultaten laat zien dat het totale woningbestand in drie groepen uniform verdeeld kan worden. Elk van de groepen heeft in het verleden een bepaalde mate van besparingsmaatregelen uitgevoerd.
Dit is uit te drukken in het percentage van de woningen dat verbeterd is naar het niveau van de renovatieconcepten Basis, Comfort, Duurzaam of NOM. In de drie onderstaande figuren is dit gepresenteerd door aan te geven welk deel van het besparingspotentieel reeds is benut. Dit is alleen getoond voor de relevante woningen, dus de woningen die nog verbeterd kunnen worden binnen een concept. De ‘jongere’ woningen voldoen vaak al hieraan en behoeven dan geen verbetering.
Figuur 2: Percentage van woningen die reeds verbeterd zijn naar het niveau van vier renovatieconcepten. Bovenstaande figuren zijn verkregen door iteratie- en kalibratieprocedure uit te voeren zoals in detail beschreven in bijlage 1.4. Er is gebruik gemaakt van een dataset met 2000 postcodegebieden waarin alleen woningen aanwezig zijn (dus geen kleine kantoren, winkels of overige gebouwen in de betreffende postcodegebieden). Het betreft 50.000 woningen waarvan de door Stedin gemeten 46
energieverbruiken vergeleken zijn met de Renow-prognoses. Door in het Renow-model besparingsmaatregelen toe te voegen zijn de prognoses ‘geschaald’ naar de werkelijke verbruiken. Dit is voor elke woningcategorie uitgevoerd waarmee bovenstaande figuren zijn geproduceerd. Uit de figuren zijn een aantal conclusies te trekken:
•
Bij de meeste woningen van voor 1991 zijn reeds substantieel besparingsmaatregelen uitgevoerd. Dit geldt met name voor de rijwoningen en de meerlaags woningen.
•
Bij deze oudere woningen is een groot deel van het Basis potentieel reeds benut. Het betreft hier de eenvoudige maatregelen zoals dubbelglas, kierdichting of een spouwmuurisolatie. Bij de grondgebonden woningen is dit een iets hoger percentage (70 - 95%) dan bij de meerlaags woningen (50-70%).
•
Van alle woningentypen van vóór 1975 heeft 60% (meerlaags) tot 90% (grondgebonden) een verbruik dat minimaal gelijk is aan label D. Een kleiner deel van 20% tot 40% heeft zelfs al verbruik vergelijkbaar met label C of beter. Het meest eenvoudige besparingspotentieel (Basis) met de hoogste financiële efficiëntie is voor het grootste deel dus reeds uitgevoerd. Bij meerlaagse woningen lijkt er nog wel wat ruimte beschikbaar te zijn voor de meest efficiënte besparingsmaatregelen.
• •
Het ‘Spijtvrij’ niveau ligt voor elk woningtype tussen de niveaus Comfort en Duurzaam in. We kunnen voorzichtig concluderen dat circa 25% van de oudere woningen in de buurt van niveau ‘Spijtvrij’ komt, of dit zelfs al heeft bereikt.
Met deze besparingscijfers is het huidige energieverbruik ten opzichte van het oorspronkelijke verbruik goed te verklaren voor elk van de woningcategorieën. Wel dient opgemerkt te worden dat de onderlinge verdeling tussen de verschillende besparingsniveaus niet exact bepaald kan worden. Er kan nog in de orde van grootte van 10% verschil zitten in de verhouding tussen de niveaus. Bijvoorbeeld zouden er ook iets minder oude woningen geïsoleerd kunnen zijn, maar wel met een beter energielabel. Dat zou dan op papier vergelijkbare uitkomsten kunnen geven. De aanname is dat de verschillen niet veel groter kunnen zijn dan hier aangegeven. Immers, er zijn geen praktijkvoorbeelden van woningcategorieën (uit de oudere bouwperiodes) waarbij bijvoorbeeld de ene helft van de woningen nog geheel oorspronkelijk is terwijl de andere helft volledig vergaand is gerenoveerd. Alle sets van Renow kentallen die horen bij deze huidige niveaus van aardgasverbruik zijn gepresenteerd per woningcategorie in bijlage 2.
4.2. Huidige verbruik en besparingspotentieel Met de bevindingen uit de vorige paragraaf zijn analyses gemaakt over het huidige energieverbruik voor de vraag naar verwarming van woningen in de stad. Deze worden hier gepresenteerd op een niveau van totale en gemiddelde energieverbruiken voor het gehele woningenbestand. In de paragraaf hierna wordt verder uitgezoomd met een detailanalyse voor de particuliere woningen. Alle woningen De totale warmtevraag, zowel aardgas als stadswarmte, van de gehele stad is gelijk aan 169 miljoen m3 aardgasequivalenten bestemd voor 146.000 woningen. Hierbij is er rekening mee gehouden dat ca 5% van het totaal aantal woningen geen aansluiting heeft gekend in het analysejaar 2018, bijvoorbeeld omdat deze tijdelijk niet bewoond werden. Iets meer dan de helft van de 146.000 woningen wordt gebruikt door 67.000 particuliere woningen, die voor het merendeel grondgebonden zijn. Dit is getoond in onderstaande figuren 3.
47
Figuur 3: totaal energievraag (aardgas én stadswarmte) voor verwarming, warmwater en koken tbv woningen in de stad Utrecht in het jaar 2018, uitgedrukt in m3 aardgasequivalenten. De linker figuur 3 laat zien dat de gehele warmtevraag (zowel aardgas als stadswarmte) gelijk verdeeld is over particuliere woningen en huurwoningen. Daarbij gebruiken de huurwoningen wel vaker en meer stadswarmte dan de particuliere woningen. Die laatste zijn dus vaker aangesloten op het aardgas netwerk. De rechter figuur laat zien dat tweederde van de energievraag bij particuliere woningen bestemd is voor grondgebonden woningen en slechts éénderde voor meerlaags woningen. Deze laatste categorie bestaat overigens met name uit de bis-woningen en minder vaak uit andere vormen zoals bijvoorbeeld (galerij)flats. Beschikbaar besparingspotentieel Van het huidige energieverbruik is aangegeven hoe dit ontstaan is. Er is van elke woningcategorie bekend in welke mate er reeds besparingsmaatregelen zijn getroffen. Binnen een categorie kunnen woningverbeteringen en gebruikersgedrag verschillen, maar over de gehele categorie is er een gemiddelde bepaald. Van het resterende energieverbruik kan aangegeven worden hoe groot het nog beschikbare besparingspotentieel is. In eerste instantie wordt dit beschreven in termen van besparingspotentieel dat aanwezig is bij de renovatieniveaus Basis, Comfort, Duurzaam of NOM.
