CConstaterende datUrk
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening Sociaal Domein Urk 2024 (publicatie 2025)

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente UrkBij agendapunt: Verordening Sociaal Domein 202422.274 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verordening Sociaal Domein Urk 2024

Ingaande per 1 januari 2024 tot herroepen

Inhoudsopgave

1. Inleiding verordening sociaal domein Urk…………………………………………….3 2. De hulpvraag………………………………………………………………………………..6 3. Werk en Participatie………………………………………………………………………11 4. Gezond en veilig opgroeien……………………………………………………………..23 5. Wonen en meedoen in de samenleving…….…………………………………………27 6. De vorm van de hulp……………………..….……………………………………………32 7. Inkomen en schulden……………………………………………………………………..36 8. Afspraken tussen inwoner en gemeente……………………………………………...39 9. Inwonersparticipatie………………………………………………………………………47 10. Kritiek op de uitvoering…………………………………………………………………..50 11. Kwaliteit, inkoop en aanbesteding……………………………………………………..52 12. Ontwikkeling en overgangsrecht……………………………………………………….54 13. Begrippenlijst………………………………………………………………………………56 14. Bijlage: Richtlijn gebruikelijke hulp……………………………………………………61

Verordening Sociaal Domein Urk

2

1. Inleiding verordening sociaal domein Urk In deze verordening vindt u de regels en afspraken die zijn gemaakt binnen het sociaal domein. U kunt lezen wat u van de gemeente Urk kunt verwachten, maar u leest ook wat gemeente Urk van u verwacht. In deze inleiding vindt u informatie over onze uitgangspunten en doelen. In deze verordening staan gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen: • Werken en participeren. • Uitkeringen. • Schuldhulpverlening. • Gezond en veilig opgroeien. • Voldoende zelfredzaam kunnen zijn. • Voldoende maatschappelijk kunnen participeren. • Wonen en meedoen in de samenleving. 1.1 Waarom deze regels? In Nederland vinden we het belangrijk dat: • Mensen mee kunnen doen aan de samenleving of aan het werk kunnen gaan. • Mensen een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen. • Mensen hun financiën op orde hebben. • Mensen zoveel mogelijk kijken naar wat ze zelf kunnen (samen met het sociaal netwerk) om zichzelf te redden. • Mensen voor zichzelf kunnen zorgen. • Mensen een geschikte en schone woning hebben waarin zij kunnen wonen. • Ouders zelfstandig voor hun kinderen kunnen zorgen. • Jeugdigen gezond en veilig kunnen opgroeien. • Jeugdigen voldoende zelfredzaam kunnen zijn. • Jeugdigen voldoende maatschappelijk kunnen participeren. Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen.

De volgende wetten helpen hierbij: • Algemene wet bestuursrecht (Awb). • Burgerlijk Wetboek (BW) • Gemeentewet. • Jeugdwet (Jw). • Participatiewet (PW). • Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs). • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW). • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). • Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Deze regels zijn vastgesteld door de gemeenteraad.

Verordening Sociaal Domein Urk

3

1.2 Uitgangspunten De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De regels: • Zijn bedoeld om de bovengenoemde doelen bij 1.1 te realiseren en knelpunten van inwoners op te lossen. • Zijn goed leesbaar. • Regelen niet meer dan nodig is. • Houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk. • Kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners. • Zijn onderling afgestemd op elkaar. • Respecteren de wettelijke regels, maar geven daar wel een invulling aan die nodig is om de doelen van de wetgever te realiseren of belangrijke internationale regels na te komen. 1.3 Kernwaarden Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente Urk rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. Dat is ook zo vastgelegd in het Beleidsplan Sociaal Domein Urk. Dat is de lokale basis voor deze verordening. In dit Beleidsplan is als visie benoemd: “Op Urk is de basis op orde. We passen op elkaar. Helpen waar nodig. En blijven in verbinding.” De grondgedachte is dat de vraag van de inwoner en zijn eigen mogelijkheden centraal staat. Wat kan de inwoner zelf, wat is zijn eigen kracht en verantwoordelijkheid? Iedere inwoner kan naar eigen vermogen op maximaal niveau, meedoen aan de samenleving. De hulp die wordt geboden is integraal.

Goed is goed genoeg is de gedachte die hierbij hoort. Dat wordt in deze verordening vastgelegd in kernwaarden. De volgorde van de kernwaarden is: 1. Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om de genoemde doelen te realiseren. 2. Inwoners zetten zich ervoor in om deze doelen te bereiken. 3. De gemeente stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor problemen. Dit zijn oplossingen zoals hulp van familie, vrienden en bekenden (het sociaal netwerk). De gemeente helpt waar het nodig is. 4. Kwetsbare groepen, zoals kinderen en inwoners met een beperking, hebben mogelijk extra hulp nodig om volwaardig mee te doen aan de samenleving. In elk hoofdstuk staat welke van deze en andere kernwaarden de basis van de regels vormen en welke rol zij spelen. In hoofdstuk 13 staat de uitleg van de begrippen die in deze verordening staan. 1.4 Artikel en wet Deze verordening is wettelijk gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Maar niet voor alle artikelen geldt dat in iedere wet daarover iets is terug te vinden. Dat verschilt per artikel. Per artikel is aangegeven op welke wettelijke regeling(en) een artikel is terug te voeren. Soms is een paragraaf of hoofdstuk helemaal gebaseerd op een of meerdere specifieke wettelijke regelingen. Dan staat dat bij het begin van die paragraaf of hoofdstuk.

Verordening Sociaal Domein Urk

4

Waar in deze verordening ‘Gemeentewet’ als grondslag wordt genoemd, wordt daarmee de algemene aanvullingsbevoegdheid van de gemeenteraad bedoeld (art. 121 Gemeentewet). Die maakt het mogelijk om aanvullende regels over bepaalde onderwerpen te maken. Bij een aantal artikelen wordt ook de ‘Awb’ genoemd (Algemene wet bestuursrecht). Deze wordt genoemd als er in de Awb specifieke bepalingen zijn die op het betreffende artikel van toepassing zijn. Daarover heeft de Awb iets bijzonders geregeld. Dit gaat dus verder dan de algemene toepasselijkheid van de Awb op besluiten die op grond van deze verordening worden genomen. 1.5 Van visie naar uitwerking Zoals aangegeven bij 1.3 wordt in het beleidsplan Sociaal Domein Urk de gemeentelijke visie benoemd. Deze visie is verwerkt in deze verordening, waarin verschillende vormen van hulp, regels voor kwaliteit en inspraak worden beschreven. In deze verordening wordt soms verwezen naar nadere regels, besluit of beleidsregels. Het opstellen en uitvoeren daarvan is een bevoegdheid van gemeente en is de verdere concretisering van de verschillende wetten, het beleidsplan en de verordening. Werkwijzen, procedures en criteria voor hulp worden hierin verder uitgewerkt.

