CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Commissie Energie(transitie), Duurzaamheid, Vastgoed en Wonen (2022-2026) 21 april 2022, gemeente Utrecht31.012 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

- Spouwmuurisolatie net voldoende om met MT te verwarmen - Vloeren op zand aan de bovenzijde isoleren - Gemiddeld HR+, beter in woonkamer - Bouwkundige kierdichting - Aanpassen en/of aanbrengen van ventilatiekanalen

65

Concept NOM: Doel is maximaal gebruik van duurzame energie. Goed comfort en gezond binnenklimaat. Ook toepasbaar in een all-electric situatie. • Bij woningen van vóór 2000 vergaande bouwkundige maatregelen en installatietechnische aanpassingen nodig. • Voorbeelden van maatregelen: - Vloer- en/of wandverwarming en/of LT-convectoren - Soms dient ook leidingensysteem vervangen te worden - Warmtepomp toepassen, bodem- of luchtbron - Uitgekiend ventilatieontwerp met WTW Concept Spijtvrij: Doel is de woningschil voldoende voor te bereiden zodat de woning in de toekomst geschikt gemaakt kan worden voor LT-verwarming. • Bij woningen van vóór 1990 dient met name de kwaliteit van de schil voldoende goed te zijn, inclusief de kierdichting en het ventilatiesysteem. • De mate van isolatie is afhankelijk van de schilfactor (de verhouding tussen schil- en vloeroppervlakte): Kleine vrijstaande woningen zullen een veel betere schilisolatie nodig hebben dan bijvoorbeeld grote tussenwoningen. • De schilmaatregelen zijn een mix van maatregelen uit de concepten Comfort en Duurzaam. In onderstaande tabel staan de maatregelen samengevat.

66

Concept schil/GO

Infiltratie + ventilatie

Schilisolatie Ramen Ventilatietoestel geschikt voor T_aanvoer

f (m2/m2)

q(W/m2K)

alle

1

1

2,9

Kanaalventilator

HT

Radiatoren

D

Comfort alle

0,8

2

2,2

HT

Radiatoren

C

Spijtvrij 1

0,6

2

1,8

LT

Conv. (tzt)

B

1,5

0,6

2

1,8

LT

Conv. (tzt)

B

2

0,6

LT

Conv. (tzt)

B

2,5

0,5

3

1,8

LT

Conv. (tzt)

B

3

0,5

3

1,8

LT

Conv. (tzt)

B

3,5

0,5

MV+ vent.roosters Vraaggestuurd MV Vraaggestuurd MV Vraaggestuurd MV decentrale WTW decentrale WTW decentrale WTW Vraaggestuurd MV Balans met WTW

LT

Conv. (tzt)

B

MT

Convectoren

A

ZLT

Vloerverw.

A+

Basis

Duurzaam alle Toekomst alle

Rc(m2K/W)

Afgiftelichamen Label (circa)

2,5

Uw(W/m2K)

1,8

3,5

1,8

0,6

3

1,8

0,3

4

1,5

tabel B1.3: Samenvatting van maatregelen die gezamenlijk een besparingspakket vormen.

B1.3 Energieverbruik woningcategorieën Om het energieverbruik in de stad te kunnen monitoren en analyseren is het wenselijk de verbruiken ook per woningcategorie te kunnen bepalen. De gekozen hoofdcategorieën zijn type, omvang en bouwjaar van de woning. De drie hoofdcategorieën zijn onderverdeeld in respectievelijk zes, vijf en tien subklassen. In totaal wordt er gewerkt met 300 verschillende woningcategorieën. Deze zijn gegeven in tabel 3.

Woningtype

Bouwperiode

Grootteklasse

Vrijstaand

Vóór 1930

kleiner dan 50 m2

Twee-onder-één-kap

1930-1945

50-100 m2

Eindwoning rij

1945-1964

100-150 m2

Tussenwoning rij

1965-1974

150-200 m2

Meerlaags (laag/midden)

1975-1987

meer dan 200 m2

Meerlaags (hoog)

1988-1991 1992-2005 2006-2011 Na 2012

Bijzondere klasse ‘Monument’ Tabel B1.4: Indeling woningcategorieën In het gemeentelijke databestand is voor elk PC6-gebied bekend hoeveel woningen per categorie zich daarin bevinden, het aantal energieaansluitingen (elektriciteit, gas en/of warmte) en het gemiddelde verbruik per jaar. Gegevens in per woning per PC6-gebied Totaal Utrecht per woningcategorie databestand

67

Woningtype

Type

Aantal woningen

Aantal woningen

Aantal woningen

Bouwperiode

Bouwjaar

Aantal woningen

Aantal woningen

Aantal woningen

Grootteklasse

m2 GO

Totaal GO

Totaal GO

Totaal GO

Elektriciteit verbruik

--

kWh/jaar

kWh/jaar

Onbekend

Aardgas verbruik

--

m3/jaar

m3/jaar

Onbekend

GJ/jaar

Onbekend

Stadswarmte --Tabel B1.5: gegevens in databestand gemeente Utrecht

In bovenstaande tabel is te zien dat de energieverbruiken op het niveau van woningcategorie nog onbekend zijn, deze dienen bepaald te gaan worden.