Deze gegevens zijn voor alle woningcategorieën bekend. Als voorbeeld worden deze in bijlage 2 gegeven voor de particuliere woningen met aardgasaansluiting. Een samenvatting voor het gehele woningenbestand en dat van particulieren wordt gepresenteerd in onderstaande figuren 4.
Figuur 4: Besparingspotentieel voor alle woningen en per eigendomsvorm (linker figuur) afhankelijk van het gekozen renovatieniveau. Voor particuliere woningen (rechter figuur) is tevens de verdeling gegeven voor woningen met alleen aardgasaansluiting, alleen stadswarmte of beide. In de figuren wordt op de linker as het totale energieverbruik (aardgas en warmte) voor woningen gegeven. Wederom kan gezien worden dat er al 37% gemiddeld is bespaard ten opzichte van oorspronkelijke bouw. 48
In de linker figuur is te zien dat een groot deel van het ‘Basis’ potentieel (label D) al is uitgevoerd. Dat betekent dat de ‘makkelijke’ maatregelen voor een groot deel genomen zijn. Het betreft een waarneming van het gemiddelde, dus er zijn nog steeds woningen zijn die deze maatregelen nog niet hebben genomen. Op vergelijkbare wijze is te zien dat er veel woningen nog niet verbeterd zijn naar niveau C of beter. Dat betekent dat er nog voldoende ruimte is voor verbetering. In het bijzonder is dat het geval voor het Spijtvrije niveau. In de volgende paragraaf wordt hier verder op ingegaan. Besparingspotentieel ‘Spijtvrij’ In de vorige paragrafen is beschreven wat de huidige isolatiestaat is van de Utrechtse woningen. Daarvoor is in termen van concepten en energielabels de huidige situatie geduid. Van alle besparingspotentieel is met name het deel bestemd voor de ‘Spijtvrije’ renovaties van belang voor de energietransitie in de stad. Met dit deel kan de woning namelijk geschikt gemaakt worden voor LTverwarming waarmee de woningen aangesloten kunnen worden op elke toekomstige verandering in energie-infrastructuur. Voor alle woningcategorieën is het Spijtvrije renovatieniveau bepaald en is berekend wat het besparingspotentieel daarvan is. Ook deze gegevens staan in bijlage 2. De samenvatting is getoond in onderstaande figuur 5.
Figuur 5: Maximale en Spijtvrije besparingspotentieel voor alle woningen en alleen particuliere koopwoningen. In de linker figuur is nogmaals te zien dat van de oorspronkelijk benodigde energievraag ruim 1/3 is bespaard (witte vlak). Maar ook is te zien dat van het restant bijna 40% beschikbaar potentieel is om naar het Spijtvrije niveau (oranje) te gaan. Nog verdere besparing (rood, niveau maximaal) is mogelijk maar zal hoge investeringskosten vragen en betreft maximaal 20% extra besparing. Dit niveau lijkt niet realistisch voor een gemiddelde woning. Dat betekent dat het huidige woningbestand in de orde van 100 Mm3 aardgasequivalenten nodig zal blijven hebben voor warmte. Samenvattende conclusies • De totale warmtevraag voor alle woningen in de stad bedraagt 169 miljoen m3 aardgasequivalenten (respectievelijk koopwoningen 89 Mm3 aeq). Het betreft hier het totaal van aardgas én stadswarmte. • In het verleden is door het nemen van eenvoudige verbetermaatregelen reeds 85 miljoen m3 aeq per jaar bespaard (koopwoningen 51 Mm3). • Van het huidige gebruik moet nog 37% bespaard worden om op niveau Spijtvrij te komen. Dit komt overeen met ruim 63 Mm3 aeq voor gas én stadswarmte. • Het spijtvrije besparingspotentieel bij alleen de particuliere woningen bedraagt 31 miljoen m3 aeq. Hiervan is 26 Mm3 afkomstig van aardgas en 5,5 Mm3 aeq afkomstig van stadswarmte (190.000 GJ).
49
In de volgende paragraaf worden de besparingsmogelijkheden nader bekeken voor het woningbestand van particuliere woningen.
4.3. Nadere analyse besparingspotentieel particuliere woningen In Utrecht zijn 67.000 particuliere woningen waarvan 51.000 met alleen een aardgasaansluiting en 17.500 met stadswarmte (waarvan 10% tevens een kookgasaansluiting). Van al deze woningen zijn gegevens bekend zoals type woning, bouwjaar en het gebruiksoppervlakte. De verdeling in aantallen naar woningcategorie is in de volgende drie figuren weergegeven. Naast de aantallen is tevens aangegeven het totale aardgas- en/of stadswarmteverbruik per categorie, de reeds gerealiseerde besparing en het besparingspotentieel.
Figuur 6: particuliere woningen met alleen aardgasaansluiting. Totaal aardgasverbruik (linker y-as) en totaal aantal woningen (rechter y-as) per woningcategorie (alle grootteklassen).
Figuur 7: particuliere woningen met alleen stadswarmteaansluiting. Totaal warmteverbruik (linker y-as) en totaal aantal woningen (rechter y-as) per woningcategorie (alle grootteklassen).
