Verordening Sociaal Domein Urk 2024 (publicatie 2025)
Tekst van het document
De gemeente zet zich ervoor in dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk (zelfstandig) kunnen wonen, de normale dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren en voldoende kunnen meedoen in de samenleving. 2. De inwoner kan voor hulp-op-maat in aanmerking komen als voldaan is aan de voorwaarden van in ieder geval 2.2.5 en van dit hoofdstuk. 3. De gemeente kan niet altijd hulp-op-maat geven. De gemeente geeft geen hulp, als: • De inwoner zijn beperkingen zelf kan oplossen of verminderen door zijn dagelijks leven anders te organiseren, bijvoorbeeld de huishoudelijke taken. • De inwoner gebruik kan maken van een andere wettelijke regeling of een andere voorliggende oplossing. • In de hulpvraag is voorzien omdat de inwoner de voorziening zelf al heeft gerealiseerd of aangeschaft voordat hij zich bij de gemeente heeft gemeld voor hulp. • De inwoner de voorziening zelf al heeft gerealiseerd of aangeschaft nadat hij zich bij de gemeente heeft gemeld voor hulp, maar voordat een besluit is genomen. Dit is anders als de gemeente daarvoor toestemming heeft gegeven. • De aanvraag ziet op een voorziening die aan de inwoner al eerder is verstrekt op grond van een wettelijke regeling. Het moet dan gaan om een voorziening waarvan de normale afschrijvingstermijn nog niet is afgelopen.
Dit geldt niet als: - De eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om. - De inwoner (gedeeltelijk) tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. - De eerder verstrekte voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag van de inwoner. • De voorziening enkel een medisch doel heeft.
Verordening Sociaal Domein Urk
27
• De inwoner onvoldoende meewerkt, zodat de gemeente niet kan vaststellen of de voorziening noodzakelijk is. • De voorziening niet grotendeels op de inwoner is gericht. 5.2 Zelfstandig en veilig wonen 5.2.1 Geschikte woning 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als het normale gebruik of het betreden van zijn woning als gevolg van een beperking niet mogelijk is. De inwoner moet in ieder geval voldoen aan de voorwaarden genoemd in 2.2.5 en 5.1 en 5.2.1. 2. De hulp-op-maat houdt in dat de woning bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar wordt gemaakt. 3. De inwoner kan alleen de hulp-op-maat aanvragen voor het hoofdverblijf. 4. Kan de woning van de inwoner niet of slechts tegen hoge kosten aangepast worden? Dan verwacht de gemeente van de inwoner dat hij verhuist naar een geschikte(re) woning. Die moet binnen redelijke termijn beschikbaar zijn. De huidige woning wordt dan niet door de gemeente aangepast. De gemeente stelt in het Besluit vast bij welk bedrag een verhuizing wordt overwogen. 5. Verhuist de inwoner naar een geschikte(re) woning? En voldoet die aan in ieder geval de voorwaarden genoemd in 2.2.5? Dan zorgt de gemeente voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten. De gemeente stelt de hoogte van de tegemoetkoming vast in het Besluit. 6. De gemeente geeft niet altijd hulp-op-maat in de vorm van een woonvoorziening.
De gemeente geeft geen hulp-op-maat in de volgende situaties: • De beperkingen van de inwoner zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt. • De inwoner verblijft in een hotel, pension, tweede woning, trekkerwoonwagen, klooster, vakantiewoning, recreatiewoning of onzelfstandige woning. • De inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waar de inwoner bij hoort, bijvoorbeeld een complex voor ouderen, en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte. • Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden. • De inwoner is verhuisd naar of verhuist vanuit een woning of woonruimte die niet bestemd is om daar het hele jaar te wonen. • De inwoner verhuist naar een woning die niet geschikt is om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen. Tenzij de gemeente daar vooraf schriftelijk toestemming heeft verleend. • De inwoner is verhuisd terwijl hiervoor geen aanleiding bestond. Er was geen noodzakelijke reden voor verhuizing. • De gemeente verhaalt schade aan de woonvoorziening als gevolg van verwijtbaar gedrag of onjuist gebruik op de gebruiker. 5.2.2 Een schone en leefbare woning 1. Kan de inwoner door een beperking zijn woning niet schoon en leefbaar houden? Dan zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen.
De inwoner moet daarbij in ieder geval voldoen aan de voorwaarden genoemd in 2.2.5 en 5.1 van deze verordening.
Verordening Sociaal Domein Urk
28
2. De hulp-op-maat houdt in dat de woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer en de gang(en) tussen die ruimten voor zover nodig regelmatig schoongehouden worden. Ook bijvoorbeeld het aanbrengen van structuur in de huishouding, en het verzorgen van kleding, bedden- en linnengoed kan deel uitmaken van de hulp-op-maat. 3. Zijn er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen? Dan bestaat de hulp-opmaat ook uit het overnemen van de gebruikelijke zorg voor deze kinderen. Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen. 5.3 Meedoen in de samenleving 5.3.1 Dagactiviteiten 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die niet of onvoldoende in staat zijn de dag goed in te vullen hulp-op-maat kunnen krijgen. Dat houdt in dat inwoners onder begeleiding mee kunnen doen aan groepsactiviteiten. De gemeente houdt rekening met de ondersteuning die de inwoner kan krijgen als bedoeld in hoofdstuk 3 (werk en participatie). 2. De gemeente zorgt voor het vervoer naar en van de plek waar de inwoners deelnemen aan een activiteit van de gemeente om de dag in te vullen als: a. De inwoner vanwege een beperking niet in staat is zelfstandig deze plek te bereiken; en b. De inwoner niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of vrijwilligers kan reizen of op een andere manier kan worden begeleid. 3.
De inwoner moet in ieder geval wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in 2.2.5 en 5.1 van deze verordening. 5.3.2 Individuele begeleiding 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die niet in staat zijn de normale dagelijkse activiteiten te doen, hulp-op-maat kunnen krijgen. Dat houdt in dat inwoners in meer of mindere mate begeleid worden bij deze activiteiten. 2. De hulp-op-maat houdt in dat de inwoner begeleid wordt bij de dagelijkse gang van zaken en de inwoner helpt om op een goede manier met zijn omgeving om te gaan. De begeleider kan ook helpen bij normale (dagelijkse) activiteiten, zoals het structureren van de dag, het doen van de administratie en het beheren van de financiën. De begeleider neemt deze activiteiten niet volledig over, maar kan als dat nodig is wel de regie overnemen. 3. De inwoner moet in ieder geval wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in 2.2.5 en 5.1 van deze verordening. 5.3.3 Verplaatsen in en om de woning 1. Kan de inwoner zich vanwege een beperking niet voldoende verplaatsen in en om de woning? Dan zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen. 2. De hulp-op-maat houdt in dat de inwoner een rolstoel kan krijgen die geschikt is voor dagelijks zittend gebruik door de inwoner. De inwoner moet in ieder geval voldoen aan de voorwaarden genoemd in 2.2.5 en 5.1 van deze verordening. 5.3.4 Verplaatsen dicht bij huis 1.