Verordening Sociaal Domein Urk

5

2. De hulpvraag Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop een inwoner aan de gemeente hulp kan vragen als het gaat om één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. Hierin beschrijven wij hoe de inwoner een hulpvraag kan stellen, hoe de ondersteuning in zijn werk gaat en wat de inwoner van de gemeente mag verwachten maar ook wat de gemeente van de inwoner verwacht. Uitgangspunt is dat alle hulpvragen die de inwoner heeft in één keer kunnen worden gesteld en dat er één procedure is. Maar soms geldt voor bepaalde hulpvragen een bijzondere route. Dat wordt dan ook benoemd. Kernwaarden hulpvraag: ➢ De gemeente maakt hulp makkelijk bereikbaar. ➢ De gemeente zorgt voor voldoende basisvoorzieningen die vrij gebruikt mogen worden. ➢ De gemeente vraagt niet meer informatie dan nodig is. ➢ De gemeente gaat zorgvuldig om met de inwoner en zijn/haar vraag. ➢ De inwoner is zelf verantwoordelijk. De gemeente helpt als dat nodig is. ➢ De eigen mogelijkheden en het sociaal netwerk van de inwoner gaan voor. 2.1 Stap 1: Uw hulpvraag bij de gemeente Urk [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet]

2.1.1 Aanvraag jeugdhulp en bijstand Inwoners die hulp nodig hebben kunnen hulp aanvragen bij de gemeente. De inwoner doet de aanvraag voor jeugdhulp digitaal, via het aanmeldformulier op de website, www.urk.nl. Lukt dit niet? Dan kan contact opgenomen worden met cliëntondersteuning van Caritas. De cliëntondersteuner kan u helpen met de aanvraag voor hulp. Het formulier mag digitaal naar de gemeente worden gestuurd. Een melding om bijstand aan te vragen voor het levensonderhoud of een IOAW-uitkering kan alleen digitaal worden gedaan via www.werk.nl. Als dat echt niet lukt kan de inwoner telefonisch of via werkeninkomen@urk.nl om hulp vragen. De aanvraag voor een IOAZ-uitkering en een uitkering en/of bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) moeten bij het Zelfstandigenloket Flevoland worden gedaan. Wil de inwoner bijzondere bijstand aanvragen? Dat kan door te mailen met werkeninkomen@urk.nl, een aanvraagformulier wordt dan toegestuurd. 2.1.2 Melding hulpvraag Wmo Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. De inwoner doet deze melding digitaal, via het aanmeldformulier op de website, www.urk.nl. Lukt dit niet? Dan kan contact opgenomen worden met cliëntondersteuning van Caritas. De cliëntondersteuner kan u helpen met de melding voor hulp.

2.1.3 Doel en procedure Het doel van de aanvraag of melding is om de vraag van de inwoner te bespreken en te onderzoeken of hulp nodig is, en zo ja welke. De gemeente bevestigt de aanvraag of melding per brief of e-mail aan de inwoner en nodigt de inwoner daarbij uit voor een gesprek als dat nodig is. In die uitnodiging staat waar en wanneer het gesprek gepland is, wie er bij het gesprek aanwezig zijn en waarover het gesprek gaat. Ook vertelt de gemeente over de mogelijkheid om gratis ondersteuning te krijgen door een medewerker van Caritas (cliëntondersteuner).

Verordening Sociaal Domein Urk

6

2.1.4 Gegevens De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het onderzoek. Gaat het om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of krijgen? Dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde tijd aan te leveren of mee te nemen naar het gesprek. In de uitnodiging voor het gesprek staat welke gegevens dat zijn. 2.2 Stap 2: Onderzoek en beoordeling na de melding of aanvraag [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet]

2.2.1 Uitnodiging voor gesprek Als een gesprek nodig is met een medewerker van de gemeente krijgt de inwoner daar een uitnodiging voor. Het gesprek kan via de telefoon als dat voldoende is om een goed beeld te krijgen van wat de inwoner met zijn hulpvraag wil bereiken en van de persoonlijke situatie van de inwoner. De gemeente wijst de inwoner op de mogelijkheid om in bepaalde gevallen (bij de Wmo en Jeugdwet) zelf een plan op te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag. Dit noemen we een persoonlijk plan (Wmo) of familiegroepsplan (Jeugdwet). 2.2.2 Doel en procedure gesprek Het doel van dit persoonlijke gesprek is om een goed beeld te krijgen van het resultaat dat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. Bij de start van het eerste gesprek laat de inwoner zijn geldige identiteitsbewijs zien. Heeft de inwoner een persoonlijk plan gemaakt? Dan betrekt de medewerker dit bij het gesprek. Als de inwoner dat wil, kan hij iemand (bijvoorbeeld een familielid of onafhankelijk cliëntondersteuner) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn. In geval van de Jeugdwet wijst de gemeente de inwoner op de mogelijkheid om, zonder tussenkomst van derden, contact te hebben met een vertrouwenspersoon. 2.2.3 Inhoud onderzoek 1. De medewerker bespreekt met de inwoner welk resultaat hij wil bereiken.

