CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Commissie Energie(transitie), Duurzaamheid, Vastgoed en Wonen (2022-2026) 21 april 2022, gemeente Utrecht31.012 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Als we uitgaan van het huidige energieverbruik in de stad (peiljaar 2020) en de huidige CO2 -emissiefactoren voor gas, warmte levert de besparingsdoelstelling van 30% in 2050 een besparing van ruim 126.000 ton CO2 op als we kijken naar warmte en gas. De verdere vermindering van de CO2 uitstoot in de stad zal via de verduurzaming van de (warmte)bronnen moeten komen. We rapporteren jaarlijks over de daadwerkelijke stedelijke CO2 -emissie in de Voortgangsrapportage Energie in de stad. Haalbaarheid van de 30% besparingsdoelstelling in 2050 is geen gegeven Het realiseren van deze besparingsdoelstellingen is geen gegeven. Ten eerste gaan we de komende tijd ervaren en leren hoe effectief onze activiteiten en instrumenten uit de bijgevoegde uitvoeringsplannen zijn. Daarnaast zijn we ook afhankelijk van externe ontwikkelingen die in beweging zijn zoals: -

De beschikbaarheid van subsidies uit het rijk De bereidheid en gevoel van urgentie van bewoners om aan de slag te gaan De ontwikkeling van de energieprijzen De economische situatie Het oplossen van belemmeringen vanuit de wet- en regelgeving (bijvoorbeeld Wet Natuurbescherming en erfgoed) De mogelijkheid dat het rijk met meer verplichtende regelgeving komt, bijvoorbeeld het uitfaseren van de Cv-ketel. En het beschikbaar zijn van de benodigde vakmensen.

Ook mogelijke toekomstige verplichtende regelgeving over de energieprestatie bij woningen, bedrijven en instellingen vanuit Europa kan een belangrijke rol gaan spelen in het halen van de doelstelling. We opereren in dit programma in een continu veranderend speelveld en zullen onze inzet en instrumenten daarop gaandeweg moeten gaan aanpassen. We zetten wel een stip op de horizon over waar we naar toe willen. Zodat we dit ook kunnen communiceren aan onze bewoners en hen het handelingsperspectief kunnen bieden om daar naar eigen inzicht en tempo op in te kunnen spelen.

9

Onderbouwing doelstelling 30% in 2050 bij woningen Uit een onderzoek van adviesbureau Energiepaleis (bijlage 2) blijkt dat er in veel Utrechtse woningen al isolatiemaatregelen zijn genomen, maar ook dat er nog veel besparingspotentieel is. Tot nu toe zijn met name de wat simpelere maatregelen zoals spouwmuurisolatie en dubbel glas genomen. Dat weten we op basis van kennis van het huidige woningbestand, maar we kunnen dat ook terugzien in het huidige verbruik van deze woningen: als ze nog in originele staat waren geweest, dan had het verbruik veel hoger gelegen. Er is echter in veel woningen nog steeds veel energiebesparingspotentieel te benutten, met name met wat ingewikkelder en ingrijpender maatregelen, zoals dakisolatie. Er is nog een besparingspotentie van 30-37% bij woningen blijkt uit het onderzoek. In het hoofdstuk visie & strategie gaan we uitgebreider in of met de voorgestelde strategie of de doelstelling in 2050 haalbaar is. Onderbouwing besparingsdoelstelling zakelijk en maatschappelijk vastgoed Uit onderzoek van CE Delft (Raadsbrief Transitievisie warmte: resultaten onderzoek aardgasvrije bedrijventerreinen, 20 april 2021) voor duurzame bedrijventerreinen blijkt dat er voldoende potentie voor een besparingspotentieel van gemiddeld circa 30% is.

Dit potentieel is opgebouwd uit energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van korter dan vijf jaar plus het isoleren van de gebouwschil naar energielabel B, daarmee wordt het gebouw geschikt voor lage temperatuurverwarming. Voor de bedrijven en instellingen in de woonwijken sluiten we aan bij het besparingspotentieel van circa 30% dat uit het onderzoek van adviesbureau Energiepaleis bij woningen naar voren komt. Daarnaast is er bij bedrijven en instellingen meer dan bij woningen ook sprake van een besparingspotentieel door de toepassing van energiebesparende maatregelen op het vlak van installaties, verlichting en bedrijfsprocessen.

10

Visie en strategie In dit programma is de inzet voor energie besparen bij woningen en zakelijk- en maatschappelijk vastgoed onder één overkoepelende doelstelling, visie en strategie opgenomen. Op basis van onze ervaringen uit voorgaande jaren op projecten voor energie besparen wonen en zakelijk en maatschappelijk vastgoed en de input die is opgehaald bij stakeholders en met het Stadsgesprek Nieuwe Energie (Raadsbrief Uitkomsten Stadsgesprek Nieuwe Energie Utrecht, 25 mei 2021) zijn een aantal uitgangspunten en een strategie voor dit programma opgesteld. In bijlage 1 een uitgebreid overzicht opgenomen van de evaluatie, resultaten en conclusies op energie besparen uit voorgaande jaren. Visie op het programma energie besparen Voor energie besparen gaan we uit van de volgende uitgangspunten: 1. Iedereen doet mee aan energie besparen 2. Iedereen doet op eigen tempo de benodigde aanpassingen; op een natuurlijk of een van buitenaf gecreëerd verandermoment 3. Verandermomenten laten we niet onbenut of een gemiste kans zijn; iedereen past toekomstbestendige maatregelen toe. 4. Iedereen die dat wenst kan van het begin tot het eind informatie, advies en ondersteuning krijgen: ontzorgen van de zogenoemde ‘klantreis’ 5. Naast de gemeente, gaan ook andere partijen bewoners, bedrijven en instellingen op het juiste moment attenderen en helpen om energie te besparen

Figuur: Ter illustratie: klantreis voor wonen 11

Het doel van het programma energie besparen gebouwde omgeving is om de komende jaren energie besparen bij inwoners, bedrijven en instellingen aan te jagen en belemmeringen op te lossen zodat een versnelling en opschaling bij het energie besparen bereikt wordt. De samenhang tussen maatregelen staat in het programma energie besparen centraal De samenhang van de maatregelen en de verbinding naar andere thema’s staat in het nieuwe programma energie besparen centraal. Het programma brengt meer samenhang in de instrumenten die we in de gemeente aanbieden en sluit aan bij de buurtgerichte aanpak die in de Transitievisie warmte is uitgewerkt. Het programma anticipeert ook op de benodigde temperatuurverlaging die uiteindelijk in het collectieve warmtenet nodig is en zoals is afgesproken met de warmteleverancier. Zowel woningen als zakelijk en maatschappelijk vastgoed zijn in één programma samengebracht, hoewel de inzet per doelgroep kan verschillen. Ook zijn alle doelgroepen waarop we ons kunnen richten in dit programma opgenomen. Voor sommige doelgroepen, zoals de particuliere verhuurders, gaan we de komende tijd nog nieuwe aanpakken ontwikkelen.

Het programma focust de inzet op verandermomenten, gebouwen met het meeste besparingspotentieel en het ontwikkelen van een collectief aanbod De meeste gebouweigenaren nemen maatregelen op natuurlijke verandermomenten, dat is het meest kosteneffectief en geeft het minste gedoe. De natuurlijke verandermomenten zijn zeer divers. Dit kan zijn omdat er onderhoud of verbouwingsplannen zijn, maar ook vanwege een verhuizing, het ontvangen van een erfenis of omdat er een alternatief warmteaanbod vanuit de buurtgerichte aanpak is. In de uitvoeringsprogramma’s en de communicatiestrategie spelen we in op deze verandermomenten. Gebouweigenaren van woningen en zakelijk en maatschappelijk vastgoed moeten weten waar ze informatie kunnen vinden en terecht kunnen als ze aan de slag gaan.