De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die zich vanwege een beperking onvoldoende dicht bij huis kunnen verplaatsen hulp-op-maat kunnen krijgen. Zo kunnen zij winkels
Verordening Sociaal Domein Urk
29
bereiken, sociale contacten onderhouden en deelnemen aan maatschappelijke activiteiten. 2. De hulp-op-maat is gericht op over de korte en de langere afstand rond de woning. Hiermee wordt 15-20 kilometer rondom de woning van de inwoner bedoeld. 3. De hulp-op-maat kan bestaan uit het verstrekken van: • Een hulpmiddel zoals bijvoorbeeld een scootmobiel of een aangepaste fietsvoorziening. • Een financiële tegemoetkoming. 3. De inwoner moet in ieder geval wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in 2.2.5 en 5.1 van deze verordening. 4. De gemeente verhaalt schade aan het vervoersmiddel en rolstoel als gevolg van verwijtbaar gedrag of onjuist gebruik op de gebruiker. 5.3.5 Vervanging vervoersmiddel en rolstoel Als de gemeente eerder een hulpmiddel voor vervoer of een rolstoel heeft verstrekt en deze moet worden vervangen, doet de gemeente dit alleen als het hulpmiddel: a. technisch is afgeschreven; of b. verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om, of c. geen oplossing meer is voor de problemen die de inwoner heeft bij het verplaatsen in en om de woning of het dichtbij huis verplaatsen. 5.2.3 Beschermd wonen en maatschappelijke opvang Voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang worden regionale afspraken gemaakt. 1. Beschermd wonen. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van beschermd wonen.
De inwoner moet deze woonvorm nodig hebben als gevolg van psychische of psychosociale problemen. Beschermd wonen kan worden verstrekt als dit de inwoner helpt om zichzelf weer te kunnen handhaven in de samenleving. 2. Voor inwoners die hulp-op-maat in de vorm van beschermd wonen nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Almere en de daarop gebaseerde regels. 3. Maatschappelijke opvang. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van tijdelijke (maatschappelijke) opvang. Deze opvang is bedoeld voor de inwoner die de thuissituatie heeft verlaten en zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving. Dit als gevolg van psychische of psychosociale problemen of de dreiging van huiselijk geweld. 4. Voor inwoners die hulp-op-maat in de vorm van maatschappelijke opvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Almere en de daarop gebaseerde regels. 5.3 Mantelzorg 5.3.1 Bijzondere ondersteuning mantelzorger 1. Komen inwoners die mantelzorg ontvangen in een situatie waarin steeds toezicht nodig is? En is de mantelzorger tijdelijk niet beschikbaar of niet meer in staat om de mantelzorg vol te houden? Dan kan de gemeente hulp-op-maat verstrekken in de vorm van kortdurend verblijf. 2.
De hulp-op-maat is één dag per week met een maximum van 52 dagen per jaar. In overleg met de aanbieder kan de hulp-op-maat ingezet worden.
Verordening Sociaal Domein Urk
30
5.3.2 Mantelzorgwaardering De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners met een beperking. Daarom stelt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering beschikbaar. Het doel van de mantelzorgwaardering is om het belang van mantelzorgers voor de samenleving te onderstrepen.
Verordening Sociaal Domein Urk
31
6. De vorm van de hulp De hulp die de gemeente geeft is in principe ‘in natura’. Dat betekent dat de gemeente ervoor zorgt dat er hulp-op-maat wordt ingezet. Dat kan in de vorm van ondersteuning zijn of een dienst zijn (bijvoorbeeld huishoudelijke ondersteuning). Het is ook mogelijk dat er een product wordt gegeven (bijvoorbeeld een rolstoel). In bepaalde gevallen kan de hulp in de vorm van geld worden gegeven (inkomenstoeslag) of als een persoonsgebonden budget. In dit hoofdstuk is geregeld op welke manier de gemeente de hulp geeft. Ook is geregeld wanneer de gemeente een eigen bijdrage van de inwoner kan vragen. Kernwaarden: ➢ De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van de inwoner. ➢ De inwoner is zelf verantwoordelijk. De gemeente helpt als dat nodig is. ➢ De eigen mogelijkheden en het sociaal netwerk van de inwoner gaan voor. ➢ De gemeente stemt de hulp af op de inwoner. ➢ De gemeente maakt de hulp makkelijk bereikbaar. 6.1 Hulp in natura [Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet]
1. Krijgt de inwoner hulp van de gemeente? Dan ontvangt de inwoner hulp in natura (een dienst of een product), tenzij in de wet of in deze verordening anders is bepaald. Een hulpmiddel op basis van de Wmo kan in bruikleen of in eigendom worden gegeven. 2. De gemeente zorgt ervoor dat de leverancier van een product de inwoner voldoende helpt om het product goed te kunnen gebruiken. 3. De gemeente zorgt ervoor dat de leverancier van een product de wettelijke bepalingen over de garantie naleeft. De leverancier informeert de inwoner over alles wat van belang is om te weten over de dienst of het product. 6.2 Hulp in geld [Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet, Awb]
1. De inwoner die hulp van de gemeente krijgt ontvangt hulp in de vorm van geld, als dat in de wet of in deze verordening zo is bepaald. Hulp in de vorm van geld hoeft meestal niet terugbetaald te worden. Is in de wet of in deze verordening anders bepaald? En sluit dit aan bij de persoonlijke situatie van de inwoner? Dan moet het geld wel worden terugbetaald. 2. De gemeente doet de betaling aan de inwoner zo snel mogelijk nadat de gemeente een besluit heeft genomen over de betaling. 3. De betaling wordt gedaan op het bankrekeningnummer dat de inwoner heeft doorgegeven. Als dit niet mogelijk is kan de gemeente het geld op een andere manier, in een andere vorm betalen of aan een andere persoon betalen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een betaling aan een leverancier. 4. De gemeente kan beslissen om het geld niet te betalen maar te verrekenen met een bedrag dat de inwoner moet terugbetalen (vordering). Dit mag alleen als dit volgens de wettelijke regels kan. Het moet gaan om een vordering op grond van een van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd.
Verordening Sociaal Domein Urk
32
6.3 Persoonsgebonden budget 6.3.1 Voorwaarden [Jeugdwet, Wmo]
1. Gaat het verzoek om een pgb voor jeugdhulp? Dan mag het pgb alleen worden besteed aan ouders en het sociaal netwerk als volgens de gemeente duidelijk is dat het leidt tot betere en effectievere hulp en die hulp doelmatiger is. 2. Als gecontracteerde zorg in natura niet beschikbaar of passend is kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als de inwoner dat wenst en voldaan is aan de voorwaarden die de Wmo of de Jeugdwet stellen en die in deze verordening staan. 3. Als de inwoner een pgb wil voor diensten, maakt hij een plan voor de besteding van het pgb. Dit is het budgetplan. Een format hiervoor is beschikbaar via www.urk.nl. Hierin staat welke hulp de inwoner met het pgb wil betalen en door wie de hulp wordt gegeven. De gemeente moet het budgetplan goedkeuren en stelt daarna het pgb vast. Een uitzondering is het pgb voor huishoudelijke ondersteuning. Daarvoor hoeft de inwoner geen budgetplan op te stellen. 5. Als de inwoner een pgb krijgt, gelden in ieder geval de volgende voorwaarden: a. Voor het pgb dat wordt besteed aan een professionele organisatie of een Zzp’er gelden dezelfde kwaliteitseisen als voor het gecontracteerd aanbod. Dat is anders als die eisen alleen te maken hebben met het contract met de gemeente over bijvoorbeeld kritische prestatie-indicatoren of rapportageverplichtingen. b.