50
Figuur 8: particuliere woningen met zowel stadswarmte als kookgasaansluiting. Totaal warmte- en aardgasverbruik (linker y-as) en totaal aantal woningen (rechter y-as) per woningcategorie (alle grootteklassen). Bovenstaande figuren laten zien dat voor particuliere woningen het grootste besparingspotentieel aanwezig is bij de tussenwoningen en bis-woningen (meerlaags-laag-midden). Dit is vooral het geval bij de woningen die met aardgas verwarmen (figuur 6). De woningen die alleen of tevens stadswarmte gebruiken laten ook potentieel zien bij de meerlaags hoogbouw. Het potentieel is daar wel veel kleiner (let op: de linker assen van de figuren verschillen). Aardgasbesparing particuliere koopwoningen In figuur 9 wordt ingezoomd op de woningen met alleen een aardgasaansluiting. Het betreft 51.000 woningen met een jaarverbruik van 70 miljoen m3 aardgas. Het grootste besparingspotentieel is afkomstig van de vooroorlogse rijwoningen (6.000 hoek en tussenwoningen) en de vooroorlogse meerlaagswoningen (8.000 laag- en middenbouw woningen). De laatstgenoemde categorie bestaat voor het overgrote deel uit bis-woning.
Figuur 9: particuliere woningen met alleen aardgasaansluiting. Totale besparingspotentieel (rechter y-as) per woningcategorie voor het Spijtvrije niveau en voor het maximale niveau. Tevens is het gemiddelde potentieel per individuele woning gegeven op de linker y-as. Een groot deel van het besparingspotentieel ligt bij de woningen van vóór 1930, dus de van oorsprong geïsoleerde woningen met veelal massieve buitengevels. Dit potentieel kan gerealiseerd worden door het nemen van isolatiemaatregelen in gevels, dak en vloer, door glasvervanging naar HR++ het dichten van kieren. Vergeleken met de iets jongere woningen zal dit alleen voor de buitengevel iets lastiger zijn vanwege het gemis van een te isoleren spouwmuur. Als alternatief kan
51
gekozen worden voor een voorzetwand aan de binnenzijde. Zodra dit gecombineerd kan worden met een natuurlijk moment, zoals bijvoorbeeld een verhuizing die gepaard gaat met een verbouwing, zijn de meerkosten beperkt.
Figuur 10: Het besparingspotentieel uit figuur 9 opnieuw weergegeven, maar nu van links naar rechts in volgorde van bouwjaar en van bijdrage aan totaal. De linker-as geeft het potentieel per woningcategorie, de rechter-as geeft de cumulatieve waarde. Het totale besparingspotentieel is af te lezen op de cumulatieve as: spijtvrij potentieel van 26 miljoen m3 aardgas en bijna 42 miljoen m3 maximaal. Ondanks het feit dat er bij de vooroorlogse rijwoningen (tussen-, hoek- en bis-woningen) reeds veel besparingen in het verleden zijn gerealiseerd is er nog steeds een omvangrijk besparingspotentieel. In figuur 10 zijn de woningen gegroepeerd naar bouwjaar. In het linker deel staan de woningen met bouwjaar vóór 1930 en die met bouwjaar tussen 1930 en 1945. In het rechter deel de nieuwbouwwoningen van na 2006, en daartussen de twee groepen van 1946-1974 en van 19752005. Duidelijk waarneembaar is dat het hoogste besparingspotentieel bij de oude woningen ligt. Uit figuur 10 kan geconcludeerd worden dat twee-derde deel van het totale besparingspotentieel voor aardgas afkomstig is van deze vooroorlogse woningen met een grote meerderheid voor de tussen- en meerlaagswoningen (laag+midden). Het overige deel is vooral afkomstig van de naoorlogse tussenen hoekwoningen (gelijk verdeeld over de periode vóór en na 1975).
De volgende conclusies kunnen worden getrokken voor de 67.000 particuliere woningen (eigenaar/bewoners) in de stad: • Veel van de eenvoudige en financieel meest efficiënte maatregelen zijn in het verleden al genomen. • Er is met name nog aardgasbesparing mogelijk bij de woningen van vóór 1945. Het betreft 24.000 tussen-, hoek-, en bis-woningen. • Het totale besparingspotentieel bij vooroorlogse woningen bedraagt 14 miljoen m3 aardgas per jaar, zijnde 50% van totale spijtvrije potentieel van particuliere woningen, • De overige 50% besparingspotentieel aardgas komt van de 27.000 naoorlogse woningen met aardgasaansluiting.
52
5. Elektriciteitsvraag in relatie tot het besparingspotentieel Van alle 157.000 woningen in de stad Utrecht is het elektriciteitsverbruik bekend bij Stedin. Op een vergelijkbare wijze als die van het aardgasverbruik zijn deze gegevens beschikbaar op PC6 niveau in het databestand van de gemeente Utrecht. De kentallen voor elektriciteitsverbruik per woningcategorie staan gegeven in Bijlage 2.
5.1.
Huidige verbruik
Alle woningen De totale elektriciteitsvraag van woningen in de gehele stad bedroeg 398 miljoen kWh in het jaar 2020. Deze hoeveelheid is in gelijke verhouding verdeeld over de woningen van eigenaar/bewoners en huurwoningen. Dit is getoond in onderstaande figuur 11. Het gemiddelde verbruik voor een particuliere woning bedraagt 2980 kWh.