12

Toelichting verzilveren besparingspotentieel

Deze grafiek laat zien hoe we in 2050 opgeteld tot 30% reductie van het energieverbruik voor woningen verwachten te komen. De verticale as geeft het percentage woningen weer waar het potentieel verzilverd is, de horizontale as geeft de tijd weer. Om de besparing te behalen is de strategie gericht op het besparingspotentieel en natuurlijke momenten. Dat vertaalt zich in drie onderdelen, die ieder de komende jaren zullen stijgen: onderhoudsmomenten, comfortverbetering en verhuizing. We weten nu niet zeker of al deze aanleidingen gebruikt zullen worden, vandaar dat we voor ieder onderdeel een bandbreedte hanteren. Ook zal er overlap zijn tussen deze onderdelen of soms juist een stapeling. Daardoor achten we het aannemelijk dat de onderdelen gezamenlijk “optellen” tot 90%, maar mogelijk zelfs 100% verzilvering van het besparingspotentieel. Soms wordt een woning aangepakt vanwege een verbouwing, soms vanwege onderhoud en soms omdat een eigenaar de woning wil moderniseren. Met deze optelsom verwachten we het doel van 30% reductie op het energieverbruik te behalen. Dat gaat niet vanzelf. We zullen woningeigenaren regelmatig moeten attenderen op het potentieel en op de natuurlijke momenten. En waar hulp gevraagd of geboden is, staan we klaar, met ons instrumentarium, om ze te helpen gedurende de klantreis.

Bij deze grafische weergave van het besparingspotentieel zijn een aantal uitgangspunten aangenomen: - Een woning hoeft niet volledig verduurzaamd te worden naar bijvoorbeeld energieneutraal, maar de optelsom van de componenten moet leiden tot een spijtvrij-niveau’, om met de woning op de toekomst voorbereid te zijn. - We weten uit statistieken dan een woningeigenaar gemiddeld om de 7 tot 10 jaar verhuisd (een woning gaat dus tot 2050 gemiddeld zo’n 3 à 4 keer naar een andere eigenaar). We starten deze lijn op 0%

13

- Veel woningeigenaren gaan bij het betrekken van een andere woning verbouwen, waardoor een aanleiding ontstaat om ook meteen te verduurzamen - Steeds vaker zijn comfortverbeteringen als isolatieglas, vloer- en spouwmuurisolatie een ‘nieuw normaal’: een groeiend aantal woningeigenaren vindt dat dat bij een moderne woning hoort. En bij veel woningen is dat ook al gedaan, vandaar dat deze in de grafiek bij 20% begint. - Pas vanaf 1992 zijn bij de bouw van een nieuwe woningen eisen aan isolatie gesteld, die sindsdien regelmatig zijn aangescherpt. Voor die woningen geldt dat er minder natuurlijke momenten zijn omdat ze al een zeker mate van isolatie (glas, spouwmuur) hebben. Daarom start dit scenario op 30% begin van de verticale as. Sturen op natuurlijke momenten Het verbeteren van een woning kan dus vanwege achterstalligonderhoud, comfortwensen of verbouwingsplannen. Maar de woningverbetering kan ook ontstaan of versneld worden door diverse andere aanleidingen. Denk bijvoorbeeld aan het ontvangen van een erfenis, een verhuizing of stijgende energieprijzen. Door aan de woningverbetering besparende energiemaatregelen te koppelen, wordt zo’n moment optimaal benut.

Voorbeelden sturen op natuurlijke momenten Een voorbeeld hoe de gemeente inspeelt op woningverbetering vanwege onderhoud, is het attenderen van woningeigenaren op de staat van hun dak en ze collectieve begeleiding aan te bieden om hun dak te verbeteren inclusief passende isolatie. We sporen de betreffende daken op via een ‘dakenkaart’. In het aanbod is rekening gehouden met mogelijke belemmeringen zoals de aanwezigheid van beschermde diersoorten. Een voorbeeld van hoe de gemeente inspeelt op woningverbetering vanwege comfort, is het aanbieden van collectieve inkoopacties met o.a. spouwmuurisolatie. Een voorbeeld van een onderhoudsmoment is als bewoners een nieuwe keuken aanschaffen of als de cv-ketel moet worden vervangen. Op dat moment attenderen we bewoners op de mogelijkheden voor elektrisch kopen of de vervanging van een ketel door een hybride warmtepomp. Overigens zijn dit voorbeelden waarbij we juist de andere partijen in de stad (keukenverkopers of installatiebedrijven) deze boodschap aan bewoners willen laten meegeven. Dit hoeft niet de gemeente te zijn. Een verbouwing komt ten opzichte van onderhoud en comfort minder vaak voor. Het is van het belang dat we hier voorafgaand aan de verbouwing woningeigenaren op attenderen en zo nodig helpen om meteen energiebesparende maatregelen te treffen.

Door bijvoorbeeld handelingsperspectief te bieden via makelaars (aankoop) of banken (financiering). Zakelijk en maatschappelijk vastgoed De voor woningen benoemde natuurlijke momenten zijn ook in grote lijnen van toepassing op zakelijk en maatschappelijk vastgoed. De natuurlijke momenten komen voort uit de meerjaren onderhoudsbegroting voor het gebouw of verplichting om energiebesparende maatregelen te nemen. Het verbouwingsmoment vindt vaak plaats bij een wisseling van huurder of eigenaar van het gebouw. Deze momenten worden niet altijd gebruikt, met name niet bij sectoren waar een relatief hoge omloopsnelheid is van huurder, zoals bij de horeca en detailhandel. Comfortverbetering is voor zakelijk en maatschappelijk vastgoed deels een apart moment, bijvoorbeeld als een huurder of eigenaar voor lange tijd in het pand zit en vanuit motivaties als comfortverbetering, een aantrekkelijke werkgever zijn, een intrinsieke duurzaamheidsmotivatie, of omdat er subsidie beschikbaar komt. Daarnaast wordt comfortverbetering ook vaak meegenomen bij het natuurlijke of verbouwingsmoment. De verwachting is dat we met deze momenten het besparingspotentieel tot 2050 gaan halen.

14

Daarnaast spelen we in op gebouwen en woningen met het meeste besparingspotentieel. Uit onderzoek van Energiepaleis (bijlage 1) blijkt dat er een besparingspotentieel van 30-37% in de Utrechtse woningen is, ondanks dat er al veel (kleinere) isolatiemaatregelen zijn genomen. We willen door middel van data toepassingen de hot spots voor dit besparingspotentieel in de stad vinden. Die woningen, bedrijven en instellingen kunnen we een gericht collectief aanbod bieden, aangepast aan het woningtype waarin zij wonen en waarin mogelijke belemmeringen zijn ondervangen.

Figuur: besparingspotentieel woningen gebaseerd op m2 woningoppervlakte. Hoe paarser het woningblok is hoe meer besparingspotentieel er is. Uitsnede besparingspotentieel Tuindorp. De inzet op het meeste besparingspotentieel (vaak zijn dat ook de slechtste energie labels) betekent ook een kostenefficiënte aanpak: het “laaghangend fruit” zoals het vervangen van enkel glas en het aanpakken van geïsoleerde spouwmuren en vloeren levert grote besparing op. Inzet uitbreiden om zakelijk en maatschappelijk vastgoed meer te laten doen dan wettelijk verplicht. Voor het zakelijke en maatschappelijke vastgoed richten we ons in dit programma voornamelijk op de vrijwillige inzet van bedrijven. Daarom is het belangrijk om aan te sluiten op motivaties van zakelijk en maatschappelijk ondernemers om verder te gaan dan de drijfveer “Compliance” (voldoen aan wetregelgeving door het nemen van de verplichte energiebesparende maatregelen) door een aanbod te doen dat zich richt op: •

Haalbare businesscase: door als ondernemer of instelling energiebesparende maatregelen toe te passen (zoals goed inrichten van installaties, toepassen van isolatie, duurzame verlichting), besparen ze geld op de energierekening. Zo ontstaat er een business case met 15

