CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Aanvulling PlanMER MWKZ.pdf

Commissie Stad en Ruimte (2008-2021) 23 september 2021, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Omgevingsvisie Merwedekanaalzone deel 2 uitwerking van de Ruimtelijke Agenda29.628 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Per saldo kan het effect zelfs positief worden, omdat de rijrichting in de spits tegengesteld is aan de grootste drukte. Voorwaarde voor een positief effect is wel dat de bestaande kantooractiviteiten met een grote verkeersaantrekkende werking moeten vervallen. In het oorspronkelijke MER was dat een

Aanvulling PlanMER Merwedekanaalzone Utrecht- 27

uitgangspunt, waarmee gerekend is, maar in de praktijk blijkt ook de neiging te bestaan om relatief duur vastgoed met kantoorfuncties – waar in de huidige hoogconjunctuur weer veel vraag naar is - te laten staan. Daarmee wordt evenwel de positieve invloed van het mobiliteitsconcept teniet gedaan. In figuur 12 is de vergelijking opgenomen tussen het bestaande beleid waarop het oorspronkelijke MER is gebaseerd en het nieuwe beleid conform het beschreven mobiliteitsconcept. Het daadwerkelijk optredende effect is te monitoren aan de hand van het kerndoel ‘een beheersbare impact op de groei van het stedelijk verkeer’. Daarbij is het voor de beoordeling van het initiatief niet de vraag in hoeverre het verkeer op de zuidelijke Europalaan toeneemt, maar wat de bijdrage van de transformatie van de Merwedekanaalzone aan die toename. Omgevingsvisie deel 1 (bestaand beleid)

Omgevingsvisie deel 2 (nieuw beleid)

Autoluw, accent lopen-fiets

Autovrij, lopen-fiets staan voorop

Alleen concreet uitgewerkte infrastructuurplannen (noordelijke Europalaan bestaand, modelsnelheid 50 km/uur)

Noordelijke Europalaan (gescheiden rijstroken, aparte HOVbaan, geen parallelweg, drie VRI’s, modelsnelheid 40 km/u)

Autonome ontwikkeling openbaar vervoer

Verdere verhoging frequenties bussen (lijnen 63, 74, 65, 66)

Parkeernorm gemiddeld 0,7

Parkeernorm gemiddeld 0,3

Geen betaald parkeren omgeving

Betaald parkeren rond plangebied

verlaging parkeernorm door 20% van de parkeerbehoefte te vervangen door deelauto’s

verlaging parkeernorm door 20% van de parkeerbehoefte te vervangen door deelauto’s 0,11 tot 0,19 van de parkeernorm via parkeren op afstand voor bewoners en werknemers (dubbelgebruik)

Parkeren op afstand voor bezoek

Schoongeveegd gebied (dus altijd Varianten met deels behoud bestaande kantoren vermindering kantoren) Figuur 12. Vergelijking verkeersarm model planMER en huidige plannen op basis nieuw beleid

In Omgevingsvisie deel 2 zijn voor mobiliteit kaders opgenomen en op sommige punten gespecificeerd. De borging van maatregelen en achter-de-handmaatregelen voor het geval er (op onderdelen) wordt afgeweken van de mobiliteitsstrategie, zijn echter essentieel. In figuur 13 is opgenomen welke maatregelen benoemd zijn als kader, welke geborgd (kunnen) worden door de gemeente Utrecht zelf, welke risico’s onderkend worden en welke achter-de handmaatregelen bestaan. DUURZAME MOBILITEIT/LAAG AUTOGEBRUIK De inrichting verleidt bewoners en bezoekers om te gaan lopen, fietsen en het openbaar vervoer te gebruiken.

BORGING

RISICO’S

ACHTER-DE-HAND

BP / SOK / Verkeersbesluit

-

-

BP / SOK

Minder afname vloeroppervlak / gebruikersprofiel past niet -

Gebruik van voorzieningen op fietsafstand + bezorgservice -

-

-

Verminderd gebruik in eerste fase / aanloopproblemen/ imago-opbouw

Mobiliteitsdienst breder inzetten voor de stad

Dagelijkse voorzieningen liggen op loopafstand. De inrichting van de openbare ruimte is autovrij. Toepassing van MaaS is uitgangspunt Er wordt per cluster één logistieke hub gerealiseerd, bestaande uit: een publieksgerichte kant (mobiliteitswinkel en digitaal platform); een logistiek systeem voor de overgang van grotere vrachten naar kleinschalige pakketbezorging en levering; een afvalinzamelsysteem.

BP / SOK / Verkeersbesluit BP / SOK BP / SOK / opzetten gebiedsorganisatie

Aanvulling PlanMER Merwedekanaalzone Utrecht- 28

DUURZAME MOBILITEIT/LAAG AUTOGEBRUIK Logistieke hubs worden aan de rand van het plangebied ingepast, gekoppeld aan een stedelijke verbindingsweg Er geldt een parkeernorm in het gebied van 0,3 parkeerplaatsen (inclusief plaatsen voor deelauto’s) per woning. Voor nieuwe voorzieningen en kantoren worden geen parkeerplaatsen in het plangebied gerealiseerd. De parkeerplaatsen in het gebied zijn toegankelijk via een beperkt aantal punten, direct vanaf de stedelijke verbindingswegen. De parkeervraag die boven de norm uitstijgt en de parkeervraag van bezoekers die met de auto komen, wordt opgevangen met parkeren op afstand. Er is dag en nacht een snelle, veilige en comfortabele verbinding met bus en/of fiets tussen het plangebied en het parkeren op afstand. Afwenteling van de parkeerdruk in omliggende wijken wordt voorkomen door de invoer van betaald parkeren. We hanteren een (hogere) fietsparkeernorm van 1 fietsparkeerplek per 25 m² GBO en 0,5 fietsparkeerplek per woning voor bezoekers. Maximaal 5% van de fietsparkeerplekken is gesitueerd in de openbare ruimte In het gebied wordt een fijnmazig voetgangersnetwerk met een maaswijdte van maximaal 100 meter gerealiseerd. In het gebied wordt een fietsnetwerk met een maaswijdte van 400 meter gerealiseerd.

Er wordt minimaal 1 doorlopende verbinding in noord-zuidrichting door het gehele plangebied gerealiseerd, waar de voetganger centraal staat en de fietser te gast is. Er worden minimaal 5 oost-westverbindingen voor langzaam verkeer over het Merwedekanaal heen gerealiseerd, waarvan minimaal 1 in deelgebied 4, 2 in deelgebied 5 en 2 in deelgebied 6. De noord-zuidverbinding en de oostwestverbindingen zijn voorzien van veilige oversteken over de stedelijke verbindingswegen.

6 7

BORGING

RISICO’S

ACHTER-DE-HAND

BP / SOK / opzetten gebiedsorganisatie

-

-

BP / SOK

Is dat acceptabel voor gezinnen?

Woonprogramma bijstellen

BP / SOK / Verkeersbesluit

Gebruik parkeerterreinen bestaande kantoren Terugslag op het wegennet

Eerdere vervanging kantoorfuncties

BP / SOK

Parkeren op afstand aanwijzen en financieren

Investering in openbare ruimte stad Verkeersbesluit

BP / SOK

BP / SOK / Vergunningverlening Investering in openbare ruimte stad BP / SOK / overname gronden in beheer BP / SOK / overname gronden in beheer

-

Meervoudig gebruik parkeren op afstand voor diverse projecten/ capaciteit onder druk

Parkeren op afstand uitbreiden tot buiten de ring, afvangen van bovenregionaal verkeer in P&R’s aan de randen van de regio.6 Onvoldoende Middelen verkrijgen middelen uit SOK en uit Rijk-provincie in budget gemeente kader stedelijke opgave7 Maatschappelijke Doorzettingsmacht onrust in omliggende wijken -

-

-

Onvoldoende middelen uit SOK en budget gemeente -

Middelen van Rijkprovincie in kader stedelijke opgave -

-

-

BP / SOK / overname Onvoldoende gronden in beheer middelen uit SOK en budget gemeente; weerstand in aangrenzende wijken BP / SOK / Onvoldoende Investering in middelen uit SOK en openbare ruimte budget gemeente stad

-

Middelen van Rijkprovincie in kader stedelijke opgave

Zie ook inspraakreactie Rijkswaterstaat Midden-Nederland Zie ook inspraakreactie provincie Utrecht die koppeling legt met gebiedsontwikkeling A12-zone