Omrekening van postcodegebied naar woningcategorie Er zijn voldoende gegevens aanwezig om een wiskundige vertaling te kunnen gaan maken van gemeten verbruiken per PC6 gebied naar gemiddelde verbruiken per woningcategorie. Dit is alleen mogelijk voor de woningen met een aansluiting op elektriciteit en/of aardgas. Voor warmte zijn er immers geen verbruiksgegevens bekend. Daarom zijn voorafgaand aan de berekeningen eerst de PC6-gebieden geselecteerd waarvan bekend is dat er alleen elektriciteit- en aardgasaansluitingen zijn (dus geen warmteaansluiting) en waarvan de hoeveelheden woningen in de gemeente database overeen komt met het aantal in de Stedin database. Er zijn ruim 2000 postcodegebieden waar dit het geval is. Deze gebieden representeren 50.000 woningen. Dit bestand is gebruikt voor het omrekenen van gemeten energieverbruiken per PC6-gebied naar gemiddelde energieverbruiken per woningcategorie. De genoemde omzetting maakt gebruik van een meervoudige lineaire regressiemodel (MLR-model). Deze methode levert resultaten met een hoge nauwkeurigheid mits er voldoende woningen in een individuele woningcategorie aanwezig zijn. In de praktijk blijkt dit niet voor alle woningcategorieën het geval. Met name de ‘randen’ van de grootteklassen komen minder vaak voor (<50 m2 en >200 m2) en ook bijvoorbeeld de 2-onder-1- kap en vrijstaande woningen of de woningen van na 2012.

Een samenvatting van de resultaten staat in tabel B1.6. Woningtype Gemiddeld m3 aardgas/jaar kWh elektriciteit/jaar Vrijstaand

2668

5807

Twee-onder-één-kap

1915

4027

Eindwoning rij

1492

3365

Tussenwoning rij

1391

2877

Meerlaags (laag/midden)

979

2248

Meerlaags (hoog)

895

2167

Totaal 1199 Tabel B1.6: niet-gecorrigeerde energieverbruiken per jaar

2643

We noemen de resultaten uit de MLR-methode voorlopig de ‘niet-gecorrigeerde gemiddelde verbruiken’ per woningcategorie. In de volgende paragraaf zullen we namelijk met behulp van het Renow-model deze berekende waarden gaan corrigeren voor de hierboven genoemde MLRonnauwkeurigheid die veroorzaakt wordt door een ongelijkmatige verdeling van woningcategorieën over PC6-gebieden.

Kalibratie woningcategorieën In de vorige paragraaf is beschreven op welke wijze de gemeten energieverbruiken (afkomstig van Stedin per PC6-gebied) zijn omgerekend naar woningcategorieën. Dit heeft geleid tot een eerste 68

dataset van 300 niet-gecorrigeerde energiekentallen per woningcategorie. Deze dataset nr.1 bevat dus niet-gecorrigeerde kentallen gebaseerd op metingen. Daarnaast hebben we een tweede set van energieverbruiken per woningcategorie. Deze is afkomstig van simulatieberekeningen met het Renow-model. De simulatieberekeningen zijn uitgevoerd op basis van aannames over gemiddeld bewonersgedrag en gemiddelde woningverbeteringen. Daarmee kan deze set afwijken van de werkelijke Utrechtse situatie. Deze dataset nr.2 bevat dus gemiddelde kentallen gebaseerd op simulatieberekeningen. Aangezien de twee datasets beide energiekentallen bevatten voor dezelfde groep van 300 woning categorieën, maar op verschillende wijze zijn verkregen, moeten deze in eerste orde benadering wel vergelijkbaar zijn. Dit gegeven hebben we gebruikt om een iteratieprocedure op te zetten die de twee sets op elkaar laat aansluiten. Bovendien is de 2e set met simulatiekentallen gekalibreerd met de totale gemeten energieverbruiken in het gehele woningenbestand Utrecht. De iteratie- en kalibratieprocedure staat beschreven in de laatste paragraaf van deze bijlage. Resultaat zijn twee vergelijkbare datasets voor 300 woningcategorieën, waarvan de eerste gebaseerd is op gecorrigeerde metingen en de tweede op een gekalibreerde simulatieberekening.