Het pgb moet besteed worden zoals beschreven staat in het toekenningsbesluit. c. Het pgb moet binnen drie maanden na het toekenningsbesluit besteed worden. Als het om een woningaanpassing gaat, kan de gemeente een langere periode met de inwoner afspreken. d. Het pgb mag niet besteed worden aan een persoon die eigenlijk gebruikelijke hulp moet geven, maar dit niet kan doordat hij overbelast is of mogelijk overbelast raakt. e. De inwoner zorgt voor een afdoende verzekering tegen schade, als hij met het product dat hij met zijn pgb heeft betaald, naar het buitenland reist. 6. Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het pgb kan in ieder geval niet besteed worden aan: a. Kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers. b. Het voeren van een pgb-administratie. c. Ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie. d. Cadeaus en kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s). 7. Declaraties op basis van een vast bedrag per periode (maand) zijn niet toegestaan. 8. Er wordt geen gebruik gemaakt van een verantwoordingsvrij bedrag. 6.3.2 Hoogte en tarief pgb bij diensten (niet zijnde Beschermd Wonen) [Jeugdwet, Wmo]
1. Voor de goedkoopst passende hulp-op-maat hanteert de gemeente gedifferentieerde tarieven die zijn afgeleid van de tarieven waarvoor de gemeente de geïndiceerde hulp heeft ingekocht, waaronder een toepasselijk (gemiddeld) uurtarief, dagdeeltarief of etmaaltarief (hierna: het tarief). 2. Voor hulp-op-maat geldt: a. 90% van het tarief voor hulpverleners die in dienst zijn van een professionele organisatie. b. 80% van het tarief voor hulpverleners die als ZZP-er werkzaam zijn.
Verordening Sociaal Domein Urk
33
c. 35% van het tarief voor personen uit het sociaal netwerk of die niet als personen onder a of b kunnen worden aangemerkt maar tenminste: 1°. Voor huishoudelijke ondersteuning het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij huishoudelijke ondersteuning van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren; en 2°. Voor individuele begeleiding de hoogste periodiek behorende bij FWG 30 van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. 3. De gemeente stelt de tarieven die het verschuldigd is aan de (gecontracteerde) aanbieders vast in het Besluit en voor zover dat niet mogelijk is in het individuele toekenningsbesluit. 6.3.3 Hoogte pgb voor producten [Wmo]
1. De gemeente kan een programma van eisen opstellen voor het product. De gemeente baseert de hoogte van het pgb op het programma van eisen en een offerte voor de aangegeven kosten. In deze offerte moet staan hoe hoog de kosten van het product zijn (kostprijs). Met deze kostprijs moet de inwoner veilige, doeltreffende en kwalitatief goede hulp kunnen inkopen. Het kan gaan om een offerte die de gemeente zelf opvraagt, maar ook om een offerte die de inwoner opvraagt. 2. De gemeente houdt bij de hoogte van het pgb rekening met de onderhouds- en verzekeringskosten. 3. De gemeente stelt in nadere regels vast wat de budgetperiode van het product is. Dit is de periode waarop het pgb betrekking heeft. Indien van toepassing berekent de gemeente over deze periode ook de onderhouds- en verzekeringskosten. 6.3.4 Verantwoording pgb [Jeugdwet, Wmo]
1. De gemeente kan de inwoner op elk moment vragen hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad. 2. De inwoner meldt en/of overlegt wijzigingen die van invloed zijn op de hulp en het pgb bij de gemeente. Het is niet toegestaan soorten hulp tegen elkaar uit te wisselen. 3. De gemeente neemt maatregelen om oneigenlijk gebruik of fraude op te sporen. Bij oneigenlijk gebruik gebruikt de inwoner het pgb voor iets anders dan waar het voor bedoeld is. De inwoner en zorgaanbieders/zorgverleners werken mee aan een onderzoek. 4. Krijgt de inwoner hulp in de vorm van een pgb? Dan wordt alleen de hulp uitbetaald die geleverd is. 6.4 Tegemoetkoming 6.4.1 Tegemoetkoming meerkosten [Wmo]
1. De persoon met een beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem kan op aanvraag in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de met die beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem verband houdende aannemelijke meerkosten ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. 2. De gemeente stelt in het Besluit vast wie in aanmerking kan komen voor een tegemoetkoming meerkosten en wat de hoogte daarvan is.
Verordening Sociaal Domein Urk
34
6.5 Eigen bijdrage 6.5.1 Wat is de eigen bijdrage? [Wmo]
1. De gemeente vraagt voor een aantal voorzieningen aan de inwoner een eigen bijdrage. Dat is het geval bij hulp-op-maat voor: • Het schoon en leefbaar houden van een woning (hulp in de huishouding). • Het aanpassen of gebruik kunnen maken van een woning (woonvoorzieningen). • Het op een verantwoorde manier kunnen deelnemen aan de samenleving (persoonlijke begeleiding). • Een ingevulde dag hebben (dagactiviteiten). • Het zich kunnen verplaatsen dichtbij huis (niet voor een rolstoel). • Beschermd wonen en (maatschappelijke) opvang. 2. De bijdrage in de kosten is verschuldigd vanaf de maand waarin de hulp-op-maat feitelijk is geboden, geleverd, of gerealiseerd dan wel het persoonsgebonden budget toegekend. 3. De eigen bijdrage blijft verschuldigd als de inwoner tijdelijk geen gebruik maakt van de hulp-op-maat dan wel een persoonsgebonden budget. 4. De bijdrage voor (maatschappelijke) opvang wordt geïnd door de aanbieder die de opvang biedt. 5. De gemeente zorgt dat de wettelijke regels voor het vaststellen van een eigen bijdrage worden toegepast. De bijdrage is nooit meer dan de kostprijs. 6.5.2 Beschermd wonen [Wmo]
1. De inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor beschermd wonen met inachtneming van de toepasselijke regels van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (landelijk). 2. De bijdrage in de kosten is ook verschuldigd gedurende tijdelijke afwezigheid uit de accommodatie voor beschermd wonen.