Figuur 11: totaal elektriciteitsverbruik voor woningen in de stad Utrecht. Bovenstaande figuren laten zien dat er een verschil is tussen de grondgebonden woningen en de meerlaags woningen (laag-, midden- en hoogbouw). Bij grondgebonden (particuliere) woningen wordt er gemiddeld 3300 kWh verbruikt en bij meerlaagswoningen 2350 kWh. Toepassingen Elektriciteit wordt in of bij woningen vooral besteed aan huishoudelijke gebruik. In Nederland komen de volgende toepassingen vaak voor: - binnenverlichting (en een beperkt deel buitenverlichting) - keuken (koelkast, oven, keukenapparatuur) - elektronica voor communicatie, computers, beeld en geluid - schoonmaken (wasmachine, vaatwasser, droger, etc) - hulpenergie verwarming (pompjes, boiler, ventilatoren, etc) De totale elektriciteitsvraag blijft de laatste jaren vrij constant. De extra vraag naar nieuwe toepassingen (bijvoorbeeld meer beeldschermen) wordt gecompenseerd door een hogere efficiëntie (bijvoorbeeld het vervangen van traditionele verlichting door LED lampen). Daarnaast speelt mee dat steeds meer woningen gebruik maken van zonnepanelen voor de productie van elektriciteit op eigen woningdaken. Het gebruik daarvan stijgt sterk en op basis van CBS data wordt de productie van zonne-energie in het jaar 2019 ingeschat op gemiddeld 200 kWh per woning in de gemeente Utrecht. 53
Een deel van de opgewekte stroom wordt direct achter de meter in de woning gebruikt. Bij de meeste woningen ligt dit deel tussen 35 en 50% van de zonnestroomproductie. Dit deel is ‘onzichtbaar’ voor Stedin en wordt dus ook niet meegenomen in de verbruikscijfers van de woningen. Maar het betekent wel dat het elektriciteitsverbruik in de woningen gemiddeld hoger is dan de gemeten Stedin-waarden. In 2019 ging het om bijna 100 kWh gemiddeld per woning, waardoor het gemiddelde elektriciteitsverbruik per woning 2850 kWh bedraagt. Alle duurzame stroom die niet direct in de woning wordt gebruikt zal teruggeleverd worden aan het net. Dit leidt tot een toename van de lokale elektriciteitsproductie.
5.2. Ontwikkeling toekomstige elektriciteitsvraag De komende jaren verwachten we ontwikkelingen die de elektriciteitsvraag van woningen zal laten toenemen. De belangrijkste zijn: - Toename zonnepanelen - Toename in gebruik van particuliere oplaadpunten voor elektrische auto’s (en fietsen) - Elektrificering van warmtevraag als gevolg van de energietransitie naar aardgasvrij, bijvoorbeeld met warmtepompen Deze drie onderwerpen zullen vooral van invloed zijn op elektriciteitsvraag van grondgebonden woningen en minder bij meerlaagswoningen. Immers: - Meerlaagswoningen hebben beschikking over relatief kleine dakvlakken waardoor er minder gebruik gemaakt kan worden van zonnepanelen. Bovendien zullen de panelen minder vaak direct aangesloten worden op de meterkast van de woningen, waardoor er ook geen direct verbruik plaatsvindt. Daardoor gaat de energievraag van deze woningen niet omlaag. - Meerlaagswoningen kunnen geen individuele laadpalen per woning krijgen die aangesloten zijn op de eigen elektriciteitsmeter. Het elektriciteitsverbruik van huurders met een elektrische auto zal afgerekend gaan worden via een andere dan de energierekening. - Meerlaagswoningen hoogbouw zullen bij afsluiting aardgas een grotere kans hebben om aangesloten te worden op het Utrechtse stadswarmte-net en geen gebruik maken van warmtepompen.
In het volgende deel van deze paragraaf gaan we iets dieper in op de mogelijke ontwikkelingen voor elektriciteitsgebruik in de stad als gevolg van de transitie van aardgas naar een all-electric voorziening met warmtepompen. De focus ligt daarbij op grondgebonden woningen en meerlaagse (laag+midden) woningen. De stad heeft 98.000 woningen die binnen deze groep vallen en de helft daarvan is in bezit van particuliere eigenaar/bewoners. Een aanzienlijk deel van de particuliere woningen kan in potentie met een warmtepomp verwarmd gaan worden. Warmtepompen bij particuliere woningen Op dit moment is het nog onbekend welke wijken en buurten in de toekomst gebruik zullen gaan maken van warmtepompen voor verwarming en warmwater. Het is dus ook nog niet mogelijk om voor de betreffende woningen een prognose te geven voor het toenemende elektriciteitsverbruik als gevolg van de overstap van aardgas naar all-electric. Wel kunnen we een inschatting maken van de hoeveelheid elektriciteit die nodig zou zijn als de 48.000 particuliere grondgebonden woningen en de lage (en middelhoge) meerlaagswoningen overstappen van een aardgas CV-toestel naar een warmtepomp. Dit geeft dus de bovengrens van het extra elektriciteitsverbruik voor de particuliere woningen.
54
Voordat deze woningen gebruik kunnen gaan maken van een warmtepomp zullen ze aangepast moeten worden naar het Spijtvrije niveau. Dat is het isolatieniveau waarbij er met lage temperatuur kan worden verwarmd. In hoofdstuk 3 is geanalyseerd om welke woningen het gaat en wat de benodigde verwarmingsenergie is voor de diverse woningcategorieën. Hieruit is de hoeveelheid elektriciteit berekend die nodig is voor verwarmen, warmwater en koken. Daarbij is uitgegaan van gebruik van warmtepomp met COP is 3,5 voor verwarming en 2,5 voor warmtapwater. Een inductie kookplaat vervangt het aardgasfornuis. De resultaten staan in onderstaande figuur 12 gegeven voor particuliere woningen, exclusief hoogbouw. Zoals al eerder in hoofdstuk 3 geconstateerd gaat het dan met name om de categorieën vooroorlogse rij- en bis-woningen.
Figuur 12: Elektriciteitsverbruik voor verwarming, warmwater en koken per woningcategorie. Het betreft alleen de particuliere woningen. Grondgebonden en meerlaagse woningen, maar geen hoogbouw. In totaal zal er 145 miljoen kWh per jaar extra aan elektriciteit nodig zijn om deze groep van 48.000 particulieren woningen over te laten stappen van aardgas naar een all-electric warmtevoorziening. Daarmee wordt 45 miljoen m3 aardgas bespaard. In onderstaande figuur 13 is het totale elektriciteitsvraag van de woningen gegeven. Voor de gehele groep van 48.000 woningen zal de huidige elektriciteitsvraag van circa 175 miljoen kWh bijna verdubbelen naar ruim 300 miljoen kWh.
