CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Commissie Energie(transitie), Duurzaamheid, Vastgoed en Wonen (2022-2026) 23 november 2023, gemeente Utrecht31.911 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Vanuit gezondheidsoogpunt willen we geen nieuwe geluidsgevoelige functies boven de 63 dB per geluidbronsoort. We passen de ambitiewaarde van 63 dB toe (heeft alleen effect wanneer de

Beleidsnota Geluid en Trillingen

11/61

grenswaarde voor de geluidbronsoort hoger is dan 63 dB) bij het toedelen van nieuwe functies aan locaties; 

Overschrijding van de ambitiewaarde staan we alleen toe wanneer hiervoor zwaarwegende belangen kunnen worden aangereikt of wanneer het plan leidt tot een verbetering van de akoestische situatie ter plaatse (bijvoorbeeld doordat een bouwplan fungeert als een relevante afscherming voor een groot aantal andere woningen).

Grenswaarden 

Er geldt een Utrechtse-grenswaarde, in plaats van de landelijke grenswaarde van 70 dB, voor het gemeentelijk wegverkeer bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige functies, te weten:

o

63 dB in de uitleggebieden zoals Leidsche Rijn en Vleuterweide;

o

68 dB voor de rest van de stad;

Voor de overige geluidbronnen (rail, industrie, rijks- en provinciale wegen) gelden de (landelijke) grenswaarden;

Niet geluidgevoelige gevels (zowel “dove gevels” als gevels met bouwkundige voorzieningen) zijn voor woningen toepasbaar vanaf de (Utrechtse) grenswaarde mits: o

Het woningen betreft waarbij elke verblijfsruimte waarbij dit wordt toegepast (ook) een te openen deel heeft in een gevel onder de (Utrechtse) grenswaarde én;

o

Wordt voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in paragraaf 1.4, waaronder onder andere: 

Tenminste 50% van de verblijfsruimten of het verblijfsoppervlak van de woning aan de luwe zijde liggen;

Tenminste één buitenruimte van de woning aan een gevel ligt waar het geluid niet meer is dan 5 dB boven de standaardwaarde.

Niet geluidgevoelige gevels zijn voor andere geluidsgevoelige functies dan woningen ook toepasbaar, uitgezonderd voor woonboten en woonwagens.

– In het omgevingsprogramma geluid en trillingen zal in aanvulling op het bovenstaande voor de toepasbaarheid bij eenzijdige woningen van een niet geluidgevoelige gevel met bouwkundige voorzieningen, zoals bedoeld in artikel 5.78 lid 1 onder b in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), aangegeven worden welke maatregelen in Utrecht toegepast kunnen worden. Dit om bij voldoende geluidsreductie een geluidluwe gevel, zoals bedoeld in paragraaf 1.4, te realiseren. Opgemerkt wordt dat ten behoeve van de aanleg en of wijziging van wegen separate grenswaarden gelden. Deze zijn opgenomen in 1.6.

1.3.

Realistisch maatregelenonderzoek

Bij het plannen van nieuwe geluidgevoelige objecten en bij de aanleg of wijziging van wegen vindt akoestisch onderzoek plaats. Daarbij moet worden gezocht naar maatregelen die er toe leiden dat het geluid voor zo veel mogelijk gevels onder de standaardwaarde blijft en voor de gevels waarbij dat niet kan de overschrijding van de standaardwaarde zo veel mogelijk wordt beperkt. De kosten voor maatregelen zijn voor rekening van de initiatiefnemer van een plan. Beleidsnota Geluid en Trillingen

12/61

Allereerst moet worden gekeken naar het ontwerp zelf: locatie/vorm bouwblokken, plaats geluidgevoelige bestemmingen/oriëntatie, indeling plan. Wanneer er toch nog andere maatregelen nodig zijn, hanteren we een voorkeursvolgorde zoals in afbeelding 1 is weergegeven: eerst bronmaatregelen en dan pas overdrachtsmaatregelen onderzoeken.

Afbeelding 1: Voorkeursvolgorde bronmaatregelen – overdrachtsmaatregelen

Bronmaatregelen Bronmaatregelen behoren bij alle geluidbronsoorten tot de maatregelen die als eerste overwogen en onderzocht moeten worden. Tot de bronmaatregelen bij (gemeentelijk) wegverkeer behoort de aanleg van een geluidreducerend wegdek (“stil asfalt”). Geluidreducerend wegdek is in bepaalde situaties niet realistisch omdat het dan te snel kapot gaat. Bijvoorbeeld bij scherpe bochten of bushaltes. Via de Beslisboom toepassing geluidreducerend asfalt (bijlage bij raadsbrief 18 december 20171) kan bij onderhoud en nieuwe situaties een afweging tussen verschillende types asfalt worden gemaakt. Een verlaging van de snelheid van 50 naar 30 km/u is een bronmaatregel die goed aansluit bij de ambitie van het Mobiliteitsplan Utrecht 2040.

1 Deze beslisboom zal moeten worden geactualiseerd. Na actualisatie zal hiervan uitgegaan dienen te worden. Beleidsnota Geluid en Trillingen

13/61

Afbeelding 2: Aanleg asfalt

Overdrachtsmaatregelen Geluidschermen of -wallen zijn alleen mogelijk als er voldoende ruimte is tussen de bron en de woningen (veelal alleen bij het hoofdverkeerswegennet en bij spoorlijnen). In principe worden schermen alleen langs hoofdinfrastructuur geplaatst. Andere overdrachtsmaatregelen, zoals het aanleggen van groenstroken met een geluidabsorberende bodem worden in voorkomende gevallen onderzocht (zie voorbeeld afbeelding 3).

Afbeelding 3: Groenstrook met geluidabsorberende bodem

Beleidsnota Geluid en Trillingen

14/61

1.4.

Geluidluwe gevel en buitenruimte

Een geluidluwe gevel is een gevel die ten opzichte van de andere gevels van een geluidgevoelig gebouw relatief weinig wordt belast door geluid (zie afbeelding 4). Bij een geluidluwe gevel kan een raam open zonder direct de herrie binnen te krijgen. Uit onderzoek is gebleken dat een geluidluwe gevel leidt tot een lager percentage (ernstige) geluidhinder en kan daarom als gezondheidskundige compensatiemaatregel worden gezien. (Zie bijvoorbeeld RIVM-onderzoek De invloed van een stille zijde bij woningen op gezondheid en welbevinden.) Het is daarom belangrijk dat dit aspect al in het begin van de planvorming wordt betrokken.

Afbeelding 4: Geluidluwe zijde als waardevolle kwaliteit van een woning

In de meest ideale situatie wordt een geluidluwe gevel gecreëerd aan een van de geluidbron afgekeerde zijde. Als het creëren van een luwe zijde op deze wijze niet mogelijk is, kan door middel van een bouwkundige constructie – vaak een loggia of balkon met afscherming – toch een significant deel van een gevel worden afgeschermd, waardoor er functioneel een geluidluwe gevel ontstaat. Kleine woningen zonder verplichte buitenruimte vanuit Besluit bouwwerken leefomgeving (Bkl) – vaak in het sociale segment – kunnen dan ook niet zomaar als eenzijdig georiënteerde woningen worden gebouwd langs drukke verkeersinfra. Het is makkelijker om de doelen te bereiken wanneer in de hoog belaste buitenranden grotere (duurdere) woningen met een luwe achterzijde worden gerealiseerd. In de rustige middengebieden is dan meer ruimte voor sociale en betaalbare kleine woningen. Dit sluit ook aan bij de ambitie ‘gezond stedelijk leven voor iedereen’ waarmee we streven naar een eerlijke verdeling van de verschillende soorten woningen (sociale huur, middenhuur, koop) ten opzichte van de milieubelasting. Waarden, voorwaarden en eisen geluidluwe gevel De volgende regels en voorwaarden met betrekking tot een geluidluwe gevel gelden in Utrecht: 

Elke nieuwe woning moet een geluidluwe zijde krijgen;

Een gevel is luw als deze voor alle bronsoorten voldoet aan de standaardwaarde;

Minimaal 30% van de verblijfsruimten of het verblijfsoppervlak is aan de luwe zijde gelegen.