Verordening Sociaal Domein Urk
35
7. Inkomen en schulden Voor inwoners die de dagelijkse kosten niet kunnen betalen bestaat een financieel vangnet. Dit is een maandelijkse bijstandsuitkering. Zij kunnen bij de gemeente een aantal aanvullende uitkeringen en toeslagen aanvragen. Deze zijn bedoeld om inwoners met een laag inkomen extra te helpen. In dit hoofdstuk staan de belangrijkste mogelijkheden. Ook staan er enkele basisregels voor de hulp die de gemeente kan bieden bij een schuldenprobleem. Kernwaarden: ➢ De eigen mogelijkheden en het sociaal netwerk van de inwoner gaan voor. ➢ De gemeente biedt een financieel vangnet. ➢ De gemeente stemt de hulp af op de inwoner. ➢ De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen. ➢ De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van de inwoner. ➢ Iedereen doet mee aan de samenleving. 7.1 Armoedebeleid [PW, Wgs, Gemeentewet]
Hier staat waar de gemeente rekening mee houdt bij het maken van beleid om armoede en schulden in de gemeente te voorkomen en tegen te gaan. 7.1.1 Wat wil de gemeente? 1. De gemeente wil dat inwoners met een laag inkomen en zonder goede financiële buffer hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen en kunnen meedoen aan de samenleving. 2. De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of schulden hebben hulp aan bij het op orde krijgen van hun financiën. Het doel van die hulp is dat inwoners een gezonde financiële huishouding krijgen en houden. 3. De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. De gemeente stimuleert initiatieven die zijn gericht op het bestrijden van armoede en het tegengaan van schulden. 4. De gemeente legt in een beleidsplan vast hoe het armoedebeleid voor een bepaalde periode ingevuld wordt. 5. Inwoners die het nodig hebben worden voldoende ondersteund. 6. De gemeente betrekt bij het maken van het armoedebeleid naast inkomen ook andere leefdomeinen, zoals onderwijs, maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. 7.2 Individuele inkomenstoeslag [PW]
De inkomenstoeslag is bedoeld voor inwoners die al jaren moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen. Het is een aanvulling op het inkomen dat 1 keer per 12 maanden kan worden aangevraagd. Hier staat beschreven voor welke inwoners de inkomenstoeslag is bedoeld, welke aanvullende voorwaarden er gelden en wat de hoogte van de toeslag is.
Verordening Sociaal Domein Urk
36
7.2.1 Doelgroep De inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd die: • In een periode van drie jaar een inkomen heeft gehad dat lager is dan 105% van de bijstandsnorm (waar bij de kostendelersnorm niet wordt toegepast); • Geen vermogen heeft boven het vrij te laten bedrag uit artikel 34 Participatiewet; • Geen uitzicht heeft op inkomensverbetering; en • In de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag niet eerder een individuele inkomenstoeslag is toegekend. 7.2.2 Hoogte van de toeslag 1. De inkomenstoeslag is per jaar: • € 420,00 voor een alleenstaande. • € 550,00 voor een alleenstaande ouder. • € 600,00 voor gehuwden of samenwonenden. 2. De inkomenstoeslag wordt aangevuld met € 50,00 per kind dat thuis woont en jonger is dan 18 jaar op het moment van de aanvraag. 3. Voor de vraag of het kind thuisinwonend is, is het Basisregistratie Personen bepalend. 4. Als bij gehuwden of samenwonenden één van de partners geen recht heeft op de inkomenstoeslag, dan krijgt de ander het bedrag dat geldt voor een alleenstaande of alleenstaande ouder. 7.3 Schuldhulpverlening [Wgs]
De gemeente heeft de taak om inwoners met schuldproblemen te helpen. Inwoners van 18 jaar en ouder kunnen daarom de gemeente om hulp vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. Hieronder zijn de belangrijkste uitgangspunten genoemd die de gemeente toepast als inwoners om hulp vragen. 7.3.1 Samenwerking en toegang 1. De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden opbouwen. 2. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen bij het vinden van een oplossing voor schulden. 3. De gemeente informeert inwoners over de hulp die zij kan aanbieden en zorgt ervoor dat die hulp ook echt beschikbaar is. 4. De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op die regel is de inwoner die geen geldige verblijfstitel heeft. Een verblijfstitel blijkt uit een geldig identiteits- of verblijfsdocument. 7.3.2 Integrale schuldhulpverlening 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die hulp kan krijgen bij het oplossen van schulden, die hulp zo snel mogelijk krijgt. 2. De gemeente zorgt ervoor dat het eerste gesprek (waarin de hulpvraag wordt vastgesteld) plaatsvindt binnen vier weken na de schriftelijke of mondelinge hulpvraag of melding.
Verordening Sociaal Domein Urk
37
3. Binnen een periode van acht weken na het eerste gesprek wordt door de gemeente de beschikking afgegeven met de toegang tot de schuldhulpverlening met het plan van aanpak of de weigering tot schuldhulpverlening. 4. De beschikking, genoemd in lid 2, behoeft niet te worden afgegeven als de inwoner in het eerste gesprek, genoemd onder één, aangeeft geen gebruik te willen maken van de schuldhulpverlening. 7.3.3 Vroegsignalering 1. De gemeente verwerkt de meldingen van 5 signalen van betalingsachterstanden en biedt de inwoner daarop schuldhulpverlening om (problematische) schulden te voorkomen. 2. De gemeente verwerkt de signalen van betaalachterstanden van huur, zorgverzekering, water, elektra en gas.
Verordening Sociaal Domein Urk
38
8. Afspraken tussen inwoner en gemeente Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als de inwoner rechten heeft, dan staan daar vaak plichten tegenover. Houdt de inwoner daar onvoldoende rekening mee? Dan kan de gemeente de uitkering of voorziening beëindigen, terugvorderen of verlagen. Kernwaarden: ➢ De gemeente en de inwoner zijn gelijkwaardige partners. ➢ De eigen mogelijkheden en het sociaal netwerk van de inwoner gaan voor. ➢ De inwoner is zelf verantwoordelijk. De gemeente helpt als dat nodig is. ➢ De inwoner geeft de informatie die nodig is. 8.1 Hoe gaan we met elkaar om? 8.1.1 De rol van de gemeente [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb]
1. De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een gelijkwaardige manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende: • Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk. • De inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek bij de gemeente of bij de inwoner thuis. • De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie. • De website van de gemeente voldoet aan erkende kwaliteitseisen. • Er zijn eenvoudige aanvraagformulieren beschikbaar voor de inwoner die een uitkering of voorziening nodig heeft en wil aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn. • De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd. De gemeente zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn. • De gemeente respecteert de privacy van de inwoner. • De gemeente maakt zoveel mogelijk gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn. De gemeente vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag. • De gemeente wijst de inwoner op beschikbare deskundige hulp. 2.
De gemeente reageert op een professionele manier op gedrag van de inwoner dat niet door de beugel kan. De gemeente zorgt voor het volgende: • De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over: - Zijn rechten en plichten. - Wat er van hem wordt verwacht. - Welk gedrag niet deugt. - Wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt. - Waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt.
Verordening Sociaal Domein Urk
39
• De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren. • De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij: - De ernst van het gedrag. - De mate waarin dat de inwoner verweten kan worden. - De persoonlijke situatie van de inwoner. • De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag. Ook staat erin wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet). 8.1.2 De rol van de inwoner [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb]
1. De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociaal netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende: • De inwoner zet eerst de eigen mogelijkheden in voordat hij ondersteuning vraagt aan de gemeente. • Als de gemeente hulp verleent werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn probleem. • De inwoner zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is. 2. De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende: • De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. Dit geldt ook als de ondersteuning al is toegekend. • De gemeente ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft zo snel mogelijk van de inwoner. • De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen, als die van belang zijn in het contact met de gemeente. 8.2 Afspraken en verplichtingen voor inwoners met een uitkering [PW, IOAW,IOAZ, Awb]
Een inwoner met een uitkering van de gemeente heeft rechten maar ook plichten. Als de inwoner deze verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, dan kan de gemeente de uitkering verlagen. 8.2.1 Besluit om de uitkering te verlagen 1. Voordat de gemeente besluit om de uitkering te verlagen, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn mening te geven. De inwoner kan dat op de volgende manier doen: • Telefonisch. • Schriftelijk. • Via e-mail. • Mondeling tijdens een gesprek met een medewerker.
