Zeeheldenwijk Toelichting.pdf
Tekst van het document
Jaarrond beschermde nesten (boomvalk, buizerd, huismus en ransuil): er hoeft geen rekening gehouden te worden met jaarrond beschermde nesten. Vleermuizen verblijfplaatsen: nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen en een ontheffing Wnb is niet nodig vanwege het ontbreken van holle bomen. Vleermuizen met vliegroutes langs de Urkerweg: een ontheffing Wnb is niet nodig voor de kap van eventuele bomen langs de Urkerweg, omdat het aantal gewone dwergvleermuizen langs de Urkerweg te gering is om van groot belang te zijn voor de Urker populatie. Het is wel waarschijnlijk dat de Urkerweg op termijn een belangrijkere rol krijgt voor deze soort. Binnen het landschapsplan is het daarnaast niet de bedoeling dat veel bomen verdwijnen langs deze weg. Vleermuizen met vliegroutes of jachtgebieden boven de Urkervaart: een ontheffing Wnb wordt geadviseerd voor de meervleermuis in relatie met de ontwikkeling van de brug waarbij getoetst wordt in hoeverre bij het ontwerp van de verlichting bij de brug rekening gehouden is met de meervleermuis. Vleermuizen en de omzetting van akkerland in woningbouw: nader onderzoek naar en een eventuele ontheffing voor de vleermuizen voor het realiseren van de woonwijk is niet nodig. Otter: bij het ontwerp van de brug over de Urkervaart dient rekening gehouden te worden met de otter.
Een ontheffing Wnb is wenselijk om te laten toetsen of de brug zowel zwemmend als lopend voldoende passeerbaar is voor de otter. Steenmarter: bij het ontwerp hoeft geen rekening gehouden te worden met deze beschermde soort, omdat de impact van het plan zeer beperkt zal zijn en de eisen die de vleermuizen en otter stellen aan de uiteindelijke vormgeving van de oevers gunstig zijn voor de steenmarter. Ten aanzien van de rugstreeppad wordt opgemerkt dat er, als gevolg van het bouwrijp maken en de realisatie van ondiep water, in eerste instantie een ideaal leefgebied ontstaat voor deze soort. Pas in de
Zeeheldenwijk
48
laatste fase van de ontwikkeling zal een situatie ontstaan waarin de rugstreeppad een definitieve plek nodig heeft. Om de rugstreeppad te verleiden om zich te vestigen op een gunstige locatie is een inrichtingsplan opgesteld, op basis waarvan de gemeente Urk compensatiegebied ten behoeve van de rugstreeppad zal (laten) inrichten. Daarmee vormt het (eventuele) voorkomen van de rugstreeppad voor het vaststellen van het bestemmingsplan geen belemmering. Voor het verstoren van de meervleermuis en de otter is - in verband met de herinrichting langs de Urkervaart - op 29 januari 2020 door de provincie Flevoland een ontheffing Wnb verleend. Aan deze ontheffing zijn voorwaarden verbonden. In aanvulling op voorgaande gemeld dienen deze voorschriften nageleefd te worden. Gelet op deze conclusies kan er vanuit worden gegaan dat de Wnb ten aanzien van de soortenbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. 4.9.4
Gebiedsbescherming / Natuurnetwek Nederland
De Urkervaart, liggend direct ten noorden van het plangebied, maakt deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Daarnaast maakt de Urkervaart deel uit van een ecologische verbindingszone. De Urkervaart wordt beheerd als zoete plas (Natuurbeheerplan 2016, Provincie Flevoland). In het rapport Wezenlijke kenmerken en waarden EHS gemeenten Noordoostpolder en Urk (A&W rapport) zijn de doelsoorten voor de verbindende functie van deze vaart benoemd. Het voornemen voor planontwikkeling heeft geen effect op het natuurdoeltype. In het kader van de ecologische verbindingszone moet rekening worden gehouden met de functie van de verbinding als vliegroute voor vleermuizen, voor landzoogdieren en voor de rugstreeppad. Hierbij geldt dat de volgende maatregelen worden genomen: 1. voor zoogdieren en rugstreeppad: bij de aanleg van de nieuwe brug over de Urkervaart moet voorkomen worden, dat de oeverzone wordt onderbroken; 2. voor vleermuizen: de mogelijke vliegroute langs de Urkervaart moet functioneel blijven. Mogelijke maatregelen zijn: a. er moet worden voorkomen dat lichten worden gericht op de Urkervaart of dat de vaart (tijdelijk) wordt geblokkeerd. Om te voorkomen dat (openbare) verlichting de mogelijke vliegroute van vleermuizen langs de Urkervaart belemmert is een regeling opgenomen in lid 21.3. b.
bij het ontwerp van de brug over de Urkervaart dient rekening te worden gehouden met de barrièrewerking van wegen voor vleermuizen. Er zijn mogelijkheden om deze te beperken (bijvoorbeeld hopovers; sommige vleermuizen kunnen onder bepaalde omstandigheden ook onder een viaduct passeren). Boven het wateroppervlak moet daarom een doorvliegroute van minstens 4 meter breed en 1,5 meter hoog mogelijk blijven. Er mag geen voor vleermuizen hinderlijke lichtuitstraling zijn op het wateroppervlak. Bij voorkeur dient amberkleurig licht gebruikt te worden. De brug voldoet aan deze maatvoeringseisen. Deze zijn middels bouwregels in de planregels geborgd. 3. voor rugstreeppad: de inrichting van de oeverzone wordt afgestemd op de (verbindende functie voor de) rugstreeppad. In het nadere onderzoek (zie Bijlage 15) concludeert Landschapsbeheer Flevoland ten aanzien van de gebiedsbescherming van de NNN het volgende: 1. De aanleg van het wandelpad langs de Urkerweg in combinatie met meer open groenstructuren komt niet ten goede aan de wezenlijke kenmerken en waarden van de Urkervaart. 2. Het aanbieden van rustgebied aan de andere zijde van de Urkerweg in combinatie met een voor otters goed passeerbare duiker onder de Urkerweg kan gezien worden als een goede mitigatie voor de realisatie van het pad en aanpassing van de beplanting. 3.
Het realiseren van de brug in combinatie met in- en uitvoegstroken vraagt aandacht omdat daarmee oppervlak NNN verloren gaat. 4. Het realiseren van de woonwijk met daarbij enkele waterpartijen die gekoppeld zijn aan de Urkervaart heeft twee kanten. Enerzijds positief voor met name de onderwatergebonden soorten vanwege het ondiepere en waterplantenrijkere deel dat aangekoppeld wordt. Anderzijds is het voor met name oevergebonden soorten lastiger en voorkomen moet worden dat de oevers aan deze zijde van de Urkervaart voorzien worden van steile of harde oevers, aanlegsteigers of andere constructies die de doorgang van dieren hindert. Het is daarom waarschijnlijk minder handig om tuinen op deze
Zeeheldenwijk
49
oevers te laten uitkomen omdat dit op termijn handhaving van de gemeente gaat vragen om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. 4.9.5
Voortoets
Uit de voortoets (Bijlage 14), inclusief stikstof depositieonderzoek (Bijlage 17), blijkt, dat een negatief effect uit te sluiten is. Nu het bestemmingsplan geen negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt (en er hoeft ook geen plan-MER opgesteld te worden). Dit volgt uit de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbwet), thans Wet natuurbescherming (Wnb). Natura 2000 In navolgende tabel zijn alle storingsfactoren benoemd die in de voortoets beschreven zijn. Conclusie is dat negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van de ontwikkelingen die het bestemmingplan mogelijk maakt (woningbouw, bedrijven en voorzieningen) met zekerheid zijn uit te sluiten.