Aanvulling PlanMER Merwedekanaalzone Utrecht- 29

BORGING

RISICO’S

ACHTER-DE-HAND

Concessie vervoerders / afstemming op ander ov In gebied: BP/SOK Erbuiten: conserverende bestemmingen Verkeersbesluit / mobiliteitsregisseur

Provincie is concessieverlener/ meerdere belangen

Belang stedelijke opgave stevig benadrukken

Nieuwe invulling binnen bestaande bestemmingen

Stadsbrede strategie voor kantoren, gdv en publiekstrekkers

De druk van het verkeer op de meest Te soepel bepalende kruisingen wordt als gevolg van de ontheffingenbeleid ontwikkeling niet groter dan het geval zou zijn met de huidige en reeds bestemde functies. Dynamisch verkeersmanagement rondom de Inzet gemeente Merwedekanaalzone wordt benut om het autoverkeer vloeiend te geleiden via de meest logische routes. De bereikbaarheid voor hulpdiensten is Inzet gemeente gegarandeerd. (gebruikelijk) Figuur 13. Borging en achter-de-handmaatregelen duurzame mobiliteit/laag autogebruik

Aanscherpen toezicht vanuit mobiliteitsregisseur

DUURZAME MOBILITEIT/LAAG AUTOGEBRUIK Openbaar vervoer van hoge kwaliteit rijdt richting het station en het parkeren op afstand over de aangrenzende stedelijke verbindingswegen. Regionale functies weren die autoverkeer aantrekken of genereren.

-

-

Uit het overzicht blijkt dat de risico’s op het niet realiseren van de kaders vooral financieel van aard zijn. Het goed neerzetten van het mobiliteitsconcept vanaf dag 1 in combinatie met de herinrichting van de noordelijke Europalaan en de aanleg van het netwerk voor langzaam verkeer vergt een stevige investering. De kosten gaan voor de baat uit. Geconstateerd is al dat de grenzen van de capaciteit van omliggende wegen nu al bereikt zijn en dat de kwetsbaarheid van systeem als gevolg van autonome ontwikkelingen buiten de Merwedekanaalzone alleen maar toeneemt. Het is van groot belang dat de verkeersgeneratie (auto’s) vanuit de Merwedekanaalzone laag is, maar het mobiliteitsconcept zal zich daarin nog wel moeten bewijzen. Het is op voorhand derhalve verstandig hier rekening mee te houden door gefaseerd te transformeren, zodat achter-de-hand maatregelen en bijsturing mogelijk blijven. Monitoring van de daadwerkelijke effecten op het mobiliteitsgedrag en de daaruit voortvloeiende belasting van het wegennet bieden vervolgens de ‘bewijslast’ om ook een volgende fase van hoogstedelijke verdichting mogelijk te maken.

Immers als blijkt dat de wegen in Utrecht weliswaar vol staan, maar dat de planbijdrage van de Merwedekanaalzone daaraan te verwaarlozen is dan wel positief werkt, is er vanuit mobiliteitsoptiek reden om de transformatie met behulp van het mobiliteitsconcept met kracht door te zetten. Het verdient dan ook aanbeveling om een eerste cluster te definiëren dat voldoende groot is om het effect te laten zien en voldoende omvang heeft om de logistieke hub te laten werken, maar nog wel mogelijkheden geeft voor bijsturing. Uit onderzoek8 blijkt dat minimaal 1.500 woningen moeten worden gebouwd voor een rendabele hub. Essentieel daarbij is dat vanaf het eerste moment een aantrekkelijk woonmilieu wordt geboden, met winkelvoorzieningen, horeca, gezondheidscentrum, groen, openbaar vervoer halte en fietspaden die vanaf het eerste moment hoge kwaliteit kennen. Verder zal dan moeten blijken dat er voldoende ruimte wordt geboden om te kunnen parkeren op afstand. Daarvoor zijn nu verschillende bestaande locaties in onderzoek. Los van de capaciteit op die locaties is ook een adequaat vervoer van en naar de parkeerlocaties op afstand een randvoorwaarde. Zowel met de fiets als met het openbaar vervoer zullen de parkeerlocaties op afstand vanuit het plangebied en vice versa goed bereikbaar moeten zijn. 8

Goudappel Coffeng/Rebel, Eindrapport mobiliteitsconcept voor Merwede, 19 maart 2018

Aanvulling PlanMER Merwedekanaalzone Utrecht- 30

H5. Klimaat §5.1 Vraagstelling Het MER beschrijft volgens de Commissie niet op welke wijze de voorwaarden van klimaatadaptatie worden ingevuld. Vragen zijn: • Op welke manier kunnen de gevolgen van klimaatverandering worden opgevangen in de wijk? • Aan welke randvoorwaarden voor ‘vasthouden, bergen en afvoeren’ van water moet worden voldaan? • Op welke manieren kan hittestress worden beperkt in dit specifieke gebied met een hoge dichtheid? In het oorspronkelijke planMER is geconcludeerd dat in de referentiesituatie sprake is van een vrijwel volledig verhard plangebied (85%) en een gemengde riolering en dat open water vrijwel volledig ontbreekt (215 m²). In alle programma-alternatieven in het oorspronkelijke planMER en ook in de voorliggende plannen op basis van Omgevingsvisie deel 2 wordt het hemelwater afgekoppeld van de gemengde riolering en geborgen/vertraagd afgevoerd/geïnfiltreerd in het plangebied. Daarmee scoren alle alternatieven positief ten opzichte van de referentie situatie. Omdat in de programmaalternatieven in het oorspronkelijke planMER rekening is gehouden met een hoog aandeel verhard oppervlak, is het effect op hittestress neutraal beoordeeld.

In de periode na vaststelling van Omgevingsvisie deel 1 is een onderzoek uitgevoerd, getiteld ‘Klimaatadaptatie Merwedekanaalzone, studie naar maatregelen voor de lokale opvang van hemelwater, Gemeente Utrecht, 8 juni 2018’. Daarnaast is er in het kader van het stedenbouwkundig plan voor deelgebied 5 doorgewerkt aan een adaptatiestrategie. Ten slotte biedt het document ‘Spelregels voor een hoge woonkwaliteit, ARUP, 17 oktober 2018’ inzicht in de wijze waarop optimalisatie plaats kan van vinden inzake bezonning, windhinder en hittestress. De principes die uit deze onderzoeken (vooral gericht op een maximum programma in deelgebied 5) naar voren komen, zijn te extrapoleren naar het hele plangebied. Informatie uit deze documenten is onderstaand samengebracht om de vragen van de Commissie te kunnen beantwoorden.

§5.2 Water: berging en kwaliteit 5.2.1 Voorgesteld systeem van waterberging en waterafvoer In figuur 14 is het voorgesteld systeem van waterberging voor deelgebied 5 opgenomen. Een dubbel rioolstelsel in de wijk zorgt voor gescheiden afvoer van regenwater en vuil rioolwater. Het hemelwater wordt zoveel mogelijk op daken en binnenterreinen van bouwblokken opgevangen en vastgehouden en wordt gebruikt voor irrigatie van beplanting tijdens droogte. Het water in het openbaar gebied wordt zoveel mogelijk geleid naar groenvakken in de straten, in eerste instantie naar de noord-zuid gerichte langzaam verkeersroute die als groen ‘dwaalspoor’ wordt ingericht en waar geen auto’s mogen komen. De groenvakken zijn verbonden met infiltratieriolen die deels op het Merwedepark afwateren en deels onder de voetgangerszone langs de Europalaan op een nieuw aan te leggen diagonaal kanaal inclusief ecologische zone. Dit kanaal vormt, als nieuwe schakel tussen Merwedekanaal (0,58 m +NAP) en de vijvers in Park Transwijk (0,10 -NAP), de drager voor het water. Vandaar wordt het afgevoerd naar het weer lagergelegen Amsterdam-Rijnkanaal (0,40 – NAP).