In het gesprek onderzoekt de medewerker: • De behoefte aan hulp van de inwoner: wat is de hulpvraag precies? • De persoonlijke situatie van de inwoner; hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste resultaat? • De (on)mogelijkheden van de inwoner; (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem? • De omgeving van de inwoner; welke ondersteuning kan het sociaal netwerk, een algemeen toegankelijke voorziening of organisatie bieden? 2. De medewerker vertelt de inwoner over mogelijkheden om zijn persoonlijke situatie te verbeteren. Als hulp-op-maat van toepassing lijkt, vertelt de medewerker de inwoner over de mogelijkheden om te kiezen voor hulp in natura dan wel een persoonsgebonden budget (pgb) en welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn. 3. Als dat nodig is, betrekt de gemeente ook anderen bij het gesprek. Het kan dan gaan om deskundigen, iemand die de inwoner vertegenwoordigt, een mantelzorger(s) of familie. Krijgt de inwoner mantelzorg? Dan kijkt de gemeente of er maatregelen genomen moeten worden om die mantelzorger te ondersteunen.

Verordening Sociaal Domein Urk

7

4. Gaat het om jeugdhulp dan wordt het onderzoek gedaan onder de verantwoordelijkheid van een SKJ of BIG geregistreerde persoon. Deze persoon kijkt ook of er meer of een andere deskundigheid nodig is en schakelt de juiste deskundigheid in. De betrokken deskundigen worden vermeld in het verslag als bedoeld in 2.2.4. 2.2.4 Onderzoeksverslag [Jeugdwet, Wmo]

• •

•

•

Na het gesprek stuurt de medewerker de inwoner zo snel mogelijk een onderzoeksverslag. Hierin staan de uitkomsten van het onderzoek. Heeft de medewerker meer informatie nodig? Dan wordt de inwoner hierover geïnformeerd. De inwoner ondertekent het onderzoeksverslag en stuurt (per post of email) dit terug als de gemeente daar om vraagt. Is de inwoner het niet eens is met het verslag? Dan kan hij dat daarop aangeven. Gaat het onderzoeksverslag over de Wmo? Een door de inwoner ondertekent onderzoeksverslag geldt als aanvraag en kan digitaal naar de gemeente worden verstuurd. Verder geldt dan het onderzoeksverslag drie maanden geldig is.

2.2.5 Voorwaarden voor hulp-op-maat [Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs, Gemeentewet]

1. Vraagt de inwoner hulp-op-maat, dan kent de gemeente die hulp toe in de volgende situatie: • De hulp is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken. • De inwoner kan het gewenste resultaat niet op eigen kracht bereiken. Hij kan dit resultaat ook niet bereiken met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociaal netwerk of met behulp van andere voorzieningen of organisaties. • De hulp past bij het gewenste resultaat en de persoonlijke situatie van de inwoner. 2. Voor sommige vormen van hulp zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld. 3. De hulp-op-maat is niet luxer of duurder dan nodig is en duurt niet langer dan nodig is. De gemeente kiest voor de goedkoopste voorziening die nodig is om het probleem van de inwoner langdurig te verminderen of op te lossen. 4. De gemeente kan hulp-op-maat weigeren als de inwoner de hulpvraag had kunnen voorzien of had kunnen voorkomen. 5. De gemeente kan de hulp-op-maat weigeren als de inwoner onvoldoende meewerkt, waardoor de gemeente niet kan vaststellen of de voorziening noodzakelijk is. 2.2.6 Advisering [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb]

De gemeente kan om een onafhankelijk (deskundigen)advies vragen als dit nodig is voor het onderzoek of voor de beoordeling van de melding en/of aanvraag, bijvoorbeeld een medisch advies. Dit advies (deskundig oordeel) wordt betrokken bij de beoordeling van de aanvraag.

Verordening Sociaal Domein Urk

8

2.2.7 Beoordelen aanvraag [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb]

1. Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn. Het gaat bijvoorbeeld om gegevens over: • De vraag van de inwoner. • De (on)mogelijkheden en de persoonlijke situatie van de inwoner. • Medebewoners. • De mogelijkheden van het sociaal netwerk en/of vrij toegankelijke voorzieningen. 2. De gemeente volgt de volgende stappen om te bepalen of hulp gegeven wordt: • Stap 1: De gemeente stelt vast wat de hulpvraag van de inwoner is. • Stap 2: De gemeente stelt vast welke problemen, beperkingen en belemmeringen er precies zijn. • Stap 3: De gemeente bepaalt welke hulp nodig is en hoe veel. • Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen. Eventueel, al dan niet met gebruikelijke hulp, vrij toegankelijke voorzieningen, hulp van anderen uit het sociaal netwerk en van andere voorzieningen of organisaties. • Stap 5: De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste resultaat te bereiken. 3. De gemeente zet bij iedere stap de deskundigheid in die nodig is. Is er bijzondere deskundigheid nodig? Dan zet de gemeente die in. Voor de Jeugdwet is dat een SKJ of BIG-geregistreerde persoon. De gemeente vertelt de inwoner over welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt. 2.2.8 Beslistermijn [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb]

1. De gemeente beslist zo snel mogelijk nadat de aanvraag is ontvangen. De gemeente heeft hier officieel acht weken de tijd voor. Gaat het om een aanvraag in het kader van de Wmo? Dan beslist de gemeente binnen twee weken nadat de aanvraag is ontvangen. 2. Heeft de inwoner niet voldoende gegevens ingevuld? Of kan de gemeente de aanvraag niet binnen de termijn behandelen? Dan kan de beslistermijn schriftelijk worden opgeschoven. 2.3 Stap 3. Beslissing 2.3.1 Inhoud besluit [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb]

1. De gemeente stelt een besluit per brief vast en stuurt deze brief naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp wordt gegeven. Geeft de gemeente hulp? Dan staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een pgb, in geld of op een andere manier wordt gegeven. 2. Geeft de gemeente hulp in natura? Dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: • Wat de hulp inhoudt en waarvoor de hulp bedoeld is. • Wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt. • Hoe en door wie de hulp wordt gegeven. • Welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden. • Welke andere voorzieningen voor de inwoner van belang kunnen zijn.