Het is op basis van deze voortoets met zekerheid uit te sluiten, dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden, als gevolg van de ontwikkelingen die het bestemmingplan Zeeheldenwijk mogelijk maakt worden aangetast. Daarmee staat de Natuurbeschermingswet de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg. Beschermden natuurwaarden Er zijn geen negatieve effecten te verwachten op het beschermd natuurmonument Toppad Urk en op het beschermd natuurmonument Staartweg Urk als gevolg van de ontwikkelingen die het bestemmingsplan Zeeheldenwijk mogelijk maakt. 4.9.6
Oplegnotitie Zeeheldenwijk
De inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 leidt niet tot verandering van de conclusies gesteld in de Natuurtoets (Antea Group, 2016a) en Voortoets (Antea Group, 2016b). De bescherming van op de planlocaties voorkomende kleine modderkruiper is met de komst van de nieuwe wet komen te vervallen. Bij uitvoering van het plan dient men rekening te houden met het voorkomen van broedende vogels. Bij de daadwerkelijke ontwikkeling van Zeeheldenwijk zal onderzoek plaatsvinden naar het voorkomen van de rugstreeppad. De verwachting is dat een ontheffing verleenbaar is. Vanuit de gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de uitvoering van het project wat Natura 2000-gebieden betreft. De status van de beschreven en getoetste Beschermde natuurmonumenten is vervallen. 4.9.7
Samenvatting natuurparagraaf
Voor de realisatie van de Zeeheldenwijk op Urk is inzicht nodig in de verplichtingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming kent een aantal onderdelen, waaronder module de Natura-2000 gebieden, de module Soorten en de module Houtopstanden. Geen van deze onderdelen zal de bestemmingswijziging tegenhouden, maar bij de realisatie van de Zeeheldenwijk zal wel rekening gehouden moeten worden met deze drie onderdelen van de Wet natuurbescherming. Daarnaast is de
Zeeheldenwijk
50
Urkervaart aangewezen als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland, dit blokkeert de bestemmingswijziging niet maar er zal wel rekening mee gehouden moeten worden. Onderdeel soorten De toekomstige Zeeheldenwijk bestaat op dit moment uit akkers en enkele boerderijen met bijbehorende erven en wordt begrensd door onder andere de Urkervaart. Binnen de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, worden tal van dier- en plantsoorten beschermd. Er heeft een bureaustudie plaatsgevonden naar het plangebied van de Zeeheldenwijk, hierin is bepaald welke beschermde planten en dieren mogelijk in het gebied voorkomen (Reinhold, 2019). In totaal kwamen uit die studie zo'n 35 beschermde soorten (exclusief alle broedende vogels). Een flink deel hiervan staat op de vrijstellingslijst van de Provincie Flevoland. Dit zijn soorten waarvan de Provincie verwacht dat ze zo algemeen zijn dat ruimtelijke ontwikkelingen geen invloed hebben op de staat van instandhouding van de soort (in Flevoland). Nader onderzoek naar deze soorten is derhalve niet noodzakelijk. De overige soorten zijn in Flevoland schaars tot redelijk algemeen. De Zeeheldenwijk is voor geen van de beschermde soorten zodanig belangrijk in zijn voortbestaan dat de ontwikkeling van de Zeeheldenwijk niet door zou kunnen gaan vanwege de aanwezigheid van een beschermde plant of diersoort.
Wel kan het betekenen dat de aanwezigheid van de beschermde soorten invloed heeft op de manier waarop het gebied vormgegeven wordt en/of hoe de werkzaamheden uitgevoerd worden. Hierbij kan gedacht worden aan de realisatie van compensatiegebieden voor de rugstreeppad en de otter en het natuur-inclusief bouwen van woningen om de vestigingsmogelijkheid van de huismus en de kerkuil te continueren na de eventuele sloop van boerenschuren. De perioden waarop deze eventueel gesloopt worden kunnen ook worden beperkt. Denk daarnaast ook aan het realiseren van verblijfplaatsen voor diverse vleermuissoorten. Reeds is er een inchtingsplan opgesteld voor de inrichting van een compensatiegebied voor de rugstreeppad. Voor het verstoren van de meervleermuis en de otter is - in verband met de herinrichting langs de Urkervaart - reeds een ontheffing Wnb verleend. Onderdeel houtopstanden Binnen het plangebied liggen houtopstanden, die mogelijk gekapt moeten worden. Deze houtopstanden zullen de bestemmingswijziging niet tegenhouden. Maar er geldt mogelijk een meldingsplicht en, afhankelijk van de precieze invulling, mogelijk een herplantingsplicht. Onderdeel Natura-2000 Bekeken moet worden of door de ruimtelijke ontwikkeling stikstof mogelijk een rol speelt in of invloed heeft op stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden in de omgeving.
Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura-2000 gebied betreft de Weerribben en de Wieden (24 km). Hoewel het IJsselmeer en de Rijntakken (IJssel) de dichtsbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn, hebben deze gebieden in de directe omgeving geen stikstofgevoelige habitattypes liggen. Uit de Aeriusberekeningen voor de aanleg en het gebruik, blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie op de stikstofgevoelige gebieden plaatsvindt ten opzichte van de referentiesituatie (bemest bouwland). Natuurnetwerk Nederland De oeverzone van de Urkervaart behoort tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (Provincie Flevoland, 2020). Het betreft een netwerk aan groen/natuur, dat samen ervoor zorgt dat tal van dieren en planten van het ene naar het andere natuurgebied kunnen trekken en de NNN functioneert eveneens als leefgebied voor veel soorten. Voor de NNN-gebieden zijn de wezenlijke kenmerken en waarden beschreven. Voor de Urkervaart is het gebied vooral van belang als migratiegebied voor o.a. otter, meervleermuis, watervleermuis en ringslang. Tevens is het gebied een natte verbindingszone voor vissen, waaronder de blankvoorn. Ook is het gebied belangrijk als verbindingszone voor verschillende libellensoorten. De aanwezigheid van het NNN als grens van de woonwijk hoeft niet betekenen dat de ontwikkeling van de Zeeheldenwijk geen doorgang kan vinden.
Wel betekent het dat nabij de oevers van de Urkervaart op basis van daartoe gespecialiseerd ecologisch onderzoek, voor deze soorten beschermende en geleidende aanpassingen moeten worden verricht. Dat heeft geleid tot het vastleggen van aanpassingen op maat voor een aantal soorten.
Zeeheldenwijk
51
Bij de ontwikkeling van de Michiel de Ruyterbrug en het recreatieve wandelpad met bijbehorende ingrepen in de vegetatie aan de noordelijke oever van de Urkervaart speelt de Wet natuurbescherming, onderdeel beschermde gebieden een rol. Het gebied maakt deels onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. De effecten hebben betrekking op het oppervlakverlies van de NNN door de komst van de brug en door het verlies aan kwaliteit van de wezenlijke kenmerken en waarden door de realisatie van het wandelpad. Er wordt een gedeelte onttrokken aan de NNN (landhoofden). Het wandelpad blijft deel uitmaken van de NNN. Zonder mitigatie blijven er echter teveel negatieve effecten over. Met behulp van mitigatie door de aanwijzing en inrichting van een rietstrook als nieuwe NNN bij Oranjewijk (zie aanduiding Ecologie op de verbeelding) en de realisatie van een vaarduiker met otterplanken onder de Urkerweg naar deze rietstrook wordt de schade aan de NNN-Urkervaart gemitigeerd; zowel in oppervlak als in kwaliteit. Het noordelijke landhoofd van de brug wordt tevens voorzien van een otterplank wat contractueel is vastgelegd. Het in dit rapport genoemde gedeelte van het NNN gaat beheerd worden door de gemeente Urk conform het in bijlage 1 beschreven beheerplan, zie rapport Landschapsbeheer 25022020. Bronnen: Provincie Flevoland. (2020).
Opgehaald van https://geo2.flevoland.nl/viewer/app/natuurnetwerk/ Reinhold, J. (2019). Beschermde soorten bij Binnendijks Bedrijventerrein Urk . Lelystad: Landschapsbeheer Flevoland.