Aanvulling PlanMER Merwedekanaalzone Utrecht- 31

Figuur 14. Voorgesteld systeem waterberging deelgebied 5 (bron: VOSP)

Aanvulling PlanMER Merwedekanaalzone Utrecht- 32

Omdat het maaiveld circa 1,5 meter boven het peil van het Merwedekanaal ligt en het grondwaterpeil zich ongeveer op 0 +NAP bevindt, is er voldoende ruimte voor drooglegging en infiltratieriolen. Het principe is uitbreidbaar naar deelgebied 4 en 6 voor wat betreft het zoveel mogelijk vasthouden van hemelwater op daken en in de binnenterreinen en het gebruik van de noord-zuid gerichte langzaam verkeersroute als groen ‘dwaalspoor’ met ruimte voor waterberging. In deelgebied 4 wordt water via de wetering afgevoerd in noordwaartse richting en via een doorsteek komt het in de lager gelegen serie vijvers op het midden van Stadseiland. Er is een casus doorgerekend, rekening houdend met de ter plaatse geldende situatie rond de riolering, de hoogste grondwaterstand, maaiveldhoogte, bodemopbouw en het oppervlaktewatersysteem. Uitgangspunt is de bergingsopgave die het hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden (HDSR) normaliter gebruik voor nieuw verhard oppervlak. Op grond daarvan is de ambitie voor de Merwedekanaalzone om voorbereid te zijn op een bui van 80 mm/uur, waarvan 45 mm in het gebied moet worden geborgen en de overige 35 mm wordt afgevoerd naar het Merwedekanaal. Voor regenwatervoorzieningen is een maximale ledigingstijd van 48 uur vastgesteld.

Er is geen rekening gehouden met afstromingsverliezen (verliezen door infiltratie, plasvorming of verdamping) om tot een zo robuust mogelijk ontwerp te komen.

5.2.2 Balans in berging op bouwblokniveau Om de opgave op bouwblokniveau op te lossen wordt uitgegaan van groene, waterbergende daken en binnenterreinen. Waterbergend kan ook betekenen een ‘polderdak’ gecombineerd met energie of met sport. Hergebruik van hemelwater voor de toiletspoeling in de nieuwe wooncomplexen is onderzocht, maar wordt niet voorzien. In de zomerperiode verdampt het meeste hemelwater in het groendak en zonder groendak wordt te weinig water opgevangen om in het toiletgebruik te voorzien. De balans wordt gezocht om zoveel water te bergen op de binnenterreinen en de daken dat het systeem zorgt dat de beplanting in en op het samengestelde bouwblok goed kan groeien en niet tijdens een droogteperiode verdroogt. Daartoe wordt water ook op de hoogste daken vastgehouden zodat in tijden van droogte lager gelegen daken en binnentuinen bevloeid kunnen worden zonder te pompen. Dit stelt wel zwaardere constructieve eisen aan de gebouwen. Er zit verschil tussen de bouwblokken aan de zijde van de Europalaan en de bouwblokken aan de zijde van het Merwedekanaal. De binnenterreinen aan de zijde van de Europalaan liggen of op het dak van de eerste verdieping of op het dak van een parkeerkelder. Dat betekent dat het hemelwater op het gehele bouwblok op groene daken moet worden opgevangen.

In de bouwblokken aan de zijde van het Merwedekanaal is sprake van binnenterreinen op volle grond, waar infiltratie rechtstreeks kan. Ook is er een verschil in de hoogte van de daken. Figuur 15 geeft een overzicht. Gemiddelde omvang bouwblok Daken hoger dan 31 meter Daken tussen 19 en 31 meter Daken tussen 4 en 19 meter Daken op circa 4 meter Verharde binnenterreinen (op kelder) Onverharde binnenterreinen Totaal

Zijde Europalaan 2.140 m² 19,1% 2.912 m² 26,0% 2.410 m² 21,5% 2.902 m² 25,9% 832 m² 7,4% 0 m² 0% 11.197 m² 100%

Zijde Merwedekanaal 590 m² 9,5% 2.315 m² 37,4% 1.060 m² 17,1% 505 m² 8,2% 9 m² 0,1% 1.710 m² 27,6% 6.189 m² 100%

Figuur 15. Verdeling oppervlakte van een gemiddeld bouwblok conform VSOP

Aanvulling PlanMER Merwedekanaalzone Utrecht- 33

In de studie naar maatregelen voor de lokale opvang van hemelwater (Gemeente Utrecht, 8 juni 2018) is uitgerekend in welke mate groene daken kunnen voorzien in de benodigde waterberging. De totale berging van een groen dak is te berekenen door de statische berging van de substraatlaag op te tellen bij de berging van de drainagelaag. De berging in de drainagelaag is simpelweg het netto volume van de laag. De berging van de substraatlaag hangt af van de hoeveelheid gevulde poriën (figuur 16). In de steeds nattere winters verdampt er weinig en is de substraatberging vrijwel continu helemaal vol. Veiligheidshalve is deze laag niet meegerekend. Gerekend is met een systeem, waarin de drainagelaag van het groene dak een bergingscapaciteit heeft van 72 mm per vierkante meter.

Figuur 16. Vier toestanden van het vochtgehalte in het substraat (Stowa, 2015)

Bij normale regenbuien zal het verhard oppervlakte maal 45 mm geborgen moeten worden. Bij de bouwblokken aan de zijde van de Europalaan gaat het dan om 504 m³. Daarvoor is 6.998 m² groen dak nodig, ofwel 62,5% van het dakoppervlak. Bij de bouwblokken aan de zijde van het Merwedekanaal hoeft het onverharde terrein niet geborgen te worden. Aan die zijde gaat het om 201 m³. Daarvoor is 2.799 m² groen dak nodig, ofwel 45,2% van het dakoppervlak. In de eerdergenoemde studie is een waterdak niet gekozen, omdat het niet samengaat met de vraag naar dakterrassen en daktuinen en zijn daken boven 20 meter niet meegenomen, omdat die gereserveerd zouden zijn voor de opwekking van energie met zonnepanelen. Maar ook op daken met zonnepanelen is het zeer goed mogelijk water te bergen; dit heeft zelfs een positief effect op de zonnepanelen. Ook zijn in de studie alle binnentuinen uitgesloten van infiltratie vanwege de parkeerkelders. Echter aan de zijde van het Merwedekanaal zijn geen parkeerkelders. Per saldo is het mogelijk om een normale bui (T=10, 45 mm per uur) te bergen, maar daarvoor zijn wel verzwaarde constructies van gebouwen nodig. De groene daken kunnen ook een extreme bui (T=100, 80 mm per uur) vrijwel volledig zelfstandig verwerken met een minimale belasting op de omgeving.

Geadviseerd wordt een begrensde afvoer, waarin hemelwater continu wordt afgevoerd met een vooraf ingesteld debiet. Verder is een nooduitlaat vereist voor het geval de dakafvoer verstopt raakt. De noodvoorziening treedt in werking wanneer regenwater niet meer kan stromen naar de drainagelaag.

Aanvulling PlanMER Merwedekanaalzone Utrecht- 34

5.2.3 Balans in berging in de openbare ruimte De toepassingsmogelijkheden van groen in de openbare ruimte zijn in de Merwedekanaalzone beter dan in traditionele nieuwbouwwijken door het ontbreken van autoverkeer, maar is minder door de hoge dichtheid van bebouwing. Daardoor is de openbare ruimte relatief klein, maar de verhouding verhard-onverhard in de openbare ruimte relatief gunstig. Voor de verharde ruimte wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van waterpasserende verharding. Gekoppeld aan een horizontaal infiltratieriool is voldoende waterberging te realiseren. Aandachtspunt is het onderhoud omdat het effect van waterpasserende verharding valt of staat met de mate waarin de openingen open blijven. Mocht dit onvoldoende uitwerken is het mogelijk de onverharde ruimte als wadi te laten dienen; ook deze zijn gekoppeld aan een horizontaal infiltratieriool dat uiteindelijk afwatert op de nieuw aan te leggen diagonale watergang. Gedurende het proces van afwatering kan het hemelwater over een grote lengte infiltreren. Vanwege de slechte doorlatendheid van de bodem op circa 2 meter onder maaiveld, wordt ter plaatse van inspectieputten dieper gegraven en wordt het ontstane gat gevuld met zand. Hemelwater verspreidt zich daardoor eerst horizontaal en wordt door het zandpakket in het gat gefilterd.

Hierdoor wordt het risico dat zuurstofhoudend water (met een negatief effect op warmte-koude opslag) de onderste lagen bereikt voorkomen.