• •

•

• • •

terugverdientijden voor de energiebesparende maatregelen. Ook binnen de verplichtende termijn van vijf jaar is er een potentieel aan maatregelen die bedrijven en instellingen kunnen nemen. Toekomstbestendigheid: door tijdig energiebesparende maatregelen toe te passen ben je als ondernemer of instelling beter voorbereid op verplichtingen in de toekomst. Eigen regie: door zelf na te denken over energiebesparende maatregelen kan je gebruik maken van natuurlijke momenten in de bedrijfsvoering. Dit heeft ook een positieve invloed op de business cases van verduurzamingsmaatregelen. Comfort: door het toepassen van energiebesparende maatregelen neemt het comfort van bijvoorbeeld de kantoorruimtes van een onderneming of instelling toe. Ook de waarde van het vastgoedobject neemt toe. Intrinsieke duurzaamheidsmotivatie: steeds meer bedrijven en instellingen willen vanuit hun eigen motivatie duurzamer worden en hun CO2-uitstoot verkleinen. Verdienmodel: voor sommige bedrijven kan verduurzaming ook onderdeel uitmaken van of bijdragen aan het verdienmodel. Reputatie: voor sommige bedrijven is het belangrijk om zich te onderscheiden van hun concurrenten door duurzaamheid. Bijvoorbeeld om aantrekkelijk te zijn werknemers op de krappe arbeidsmarkt.

Het programma anticipeert erop dat bewoners, bedrijven en instellingen maximaal gebruik maken van het landelijke aanbod, zoals het Nationaal Isolatieprogramma Het gemeentelijke programma wil de mogelijkheden die de landelijke aanpak, met onder andere het Nationaal Isolatieprogramma biedt, zoveel mogelijk ontsluiten. Het gemeentelijke programma anticipeert op deze mogelijkheden en zet erop in dat onze bewoners, bedrijven en instellingen maximaal gebruik maken van het landelijke aanbod. Het landelijk aanbod bestaat op dit moment veelal uit subsidieregelingen, financiering en in het geval van zakelijk- en maatschappelijk vastgoed verplichtingen om maatregelen te nemen. Het gemeentelijke programma richt zich daarom met name op het informeren, ondersteunen en ontzorgen van de bewoners en eigenaren van zakelijk – en maatschappelijk vastgoed. Het programma richt zich op het inzetten van andere partijen om inwoners, bedrijven en instellingen te stimuleren aan de slag te gaan met energie besparen Er zijn duizend en een aanleidingen om aan de slag te gaan met energie besparen. Met dit programma is het de bedoeling om verandermomenten niet onbenut voorbij te laten gaan of een gemiste kans te laten zijn omdat niet de juiste toekomstbestendige energiemaatregelen zijn toegepast. In dit programma staan op zichzelf staande instrumenten opgenomen die helpen om deze kansen te verzilveren.

Bijvoorbeeld via communicatie, een collectief aanbod of omdat er subsidies beschikbaar zijn. De gemeente is echter niet bij alle aanleidingen in beeld. Daarom willen we met dit programma ook andere partijen de boodschap laten uitdragen om geen kansen voor energie besparen onbenut te laten. Denk bijvoorbeeld aan makelaars en bankiers bij de aankoop van een woning of accountants in het geval van bedrijven. Het oplossen van mogelijke belemmeringen is een integraal onderdeel van het programma en de uitvoeringsplannen Iedereen die aan de slag gaat met energie besparen kan tegen belemmeringen aanlopen. Die belemmeringen kunnen heel divers zijn. De meeste belemmeringen zijn de afgelopen jaren wel naar voren gekomen. Specifieke voorbeelden zijn de Wet natuurbescherming en regelgeving voor erfgoed en welstand. De bijzondere waarden moeten beschermd worden en tegelijk moet tempo worden gemaakt met het nemen van maatregelen aan woningen. De gemeente is actief met mogelijke oplossingen aan de slag, indien nodig met mede- overheden. In dit programma zorgen we ervoor dat de oplossingen die werken integraal onderdeel van de voorgestelde aanpak zijn, zoals uitgewerkt in deel 2 en 3 van dit programma. Een concreet voorbeeld is de Wet natuurbescherming. Mussen, gierzwaluwen en vleermuizen zijn beschermde diersoorten die vaak in gebouwen nestelen. Op het 16

moment dat er maatregelen voor isolatie aan het gebouw worden genomen moet hier rekening mee worden gehouden. De gemeente heeft daarom met de provincie een oplossing bedacht om deze belemmering weg te nemen (Raadsbrief Diervriendelijk na-isoleren particuliere woningeigenaren, 9 december 2021). Deze oplossing zal een integraal onderdeel zijn van het collectieve aanbod dat wordt ontwikkeld. Gedrag is een integraal onderdeel van de communicatiestrategie energie besparen en daarmee met het programma energie besparen Bij energiebesparing is ook energiegedrag een component van de aanpak voor huiseigenaren en huurders. Een woning kan perfect geïsoleerd zijn, maar als de verwarming onnodig aanstaat, of de thermostaat onnodig hoog, dan zal er toch sprake zijn van hoog verbruik. Maar ook apparaten zoals een airco, computer, warmwaterboiler, koelkast of een wasdroger kunnen ware energieslurpers zijn. Bewust omgaan met deze apparaten en met de thermostaat kan heel veel besparing opleveren. In de instrumenten en het aanbod is daar aandacht voor. Een onderdeel van de campagne zal op dit onnodig energieverbruik gericht zijn. Maar ook door energieboxen uit te reiken met een begeleidend gesprek door een coach om de energieslurpers in huis aan te geven. En door gericht energiemanagers beschikbaar te stellen.

We verkennen de huidige instrumenten om het aanbod op dit aspect van gedrag aan te vullen. Tegelijk ligt de focus voor energie besparen in dit programma en de uitvoeringsplannen vooral bij de grotere maatregelen die een grotere en zekere structurele impact op het verminderen van het energieverbruik hebben. Het gaat dan om bewoners en hoe zij omgaan met de mogelijkheden van grotere energiemaatregelen aan de woning, zoals isoleren en een hybride verwarmingsinstallatie. Het nemen van dit soort maatregelen is iets wat bewoners hooguit een paar keer in hun leven doen. Het is daardoor incidenteel gedrag, waar ze geen tot weinig ervaring mee hebben én het vraagt bovendien om relatief grote investeringen (Milieu Centraal, 2020). Die combinatie kan zorgen voor enige onzekerheid. Met communicatie, waaronder de campagne, kunnen we mensen hierin richting geven. Zeker als we daar acties (handelingsperspectief) aan koppelen. Gedragsverandering is complex en vraagt om een lange adem. Gedrag verander je niet in één keer. Mensen moeten soms over langere tijd meerdere keren geattendeerd worden op mogelijkheden van besparing. Dat betekent dat het aanbod gericht moet zijn op het herhaald brengen van de boodschap.

17

Strategie energie besparen In dit programma energie besparen in de gebouwde omgeving worden de volgende drie strategieën ingezet: 1. Stadsbrede aanpak gericht op: a. (Natuurlijke) verandermomenten b. Gebouwen met het grootste besparingspotentieel (slechtste energie labels) 2. Buurtgerichte aanpak; aansluitend bij wijkuitvoeringsplannen en pilots bedrijventerreinen die naar aanleiding van de Transitievisie Warmte zullen worden opgesteld. 3. En een specifieke aanpak, gericht op de ondersteuning van (bewoners)initiatieven

Toelichting strategie wonen

Figuur: Strategie energie besparen wonen

18

1. Stadsbrede aanpak Het betreft een regulier aanbod langs de VNG-klantreis (informeren, adviseren, acties, financiering) en een collectieve aanpak. Er wordt gestuurd op: a. Natuurlijke verandermomenten gericht op maatregelen aan de schil van de woning. Uitgangspunt is het ‘spijtvrij’ niveau’. Maar bijvoorbeeld ook vervanging van cv-ketel, waar de hybridewarmtepomp een oplossing kan zijn. Dit kan door een individueel en/of collectief aanbod. b. Gerichte inzet op het meeste besparingspotentieel. Deze strategie is met name gericht op een het organiseren van een collectieve aanpak op basis van een analyse naar het besparingspotentieel. Bewoners krijgen een aanbod voor het nemen van de maatregelen aangeboden.