4.10
Spuitzone
Bij de opzet van het bestemmingsplan (voorontwerp) moest rekening worden gehouden met een afstand tot agrarische gronden, waarbij op grond van het bestemmingsplan ook fruitteelt mogelijk was. Vanwege de planologisch-juridische mogelijkheid voor fruitteelt is toen rekening gehouden met het worstcase scenario. Bij het onderzoek is daarbij uitgegaan van het meest intensieve gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de fruitteelt: de teelt van appels en peren. Het betreft de gronden globaal gelegen ten zuiden en ten oosten van het plangebied. Op basis van onderzoek moest rekening houdend met een afstand van 26 meter tussen een (eventuele) fruitboomgaard en een gevoelige bestemming, wil sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op de verbeelding was dit weergegeven met een milieuzone. Door verwerving van het agrarisch bedrijf door de gemeente is contractueel vastgelegd dat de agrarische gronden niet meer gebruikt mogen worden voor de fruitteelt. Met voorgaande is bereikt dat binnen het plangebied geen rekening meer gehouden hoeft te worden met de genoemde afstand. Binnen de regels hoeft met de eerdere spuitzone geen rekening te worden gehouden en is woningbouw binnen een kortere afstand mogelijk. Conclusie Van de eerder opgenomen spuitzone (milieuzone) is door verwerving van het agrarische bedrijf geen sprake meer.
De 'voormalige' spuitzone vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.11
Luchtkwaliteit
Kader De Nederlandse wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm), ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Deze wet implementeert onder andere de normen uit Europese regelgeving. Op grond van artikel 5.16 Wm dient een bestuursorgaan, in geval van de in dit artikel genoemde gevallen, een besluit te nemen met in achtneming van één van de volgende gronden: 1. het project leidt niet tot overschrijding van een grenswaarde; 2. het project leidt per saldo tot gelijk blijven of verbetering van de luchtkwaliteit; 3. het project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie van een stof; 4. het project is genoemd in of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een programma waarbij rekening is gehouden met (toekomstige) projecten en maatregelen door middel van een pakket van maatregelen waardoor er binnen een bepaalde termijn aan de grenswaarden voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) wordt voldaan. De ontwikkelingen binnen het plan 'Zeeheldenwijk' zijn niet opgenomen in het NSL. Reden waarom het plan op de luchtkwaliteit moet
Zeeheldenwijk
52
worden onderzocht en dat getoetst moet worden aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit. Vanwege de verandering in het programma is het luchtkwaliteitsonderzoek dat in het kader van het plan Schokkerhoek was uitgevoerd geactualiseerd. De normen voor de NO2-, PM10- en PM2,5-concentraties zijn in de hierna opgenomen figuur 4.14 weergegeven.
Figuur 4.14: Overzicht normen luchtverontreinigende stoffen. Deze grenswaarden vertegenwoordigen het niveau waaronder geen onacceptabele gezondheidseffecten of onaanvaardbare nadelige milieueffecten optreden als gevolg van de heersende concentraties aan luchtverontreiniging. Naast een jaargemiddelde grenswaarde voor de NO2-concentratie geldt voor deze stof ook een grenswaarde voor de uurgemiddelde NO2-concentratie. De gemiddelde 1-uurs grenswaarde bedraagt 200 ìg/m3. Voor deze norm geldt dat deze niet vaker dan 18 keer per jaar overschreden mag worden. Uit metingen blijkt dat een overschrijding van deze grenswaarde, behalve in uitzonderlijk drukke stadssituaties, al lang niet meer aan de orde is. Nu ook in deze situatie de uurgrenswaarde geen rol speelt, is deze beoordeling buiten beschouwing gelaten. Naast stikstofdioxide en (zeer) fijn stof zijn er in de Wet milieubeheer ook grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, lood, koolmonoxide en benzeen. Voor deze stoffen geldt dat het verschil tussen de grenswaarde en de som van de bijdrage van het wegverkeer en de achtergrondconcentratie zo groot is, dat een overschrijding van de grenswaarden wordt uitgesloten. Om deze reden zijn deze stoffen buiten beschouwing gelaten. Onderzoek Onderzocht is in hoeverre de emissies van het totale aangepast programma de totale concentraties luchtverontreinigende stoffen beïnvloeden.
Dit onderzoek is als Bijlage 18 bijgevoegd. De uitgangspunten in het onderzoek zijn verouderd; inmiddels is er een nieuw verkeersmodel en is het aantal te ontwikkelen woningen toegenomen. Nu in het onderzoek al geconcludeerd is dat de op te treden concentraties ruimschoots lager zijn dan de grenswaarden en omdat de grenswaarden in de tussentijd niet veranderd zijn, kan op basis van expert judgement geconcludeerd worden dat de conclusies uit het onderzoek stand kunnen houden ook na aanpassing van deze uitgangspunten. Conclusie Gezien de planontwikkeling voor woningbouw en bedrijven is met name onderzoek uitgevoerd naar de voor deze situatie maatgevende stoffen NO2, PM10 en PM2,5. Uit het onderzoek blijkt dat op 10 meter uit de rand van de beschouwde wegen, ter plaatse van de bestaande woningen in de omgeving van het plan en op de grens van de bedrijfsbestemming concentraties optreden die ruimschoots lager zijn dan de grenswaarden. Nu de ontwikkelingen in het plan niet leiden tot concentraties die de grenswaarden overschrijden leidt de Wet luchtkwaliteit niet tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan.
4.12
Waterparagraaf
4.12.1 Kader Algemeen Voor wat betreft het wettelijk kader zijn diverse wetten en plannen bepalend voor het aspect water. In dit kader en als basis voor de beoordeling kunnen in ieder geval worden genoemd: Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Er wordt gestreefd naar een duurzaam en veerkrachtig watersysteem met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument bij het beoordelen van bestemmingsplannen is de watertoets. Doel is om te kunnen garanderen dat
Zeeheldenwijk
53
waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze worden afgewogen. Deze doelstelling betreft zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast en tegengaan van verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater en lozingen op het oppervlaktewater). In dit onderdeel wordt verder ingegaan op de verschillende wateraspecten. Nationaal BestuursakkoordWater Afspraken over het toepassen van de watertoets bij ruimtelijke plannen zijn gemaakt in het Nationaal Bestuursakkoord Water. In het akkoord zijn maatregelen afgesproken met als doel het watersysteem in 2015 'op orde' te hebben. Op 31 oktober 2018 zijn met de waterpartners aanvullende afspraken gemaakt op het Bestuursakkoord Water. In het bestuursakkoord zijn taakstellende afspraken opgenomen over veiligheid en wateroverlast. Ook is een impuls gegeven aan het gebruik van de watertoets. Het doel van de watertoets is het waarborgen van waterhuishoudkundige belangen in ruimtelijke plannen. Waterschap Zuiderzeeland Waterschap Zuiderzeeland is waterbeheerder in het plangebied en is verantwoordelijk voor de waterhuishoudkundige verzorging (waterkwaliteit en waterkwantiteit) binnen het plangebied.
Het beleid van het waterschap is verwoord in de volgende documenten en wordt hierna kort besproken: Waterbeheerplan 2016 – 2021 / Waterbeheerprogramma 2022-2027; Keur Waterschap Zuiderzeeland (april 2017); De Uitbeelding; Het Waterkader.