Figuur 17. Overzicht infiltratiemogelijkheden in de bodem (Gemeente Utrecht, 2018)

§5.3 Hittestress In het oorspronkelijke MER is hittestress beoordeeld aan de hand van het hitte-eilandeffect, de skyviewfactor en de zonuren. Daarbij bleek dat deze factoren nauwelijks onderscheidend waren. In

Aanvulling PlanMER Merwedekanaalzone Utrecht- 35

de opmaat naar Omgevingsvisie deel 2 is nagedacht over de doelstelling en over de mogelijke maatregelen. Het kader is gespecificeerd en als volgt geformuleerd: “Op elk tijdstip is de gemiddelde temperatuur in de buitenruimte ten minste beter dan de gemiddelde temperatuur in de referentiesituatie 2019”. Bij de formulering is er rekening mee gehouden dat de Merwedekanaalzone ook in de huidige situatie al een warm stuk Utrecht is met veel verharding. Door de hoge dichtheid en de daarbij benodigde bebouwing en verharding zal zonder maatregelen de temperatuur eerder stijgen. Los daarvan is in de komende jaren al sprake van een generieke temperatuurstijging. Op grond van dit kader zal de planontwikkeling minimaal de verwachte temperatuurstijging in de komende jaren te niet moeten doen. Hittestress wordt tegengegaan met een nauw samenhangend pakket van ontwerpmaatregelen gericht de combinatie van bezonning, windhinder, groen en water. De hoge dichtheid brengt schaduwwerking met zich mee, en wind. Maar zowel schaduw als wind kunnen op de verkeerde plekken een negatief effect hebben. De volgende spelregels zijn daarvoor opgesteld voor de invloed van bebouwing en verharding op de openbare ruimte: Bezonning a. Voor een goede bezonning op de binnenplaatsen van de bouwblokken is minimaal 2 uur bezonning nodig in de periode van de lente tot najaar – maart tot september.

Hiervoor dient er rekening te worden gehouden met een breedte van 1,5 keer de hoogte van het gebouw in de richting van de zon: zuid, west of oost. b. In geval van L-, T-vormige of vergelijkbare bouwblokken dient er op de oriëntatie gelet te worden om schaduwval op de gevel te minimaliseren. c. Voor een goede bezonning op straten is minimaal 2 uur bezonning nodig in de periode van de lente tot najaar – maart tot september. Hiervoor dient er rekening te worden gehouden met een breedte van 1,5 keer de hoogte van het gebouw in de richting van de zon: zuid, west of oost. d. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen straten met een terras-achtige functie en straten zonder verblijfsfunctie: • Plaats terrasachtige functies aan de zonnige (noordzijde) zijde van de straat; • Schaduwrijke plekken of straten met doorloop functies zijn goede locaties voor het buiten stallen van fietsen (of andere voertuigen); • Plaats elementen die zelf schaduw werpen (zoals bomen) in de schaduwrijke gedeeltes. e. Het is wenselijk een 10 meter brede strook van het Merwedepark bezond te laten in de lente en herfstavonden. Dit stelt eisen aan de eerste aangrenzende rij gebouwen op 29 meter afstand vanaf het water. f. Garandeer in de winter minimaal 2 uur zon op de plekken waar er sprake is van terrasachtige functies en andere sociale activiteiten. g.

Vermijd het plaatsen van voorzieningen waaronder terrasachtige functies en andere sociale activiteiten aan de schaduw zijde van de openbare ruimte. h. Garandeer in de winter minimaal 2 uur zon op de plekken waar er sprake is van terrasachtige functies en andere sociale activiteiten. Windhinder a. Vermijd zoveel mogelijk lange straten met een aaneengesloten dichte gevel die parallel aan de hoofdwindrichtingen (west, zuid-west of zuid) lopen. b. Maak gebruik van niches langs gesloten gevels of reduceer de vrije gang lengte om het windtunneleffect te verminderen. c. Let op de verhouding tussen gebouw en straat waar straten parallel lopen aan de hoofdwindrichtingen: • Houd de gangbreedte smal t.o.v. de hoogte van naastgelegen gebouwen; • Houd de gangbreedte groot t.o.v. de breedte van naastgelegen gebouwen.

Aanvulling PlanMER Merwedekanaalzone Utrecht- 36

d. Bomen aan het eind van smalle straatjes en lage struiken in de straten verminderen windsnelheden op leefniveau als gevolg van het windtunneleffect. e. Voor een actief beeld zijn wisselende hoogtes wenselijk in een bouwblok, maar hou de variaties bij voorkeur zo klein mogelijk en in ieder geval minder dan 50% van de gemiddelde hoogte om een negatief wind-effect tegen te gaan. f. Bomen en lage gebouwen functioneren als beschutting als ze meer dan 20% van het blootgestelde totale oppervlak innemen. Op plekken waar wind zal versnellen, wordt geadviseerd om minimaal 20%van de omliggende oppervlakte aan te planten met bomen om te functioneren als beschutting. g. Plaats hoge gebouwen voor lagere aan de rand van het blok: • Hoge gebouwen kunnen lagere gebouwen beschermen; • Lage gebouwen voor hoge gebouwen kunnen het downdraft effect vergroten als ze dicht bij elkaar staan. h. Positioneer ingangen niet op plekken waar hoge windsnelheden voorkomen, bijvoorbeeld aan de hoeken van torens. i. Maak gebruik van verspringingen in de windrichting om het downdraft effect te reduceren. Het gebruik van terrassen op deze verspringingen is beperkt vanwege de verwachte hoge windsnelheden. Om het comfortniveau enigszins te verhogen moet de hoogte van de vertical gevel laag gehouden worden. Dit leidt waarschijnlijk tot meerdere verspringingen over de gehele gevel. Hittestress a.

Kies voor laag groen (gras en struiken) op zonnige plekken. b. Voorkom donkerkleurige verharding op langdurig bezonde plekken. c. Plaats op plekken die verhard zijn en tussen juni - augustus meer dan 2 uur bezond zijn objecten die schaduw werpen, idealiter seizoensgebonden groen. d. Bedek een groter deel van het gebied met groen. Vegetatie kan de ervaren temperatuur verder verlagen door verdamping. e. Realiseer waar mogelijk groene daken om de hitteopname te reduceren. f. Groene gevels zijn vooral effectief in het verminderen van de hittestress in gebieden met een hoge dichtheid als de hoogte-breedte ratio van de straten en gebouwen minder is dan 1. Stedenbouwkundige en architectonische ontwerpen worden met behulp van deze spelregels getest.

§5.4 Beoordeling De onderzoeken brengen goed in beeld op welke manier de mogelijk negatieve gevolgen van een hoge dichtheid (fsi van 2,8) op het gebied van waterberging, klimaatadaptatie en hittestress kunnen worden gemitigeerd. Mitigatie binnen de algemene notie dat bij een volledige herontwikkeling de situatie niet verslechtert, gelet op het huidige gebruik en de huidige mate van verharding. Conclusie uit de onderzoeken is dat een veel duidelijker beeld naar voren komt van de mate waarin en de wijze waarop bij hoge dichtheden kan worden omgegaan met klimaatmaatregelen. Op papier kloppen de berekeningen. De bewijslast ligt in de praktijk: door gefaseerd te werk te gaan kan in de eerste fase lering worden getrokken uit de effectiviteit van verschillende maatregelen, worden de gevolgen voor de omgeving zichtbaar en is er ruimte om bij te sturen. In de Omgevingsvisie deel 2 zijn duidelijke kaders opgenomen over de te bereiken ambities. De borging is daarmee op visieniveau bewerkstelligd en kan doorgezet worden in bestemmingsplannen. In figuur 18 is opgenomen welke kaders benoemd zijn, welke risico’s onderkend worden bij de uitvoering en welke achter-de handmaatregelen bestaan.

Aanvulling PlanMER Merwedekanaalzone Utrecht- 37

KADERS KLIMAATBESTENDIGE WIJK

BORGING

RISICO’S

BP/SOK 45 mm per uur Staand beleid hoog- voldoende? Hemelwater tot een bui T= 10 (45 mm/uur) heemraadschap 100% in het gebied vasthouden. Elk bouwblok houdt zelf het hemelwater SOK / Vergunning tot een bui T=10 (45 mm/uur) voor 100% vast. Inrichting van het gebied (openbare ruimte BP/SOK en de binnentuinen) is zodanig dat bij een Staand beleid hoogzeer extreme regenbui (T=100 of 80 heemraadschap mm/uur) er geen schade optreedt aan gebouwen en vitale infrastructuur zoals nutsvoorzieningen én veiligheidsrisico's worden voorkomen. Op elk tijdstip is de gemiddelde BP / SOK temperatuur in de buitenruimte ten minste beter dan de gemiddelde temperatuur in de referentiesituatie 2019. Figuur 18. Borging en achter-de-handmaatregelen klimaatbestendige wijk

ACHTER-DE-HAND Gefaseerde aanpak, waarbij in latere fasen meer berging kan worden toegevoegd Experimenteren met bevloeiingssystemen -