Figuur: Strategie 1: stadsbrede aanpak wonen 2. Buurtgerichte aanpak naar aanleiding van de Transitievisie Warmte In de buurtaanpakken uit de Transitievisie Warmte boven op het aanbod dat via de wijkgerichte aanpak komt, in te zetten op een intensivering van de aanpak energie besparen om (ook) energiebesparende maatregelen te nemen; a. Reguliere aanpak voor buurten in tijdsblok 1: Er komt een collectief warmte aanbod plus alternatief kookgas (vervangen installaties door warmte afleverset en elektrische kookplaat) via de buurtgerichte aanpak. Aanvullend daarop zetten we in op de bovengenoemde stadsbrede aanpak om ook energie te gaan besparen. Eigenaren kunnen daar nu al een start mee maken. b. Specifieke aanpak voor buurten binnen de wijkuitvoeringsplannen: Als voor bepaalde buurten in tijdsblok 1 geen collectief warmte aanbod mogelijk is, zijn er twee opties: Of de woningblokken schuiven door naar een ander tijdsblok van de Transitievisie warmte, of we zoeken naar een ander alternatief. In het laatste geval zal een alternatieve 19

c.

duurzame warmtebron gevonden moeten worden, waarvoor de woningen vervroegd naar een ‘spijtvrij’ niveau moeten worden geïsoleerd, om op tijd klaar te zijn voor een overstap. Dat betekent dat intensivering van de aanpak nodig is, omdat verduurzaming dan niet meer op de natuurlijke momenten of vanwege besparingspotentieel gaat. Individuele aanpak: Voor bewoners die geen gebruik willen maken van het collectieve warmteaanbod in de buurtgerichte aanpak is het uiteraard mogelijk een (individueel) gelijkwaardig alternatief te kiezen. Inwoners die hiervoor kiezen, zullen hun woning wel op tijd naar het spijtvrijniveau moeten isoleren, omdat dat alternatief waarschijnlijk lagetemperatuurverwarming zal betreffen. Zij kunnen gebruik maken van het reguliere stadsbrede aanbod.

Figuur: Strategie 2: buurtgerichte aanpak en initiatieven aanpak wonen 3. Specifieke situaties (maatwerk) a. Buurtinitiatieven: er zijn groepen inwoners die graag zelf aan de slag gaan met de verduurzaming van hun woning, soms inclusief een duurzame warmtebron. De gemeente faciliteert deze buurtinitiatieven via collectieve trajectbegeleiding. En de initiatieven kunnen via het Initiatievenfonds financiële ondersteuning aanvragen. Ook zetten we in op het beter ontsluiten en uitwisselen van kennis tussen initiatieven. Ook hier geldt dat woningen in de meeste gevallen vervroegd zullen worden aangesloten op een duurzame (lagetemperatuur) warmtebron. Woningen zullen daar met hun schil op tijd klaar voor moeten zijn. Op basis van bovenstaande strategie is een aanbod voor wonen opgebouwd, beschreven in het bijgevoegde uitvoeringsplan wonen (deel 2). Het aanbod is in lijn met de klantreis zoals door VNG is ontwikkeld. In een klantreis zijn diverse fasen te onderscheiden: informeren, adviseren, acties en financieren. Deze klantreis staat in deel 2 ook nader toegelicht. Het ontwikkelde aanbod bestaat deels uit al langer beschikbare instrumenten, maar omvat ook recent georganiseerd aanbod gericht op 20

opschalen en versnellen energie besparen. Voor een aantal onderdelen wordt het aanbod in 2022 verder uitgewerkt, zoals voor particuliere verhuur en de aanpak bij installaties (bijvoorbeeld vervangen cv-installaties). Toelichting strategie zakelijk en maatschappelijk vastgoed

Figuur: Strategie energie besparen zakelijk en maatschappelijk vastgoed 1. Stadsbrede Aanpak: a. (Natuurlijke) verandermomenten: Vraaggericht via Energieloket i. Advies op maat ii. Subsidieregeling iii. Toegang tot hulpmiddelen b. Meeste besparingspotentieel: (i) Aanbodgericht via brancheaanpak bij maatschappelijke sectoren die vanuit het Klimaatakkoord routekaarten voor verduurzaam van hun gebouwen aan het opstellen zijn. Het ontwikkelen van een collectief aanbod voor onder andere zorg, sport en scholen. Deze sectoren hebben samen met overheidsgebouwen een groot besparingspotentieel (zie figuur). Met gerichte energiesparingsprogramma’s kan hier een veel effect worden gehaald. (ii) Ontwikkeling van een collectief aanbod, mede op basis van de input die vanuit de drie pilots op de aardgasvrije bedrijventerreinen die we gaan uitvoeren ophalen. c. Stimulerend toezicht en handhaving bij bedrijven (wortel- en stokmethode) 2. Buurtgerichte aanpak: a. Pilots bedrijventerreinen 21

i. Op drie bedrijventerreinen gaan we met bedrijven en stakeholders aan de slag met wat een kansrijk alternatief is voor aardgas en wat er nodig is voor de overstap naar een groene energievoorziening. b. Bedrijven en instellingen in de buurtgerichte aanpak vanuit de Transitievisie Warmte.

Figuur: CO2 uitstoot publieke dienstverlening; hier is veel besparingspotentieel om energie te besparen. Op basis van bovenstaande strategie is een aanbod specifiek voor zakelijk en maatschappelijk vastgoed uitgewerkt in het bijgevoegde uitvoeringsplan zakelijke en maatschappelijk vastgoed (deel 3). Het aanbod is gebaseerd op de ervaringen van de afgelopen jaren en de klantreis die door adviesbureau Ecorys is uitgewerkt voor de opzet van het Energieloket voor bedrijven en instellingen. Net als voor bewoners zijn daarin diverse fasen te onderscheiden: oriënteren, selecteren, implementeren en ervaren. Deze klantreis en het ontwikkelde aanbod zijn in deel 3 nader uitgewerkt. Het ontwikkelde aanbod bestaat deels uit de al beschikbare instrumenten. Deels gaat het ook om het ontwikkelen van een nieuw aanbod gericht op het opschalen en versnellen van energie besparen bij het zakelijke en maatschappelijke vastgoed. De ervaringen met het Energieloket en de drie pilots op bedrijventerreinen leveren voor het niet te ontwikkelen aanbod input.

22

Randvoorwaarden De inzet van deze strategie op de (natuurlijke) verandermomenten is kosteneffectief (je gaat toch investeren), maar dit betekent niet automatisch dat de te nemen energiemaatregelen altijd rendabel zijn. Om deze strategie te laten werken zijn we afhankelijk van andere partijen. Het rijk moet de landelijke subsidies en financiering tot minimaal 2030 beschikbaar blijven stellen (of totdat er geen onrendabele top meer is). Op termijn verwachten we een versnelling op deze aanpak door dalende prijzen voor installaties en isolerende maatregelen. En de mensen voor het uitvoeren van de maatregelen moeten er zijn. Daarnaast moeten de ingezette oplossingen voor een aantal specifieke belemmeringen gaan werken zoals voor natuurvriendelijke na-isoleren en de nieuwe beleidsregels voor erfgoed. Voor bedrijven en instellingen maar ook voor verhuurders is het oplossen van de zogenaamde split incentive een uitdaging. Wat is bij gespikkeld bezit de verdeling in verantwoordelijkheid van verduurzaming tussen eigenaren en (ver)huurders en hoe doorbreek je hierin de impasse die mogelijk ontstaat? En meest belangrijke randvoorwaarde is dat iedereen bereid is te investeren in de woning, bedrijf of instelling. De komende jaren kunnen we de stadsbrede aanpak en de genoemde activiteiten in de uitvoeringsplannen (zie deel 2 en 3) uitvoeren.