De gekalibreerde simulatieberekening wordt in het vervolg gebruikt om de analyses op het Utrechtse woningbestand uit te voeren. B1.4 Iteratie- en kalibratieprocedure Uit de Stedin metingen per PC6 gebied is een dataset geproduceerd van 300 niet-gecorrigeerde energiekentallen per woningcategorie. Hiervoor is gebruik gemaakt van een dataset van ruim 2000 metingen op postcode6 niveau en een Meervoudig Lineair Regressiemodel (MLR). (zie paragraaf B1.3) Daarnaast is met het Renow-simulatiemodel ook een set van 300 energiekentallen per woningcategorie berekend. De simulatieberekeningen zijn uitgevoerd op basis van aannames over gemiddeld bewonersgedrag en gemiddelde woningverbeteringen. Aangezien de twee datasets beide energiekentallen bevatten voor dezelfde groep van 300 woningcategorieën verwachten we dat de sets in een eerste orde benadering vergelijkbaar zijn. Dit gegeven hebben we gebruikt om een iteratieprocedure op te zetten die de twee sets nauwkeuriger op elkaar laten aansluiten. Het iteratieproces heeft de volgende stappen doorlopen: 1) Met het Renow-model is voor elke woningcategorie een prognose gegeven van het energieverbruik voor verwarmen, warmwater en koken. Dit resulteert in 300 waarden voor het gemiddelde energieverbruik per woning.

- We verwachten dat deze waarden in eerste orde benadering gelijk zullen zijn aan de nietgecorrigeerde MLR-resultaten van de Stedin meetdata. Immers met het RENOWmodel worden simulatieberekeningen uitgevoerd per woningcategorie op basis van gemiddeld verbruik en gemiddelde woningkenmerken. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de Utrechtse metingen hier veel van zullen afwijken. - De gemiddelde met Renow-model berekende energieverbruiken per woning zijn vertaald naar Renow-kentallen zoals verbruik per m2 gebruiksoppervlakte en/of per woning. 2) De Renow-kentallen zijn gevoed in het PC6-databestand van de gemeente Utrecht. Dit geeft een Renow-prognose voor het energieverbruik per PC6-gebied. - Met de 300 sets van kentallen zijn de Renow-verbruiken berekend per PC6-gebied. Dit is mogelijk omdat we per PC6-gebied het aantal woningen kennen met de bijbehorende woningkenmerken. Resultaat is de Renow-prognose voor het energieverbruik per PC6 gebied. 69

3) De Renow-prognoses per PC6-gebied worden met het MLR-model weer omgerekend

(teruggerekend) naar gemiddelde verbruiken per woningcategorie. Dit is gedaan op exact dezelfde wijze als de eerder beschreven omrekening van de Stedin PC6-waarden naar woningcategorieën (zie paragraaf B1.3). Resultaat is een met het MLR-model berekende gemiddelde energieverbruik per woningcategorie. - In theorie zou het MLR-resultaat van de Renow-data exact dezelfde waarden moeten geven als de eerder ingevoerde kentallen van Renow per woningcategorie. De waarden zijn echter niet gelijk omdat de PC6 gebieden een ongelijkmatige verdeling van woningcategorieën hebben waardoor er een afwijking ontstaat. De verhouding tussen de MLR-resultaten (met Renow-data) en de oorspronkelijke Renowkentallen is een maat voor de afwijking die geïntroduceerd is door de MLRberekeningen. Voor elke woningcategorie is die verhouding bepaald. Bij de categorieën die een groot aantal woningen vertegenwoordigen is de verhouding ongeveer gelijk aan 1. Bij de categorieën die minder bezet zijn is het verhoudingsgetal veel groter of kleiner dan ‘1’. Zie ook onderstaande figuren voor meer details.

Figuur B1.1: verhouding tussen MLR output en Renow input. Boven: alle 300 woningcategorieën in 6 blokken: vrijstaand, 2^1 kap, hoekwoning, tussenwoning, meerlaags_laag en _hoog. Onder: uitvergroting voor het 4e blok (tussenwoningen) van oud (links) naar nieuw (rechts).