Verordening Sociaal Domein Urk
40
2. De gemeente maakt de beslissing om de uitkering te verlagen per brief aan de inwoner bekend. In deze brief staat in ieder geval: • De reden van de verlaging. • De omvang van de verlaging. • De duur van de verlaging. • De ingangsdatum van de verlaging; en • Waarom de gemeente afwijkt van de standaard verlaging, als dat het geval is. 8.2.2 Geen verlaging 1. De gemeente kan een schriftelijke waarschuwing geven of volledig afzien van een verlaging. In beide gevallen wordt er feitelijk geen verlaging toegepast maar de waarschuwing telt wel mee bij een eventuele herhaling (recidive) en als volledig wordt afgezien van een verlaging dan telt deze niet mee bij een eventuele herhaling (recidive). 2. De gemeente kan een schriftelijke waarschuwing geven als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn of als er sprake is van geringe verwijtbaarheid. 3. De gemeente ziet volledig af van een verlaging als: • Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. • Er meer dan 12 maanden ligt tussen het gedrag van de inwoner en het moment waarop de gemeente het gedrag heeft vastgesteld. 4. De gemeente informeert de inwoner met een brief over de schriftelijke waarschuwing of de beslissing om volledig af te zien van een verlaging. 8.2.3 Berekening verlaging en maatwerk 1. De verlaging is een percentage van de uitkeringsnorm die van toepassing is op de inwoner.
Krijgt de inwoner bijstand dan gaat het om de bijstandsnorm. Krijgt de inwoner een IOAW- of IOAZ uitkering, dan is het de netto grondslag uit de IOAW of IOAZ. 2. De verlaging wordt berekend over de uitkeringsnorm die geldt in de periode waarover de uitkering wordt verlaagd. 3. Ontvangt de inwoner maandelijks bijzondere bijstand? Dan kan de gemeente de bijzondere bijstand verlagen met een percentage van de bijzondere bijstand. Gaat het om eenmalige bijzondere bijstand? Dan kan de gemeente die bijstand weigeren als de bijstand nodig is vanwege verwijtbaar gedrag van de inwoner. 4. De in deze verordening genoemde percentages gelden als uitgangspunt. De uiteindelijke verlaging wordt afgestemd op: • De ernst van het gedrag van de inwoner. • De mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden; en • De persoonlijke situatie van de inwoner. 8.2.4 Ingangsdatum en periode verlaging 1. De verlaging gaat niet eerder in dan de eerste van de maand volgend op de datum dat het gedrag van de inwoner heeft plaatsgevonden tot uiterlijk 12 maanden nadat het gedrag zich heeft voorgedaan. 2. Als de uitkering tijdens die periode wordt beëindigd, dan kan de verlaging niet volledig worden uitgevoerd. De gemeente legt dan het overgebleven deel van de verlaging alsnog op als de inwoner binnen twaalf maanden na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen.
Verordening Sociaal Domein Urk
41
8.2.5 Samenloop van gedragingen 1. Als één gedraging een schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18 lid 4 van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2. Als meerdere gedragingen een schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18 lid 4 van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of, als dat niet mogelijk is, na elkaar opgelegd. Dit geldt ook voor gedragingen van afzonderlijke inwoners die gezamenlijk een uitkering als gehuwden ontvangen. 8.2.6 Herhaling verwijtbaar gedrag (recidive) 1. Van recidive is sprake als een inwoner binnen 12 maanden na het verlagingsbesluit of waarschuwing opnieuw een verplichting schendt die in deze verordening of artikel 18 lid 4 van de Participatiewet wordt genoemd. 2. Bij de eerste recidive wordt de duur van de verlaging 2 maanden. 3. Bij recidive binnen twaalf maanden na het vorige recidivebesluit wordt de duur van de verlaging drie maanden.
8.2.7 Verlaging verdelen over meerdere maanden Bij een verlaging van 100% van 1 maand, kan de gemeente, als bijzondere omstandigheden zoals een huurschuld, huisuitzetting of WSNP dit rechtvaardigen, de verlaging verdelen over twee of drie maanden. 8.2.8 Inkeerregeling Als de verlaging langer dan 1 maand duurt kan de inwoner de gemeente schriftelijk verzoeken om de verlaging te herzien, zodra overduidelijk blijkt, dat de inwoner zijn verplichtingen alsnog nakomt. 8.2.9 Niet nakomen wettelijke (geüniformeerde) arbeidsverplichtingen 1. In artikel 18 lid 4 van de Participatiewet zijn geüniformeerde verplichtingen opgenomen. Deze verplichtingen gelden voor iedereen met een bijstandsuitkering. In de wet is ook de hoogte en de duur van de verlaging geregeld. Alleen voor de volgende situaties dient de gemeente in de verordening de duur van de verlaging vast te stellen. 2. Als de inwoner een geüniformeerde verplichting uit artikel 18 lid 4 van de Participatiewet niet voldoende nakomt dan verlaagt de gemeente de bijstandsuitkering 1 maand, 3. Als de inwoner binnen twaalf maanden na het eerdere verlagingsbesluit opnieuw een geüniformeerde verplichting niet nakomt, dan verlaagt de gemeente de bijstandsuitkering met 2 maanden. 8.2.10 Niet nakomen andere arbeidsverplichtingen en tegenprestatie 1.
De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 50% van de uitkeringsnorm, als de inwoner: • Niet voldoende probeert om werk te vinden. • Niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak.
Verordening Sociaal Domein Urk
42
•
Niet voldoende meewerkt aan het afleggen van een taaltoets als bedoeld in artikel 18b van de Participatiewet. • Niet voldoende een door de gemeente opgedragen tegenprestatie uitvoert. • Een alleenstaande ouder is en niet wil meewerken aan activiteiten om de kans op werk te vergroten waardoor de gemeente de ontheffing van de arbeidsplicht uit artikel 9a lid 1 van de Participatiewet heeft ingetrokken. 2. De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 50% van de uitkeringsnorm als de inwoner: • Niet voldoende probeert om werk te vinden. • Niet voldoende gebruik maakt van een door de gemeente aangeboden voorziening. • Niet voldoende meewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken. • Niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak. • Door zijn houding of gedrag moeilijker aan het werk komt. • Niet voldoende een door de gemeente opgedragen tegenprestatie uitvoert. • Een alleenstaande ouder is en niet wil meewerken aan activiteiten om de kans op werk te vergroten waardoor de gemeente de ontheffing van de arbeidsplicht uit artikel 38 lid 2 van de IOAW of IOAZ heeft ingetrokken. 3.