55
Figuur 13: Totaal elektriciteitsverbruik voor particuliere woningen. Grondgebonden en meerlaags(laag + midden). Dus geen hoogbouw. Huishoudelijk elektriciteitsverbruik aangevuld met verwarming, warmwater en koken. Uit de figuur blijkt dat het gemiddelde verbruik per woning stijgt van 3000 naar 6500 kWh per jaar. Voor grondgebonden woningen gaat het verbruik naar 7400 en voor meerlaagswoningen naar 4100 kWh per jaar. Opvallend is dat van het extra elektriciteitsverbruik (3500 kWh) ruim éénderde deel bestemd is voor warmwater en koken. Het aandeel verwarming is dus slechts tweederde. Dit is een gevolg van de hoge isolatiegraad in combinatie met het lagere omzettingsrendement van de productie van warmwater vergeleken met die van verwarmen. Het is dus zaak om in de toekomst voor een zorgvuldig ontworpen en efficiënte warmwaterproductie te kiezen, anders gaat warmtapwaterbereiding een onevenredig groot aandeel van het elektriciteitsverbruik opvragen.
56
6. Monitoring van voortgang energiebesparing woningen Een goede monitoring van energieverbruik in de stad is van belang om het resultaat van beleid te kunnen meten en indien nodig te kunnen bijsturen. Gegevens over het energieverbruik worden momenteel jaarlijks verzameld en openbaar gemaakt door Stedin en vervolgens door CBS ontsloten in portalen zoals de Klimaatmonitor. Hier worden de jaarcijfers gepubliceerd over bijvoorbeeld totale energieverbruiken voor de stad en per wijk/buurt. Ook worden er voor de gehele stad gemiddelde verbruiken per woning berekend. Daarmee kan op hoofdlijnen de voortgang per jaar bijgehouden worden, maar dit is onvoldoende nauwkeurig om de resultaten van beleid te kunnen monitoren. Specifiek betreft het de volgende punten. - De cijfers van Stedin geven geen getrouw beeld aangezien deze het gehele bestand van kleinverbruikers monitoren, dus ook alle gebouwen en objecten die geen woningen zijn.
-
De cijfers van CBS zijn met name onvoldoende nauwkeurig in de combinatie van buurt en woningtype.
In dit hoofdstuk wordt een methode voorgesteld waarmee op kleinere schaal (postcode6 niveau) en met grotere nauwkeurigheid de ontwikkeling van energiebesparing bij particuliere woningen op jaarbasis kan worden gevolgd. Daarmee is de actuele stand van zaken gedetailleerd beschikbaar, kunnen buurten met substantieel besparingspotentieel geïdentificeerd worden en kan de voortgang van beleid of concrete projecten gevolgd worden.
6.1. Toegepaste methode De hier voorgestelde methode maakt gebruik van de eerder benoemde bronnen (Stedin en BAG) en combineert deze met de in dit rapport gepresenteerde verbruiken per woningcategorie. In de kern worden er drie stappen uitgevoerd waarmee de nauwkeurigheid en de detaillering sterk verbeterd is ten opzichte van de data uit de Klimaatmonitor:
1) De gemeten jaarlijkse energieverbruiksdata van Stedin geven informatie over het totaal
aantal aansluitingen van alle kleinverbruikers in de stad. Door deze te vergelijken met de woningdata van gemeente Utrecht zijn data van meetgegevens afgeleid voor elke individueel PC6-gebied en opgesplitst naar de totalen voor woningen, overige gebouwen en overige objecten.
2) De data per PC6-gebied zijn gecategoriseerd naar drie niveaus van postcodegebieden,
namelijk de ‘zuivere’ gebieden (alléén woningen in PC6-gebied), de ‘schone’ gebieden (merendeel met woningen en slechts een beperkte aanwezigheid van overige kleinverbruikers) en tenslotte de ‘vervuilde’ gebieden (met veel invloed van overige gebouwen/bedrijven en objecten). Voor de verdeling in de laatste twee categorieën is gebruik gemaakt van een vergelijking met de Renow-simulatieberekeningen. Hiermee is voor een groot deel van de postcodegebieden (85% bij aardgasverbruik en 65% bij elektriciteitsverbruik) het energieverbruik nauwkeurig aan de woningen toe te delen. 3) Tenslotte kunnen de energieverbruiken van de woningen per PC6-gebied met behulp van de Renow-simulaties verdeeld worden naar particuliere woningen, huur- en overige woningen. Met deze laatste stap is per PC6-gebied zowel het aantal particuliere woningen bekend (inclusief kenmerken type, bouwjaar, grootteklasse) als het actuele energieverbruik. Dit geeft de basis voor een nauwkeurige en gedetailleerde jaarlijkse monitoring.
57
6.2. Monitoringresultaten periode 2013 t/m 2020 Als voorbeeld voor de mogelijke monitoring op gemeentelijk niveau worden de resultaten gegeven voor de afgelopen jaren vanaf 2013. Voor de komende jaren zullen deze resultaten op vergelijkbare wijze gevolgd kunnen gaan worden. Hierbij is het goed om te beseffen dat deze resultaten hier op het niveau van de gehele gemeente worden gepresenteerd, echter deze zijn opgebouwd met de individuele resultaten die bepaald zijn per PC6-gebied. Hiermee kunnen de resultaten dus ook gedetailleerd op de kaart van Utrecht gepresenteerd worden (zie volgende hoofdstuk 7). Er zijn monitoringsdata beschikbaar van: 1) Het aantal gebouwen en objecten in de gemeente en het aantal energieaansluitingen.
2) Het totale gemeten energieverbruik (aardgas, elektriciteit) en ingeschatte warmteverbruik (stadswarmte) voor woningen.