4) Met de verhoudingsgetallen zijn de eerder berekende (Stedin) energieverbruiken per

woningcategorie gecorrigeerd. Resultaat is een nieuwe set van gemiddelde energieverbruiken per woningcategorie. - Daarmee krijgen we een set van 300 energieverbruiken die direct afgeleid zijn van de gemeten Stedin data in de stad. De eerder geïntroduceerde onnauwkeurigheid is geminimaliseerd door gebruik van de Renow-verhoudingsgetallen. - De gecorrigeerde meetdata van Stedin per woningcategorie zijn in bijlage 2 gegeven. 70

De resultaten uit het Renow-model zijn gekalibreerd op de totale verbruiken zoals door Stedin gegeven. De gebruikte kalibratiestappen worden hieronder kort toegelicht. 5) Per woningcategorie is met het Renow simulatiemodel het energieverbruik berekend voor de oorspronkelijke situatie (=bouwjaar). Deze is vergeleken met het bekende energieverbruik per woningcategorie zoals bepaald met de MLR omzetting van de Stedin meetdata. 6) Voor de woningcategorieën met bouwjaar na 1990 verwachten we in de praktijk dat er nog geen substantiële woningverbetering heeft plaatsgevonden. De gemiddelde waarden van de Renow-simulatie en van de Stedin metingen behoren gemiddeld met elkaar overeen te komen. Zie onderstaande figuur B1.2 waarin de verhouding is gegeven voor alle woning categorieën. Dit blijkt in het algemeen een correcte aanname met enkele uitzonderingen: • Voor de hoekwoningen geeft de MLR-omzetting 20% lagere waarden dan de RENOW simulatie. Dit is te verklaren uit het feit dat hoek- en tussenwoningen gemiddeld in dezelfde verhouding voorkomen in de PC6-gebieden waardoor de MLR methode deze twee verschillende types niet goed kan onderscheiden. Daardoor wordt de hoekwoning te laag ingeschat en de rijwoningen iets te hoog. In de analyses wordt hiervoor gecorrigeerd.

• Voor een aantal categorieën met weinig woningen zien we enkele verschillen tussen RENOW simulatie en de Stedin/MLR-waarden. Bijvoorbeeld bij de kleine woningen (<50m2) geeft de MLRmethode circa 20% hogere waarden dan de RENOW simulatie. Deze effecten zijn niet te verklaren op bouwfysische gronden en de verwachting is dat het te maken heeft met de onnauwkeurigheid bij kleine aantallen in de MLR-methode. Gezien de kleine aantallen en het onverklaarbare effect wordt besloten hier niet voor aan te passen. De eventueel hierdoor geïntroduceerde fout zal geen effect hebben op de eindresultaten. • Voor de veel voorkomende tussenwoningen en appartementen (midden-/laagbouw) komen de gekalibreerde waarden gemiddeld goed overeen.

Figuur B1.2: verhouding tussen kentallen voor aardgasverbruik voor verwarming in m3/m2. Betreft de gecorrigeerde metingen van Stedin versus berekening van Renow.

Bijlage 2: Kentallen woningcategorieën B2.1 Aardgasverbruik Berekeningen op basis van dataset met ruim 2000 postcode-6 gebieden met alleen een gasaansluiting.