De gemeente kan de IOAW- of IOAZ-uitkering blijvend of tijdelijk weigeren naar de mate waarin de inwoner inkomen als bedoeld in artikel 8 van de IOAW of IOAZ had kunnen verwerven als de inwoner: • Door eigen schuld ontslagen wordt of ontslag neemt. • Nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of • Door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt. 8.2.11 Te weinig besef van verantwoordelijkheid Toont de inwoner te weinig besef van verantwoordelijkheid dan verlaagt de gemeente de bijstandsuitkering. Als het benadelingsbedrag lager is dan de bijstandsuitkering is de verlaging gelijk aan a het benadelingsbedrag. Als het benadelingsbedrag gelijk aan of hoger is dan de bijstandsuitkering, b 100% wordt de bijstandsuitkering een maand verlaagd met: Als er sprake is van verwijtbaar ontslag waardoor de inwoner bijstand nodig c 100% heeft, wordt de bijstandsuitkering een maand verlaagd met: Als de gemeente de hoogte van het benadelingsbedrag niet kan vaststellen, d 100% wordt de bijstandsuitkering een maand verlaagd met: Als door te weinig besef van verantwoordelijkheid beslag ligt op het inkomen e dan kan de bijzondere bijstand worden verlaagd met de omvang van de draagkracht die anders van toepassing was geweest.
Verordening Sociaal Domein Urk
43
8.2.12 Onacceptabel gedrag Gedraagt de inwoner zich onacceptabel tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren? Dan verlaagt de gemeente de uitkering van de inwoner voor de duur van 1 maand het volgende gedrag: a Verbaal geweld, zoals schreeuwen, uitschelden of beledigen. 20% b Discriminatie.
50%
c
50%
Geweld tegen spullen, zoals vernieling of beschadiging van goederen.
d Intimidatie.
50%
e Geweld tegen een persoon, zoals het bespugen of verwonden van iemand. 100% f
Een combinatie van deze vormen van agressie.
g Andere vormen van agressie.
100% 100%
8.2.13 Niet nakomen van andere verplichtingen Komt de inwoner een opgelegde verplichting uit artikel 55, 56a of 57 van de Participatiewet niet voldoende na? Dan verlaagt de gemeente de uitkering. 1. De verlaging is 20% van de uitkeringsnorm voor 1 maand als het gaat om een verplichting: • Die gericht is op werk. • Die verband houdt met aard en doel van de bijstand. • Om mee te werken aan een noodzakelijke medische behandeling. • Om mee te werken aan het ontzorgen (artikel 56a Participatiewet). • Om mee te werken dat de gemeente uit naam van de inwoner noodzakelijke betalingen verricht (artikel 57 Participatiewet). 2. Gaat het om een verplichting die gericht is op vermindering van de bijstand? Dan is de verlaging 40% van de uitkeringsnorm voor 1 maand. 3. Gaat het om een verplichting die gericht is op beëindiging van de bijstand? Dan is de verlaging 100% van de uitkeringsnorm voor 1 maand. 8.2.14 Verrekening boete inburgering met de uitkering De gemeente kan de bestuurlijke boete die op grond van de wet aan de inburgeringsplichtige is opgelegd, verrekenen met de algemene bijstandsuitkering. Onder verrekenen wordt in dit artikel verstaan verrekenen zoals geregeld in artikel 4.93 van de Awb. De gemeente houdt hierbij rekening met een fictieve draagkracht van 5 procent van de bijstandsnorm die van toepassing is, inclusief vakantietoeslag.
8.3 Intrekken, herzien en terugvorderen voorziening 8.3.1 Intrekken, herzien voorziening [Jeugdwet, Wmo, IOAW, IOAZ, WGS]
1. De gemeente kan een voorziening (hulp-op-maat of pgb) intrekken of herzien als: • De voorziening niet langer passend of nodig is.
Verordening Sociaal Domein Urk
44
•
De inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden. • De voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner. • De gemeente niet langer kan vaststellen of een voorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening. • De voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld. • De inwoner niet binnen 3 maanden gebruik heeft gemaakt van de voorziening, tenzij hem dat niet te verwijten is. 2. De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken). 8.3.2 Terugvordering voorziening [Wmo, Jeugdwet, Burgerlijk Wetboek]
De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Dat kan in ieder geval vanaf het moment waarop is voldaan aan 1 of meer van de intrekkingsgronden die genoemd worden in 8.3.1. 8.4 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen? 8.4.1 Controle [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
1. De gemeente controleert regelmatig of de inwoner recht heeft op een uitkering of voorziening. De gemeente controleert ook of hij de juiste uitkering of voorziening heeft aangevraagd of ontvangt. De gemeente kan daarvoor gebruik maken van: • Huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet. • Heimelijke waarnemingen: de gemeente laat of kan gegevens verzamelen over de inwoner zonder dat de inwoner hierover vooraf is geïnformeerd. Dat verzamelen gebeurt bijvoorbeeld door buurtonderzoek of observaties. • Bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten. • Signalen en tips die bij de gemeente binnenkomen. • Andere passende onderzoeksmethoden, zoals het cliënt ervaringsonderzoek. 2. De controle van de voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt. 3. Bij de controle van uitkeringen en voorzieningen zorgt de gemeente ervoor dat de regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten worden nageleefd. 4.
Verzoekt de inwoner om beëindiging van de uitkering of voorziening? Dan onderzoekt de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is gegeven.
Verordening Sociaal Domein Urk
45
8.4.2 Voorkomen van fraude [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente streeft ernaar om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten. Ook informeert de gemeente over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen. 8.4.3 Beleidsplan en uitvoeringsprogramma [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
1. De gemeente stelt periodiek een beleidsplan vast. In dat plan legt de gemeente vast hoe zij fraudebestrijding aanpakt en ervoor zorgt dat inwoners zich zo goed mogelijk aan de regels houden (handhaving). 2. In het beleidsplan staat in ieder geval: • Wat de gemeente precies met fraudepreventie bedoelt. • Wanneer en hoe de gemeente inwoners informeert over rechten en plichten (voorlichting). • Welke onderzoeksmethoden wanneer kunnen worden ingezet. • Hoe de gemeente samenwerkt met andere organisaties om fraude tegen te gaan. 3. De gemeente stelt ieder kalenderjaar een uitvoeringsprogramma vast. Deze is gekoppeld aan het beleidsplan. In een uitvoeringsprogramma staat of de gestelde doelen van het afgelopen jaar zijn gehaald en de redenen waarom dat wel of niet is gebeurd. 8.4.4 Privacy [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
1 2
De gemeente kan protocollen opstellen voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast. Het gaat in ieder geval om een protocol voor huisbezoeken. Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.
8.4.5 Toezichthouders [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Awb]
De gemeente wijst 1 of meer toezichthouders aan die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.
Verordening Sociaal Domein Urk
46
9.