3) Dezelfde gegevens voor particuliere koopwoningen. 4) De gemiddelde verbruiken per (koop)woning.
In dit hoofdstuk wordt alleen het laatste onderdeel met de gemiddelde aardgas, elektriciteit en warmte verbruiken van woningen gepresenteerd. In bijlage 3 zijn alle overige resultaten beschreven. Gemiddelde energieverbruiken Met de tussenresultaten uit bijlage 3 over de aantallen aansluitingen en de totale energieverbruiken kan per woning het gemiddelde berekend worden. De resultaten staan in de figuren hieronder.
Figuur 14a: Gemiddeld elektriciteitsverbruik per woning (alle woningen en alleen koopwoningen)
Figuur 14b: Gemiddeld aardgasverbruik per woning (alle woningen) en voor alleen koopwoningen. Bij koopwoningen worden twee waardes gegeven. Het gemiddelde verbruik van koopwoningen kan gemiddeld worden over alle koopwoningen met een aardgasaansluiting, of alleen die met volledig gebruik van aardgas (dus zonder kookgas). Die laatste groep is kleiner waardoor het gemiddelde verbruik hoger ligt. Dit is de groep die het meest betrouwbaar het werkelijk gemiddelde verbruik definieert. 58
Figuur 14c: Gemiddeld warmteverbruik per woning. Geconcludeerd kan worden dat alle gemiddelden de afgelopen jaren zijn gedaald. Uit de figuren zijn een paar opvallende zaken te benoemen: - Alle gemiddelde verbruiken liggen voor koopwoningen hoger dan voor de groep van alle woningen in de stad. Dit is een gevolg voor de gemiddeld grotere omvang van koopwoningen.
- Alle grafieken geven in het jaar 2018 een onregelmatigheid. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door een onregelmatigheid in de brondata van Stedin (zie bijlage 3 voor meer informatie).
- Alle verbruiken, zowel voor elektriciteit als aardgas geven een verhoging in het jaar 2020 op het gemiddelde verbruik. Dit lijkt een gevolg van Covid19 pandemie waardoor een grote groep mensen is gaan thuiswerken vanaf maart 2020.
- Het gemiddelde elektriciteitsverbruik voor koopwoningen daalt van 2013 t/m 2019 met gemiddeld 1,5%.
- Het gemiddelde aardgasverbruik voor koopwoningen daalt van 2013 t/m 2019 met gemiddeld 1,5%
- De warmteverbruiken laten ook een daling zien (0,5% per jaar). Dit is niet afkomstig van een
besparing, immers de warmteverbruiken worden niet gemeten, maar ingeschat op basis van woningkenmerken. De daling wordt dus veroorzaakt doordat er gemiddeld meer woningen komen van jongere leeftijd die op stadswarmte zijn aangesloten. Door de verbeterde bouwnorm daalt het warmteverbruik. De vraag is of het lagere verbruik van aardgas misschien ook een gevolg is van een aanwas van nieuwe woningen. Dit is gecontroleerd door ook de aardgasverbruiken te bekijken van alleen de koopwoningen van vóór het bouwjaar 2012 (zie onderstaande figuur 15). Het blijkt dat de energiebesparing bij die groep 1,2% per jaar bedraagt. Dus de besparingscijfers op aardgasverbruik van 1,5% voor de gehele groep wordt voor slechts een klein deel beïnvloed door de nieuwe woningen.
Figuur 15: Effect van nieuwe woningen op de besparingscijfers van aardgas.
59
6.3. Toekomstig gebruik monitoringmethode Met de hier gepresenteerde methode voor de monitoring van energieverbruiken van woningen in de stad Utrecht wordt een aanvulling gegeven op de gegevens uit de landelijke klimaatmonitor van CBS. In zowel de klimaatmonitor als in de Statline database van CBS worden diverse overzichten gegeven van energieverbruiken, zowel totale als gemiddelden. In onderstaande figuur 16 zijn de gegevens over specifiek aardgasverbruik in de gemeente Utrecht zoals gegeven door de klimaatmonitor gepresenteerd naast die van de nieuwe methode. Door de wijze van presentatie van CBS lijken alle gemiddelde verbruiken lager te liggen dan circa 1200 m3 aardgas per jaar gemiddeld en bovendien kunnen trends sterk fluctueren. Dit is een gevolg van de definities die CBS hanteert en de wijze waarop gecorrigeerd wordt voor temperatuur gemiddelden over de jaren. De groene lijnen komen overeen met resultaten uit deze studie die in voorgaande paragrafen zijn beschreven. De onderste groen lijn (Utrecht/Renow) en de bovenste bruine lijn (CBS) kennen dezelfde definitie en lijken vanaf 2018 exact overeen te komen. Dit toont aan dat de data van CBS en Utrecht op dit punt overeen komen. Maar van CBS zijn ook data bekend die circa 10-15% af kunnen wijken van de Utrechtse studie.
De achterliggende oorzaak daarvan hebben we niet kunnen achterhalen door gebrek aan inkijk in de CBS data.
Figuur 16: vergelijking van diverse CBS definities van gemiddelde verbruiken (rood/bruin) met resultaten uit deze studie (groen). CBS heeft nog geen data beschikbaar van het jaar 2020. De monitoringsmethode in deze studie is in de proeffase opgesteld in een excel bestand. Aanbevolen wordt de algoritmes over te nemen in het Utrechtse energie/woningen databestand zodat de gemeente vanaf volgend jaar ook zelfstandig de monitoring met analyses uit kan voeren. Naast bovenstaande resultaten zijn er meer analyses uit te voeren met deze methode. Bijvoorbeeld kan de mate van introductie van warmtepompen in de stad gemonitord worden en de wijken/buurten waar dit plaats vindt. Maar de direct meest kansrijke mogelijkheid is de presentatie van gemeten energieverbruiken per postcodegebied in de kaart van Utrecht. Door combinatie van andere gegevens uit deze studie, zoals besparingspotentieel, ontstaat een krachtig instrument waarmee energie-initiatieven in de stad ondersteund kunnen worden. Zie volgende hoofdstuk.