71

GAS

Meetdata_gecorrigeerd voor GD, niet gecorrigeerd voor MLR

Vrijstaand verwarming/m2 Monument Voor 1930

Tussenwoning < 50 1686 1734

050 100

100 150

150 200

200>

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

2105

2495

2792

4468 m3

Monument

939

1358

1748

2045

3721

m3

2153

2543

2840

4516

Voor 1930

987

1406

1796

2093

3769

m3

2865

4541 m3

1930-45

1011

1430

1820

2117

3794

m3

4431 m3

1946-64

902

1321

1711

2008

3684

m3

m3

1930-45

1759

2177

2567

1946-64

1649

2068

2458

1964-74

1737

2156

2546

2843

4519

m3

1964-74

990

1409

1799

2096

3772

m3

1975-87

1466

1885

2275

2572

4248

m3

1975-87

719

1138

1528

1825

3501

m3

1988-91

1300

1719

2108

2406

4082 m3

1988-91

553

971

1361

1659

3335

m3

1992-05

1262

1681

2071

2368

4044

m3

1992-05

515

934

1324

1621

3297

m3

2006-11

1194

1612

2002

2300

3976

m3

2006-11

446

865

1255

1552

3229

m3

2012->

1100

1519

1908

2206

3882

m3

2012->

353

771

1161

1459

3135

m3

2755

2_1 kap woning verwarming/m2 Monument

Meerlaags_laag_midden < 50 1354

050 100 1773

100 150 2163

Voor 1930

1402

1821

1930-45

1426

1845

2235

1946-64

1317

1736

2126

1824

2214

1964-74

1405

2211

1943

150 200

200>

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

2460

4136 m3

Monument

820

1239

1629

1926

3603

m3

2508

4184 m3

Voor 1930

868

1287

1677

1974

3650

m3

2532

4208

m3

1930-45

893

1312

1701

1999

3675

m3

4099 m3

1946-64

783

1202

1592

1889

3565

m3

2511

4187

m3

1964-74

872

1290

1680

1978

3654

m3

2240

3916 m3

1975-87

600

1019

1409

1706

3382

m3

2423

1975-87

1134

1553

1988-91

968

1386

1776

2074

3750 m3

1988-91

434

853

1243

1540

3216

m3

1992-05

930

1349

1739

2036

3712

m3

1992-05

397

815

1205

1503

3179

m3

2006-11

861

1280

1670

1967

3644

m3

2006-11

328

747

1136

1434

3110

m3

2012->

768

1186

1576

1874

3550

m3

2012->

234

653

1043

1340

3016

m3

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

Monument

682

1101

1491

1788

3464

Hoekwoning

Meerlaags_hoog

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

Monument

1062

1480

1870

2168

3844

m3

m3

72

Voor 1930

1110

1528

1918

2216

3892

m3

Voor 1930

730

1149

1539

1836

3512

m3

1930-45

1134

1553

1943

2240

3916

m3

1930-45

755

1173

1563

1861

3537

m3

1946-64

1024

1443

1833

2130

3806

m3

1946-64

645

1064

1454

1751

3427

m3

1964-74

1113

1532

1921

2219

3895

m3

1964-74

733

1152

1542

1839

3515

m3

1975-87

842

1260

1650

1948

3624

m3

1975-87

462

881

1271

1568

3244

m3

1988-91

675

1094

1484

3457 m3

1988-91

296

715

1104

1402

3078

m3

1992-05

638

1056

1446

1744

3420

m3

1992-05

258

677

1067

1364

3040

m3

2006-11

569

988

1378

1675

3351

m3

2006-11

190

608

998

1296

2972

m3

2012->

475

1284

1581

3257

m3

2012->

96

515

904

1202

2878

m3

894

1781

Tabel B2.1: niet-gecorrigeerde meetdata. Het gemiddelde aantal woningen per categorie bedraagt 165 woningen. De rood gekleurde velden hebben minder dan 10 woningen waardoor het resultaat onnauwkeurig zal zijn. De groen gekleurde velden hebben een groot aantal woningen (>500).

In de volgende tabel zijn de waarden gecorrigeerd voor de onnauwkeurigheid die met de MLRmethode is geïntroduceerd.