Bij toepassing van dove gevels of gevels met bouwkundige maatregelen boven de reguliere grenswaarde dient 50% van de verblijfsruimten of het verblijfsoppervlak aan de luwe zijde te liggen;

In aansluiting op de Ruimtelijke Strategie Utrecht stellen we dat aan de luwe zijde bij voorkeur de slaapkamers zijn gelegen;

Bij onzelfstandige studentenwoningen en kleine woningen (<30 m2) (die conform het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bkl) geen buitenruimte hoeven te hebben) kan het soms lastig zijn om een luwe gevel te realiseren. Toch streven we hier wel naar. Als er echter zwaarwegende

Beleidsnota Geluid en Trillingen

15/61

bezwaren bestaan vanuit stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard én er sprake is van een evenwichtige toedeling van deze woningen over het plangebied, mag hiervan worden afgeweken. Dit is ook een overgangsregel voor plannen waar reeds een SPvE of bouwenvelop is vastgesteld voor de vaststelling van deze beleidsnota. Wel geldt altijd dat op gebouwniveau tenminste 50% van de wooneenheden is gesitueerd aan een gevel waar het geluid maximaal 5 dB boven de standaardwaarde is. 

Een suskast-achtige constructie voor een raam die alleen geluidarm ventileren mogelijk maakt, wordt door ons niet gezien als geluidluwe gevel.

Een buitenruimte kan, eventueel inclusief lokale afscherming, een instrument zijn om een luwe gevel te bewerkstelligen. Hiervoor gelden de volgende eisen: 

Als de woning beschikt over een individuele buitenruimte dan ligt deze bij voorkeur aan de luwe zijde; het geluid is niet meer dan 5 dB boven de standaardwaarde. Als er meerdere buitenruimten zijn dan geldt deze eis voor één van de buitenruimten;

Op hoog belaste locaties mag ook een volledig afsluitbare buitenruimte (balkon of loggia) worden toegepast om een luwe gevel te creëren. In geopende toestand dient hier nog wel een minimumkwaliteit van maximaal 5 dB boven de standaardwaarde te worden aangehouden, wat aansluit bij de eis voor buitenruimten;

Woningen die kleiner zijn dan 50 m2 hoeven vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geen individuele buitenruimte te hebben maar kennen wel eisen met betrekking tot het hebben van een gemeenschappelijke buitenruimte. De eis voor het geluid in die buitenruimte bedraagt maximaal 5 dB boven de standaardwaarden.

1.5.

Vervangende nieuwbouw en transformatie

Bij vervangende nieuwbouw kan gedacht worden aan situaties waarin bestaande woningen op locaties met veel geluid worden vervangen door nieuwe woningen die bouwkundig van betere kwaliteit zijn. Bij het beoordelen van dergelijke projecten staat een afname van de hinder voorop en worden eventuele belemmeringen voor (toekomstige aanpassing van) de infrastructuur meegewogen. Bij transformatie/functiewijziging van kantoren en andere leegstaande gebouwen is sprake van een nieuwe woonfunctie of andere geluidgevoelige functie in een bestaand gebouw. 

We hanteren bij vervangende nieuwbouw en transformatie dezelfde (Utrechtse) grenswaarden als bij nieuwbouw;

1.6.

De eis voor een luwe gevel wordt opgehoogd met 5 dB ten opzichte van nieuwe woningen.

Aanleg of wijziging van een weg

De aanleg of wijziging van een weg kan leiden tot een toename van het geluid. Binnen het wettelijke stelsel is geborgd dat de daarvoor benodigde verkeersbesluiten moeten worden getoetst aan de geldende normen. Fysieke wijzigingen aan een weg waarvoor geen verkeersbesluit benodigd is, maar die wel kunnen leiden tot meer geluid, moeten conform de wet ook tegen het licht worden gehouden. Het Mobiliteitsplan Utrecht 2040 sluit aan bij deze wettelijke verplichte aandacht voor geluid. Beleidsnota Geluid en Trillingen

16/61

De ambitiewaarde vanuit gezondheid van 63 dB wordt, bij voorkeur, niet overschreden;

De Utrechtse grenswaarde ter plaatse van woningen langs een nieuw aan te leggen weg is gelijk aan die voor nieuwe woningen;

Bij een wijziging van een bestaande weg kan de wettelijke grenswaarde van 70 dB soms noodzakelijk zijn;

De aanvaarbaarheid van het gecumuleerde geluid wordt beoordeeld als ook ten gevolge van andere geluidbronsoorten de standaardwaarde wordt overschreden;

Indirecte effecten (bijvoorbeeld verdringing van verkeer naar andere wegen) in een groter gebied worden onderzocht en getoetst aan wettelijke normen. Hetzelfde geldt voor akoestisch relevante fysieke wijzigingen in de omgeving, bijvoorbeeld de sloop van een geluid afschermend gebouw;

Het geluid wordt door het treffen van maatregelen zoveel mogelijk beperkt.

Afbeelding 5: Verkeer op een druk kruispunt veroorzaakt geluid

De wijziging van wegen en spoorwegen vindt vaak plaats binnen de kaders van het omgevingsplan, maar kan toch aanzienlijke gevolgen hebben voor geluid. In de Wet geluidhinder was bepaald dat zo’n wijziging moest worden aangemerkt als een «reconstructie van een weg, waarbij pas bij concrete planuitwerking getoetst moest worden aan de geluidnormen. Onder de Omgevingswet is hierin niet automatisch voorzien. Hiervoor moet in het omgevingsplan een toetsmoment worden gecreëerd en dan zijn de regels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) van toepassing op alle wijzigingen en aanleg van wegen en lokale spoorwegen én niet alleen die samenvallen met een wijziging van het omgevingsplan. We gaan daarom in het omgevingsplan vastleggen dat voor het wijzigen van een weg of een lokale spoorweg een Beleidsnota Geluid en Trillingen

17/61

omgevingsvergunning gevraagd moet worden, waardoor het een binnenplanse omgevingsplanactiviteit is. Bij de verlening van die omgevingsvergunning wordt dan weer getoetst aan het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

1.7.

Lokaal spoor

Tramlijnen (zoals naar Nieuwegein/IJsselstein en Utrecht Sciencepark, zie afbeelding 6) vallen conform de Omgevingswet onder de geluidbronsoort ‘lokaal spoor’ en hebben dezelfde grenswaarden als hoofdspoorlijnen. De wet biedt echter ook de mogelijkheid om het geluid samen te nemen met de naastgelegen gemeentelijke wegen en te toetsen als gemeentelijke weg. De reden hiervoor is dat tramlijnen vaak parallel lopen aan wegen, waardoor het ervaren wordt als één geluidbron. In Utrecht is dit op de meeste plaatsen het geval (vaker wel dan niet), daarom maken we gebruik van deze mogelijkheid om het geluid van lokaal spoor samen te nemen met dat van het (lokale) wegverkeer. Bovenstaande keuze heeft doorwerking in elke toepassing van de geluidregels. Dit geldt ook voor eventuele nieuwe tram- of metrolijnen.

Afbeelding 6: Lokaal spoor, tramlijnen in Utrecht Beleidsnota Geluid en Trillingen

18/61

1.8.

Doorgeschoven toetsing

Bij een globaal omgevingsplan (omgevingsplan op hoofdlijnen) is de locatie van de verschillende functies in het gebied alleen op hoofdlijnen aangegeven. Op het moment van vaststellen is bijvoorbeeld nog geen gedetailleerde informatie beschikbaar over de situering van geluidgevoelige gebouwen of over het geluid door activiteiten. Die informatie komt pas beschikbaar als plannen concreet worden uitgewerkt tot het niveau waarop vergunningen kunnen worden aangevraagd. Datzelfde geldt voor gemeentewegen, als een relatief breed gebied een functie voor verkeersdoeleinden heeft. Dan is op het moment van de functietoedeling niet bekend waar de rijstroken exact komen te liggen. Voor geluid is dat natuurlijk wel van belang, zeker als geluidbeperkende maatregelen getroffen moeten worden. Door het ontbreken van voldoende gedetailleerde informatie kan bij de voorbereiding van een globaal omgevingsplan niet worden getoetst aan de geluidnormen. Het instrument omgevingsplan biedt daarvoor een oplossing, door in het omgevingsplan te bepalen dat de benodigde geluidtoetsen moeten worden uitgevoerd op het moment waarop wel voldoende gegevens beschikbaar zijn (doorgeschoven toetsing). Dat moment moet een concreet besluitmoment zijn.