Een intensivering van de aanpak, bijvoorbeeld op de buurtaanpak, de aanpak voor bedrijventerreinen, het ondersteunen van bedrijven via het Energieloket, de aanpak van particuliere verhuur of extra inzet op VvE’s zijn op dit moment niet in de uitvoeringsplannen opgenomen omdat er geen middelen voor beschikbaar zijn.

23

Doelgroepen Met bovenstaande strategie kunnen we alle doelgroepen in de stad in principe bedienen. Hieronder staat kort beschreven hoe we dit voor de verschillende doelgroepen voor ons zien. In de bijgevoegde uitvoeringsplannen wonen en zakelijk en maatschappelijk vastgoed (deel 2 en 3) is het aanbod voor de verschillende doelgroepen uitgewerkt. Wonen Klantreis energie besparen staat centraal voor huiseigenaren Voor koop geldt dat we een aanpak hebben gebouwd rond de klantreis, met individuele en collectieve instrumenten, waarmee we woningeigenaren faciliteren naar een duurzame woning. Daaronder vallen ook VvE’s, waarbij we in ons aanbod extra aandacht geven aan de soms ingewikkelde besluitvormingsstructuur, juridische context en financiële huishouding. Voor verhuurders is het aanbod gericht op geplande investeringsmomenten Voor huur geldt een ander karakter. Niet de bewoner maar de verhuurder gaat over de verduurzaming van woning. We onderscheiden hier sociale en particuliere huur. Corporaties zijn zich terdege bewust van de verduurzamingsopgave die er ligt. Zij hanteren een meerjarenplanning waarmee ze complex voor complex verduurzamen. Inmiddels is al hun bezit gemiddeld energielabel B. We monitoren de voortgang van de corporatiewoningen via de prestatieafspraken. Particuliere huur is ingewikkelder. Daar ligt geen wettelijk verplicht instrument als de prestatieafspraken.

En behalve een paar grotere institutionele beleggers, die vaak ook al heel ver zijn met verduurzaming (ligt op het niveau van corporaties), betreft het veel verhuurders die we niet kennen. Nu het Rijk per 1 april 2022 een SVOH-regeling (Subsidieregeling Verduurzaming en onderhoud Huurwoningen) ligt er ook een basis om daar een aanpak op te organiseren. Dat zullen we onder meer doen in samenspraak met partijen als Vastgoedbelang Nederland. Aanbod voor huurders gericht op het verminderen van het energieverbruik Bij huur speelt nog wel het gedrag van de individuele huurder. Hoe gaat de huurder om met z’n energieverbruik: hoe wordt de woning verwarmd en hoe is het gebruik van elektrische apparaten? Om huurders daar bewuster mee om te laten gaan en ook het verbruik wat naar beneden te brengen, is er de energiebox, aangeboden door een energiecoach. Zakelijk en maatschappelijk vastgoed Aanbod gericht op maatwerk en waar mogelijk collectief (branche of gebied) Los van het verschil tussen zakelijk en maatschappelijk vastgoed, zijn binnen deze groep meerdere subdoelgroepen aan te wijzen, o.a.: - Bedrijven en instellingen die wel en niet moeten voldoen aan de wettelijke energiebesparende maatregelen. - Grote en kleine bedrijven en instellingen. - Bedrijven op bedrijventerreinen en bedrijven in de woonwijken - Eigenaren en huurders.

- Collectief georganiseerd of alleen individueel benaderbaar. Het gemeentelijk vastgoed maakt ook onderdeel uit van het zakelijke en maatschappelijke vastgoed.

24

Voor bedrijven en instellingen geldt dat er een grootte diversiteit van eigendom, functies, wel of niet vallend onder Wet Milieubeheer, maatschappelijk of zakelijk of locatie (woonbuurt of bedrijventerrein) mogelijk zijn. Dit geeft een groot aantal combinaties van mogelijkheden. Via het energieloket kunnen we maatwerk voor elke specifieke situatie geven. Waar mogelijk bieden we een collectief aanbod, bijvoorbeeld bij bedrijventerreinen of specifieke branches zoals zorg.

25

Monitoren, evalueren en leren Het programma energie besparen gebouwde omgeving evalueren we elke vier jaar om te kijken of de strategie en visie nog voldoen. We stellen een klankbordgroep bestaande uit experts en een vertegenwoordiging van bewoners in om hen te laten reflecteren op de aanpak. Daarnaast zetten we bewonersenquêtes en -panels in om input op te halen voor de bijsturing op de uitvoeringsplannen en de visie en strategie uit het programma energie besparen gebouwde omgeving. De uitvoeringsprogramma’s wonen en zakelijke en maatschappelijk vastgoed worden jaarlijks gemonitord en eventueel bijgesteld. Mogelijk komt uit de monitoring naar voren dat om de doelstellingen te halen een verdere intensivering nodig is. Dit kan financiële consequenties hebben. De rapportage en eventuele bijstelling van de plannen vindt bij voorkeur plaats in een document als onderdeel van de beleidscyclus energietransitie.

26

Bijlagen 1. Bijlage met uitgebreide evaluatie energie besparen in de gebouwde omgeving 2. Bijlage onderzoek adviesbureau Energiepaleis

27

Bijlage 1 Evaluatie energie besparen in de gebouwde omgeving In deze bijlagen vatten we de geleerde lessen van de afgelopen jaren voor energie besparen in de gebouwde omgeving voor woningen en voor het zakelijke en maatschappelijke vastgoed samen. Op basis van onderstaande evaluatie hebben we de visie, strategie en instrumenten in dit programma verder uitgewerkt. Wonen Wat hebben we afgelopen jaren gedaan? De afgelopen jaren is hard gewerkt om inwoners met een koopwoning een volledig klantreis (zie figuur Klantreis) aan te kunnen bieden op het moment dat ze aan de slag willen met energie besparen. Dit betekent dat bewoners die aan de slag willen, afhankelijk van de fase van de reis waar ze zitten, informatie, hulp of begeleiding kunnen krijgen. De spil daarin is het platform Jouwhuisslimmer.nl waarbij zowel digitaal maar ook op aanvraag in fysieke vorm hulp wordt geboden. Ook voor VvE’s is er een loket ontwikkeld. In Overvecht-Noord is een woning gerenoveerd naar een aardgasvrije woning, waar mensen kunnen komen om inspiratie op te doen voor hun eigen plannen. Voor inspiratie en advies kunnen woningeigenaren ook terecht bij energieambassadeurs uit de buurt. En voor (gesubsidieerd) advies en begeleiding zijn onafhankelijke energieadviseurs beschikbaar. Maatregelen kunnen zij financieren met een duurzaamheidslening. Er zijn gericht in bepaalde wijken warmtefoto’s aangeboden.

En er zijn pilots gedaan met het collectief begeleiden van groepen bewoners en het collectief inkopen van maatregelen. Voor huurders geldt dat zij niet zelf aan de slag zullen met hun woning, maar om hun energieverbruik laag te houden kunnen ze een energiebox met coaching en begeleiding aanvragen.

Figuur: Klantreis inwoners energie besparen woning Conclusies wonen 1. Het meest kosteneffectief is om op de natuurlijke verandermomenten te isoleren. Dit zijn momenten waarop eigenaren investeringen doen in de woning vanwege onderhoud of een verbouwing. Dit geeft ook het minste gedoe: een bewoner moet vanwege onderhoud toch al aan de slag, dan is het slim om verduurzaming meteen mee te nemen. De buurtaanpak uit de TVW deel II sluit ook aan op het investeren op natuurlijke momenten in isolatie: bewoners gaan pas isoleren op het moment dat het hen past. Andere aanleidingen voor verduurzaming zijn bijvoorbeeld een erfenis, verhuizing, kind krijgen, met pensioen gaan et cetera. Maar bijvoorbeeld ook omdat in de wijk corporatiewoningen worden verduurzaamd, waar huiseigenaren dan mogelijk bij kunnen aanhaken. In de communicatie naar bewoners zullen we effectiever moeten inspelen op deze aanleidingen: een bewoner moet zich wel bewust zijn van die aanleiding en op dat moment ook een aanbod krijgen. 2. Uit een onderzoek van Energiepaleis (bijlage 1) blijkt dat er in veel Utrechtse woningen al isolatiemaatregelen zijn genomen, maar ook dat er nog veel besparingspotentieel is. Tot nu toe zijn met name de wat simpelere maatregelen zoals spouwmuurisolatie en dubbel glas genomen. 28

3.