73

GAS

gecorrigeerd voor GD en MLR

Vrijstaand

Tussenwoning

verwarming/m2

< 50

050 100

Monument

809

1608

Voor 1930

1094

1930-45

1033

100 150

150 200

200>

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

2261

2871

6396

m3

Monument

784

1103

1710

2097

3028

m3

1812

2473

2978

5798

m3

Voor 1930

932

1234

1614

2036

3225

m3

1769

2283

2997

4816

m3

1930-45

891

1412

1630

2039

3077

m3

1946-64

543

1830

2352

2901

7092

m3

1946-64

804

1306

1519

1970

3273

m3

1964-74

974

1590

2598

2871

4361

m3

1964-74

859

1368

1633

1937

3121

m3

1975-87

915

1845

2492

3007

5305

m3

1975-87

640

1277

1478

1927

3012

m3

1988-91

745

1229

1904

2273

3058

m3

1988-91

833

1093

1234

1664

2428

m3

1992-05

635

1081

1757

2052

3100

m3

1992-05

650

1041

1219

1467

2099

m3

2006-11

605

1296

1544

1950

2801

m3

2006-11

605

953

1184

1370

2151

m3

2012->

511

849

1420

1578

2325

m3

2012->

871

861

1095

1248

1771

m3

2_1 kap woning

Meerlaags_laag_midden

verwarming/m2

< 50

050 100

Monument

896

1471

Voor 1930

1042

1930-45

100 150

150 200

200>

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

2062

2399

3528

m3

Monument

805

1184

1667

2285

3659

m3

1653

2234

2562

4856

m3

Voor 1930

820

1227

1699

2395

4099

m3

1002

1735

2194

2760

4086

m3

1930-45

771

1148

1619

2148

3381

m3

1946-64

936

1730

2087

2613

8797

m3

1946-64

723

1041

1531

2103

3209

m3

1964-74

956

1778

2259

2558

3558

m3

1964-74

715

1062

1599

2141

4287

m3

1975-87

890

1418

2132

2583

5237

m3

1975-87

516

835

1293

1643

4212

m3

1988-91

766

1168

1782

1893

3008

m3

1988-91

525

738

1140

1505

2537

m3

1992-05

664

1127

1620

1739

2442

m3

1992-05

501

724

1019

1333

2440

m3

2006-11

631

1015

1573

1712

2308

m3

2006-11

462

690

1021

1356

2282

m3

2012->

604

865

1281

1522

2031

m3

2012->

1615

652

1022

1248

2185

m3

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

Hoekwoning

Meerlaags_hoog

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

Monument

654

1100

1502

1918

3443

m3

Monument

485

1023

1543

2126

3346

m3

Voor 1930

726

1169

1649

2132

3383

m3

Voor 1930

670

1190

1755

2120

3370

m3

1930-45

830

1341

1726

2113

3845

m3

1930-45

723

983

1416

2115

3174

m3

1946-64

611

1228

1557

2011

4966

m3

1946-64

581

974

1357

2006

3090

m3

1964-74

711

1317

1657

1986

2987

m3

1964-74

602

1053

1342

2024

3053

m3

1975-87

466

1154

1437

1932

3558

m3

1975-87

431

733

1156

1483

2632

m3

1988-91

467

919

1206

1608

2550

m3

1988-91

420

658

973

1413

2306

m3

1992-05

401

873

1184

1416

2239

m3

1992-05

382

652

990

1369

2223

m3

2006-11

361

821

1141

1334

2091

m3

2006-11

333

603

881

1208

2044

m3

74

tabel B2.2: Gecorrigeerde meetdata. Er zijn nog uitschieters te zien, bijvoorbeeld vrijstaande woning < 50 m2. Dit heeft te vaak maken met een gemiddelde oppervlakte in die specifieke grootteklasse die afwijkt van het numerieke gemiddelde. Bijvoorbeeld als gevolg van een klein aantal woningen in de klasse.

75

GAS

Renow_gekalibreerd

Vrijstaand

Tussenwoning

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

Monument

757

1583

2186

2835

5338

m3

Monument

772

1148

1702

2113

2467

m3

Voor 1930

991

1745

2353

2902

4844

m3

Voor 1930

863

1232

1557

1999

2582

m3

1930-45

913

1668

2134

2872

3978

m3

1930-45

755

1308

1477

1887

2337

m3

1946-64

511

1803

2281

2875

5951

m3

1946-64

751

1296

1452

1909

2540

m3

1964-74

909

1572

2533

2861

3734

m3

1964-74

771

1323

1529

1851

2422

m3

1975-87

854

1815

2404

2954

4373

m3

1975-87

594

1249

1365

1798

2181

m3

1988-91

676

1199

1816

2214

2487

m3

1988-91

747

1112

1218

1628

1842

m3

1992-05

573

1048

1658

1977

2522

m3

1992-05

604

1095

1211

1476

1632

m3

2006-11

550

1259

1467

1887

2218

m3

2006-11

571

1022

1189

1391

1661

m3

2012->

394

743

1216

1396

1672

m3

2012->

439

780

967

1143

1255

m3

2_1 kap woning

Meerlaags_laag_midden

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

Monument

830

1440

1972

2343

2907

m3

Monument

770

1201

1626

2267

2972

m3

Voor 1930

922

1571

2091

2460

3968

m3

Voor 1930

766

1248

1681

2427

3446

m3

1930-45

863

1618

2014

2601

3303

m3

1930-45

659

1082

1491

2032

2665

m3

1946-64

863

1700

2000

2559

7193

m3

1946-64

691

1059

1493

2087

2597

m3

1964-74

875

1736

2166

2514

2985

m3

1964-74

641

1023

1493

2042

3352

m3

1975-87

824

1398

2043

2521

4218

m3

1975-87

532

895

1300

1678

3340

m3

1988-91

675

1132

1681

1832

2388

m3

1988-91

475

765

1107

1486

1947

m3

1992-05

585

1088

1517

1670

1911

m3

1992-05

461

766

1009

1342

1889

m3

2006-11

559

990

1520

1650

1803

m3

2006-11

432

747

1020

1373

1759

m3

2012->

416

739

1081

1332

1444

m3

2012->

331

581

889

1137

1541

m3

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

Hoekwoning

Meerlaags_hoog

verwarming/m2

< 50

050 100

100 150

150 200

200>

Monument

878

1411

1792

2266

3186

m3

Monument

516

1115

1585

2205

2777

m3

Voor 1930

925

1445

1908

2453

3087

m3

Voor 1930

687

1290

1819

2238

2892

m3

1930-45

975

1537

1866

2276

3286

m3

1930-45

676

990

1371

2083

2553

m3

1946-64

787

1503

1774

2265

4321

m3

1946-64

621

1066

1399

2083

2553

m3

1964-74

875

1567

1853

2209

2633

m3

1964-74

594

1085

1326

2022

2467

m3

1975-87

616

1412

1617

2120

2938

m3

1975-87

520

863

1241

1598

2166

m3

1988-91

681

1218

1445

1873

2222

m3

1988-91

467

759

1017

1479

1821

m3

1992-05

621

1206

1461

1711

1999

m3

1992-05

440

774

1054

1460

1775

m3

2006-11

591

1166

1430

1632

1867

m3

2006-11

415

742

955

1306

1627

m3

76

tabel B2.3: Gemiddelde aardgasverbruik per woning. Deze waarden zijn berekend uit de gekalibreerde Renow kentallen (tabel B2.4). Betreft de woningen uit het databestand van ruim 2000 PC6 gebieden met alleen aardgasaansluiting.