Om die reden gaan we de toetsing in het omgevingsplan onder een binnenplanse omgevingsplanactiviteit brengen zodat deze toetsing doorgeschoven kan worden naar de omgevingsvergunningsfase. Het doorschuiven in de tijd van het toetsen aan geluidregels betekent overigens niet dat bij de voorbereiding van het omgevingsplan helemaal geen aandacht aan geluid hoeft te worden besteed. De uitvoerbaarheid van het omgevingsplan moet altijd en dus ook vanuit het perspectief van geluid aannemelijk worden gemaakt. Het onderzoek dat aantoont dat het plan uitvoerbaar is kan globaal zijn.

1.9.

Tijdelijk wonen, woningsplitsing en omzetting

Voor tijdelijke situaties gelden vaak geen waarden voor geluid. Wel zal een beoordeling van de aanvaardbaarheid plaats moeten vinden. Flexwonen Voor tijdelijke situaties die niet meer dan tien jaar duren, hoeft op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) niet te worden voldaan aan de waarden voor geluid (voor het geluid ín de woning geldt veelal een 10 dB lagere grenswaarde). Ondanks dat hebben we de ambitie aangegeven in Gezondheid voor iedereen om in Utrecht iedereen gelijke kansen te bieden op gezond stedelijk leven en gelijke gezondheidsbescherming. Het belang om de acute woningnood op te lossen wegen we af tegen het belang van een goede gezondheidsbescherming. De volgende maatregelen, die bijdragen aan gezondheidsbescherming, worden daarbij onderzocht en nagestreefd: 

Een geluidluwe zijde;

Slaapkamer aan de geluidluwe zijde;

Een geluidluwe buitenruimte;

Een acceptabel binnenniveau van bij voorkeur 33 dB (maximaal 38 dB);

Een woonduur van, bij voorkeur, maximaal 5 jaar;

Ventilatie die minimaal voldoet aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bkl) ten aanzien van ventilatiegeluid en luchtverversing.

Beleidsnota Geluid en Trillingen

19/61

Short stay Een short stay woning wordt vaak gebruikt door expats of buitenlandse studenten. Juridisch gezien is short stay een logiesfuncties en is daarmee niet geluidgevoelig. Het beleid ten aanzien van short stay staat weergegeven in het Beleid tijdelijk verblijf (short stay) en bijstelling hotels. Bij het toedelen van nieuwe short stay-functies vindt een afweging plaats van de hoeveelheid geluid. Het heeft onze voorkeur om geen short stay te realiseren boven de wettelijke grenswaarde. Wanneer een gewone woning mogelijk is op de locatie, dan heeft dat de voorkeur. Short stay is een goede keuze als er bijvoorbeeld geen luwe gevel kan worden gemaakt (en de functie wonen niet kan). Woningsplitsing en omzetting In de Utrechtse woningvoorraad is schaarste in alle categorieën. Er zijn om die reden veel initiatieven voor het splitsen en omzetten (kamergewijze verhuur) van woningen hetgeen de druk op de woningmarkt kan verlichten. Dit omzetten kan effect hebben op de leefbaarheid en wordt daarom getoetst vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente Utrecht heeft hiervoor de Beleidsregel Wijziging samenstelling van de woonruimtevoorraad (woningsplitsen en omzetten). Hierin staan onder meer regels opgenomen met betrekking tot de geluidisolatie tussen de woningen waardoor dezelfde kwaliteit wordt verkregen als bij nieuwbouwwoningen.

Voor deze woningen geldt net als bij transformatie een 5 dB soepelere waarde met betrekking tot een luwe gevel. Voor onzelfstandige studentenwoningen geldt daarnaast de eis dat minimaal 50% van de wooneenheden aan de luwe zijde zijn gelegen. Mantelzorgwoningen Ook voor mantelzorgwoningen gelden op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geen waarden voor geluid. Deze woningen zijn, behalve het ontbreken van een maximale tijdsduur van afwijken, niet onderscheidend van flexwonen. In het kader van eventuele afwegingen zal daarom bij dat kader worden aangesloten (uitgezonderd woonduur).

1.10.

Scheepvaartlawaai

Scheepvaartlawaai valt niet onder de Omgevingswet. Er bestaan voor scheepvaartlawaai geen waarden die gelden ter plaatse van woningen of andere geluidgevoelige functies langs een scheepvaartroute. Wel zijn er emissienormen; dus eisen voor de geluidproductie van de schepen. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het gewenst dat een goed beeld van de totale gecumuleerde geluidsituatie wordt verkregen. Indien relevant moet dan ook het aspect scheepvaartlawaai nader worden onderzocht. Hieronder wordt beschreven hoe we daar in de gemeente Utrecht mee om zullen gaan. 

We houden een standaardwaarde aan tussen die van weg- en railverkeer (respectievelijk 53 en 55 dB) hetgeen uitkomt op 54 dB;

Als Utrechtse-grenswaarde hanteren we de ambitiewaarde vanuit het volksgezondheidsbeleid van 63 dB;

Beleidsnota Geluid en Trillingen

20/61

 

Boven de standaardwaarde is als aanvullende compenserende maatregel een luwe gevel nodig; Bij de uitwerking van de gevelisolatie wordt rekening gehouden met (het spectrum van) scheepvaartlawaai (vanwege vrij lage frequenties);

Deze bovenwettelijke normen krijgen een plek in het omgevingsplan.

Beleidsnota Geluid en Trillingen

21/61

Geluid door activiteiten in Utrecht 2.1.

Beleid onder Omgevingswet

Een gemeente kan andere geluidwaarden voor bedrijven opnemen dan de standaardwaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Wanneer een omgeving bijvoorbeeld heel rustig is kunnen lagere waarden worden opgenomen in het omgevingsplan. Geluidoverlast bestaat in vele vormen maar in de wetgeving is niet altijd even gedetailleerd vormgegeven hoe we daarmee om moeten gaan. In Utrecht kennen we sinds jaren verschillende verordeningen en regels die een en ander nader specificeren en die we beleidsmatig voortzetten. De wijze waarop de toelating van nieuwe geluidgevoelige functies door geluid van activiteiten zal worden afgewogen is onderdeel van de opstelling van het omgevingsplan. Er zijn ook zaken die wettelijk niet zijn geregeld (of zelfs specifiek zijn uitgezonderd) en wel tot overlast kunnen leiden. Aan de andere kant zijn er geluiden die bij een (drukke) stad horen en die we daarom niet regelen of inperken. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet dit alles wel worden afgewogen. Om dit goed te kunnen motiveren hebben we voor verschillende zaken nadere regels opgesteld. Deze worden in paragraaf 2.4 behandeld.

2.2.

Geluid van bedrijven

Het bestaande beleid met betrekking tot de bescherming van woningen in rustige gebieden wordt voortgezet. In plaats van richtwaarden die bij maatwerk of vergunningverlening worden toegepast, worden grenswaarden in het omgevingsplan vastgelegd. Hierdoor is het niet nodig om voor elk individueel bedrijf een procedure te voeren en kan er sneller worden ingegrepen in geval van overlast. 

Bedrijven moeten ter plaatse van woningen in rustige woonwijken aan 5 dB lagere geluidnormen voldoen dan de standaardwaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);

Aan bedrijven die aantoonbaar vanuit kosten- of technische overwegingen niet aan de aangescherpte normen kunnen voldoen, kan met maatwerk een hogere geluidgrens worden

toegekend; Aan de voorkant van woningen langs drukkere wegen en in centrumgebieden blijven de

standaardwaarden van kracht; Op bedrijventerreinen gelden 5 dB ruimere normen ter plaatse van (bedrijfs)woningen.

Wat we beschouwen als rustig versus druk wordt verder uitgewerkt in het omgevingsprogramma geluid en trillingen en via maatwerkregels vastgelegd in het omgevingsplan. We sluiten daarbij zoveel mogelijk aan bij aanduidingen die vanuit andere kaders worden vastgelegd. Zie als voorbeeld afbeelding 7.