Verordening Sociaal Domein Urk

9

3. Geeft de gemeente ondersteuning in de vorm van een pgb? Dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: • Waarvoor het pgb bedoeld is en welk resultaat bereikt moet worden. • Hoe hoog het pgb is en hoe dit berekend is. • Wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt. • Hoe de besteding van het pgb verantwoord wordt. • Welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden. • Welke andere voorzieningen voor de inwoner van belang kunnen zijn. 4. Geeft de gemeente hulp in de vorm van geld? Dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: • Voor welk doel het geld wordt gegeven. • Wanneer het geld wordt betaald. • Hoe vaak het geld wordt betaald. • Welke voorwaarden en verplichtingen er gelden. 5. De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een eventuele bijdrage in de kosten. 6. Besluit de gemeente geen hulp te geven? Dan zorgt de gemeente voor een deugdelijke onderbouwing. 2.4 Uitzonderingen 2.4.1 Jeugdhulp via wettelijke verwijzers [Jeugdwet, Awb]

1. De gemeente zorgt ervoor dat de jeugdige jeugdhulp van een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder krijgt als een wettelijk verwijzer (de huisarts, jeugdarts, medisch specialist) de jeugdige daarnaar doorverwijst of de gecertificeerde instelling of jeugdreclassering heeft bepaald welke hulp-op-maat nodig is. 2. De gemeente maakt afspraken met deze wettelijk erkende verwijzers over zulke doorverwijzingen en zorgt ervoor dat een overzicht van gecontracteerde jeugdhulpaanbieders beschikbaar is. Van wettelijk erkende verwijzers wordt verwacht dat zij bekend zijn met het gecontracteerde aanbod, zich hierover laten informeren en verwijzen naar het contracteerde aanbod 3. De gemeente stuurt alleen op verzoek van de inwoner een besluit over deze jeugdhulp. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente. 2.4.2 Spoedeisende gevallen [Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs]

1. In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is. De normale procedure wordt dan niet gevolgd. Het kan gaan om: • Het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen. • Een jeugdbeschermingstafel. • Het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp. • Het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning. • Schuldhulpverlening. • Het verstrekken van een voorschot op een uitkering die nog niet is toegekend. 2. Bij een spoedeisend geval kan de uitkomst van de normale procedure voor een aanvraag om hulp niet afgewacht worden.

Verordening Sociaal Domein Urk

10

3. Werk en Participatie De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een uitkering worden geholpen bij het vinden van passend werk als zij kunnen werken. Welke hulp dat kan zijn staat in dit hoofdstuk. De hulp die worden ingezet heten voorzieningen. Deze voorzieningen worden verdeeld over verschillende doelgroepen. De verdeling wordt vooral bepaald door de afstand tot de arbeidsmarkt van de inwoners. Met deze voorzieningen wil de gemeente Urk deelname aan de arbeidsmarkt mogelijk maken. Dit hoofdstuk gaat ook over de tegenprestatie die van inwoners kan worden gevraagd en over zelfstandige participatie aan de samenleving voor inwoners anders dan door betaald werk. Kernwaarden: ➢ De inwoner is zelf verantwoordelijk. De gemeente helpt als dat nodig is. ➢ De eigen mogelijkheden van de inwoner gaan voor. ➢ De inwoner wordt zo goed mogelijk naar betaald werk of participatie geleid. ➢ Betaald werk gaat voor onbetaald werk en inkomensondersteuning van de gemeente. ➢ De gemeente stemt de hulp af met en op de inwoner. ➢ Iedereen doet mee aan de samenleving. ➢ De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen. ➢ De gemeente maakt de aansluiting tussen uitkering en werk gemakkelijker. 3.1 Doelgroep [PW, IOAW, IOAZ]

De gemeente helpt de volgende inwoners op weg naar werk: a. Inwoners met een gemeentelijke uitkering die nog niet zelf betaald werk kunnen vinden. b. Inwoners met een Indicatie banenafspraak. Zij staan vanuit het speciaal onderwijs of op basis van de ‘Beoordeling arbeidsvermogen’ ingeschreven in het Doelgroepenregister bij het UWV. c. Inwoners die geen aanspraak kunnen maken op inkomen of arbeidsre-integratie op basis van een wet of regeling die door andere instanties zoals het UWV, SVB of werkgevers worden uitgevoerd. Zogeheten niet-uitkeringsgerechtigden. d. Jongeren tot 27 jaar die geen werk en geen startkwalificatie hebben (geen havo of vwodiploma of mbo-diploma vanaf niveau 2). De gemeente helpt hen om een passende opleiding of passend werk te vinden. e. Inwoners die moeten inburgeren. 3.2 Samenwerking [PW, IOAW, IOAZ]

1. De gemeente Urk werkt samen met Concern voor Werk om de inclusieve arbeidsmarkt vorm te geven. Er wordt samengewerkt op de volgende punten: • Arbeidsmarktbemiddeling en re-integratie; • Indicatie banenafspraak; • Beschut werk; • Het Werkgeverservicepunt ‘Urk Werkt’; • Social Return on Investment (SROI)

Verordening Sociaal Domein Urk

11

2. De gemeente Urk neemt deel aan het Regionaal Werkbedrijf Flevoland (RWF) om de samenwerking op het gebied van arbeidsmarkt binnen de regio te versterken. De deelnemers van het RWF zijn de 6 Flevolandse gemeenten, de provincie, het UWV en andere sociale partners. 3. Door het Werkgeverservicepunt ‘Urk Werkt’ biedt de gemeente Urk aan werkgevers ondersteuning om samen de inclusieve arbeidsmarkt vorm te geven. 4. De gemeente Urk neemt deel aan de Human Capital Agenda (HCA) regio Zwolle. 3.3 Algemene bepalingen over voorzieningen 1. De gemeente kan een voorziening weigeren als: a. de persoon onvoldoende medewerking verleent. Om een voorziening te kunnen aanbieden moet een onderzoek worden uitgevoerd; b. de persoon aanspraak kan maken op een andere voorziening, op basis van een andere wettelijke regeling. Dan is er een voorliggende voorziening; c. volgens de gemeente de voorziening niet gericht is op het verminderen van de afstand tot de arbeidsmarkt. d. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 2. De gemeente kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon zijn verplichtingen als bedoeld in de Participatiewet, de IOAW of IOAZ niet nakomt. b. de persoon niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon gaat werken waarbij geen gebruik meer wordt gemaakt van de voorziening.