4.

5. 6.

7.

8.

9.

Dat weten we op basis van kennis van het huidige woningbestand, maar we kunnen dat ook terugzien in het huidige verbruik van deze woningen: als ze nog in originele staat waren geweest, dan had het verbruik veel hoger gelegen. Er is echter in veel woningen nog steeds veel energiebesparingspotentieel te benutten, met name met wat ingewikkelder en ingrijpender maatregelen, zoals dakisolatie. Er is nog een besparingspotentieel van 30-37% blijkt uit het onderzoek. Om bewoners gericht te kunnen benaderen en te helpen wordt gebouwd aan kennis over de stad: waar is het besparingspotentieel het hoogst, waar zitten de slechte labels, wat zijn natuurlijke momenten van onderhoud, waar liggen kansen om bijvoorbeeld met corporaties op te trekken. Deze verzamelde kennis helpt ons om te bepalen waar en wanneer ons aanbod nodig is en het meest effectief is. Het instrumentarium voor woningeigenaren dat de gemeente inzet betreft een breed palet, dat dekkend is voor de verschillende onderdelen uit de klantreis die door VNG voor energiebesparing is ontwikkeld. En deze zijn aangevuld met meer collectief gericht instrumentarium. In deze fase van de aanpak is dat aanbod dekkend. Hoewel we stijgende aantallen zien in bereik en resultaat hiervan moet het aanbod wel veel breder bekend worden in de stad zodat meer mensen er gebruik van gaan maken. Een brede communicatiecampagne kan daarbij helpen.

Door diverse pilots collectieve aanpak en inkoop momenteel uit te proberen ontwikkelen we een steeds betere aanpak om te versnellen en vooral de schaal te vergroten. Eén van de belemmeringen die vaak wordt genoemd om nog niet aan de slag te gaan met isoleren is dat veel bewoners zich afvragen in welke logische stappen ze de woning het beste kunnen isoleren en welk isolatieniveau ze dan per component (dak, vloer, gevel, glas) minimaal moeten hanteren. Om eigenaren hierbij op weg te helpen is ‘handelingsperspectief’ nodig, zoals inzicht in minimale isolatiewaarden. Daarvoor hanteren wij een “spijtvrij” niveau conform de landelijke ”standaard en streefwaarden”, bedoeld om te voorkomen dat een woningeigenaar later alsnog moet na-isoleren. Deze worden actief gebruikt in de communicatie en vormen de basis voor advies en hulp. Als we het potentieel en de natuurlijke momenten willen benutten, dan zal ook de markt van aanbieders zoals aannemers, bouwers, installateurs, makelaars, banken (kortom de hele keten) daarvoor klaar moeten zijn en bewoners attenderen op de mogelijkheden die er zijn. Hoewel er wel degelijk sprake is van krapte in die markt van bouwers en installateurs, lukt het nog steeds om marktpartijen te vinden die woningen kunnen isoleren.

Zeker als het collectief georganiseerde inkoopacties betreft en de markt niet hoeft te investeren in (individuele) acquisitie en offertes, blijkt uit de pilotacties tot nu toe dat partijen daar ruimschoots op inschrijven. Om de individuele eigenaar niet in de kou te laten staan, zullen we komend periode onze contacten met de aanbieders op JHS.nl intensiveren. Enerzijds is dit gericht om meer gevoel te krijgen hoe we op een effectieve manier vraag en aanbod koppelen (mogelijk door de individuele eigenaar meer te bundelen met andere woningeigenaren die soortgelijke maatregelen willen), maar ook door de markt beter te informeren over verduurzaming (gemeentelijk beleid en uitgangspunten) en bewustwording over gedragsregels naar klanten. Het programma besparen is (voorlopig) vrijwillig, het is niet verplichtend voor bewoners. Bewoners hebben tijd om op eigen tempo aanpassingen aan de woning te doen ook als ze al snel op een duurzaam warmtealternatief overstappen (blok 1 Transitievisie warmte). We verwachten op termijn wel verplichtende maatregelen vanuit Europa die moeten worden geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. In eerste instantie richting corporaties en particuliere verhuurders, maar later mogelijk ook naar huiseigenaren. Voor de aanpak van VvE’s zullen we meer oog moeten hebben voor de soms ingewikkelde besluitvormingsstructuur.

VvE’s worden op dezelfde wijze als de grondgebonden woningen benaderd met energieadviezen. Daar is al een landelijke subsidieregeling voor. Maar om 29

versnelling en verbreding aan te brengen is mogelijk meer specifiek advies nodig richting bestuurders van VvE’s en VVE-beheerders. In overleg met Provincie Utrecht zijn we daartoe momenteel de mogelijkheden aan het verkennen. 10. Voor huur geldt een ander karakter. Niet de bewoner maar de verhuurder gaat over de verduurzaming van woning. Corporaties zijn zich hiervan bewust. Zij hanteren een meerjarenplanning waarmee ze complex voor complex verduurzamen. Inmiddels is al hun bezit gemiddeld energielabel B. Maar er zijn ook nog steeds sociale huurwoningen met een energielabel F of G. We monitoren via prestatieafspraken de voortgang op het verduurzamen van de sociale huurwoningen. Huurders zelf stimuleren we met een energiebox en coaching om energie te besparen. 11. Particuliere huur is ingewikkelder. Daar ligt geen instrument als de prestatieafspraken. En behalve een paar grotere institutionele beleggers, die vaak ook al heel ver zijn met verduurzaming (op het niveau van corporaties), betreft het veel verhuurders die we niet kennen. Via verenigingen als Vastgoedbelang en IVBN (Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed) proberen we beter met deze groep in contact te leggen, om zo te komen tot een aanpak waarmee we beter vinger aan de pols kunnen houden, kunnen stimuleren en op termijn eventueel afdwingen. 12.

Met de focus op besparingspotentieel en natuurlijke momenten richten we ons met name op de vraagkant. En op stapsgewijze verduurzaming. In deze fase van de energietransitie denken wij dat een goede vraagontwikkeling centraal moet staan. We hebben daarbij oog voor de aanbiedende markt. We volgen de ontwikkelingen rond innovatie, modulair bouwen, opschalingsconcepten (o.a. via contacten met Stroomversnelling). Zo participeren we (als opdrachtgever) in de ROM (regionale ontwikkelmaatschappij) en SETU (Stichting Energietransitie Utrecht) en zijn we partner in ARV (Europees samenwerkingsproject gericht op opschaling). We achten het van belang om deze ontwikkelingen te volgen, om daarmee ook een doelgroep te kunnen helpen die daar belangstelling voor hebben, maar bijvoorbeeld ook isolatieaanbod van woningen uit de buurtaanpak die van het gas af gaan, maar waarvoor geen collectief aanbod komt. Maar ook voor bewoners initiatieven of voor de samenwerking met corporaties in de aanpak van grondgebonden “gespikkeld bezit”.