Beleidsnota Geluid en Trillingen

22/61

Afbeelding 7: Aanduidingen drukkere stedelijke gebieden

 

‘Verkeer’ = akoestisch drukke wegen; ‘Verblijfsgebied’ = rustige woonstraten;

‘Centrumgebieden’ = stadscentra zoals beschreven in de Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040.

2.3.

Industrieterreinen

Voor de wat grotere industrieterreinen (zie afbeelding 8), waar zogeheten ‘grote lawaaimakers’ mogen komen, geldt een systeem dat als doel heeft om de cumulatieve geluideffecten van alle bedrijven bij elkaar beheersbaar te houden. Deze grenswaarden worden in het omgevingsplan vastgelegd (‘omgevingswaarden’). Ten opzichte van de oude systematiek uit de Wet geluidhinder is de rekenmethodiek gewijzigd. Dit leidt in sommige situaties tot iets meer geluidruimte voor de bedrijven. Er is vooralsnog geen aanleiding om verandering aan te brengen in de wijze waarop het geluid van industrieterreinen wordt beoordeeld. Bedrijven met informatie- of meldingsplichten voor hun milieubelastende activiteiten dienen blijvend te voldoen aan een maximale waarde van 50 dB(A) etmaalwaarde op 50 meter.

Beleidsnota Geluid en Trillingen

23/61

Afbeelding 8: Industrieterrein

2.4.

Overig

In deze paragraaf wordt de beleidsmatige visie beschreven op een scala aan verschillende onderwerpen. 2.4.1.

Incidentele ontheffingen

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft een gemeente de mogelijkheid om bij verordening een bedrijf tot maximaal twaalf keer jaar een ontheffing van de geluidnormen te verlenen ten behoeve van festiviteiten. Twaalf keer vinden we in Utrecht echter te veel. Dat kan zeker in een horecastraat leiden tot ongewenste situaties waarbij er elke week wel ergens via een ontheffing een grootschalig feest wordt georganiseerd. In Utrecht is daarom in de Vrijstellingsverordening inrichtingen milieubeheer opgenomen dat: 

deze ontheffing kan worden verleend op een beperkt aantal aangewezen collectieve feestdagen;

de mogelijkheid er is voor twee extra individueel/incidenteel te kiezen dagen (voor sportinrichtingen negen keer);

in een ontheffing een maximum aan het geluid kan worden gesteld; in een ontheffingsbesluit worden aanvullende regels gesteld.

In het omgevingsplan wordt deze regeling opgenomen, waarbij een nadere precisering wordt aangebracht in begrippen als incidenteel/collectief. Ook wordt aangegeven voor welk type activiteiten een ontheffing kan worden verleend; alleen binnen het bebouwde deel van de inrichting of ook daarbuiten, bijvoorbeeld op een voetbalveld. Beleidsnota Geluid en Trillingen

24/61

Culturele hotspots op locaties waar niet voor ernstige geluidhinder hoeft te worden gevreesd (denk aan grote industrieterreinen), faciliteren we door meer dan twee geluidontheffingen toe te staan. 2.4.2.

Ramen en deuren dicht

Als regel wordt in het omgevingsplan opgenomen dat horecaondernemingen ramen en deuren gesloten moeten houden wanneer binnen (hard) versterkt muziekgeluid wordt geproduceerd en geopende ramen en deuren dan zouden leiden tot een overschrijding van de geluidsnormen. Open ramen en deuren van een horecagelegenheid zijn hiermee niet per definitie verboden. Maar omdat er dan veel meer geluid naar buiten komt, moet het volume van het versterkte muziekgeluid binnen worden aangepast zodat het binnen de normen blijft. Bij herhaaldelijke overtredingen is het in de huidige praktijk gebruik om in zo’n geval een maatwerkvoorschrift op te leggen dat de ramen en deuren dicht moeten blijven (uiteraard behoudens het direct doorlaten van personen en goederen). Het doel van deze nieuwe maatregel is om dit nu als zorgplicht algemeen op te leggen. Met de toevoeging dat dit alleen geldt bij (te) hard versterkt muziekgeluid binnen. 2.4.3.

Bescherming stille hofjes

In de Geluidnota 2014-2018 was een richtwaarde opgenomen voor stille hofjes (zie afbeelding 9: Stil hofje) van 40 dB(A) voor bedrijfsgeluid. Daar waar nodig zijn maatwerkvoorschriften opgelegd. In de nota volksgezondheid Gezondheid voor iedereen is ook aandacht voor stille hofjes: “Ook beschermen we stille plekken. In dit licht staan we geen horecavoorzieningen toe in stille hofjes en rustige woonstraten.” Er zijn enkele bestaande uitzonderingen maar over het algemeen staan we geen terrassen toe in stille hofjes. Deze lijn zetten we voort. Onder de Omgevingswet bestaat er geen bepaling meer die terrassen op stille binnenterreinen reguleert. Continuering van de bescherming van stille hofjes borgen we daarom via het omgevingsplan.

Beleidsnota Geluid en Trillingen

25/61

Afbeelding 9: Stil hofje

2.4.4.

Geluid in de openbare ruimte

Voor geluid in de openbare ruimte was de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van toepassing. Te denken valt aan straatartiesten, aggregaten, et cetera. In de Beleidsregel terrassen gemeente Utrecht is opgenomen dat op terrassen geen versterkte muziek of andere geluiden mogen worden geproduceerd. We hebben geen nader geluidbeleid/normen voor geluiden in de openbare ruimte die we normaal en acceptabel vinden (bijvoorbeeld kleine speelplaatsen of dichtslaande autoportieren). Bij eventuele excessen wordt per geval bezien wat het probleem is en wat daaraan kan worden gedaan. Bij het ontwerp van de openbare ruimte wordt gekeken naar technische mogelijkheden om het geluid te beperken. Zo staat in de (ontwerp) Visie Speelruimte Utrecht, Spelen in je eigen buurt het volgende beschreven: Bij het ontwerp van een plangebied moet altijd gekeken worden naar een evenwichtige toedeling van functies en de locaties daarvan. Hierbij moet rekening gehouden worden met bijvoorbeeld stemgeluid en het geluid van weerkaatsende ballen. Speelplekken moeten goed gepositioneerd worden en van een goede ondergrond voorzien die geluid zoveel mogelijk dempt.

Beleidsnota Geluid en Trillingen

26/61

Afbeelding 10: Voetbalkooi in de openbare ruimte

Hekken rond voetbalkooien (zie afbeelding 10) kunnen bijvoorbeeld hinderlijk geluid veroorzaken als er een bal tegen aan wordt geschopt. Er zijn echter ook stillere constructies die kunnen worden toegepast. 2.4.5.

Uitsluiten van toetsing

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) biedt de mogelijkheid om bepaalde activiteiten uit te sluiten van toetsing. In het omgevingsplan wordt gekeken naar de activiteiten die voor Utrecht relevant zijn, voor deze activiteiten wordt een uitzondering gemaakt. Muziek Zoals in Vrijstellingsverordening inrichtingen milieubeheer is opgenomen wordt onversterkt muziekgeluid uitgezonderd. De gemeente Utrecht krijgt nauwelijks meldingen over onversterkte muziek. Het niet uitzonderen zou – bijvoorbeeld - betekenen dat de carillons in de stad te zeer zouden worden beperkt. Godsdienstige en levensbeschouwelijke uitingen In Nederland is de vrijheid van godsdienst een grondrecht. Het oproepen tot gebed door religieuze gezangen of klokgelui is een manifestatie van religie, waarvoor het grondrechtelijk kader geldt. Op basis van godsdienstvrijheid moet het voor bijvoorbeeld kerken en moskeeën mogelijk zijn om geluid te produceren ten behoeve van diensten en plechtigheden. Bij kerken en moskeeën steekt echter geregeld de discussie op hoeveel geluid de klokken of de vocale gebedsoproep mogen veroorzaken. Godsdienstvrijheid betekent niet dat aan het geproduceerde geluid geen grenzen mogen worden gesteld.