Mix van ontwerpmaatregelen

Aanvulling PlanMER Merwedekanaalzone Utrecht- 38

H6. Energie §6.1 Vraagstelling Het MER geeft volgens de Commissie nog geen zicht op manier waarop de Merwedekanaalzone en de stad straks energieneutraal of klimaatneutraal kan functioneren. Vragen zijn: a. Maak duidelijk of energieneutraal is bedoeld of klimaatneutraal b. Onderzoek in de aanvulling op het MER of het daarvoor nodig is bepaalde ruimtelijke uitgangspunten over de energieinfrastructuur (gas, elektriciteit, warmte) op te nemen en ruimte vrij te houden bijvoorbeeld voor het warmtenet en/of voor ondergrondse warmteopslag. c. Geef ook aan bij welk aantal woningen de wijk energieneutraal kan functioneren met en zonder deze extra randvoorwaarden. In het oorspronkelijke planMER is de redenering gevolgd dat de grootschaligheid van de planontwikkeling kansen biedt om de groeiende CO2 productie als gevolg van het intensieve programma meer dan te compenseren door een overkoepelende inzet van duurzame energieopwekking en energiebesparing. De alternatieven in het oorspronkelijke planMER die uitgaan van een verkeersarm ontwerp hebben een dubbel positief effect op de reductie van de CO2-uitstoot, omdat er dan een modal shift wordt bewerkstelligd van de vervuilende auto naar het schone lopen en fietsen en het schonere openbaar vervoer. In de kaders die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie deel 1 is het onduidelijk wat nu eigenlijk de ambitie is en hoe die ambitie wordt bereikt.

Er zijn kaders die spreken van fossielvrij, energieneutrale verwarming en koeling van gebouwen, aardgasvrij, beperking van de energievraag, BENG en lokale opwekking. In de volgende paragraaf wordt eerst uiteengezet hoe de verschillende begrippen zich tot elkaar verhouden en wat de ambitie is. In de periode na vaststelling van Omgevingsvisie deel 1 zijn onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijkheden om de wijk duurzaam te realiseren, uitgaande van een hoge dichtheid. Met name het ‘Onderzoek keuze energieconcept Merwede’ (Merosch, 5 juli 2018) en de second opinion daarop ‘ruimtebeslag DE-opwekking NOM-woningen’ (DWA, 25 juli 2018) leveren waardevolle inzichten op. De principes die uit deze onderzoeken (vooral gebaseerd op een maximum programma in deelgebied 5) naar voren komen, zijn te extrapoleren naar het hele plangebied. Informatie uit deze documenten is onderstaand samengebracht om de overige vragen van de Commissie te kunnen beantwoorden.

§6.2 Energieneutraal of klimaatneutraal? Utrecht wil een klimaatneutrale stad zijn, liefst zo snel mogelijk. Dit betekent op jaarbasis per saldo geen belasting van het milieu door uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen. Een groot positief effect is het resultaat van het besluit om niet meer in de groene omgeving van de stad Utrecht te bouwen, maar te zoeken naar binnenstedelijke oplossingen met een laag autogebruik. Voor de Merwedekanaalzone is de ambitie onafhankelijk van het door het Rijk gehanteerde instrument Bijna Energieneutraal Gebouw (BENG) gedefinieerd. Reden daarvoor is dat BENG in de loop van de planvorming is gaan schuiven, de ambitie van het Rijk op het gebied van energie nog onduidelijk is en daarmee geen stevig anker biedt voor een langjarige planvorming en realisatie.

Aanvulling PlanMER Merwedekanaalzone Utrecht- 39

Voor de Merwedekanaalzone wordt CO2-uitstoot als gevolg van mobiliteit niet inbegrepen in de definities. Reden daarvoor is dat er weinig betrouwbare meetinstrumenten voorhanden zijn die de uitstoot als gevolg van mobiliteit consistent kunnen toedelen aan een bepaald gebied. Het behalen van de vergaande ambities op het gebied van mobiliteit, gericht op een stevige verandering van de modal split in de richting van lopen, fietsen en openbaar vervoer, draagt ook bij aan de ambitie van de stad om klimaatneutraal te zijn, maar wordt niet extra opgevoerd. De uiteindelijke ambitie voor Utrecht is klimaatneutraal. Dit betekent dat de som van het gebouwgebonden én het gebruiksgebonden energiegebruik én het energieverbruik in de openbare ruimte gelijk is aan de hoeveelheid hernieuwbaar opgewekte energie binnen het gemeentelijk grondgebied. Voor de Merwedekanaalzone is beoordeeld in hoeverre deze ambitie op gebiedsniveau haalbaar is. Bij de gewenste hoge dichtheid van bebouwing en gebruik blijkt het nog niet mogelijk te zijn (zie paragraaf 6.3) deze ambitie volledig te realiseren als tegelijkertijd ook rekening gehouden wordt met andere ruimteclaims, esthetiek en kosten. Voor de Merwedekanaalzone wordt de ambitie op energieneutraal gesteld.

Dat betekent dat er in de Merwedekanaalzone hernieuwbare energie wordt opgewekt om (minimaal) te voorzien in de gebouwgebonden jaarlijkse energievraag én het energieverbruik in de openbare ruimte. Dat betekent dat de hernieuwbare energie die nodig is om te voorzien in het gebruiksgebonden energiegebruik in de Merwedekanaalzone elders in de gemeente Utrecht moet worden opgewekt.

§6.3 Resultaten uitgevoerde onderzoeken 6.3.1 Onderzoek keuze energieconcept Merwede: eerste beschouwing In het ‘Onderzoek keuze energieconcept Merwede’ (Merosch, 5 juli 2018) is gezocht naar een geschikt energiesysteem om de ambitie van een zo duurzaam mogelijke energievoorziening waar te maken. In het onderzoek is nog onderscheid gemaakt in drie ambitieniveaus: 1. BENG – De wijk voldoet aan de BENG-eisen zoals geformuleerd begin 2018 als verplichting vanaf 2020; 2. OMGV - Het gebouwgebonden energiegebruik wordt in het gebied duurzaam opgewekt. Daarnaast wordt ook aan de BENG-eisen voldaan. 3. NOM – Nul op de meter voor het gehele gebied. Naast het gebouwgebonden energiegebruik wordt ook het gebruiksgebonden energiegebruik duurzaam opgewekt in het gebied. Er wordt tevens aan de BENG-eisen voldaan. Inmiddels is duidelijk dat BENG allerhande ongewenste neveneffecten heeft die afleiden van het werkelijke doel, namelijk een klimaatneutrale stad. BENG hanteert namelijk prestatie-eisen op het gebied van energiebehoefte (BENG 1, zo laag mogelijk), het primaire fossiele energiegebruik (BENG 2, zo laag mogelijk) en het aandeel hernieuwbare energie (BENG 3, zo hoog mogelijk). De redenering daarachter komt voort uit de Trias Energetica, maar bevat een andere volgorde. De drie stappen uit de Trias Energetica zijn: 1. Beperken van de energievraag, bijvoorbeeld door goed te isoleren. 2.

Gebruiken van duurzame energiebronnen, zoals wind-, bodem- en zonne-energie. 3. Zo efficiënt mogelijke inzet van fossiele brandstoffen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van restwarmte uit een energiecentrale. Als het aandeel hernieuwbare energie 100% en als die de volledige energiebehoefte dekt is de tweede BENG prestatie-eisen niet relevant meer. Zelfs de energievraag is dan minder relevant, maar het blijft wel zaak ‘onnodige’ energievraag te voorkomen. In het vervolg worden de resultaten van

Aanvulling PlanMER Merwedekanaalzone Utrecht- 40

het onderzoek zo weergegeven, dat de verwijzingen naar en de aanpassingen op grond van BENG zijn verwijderd. Drie variabelen zijn van belang: de energievraag, de warmte- en koudevoorziening en de elektriciteitsopwekking. Drie variabelen worden in de volgende onderdelen uitgewerkt.