B2.2 Renow kentallen elektriciteitsverbruik alle woningcategorieën

grootteklasse

<50

050 100

Vrijstaand

kWh/woning

3050

3850

4650

5450

7850

2_1 kap woning

kWh/woning

2300

3100

3900

4700

7100

Hoekwoning

kWh/woning

2050

2850

3650

4450

6850

Tussenwoning

kWh/woning

1800

2600

3400

4200

6600

Meerlaags_laag_midde kWh/woning

1550

2350

3150

3950

6350

Meerlaags_hoog

1300

2100

2900

3700

6100

kWh/woning

- 100 150

- 150 200

-

200>

tabel B2.4: Gekalibreerde gemiddelde elektriciteitsverbruiken voor huishoudelijke toepassingen per woning. De verbruiken worden met name bepaald door omvang huishouden en daarmee is er een directe relatie met de grootteklasse. Het licht toenemende verbruik in bouwjaarklasse is een gevolg van gebruik van mechanische ventilatie. B2.3 Besparingspotentieel per woning en per categorie

Energiekentallen woningcategorieën Voor alle 300 woningcategorieën in dit onderzoek zijn de kentallen bepaald voor verwarming, uitgedrukt in m3 aardgas per m2 gebruiksoppervlakte. Voor elke categorie is het oorspronkelijke verbruik (afhankelijk van bouwjaar) gegeven én de verbruiken nadat één van de vier hoofdconcepten is toegepast. Deze verbruiken staan in onderstaande figuren. Voor elke type woning is een figuur gemaakt met 10 bouwjaren en 5 grootteklassen.

77

Figuur B2.5 aardgasverbruik voor verwarming per m2 vloeroppervlakte. Per woningtype en per grootteklasse.

Besparingspotentieel per woningcategorie In het onderzoek zijn bovenstaande kentallen gebruikt om het energieverbruik voor de stad Utrecht te kunnen analyseren. In paragraaf 4.3 is een samenvatting gegeven voor particulier woningen die 78

aangesloten zijn op aardgas. In onderstaande figuren zijn de verbruiken gedetailleerd uitgewerkt voor al deze woningen. Tevens zijn de belangrijkste categorieën woningen nader uitgewerkt, met name de tussenwoningen en meerlaagse (laag & midden) woningen.

Figuur B2.6 particuliere woningen met alleen aardgasaansluiting. Totaal aardgasverbruik (linker y-as) en totaal aantal woningen (rechter y-as) per woningcategorie (alle grootteklassen), voor alleen tussenwoningen (per grootteklasse) en voor alleen de laag-middenhoge meerlaagswoning (per grootteklasse).

79

Figuur 2.7 : Voor particuliere woningen met aardgasaansluiting het besparingspotentieel per woning en geheel per categorie.

80

Bijlage 3: Resultaten van monitoring energieverbruik Deze bijlage geeft tussenresultaten van de monitoring energieverbruik. Deze zijn gebruikt voor het presenteren van gemiddelde energieverbruiken zoals beschreven in hoofdstuk 6 van dit rapport. Ontwikkeling van aantal gebouwen en energie-aansluitingen Voor een nauwkeurige monitoring van energieverbruik is het van belang om het juiste aantal gebouwen en aansluitingen te kennen. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten: - Het aantal gebouwen wordt door BAG gegeven. Deze zijn gesplitst in woningen en in overige gebouwen.

-

Stedin houdt de hoeveelheid aansluitingen bij. Niet alle woningen zijn aangesloten. Bijvoorbeeld geldt dit soms voor woningen in aanbouw, die tellen wel als woning, maar nog niet als aansluiting. Naast woningen en gebouwen kent Stedin nog meer kleinverbruikers-aansluitingen voor overige objecten. Deze komen niet voor in de data van BAG.

-

Alle bewoonde woningen hebben een elektriciteitsaansluiting.

-

Alle woningen zonder aardgasaansluiting of alleen met kookgas hebben een alternatief nodig voor verwarmen. Momenteel zijn bijna al deze woningen aangesloten op de stadswarmte. Voor de toekomst verwachten we meer woningen die alleen op elektriciteit zijn aangesloten, dus all-electric en zonder stadswarmte of aardgas. Momenteel komen deze woningen nog niet in de statistieken voor.

Niet alle woningen hebben een aardgasaansluiting. De woningen die dat wel hebben kunnen het aardgas gebruiken voor de volledige warmtevraag van zowel verwarming, warmtapwater als koken. Enkele woningen gebruiken aardgas alleen voor koken (kookgas).