Artikel 10 van de Wet openbare manifestaties (Wom) stelt: “Klokgelui ter gelegenheid van godsdienstige en levensbeschouwelijke plechtigheden en lijkplechtigheden, alsmede oproepen tot het Beleidsnota Geluid en Trillingen

27/61

belijden van godsdienst of levensovertuiging, zijn toegestaan. De gemeenteraad is bevoegd ter zake regels te stellen met betrekking tot duur en geluidsniveau”. Dit is altijd maatwerk. Als basis wordt de oude regel uit het Activiteitenbesluit overgenomen die aangaf dat de normen niet golden voor het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden. Kortdurend geluid We maken ook een uitzondering voor enkele activiteiten die maar kortdurend een hoog geluidsniveau veroorzaken. Dit betreft: 

het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen

het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.

2.4.6.

Bouwlawaai

Utrecht groeit en de bouwactiviteiten in Utrecht nemen toe. Voor de één een uiting van vitaliteit en bedrijvigheid, voor de ander een bron van hinder. De uitvoering van grote bouwprojecten heeft impact op de leefomgeving (zie afbeelding 11). Bouwen, inclusief bouwen aan infrastructurele- en renovatiewerken, gaat gepaard met bijvoorbeeld geluid, trillingen, stof, licht, of beperking van het uitzicht. Bouwen kan ook tot schade leiden door trillingen, bronbemaling en bouwverkeer. Daarnaast heeft het gevolgen voor de bereikbaarheid. De gemeente doet veel om bouwhinder te voorkomen en maakt onder andere gebruik van geluid- en trillingsmetingen. Normen Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt regels aan het geluid dat bij bouwwerkzaamheden mag worden geproduceerd (voor het aspect trillingen wordt verwezen naar hoofdstuk Trillingen). Dit geldt bij nieuwe gebouwen of renovaties alsook bij infrastructurele werken. Omdat een bouwproces een tijdelijke situatie betreft, zijn de normen fors hoger dan voor regulier bedrijfsmatig geluid. Hoe langer het bouwproces duurt, hoe lager de normen getalsmatig worden. In de regel mag alleen in de dagperiode lawaai worden gemaakt. Ontheffingen Soms is het noodzakelijk om werkzaamheden in de avond- en nachtperiode uit voeren. Denk hierbij aan betonstorten; een proces dat soms meer dan 24 uur achter elkaar continu moet worden uitgevoerd.

In dat soort situaties kan een ontheffing worden verleend. Om hinder en overlast door bouw-, sloop- en renovatiewerkzaamheden te voorkomen of te beperken, worden aan een ontheffing wel gemeentelijke geluidnormen gekoppeld. Deze staan beschreven in de Handhaafinstructie geluidhinder veroorzaakt door bouw- sloop- en renovatiewerkzaamheden. In de handhaafinstructie staat onder andere wanneer ontheffing mogelijk is, op welke wijze en hoe het toezicht en de handhaving zijn geregeld. Dit helpt de toename van geluidhinder zoveel mogelijk te beperken.

Beleidsnota Geluid en Trillingen

28/61

Communicatie Naast de (wettelijke) afspraken is vroegtijdige communicatie van groot belang. Als een duidelijk beeld wordt gegeven op welke momenten sprake is van overlast, kan er door bewoners en ondernemers op worden ingespeeld. Eventuele overlast wordt als minder storend ervaren wanneer men vooraf geïnformeerd is over de aard en de duur van de overlast.

Afbeelding 11: Bouwterrein

2.4.7.

Woongeluiden

Hinder van buren is een van de meest voorkomende vormen van geluidoverlast. Er zijn bouwregels voor geluidisolatie en installatiegeluid. Bij overlast van buren zijn er geen wettelijke normen waar het geluid aan kan worden getoetst. De eerstelijnsbehandeling van dit soort vormen van overlast is een taak voor de politie. De aanpak van zware vormen van woonoverlast valt onder de bevoegdheid van de burgemeester en daarmee buiten de reikwijdte van de Omgevingswet. Artikel 151d, eerste lid, van de Gemeentewet geeft de raad de bevoegdheid regels te stellen om tegen te gaan dat omwonenden hinder ondervinden van gedragingen van buren. Het gaat in deze gevallen om regels die de burgemeester bevoegdheden toekent bij het aanpakken van ernstige en herhaaldelijke hinder. De regels worden (hoofdzakelijk) gesteld met het oog op het kunnen reguleren van het gedrag van personen. Het gevolg van dat gedrag op de fysieke leefomgeving valt hier niet onder. Regels op grond van deze artikelen mogen daarom niet worden gesteld in het omgevingsplan. Daarom valt dit buiten de scope van deze Beleidsnota.

Beleidsnota Geluid en Trillingen

29/61

2.4.8.

Stemgeluid

Het stemgeluid afkomstig van bezoekers van terrassen, sportinrichtingen en school- en speelpleinen kan hinder in de woonomgeving veroorzaken. Dergelijk onversterkt stemgeluid is echter uitgezonderd in de wet. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat dat een omgevingsplan bepaalt dat de waarden die het omgevingsplan bevat voor geluid door een activiteit niet van toepassing zijn op onversterkt menselijk stemgeluid; zonder uitzonderingen. Een gemeente kan niet voorschrijven dat onversterkt stemgeluid toch meegenomen wordt bij de handhaving van de geluidwaarde. Met andere woorden: er kan bij overlast en klachten niet worden opgetreden over de band van het omgevingsrecht. Juist om deze reden geeft de Raad van State aan dat een dergelijk aspect vooraf eenmalig moet worden onderzocht, afgewogen en gemotiveerd. Het moet worden meegewogen bij het toedelen van functies aan locaties. Door in een omgevingsplan vervolgens regels te stellen aan locatie, omvang en openingstijden kan stemgeluid worden gereguleerd. Beleidsmatig maken we onderscheid tussen stemgeluid dat afkomstig is van terrassen, schoolpleinen dan wel sportvelden. Vanuit gezondheidsoogpunt wordt spelen en sporten gestimuleerd. Terrassen kunnen een rol spelen bij een gewenste levendigheid van een gebied. De verschillende aspecten worden verschillend beoordeeld.

Richtwaarden Er is behoefte aan een richtwaarde waarmee een nieuwe ontwikkeling kan worden beoordeeld. Bij het bepalen van de juiste hoogte van een richtwaarde speelt de balans tussen leefbaarheid en levendigheid een belangrijke rol. In die zin kan worden aangesloten bij de systematiek van geluidnormen voor bedrijven waarbij de aard van de omgeving (druk of rustig) op vergelijkbare wijze een rol speelt. Als eerste wordt gekeken naar de richtwaarden voor een rustige woonwijk of gemengd gebied/drukke woonwijk in de stad: respectievelijk 45 dB(A) of 50 dB(A) etmaalwaarde. Rigide toepassing van deze waarden maakt het onmogelijk om een terras, schoolplein of sportveld in gebruik te hebben. Er zal op voorhand een hoger niveau als aanvaardbaar moeten worden gesteld als de aanleg van terrassen, sportvelden en school- en speelpleinen mogelijk wordt gemaakt. Bij de bepaling welk niveau acceptabel is, kan naar het binnenniveau in de woningen worden gekeken. Als grenswaarde voor het binnenniveau is 35 dB(A) gebruikelijk. De basisgeluidisolatie volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bedraagt 20 dB. Daaruit volgt dat een geluidbelasting van 55 dB(A) aan stemgeluid nog goed te motiveren is; dit kan dan de richtwaarde zijn voor rustige woonwijken. Voor drukke locaties volgt dan een 5 dB hogere waarde: 60 dB(A).