Tenzij de inwoner behoort tot de uitzondering zoals beschreven in artikel 7 lid 1a sub 2 van de Participatiewet; d. de gemeente vindt dat de voorziening niet langer bijdraagt aan het verminderen van de afstand tot de arbeidsmarkt; e. de gemeente de voorziening niet meer geschikt vindt voor de persoon; f. de persoon niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of g. de persoon die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze verordening. 3. De gemeente kan de goedkoopst geschikte voorziening aanbieden. De gemeente houdt bij het aanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod intern af. Dit voor een optimale en integrale ondersteuning. De gemeente houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen. De gemeente neemt dit op in het plan van aanpak. 3.4 Voorzieningen bijzondere bepalingen – werk [PW, IOAW, IOAZ]

1. De gemeente beoordeelt per inwoner of de voorziening bijdraagt aan het verminderen van de afstand tot de arbeidsmarkt. De gemeente beoordeelt welke voorziening zij inzet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar factoren, zoals de afstand tot de arbeidsmarkt, de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen tot 5 jaar en de wettelijke verplichtingen. 2. Het doel van een voorziening is het vinden of behouden van betaald (passend) werk.

Verordening Sociaal Domein Urk

12

3.5 Voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ]

1. Voorzieningen die in ieder geval kunnen worden ingezet voor de inwoner met een korte afstand tot de arbeidsmarkt: a. Arbeidsbemiddeling. b. Kortdurende scholing (kan mede op advies van het Leerwerkloket) of praktijkleren. 2. Voorzieningen die, naast de voorzieningen genoemd onder 1, in ieder geval kunnen worden ingezet voor de inwoner met een grote afstand tot de arbeidsmarkt: a. Werkstage. b. Participatieplaats. c. Scholing voor maximaal 1 jaar en 6 maanden. d. Ondersteuning op de werkplek door een jobcoach. e. Beschut werk. f. Individuele Plaatsing en Steun. g. Tijdelijke loonkostensubsidie. h. Proefplaats. 3.6 Voorzieningen voor inwoners met de Indicatie banenafspraak 1. Inwoners met de Indicatie Banenafspraak hebben een grote afstand tot de arbeidsmarkt, voor hen kunnen onderstaande voorzieningen worden toegekend: a. Loonkostensubsidie Banenafspraak b. Loonkostensubsidie en ondersteuning Banenafspraak leer-werktraject c. Administratief proces loonkostensubsidie - Aanvraagproces loonkostensubsidie d. Proces persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen - Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen - Aanvraagproces persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen - Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen e.

Bijzondere bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk - Persoonlijke ondersteuning bij werk - Bijzondere voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk - Jobcoaching - Vergoeding voor de interne jobcoach - Vergoeding voor interne werkbegeleiding ofwel HARRIE f. Bijzondere bepalingen overige voorzieningen - Algemene voorwaarden overige voorzieningen - Bijzondere voorwaarden toekenning vervoersvoorziening - Bijzondere voorwaarden noodzakelijke voorziening bij visuele of motorische handicap 3.7 Voorzieningen voor inwoners met een korte afstand tot de arbeidsmarkt 3.7.1 Arbeidsbemiddeling [PW, IOAW, IOAZ]

1. De gemeente kan een inwoner met een uitkering arbeidsbemiddeling door Concern voor Werk aanbieden. 2. De gemeente kan een inwoner zoals bedoeld in artikel 3.1 arbeidsbemiddeling door Concern voor Werk aanbieden.

Verordening Sociaal Domein Urk

13

3.7.2 Kortdurende scholing (kan mede op advies van het Leerwerkloket) en Praktijkleren [PW, IOAW, IOAZ]

1. De gemeente kan een inwoner verwijzen naar het Leerwerkloket voor een onafhankelijk scholingsadvies. Op basis van dit scholingsadvies kan een inwoner in gesprek gaan met de gemeente voor een plan tot re-integratie waar scholing een onderdeel van kan zijn. 2. Het Leerwerkloket is ook toegankelijk voor de inwoner zonder een uitkering van de gemeente Urk. 3. Door het ROC Friese Poort wordt het praktijkleren uitgevoerd. Tijdens het praktijkleren worden de vaardigheden van de werknemer omgezet in kwalificaties om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. 4. Praktijkleren is voor een inwoner met of zonder een uitkering of voor werkgevers die personeel willen kwalificeren. 5. Kortdurende scholing mag maximaal 10 maanden duren. 3.8 Voorzieningen voor inwoners met een grote afstand tot de arbeidsmarkt 3.8.1 Werkstage [PW, IOAW, IOAZ]

1. De gemeente kan een inwoner met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, een werkstage aanbieden. De werkstage wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. 2. Het doel van een werkstage is om de inwoner met behoud van uitkering op een werkplek werkervaring op te laten doen of het leren functioneren in een werkrelatie. 3. Een voorwaarde is dat het werk niet zorgt voor verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever. Ook mag het niet zorgen voor oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 4. De werkstage is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de werkstage. De werkgever zorgt ervoor dat de inwoner meer vaardigheden of kennis van het vakgebied opdoet. 5. Werkstage mag maximaal 6 maanden duren. 3.8.2 Participatieplaats [PW]

1. De gemeente kan de inwoner met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een Participatieplaats aanbieden. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. 2. Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor de inwoner zijn bedacht. 3. Een voorwaarde is dat het werk niet zorgt voor verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever. Ook mag het niet zorgen voor oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 4. De inwoner kan na iedere 6 maanden een bedrag van € 200,00 ontvangen. Een voorwaarde is wel dat de inwoner voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op werk. De gemeente beoordeelt dit. 5. De Participatieplaats mag maximaal 2 jaar duren.