4.12.2 Onderzoek De gemeente Urk heeft een Watervisie opgesteld voor drie ruimtelijke ontwikkelingen. Het Binnendijks bedrijventerrein, de Maritieme Servicehaven en de woonontwikkeling Zeeheldenwijk. De ambitie van de watervisie is een toekomstig bestendig en duurzaam (afval)watersysteem wat voldoet aan het huidige eisen met betrekking tot oppervlaktewater, hemelwater en afvalwater. De 'Basis op Orde'. De watervisie staat niet op zichzelf. Een basis is gelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP Urk 2016 - 2021). Daarnaast heeft Urk haar Structuurvisie (2019) geactualiseerd en sluit de watervisie aan op de ambities van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie. In het kader van het bestemmingsplan is een geactualiseerde watertoets uitgevoerd. Deze is opgenomen in Bijlage 19. 4.12.2.1
Huidige situatie plangebied
Huidige situatie Het plangebied is circa 94 hectare groot en bestaat in de huidige situatie voornamelijk uit agrarische percelen en enkele woningen. Aan de westzijde is het bedrijventerrein 'Zwolsche Hoek' gelegen, gescheiden door de Zuidermeertocht. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de Domineesweg. De noordzijde tenslotte wordt begrensd door de Urkervaart. Aan de zuid- en de oostzijde van het plangebied bevinden zich op dit moment agrarische bedrijven. De kern van Urk bevindt zich op een keileemopduiking uit het Pleistoceen, waardoor zich daar weinig tot geen (slecht doorlatende) Holocene afzettingen bevinden. Maar de - lagergelegen - omgeving van Urk is in het verleden met regelmaat overstroomd, waardoor afwisselend klei, leem en zand is afgezet. Daarnaast is er veenvorming opgetreden. De Zeeheldenwijk bevindt zich in deze lagergelegen delen. De huidige, gemiddelde maaiveldhoogte van het plangebied is circa NAP - 4,1 m. Top [m NAP]
Basis [m NAP]
Formatie
-4,1
-5,5
Holoceen
-5,5 -10 -12
-10 -12 -20
Holoceen Boxtel Kreftenheye
Zeeheldenwijk
Lithologie zandige klei / kleiig zand klei, veen matig fijn zand matig grof zand
Doorlatendheid / weerstand 0,5 m/d 450 tot 4500 d 4 m/d 25 m/d
Geohydrologische interpretatie WVP 1 SDL 1 WVP 2
54
-20 -22 Urk klei 500 tot 1000 d lokale basis Tabel 2: Bodemopbouw en geohydrologische interpretatie ter plaatse van het plangebied (fase 1a) WVP = watervoerend pakket, SDL = scheidende laag, GHB = geohydrologische basis De weerstand van de deklaag is berekend op basis van een verticale doorlatendheid van 0.001 tot 0.05 m/d Door het waterschap en de gemeente is het risico op opbarsting door ontgraving dieper dan 1,0 m als groot ingeschat. Dit aspect dient meegewogen te worden bij de planuitwerking en de inrichting van compenserende maatregelen voor de waterberging. In het plangebied is de te verwachten bodemdaling tot 2050 nul tot enkele centimeters. Door de geplande verstedelijking van deze voormalige agrarische percelen is sprake van ophoging. Zonder maatregelen zal door de ophoging zetting optreden. Om dit te voorkomen wordt het terrein voorbelast met als doel de restzetting te minimaliseren tot 10 cm per 30 jaar. Om meer inzicht te krijgen in de optredende freatische grondwaterstanden en stijghoogten in het onderliggende watervoerende pakket (WVP2) zijn in het plangebied van de Zeeheldenwijk ondiepe en diepe peilbuizen geplaatst. De peilbuizen meten de freatische grondwaterstanden (ondiep filter) en de stijghoogte in het onderliggende watervoerende pakket (diep filter).
In zowel het freatische als het watervoerende pakket (onder de deklaag) stroomt het grondwater (in grote lijnen) richting de Urkervaart. Oftewel, de stromingsrichting is noordwestelijk. Er is geen eenduidige kwel- of wegzijgingssituatie in het plangebied. Dit wijst erop dat er afhankelijk van de neerslag en lokale samenstelling/ weerstand van de deklaag er wisselend sprake is van kwel of wegzijging. In of nabij het plangebied zijn geen recente, langjarige metingen van de freatische grondwaterstand of stijghoogte beschikbaar. Dit maakt het lastig een betrouwbare schatting van de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) en gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) uit te voeren. Op de bodemkaart (1 op 50.000) is in het plangebied een grondwatertrap IV aangegeven; GHG > 0,4 m – maaiveld, GLG tussen 0,8 en 1,2 m – maaiveld. Oftewel, een GHG van maximaal NAP -4,5 m NAP, en een GLG van maximaal NAP -5,3 m NAP. Afgezien van peilbuis 1 – gelegen nabij open water – lijken deze waarden redelijk aan te sluiten bij de bovengenoemde grondwaterstanden. In de landbouwpercelen bevindt zich momenteel buisdrainage. De buisdrainage wordt onderhouden door de perceeleigenaren en functioneren momenteel goed daarmee ook mogelijk een belangrijke bijdrage leveren aan de huidige ontwatering.
De buisdrainage is daarentegen wel gevoelig voor verstopping - ten gevolge van de neerslag van ijzer, vanuit opkomend ijzerhoudend kwelwater. Het grondwater is van relatief slechte kwaliteit. De oorzaak daarvan is natuurlijke kwel met daarin een hoge concentratie ijzer. Hierdoor krijgt het oppervlaktewater een bruinige kleur, wat een matig beeld geeft qua beleving. Het is echter binnen de Noordoostpolder geen onbekend fenomeen en komt ook voor in ander (stedelijk) oppervlaktewater. De waterkwaliteit op zich zal niet minder goed zijn dan dat van de Urkervaart, waarmee een open verbinding wordt gecreëerd. De Urkervaart is met het oog op waterkwaliteit doorgaans robuust (fosfaat en stikstof). Tegelijkertijd is de huidige kwelstroom juist in droge periode gewenst om nog aanvulling en doorstroming te verkrijgen in het oppervlaktewatersysteem. De Urkervaart is een aangewezen KRW-waterlichaam, met een daarbij behorende opgave. Deze opgave bestaat uit de aanleg van 40% zachte oevers, waarmee in 2008 is begonnen. Deze opgave heeft geen invloed op de ontwikkeling van de Zeeheldenwijk waarin het oppervlaktewater in open verbinding met de Urkervaart onderdeel uit gaat maken van een KRW-waterlichaam." Verwacht wordt dat de oppervlaktewaterkwaliteit in het plangebied redelijk voedselrijk is.
Dit komt onder andere door uitspoeling van meststoffen uit landbouwgronden (fosfaat en stikstof) en kwel dat naar verwachting voedselrijk is. Het plangebied is gelegen binnen Dijkring 7. Binnen het plangebied zijn geen waterkeringen gelegen. De ontwikkeling voorziet ook niet in de aanleg van nieuwe waterkeringen en/of werkzaamheden aan
Zeeheldenwijk
55
bestaande waterkeringen. Ten noorden van het plangebied (ten noorden van de Urkervaart en Urkerweg) is een transportpersleiding richting AWZI Tollebeek gelegen. Het betreft één van de twee transportleidingen naar de AWZI. In 2020 is waterschap een onderzoek gestart naar de afvoercapaciteit van beide transportleidingen, uitgaande van de toekomstige ontwikkelingen, waar onder andere de Zeeheldenwijk onder valt. Het huidige inzicht is dat het transportleidingsysteem van het waterschap de eerste groei van Zeeheldenwijk kan transporteren. Het volledig geprognotiseerde aanbod kan echter niet worden verwerkt. Het waterschap en de gemeente zullen, gezamenlijk en vroegtijdig vóór het bereiken van de maximale toevoer, een plan opstellen voor het uitbreiden van het afvalwatertransportsysteem van het waterschap. Dit plan zal worden vastgelegd in een 'Bestuursakkoord Afvalwater Urk'. Randvoorwaarden In het watertoetsrapport zijn randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerprichtlijnen opgenomen relevant voor het planontwikkeling Zeeheldenwijk. Aspecten die aan de orde komen zijn: Voldoende water Voldoende water Voldoende water Schoon water Schoon water Schoon water
- Voorkomen van wateroverlast - Goed functionerend watersysteem - Anticiperen op watertekort - Goede structuurdiversiteit - Goede waterkwaliteit - Goed omgaan met afvalwater.
NB. Het plangebied wordt gefaseerd aangelegd, fase 1 start 2021 en fase 4 zal grofweg in 2036 zijn afgerond. De beoordeling van de wateraspecten binnen de nog uit te werken inrichtingsplannen gebeurt altijd op basis van de (op dat moment) actuele randvoorwaarden. 4.12.2.2
Toekomstige situatie plangebied
Oppervlaktewater Aan de noordzijde van het plangebied is een grote nieuwe waterpartij voorzien met een eiland. In het midden loopt een nieuwe watergang van oost naar west, deze heeft een open verbinding met enerzijds een te verruimen kavelsloot aan de oostzijde van het plangebied en anderzijds de Zuidermeertocht. De nieuwe watervoerende watergangen ten zuiden van fase 1 krijgen een waterdiepte bij streefpeil van 1,2 m, een bodembreedte van 2,0 m en een talud in de verhouding 1:3. De watergang is grotendeels voorzien van een eenzijdig obstakelvrij onderhoudspad van 5,0 m breed. Aan de andere zijde grenst het water aan uitgeefbaar terrein waarbij de toekomstige bewoner een onderhoudsplicht voor de kade heeft. Het oppervlaktewater rondom het eiland aan de noordzijde heeft een waterdiepte van 1,5 m bij streefpeil en kent natuurvriendelijke oevers aan de buitenrand. Voor de grote waterpartij is het uitgangspunt om rijdend onderhoud uit te voeren. Daar waar rijdend onderhoud niet haalbaar is moet varend onderhoud plaatsvinden, waarbij ruimtes worden gereserveerd voor een inlaatplaats voor de maaiboot.