Maar dan moet daarbij wel naar het binnenniveau in de woningen worden gekeken en indien nodig extra worden geïsoleerd. Terrassen In het omgevingsplan worden regels opgenomen ten aanzien van de locatie en de omvang van terrassen. Die gelden voor het toevoegen van nieuwe functies aan locaties, dus voor nieuwe terrasfuncties. Bij nieuwe plannen maken we terrassen alleen mogelijk als is aangetoond dat het stemgeluid naar verwachting niet meer zal bedragen dan de hierboven beschreven richtwaarde. In het omgevingsplan wordt een norm voor stemgeluid opgenomen waar een nieuwe ontwikkeling aan wordt Beleidsnota Geluid en Trillingen

30/61

getoetst. Voor de duidelijkheid: de waarde geldt alleen (dus eenmalig) bij de afweging om een functie of activiteit toe te laten. De waarde kan niet naderhand voor handhaving worden gebruikt. Dit levert desondanks meer transparantie op voor de ondernemers en bescherming voor omwonenden. Terrassen in stille hofjes en op omsloten binnenterreinen in de binnenstad en zijn niet toegestaan. Buiten de binnenstad zijn we zeer terughoudend met terrassen op omsloten binnenterreinen. Schoolpleinen en kinderdagverblijven Kinderen moeten buiten kunnen spelen. Dat kan betekenen dat stemgeluid van spelende kinderen op een schoolplein bij een deel van de bevolking tot overlast leidt. Voor nieuwe situaties zorgen we daarom voor een ontwerp dat de minste overlast voor de buurt oplevert. Een richtwaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde kan bij het ontwerp worden gehanteerd. Aanvullend kan ook naar het aanwezig zijn van een geluidluwe gevel en de ligging van de tuin of balkon, woningindeling (bijvoorbeeld slaapkamer aan de zijde van het schoolplein) worden gekeken. Deze kwalitatieve benadering geeft meer vrijheid om een oplossing te zoeken voor de inpassing, hetgeen nodig is om in een verdichtende stad schoolgebouwen in een woonomgeving in te passen.

Sportvelden Bij het toedelen van nieuwe sportvelden (van verenigingen) hanteren we de afstandstabellen conform de VNG-systematiek van Bedrijven en Milieuzonering. De aan te houden afstand van 50 meter ten opzichte van een rustige woonwijk is echter vaak niet uitvoerbaar. De afstand van 30 meter, die de systematiek passend vindt voor een drukke woonwijk, is meestal wel mogelijk. Uit eerdere onderzoeken blijkt dat een richtwaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde dan meestal nog haalbaar is. Gezien de grote behoefte aan sportfaciliteiten in de stad en de steeds verdere verdichting, hanteren we bij de afweging voor nieuwe situaties alleen dit afstandscriterium. 2.4.9.

Evenementen

Geluidnormen voor evenementen staan beschreven in de Beleidsregel Geluidsnormen bij buitenevenementen. Voor bepaalde evenementenlocaties worden op maat gemaakte regels opgenomen in zogeheten locatieprofielen en wordt nader aandacht aan het evenementenbeleid besteed. Dit aspect valt hierdoor buiten de scope van deze Beleidsnota. 2.4.10.

Windturbines

In de Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040 staat: “Bij realisatie van windmolens binnen een afstand van twee kilometer tot woonwijken worden regels gesteld om de effecten van geluid en slagschaduw meer te beperken dan wettelijk verplicht.” Als gevolg van een uitspraak van de Raad van State (202003882/1/R3) zijn er momenteel geen wettelijke normen meer voor geluid van nieuwe windturbines. In de provinciale omgevingsvisie wordt gesteld: “Ook streven wij voor 2030 bij woningen en andere geluidgevoelige gebouwen naar het voldoen aan de WHO-advieswaarden voor geluid van windturbines in aanvulling op de wettelijke vereisten.” In het coalitieakkoord 2022-2026 Investeren in Utrecht is opgenomen dat bij het plaatsen van windmolens het uitgangspunt is om de overlast (geluid en slagschaduw) voor omwonenden maximaal te Beleidsnota Geluid en Trillingen

31/61

beperken. Voor specifieke projecten worden op maat gemaakte normen en/of een visie opgesteld zoals bijvoorbeeld voor het Energielandschap Rijnenburg en Reijerscop.

Beleidsnota Geluid en Trillingen

32/61

3. EU-richtlijn omgevingslawaai 3.1.

Geluidkartering

De Europese Richtlijn omgevingslawaai schrijft voor dat elke lidstaat elke vijf jaar geluidkaarten maakt (voor agglomeraties en belangrijke infra). De richtlijn is opgenomen in de Omgevingswet. Op basis van de berekeningen wordt het aantal (ernstig) geluidgehinderden als gevolg van wegverkeer, railverkeer en industrie in de stad bepaald. Hieronder staat als voorbeeld de geluidkaart met het gemiddelde geluid van wegverkeer over het jaar 2021.

Afbeelding 11: Gemiddelde van het geluid van wegverkeer over het jaar 2021

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een monitoringsverplichting voor gemeentelijke wegen ingevoerd. Uiterlijk in 2026 dient de gemeente hiervoor de basis geluid emissie vast te leggen. Eens in de vijfjaar, gelijktijdig met de EU kartering, dient de gemeente de optredende geluidsproductie te vergelijken met de basis geluid emissie. Deze verplichting zal in uitvoering gekoppeld kunnen worden aan de EU kartering omdat veelal dezelfde informatie benodigd is. Koppelingsmogelijkheden zijn er in de toekomst op het gebied van zowel monitoring als het actieplan c.q. de naleving.

Beleidsnota Geluid en Trillingen

33/61

3.2.

Actieplan

Na het in beeld brengen van het geluid in de stad moet conform Europese regels een actieplan worden opgesteld om knelpunten op te lossen of te verbeteren. Een knelpunt wordt gedefinieerd aan de hand van een zogeheten plandrempel. Ook dient een actieplan aandacht te besteden aan stille gebieden. Het actieplan geluid focust (wettelijk verplicht) op het geluid van (spoor)wegen en industrie. Maar er zijn ook veel andere geluidsoorten die tot overlast en slaapverstoring kunnen leiden, bijvoorbeeld uitgaanslawaai. Het actieplan kijkt daarom breder naar geluidsoverlast in de stad om te bezien waar het nodig is om maatregelen te treffen. Ook trillingsoverlast wordt onder de loep genomen. Onder de Omgevingswet krijgt het actieplan een bredere functie. Maatregelen die in het kader van de monitoring van de Basisgeluidemissie (zie bijlage 1 Uitleg Omgevingswet) worden afgewogen of verplicht worden genomen, worden in het actieplan behandeld. Het eerstvolgende actieplan wordt in 2024 gemaakt. Geluidknelpunten kunnen erg hardnekkig zijn. Het is van het grootste belang om nieuwe knelpunten te voorkómen omdat achteraf oplossen vaak erg moeilijk is. Het actieplan heeft daarom ook een relatie met ruimtelijke ontwikkelingen. 3.2.1.

Uitgangspunten

In Utrecht streven we naar een concentratie van het verkeer op een beperkt aantal hoofdstroomwegen. Daarmee creëren we grote luwe gebieden. We accepteren dat langs drukke hoofdstroomwegen meer geluid is en meer hinder kan optreden. Bij het opstellen van een actieplan gelden de volgende uitgangspunten. 

In voorgaande actieplannen is een plandrempel van 63 dB geformuleerd voor de meeste wegen in de stad. Deze waarde komt overeen met de ambitiewaarde uit de nota volksgezondheid Gezondheid voor iedereen;

Voor de drukke wegen geldt een 5 dB hogere plandrempelwaarde;

Bij toekomstige actieplannen wordt rekening gehouden met de geuite wensen van de raad om het aspect gezondheid en kwetsbare groepen een belangrijke rol te laten spelen.

3.2.2.

Geluidsituatie wegen verbeteren

De gereedschapskist voor een gemeente om een bestaande geluidsituatie significant te verbeteren, is niet erg ruim gevuld. Het plaatsen van geluidschermen is binnenstedelijk meestal geen optie. De volgende maatregelen vormen de belangrijkste instrumenten om wat aan het geluid van gemeentelijk wegverkeer te doen. Verlagen maximumsnelheid Een verlaging van de maximumsnelheid van 50 naar 30 km/u is een maatregel die circa 5 dB reductie oplevert. De ambitie vanuit de Mobiliteitsvisie 2040 om zoveel mogelijk wegen te transformeren naar een 30 km/u regime, zal een positief effect hebben. Zeker als dit gepaard gaat met een forse verlaging van de verkeersintensiteit. Vervanging van asfalt door klinkers heeft een tegenovergesteld effect. Beleidsnota Geluid en Trillingen

34/61

Stiller asfalt Het aanleggen van stil(ler) asfalt is veelal een effectieve maatregel. Stil asfalt slijt echter sneller waardoor vaker wegwerkzaamheden plaatsvinden en de kosten hoger zijn. Elk jaar wordt bij de planning voor het wegonderhoud bekeken welke wegen in aanmerking komen voor stiller asfalt. Diffractor Een vrij nieuwe maatregel is de diffractor (zie afbeelding 12) die het geluid kan afbuigen over nabijgelegen woningen heen. Waarschijnlijk is deze maatregel alleen goed toepasbaar bij de wat grotere drukke wegen (bijvoorbeeld provinciale wegen).