Verordening Sociaal Domein Urk

14

3.8.3 Scholing [PW, IOAW, IOAZ]

1. Heeft de inwoner zonder startkwalificatie scholing nodig om de afstand tot de arbeidsmarkt te verminderen? Dan kan de gemeente scholing aanbieden. 2. Onafhankelijk scholingsadvies kan worden ingewonnen bij het Leerwerkloket. 3. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: • Is gericht op uitstroom. • Leidt tot het behalen van een startkwalificatie. • Duurt maximaal 18 maanden. 4. De gemeente biedt geen scholing aan jongeren tot 27 jaar aan die uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen. 3.8.4 Jobcoach op de werkplek [PW, IOAW, IOAZ]

1. Heeft de inwoner extra begeleiding nodig om zijn werk goed te kunnen doen? Dan kan de gemeente een jobcoach aanbieden of de werkgever daarvoor een vergoeding geven. 2. Het doel van de jobcoach is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen. 3. Het inzetten van een jobcoach is maatwerk. De gemeente spreekt met de werkgever af hoe de jobcoach wordt ingezet. Dit wordt vastgelegd in een overeenkomst met de werkgever. 4. Ieder half jaar wordt vastgesteld hoeveel begeleiding voor welke periode noodzakelijk is. 5. Voor de inwoner met een Indicatie banenafspraak zijn de afspraken over persoonlijke ondersteuning bij werk opgenomen onder ‘Proces persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen’. 3.8.5 Beschut werk [PW]

1. Kan de inwoner alleen werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan zijn mogelijkheden? En is dit vastgesteld door het UWV? Dan biedt de gemeente de inwoner een beschutte werkplek aan. Daarbij gelden de voorwaarden die in artikel 10b van de Participatiewet zijn genoemd. 2. Om deelname aan beschut werk mogelijk te maken kan de gemeente de volgende voorzieningen aanbieden: a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; of c. aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 3. De gemeente moet volgens het Rijk jaarlijks een aantal beschutte werkplekken realiseren. De gemeente zet zich ervoor in dat het aantal gerealiseerd wordt. 4. Het doel van beschut werk is om de inwoner die alleen onder aangepaste omstandigheden kan werken, een werkplek te bieden. 5. De gemeente biedt beschut werk aan bij Concern voor Werk.

Verordening Sociaal Domein Urk

15

3.8.5a Detacheringsbaan [PW]

1. Het college kan door detachering zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. 3. Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 3.8.6 Individuele Plaatsing en Steun [PW, IOAW, IOAZ]

Voor de inwoner met problematiek op meerdere levensgebieden en een psychische kwetsbaarheid, kan de gemeente een IPS-traject aanbieden. IPS staat voor Individuele Plaatsing en Steun waarbij de inwoner intensief begeleid wordt naar een zo stabiel mogelijke plaats op de arbeidsmarkt. Dit kan gecombineerd worden met een Indicatie banenafspraak. 3.8.7 Tijdelijke loonkostensubsidie [PW, IOAW, IOAZ]

1. Neemt een werkgever een (uiterst) kwetsbare inwoner in dienst? Dan kan de gemeente de werkgever een tijdelijke loonkostensubsidie geven. 2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren de inwoner met een grote afstand tot de arbeidsmarkt in dienst te nemen. Extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van de inwoner worden hiermee vergoed. 3. De loonkostensubsidie is maximaal 50% van het wettelijk minimumloon. Dit is voor een periode van 12 maanden voor de kwetsbare werknemer en 24 maanden voor de uiterst kwetsbare werknemer. 4. Een kwetsbare werknemer is iemand die: • In 6 maanden geen regulier betaald werk heeft gevonden; • Geen startkwalificatie bezit; • Ouder is dan 50 jaar; • Alleenstaande ouder is. 5. Een uiterst kwetsbare werknemer is de inwoner die ten minste 24 maanden werkloos is geweest. 6. Een voorwaarde is dat het werk niet zorgt voor verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever. Ook mag het niet zorgen voor oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 7. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk. 3.8.8 Proefplaats 1.

De gemeente kan aan een inwoner die algemene bijstand ontvangt, met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een proefplaats aanbieden. 2. Deze proefplaats houdt toestemming in om voor de duur van 2 maanden onbeloonde werkzaamheden te verrichten bij een werkgever, met behoud van uitkering. 3. De mogelijkheid is er om de proefplaats te verlengen tot maximaal 4 maanden.

Verordening Sociaal Domein Urk

16

4. Het doel van de proefplaats is de inschakeling in arbeid van de inwoner bij de werkgever te bevorderen. 5. De proefplaats wordt voor een zo kort mogelijke duur ingezet, om dit doel te behalen. 6. Voor de proefplaats wordt toestemming verleend als: a. de inwoner, gelet op zijn of haar vaardigheden en capaciteiten, in staat is tot de werkzaamheden; b. de plaatsing bijdraagt aan het verminderen van zijn afstand tot de arbeidsmarkt; c. de plaatsing niet zorgt voor verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever. Ook mag het niet zorgen voor oneerlijke concurrentie met andere organisaties; d. de werkzaamheden door de inwoner niet eerder zijn verricht bij deze werkgever; e. de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk uitspreekt, bij gebleken geschiktheid, de inwoner een dienstverband aan te bieden van minimaal 6 maanden. 7. De gemeente weigert de toestemming als de inwoner ook zonder proefplaats kan worden aangenomen voor deze werkzaamheden. 8. De gemeente weigert de toestemming als de inwoner nadien een arbeidsovereenkomst met een forfaitaire loonkostensubsidie wordt aangeboden (Indicatie banenafspraak). 9. Als de inwoner ziek wordt tijdens de proefplaats, dan mag deze verlengd worden met de periode van ziekte. 10. De proefplaats mag aangeboden worden in combinatie met persoonlijke ondersteuning op de werkplek.

3.8.9 Loonkostensubsidie in het kader van de banenafspraak [PW, IOAW, IOAZ, Awb]

1. De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de inwoner wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. Het gaat dan om de inwoner die een Indicatie banenafspraak heeft, omdat het UWV dat heeft bepaald, of dat dit is vastgesteld via de praktijkroute. 2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren de inwoner met een beperking in dienst te nemen. Ook is het een vergoeding voor productieverlies en een deel van de werkgeverslasten. 3. De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. De gemeente bepaalt hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft). De bepaling van de loonwaarde vindt plaats door loonwaarde-specialisten van Concern voor Werk. De loonwaarde wordt voor een periode van maximaal 2 jaar vastgesteld. 4. De loonkostensubsidie aan de werkgever wordt op de loonwaarde afgestemd. 5. Zowel de loonwaardebepaling als de loonkostensubsidie zijn gekoppeld aan het wettelijk minimumuurloon. 3.8.10 Loonkostensubsidie en ondersteuning banenafspraak leer-werktraject 1. De gemeente kan loonkostensubsidie en persoonlijke ondersteuning op de werkplek aanbieden aan een inwoner met de Indicatie banenafspraak die deelnemen aan een leerwerk-traject. 2. De gemeente stelt de noodzaak van het leer-werktraject vast.