Zeeheldenwijk
56
Figuur 4.15: Te realiseren watergangen (donkerblauw) in de 1e bouwfase, aanvullend toekomstig open water (licht blauw) Duikers en bruggen In het plangebied zijn 5 duikers en 3 brugconstructies voorzien (zie respectievelijk rode en gele arcering in figuur 4.15). De gemeente heeft in eerdere projecten muilvormige multiplate duikers toegepast in overeenstemming met de eisen van het waterschap Zuiderzeeland. Deze duikers worden opnieuw toegepast waarbij voldoen moet worden aan onderstaande randvoorwaarden: maximale lengte van 50 meter. een maximale opstuwing van 2 cm bij een maatgevende afvoer (13 mm/dag + kwel); 1/3 lucht in het dwarsprofiel bij streefpeil; Onderkant duiker 10 cm boven waterbodem (hoger is niet wenselijk in verband met vispasseerbaarheid); Duiker Zuidermeertocht; huidige doorstromingsprofiel behouden. De nieuwe brug over de Urkervaart (Michiel de Ruyterbrug) vormt een verbinding voor (auto)verkeer tussen het plangebied Zeeheldenwijk en de bestaande infrastructuur ten noorden van de Urkervaart. Ten behoeve van de nieuwe brug is een nautisch onderzoek uitgevoerd. Afstemming tussen gemeente en provincie (vaarwegbeheerder) over de nieuwe beweegbare verkeersbrug heeft plaatsgevonden. De uitvoering, bediening en het onderhoud worden door de provincie verzorgd.
De twee brugconstructies vanaf het eiland (fase 3.1) worden in een latere fase in nauw overleg tussen gemeente en waterschap uitgewerkt. Maatregelen tegen opbarsting Bij het uitgraven van de waterpartijen kan stabiliteitsverlies van de ondoorlatende deklaag optreden, doordat de waterdruk in het watervoerende pakket hoger ligt dan het gewicht van de ondoorlatende deklaag erboven. Bij het uitgraven van de waterpartijen wordt het gewicht van de grond op de ondoorlatende laag verminderd en het risico op opbarsten vergroot. Op basis van berekeningen is onderzocht of opbarsten een risico vormt en/of er maatregelen noodzakelijk zijn om opbarsten van de
Zeeheldenwijk
57
ondoorlatende deklaag te voorkomen. Hierbij is zowel rekening gehouden met de eindsituatie als met de stabiliteit tijdens de uitvoering in het geval een grondverbetering noodzakelijk is. Uit de opbarstberekeningen blijkt dat geen enkel vak zonder maatregelen bestand is tegen opbarsten van de waterbodem. Er zijn per berekend vak maatregelen voorgeschreven om opbarsten te voorkomen. De te onderscheiden maatregelen zijn: ontgraven van de ondoorlatende lagen; grondverbetering met zand; grondverbetering met klei. De nieuwe watergangen binnen het plan worden dusdanig ontworpen dat voldaan wordt aan de beheer- en onderhoudsrichtlijnen van het waterschap. Over het beheer en onderhoud worden op een later moment nadere afspraken gemaakt tussen waterschap en gemeente. 4.12.2.3
Waterberging
Verhardingshoeveelheden In onderstaande tabel zijn de verhardingshoeveelheden weergegeven. Daar waar het inrichtingsplan niet definitief is, is gerekend met percentages over het bruto planoppervlak. De verhardings-hoeveelheden zijn gebruikt om de wateropgave vast te stellen. De fasering correspondeert met de fasering uit onderstaande tabel.
Fase en type bebouwing Fase 1a woningbouw
Bruto Openbaar oppervlak verhard in ha in ha 9,39 2,9 1,11
Fase 1a extra woningbouw 10,70 Fase 1b Hoofdontsluitingswegen Fase 1c Bedrijven, droge industrie Fase 1d Wonen en voorzieningen Fase 1e Wonen en voorzieningen
2,94 2,91 3,73 11,50
Fase 2 woningbouw 14,38 Fase 3 woningbouw 22,13 Fase 4 woningbouw
Daken in ha 1,89
Overig Particulier in ha 0,76
Verharding totaal in ha 5,55
Inrichtingsplan ontbreekt 60% t.o.v. bruto is 0,67 verhard Bruto oppervlak is inclusief bermen en 7,49 bestaande Verhardingen, 70% is nieuw verhard oppervlak Inrichtingsplan ontbreekt 90% uitgeefbaar is 2,64 verhard Inrichtingsplan ontbreekt 80% t.o.v. bruto is 2,33 verhard Inrichtingsplan ontbreekt 80% t.o.v. bruto is 2,98 verhard Inrichtingsplan ontbreekt 60% t.o.v. bruto is 6,90 verhard Inrichtingsplan ontbreekt 60% t.o.v. bruto is 8,63 verhard Inrichtingsplan ontbreekt 60% t.o.v. bruto is 13,28 verhard Totaal 50,46
Tabel 3: Verhardingshoeveelheden Zeeheldenwijk per fase Wateropgave Op basis van de verhardingshoeveelheden is de totale wateropgave bepaald. Hierbij is ook rekening gehouden met de huidige te dempen kavelsloten. Te compenseren totaal (fase 1 t/m 4) Te dempen watergangen Wateropgave totaal door toename AO
-3150,30 -27.753,05
m² m²
Beschikbaar nieuw Open water
Zeeheldenwijk
58
Nieuwe watergang centraal oost west (west) Nieuwe watergang centraal oost west (mid-1) Nieuwe watergang centraal oost west (mid-2) Nieuwe watergang centraal oost west (oost) Waterpartij rondom eiland fase 3.1 Subtotaal Overschot wateroppervlak Totaal Tabel 4: Verhardingshoeveelheden Zeeheldenwijk per fase
496,63 m² 2.420,06 m² 5.259,49 m² 2.155,46 m² 20.580,00 m² -30.903,35
30.911.64 m² 8,29 m²
De waterpartij om het eiland fase 3.1 is geel gearceerd. Het betreft hier nog nader in te richten watersystemen. Het beschikbaar wateroppervlak van de waterpartij zoals nu globaal ontworpen betreft 24.375 m2 . In bovengenoemde tabel is maar 20.580 m² opgenomen als benodigd wateroppervlak en is de ter verruimen watergang nog niet opgenomen. Het halen van de wateropgave is daarmee aantoonbaar gehaald. Tijdens de verdere uitwerking van de inrichtingsplannen zal per fase een hydraulische maatwerkberekening worden uitgevoerd om de plannen te blijven toetsen en uiteindelijk om de watervergunning te verlenen per fase. Hemelwaterafvoer Het hemelwater in het plangebied wordt gescheiden van het vuilwater verwerkt. Het hemelwater afkomstig van particulier terrein wordt bovengronds op de perceelsgrens aangeboden om foutieve aansluitingen te voorkomen. Het hemelwater dat terechtkomt op de bebouwing en terreinverharding is volgens de randvoorwaarden voldoende schoon om direct af te voeren op oppervlaktewater. In de Zeeheldenwijk wordt het afstromend hemelwater grotendeels in kolken opgevangen en via het regenwaterriool direct afgevoerd op het oppervlaktewater.