6.3.2 Terugdringen energievraag Om de energievraag voldoende te reduceren, moeten de gebouwen goed worden geïsoleerd. Daartoe wordt gewerkt met hogere Rc-waarden dan volgens het huidige Bouwbesluit, toepassen van drievoudig glas en luchtdicht bouwen in combinatie met een CO2-gestuurd gebalanceerd ventilatiesysteem. Dit laatste werkt ook positief door op een gezond binnenklimaat om fijnstof (wat in hogere concentraties voorkomt in de stad) buiten de deur te houden. Keuzevrijheid voor de toekomstige bewoners staat hoog in het vaandel, zodat met individuele warmtepompen is gerekend. Maatregel Eenheid Waarde/systeem Bouwkundige maatregelen Rc-waarde gevel m² * K/W 6 (Bouwbesluit: 4,5) Rc-waarde dak m² * K/W 8 (Bouwbesluit: 6) Rc-waarde begane grond m² * K/W 5 (Bouwbesluit: 3,5) U-waarde ramen W/m²K 1,0 (ZTA < 0,3)9 Luchtdichtheid dm³/s*m² 0,1 Installatietechnische maatregelen Ventilatie Individueel CO2-gestuurd gebalanceerd ventilatiesysteem Afgiftesysteem warmte en LT vloerverwarming + HT vloerkoeling koude Ruimteverwarming Individuele warmtepomp i.c.m. WKO Warmtapwater Aangevuld met individuele douchegootwarmtewisselaar Koeling Vrije koeling uit WKO Figuur 19. Maatregelenpakket om de gebouwgebonden energievraag te beperken

Het maatregelenpakket waarmee is gerekend, is opgenomen in figuur 19. Daarmee wordt een stevige standaard neergezet, maar er is geen sprake van zogeheten passiefhuizen. Daar worden waarden tot 10 m² * K/W gehaald. Gelet op de specifieke bouw van stadsblokken kan de aanname getypeerd worden als ambitieus-realistisch vanuit de huidige stand van de techniek. Gelet op de langjarige ontwikkeling van de Merwedekanaalzone is het zaak de stand van de techniek te blijven betrekken bij de beoordeling, zodat nieuwe mogelijkheden in latere fasen kunnen worden benut.

6.3.3 Warmte-koude voorziening Voor de warmtevoorziening van het gebied zijn meerdere mogelijkheden beschouwd. De meest voor de hand liggende bron voor warmte en koude is de bodem in combinatie met warmtepompen. Afgevallen mogelijkheden zijn: • Gebruik van de bestaande stadsverwarming: het huidige net is niet duurzaam, wordt met fossiele brandstof verwarmd en behaalt een laag rendement in vergelijking met andere steden. Verder wordt de keuzevrijheid bemoeilijkt als bewoners vastzitten aan een warmteleverancier. Tenslotte zou er naast de stadsverwarming ook een voorziening voor koude (koeling is een eis) moeten worden gerealiseerd en kan dit niet in één systeem geïntegreerd worden. Er zou dus een

9

HR++:beglazing met zonwerende beglazing

Aanvulling PlanMER Merwedekanaalzone Utrecht- 41

• • • • •

extra systeem voor koeling moeten worden voorzien, wat ook meerinvesteringen met zich meebrengt. Geothermie: in een hoogstedelijk gebied vooralsnog niet praktisch inpasbaar. Houtpelletkachels: de noodzakelijke aanvoer van houtpellets veroorzaakt veel ongewenste verkeersbewegingen in het gebied, zorgt voor extra CO2-uitstoot (ook transport) en er komt meer fijnstof in het gebied. Riothermie: warmte uit rioolwater heeft een zeer lage temperatuur en daardoor onvoldoende capaciteit. Biogas uit het slib van rioolwater: te beperkt beschikbaar om in de energie van de Merwedekanaalzone te voorzien. PVT-panelen als bron voor warmtepompen: onvoldoende ruimte in het hoogverdichte gebied om de panelen te plaatsen en derhalve niet efficiënt genoeg voor het gebied.

Voor de effectiviteit van bodem als bron voor warmte en koude is het van belang te constateren dat de Merwedekanaalzone in de dynamische zone van het ‘Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer Utrecht’ ligt. In dit Gebiedsplan staat dat de eerste scheidende laag niet doorboord mag worden om verplaatsing van verontreiniging van het eerste naar het tweede watervoerende pakket te voorkomen. Deze eerste scheidende laag bevindt zich op de locatie op een diepte van circa 50 m-mv. IF10 heeft onderzoek gedaan naar de potentie van zowel open als gesloten systemen in deelgebied 5. De berekeningen zijn gedaan voor een referentie bouwblok met een oppervlak (inclusief binnentuin) van 7.918 m² bestaande uit 383 woningequivalenten. Dit komt overeen met het gemiddelde bouwblok zoals dat uit het huidige VSOP komt, met een iets hoger aantal woningequivalenten dan in het huidige programma. Al met al biedt het een goede basis als referentie voor de ontwikkeling van de Merwedekanaalzone. Met behulp van Energy Earth Designer-berekeningen (EED) zijn de mogelijke warmte- en koudelevering met gesloten bodemenergiesystemen onder dit referentiebouwblok berekend en deze is afgezet tegen de warmte- en koudevraag van de woningequivalenten in het referentiebouwblok.

Uitgangspunten voor de berekening zijn: • De bodemlussen worden alleen in de bodem aangebracht onder de parkeergarages en in de binnentuin van de bouwblokken, niet in het aangrenzende openbaar gebied; • De lengte van de boorgaten bedraagt 44 meter, uitgaande van de scheidende laag van het eerste naar het tweede watervoerende pakket op 50 m-mv en de parkeergarage op 6 m-mv. • Voor de afstand tussen de boorgaten is 4,5 meter aangehouden11, waardoor er 400 bodemlussen onder het referentiebouwblok passen. • De minimale en maximale temperatuur in de retourbuis mogen niet lager respectievelijk hoger zijn dan -3°C respectievelijk +30°C. • De bodemlussen onder een bouwblok (inclusief binnentuin) maken onderdeel uit van één collectief gesloten bodemenergiesysteem. Op dit collectieve gesloten bodemenergiesysteem zijn meerdere (individuele) warmtepompen aangesloten. • Het stromingsprofiel van de circulatievloeistof in de bodemlussen is turbulent. • Periode berekeningen met EED: 25 jaar.

10

IF, Potentie energielevering gesloten bodemenergiesystemen, 26 maart 2018 en IF, Collectief WKO/TEO systeem, 16 november 2017. 11 In de studie is ook een variant met 3 meter tussenruimte opgenomen, maar de gemeente Utrecht heeft aangegeven een grotere tussenruimte te eisen, omdat de bodemlussen van kunststof zijn gemaakt en een te dicht ‘woud’ van bodemlussen voor een overmaat aan kunststof in de bodem zou zorgen. Daarom is alleen de variant met een tussenafstand van 4,5 meter hier weergegeven.

Aanvulling PlanMER Merwedekanaalzone Utrecht- 42

• •

De minimale gemiddelde temperatuur van de circulatievloeistof in de bodemlussen van de gesloten systemen met water als circulatievloeistof, bedraagt in de EED berekening circa +5°C. Er is geen sprake van thermische interferentie tussen bouwblokken.

De totale warmtevraag voor ruimte- en tapwaterverwarming wordt voor 383 woonequivalenten in het referentiebouwblok ingeschat op 1.064 MWh, hetgeen overeenkomt met een bronvermogen van 798 MWh. Het WKO-systeem dient dus 798 MWh op te leveren, om aan de vraag te voldoen. Er zijn drie varianten berekend, te weten: 1. Een jaarlijkse energiebalans in de bodem met water als circulatievloeistof 2. Een jaarlijkse energiebalans in de bodem met water en 25Vol% monopropyleenglycol als circulatievloeistof; 3. Een jaarlijkse energieonbalans in de bodem met water en 25Vol% monopropyleenglycol als circulatievloeistof. Resultaten referentiebouwblok

Eenheid

Varianten 2 798 798 399 758 23 43 50 96

3 798 439 25 55

idem idem idem idem 192

222 122 7 15 211

1 Benodigde warmtelevering Berekende mogelijke warmtelevering Per meter boorgat Per m² oppervlakte referentiebouwblok

MWh MWh kWh/m kWh/m²

Benodigde koudelevering MWh Berekende mogelijke koudelevering MWh Per meter boorgat kWh/m Per m² oppervlakte referentiebouwblok kWh/m² Aantal te klimatiseren woonequivalenten # Figuur 20. Resultaten drie varianten van gesloten bodemenergiesystemen

idem idem idem idem 364

De resultaten van de drie varianten worden getoond in figuur 20. Geconcludeerd kan worden dat bij dergelijke hoge dichtheden alleen een variant met een jaarlijkse energiebalans en glycol als circulatievloeistof bijna aan de vraag kan voldoen. De warmtelevering blijkt op lange termijn zeer gevoelig voor de mate van energiebalans. Bij een onbalans (netto warmteonttrekking aan de bodem) daalt de capaciteit van de warmtelevering met gesloten systemen. Het is dus noodzaak om er voor zorg te dragen voor voorzieningen die voldoende warmte in de bodem kunnen laden voor het creëren van een jaarlijkse energiebalans. De potentie in warmte- en koudelevering met open bodemenergiesystemen is in november 2017 door IF Technology berekend en omschreven in twee schetsontwerpen. In totaal zijn 16 doubletten (16 warme en 16 koude bronnen) in deelgebied 5 mogelijk met een maximale capaciteit van 80 m³/h per bron. De maximale grondwaterverpomping bedraagt circa 160.000 m³ per doublet per winter- en per zomerseizoen. Met 16 doubletten die per seizoen maximaal 160.000 m³ verpompen, bedraagt met een gemiddeld temperatuurverschil tussen de bronnen van 5°C de potentie in warmtelevering circa 14.850 MWh per jaar. Dit is net voldoende om te voorzien in de warmte en koudelevering van 6.500 woonequivalenten in deelgebied 5.