Inspraak en cliëntenparticipatie
Het beleid dat de gemeente maakt en uitvoert is bedoeld voor de inwoners. Met de ervaringen van de inwoners kan de gemeente haar beleid als het nodig is aanpassen en verbeteren. In dit hoofdstuk staat hoe inwoners hun invloed kunnen uitoefenen. Dat wordt inspraak genoemd. Ook is geregeld dat er een Adviesraad Sociaal Domein is en is de taak van deze adviesraad beschreven. Ten slotte is hier ook geregeld op welke manier inwoners met leveranciers, zoals zorgaanbieders, kunnen overleggen over diensten en producten die bedoeld zijn voor de inwoners die ondersteuning nodig hebben. Kernwaarden: ➢ De gemeente en de inwoner zijn gelijkwaardige partners. ➢ De gemeente en de inwoner gaan zorgvuldig met elkaar om. 9.1 Inspraak van inwoners [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet]
1. De gemeente kiest ervoor om inwoners inspraak te geven in de onderwerpen die in deze verordening worden geregeld. De regels van de Inspraakverordening gemeente Urk 2014 zijn daarop van toepassing. Deze worden aangevuld met de regels in dit hoofdstuk. Inwoners kunnen inspraak hebben bij: • plannen voor beleid en regels • de manier waarop de gemeente beleid en regels uitvoert • de manier waarop medewerkers van de gemeente omgaan met inwoners (bejegening) • de manier waarop zorgaanbieders en leveranciers hun taken uitvoeren 2. Inspraak houdt ook in het doen van voorstellen voor ander beleid, andere regels of een andere uitvoering. 3. De gemeente kan inwoners op de volgende manieren inspraak geven: • via de Adviesraad Sociaal Domein • door inwoners te raadplegen, bijvoorbeeld met vragenlijsten en bijeenkomsten • door samen met inwoners een plan te ontwerpen 4. De gemeente kiest die vorm van inspraak die past bij het onderwerp en bij de groep die het betreft. 9.2 Ondersteuning van de gemeente bij inspraak [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
• De gemeente zorgt voor goede inspraak en doet dat op de volgende manieren: • Het moment waarop inspraak kan worden gegeven, geeft inwoners voldoende mogelijkheid om invloed te hebben op plannen van de gemeente over beleid, regels of de uitvoering daarvan. • De inwoners worden deskundig ondersteund, zodat de inspraak volwaardig is. • De inwoners kunnen deelnemen aan overleg met de gemeente over kernwaarden, beleid, regels en de uitvoering daarvan. • De inwoners krijgen op tijd en voldoende informatie om goede inbreng te kunnen geven. 9.3 Adviesraad Sociaal Domein [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
Verordening Sociaal Domein Urk
47
1. Er is een adviesraad die een afspiegeling vormt van de verschillende groepen inwoners voor wie deze verordening iets regelt. De gemeente zet zich daarvoor in. Het doel van de gemeente om een adviesraad in te stellen is om inwoners inspraak te geven in het beleid, de regels en de uitvoering daarvan. 2. De adviesraad bestaat uit minimaal 6 leden en maximaal 9 leden. 3. De leden van de adviesraad zijn (ervarings)deskundig op het gebied van het Sociaal Domein en inwoners van de gemeente Urk. Leden van de adviesraad mogen geen lid zijn van de gemeenteraad, de gemeente of werkzaam bij gemeente Urk. Leden mogen geen zakelijke binding hebben met de gemeente Urk voor zover deze van invloed kan zijn op hun onafhankelijke positie. 4. De leden van de adviesraad kunnen kandidaten voordragen. 5. De leden van de adviesraad worden voor een periode van 4 jaar benoemd door de gemeente. 6. De adviesraad benoemt de voorzitter voor een periode van 4 jaar. 7. De adviesraad vergadert elk jaar ten minste 10 keer. 8. De gemeente heeft ten minste 4 keer per jaar contact met de adviesraad. 9. De gemeente evalueert elk jaar ten minste 1 keer met de adviesraad hoe de samenwerking gaat. Dan wordt ook besproken of de inspraak goed functioneert. 10.
De adviesraad brengt ieder jaar een evaluatieverslag uit aan de gemeente, deze bevat tenminste: het aantal uitgebrachte adviezen en op welke manier de adviesraad contact heeft gehad met de inwoners. 9.4 Taken en bevoegdheden adviesraad [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
1. De adviesraad maakt ervaringen, meningen en inzichten van inwoners die afhankelijk zijn van ondersteuning van de gemeente bekend aan de gemeente. 2. De adviesraad adviseert de gemeente over plannen om beleid, regels of de uitvoering daarvan bij te stellen. 3. De adviesraad zorgt ervoor dat adviezen op tijd worden gegeven. Zo kan de gemeente deze adviezen betrekken bij voorgenomen besluiten (binnen 6 weken na adviesvraag). 4. De adviesraad kan ongevraagd voorstellen doen aan de gemeente over verandering van beleid, regels of de uitvoering daarvan. 5. De gemeente neemt adviezen van de adviesraad over of wijst de adviezen gemotiveerd af. Gaat het om besluiten van de gemeenteraad? Dan worden het advies van de Adviesraad en de reactie van de gemeente aan de gemeenteraad gestuurd. Zo kan deze informatie bij de besluitvorming worden betrokken. 6. De adviesraad kan geen klachten, bezwaarschriften of andere onderwerpen bespreken die over individuele personen gaan. 7. De adviesraad en de gemeente kunnen zelf regels vaststellen over de manier waarop de adviesraad zijn werk doet. 8. De leden van de adviesraad zijn gehouden tot geheimhouding van alle informatie en beleidsstukken, die zij in hun hoedanigheid ontvangen. Deze geheimhoudingsplicht vervalt niet door beëindiging van het lidmaatschap van de Adviesraad Sociaal Domein.
Verordening Sociaal Domein Urk
48
9.5 Budget, vergoeding en voorzieningen [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
1. De leden van de adviesraad ontvangen per jaar € 500,00 als onkostenvergoeding. 2. De voorzitter en secretaris van de adviesraad ontvangen per jaar € 750,00 als onkostenvergoeding. 3. De gemeente zorgt ervoor dat de adviesraad gebruik kan maken van een vergaderruimte en van andere voorzieningen die nodig zijn om de taken goed uit te kunnen voeren. 4. De gemeente stelt een interne contactpersoon aan voor de adviesraad. 9.6 Inspraak bij aanbieders en leveranciers [Jeugdwet, Wmo]
Aanbieders en leveranciers zijn verplicht om inwoners die gebruik maken van hun diensten, inspraak te geven en daarover regels te maken.