Het aantal woningen en het aantal aansluitingen (alle typen) zijn in onderstaande drie figuren van elektriciteit, aardgas en warmte gegeven.

Figuur B3.1.a: Totaal aantal elektriciteitsaansluitingen per jaar.

Figuur B3.1.b: Totaal aantal aardgasaansluitingen per jaar.

81

Figuur B3.1.cc: Totaal aantal overige aansluitingen per jaar (met Renow-model afgeleide waarde). Dit zijn voor het overgrote deel woningen met een stadswarmte aansluitingen. De totaalgegevens aardgas en elektriciteit in bovenstaande figuren zijn afkomstig van Stedin. De overige data zijn afkomstig van gemeente Utrecht en/of het Renow-model. Alle figuren geven een duidelijk, in de regel gelijkmatige, trend weer van een toenemend aantal woningen en aansluitingen op elektriciteit, aardgas en warmte in de stad Utrecht. Wel duidelijk waarneembaar is de onregelmatigheid in het jaar 2018. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de overgang naar een andere monitoringswijze van Stedin. Bij elektriciteit lijkt dit met name invloed te hebben op het totaal aantal aansluitingen voor de overige objecten. Het aantal aansluitingen voor woningen wordt hier nauwelijks door beïnvloed. Bij de aardgasaansluitingen zien we in 2018 ook een onregelmatigheid. Dit kan dezelfde oorzaak hebben als die bij elektriciteit, echter het kan ook een gevolg zijn van een werkelijke verlaging van aantal aardgasaansluitingen. Deze zou dan gecompenseerd worden door de overige (warmte) aansluitingen (figuur B3.1.c) waar vanaf 2018 een vergelijkbare toename is te zien.

Totaal verbruik van elektriciteit, aardgas en warmte Het energieverbruik is door Stedin gemeten en met behulp van de woninggegevens van gemeente Utrecht en simulatiegegevens uit het Renow-model uitgesplitst naar gebouwen en woningen. In de onderstaande figuren staan de resultaten voor het totale verbruik in de gemeente Utrecht van elektriciteit, aardgas en warmte.

Figuur B3.2.a: Elektriciteitverbruik per jaar. Het totale elektriciteitsverbruik per jaar stijgt gestaag. Alleen in het jaar 2018 is de eenmalige ‘correctie’ te zien die hierboven verklaard is en afkomstig lijkt van een kleiner aantal aansluitingen dat meegeteld wordt. Dit zit met name in de overige gebouwen en de objecten en heeft bijna geen invloed op de woningen. In figuur B3.2.a was een duidelijke toename van woningen te zien in de periode tussen 2013 en heden. Deze stijging zien we niet in het totaalverbruik van woningen waarmee geconcludeerd kan worden dat verbruik per woning af zal nemen (zie volgende paragraaf).

82

Figuur B3.2.b: Aardgasverbruik per jaar, gecorrigeerd voor graaddagen. In tegenstelling tot elektriciteitsverbruik neemt het totale aardgasverbruik van woningen gestaag af. Dit staat los van de dip in 2018 als gevolg van het eerder genoemde aantal aansluitingen. Daarbij valt op dat de daling bij woningen groter is dan bij de overige gebouwen en objecten. Ook valt op bij het totaal verbruik, maar ook bij het woningenverbruik, dat in het jaar 2017 een eenmalige toename zichtbaar is van circa 1,5%. Mogelijke is dit een gevolg van een foutieve correctie door Stedin voor de gemiddelde jaartemperatuur.

Figuur B3.2.c: Warmteverbruik (in m3 aardgasequivalenten per jaar) bestemd voor woningen Het jaarlijkse energieverbruik voor overige warmte (met name stadswarmte) in woningen neemt jaarlijks toe. Dit is een gevolg van het stijgend aantal woningaansluitingen op stadswarmte per jaar. In de twee figuren voor aardgas (B3.2.b) en stadswarmte (B3.2.c) is te zien dat de trend tegengesteld is. Daar waar warmte stijgt, daalt het aardgasverbruik. Er zou geconcludeerd kunnen worden dat het gaat om vervanging van aardgas door stadswarmte. Nader onderzoek is nodig om dit te kunnen bevestigen. Particuliere koopwoningen, aansluitingen en totaal energieverbruik Met de monitoringmethode kan ook afzonderlijk naar particuliere koopwoningen gekeken worden. In onderstaande figuren zijn zowel aantallen woningen en aansluitingen als het totale energieverbruik voor elektriciteit, aardgas en warmte gepresenteerd.

Figuur B.3.3.a: Aantal particuliere koopwoningen en energie-aansluitingen.

83

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=94882806-a478-4d25-a058-4ef206c634cc