Teruggerekend betekent dat het referentiebouwblok zoals dat is gepresenteerd bij de gesloten bodemenergiesystemen kan worden voorzien. In een open systeem worden in de ondergrond distributieleidingen naar het grondwater gelegd, waarbij een warme bron en een koude bron op enige afstand van elkaar worden gerealiseerd. Deze warmte en koude worden via distributieleidingen in de ondergrond van het gebied getransporteerd, waarbij centraal in het gebied een backbone van leidingen wordt gerealiseerd. Er zijn meerdere bronparen (warm en koud) nodig. In verschillende blokken wordt vanuit de leidingen verbinding gemaakt met een technische ruimte in het gebouw.

Aanvulling PlanMER Merwedekanaalzone Utrecht- 43

Door de vele woningen zal er meer warmte dan koude worden afgenomen waardoor de bron in balans gebracht moet worden. Dit kan zeer effectief, en gegeven de schaalgrootte kosteneffectief, via het oppervlaktewater van het Merwedekanaal. In het kanaal moeten voorzieningen aangebracht worden voor de regeneratie (het in balans brengen) van de open bronnen. Voor het gebruik van het kanaal moeten vergunningen bij het Hoogheemraadschap en/of Rijkswaterstaat aangevraagd worden. Daarbij zal nagegaan moeten worden of de doorstroming voldoet. Bijkomende voordelen zijn dat de hittestress vermindert en de temperatuur van het water in de zomer iets afkoelt. Conclusie is dat beide systemen bij de voorgenomen hoge dichtheid in potentie net wel of net niet kunnen voldoen aan de vraag naar warmte en koude. De voorkeur ligt bij een open systeem, eventueel aangevuld met enkele kleinere gesloten systemen in de warme bel van een open bodemenergiesysteem. In geval van een open systeem is in formele zin sprake van een onttrekking van grondwater. Volgens het Besluit milieueffectrapportage is er sprake van een m.e.r.-(beoordelings)plicht in het geval van de ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater’.

Een grove berekening laat zien dat bij een volledig gebruik van een open systeem in deelgebied 5 met 6.000 nieuwe woningen de onttrekking circa 2,3 miljoen m³ per jaar zal zijn. Extrapolatie naar de ontwikkelmogelijkheden in deelgebied 4 en 6 leidt dan tot een onttrekking van maximaal 4 miljoen m³ per jaar. Dat betekent dat de drempel voor een m.e.r.-plichtige activiteit (10 miljoen m³ per jaar, activiteit C 15.1) lang niet gehaald wordt, maar dat de drempel voor een m.e.rbeoordelingsplichtige activiteit (1½ miljoen m³ per jaar, activiteit D 15.2) ruim overschreden kan worden. Te zijner tijd zal ten behoeve van de vergunningaanvraag voor de onttrekking van grondwater een nadere verdieping moeten worden gegeven, maar in dit stadium van de omgevingsvisie kan geconcludeerd worden dat er vooralsnog geen sprake zal zijn van belangrijke nadelige milieueffecten, omdat: • Op grond van het ‘Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer Utrecht’ de onttrekking beperkt wordt tot het eerste watervoerende pakket met een diepte van circa 50 meter en er derhalve geen effect zal optreden op de kwetsbare, diepere grondwaterlagen.

• De onttrekking grotendeels wordt aangevuld; er is immers sprake van een WKO systeem waarbij het water steeds terugkeert met per saldo niet of nauwelijks onttrekking; • Er vooralsnog niet is gebleken van structurele beperkingen; • Er sprake zal zijn van een verplichte energiebalans in de bodem en dus de bodem niet structureel zal af koelen of opwarmen.

6.3.4 Opwekking van hernieuwbare energie Om de benodigde stroom in het gebied duurzaam te voorzien, liggen zonnepanelen voor de hand. Andere hernieuwbare energiebronnen, zoals wind, waterkracht en biomassa, zijn in het plangebied niet volledig mogelijk, gelet op de hoge dichtheid. Wel kunnen op de hoge daken PowerNESTs geplaatst worden, waarmee tegelijkertijd zonne- en windenergie wordt opgewekt. Voor een rendabele toepassing in dit gebied moeten hierbij de gebouwen hoger zijn dan 60 meter. Veruit het grootste deel zal derhalve moeten komen van zonne-energie. Er zijn berekeningen uitgevoerd om te beoordelen hoeveel zonnepanelen nodig zijn om de energiebehoefte te dekken. Merosch12 heeft gerekend aan een gebouw van 9 lagen, DWA13 heeft die berekening vergeleken met gebouwen van 5 lagen en van 24 lagen. De gebruikte uitgangspunten zijn daarbij echter niet overal gelijk. 12 13

Merosch, Resultaten doorrekenen blok 8, 4 mei 2018. DWA, Ruimtebeslag DE-opwekking NOM-woningen, 25 juli 2018

Aanvulling PlanMER Merwedekanaalzone Utrecht- 44

Het aantal variabelen waarmee gevarieerd kan worden is dan ook heel groot: • De maatregelen om de energievraag terug te dringen hebben direct effect op de energiebehoefte van een gebouw. In de berekeningen van Merosch is uitgegaan van het maatregelenpakket zoals eerder aangegeven, DWA is uitgegaan van pakketten met beperktere isolatiewaarden. • De keuze voor de warmte-koudevoorziening is direct van invloed op de energiebehoefte van een gebouw, omdat voor het laten werken van de warmtepompen elektriciteit nodig is. • Oriëntatie van de bebouwing. Met name in geval van eenzijdig of tweezijdige oriëntatie zorgt een groot raamoppervlak op het zuiden voor een grotere koelingsbehoefte in de zomer en is dan aandacht nodig voor vermindering van de inval van zonlicht, door overstekken of zonwering. • Compactheid van het gebouw. Een compact gebouw met een gunstige verhouding tussen de schil en het vloeroppervlak, heeft per appartement minder energie nodig. • Transparantie van de gevel. Het aandeel raamoppervlak ten opzichte van het geveloppervlak zorgt enerzijds voor een grotere energiebehoefte van het gebouw, omdat ramen veel minder goed isoleren dan geveldelen en anderzijds voor een vermindering van de mogelijkheid om zonnepanelen op de gevel te plaatsen. Merosch gaat in de berekeningen uit van een glaspercentage in de gevel van 40%. • Hoogte van het gebouw.

De hoogte heeft gevolgen voor de compactheid (negatief effect), de mogelijkheid om zonnepanelen op het dak te plaatsen (negatief effect), maar biedt vanaf 60 meter ruimte om een powernest te realiseren (positief effect). • Geschiktheid van daken voor zonnepanelen. De daken hebben ook een functie voor waterberging (te combineren, positief effect), als vegetatiedak om de component groen voldoende ruimte in de wijk te geven (met name daken van gebouwen tot acht bouwlagen) en als ontmoetingsplaats (met name daken van gebouwen tot drie bouwlagen). In de berekeningen van Merosch is ervan uitgegaan dat alleen daken boven 20 meter met zonnepanelen bedekt worden, zodat er geen conflicten ontstaat met de berekening van de componenten groen en ontmoetingsplaatsen op daken. • Benuttingsgraad van daken, ruimte voor installaties en liftopbouwen en schaduwwerking van deze installaties en van omliggende gebouwen zorgen ervoor dat niet het gehele dak benut kan worden. In de berekeningen is uitgegaan van een benuttingsgraad van het dak van 50%. In het geval van Merosch gaat het daarbij om geschikte daken ( het opgegeven oppervlakte aan zonnepanelen is ongeveer gelijk aan de heft van de oppervlakte van daken boven 20 meter), in het geval van DWA om het bijbehorende gebouw.