Op locaties waar het kan, bijvoorbeeld hoofdontsluitingswegen, stroomt hemelwater oppervlakkig af naar het openbaar groen om het vervolgens te bergen (vasthouden) en te laten wegzijgen/infiltreren in de ondergrond (vertraagd afvoeren). Als de capaciteit van de berging volledig is benut en wegzijgen/ infiltreren niet meer mogelijk is kan het water via een overloop worden afgevoerd om wateroverlast te voorkomen. Bij verhardingen gelegen nabij oppervlaktewater wordt hemelwater afgevoerd via de afvoer de berm naar het oppervlaktewater. Het stelsel voor de verwerking en afvoer van het hemelwater is/wordt ontworpen op basis van de volgende kenmerken: De minimale dekking op de buis 1,0 m op bovenkant buis; Rioolstreng boven waterpeil op afschot 1‰; Rioolstreng onder waterpeil (5,50 m -NAP) vlak; Uitstroomriool onder waterpeil lozen en minimaal 20 cm boven bodempeil; Uitstroomriool afwerken met betonnen uitstroombak in het talud van het ontvangend oppervlaktewater; Afvoerend verhard oppervlak op basis maatvast inrichtingsplan: 1. Openbare (weg)verhardingen 100%; 2. Daken 100%; 3. 40% van dakoppervlak betreft overig particuliere verharding; Achterpaden voorzien van kolken, kolkenleiding 160mm; Riolering hydraulisch ontwerpen op: 1. Bui 09 geen water op straat (29 mm in 60 min, piek 160 l/se/ha); 2. Bui 10 geen wateroverlast (35,7 mm in 45 min, piek 210l/sec/ha); 3.
Klimaatbui (90 mm in 2u, blokbui) geen waterschade (op particulier terrein); 4. Het streefpeil is 5,70 m–NAP, er worden twee scenario's doorgerekend; 5. Ontwerpen met een waterpeil 5,5 m-NAP (peilstijging van 20 cm vooraf aan de ontwerpbui); 6. stresstest met een waterpeil 4,8 m-NAP: (peilstijging van 90 cm bij calamiteiten). Drooglegging / ontwatering
Zeeheldenwijk
59
Het plangebied Zeeheldenwijk moet over een watersysteem beschikken dat over voldoende drooglegging en ontwatering biedt om (toekomstige bewoners) droge voeten te kunnen garanderen. Voor de ontwateringssituatie is een drainageplan opgesteld. Er wordt voldoende ontwatering gehaald door de combinatie van ophogen en het toepassen van drainage. In verband met de aanwezigheid van ijzerrijk grondwater en de kans van dichtslibben (oxidatie/ijzervlokken) is gekozen voor de aanleg van onderwaterdrainage, wat geheel gescheiden is van het hemelwaterafvoersysteem. Hieronder de belangrijkste ontwerpuitgangspunten: Drooglegging is > 1,20 m bij streefpeil van 5,70 m – NAP uitgaande van: 1. Wegpeilen 4,10 m – NAP; 2. Vloerpeilen 3,80 m – NAP; 3. Drooglegging bij maximaal waterpeil 4,80 m – NAP is 70 cm.; Voldoende ontwatering met behulp van drainage: 1. Drainage onder laagste grondwaterniveau aanleggen 5,90 m – NAP (permanent onder water); 2. Ontwateringinstelniveau moet flexibel instelbaar zijn, ontwateringspeil 5,40 m - NAP; 3. Drainage is volledig gescheiden van het HWA-riool; 4. Ontwateringspeil wordt in een aparte regelput (bij de HWA uitstroomputten) aangelegd; 5. De uitstroomleidingen HWA en drainage komen uit in één gecombineerde uitstroombak; 6. Drain PVC 100 mm omhuld met PP450 en 20 cm aan drainzand; 7. Doorspuitputten toepassen (max afstand 250m): a.
Achterpaden verdekt onder bestrating (goede revisie vereist); b. In de rijbanen worden inspectieputten toegepast met opschrift 'drainage'; c. Onderhoud op basis van monitoring grondwaterstanden door plaatsen peilbuizen aan te sluiten op het gemeentelijk meetnet. (onderwaterdrainage is onderhoudsarm, alleen optreden bij niet functioneren). Vuilwatersysteem Het huishoudelijk en bedrijfsafvalwater van de Zeeheldenwijk wordt ingezameld via een traditionele huisaansluiting en aangesloten op een vrij verval riool of rechtstreeks op een vacuüm bufferput. Het vrijverval riool kent korte afstanden (maximaal 15 woningen) naar een vacuüm bufferput. De bufferput wordt onder vacuüm leeggezogen en afgevoerd naar het vacuüm pompstation. Het vacuüm pompstation en het leidingnetwerk is ontworpen op het gefaseerd aanleggen van de verschillende deelgebieden. De totale belasting ligt rond de 75 m³/u. Ten tijde van het opstellen van dit bestemmingsplan voeren het waterschap en de gemeente een gezamenlijke variantenstudie uit om een voorkeursvariant vast te stellen voor het transport van het afwater van de nieuwe ontwikkelgebieden van Urk naar de afvalwaterzuivering in Tollebeek. De gemalen van Port of Urk maken hier deel van uit en worden conform de voorkeursvariant aangesloten.
Het huishoudelijk en bedrijfsafvalwater van heel Zeeheldenwijk wordt ingezameld via een traditionele huisaansluiting en aangesloten op een vrij verval riool of rechtstreeks op een vacuüm bufferput. Het vrij verval riool kent korte afstanden (maximaal 15 woningen) naar een vacuüm bufferput. De bufferput wordt onder vacuüm leeggezogen en afgevoerd naar het vacuüm pompstation. Het vacuüm pompstation en het leidingnetwerk is ontworpen op het gefaseerd aanleggen van de verschillende deelgebieden. De totale belasting ligt rond de 75 m³/u. Ten tijde van het opstellen van dit bestemmingsplan voeren het waterschap en de gemeente een gezamenlijke variantenstudie uitvoeren om een voorkeursvariant vast te stellen voor het transport van het afwater van de nieuwe ontwikkelgebieden van Urk naar de afvalwaterzuivering in Tollebeek. Het vacuümgemaal van de Zeeheldenwijk wordt conform de voorkeursvariant aangesloten. Conclusie De waterhuishoudkundige situatie is uitgebreid behandeld en besproken met het waterschap Zuiderzeeland. Het bestemmingsplan voldoet rekening houdend met de aangegeven randvoorwaarden aan de Watervisie van het waterschap. Daarmee is dit bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van het aspect water.
Zeeheldenwijk
60
4.13
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Kader Een m.e.r.-beoordeling is een toets om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In het Besluit milieueffectrapportage (in het vervolg Besluit m.e.r.) zijn in de bijlage, onderdeel C en D activiteiten opgenomen, waarbij op grond van artikel 7.2b van de Wet milieubeheer besloten moet worden of bij de voorbereiding van het plan of besluit voor die activiteiten een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Hierin is onder andere "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen" (categorie D 11.2) als m.e.r.-beoordelingsplichtig aangeduid. Daaraan zijn drempelwaarden verbonden. De ruimtelijke ontwikkeling en daarmee het bestemmingsplan overschrijden de genoemde drempelwaarden niet. Het betreft namelijk geen oppervlakte van 100 ha of meer, het betreft geen aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen en geen bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Conform het Besluit m.e.r. (art. 2, lid 5, sub b) dient, voor activiteiten die wel in de D-lijst zijn opgenomen, maar niet aan de drempelwaarden voldoen, beoordeeld te worden op belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Deze toets wordt een vormvrije m.e.r.-beoordeling genoemd.
Hierin worden wel de potentiële milieugevolgen in beeld gebracht, maar behoeft de procedure (inclusief separate ter inzagelegging van het m.e.r.-beoordelingsbesluit) niet doorlopen te worden. Behalve via de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. kan echter ook op grond de Natuurbeschermingswet de verplichting ontstaan om een (plan-)m.e.r.-procedure te doorlopen. Voor de Zeeheldenwijk is het op basis van het uitgevoerde natuuronderzoek, niet noodzakelijk een passende beoordeling op te stellen. Onderzoek In het kader van dit bestemmingsplan is derhalve op grond van bovenstaande een 'Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.' opgesteld, waarin wordt beoordeeld in hoeverre er sprake is van belangrijke gevolgen voor het milieu en of er een m.e.r-plicht aan de orde is. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden getoetst of er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieueffecten. De criteria staan benoemd in Bijlage III van de Europese richtlijn 2014/52/EU en betreffen: a. de kenmerken van het project; b. de plaats van het project; c. de kenmerken van het potentiële effect. Conclusie In het kader van het bestemmingsplan Zeeheldenwijk en het vigerende bestemmingsplan Schokkerhoek zijn alle relevante milieuaspecten onderzocht en beschouwd op mogelijke nadelige gevolgen.