Afbeelding 12: Diffractor om het geluid af te buigen

Elektrische auto’s De groei van het aandeel elektrische auto’s heeft een beperkt effect: minder motorgeluid maar door het hogere gewicht (en daardoor bredere banden) komt er meer geluid van de banden. Boven de 30 km/u wordt het geluid dat afkomstig is van de banden maatgevend; bij klinkerstraten is bij 30 km/u weinig verschil. Alleen bij lage snelheden, zoals bij optrekken, zijn elektrische auto’s duidelijk merkbaar stiller. Voor zware voertuigen, zoals bussen, is het effect van elektrificatie wel significant. Beleidsnota Geluid en Trillingen

35/61

3.2.3.

Stille gebieden en soundscaping

Utrecht heeft niet alleen levendige centra en drukke straten, maar ook plekken waar mensen even in de luwte kunnen zijn: groene openbare plekken voor stilte, verkoeling, ontmoeting en ontspanning. Stille gebieden dragen bij aan onze ambitie voor een ‘gezond stedelijk leven voor iedereen’. In het actieplan geluid is tot nu toe een aanpak beschreven van ‘koesteren, verbeteren en uitbreiden’. In de Ruimtelijke Strategie Utrecht (RSU) wordt het profiel van de ‘vertraagde stad’ gepresenteerd: naast dynamische plekken met reuring, zijn ook voldoende plekken nodig waar mensen even in de luwte kunnen zijn. In relatie met de 10-minutenstad, zoals in de RSU is beschreven, spreken we de ambitie uit dat iedereen binnen 10 minuten loopafstand van huis een stil gebied kan vinden. Een levendige stad als Utrecht is nergens helemaal stil. Stilte in een stad is relatieve rust en kenmerkt zich door de afwezigheid van nadrukkelijke omgevingsgeluiden zoals verkeer. Naast de hoeveelheid geluid is ook de beleving van het geluid relevant. Bij de inrichting van de omgeving kunnen we het ervaren geluid verbeteren (soundscaping). Dit doen we door bijvoorbeeld een logische ordening van drukke en stille functies, door geluidbronnen visueel af te schermen; bijvoorbeeld door de inzet van groen op strategische plekken.

Een groene omgeving helpt niet alleen bij het dempen van geluid (absorptie en verstrooiing), het kan soms ook zorgen voor een maskering van het geluid - denk aan ritselende blaadjes en vogelgeluiden - waardoor een aangenamer geluidlandschap ontstaat. Door onderzoek te doen naar de beleving van geluid in de bestaande stad kunnen we op zoek naar locaties die voor verbetering in aanmerking komen. Dit geldt niet alleen voor stille plekken maar ook voor dynamische gebieden met veel reuring.

Beleidsnota Geluid en Trillingen

36/61

4. Trillingen 4.1.

Aanleiding

Voelbare trillingen vanuit de omgeving kunnen leiden tot hinder en overlast. Met name in de woonsituatie kunnen trillingen leiden tot een gevoel van onbehagen en slaapverstoring en dit kan resulteren in gezondheidseffecten. Belangrijke externe bronnen van trillingen zijn: 

infrastructuur voor transport zoals wegen, tramlijnen, spoor- en waterwegen;

activiteiten van bedrijven en bouw- en sloopactiviteiten.

We besteden aandacht aan trillingen bij het voorbereiden en uitvoeren van bouwplannen in de omgeving van het (tram)spoor of wijzigingen aan de weg. Toename van trillingen en de leefomgeving beschermen De afgelopen jaren is het aspect trillingen steeds meer onder de aandacht gekomen. We zien een toename in het aantal klachten over trillingen van bijvoorbeeld zwaar verkeer of goederentreinen. In de toekomst is een flinke toename van het passagiers- en goederenvervoer over het spoor voorzien. Tegelijk worden in Utrecht regelmatig woningbouwplannen ontwikkeld op korte afstand van een spoor- of tramlijn. In nieuwe situaties willen we het woon- en leefklimaat adequaat beschermen en nieuwe overlast voorkomen. Het is dan ook nodig om bij nieuwe plannen voor woningen of andere gevoelige functies (zoals scholen en ziekenhuizen) nabij spoor- en tramlijnen of bij de aanleg van nieuwe tramlijnen een gedegen afweging te maken en aanvullende eisen te stellen.

4.2.

Trillingsvoorwaarden spoor, trams en wegen

De Omgevingswet stelt als eis dat bij het toedelen van functies aan locaties rekening wordt gehouden met gezondheid en milieu. Er zijn weliswaar geen landelijke wettelijke regels of grenswaarden om voor weg- en spoortrillingen deze afweging te maken, maar wel handreikingen en richtlijnen die hierbij kunnen worden gebruikt. Een veel gebruikte publicatie is de SBR-richtlijn B ‘Hinder voor personen in gebouwen’ (versie 2, 2002) waarin streefwaarden worden vermeld voor onder andere weg- en spoortrillingen. De richtlijn kent streefwaarden voor Vmax, de maximale trillingssterkte die zich voor kan doen, en Vper, dat is een maat voor de gemiddelde trillingssterkte over de hele periode. Eisen en afspraken Het Utrechtse beleid is een voortzetting van de bestaande praktijk. Daaruit is gebleken dat het goed mogelijk is om aan deze voorwaarden te voldoen zodat trillingsoverlast voldoende kan worden voorkomen. De eisen bij nieuwbouwplannen zijn: Beleidsnota Geluid en Trillingen

37/61

 

de SBR-streefwaarde van Vper voor ‘nieuwe situaties’ wordt niet overschreden; de Vmax kan hoger zijn dan de streefwaarde voor ‘nieuwe situaties’ als met onderzoek is aangetoond dat dit niet te vermijden is;

de soepelere richtwaarde van Vmax voor ‘bestaande situaties’ mag niet worden overschreden.

Bij de bouw van woningen, onderwijs- of gezondheidszorggebouwen bij een weg zijn trillingen alleen relevant in de nabijheid van verkeersdrempels of andere trillingsopwekkende constructies. In die gevallen kan een trillingsonderzoek nodig zijn om te beoordelen of aan de beleidsmatige grenswaarden kan worden voldaan. Bij de aanleg van verkeersdrempels nabij bestaande woningen wordt per geval afgewogen welke trillingsniveaus acceptabel zijn, waarbij ook de belangen van verkeersveiligheid een rol spelen. De grenswaarden voor nieuwbouw zijn dan niet van toepassing. Trillingsonderzoek wordt in Utrecht alleen geëist bij bouwplannen binnen een relevante zone. De zoneafstanden worden opgenomen in het omgevingsprogramma geluid en trillingen. Trillingen relevant voor planvorming Bovenstaande werkwijze wordt door middel van regels in het omgevingsplan opgenomen en is van invloed op de bouwwijze van nog komende plannen langs spoor- en tramlijnen (zie afbeelding 13) en voor de aanleg of wijziging van deze infrastructuur. Denk hierbij aan de wijze van fundering en de afmeting van overspanningen (en daarmee de grootte van de woningen) en moet daarom al in een vroeg stadium van de planvorming worden onderzocht. Als vanaf het begin uit onderzoek duidelijk is welk type woning voor de specifieke bouwlocatie het minst gevoelig is voor trillingen, kan daarin een verstandige keuze worden gemaakt.

Er zijn dan bij een bouwaanvraag maar weinig aanpassingen of maatregelen nodig en de bouwkosten nemen slechts beperkt toe. Bij een verkeerde keuze van woningtype kunnen daarentegen maatregelen technisch of financieel onhaalbaar blijken te zijn. Als een bestaand gebouw een trillingsgevoelige bestemming krijgt (of de functie wordt trillingsgevoeliger, bijvoorbeeld bij transformatie van kantoor naar wonen) dan zijn dezelfde criteria en grenswaarden van kracht als bij nieuwbouw. Een voordeel is dat direct op de gebouwvloeren kan worden gemeten.