Zakelijk en maatschappelijk vastgoed Wat hebben we afgelopen jaren gedaan? De afgelopen jaren (2019 – 2022) is ingezet op de volgende instrumenten als het gaat om energie besparen in het zakelijk en maatschappelijke vastgoed: - Branchegerichte aanpak (met name voor de maatschappelijke sectoren, maar ook bijvoorbeeld retail en horeca) - Energiecontroles bij bedrijven en instellingen die vallen onder de Wet Milieubeheer inclusief stimulerend toezicht - Het ontwikkelen van een Energieloket voor hulpvragen van ondernemers Resultaten branchegerichte aanpak - Opbouw van een netwerk van bedrijven dat positief doorwerkt voor de buurtgerichte aanpak, door middel van goede voorbeelden van koplopers verspreid door de stad. - Kennisuitwisseling die andere bedrijven en instellingen stimuleert en inspireert. - Door middel van een meerjarige aanpak wordt een bredere doelgroep bereikt, niet alleen de koplopers, maar ook volgers. Daarnaast kunnen door de meerjarige aanpak natuurlijke momenten benut worden, wat leidt tot betere business cases voor de ondernemer. - De branchegerichte aanpak werkt vooral goed voor maatschappelijke sectoren (zorg, sport) en blijkt minder goed te werken voor een commerciële sector zoals retail en horeca. De reden hiervoor is dat maatschappelijke sectoren een langetermijnperspectief hebben als het gaat om investeringen 30

-

dan veel retail- en horecabedrijven. Hier speelt ook dat veel horeca- en retail bedrijven huurder zijn in hun pand en voor verduurzaming ook afhankelijk zijn van de eigenaar van het pand. We verwachten dat eigenaren en verhuurders van commercieel vastgoed veel baat kunnen hebben van een vergelijkbare aanpak zoals bij de maatschappelijke sectoren is ingezet: het opstellen van routekaarten voor de langere termijn met meer jaren investeringsplannen. De kantorenbranche is ook een sector waar de branchegerichte aanpak ook aanslaat (Convenant Rijnsweerd, Green Business Club Utrecht Centraal). Hierbij zijn kantooreigenaren en (ver)huurders een belangrijke doelgroep

Resultaten energiecontroles bij bedrijven en instellingen die vallen onder de Wet Milieubeheer inclusief stimulerend toezicht In de voortgangsrapportage Energie van de Stad 2020 staat aangegeven dat ondertussen 1620 bedrijven een energiecontrole hebben gehad. Vanuit handhaving wordt gekeken naar de wettelijk verplichte energiebesparingsmaatregelen. Daarnaast wordt informatie gegeven over de ambities naar energieneutraal en klimaatneutraal in 2050 en wat de gemeente aan hulpmiddelen biedt om hier als bedrijf mee aan de slag te gaan. Dit laatste valt onder de noemer van stimulerend toezicht. Uit de ervaringen met stimulerend toezicht blijkt dat dit vaak aansluit bij de realiteit van de praktijk en context van bedrijven en organisatie die al nadenken over verduurzamen naast het controleren van een lijstje van wettelijke maatregelen. In die zin is er qua ambitieniveau van verduurzamingsmaatregelen en daarmee het verminderen van het energieverbruik meer te bereiken met stimulerend toezicht dan met alleen het handhaven van de wettelijke verplichte energiebesparingsmaatregelen. Dit laatste is wel belangrijk voor de doelgroep van bedrijven en instellingen die uit zichzelf niets willen doen aan verduurzaming. Voor die doelgroep is de handhaving belangrijk en werkt de wortel van stimulerend toezicht niet.

Resultaten energieloket voor bedrijven Via het Energieloket voor bedrijven bieden we aansluitend bij de behoeftes van onze doelgroep advies op maat en ontsluiten we alle hulpmiddelen die we als gemeente hebben, zoals de Milieubarometer en een subsidieregeling. In 2021 hebben we ondanks coronamaatregelen die het bedrijfsleven hard hebben geraakt en het feit dat de intensieve communicatiecampagne nog moet starten toch al circa 75 bedrijven en/of instellingen verder geholpen. Vanuit diverse stakeholders in de stad én vanuit de Stadsgesprekken horen we dat er behoefte is aan een Energieloket dat bedrijven en instellingen die door de bomen het bos niet meer zien verder op weg te helpen. Conclusies: zakelijk en maatschappelijk vastgoed 1. De branchegerichte aanpak zetten we door voor de maatschappelijke sectoren. Hierbij sluiten we ook aan bij de lijn van de Rijksoverheid, die hier financiën voor beschikbaar heeft gesteld. 2. Via de wortel- en stokmethode van stimulerend toezicht willen we bedrijven en instellingen stimuleren verder te gaan dan alleen de wettelijk verplichte maatregelen. Het is zowel voor ondernemers als voor de energietransitie beter als bedrijven een langetermijnperspectief en investeringsplanning ontwikkelen. Met alleen de wettelijke verplichte maatregelen halen we de doelstellingen voor energie besparen in 2030 en 2050 niet. 3.

Door intensivering van het Energieloket sluiten we aan op een behoefte bij onze doelgroep én helpen we bedrijven en instellingen stappen te nemen om te komen tot concrete verduurzamingsmaatregelen. 4. Deze intensivering betekent ook het ontwikkelen van een nieuw hulpmiddel zoals faciliteren bij collectieve inkoop. Voor de buurtgerichte aanpak sluiten we voor de bedrijven en instellingen in de woonbuurten aan bij de aanpak vanuit de transitievisie warmte. Voor de bedrijventerreinen gaan we door het uitvoeren van 31

pilotprojecten meer informatie ophalen over wat een kansrijk alternatief is voor verwarmen op aardgas, wat de bijbehorende business case is en wat dit vervolgens betekent voor de overstap naar een aardgasvrij bedrijventerrein in de context van een aardgasvrije stad.

32

Bijlage 2 Besparingspotentieel particuliere woningbestand Utrecht (onderzoek adviesbureau Energiepaleis)

33

Besparingspotentieel Particuliere woningbestand Gemeente Utrecht

1 september 2021 In opdracht van gemeente Utrecht

34 Energiepaleis Gildstraat 134, 3572 ES Utrecht +31 (0)654933471

Inhoudsopgave Samenvatting............................................................................................................................................3 1. Inleiding...............................................................................................................................................5 2. Databronnen en analysemethode ..........................................................................................................7 3. Totaal energieverbruik woningen Utrecht...............................................................................................9 4. Besparingspotentieel Warmte (aardgas & stadswarmte)........................................................................10 4.1. In verleden gerealiseerde besparingen...........................................................................................10 4.2. Huidige verbruik en besparingspotentieel ......................................................................................14 4.3. Nadere analyse besparingspotentieel particuliere woningen............................................................17 5. Elektriciteitsvraag in relatie tot het besparingspotentieel.......................................................................20 5.1.

Huidige verbruik...........................................................................................................................20 5.2. Ontwikkeling toekomstige elektriciteitsvraag..................................................................................21 6. Monitoring van voortgang energiebesparing woningen .........................................................................25 6.1. Toegepaste methode....................................................................................................................25 6.2. Monitoringresultaten periode 2013 t/m 2020.................................................................................26 6.3. Toekomstig gebruik monitoringmethode........................................................................................28 7.

Informatiekaarten ..............................................................................................................................30 Bijlage 1: Beschrijving van werkmethode en gebruik databestanden...................................................32 Bijlage 2: Kentallen woningcategorieën .....................................................................................................41 Bijlage 3: Resultaten van monitoring energieverbruik ..........................................................................48 Bijlage 4: Voorbeeld Informatiekaarten.................................................................................................52

35

Samenvatting Voor de gemeente Utrecht is een methode ontwikkeld om het energiebesparingspotentieel van alle woningen in de stad te kunnen bepalen. Hiermee zijn woningen van particuliere eigenaar/bewoners geanalyseerd. Het betreft energieverbruik voor verwarmen, warmtapwater en koken. Het grootste deel van de woningen gebruikt hiervoor aardgas en een kleiner deel stadswarmte. Het gebruik van elektriciteit voor deze toepassingen is nog beperkt, maar door de opkomst van warmtepompen zal daar naar verwachting een groei gaan plaatsvinden. Er is behoefte aan zo’n methode vanuit de lopende programma’s Energietransitie en Wonen. Het hoofddoel van het onderzoek is om het besparingspotentieel van het energieverbruik bij alle Utrechtse particuliere woningen in beeld te krijgen. Op basis daarvan kunnen doelen gesteld worden en beleid gemaakt. Van belang is om de resultaten van de programma’s te kunnen gaan monitoren waarmee directe terugkoppeling en bijsturing mogelijk wordt. Met de in dit rapport beschreven methode worden de drie thema’s bediend: bepalen van besparingspotentieel, ondersteuning beleidsontwikkeling en monitoren van de resultaten. Focus is de warmtevraag en de potentie om dit te reduceren.