• Benuttingsgraad van gevels voor zonnepanelen, niet alleen het glaspercentage, maar ook de oriëntatie van de gevels en de beschaduwing door nabijgelegen hogere gebouwen maken dat maar een beperkt deel van de gevels kan worden bedekt met zonnepanelen. Daar komt bij dat de inpassing van grote hoeveelheden zonnepanelen effect heeft op de esthetiek van de wijk, ook als de zonnepanelen in de gevel als gevelelement worden geïntegreerd. DWA gaat uit van een percentage van 30% van de dichte gevels, waarbij de dichte geveloppervlakte in de berekende voorbeelden niet boven de 50% uitkomt. Merosch gaat op grond van een doorrekening van het stedenbouwkundig plan voor deelgebied 5 uit van een veel kleiner percentage. • Vermogen van de zonnepanelen. Merosch rekent met een Wattpiek van 220 Wp/m² overeenkomend met zonnepanelen van 363 Wp, terwijl DWA uitgaat van een Wattpiek van 200 Wp/m² overeenkomend met zonnepanelen van 330 Wp. Deze vermogens zitten nu aan de bovenkant van de markt, maar er is rekening gehouden met een doorontwikkeling in techniek; de eerste gebouwen zullen niet voor 2021 gebouwd worden.

Aanvulling PlanMER Merwedekanaalzone Utrecht- 45

• • •

Gebruik van powernesten. Voor gebouwen boven de 60 meter zijn powernesten een extra aanvulling op de energieprestatie. Merosch houdt er in de berekeningen rekening mee (4 stuks over heel deelgebied 5), DWA niet. Gebruik van zonwering kan bijdragen aan een geleidelijker patroon van opwarmen en afkoelen en op die manier de energiebehoefte beïnvloeden. Ventilatie, uit onderzoek14 blijkt dat de energiebehoefte daalt naar mate de ventilatie beter wordt afgestemd op de behoefte van bewoners. De energiebehoefte daalt verder als gebruik gemaakt wordt van warmteterugwinning, maar als gevolg van een tweede ventilator stijgt dan het primaire energiegebruik.

Beide berekeningen komen tot de conclusie dat het bij een zo sterke verdichting als wordt voorgestaan in deelgebied 5 (met de huidige beschikbare technieken) niet mogelijk is om klimaatneutraal te ontwikkelen dat energieneutraliteit alleen mogelijk is als ook de gevels substantieel gebruikt worden voor zonnepanelen.

§6.4 Beoordeling De onderzoeken brengen in beeld dat er ten opzichte van de gangbare situatie nog veel te winnen is in energetisch opzicht. Met behulp van beschikbare technieken komt energieneutraliteit binnen handbereik, maar is in een gebied met een zo hoge dichtheid als wordt voorgestaan in deelgebied 5 klimaatneutraliteit (nul-op-de-meter) vooralsnog niet haalbaar. Energieneutraliteit komt binnen handbereik onder strikte condities: • Aardgasvrij en niet aangesloten op de bestaande niet-duurzame stadsverwarming. • Het ontwerp van elk gebouw begint met een zeer goed bouwkundige schilkwaliteit met een hoge isolatiewaarde en een goede luchtdichtheid. • Vervolgens gebruik van een bodemenergiesysteem, waarmee de gewenste temperatuur in de gebouwen wordt bewerkstelligd in elk seizoen en dat voorziet in warm water uit de kraan. • Een systeem dat met behulp van individuele warmtepompen per appartement kan worden ingeregeld. • En ten slotte voldoende zonnepanelen (met op de hoge daken een powernest) om de benodigde gebouwgebonden energie (de elektriciteit voor de installatie die voor verwarming, koeling, warm water, ventilatie en verlichting zorgt) op te wekken. Bij een lagere dichtheid in de Merwedekanaalzone is de energievraag uit het gebied lager en kan er meer ruimte ontstaan voor duurzame opwekking.

Daarmee is er een positief effect op de energiehuishouding in het gebied zelf, maar op de grotere schaal van Utrecht is er sprake van een negatief effect, omdat de woningen dan elders gebouwd moeten worden. Niet bij elk gebouw is het mogelijk de benodigde gebouwgebonden energie met behulp van zonnepanelen op te wekken. De oriëntatie van het gebouw, de schaduwwerking van omliggende gebouwen, de compactheid van het gebouw, de transparantie (hoeveelheid glas) en de esthetische kwaliteit hebben invloed op het rendement van zonnepanelen, nog los van de kwaliteit van de zonnepanelen zelf. Op sommige gebouwen kan meer worden opgewekt, omdat de gevel van het gebouw geschikt is om er op een esthetisch verantwoorde wijze veel zonnepanelen in te verwerken. Energieneutraliteit is dan ook een ambitieus streven en zal in samenhang minimaal op bouwblokniveau moeten worden opgepakt.

14

Nieman, Beng gestapelde bouw, samenvatting onderzoeksresultaten, juli 2016.

Aanvulling PlanMER Merwedekanaalzone Utrecht- 46

In de Omgevingsvisie deel 2 zijn kaders opgenomen over de te bereiken ambities. De borging is daarmee op visieniveau bewerkstelligd en kan doorgezet worden in bestemmingsplannen. In figuur 21 is opgenomen welke kaders benoemd zijn, welke risico’s onderkend worden bij de uitvoering en welke achter-de handmaatregelen bestaan. KADERS ENERGIENEUTRALE WIJK Nieuwbouw in de Merwedekanaalzone is aardgasvrij Nieuwbouw heeft een zeer lage warmteen koudebehoefte, die beter is dan de op het moment van vergunningverlening geldende wettelijke norm. Alle nieuwbouw is geschikt voor een warmtevoorziening op lage temperatuur. Een bodemenergiesysteem is collectief op tenminste bouwblokniveau. Het streven is dat gebouwgebonden energie (verwarming, koeling, warm water en installaties) zowel voor woningen als voor utiliteitsgebouwen voor 100% hernieuwbaar wordt opgewekt.

BORGING

RISICO’S

ACHTER-DE-HAND

Wet voortgang energietransitie BP / SOK

-

-

Wettelijke norm zeer in beweging

Experimentstatus

BP / SOK BP / SOK

Bestuurlijke Energie voor consumptief gebruik of uitspraak, productie in het gebied wordt voor in fondsvorming? principe 100% hernieuwbaar opgewekt op het grondgebied van de gemeente Utrecht.

Buiten MWKZ, Projecten op vorm van grondgebied afwenteling, maar gemeente Utrecht beleidsmatig toegestaan Begrotingsdiscipline

Energie voor de openbare ruimte wordt BP / budget voor 100% hernieuwbaar opgewekt op het stadswerken grondgebied van de gemeente Utrecht. Figuur 21. Borging en achter-de-handmaatregelen klimaatbestendige wijk

Aanvulling PlanMER Merwedekanaalzone Utrecht- 47

H7. Gezondheid §7.1 Vraagstelling Het MER geeft volgens de Commissie niet aan hoe de leefbaarheid van de wijk gewaarborgd wordt op het gebied van gezondheid en milieu, als particuliere partijen met verschillende grondposities en intenties bepalen hoe de wijk wordt ingedeeld. Niet alle aspecten die hiervoor bepalend zijn, zijn in het MER onderscheidend onderzocht. Centrale vraag is welke effecten verschillende ruimtelijke varianten qua indeling en qua woningaantallen hebben op de onderdelen: • Geluid; • Luchtkwaliteit; • Beschaduwing; • Wind(hinder); • Sociale samenstelling; • Mogelijkheden tot bewegen en recreatie; • Nabijheid van voorzieningen. Specifiek wordt gevraagd naar het effect van de wandvorming langs de Europalaan op geluid (het doel van de wand), stedenbouwkundige kwaliteit waaronder beschaduwing en de ontsluiting en op de mogelijkheden om eventuele negatieve effecten te verminderen. Er zijn diverse onderzoeken uitgevoerd die van invloed zijn op het brede begrip gezondheid. In de Omgevingsvisie is onderscheid gemaakt in de kerndoelen ‘Gezond gedrag en groene omgeving’ en ‘Gezonde en veilige omgeving’. Gezond gedrag en groene omgeving richt zich op het stimuleren van een goede gezondheid, terwijl gezonde en veilige omgeving de negatieve effecten van zon, wind, geluid, lucht en externe veiligheid probeert te minimaliseren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=3d3de6bf-95fd-4a3f-9f67-2567bb778e68