Afbeelding 13: Bouwplaats naast de spoorrails. Een trillingsgevoelige locatie Beleidsnota Geluid en Trillingen

38/61

4.3.

Trillingsvoorwaarden aan activiteiten (bedrijven)

Voor milieubelastende activiteiten volgens de Omgevingswet zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen met betrekking tot trillingen, zowel bij het toelaten van die activiteit als bij het toelaten van trillingsgevoelige functies. De instructieregel schrijft voor dat voor het bereiken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat rekening wordt gehouden met trillingen door activiteiten. Aan dit criterium wordt voldaan als de standaardwaarden (Bkl) niet worden overschreden. De gemeente heeft de bevoegdheid om gemotiveerd af te wijken van deze waarden. In de praktijk is niet gebleken dat in Utrecht een strengere of ruimere trillingsgrenswaarde voor activiteiten nodig is dan de standaardwaarden volgens de instructieregels. Daarom is hiervoor geen nader beleid ontwikkeld; de standaardwaarden van de instructieregel worden in het omgevingsplan overgenomen.

4.4.

Trillingsvoorwaarden van bouw- en sloopactiviteiten

Voor trillingen als gevolg van bouw- en sloopwerkzaamheden staan in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) regels voor het verrichten van de bouw- en sloopwerkzaamheden in de dagperiode. De regels gaan onder meer over het beperken van trillinghinder. Deze regels hebben als doel om de veiligheid in de directe omgeving bij het bouwen en slopen te waarborgen en de gezondheid te beschermen. Voor bouw- en sloopactiviteiten in de avond en nacht kan de gemeente onder voorwaarden toestemming geven. Voor trillingen in die perioden kan de gemeente maatwerkvoorschriften stellen. We stellen als beleid dat de trillingen niet hoger mogen zijn dan de streefwaarde voor Vmax uit de SBR-B richtlijn voor herhaald voorkomende trillingen voor bestaande situaties. Aan deze regels kan worden voldaan als alleen toestemming wordt gegeven voor lichte bouw- en sloopwerkzaamheden. De grenswaarden voor overdag zijn aanzienlijk ruimer en niet geschikt voor de avond- en nachtperiode vanwege slaapverstoring.

Beleidsnota Geluid en Trillingen

39/61

Bijlagen

Beleidsnota Geluid en Trillingen

40/61

Bijlage 1 Beschrijving Omgevingswet In het kort De Omgevingswet komt in de plaats van een groot aantal wetten die werden toegepast bij ruimtelijke ordening en vergunningverlening. De Omgevingswet schrijft voor dat elke gemeente een omgevingsvisie heeft. In de omgevingsvisie staat beschreven wat we willen bereiken, welke maatschappelijke opgaven er zijn en welke ambitie we hebben over de volle breedte van de fysieke leefomgeving. De visie bevat strategisch kaderstellend beleid en sturing op de in het omgevingsplan neer te leggen regels. In het omgevingsplan staan de regels die nodig zijn voor het realiseren van deze beleidsdoelstellingen. Daarnaast kan in een omgevingsprogramma een nadere uitwerking van het beleid en (fysieke) maatregelen worden opgenomen. De Omgevingswet zelf is een zogeheten raamwet; de uitwerking in regels staat in een viertal ‘besluiten’: Omgevingsbesluit (Ob), Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De volgende paragrafen gaan hier verder op in. Voor het aspect geluid waren de Wet geluidhinder, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer relevant. Met de invoering van de Omgevingswet verandert veel voor het aspect geluid.

Niet alleen zijn de geluidregels flink op de schop genomen, de wet zelf vraagt om een andere kijk en werkwijze. Daarom is deze Beleidsnota opgesteld, als onderdeel van de Omgevingsvisie. Voor het aspect trillingen waren enkele regels in het Bouwbesluit en het Actviteitenbesluit van kracht. Door de Stichting Bouwresearch zijn richtwaarden opgesteld die gehanteerd kunnen worden. Met de invoering van de Omgevingswet is voor het aspect trillingen niet veel veranderd; er zijn wel beleidsvrijheden om eigen normen op te stellen.

Omgevingsvisie De Omgevingswet geeft aan dat elke gemeente een omgevingsvisie heeft waarin een beschrijving staat van de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en het te voeren integrale beleid. Met andere woorden: het moet antwoord geven op de vraag “Wat voor stad willen we zijn?” In een omgevingsvisie moet ook rekening worden gehouden met het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt. Deze beginselen zijn ook van toepassing op de milieuaspecten geluid en trillingen. Thematische visies, zoals deze Beleidsnota, vormen onderdeel van de omgevingsvisie. Beleidsnota Geluid en Trillingen

41/61

De Omgevingswet biedt gemeenten veel beleidsvrijheid; in een omgevingsvisie wordt onderbouwd hoe deze wordt ingevuld. De wet schrijft voor dat bij de totstandkoming van de omgevingsvisie invulling moet worden gegeven aan participatie én inspraak. Op welke schaal participatie moet plaatsvinden is echter niet voorgeschreven. In Bijlage 2 wordt hier verder op ingegaan. Een omgevingsvisie (en daaronder vallende Beleidsnota’s zoals deze) wordt vastgesteld door de gemeenteraad.

Omgevingsprogramma Het omgevingsprogramma is een van de instrumenten binnen de Omgevingswet. Het bevat de (concrete) uitwerking van beleid over de fysieke leefomgeving. Een zogenaamd ‘onverplicht programma’ kan zich richten op beleidsontwikkeling, beleidsdoorwerking en/of uitvoering voor een aspect of gebied. Het kan een nadere detaillering bevatten van de meer algemene beleidsuitspraken van de omgevingsvisie (en onderliggende beleidsnota’s). Er zijn ook verplichte omgevingsprogramma’s. Zo wordt het vanuit de Europese Unie vereiste actieplan geluid onder de Omgevingswet gezien als een verplicht omgevingsprogramma. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om de programma’s voor de gemeente vast te stellen. Er is geen beroep bij de rechter mogelijk, maar inspraak is wel verplicht.

Omgevingsplan Het omgevingsplan bevat de gemeentelijke regels voor de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan is in de plaats gekomen van de bestemmingsplannen en de beheersverordeningen. In de omgevingsvisie staat hoe een gemeente het leefgebied wil ontwikkelen en beschermen. Die keuzes zijn uitgewerkt en juridisch vastgelegd in het omgevingsplan. Het omgevingsplan bevat de regels voor de fysieke leefomgeving en geeft aan welke activiteiten wel of niet zijn toegestaan; bijvoorbeeld wonen, recreatie of bedrijvigheid. Voor een ontwikkelingsgebied kan worden gekozen voor een algemenere beschrijving met randvoorwaarden. Ook staat in het omgevingsplan welke regels aan activiteiten worden gesteld. De regels in het omgevingsplan samen leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij houdt de gemeente rekening met alle betrokken belangen. De gemeente heeft een eigen afwegingsruimte voor het afwegen van die belangen. Binnen deze afwegingsruimte kan de gemeente specifieke regels stellen voor verschillende delen van het grondgebied.

Besluiten Het Omgevingsbesluit richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt als uitwerking van de wet onder meer welk Beleidsnota Geluid en Trillingen

42/61

bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan algemene rijksregels over activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Veel van die regels gaan over milieubelastende activiteiten. Andere gaan over lozingsactiviteiten, activiteiten in een beperkingengebied en gebieden met cultureel erfgoed. Ook geeft het besluit aan welke ruimte er is voor gemeenten, provincies en waterschappen voor lokaal maatwerk om te mogen afwijken en in welke gevallen een vergunning nodig is. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels voor gemeenten, provincies en waterschappen. De instructieregels zijn de normen en bijbehorende regels die gelden voor bestuursorganen bij het vaststellen van programma's, omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en projectbesluiten. Het bevat onder meer normen en regels voor geluid, trillingen en geur van activiteiten, omgevingsveiligheid en erfgoed. Deze regels geven duidelijk aan welke afwegingsruimte de bestuursorganen hebben.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=b448ea87-62d8-453e-a9e9-d233970ec329