Als uitgangspunt voor het warmtepotentieel wordt door de gemeente Utrecht geadviseerd om een niveau te kiezen dat momenteel vaak omschreven wordt als ‘spijtvrij’ of, in de termen van de gemeente Utrecht, ‘altijd goed’. Hierbij wordt een woning dusdanig geïsoleerd dat het zonder comfortverlies kan worden aangesloten op LT-verwarming.

Besparingspotentieel De methode levert gedetailleerde informatie over de originele situatie, de huidige situatie van energiebesparing bij woningen en het toekomstige besparingspotentieel. Het besparingspotentieel is gekoppeld aan type, bouwjaar en grootte van woningen. Daarmee brengt de methode een nuancering aan die nodig is om het actuele besparingspotentieel goed in kaart te brengen. Er wordt aangetoond dat er met name bij de vooroorlogse particuliere woningen een aanzienlijk besparingspotentieel aanwezig is. Terwijl dit potentieel in de landelijke discussie over standaarden en streefwaarden veel lager wordt ingeschat vanwege de (vermeende) hogere kosten voor verbeteropties. Met maatwerk kunnen binnen dit segment van vooroorlogse particuliere woningen de efficiënte maatregelen geïdentificeerd worden zodat alsnog het substantiële besparingspotentieel benut wordt. Van de circa 157.000 woningen in de stad Utrecht zijn er 67.000 in gebruik van particuliere eigenaar/bewoners. Het grootse deel (50.000) gebruikt 70 miljoen m3 aardgas voor verwarming, warmtapwater en koken. Daarnaast wordt er ook nog door ruim 17.000 van deze particuliere woningen 730.000 GJ aan stadswarmte gevraagd. De specifieke groep van particuliere woningen gebruikt momenteel 37% minder energie dan men zou kunnen verwachten op basis van de originele staat van de woning.

Het betreft met name driekwart van de woningen met een bouwjaar

36

van vóór 1991. De meeste van deze woningen zijn in de loop der jaren verbouwd of zijn aangepast waardoor de isolatie is verbeterd. De particuliere woningen kunnen nog verder verbeterd worden naar het Spijtvrije niveau. Het gaat hierbij om een set van maatregelen op het gebied van isolatie, beglazing, kierdichting en ventilatie die gezamenlijk de woning comfortabel en energiezuinig kunnen maken op een kostenefficiënte wijze4. Het verbeterpotentieel naar dit niveau bedraagt 26 miljoen m3 aardgas en 190.000 GJ warmte en is gelijk aan 35% besparing ten opzichte van huidige verbruik. Ruim de helft van dit potentieel is afkomstig van de 24.000 vooroorlogse rijwoningen (tussen-, hoeken bis-woningen). Daarmee is dit een interessante groep van woningen om het energiebesparingsbeleid op te richten.

Monitoring energiebesparing woningen Het tempo van energiebesparing ligt de afgelopen jaren voor een gemiddelde woning in de stad Utrecht op het niveau van 1,5% per jaar. Dit percentage geldt zowel voor elektriciteit als voor aardgas. De verlaging kent meerdere oorzaken. De belangrijkste zijn isolatieverbeteringen bij oudere woningen (aardgasbesparing) en het gebruik van zonnepanelen (elektriciteitsbesparing). De methode ondersteunt tevens de monitoring van energieverbruik van woningen in de stad. Daarmee zal de voortgang van energiebesparing bij particuliere woningen in de komende transitieperiode nauwkeurig gevolgd kunnen worden. In ieder geval op het niveau van aardgas, stadswarmte en huishoudelijk elektriciteitsverbruik. Maar ook zullen veranderingen in energievraag of type installaties in beeld kunnen worden gebracht, zoals bijvoorbeeld het gebruik van warmtepompen, koeling, elektrisch vervoer of productie van zonnestroom.

Beleidsinstrumenten Alle informatie, zowel van huidige verbruik als van besparingspotentieel, is beschikbaar op het niveau van postcode6-gebieden. Daarmee is een eerste voorbeeld van een inzichtelijk kaart van de stad geproduceerd die ondersteunend is voor het maken van beleidskeuzes of het uitvoeren van concrete projecten als collectieve aanpak of de Transitievisie Warmte. Met de verkregen data uit dit voorliggende onderzoek zijn meer speciale kaarten te maken op PC-6 niveau. Bijvoorbeeld van het benodigde investeringsniveau per woning of de terugverdientijden.

4 In dit rapport wordt kosteneffectiviteit van maatregelen niet beschreven. Eind 2021 zal informatie over

kosteneffectiviteit gepresenteerd worden in de vorm van ‘Referentiewoningen’ voor de regio Utrecht. 37

1. Inleiding De gemeente Utrecht werkt aan de energietransitie naar aardgasvrij en CO2-neutraal. In aanvulling op ontwikkelingen vanuit het Rijk stelt zij doelen vast en maakt gemeentelijk beleid. Dit gebeurt langs drie sporen: besparen, infrastructuur en vergroening van bronnen. Eén van de onderdelen uit het spoor besparen betreft de bestaande particuliere woningen. Om dat gericht vorm te geven is het zinvol om een helder beeld te krijgen van het huidige energieverbruik en het mogelijke besparingspotentieel. De gemeente heeft voor verbruiksgegevens van aardgas en elektriciteit de beschikking over diverse informatiebronnen, zoals die van het netwerkbedrijf Stedin of de landelijke klimaatmonitor. Binnen voorliggend onderzoek naar de energetische staat van woningen en het besparingspotentieel wordt gebruik gemaakt van het Renow-model van Energieadviesbureau Energiepaleis. Dit model combineert de specifieke jarenlange praktijkervaring van Energiepaleis met energiebesparing bij particuliere woningeigenaren (onder andere in de stad Utrecht), met de meer algemeen beschikbare kennis van gebouwmodellering. Het Renow-model geeft op basis van eenvoudig te achterhalen woningkenmerken -zoals woningtype, gebruiksoppervlakte, bouwjaar- inzicht in energieverbruik en besparingsmogelijkheden van deze categorieën woningen.

Met het model kunnen de invloeden van woningverbeteringen en bewonersgedrag geduid worden. Daarmee is het model zowel geschikt voor analyse van individuele woningen (met haar specifieke bewoners) als van groepen van woningcategorieën (met gemiddelde bewoning). Er is door een combinatie van verbruiksdata en het Renow-model een methode uitgewerkt waarmee energievraagstukken van het bestaande Utrechtse woningbestand kunnen worden geanalyseerd. Doel van de methode is om het besparingspotentieel (ook in detail) te kunnen bepalen en de voortgang van de energietransitie te monitoren. Dit is mogelijk door een koppeling tussen het databestand van de gemeente Utrecht en het simulatiemodel Renow. Leeswijzer Hoofdstuk 2 geeft een samenvatting van de voorgestelde methode waarmee het energieverbruik in de stad kan worden geanalyseerd. Een nadere uitleg van specifieke elementen is verder uitgewerkt in bijlage 1. In hoofdstuk 3 zijn de energieverbruiksgegevens van het jaar 2020 op hoofdlijnen gepresenteerd. Voor de gehele stad zijn de totale en gemiddelde verbruiken gegeven voor aardgas, stadswarmte en elektriciteit. Hoofdstuk 4 geeft de resultaten van analyses voor verwarming, warmtapwater en koken. Zowel voor de woningen die aangesloten zijn op het aardgasnet als die op het warmtenet. Allereerst geeft paragraaf 4.1 de huidige stand van zaken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=94882806-a478-4d25-a058-4ef206c634cc