Verordening Sociaal Domein Urk

17

3. De gemeente biedt deze voorziening aan inwoners van: a. 16 of 17 jaar en zij die nog leerplichtig zijn in het kader van de Leerplichtwet; of b. 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. 3.9 Administratief proces loonkostensubsidie 3.9.1 Aanvraagproces loonkostensubsidie 1. De gemeente verstrekt aan de werkgever van de inwoner, met de Indicatie banenafspraak, een loonkostensubsidie. 2. De gemeente verstrekt deze op aanvraag of ambtshalve. 3. De gemeente geeft een schriftelijke bevestiging aan de inwoner en de werkgever na ontvangst van de aanvraag loonkostensubsidie. 4. Als de inwoner op het moment van aanvraag niet behoort tot de doelgroep Indicatie banenafspraak dan zal de gemeente de aanvraag mede beschouwen als verzoek tot inschrijving in het doelgroepenregister. Het UWV beheert het doelgroepenregister. De gemeente zal de inwoner begeleiden bij deze inschrijving. 5. Is de inwoner al begonnen met de werkzaamheden? Dan beschouwt de gemeente de aanvraag als een verzoek om de Praktijkroute banenafspraak toe te passen. 6. De gemeente stelt binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast tenzij er sprake is van een forfaitaire loonkostensubsidie. 7. De gemeente verstrekt de loonkostensubsidie volgens het Preferente werkproces.

3.10 Proces persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 3.10.1 Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. De gemeente kan aan de inwoner met de Indicatie banenafspraak persoonlijke ondersteuning of overige voorzieningen bieden om deel te nemen aan werk. 2. Bij de toekenning van de persoonlijke ondersteuning en/of de overige voorzieningen gelden de volgende voorwaarden: a. De inwoner heeft de Indicatie banenafspraak en is minimaal 18 jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft genoten; b. De inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet deelnemen aan werk; c. De werkgever biedt aan de inwoner een dienstverband van minimaal 24 uur per week; d. Het betreft geen Arbo-taak van de werkgever; e. Het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; f. er is naar volgens de gemeente geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en g. de kosten van de voorziening(en) zijn volgens de gemeente proportioneel, dat wil zeggen dat de individuele kosten opwegen tegen het maatschappelijk belang bij de besteding van het beschikbare budget.

Verordening Sociaal Domein Urk

18

3.10.2 Aanvraagproces persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij de gemeente worden ingediend door de inwoner of zijn werkgever. 2. De gemeente bevestigt de ontvangst van de aanvraag. 3. De gemeente onderzoekt, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 8 weken na de aanvraag, de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte van de inwoner. 4. De gemeente kan een deskundig oordeel en advies inwinnen, als de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 5. De gemeente bepaalt na overleg met de inwoner, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan het behouden of vinden van betaald werk. 6. De gemeente onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de inwoner, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen. De gemeente werkt samen op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen. De gemeente kan zo een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening bieden met het oog op het behouden of vinden van betaald werk.

3.10.2 Beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen De gemeente geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening aan: a. welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt; b. als subsidie/vergoeding wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidie/vergoedingsbedrag; c. de duur en intensiteit van de ondersteuning; d. de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; e. als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en f. voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder hoe de inwoner integraal kan worden ondersteund. 3.11 Bijzondere bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk 3.11.1 Persoonlijke ondersteuning bij werk 1. De gemeente kan aan de inwoner persoonlijke ondersteuning aanbieden bij werk in de vorm van jobcoaching. 2. De gemeente biedt een jobcoach van Concern voor Werk aan. 3. De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een vergoeding toekennen aan de werkgever voor: a. een interne jobcoach; of b. een interne werkbegeleider ofwel HARRIE. 3.11.2 Aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk 1. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 6 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen. 2.

Bij ontvangst van de aanvraag na deze periode van 6 weken, zal de werkgever zijn (verlate) aanvraag op dat punt extra moeten motiveren. 3.11.3 Jobcoaching 1. De gemeente kan ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching aanbieden.

Verordening Sociaal Domein Urk

19

2. De gemeente biedt een jobcoach van Concern voor Werk aan voor de persoonlijke ondersteuning bij werk, tenzij er sprake is van een vaste interne jobcoach. 3. Een vergoeding voor een interne jobcoach of een intern begeleider moet worden aangevraagd bij de gemeente. 4. De interne of externe jobcoach moet voldoen aan onderstaande voorwaarden: a. ingeschreven staan bij het UWV en voldoen aan de voorwaarden opgenomen in het Erkenningskader; of b. ingeschreven staan als jobcoach in het openbare beroepsregister van Noloc; of c. vergelijkbare documenten als inschrijvingen uit de eerste beide registers kunnen aantonen en een relevant Hbo-diploma. 5. De intern begeleider moet de training ‘Harrie helpt’ of vergelijkbaar hebben afgerond en meer dan 50% van de arbeidstijd van de werknemer (met de loonkostensubsidie) aanwezig zijn op de werkvloer. 6. De gemeente werkt in haar beleidsregels deze voorwaarden uit en stelt de vergoedingen vast. 3.12 Bijzondere bepalingen overige voorzieningen 3.12.1 Algemene voorwaarden overige voorzieningen 1. De gemeente kan overige voorzieningen toekennen aan een inwoner uit de doelgroep als deze noodzakelijk zijn voor deelname aan werk. 2. De gemeente gaat uit van de goedkoopst adequate voorziening en vergoedt alleen de meerkosten. 3. De voorzieningen worden aangeboden aan een inwoner met een inkomen tot 150% van de bijstandsnorm.