60
7. Informatiekaarten De resultaten van dit rapport bestaan uit twee soorten informatie: - Kentallen voor gemiddeld huidige verbruik, besparingspotentieel en prognose van toekomstig gebruik per woningcategorie (hoofdstuk 4 en 5) - Werkelijk gemeten energieverbruiken (aardgas, elektriciteit) voor woningen per postcodegebied (hoofdstuk 6). Daarmee is gedetailleerde informatie verkregen over de situatie in de stad die bovendien inzichtelijk geplot kan worden op kaarten van de stad of van de diverse wijken. Er zijn 4 typen kaarten gemaakt die in dit rapport voor één voorbeeldwijk worden beschreven
Vier kaarttypen: Kaarttype 1: Gemeten aardgas- en elektriciteitsverbruik voor woningen per PC6-gebied. Bepaald met de in hoofdstuk 6 beschreven methode. Voor een groot deel van de postcodegebieden zijn deze verbruikscijfers bewerkt naar verbruikscijfers per eigendomsvorm (zoals bijvoorbeeld particuliere woningen). Voor 5400 postcodegebieden is het gemeten aardgasverbruik met grote nauwkeurig te geven. Hetzelfde geldt voor 4600 gebieden met elektriciteitsverbruiken. Deze representeren respectievelijk 85% (aardgas) en 65% (elektriciteit) van de woningen in de stad. Voor de overige postcodegebieden zijn de werkelijke verbruiksgegevens voor woningen wel bekend, minder nauwkeurig, maar nog steeds waardevolle informatie. Deze kaart kan gebruikt worden om buurten en wijken te identificeren met de hoge energieverbruiken. Bovendien kunnen de prestaties van energiebesparingsprogramma’s gemonitord worden. Kaarttype 2: Vergelijkbare kaart als die van type 1, maar nu alleen voor het gemeten aardgasverbruik. De werkelijke verbruiksgegevens voor verwarming, warmwater en koken worden in deze kaart vergeleken met de verwachte verbruiken op basis van het gemiddeld huidige verbruik (zie hoofdstuk 4). Deze zijn voor elk postcodegebied zeer gedetailleerd bepaald per woningcategorie en per postcodegebied.
Daarmee geeft de kaart aan in welke postcodegebieden er meer of minder dan verwacht energieverbruik is. De kaart geeft aan waar de ‘hotspots’ van aardgasverbruik voor alle woningen in de stad Utrecht zijn. Kaarttype 3: Prognose van toekomstig energieverbruik (VW&K) zodra alle woningen naar niveau Spijtvrij zijn gerenoveerd. Kaarttype 4: Gemiddeld berekend besparingspotentieel voor VW&K per PC6 gebied. Berekend ten opzichte van werkelijke verbruiken (PC6-gebieden met aardgasaansluiting, kaarttype 2a) of gemiddelde gesimuleerde verbruiken (stadswarmte-aansluiting of all-electric, kaarttype 2b). Deze kaart geeft de hotspots voor besparingsmogelijkheden. De kaarttypen 2, 3 en 4 (huidig verbruik, toekomstig gebruik en besparingspotentieel) zijn beschikbaar met informatie over verbruik per m2 gebruiksoppervlakte, per woning en per PC6gebied. Kaarten van gehele stad Utrecht, per wijk of per buurt Voor de gehele stad Utrecht zijn de kaarten beschikbaar gemaakt en in één totaaldocument verzameld. Met deze basiskaart kunnen op detailniveau per buurt of wijk analyses uitgevoerd worden.
61
De kaart is met behulp van een reader eenvoudig benaderbaar voor medewerkers van de Gemeente Utrecht. In bijlage 4 staat een voorbeeld uitgewerkt voor de wijk Lombok.
62
Bijlage 1: Beschrijving van werkmethode en gebruik databestanden B1.1 Databestand Gemeente Utrecht De gemeente Utrecht beschikt over een databestand van de woningen in de stad. In dat bestand is ook het energiegebruik van woningen in beeld gebracht. Op individueel woningniveau zijn diverse kenmerken in het bestand opgenomen. Het gaat bijvoorbeeld over bouwjaar, grootte en type woning, maar ook over eigendom of verhuur. Het verbruik van aardgas, stadswarmte (SW) of elektriciteit kan echter niet per individuele woning gekoppeld worden aan het databestand. Dat is een gevolg van privacyregelgeving. Als alternatief zijn de verbruiken per woningcategorie bepaald. Hoe dat is gedaan is in de deze bijlage beschreven.
Meetgegevens energie per postcodegebied Het netwerkbedrijf Stedin meet de energieverbruiken van woningen in de stad Utrecht en maakt deze openbaar op het niveau van postcode-6 (PC6) gebieden. De stad is onderverdeeld in ruim 8400 verschillende postcodegebieden. Binnen deze gebieden hebben 146.000 woningen een elektriciteitsaansluiting. Van deze woningen hebben er 107.000 tevens een aardgasaansluiting en circa 50.000 een SW-aansluiting. Een deel van de woningen heeft dus zowel SW als aardgas, waarbij aardgas meestal voor koken gebruikt wordt en de SW voor verwarming en warmwater. Stedin levert de gegevens alleen voor aardgas en elektriciteit. De SW-verbruiken zijn niet openbaar en kunnen dus niet meegenomen worden in de analyses. Met de gemeten energiedata op PC6-niveau is het bestand van de gemeente gevoed. Daarmee zijn per postcodegebied het aantal woningen bekend met individuele kenmerken per woning en het totale aardgas- en elektriciteitsgebruik: Per PC6-gebied Per woning Aantal woningen
Type Bouwjaar Gebruiksoppervlakte (GO)
Aantal elektriciteitsaansluitingen en gemiddelde kWh/jaar Aantal aardgasaansluitingen en gemiddelde m3/jaar Aantal stadswarmte-aansluitingen Tabel B1.1: beschikbare gegevens per postcode-6-gebied
B1.2 Renow-model Energiepaleis heeft de afgelopen jaren het rekenmodel Renow ontwikkeld dat bestemd is voor gebruik bij particuliere woningverbeteringen. Het model is in de periode 2018-2020 beoordeeld door diverse experts van TNO, Nieman en Berenschot5 Hiermee is een model beschikbaar waarmee direct,
5
63
AF Kruithof en H.J.J. Valk, Nieman, Beoordeling spijtvrije concepten Energiepaleis juli 2020 R. Niessink en C. Tigchelaar, TNO, Review Energiepaleis Rekentool Woningen 11 maart 2020R. Bianchi, Berenschot, Beoordeling model Energiepaleis, 31 oktober 2018 op grond van eenvoudig te bepalen kenmerken van een woning, een betrouwbaar beeld gekregen wordt van de energiebehoefte. Daarmee kunnen onderbouwde inschattingen gegeven worden over energieverbruik en comfort in woningen, zowel in de bestaande situatie als bij gebruik van renovatieconcepten.