De behandelde milieuaspecten zijn bodem, archeologie, landschap en cultuurhistorie, waterhuishouding, lucht, licht, verkeer en transport, geluid, natuur, bedrijven en milieuzonering, gezondheid en veiligheid en calamiteiten. Aan de hand van de criteria uit de Europese richtlijn zijn per milieuaspect getoetst of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat, gelet op artikel 7.17, van de Wet milieubeheer, het project niet leidt tot belangrijke nadelige milieueffecten. Nu uitgesloten kan worden, dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, is er geen aanleiding om een m.e.r.-procedure uit te voeren. Hierover is een apart besluit genomen door het bevoegd gezag voordat het ontwerpbestemmingsplan wordt vrijgegeven. De resultaten van de aanmeldingsnotitie zijn beschreven in Bijlage 20.
4.14
Duurzaamheid
Beleidskader In 2015 sloten 194 landen het Klimaatakkoord van Parijs, waarin is afgesproken om de uitstoot van
Zeeheldenwijk
61
schadelijke broeikasgassen voor 2050 met 100% te reduceren ten opzichte van het jaar 1990. Ook is afgesproken om de opwarming van de aarde te beperken tot minder dan twee graden Celsius. Nederland stelt als tussendoel om in 2030 een reductie van de CO2 uitstoot met 49% te behalen. Het nationale pakket aan afspraken en maatregelen door de regering is gepresenteerd in het Klimaatakkoord, dat op 28 juni 2019 het licht zag. De gemeente Urk heeft dit vervolgens vertaald naar een Duurzaamheidsvisie voor de gemeente Urk, waarin beschreven wordt welke bijdrage de gemeente Urk moet leveren voor het bereiken van de landelijke doelstellingen. Situatie plangebied Voor de Zeeheldenwijk vinden we dat we vanuit goed rentmeesterschap de inrichting van deze wijk op een voor de aarde/het landschap zorgvuldige wijze moeten realiseren. Bij de uitwerking van de plannen is gestreefd naar de ontwikkeling van een zo duurzaam mogelijke wijk, waarbij we zeker als gemeente het goede voorbeeld moeten geven. Aan de hand van de thema's Energie, Circulaire economie, Klimaatadaptatie en Mobiliteit wordt aangegeven hoe het Klimaatakkoord van Parijs en het Nationale Klimaatakkoord doorwerkt op de ontwikkeling van de Zeeheldenwijk. Energie In 2018 is door het Rijk het besluit genomen dat alle nieuw te bouwen woningen geen gasaansluiting meer krijgen.
Voor de gemeente betekent dit dat naar een alternatief moet worden gezocht voor warmte. De insteek is om voor deze wijk een collectief warmtenet aan te leggen. In combinatie met de door het Rijk verlangde zeer hoge isolatie eisen in de Beng-normering zorgt dit voor een zeer duurzame warmtevoorziening. Bewoners houden de vrijheid om een alternatief te kiezen. Echter het gekozen alternatief moet wel dezelfde of betere duurzaamheidsprestatie leveren dan het collectieve warmtenet. Circulaire economie De insteek is dat de gemeente het gebruik van primaire grondstoffen zoveel als mogelijk beperkt. De regels voor materiaalgebruik staan beschreven in het Bouwbesluit en geeft slechts beperkt de ruimte om hier verdere invulling aan te geven. Voor de inrichting van de openbare ruimte is het de insteek om het goede voorbeeld te geven op het gebied van circulariteit. Via bewustwording streven wij er binnen deze ontwikkeling naar om het gebruik van primaire bouwstoffen te beperken. Daarnaast is het ook heel belangrijk dat de bouw rekening houdt met de herbruikbaarheid van materialen voor langere termijn. Vandaar dat richting ontwikkelaars aandacht gevraagd zal worden voor uitneembaarheid van materialen (demontabel bouwen), maar ook registratie van de materialen. Hiervoor dient bij het ontwerp al rekening gehouden te worden met circulair bouwen.
Dit zijn hele mooie stappen om in de toekomst het hergebruik mogelijk te gaan maken. Klimaatadaptatie De gevolgen van klimaatverandering zijn ook in Nederland merkbaar. Extreme neerslag komt nu al duidelijk meer voor dan in de jaren vijftig en ook hittegolven dienen zich vaker aan. Nederland moet daarom adaptief inspelen op veranderende inzichten en ontwikkelingen in het klimaat. Dit geldt zeker voor nieuw te ontwikkelen gebieden. Voor deze wijk is het de insteek om deze klimaatrobuust te ontwikkelen. Bij extreem weer moet daarom de schade aan gebouwen, infrastructuur of vitale functies zoveel mogelijk beperkt blijven. De aanpak bij klimaatadaptatie richt zich op vier onderdelen, namelijk; het beperken van de gevolgen van wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingen. Voorafgaand aan de ontwikkeling van deze wijk is een stresstest uitgevoerd om de uitkomsten al mee te kunnen nemen bij het ontwerpen van de wijk. Belangrijk aspect daarbij is het voorkomen van het volledig verharden van de buitenruimte. Door middel van bewustwording en het opnemen van maatregelen in dit bestemmingsplan wordt een begin gemaakt met het klimaatrobuust maken van Urk. Mobiliteit Vervoer van mensen en goederen zorgt voor circa 20% van de totale CO2-uitstoot van Nederland. Mobiliteit is dan ook een belangrijk thema in het Klimaatakkoord. Urk wil emissieloze mobiliteit stimuleren.
Zeker bij de ontwikkeling van een nieuw gebied biedt dit kansen. Bij het ontwerp van dit gebied is hier extra rekening mee gehouden in de zin van goede wandel- en fietsverbindingen, maar ook door de infrastructuur (leidingen en laadpalen) voor elektrisch rijden op te nemen. Conclusie In het kader van klimaatadaptatie is middels de planregels geregeld dat niet het hele perceel verhard
Zeeheldenwijk
62
mag worden. Voor het overige wordt vooral een beroep gedaan op de initiatiefnemers en geeft de gemeente Urk zelf het goede voorbeeld door waar mogelijk duurzaamheidsmaatregelen toe te passen bij de realisatie van de Zeeheldenwijk. Ten aanzien van het aspect duurzaamheid kan het bestemmingsplan daarmee uitvoerbaar worden geacht.
Zeeheldenwijk
63
Zeeheldenwijk
64
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische aspecten
Bestemmingsplan verbrede reikwijdte
Onderhavig bestemmingsplan is een zogenaamd 'bestemmingsplan Verbrede Reikwijdte'. Met een bestemmingsplan Verbrede Reikwijdte kunnen gemeenten sinds 2014 vooruit lopen (anticiperen) op de komst van het omgevingsplan uit de Omgevingswet. Dat doen zij als experimenten onder de werking van de Crisis- en herstelwet. Een dergelijk bestemmingsplan wordt een 'Chw bestemmingsplan' genoemd of een 'bestemmingsplan Verbrede Reikwijdte'. Gemeente Urk heeft voor het grondgebied van de gehele gemeente destijds een aanvraag ingediend bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu (nu: Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat). Zoals in paragraaf 1.1 al aangegeven, is de 14e tranche van het Besluit uitvoering van de Chw,in oktober 2016 in werking getreden, waarin het gehele grondgebied van Urk is aangewezen. Het bedrijventerrein Zwolschehoek en het plangebied Zeeheldenwijk zijn tevens als ontwikkelingsgebied aangewezen, waarvoor een bestemmingsplan-plus moet worden gemaakt. De ontwikkelingsgebieden (afdeling 1 Hoofdstuk 2) van de Chw bieden de mogelijkheid om in aangewezen gebieden flexibeler om te gaan met de beschikbare milieuruimte. Dit heeft als doel om bijvoorbeeld ruimte te creëren voor nieuwe bedrijven of voor nieuwe functies zoals wonen.