Verordening Sociaal Domein Urk
49
10. Kritiek op de uitvoering De gemeente probeert beleid en regels zo goed mogelijk uit te voeren. Toch is het mogelijk dat inwoners het niet eens zijn met de aanpak. In dit hoofdstuk staan enkele regels over de mogelijkheid om een klacht in te dienen, vertrouwenspersoon spreken of bezwaar maken. Daarbij is aangesloten bij de visie op klachtbehandeling van de Nationale ombudsman. Kernwaarden: ➢ De gemeente en de inwoner zijn gelijkwaardige partners. ➢ De gemeente handelt professioneel en neemt de inwoner serieus. ➢ De gemeente helpt de inwoner om op een eenvoudige manier zijn mening te geven. 10.1 Doelen klacht- en bezwaarprocedure [Awb, Gemeentewet]
1. De gemeente ziet een klacht of bezwaar als: • Een stimulans om de hulpvraag van de inwoner nog eens te onderzoeken. • Een middel voor de inwoner om zijn mening kenbaar te maken. • Een mogelijkheid om de dienstverlening aan de inwoners te verbeteren. • Een manier om een vertrouwensbreuk te herstellen. • Een middel om fouten bij de uitvoering van wettelijke taken te repareren. 2. Heeft de inwoner een klacht of bezwaar ingediend? Dan krijgt hij de gelegenheid om zijn klacht of bezwaar mondeling toe te lichten. Dit gebeurt niet als het voor de gemeente overduidelijk is dat een mondelinge toelichting geen enkele zin heeft. 3. De inwoner kan kritiek op de uitvoering van wettelijke taken door de gemeente uiten via een eenvoudige klachten- en bezwaarprocedure. 4. De gemeente zorgt ervoor dat klachten en bezwaren zo snel mogelijk worden afgehandeld, binnen de wettelijke termijnen. 5. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend zich gehoord voelt. 10.2 Klachtenfunctionaris gemeente [Awb, Gemeentewet]
1. De gemeente heeft een klachtenfunctionaris. De inwoner kan bij deze klachtenfunctionaris een klacht indienen over: • Het gedrag van medewerkers en de behandeling van de inwoner. • De manier waarop de gemeente meldingen en aanvragen heeft afgehandeld. • De manier waarop de gemeente voorzieningen en diensten heeft uitgevoerd. 2. De gemeente regelt hoe een klacht kan worden ingediend en hoe de klachtenprocedure verloopt. 10.3 Klachten over andere personen of organisaties [Awb]
1. Heeft de inwoner een klacht over het gedrag van een persoon of organisatie die door de gemeente is ingehuurd? Dan moet hij zijn klacht eerst indienen bij die persoon of organisatie. Die persoon of organisatie moet een klachtenregeling hebben. 2. Is de inwoner niet tevreden over de manier waarop de klacht door persoon of organisatie is afgehandeld? Dan kan de inwoner een klacht indienen bij de gemeente.
Verordening Sociaal Domein Urk
50
3. Is de inwoner geraakt door geweld of ander strafbaar gedrag van personen of instanties die de gemeente heeft ingehuurd? Dan kan de inwoner dit melden bij de gemeente. De gemeente regelt hoe die melding wordt behandeld. 10.4 Bezwaar [Awb]
1. Is de inwoner het niet eens met een besluit dat is genomen op grond van de genoemde wetten en van deze verordening? Dan kan de inwoner daartegen bezwaar maken volgens de regels die zijn beschreven in de Verordening commissie Bezwaarschriften. 2. Voordat de gemeente een besluit op een bezwaarschrift neemt, nodigt de medewerker de inwoner uit voor een gesprek om het bezwaar te bespreken. Tijdens het gesprek vraagt de gemeente de inwoner om haar visie te vertellen. Aan de hand daarvan geeft de gemeente uitleg over het besluit en probeert tot overeenstemming te komen. Het kan ervoor zorgen dat de inwoner het bezwaar intrekt of dat de gemeente een ander besluit neemt. 3. Als er geen overeenstemming is wordt het bezwaar voorgelegd aan de commissie bezwaarschriften. De commissie bezwaarschriften hoort en adviseert de gemeente. 4. De gemeente neemt hierna een beslissing op het ingediende bezwaar. Daarmee is het bezwaar afgehandeld.
Verordening Sociaal Domein Urk
51
11. Kwaliteit en aanbesteding De diensten en producten die de gemeente levert, moeten van goede kwaliteit zijn. Diensten moeten aansluiten bij de behoefte van de inwoner. Producten moeten degelijk zijn en goed bruikbaar voor de inwoner. De gemeente moet zich bij de inkoop van diensten en producten aan bepaalde regels houden. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten en producten.
Kernwaarden: ➢ Diensten en producten van de gemeente zijn kwalitatief goed. Ze passen bij de behoefte van de inwoner. ➢ De gemeente handelt professioneel en neemt de inwoner serieus. ➢ De gemeente werkt efficiënt en doelgericht. ➢ De gemeente stemt de hulp af op de inwoner.
11.1 Kwaliteit [Jeugdwet, Wmo, Gemeentewet]
1. Alle diensten en producten die de gemeente in het kader van deze verordening aanbiedt moeten van goede kwaliteit zijn. 2. De diensten en producten: • Passen bij de behoefte en persoonlijke situatie van de inwoner. • Zijn veilig, geschikt en bruikbaar voor de inwoner. • Voldoen aan normen en eisen die door de beroepsgroep of in het vakgebied algemeen zijn aanvaard en respecteren de rechten van de inwoner. • Worden afgestemd op andere diensten of producten die aan de inwoner worden geleverd. • Worden geleverd volgens een bepaalde opzet die op tijd aan de inwoner wordt meegedeeld.
11.2 Inkoop en aanbesteding [Jeugdwet, Wmo, Gemeentewet]
1. De gemeente zorgt ervoor dat de kwaliteit van de diensten en producten in het kader van deze verordening een belangrijke rol speelt bij de inkoop en de aanbesteding. 2. Bij inkoop en aanbesteding verwacht de gemeente van leveranciers dat zij: • Diensten en producten leveren tegen de door hen berekende kostprijs. De kwaliteit en de levering komen daarbij niet in gevaar. • Als zij personeel hebben, dat zij zich houden aan de regels van het arbeidsrecht.
Verordening Sociaal Domein Urk
52
3. De gemeenten besteedt in aanbestedingen aandacht aan de AmvB reële prijs. De gemeente houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven rekening met de volgende kostprijselementen: • De kosten van de beroepskracht. • Redelijke overheadkosten. • Kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg • Reis en opleidingskosten • Indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst. • Overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.
Verordening Sociaal Domein Urk
53
12. Ontwikkeling en overgangsrecht [Awb, Gemeentewet] In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. Hier wordt geregeld dat de Verordening Sociaal Domein 2022 vervangen wordt door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat de gemeente bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder invullen, dat met regelmaat beoordeeld wordt of de verordening nog goed werkt, wat de officiële naam is van deze verordening en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is. Kernwaarden: ➢ De gemeente handelt professioneel en neemt de inwoner serieus. ➢ De gemeente werkt efficiënt en doelgericht. ➢ De gemeente stemt de hulp en ondersteuning af op de inwoner. 12.1 Onderzoek naar de werking van de verordening De gemeente onderzoekt met een zekere regelmaat of de verordening voldoende bijdraagt aan de doelen die de gemeente wil bereiken. Om dat te kunnen nagaan verzamelt de gemeente systematisch informatie over alles wat van belang is om tot een goede evaluatie te komen. De gemeente houdt zich daarbij aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De gemeenteraad past de verordening aan als dat nodig is. 12.2 Uitvoeringsregels De gemeente kan uitvoeringsregels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Deze uitvoeringsregels kunnen de vorm hebben van een besluit of beleidsregels.