Analysemodel Renow Het Renow-model werkt met de volgende gegevens: - Invoer woningenkenmerken op basis van landelijke gemiddelden - Invoer thermische kwaliteiten van gebouwschil (isolatie, beglazing, kierdichting) op basis van bouwjaar - Invoer installaties (verwarming, warmwater, koken, ventilatie, zonne-energie) op basis van bouwjaar. Default gebruik van aardgas HR-combitoestel met keuzemogelijkheden voor warmteleveringen met elektriciteit (en omgevingswarmte), warmtedistributie, biobrandstoffen of alternatieve gassoorten. - Invoer omvang huishouden en huishoudelijke elektriciteitsgebruik op basis van landelijke gemiddelden per woningcategorie - Invoer gebruikersgedrag op basis van landelijke gemiddelden (thermostaatinstellingen, warmtapwatergebruik, ventilatiegedrag, elektriciteitsgebruik) - Correctie binnentemperatuur (winter) op basis van schilkwaliteit en schilfactor (= schiloppervlakte/gebruiksoppervlakte) - Correctie gebruik van interne warmte op basis van thermische kwaliteit en ingestelde binnentemperatuur. - Naast bovenstaande mogelijkheden van automatische invoer zijn de gegevens ook handmatig aan te passen. Met het Renow-model kan voor elke woning het energieverbruik berekend worden in de oorspronkelijke (bouwjaar) uitvoering en/of een prognose gegeven worden van toekomstige energiebesparing.
Renow Renovatieconcepten Als uitgangspunt voor besparingsberekeningen maakt Renow gebruik van een aantal veel voorkomende prestatieniveaus die als ‘concepten’ zijn gedefinieerd. De volgende concepten zijn te kiezen: - Oorspronkelijke bouw, zonder extra isolatie, met HR-combitoestel. Een viertal vaste renovatieconcepten: - Concept Basis: beperkte isolatie aangebracht (Rc is gemiddeld 1,0) en enkelglas vervangen door dubbelglas - Concept Comfort: voldoende isolatie aangebracht (Rc_gem=2) en in woonkamer HR++ glas. Mechanisch ventilatie. - Concept Duurzaam: goede isolatie (Rc_gem=3), en in woonkamer en werkkamers HR++ glas. Vraaggestuurde ventilatie. - Concept Nul-op-de-meter (NOM): uitstekende isolatie (Rc_gem=4), alle beglazing HR++, balansventilatie met warmteterugwinning. En een bijzonder 5e concept ‘Spijtvrij’ - Concept Spijtvrij geeft de minimale schilkwaliteit van de woning om in de toekomst over te kunnen gaan naar een LT-verwarmingssysteem. De invulling van dit concept is afhankelijk van de woningkenmerken. Bijvoorbeeld varieert de minimaal benodigde Rcwaarde van circa 2 (grote tussenwoningen) tot 3,5 (kleine vrijstaande woningen) en zijn er keuzemogelijkheden voor het ventilatiesysteem. 64
De concepten kunnen stapsgewijs in de loop der jaren worden opgebouwd, bijvoorbeeld gelijktijdig met natuurlijke verbetermomenten. De Renow-concepten zijn globaal vergelijkbaar met de labels zoals beschreven in onderstaande tabel. RENOW concept
komt ongeveer overeen met
Oorspronkelijk
Label is afhankelijk van bouwjaar
Basis
Label D
Comfort
Label C
Spijtvrij
Label B
Duurzaam
Label A
NOM Label A+ of beter Tabel B1.2: vergelijking Renow-concepten met woninglabels De concepten worden hieronder op hoofdlijnen besproken. Tevens zijn voorbeelden van passende bijbehorende maatregelen genoemd. Concept Basis: Doel is energiebesparing met eenvoudige losse (quick-win) ingrepen. • Van toepassing bij woningen van vóór 1974. • Selectie uit maatregelen: - Kierdichting ramen - Radiatorfolie aanbrengen - Leidingisolatie - Spouwmuurisolatie, vloerisolatie - Enkelglas vervangen Concept Comfort: Doel is voldoende comfortabel en gezond binnenklimaat, energiekostenbesparing. • Bij vooroorlogse woningen is een pakket van beperkt ingrijpende maatregelen nodig, met name de schil. • Voorbeelden van maatregelen: - Spouwmuurisolatie - Binnenzijde hellend dak, buitenzijde plat dak - Vloerisolatie - Glas vervangen in woonkamer (HR++ of HR+) - Kierdichting ramen en deuren Concept Duurzaam: Doel is een laag energieverbruik en toepassing duurzame energie. Zeer goed comfort en gezond binnenklimaat. • Bij vooroorlogse woningen is naast een pakket van ingrijpende bouwkundige maatregelen ook aanpassingen nodig in ventilatiesysteem. • Voorbeelden van maatregelen: - Dakisolatie, bij voorkeur aan buitenzijde.