In de eerste plaats kan de gemeente de beschikbare milieugebruiksruimte binnen een ontwikkelingsgebied opnieuw verdelen en daarvoor maatregelen vastleggen in het bestemmingsplan. Op die manier ontstaat de nodige flexibiliteit in de uitvoering en is een voorwaardelijk verband aan te brengen tussen milieubelastende ontwikkelingen en maatregelen die meer milieugebruiksruimte creëren. In de tweede plaats kan in het bestemmingsplan voor een ontwikkelingsgebied worden afgeweken van enkele specifieke in de Chw genoemde wettelijke normen. Van de mogelijkheden, die de aanwijzing als ontwikkelingsgebied biedt, is in dit bestemmingsplan net als in het vigerende plan geen gebruik gemaakt.
5.2
Toepassing instrumenten artikel 7c Chw
Het bestemmingsplan is zoveel mogelijk vormgegeven als een traditioneel bestemmingsplan. Daar waar de toepassing nodig is van mogelijkheden die artikel 7c van de Chw biedt, wordt hiervan afgeweken. Deze regels zijn integraal opgenomen in de bestemmingsregels. 5.2.1
Mogelijkheden Chw
Met dit bestemmingsplan wordt geëxperimenteerd met de in de toekomstige Omgevingswet beoogde verbreding van het bestemmingsplan tot een omgevingsplan. Zolang de beoogde Omgevingswet niet is vastgesteld en in werking is getreden, geldt een experimenteel omgevingsplan als een buitenwettelijk en vormvrij plan. Met artikel 7c van de Chw wordt een wettelijke grondslag gegeven aan deze experimentele bestemmingsplannen. In het kader van dit experiment mag worden afgeweken van de aangegeven onderdelen van onder meer de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de Wet geluidhinder (Wgh), het Besluit geluidhinder (Bgh) en de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 7c biedt de volgende instrumenten, waarbij we per instrument met 'ja/nee' aangeven of er in dit plan gebruik van wordt gemaakt: Looptijd: 20 jaar in plaats van 10 jaar. Een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte kent een looptijd van 20 jaar. De wettelijk vastgestelde plantermijn in de Wet ruimtelijke ordening van 10 jaar vormt vaak een belemmering, omdat niet aannemelijk kan worden gemaakt dat de ontwikkelingen, waarin het bestemmingsplan voorziet, binnen 10 jaar gerealiseerd kunnen worden. De verlengde looptijd is net dat extra steuntje in de rug om de uitvoerbaarheid wel aannemelijk te kunnen maken.
In de toelichting van het bestemmingsplan hoeft geen inzicht te worden geboden in de uitvoerbaarheid van het plan. Ja. Voorlopige bestemmingen: tijdelijk gebruik, maximaal 10 jaar. Dit instrument geeft de mogelijkheid om bij een flexibele invulling van een plangebied dat een lange doorlooptijd kent tijdelijk gebruik ander gebruik dan beoogd toe te staan. Binnen het experiment de termijn van voorlopige
Zeeheldenwijk
65
bestemmingen verruimd van 5 naar 10 jaar. In een bestemmingsplan kunnen met dit instrument voorlopige bestemmingen worden opgenomen om het tijdelijke gebruik mogelijk te maken. Nee. Verordeningen: toevoegen lokale verordeningen voor wat betreft de fysieke leefomgeving. De verbrede reikwijdte maakt het mogelijk om onderwerpen die gemeenten nu nog in lokale verordeningen regelen op te nemen in het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Naar verwachting leidt dat tot minder en beter op elkaar afgestemde regels. Dat is wel zo gemakkelijk voor burgers die in één opslag willen zien wat er mag en kan op een locatie. Het vierde lid van artikel 7c bevat de grondslag om lokale verordeningen, die gebaseerd zijn op de Gemeentewet, in het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte te integreren. Nee. De ‘verbrede reikwijdte’ betekent dat het omgevingsplan niet alleen over een ‘goede ruimtelijke ordening’ gaat, maar net als onder de Omgevingswet de fysieke leefomgeving centraal stelt. In het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte kunnen naast regels met een ruimtelijke relevantie, regels worden opgenomen ten behoeve van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies.
Concreet betekent dit dat regels kunnen worden opgenomen over onder andere het uiterlijk van bouwwerken (welstand), duurzaamheid en een goed woon- en leefklimaat. Ja. Meldingsplicht: activiteiten zijn verboden, tenzij initiatiefnemers dit vooraf melden: ruime en flexibele kaders stellen met behoud van controle en sturingsmogelijkheden, bijvoorbeeld voor beheer fysieke leefomgeving maatregels treffen die een betere bescherming bieden aan de leefomgeving. Nee. Beleidsregels: Het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte kan open normen bevatten die – naar keuze – door de gemeenteraad of burgemeester en wethouders worden uitgewerkt in beleidsregels in de zin van 4:81 Awb. Deze constructie biedt flexibiliteit. Wijzigingen in beleid kunnen – los van het bestemmingsplan – zonder voorbereidingsprocedure worden vastgesteld. De gemeente is hiermee in staat sneller in te spelen op maatschappelijke behoeftes en ontwikkelingen, waardoor de robuustheid van het bestemmingsplan toeneemt, dit neemt niet weg dat de totstandkoming van beleidsregels op zorgvuldige wijze moet geschieden. Hiervoor gelden dezelfde inhoudelijke eisen als voor gewone planregels. Ze moeten naleefbaar, uitvoerbaar en handhaafbaar zijn. Ja.
Planschade: Binnen het experiment met de verbrede reikwijdte bestaat geen recht op planschade bij het vervallen van planologische bouw- en gebruiksmogelijkheden, die ten minste drie jaar ongebruikt zijn gebleven. Niet specifiek. Uitvoerbaarheid en milieukwaliteitseisen: In samenhang met de verlengde looptijd bestaat de mogelijkheid om van een tweetal bepalingen uit het Bro af te wijken. Beide artikelen hebben betrekking op verantwoording over de uitvoerbaarheid in de toelichting van het bestemmingsplan. 1. Artikel 3.1.6, lid 1, onder f Bro; 2. Artikel 3.1.6, lid 5, onder c Bro. a. Met uitvoerbaarheid in de context van artikel 3.1.6, lid 1, onder f Bro wordt in hoofdlijnen gedoeld op drie aspecten: 1. is realisatie van het plan mogelijk? (op grond van de jurisprudentie gaat het dan om realisatie binnen de planperiode), 2. is het plan financieel-economisch uitvoerbaar? en 3. is het plan maatschappelijk uitvoerbaar? In de toelichting van het bestemmingsplan hoeft aan deze aspecten geen aandacht te worden besteed. Daarnaast hoeft in de toelichting geen aandacht te worden besteed aan de wijze waarop krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer vastgestelde kwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Voorgaande geldt alleen als geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Voorbeelden van milieukwaliteitseisen zijn luchtkwaliteit, maar ook externe veiligheid. b.
Het bovenstaande betekent niet dat deze onderwerpen geen rol meer spelen in het bestemmingsplan. Als het plan daar aanleiding toe geeft moet wel degelijk onderzoek naar luchtkwaliteit worden verricht. Hetzelfde geldt ook voor een thema als externe veiligheid. De essentie van deze mogelijkheden is, dat volstaan kan worden met een eenvoudiger plan / een kortere toelichting. Ook sluit deze mogelijkheid goed aan bij de gedachte om onderzoek gefaseerd uit te voeren. Het onderzoek bij de vaststelling van het bestemmingsplan sluit aan op het detailniveau van de informatie die op dat moment voorhanden is. Opgemerkt wordt dat besluiten (waaronder een bestemmingsplan) altijd zorgvuldig moeten worden voorbereid en gemotiveerd, c.q. voldoen aan de eisen die hiervoor zijn neergelegd in de Awb. Nee.