Bij inkomen boven deze norm wordt een draagkrachtberekening toegepast. 3.12.2 Bijzondere voorwaarden toekenning vervoersvoorziening 1. De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan de inwoner die door zijn of haar beperking niet zelfstandig naar de werkplek, proefplaats of opleiding kan reizen. Deze vergoeding kan in natura of in geld worden verstrekt. 2. Aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan: a. de inwoner kan door zijn of haar beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. het gaat om woon-werk-vervoer. 3. De hoogte van de vergoeding bedraagt maximaal het tarief van een taxi of andere vorm van vervoer tot een maximum van € 300,00 per maand. 4. De gemeente brengt een tegemoetkoming voor de kosten van vervoer door de werkgever in mindering op de vergoeding. 3.13.3 Bijzondere voorwaarden noodzakelijke voorziening bij visuele of motorische handicap 1. De gemeente kan een voorziening aan de inwoner uit de doelgroep toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning bij werk door het geheel of gedeeltelijk ontbreken van visuele of motorische lichaamsfunctie. Het ontbreken van deze lichaamsfuncties moeten komen door ziekte of gebrek. 2. De hoogte van de vergoeding bedraagt maximaal € 1.000,00 per jaar. 3. Voor de tarieven van dienstverlening wordt aangesloten bij de tarieven van het UWV.

Verordening Sociaal Domein Urk

20

3.13.4 Bijzondere voorwaarden meeneembare voorzieningen 1. De gemeente kan aan de inwoner uit de doelgroep een meeneembare voorziening toekennen als dit noodzakelijk is om zijn of haar werkzaamheden uit te kunnen voeren. 2. Als de noodzaak en meerwaarde worden aangetoond kan de gemeente elke meeneembare voorziening toekennen. 3. De meeneembare voorziening wordt in bruikleen aangeboden. De gemeente kan besluiten om de meeneembare voorziening in eigendom toe te kennen. 3.14 Overige Voorzieningen 3.14.1 Kinderopvang [PW, IOAW, IOAZ]

1. Doet de inwoner mee aan een activiteit die nodig is om de afstand tot arbeid te doen verminderen, om aan het werk te gaan of inburgering? Dan heeft de inwoner als er kinderopvang nodig is, recht op de kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst. 2. Kosten van de kinderopvang die niet door de Belastingdienst worden vergoed, kunnen door de gemeente worden vergoed. 3.14.2 Uitstroompremie [PW]

1. De gemeente kan eenmalig een uitstroompremie toekennen ter hoogte van € 450,00. 2. De uitstroompremie kan worden toegekend aan een inwoner die langdurig werkloos is en door betaald werk niet langer is aangewezen op de bijstandsuitkering en duurzaam uitstroomt. 3. Onder langdurig werkloos wordt verstaan langer dan 12 maanden (aaneengesloten) een bijstandsuitkering van de gemeente Urk ontvangen. 4. Duurzame uitstroom is tenminste 6 maanden uitkeringsonafhankelijk. 5. De uitstroompremie kan worden aangevraagd vanaf de 7de maand van het dienstverband en binnen 18 maanden na indiensttreding. 3.14.3 Andere voorzieningen en vergoedingen [PW, IOAW, IOAZ]

De gemeente kan een andere voorziening of vergoeding toekennen als dat nodig is om deelname aan de arbeidsmarkt te behouden of vergroten. 3.14.5 Sociale activering [PW, IOAW, IOAZ]

1. De gemeente kan een inwoner, voor wie inschakeling in de arbeidsmarkt (nog) niet mogelijk is, activiteiten aanbieden gericht op zelfstandige participatie. 2. Inwoners voor wie zelfstandige participatie (nog) niet mogelijk is kunnen in aanmerking komen voor ondersteuning op grond van de Wmo. De gemeente kan daarom doorverwijzen. 3. Een voorwaarde is dat het werk (de activiteiten) niet zorgt voor verdringing van (andere) werknemers bij dezelfde werkgever. Ook mag het niet zorgen voor oneerlijke concurrentie met andere organisaties.

Verordening Sociaal Domein Urk

21

3.15 Tegenprestatie [PW, IOAW, IOAZ]

3.15.1 Doel van de tegenprestatie 1. Vindt de gemeente dat de inwoner met een gemeentelijke uitkering iets terug kan doen voor de samenleving? Dan legt de gemeente een passende tegenprestatie op. 2. Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor en meedoet in de samenleving. 3.15.2 Duur en omvang tegenprestatie De tegenprestatie die de gemeente van de inwoner verwacht duurt maximaal 2 keer 6 weken per jaar en maximaal 16 uur per week. Dit is om de volgende redenen: • De tegenprestatie mag het vinden van betaald werk niet belemmeren. • De tegenprestatie mag niet zorgen voor verdringing van werknemers en oneerlijke concurrentie. • Het moet gaan om activiteiten die maatschappelijk nuttig zijn. Hier kan geen beloning voor worden gevraagd. 3.15.3 Voorwaarden tegenprestatie 1. Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met alle persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals: de gezinssituatie, het bieden van mantelzorg, de duur van de werkloosheid, eventuele beperkingen en vrijwilligerswerk. 2. De gemeente legt geen tegenprestatie op als de inwoner al minimaal 8 uur per week vrijwilligerswerk doet.

Verordening Sociaal Domein Urk

22

4. Gezond en veilig opgroeien [Jeugdwet] Onze jeugd moet zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien, kunnen groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam kunnen zijn en maatschappelijk kunnen participeren, rekening houdend met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van ouders zelf. Het sociaal netwerk kan daarbij helpen. Als ouders daarbij nog hulp nodig hebben, dan kunnen zij de gemeente inschakelen. Deze hulp wordt zo vroeg als nodig aangeboden, om eventueel het beroep op dure, gespecialiseerde hulp te voorkomen of verminderen. Het versterken van de eigen kracht van de jeugdige, de ouder(s) en hun sociaal netwerk staat daarbij voorop. Met jeugdigen bedoelen we in deze verordening: • Jeugdigen tot 18 jaar. • Jongvolwassenen van 18 tot 23 die al jeugdhulp ontvingen toen zij 18 waren en deze ondersteuning vanaf hun 18e nog nodig hebben. Dit zijn de jeugdigen zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Kernwaarden: ➢ De jeugdige moet gezond en veilig kunnen opgroeien. ➢ De jeugdige moet kunnen groeien naar zelfstandigheid. ➢ De jeugdige moet voldoende zelfredzaam kunnen zijn. ➢ De jeugdige moet voldoende maatschappelijk kunnen participeren. ➢ Ouders en jeugdigen zijn zelf verantwoordelijk. De gemeente helpt als dat nodig is. ➢ Eigen kracht gaat voor op hulp van de gemeente.

➢ Vrij toegankelijke hulp gaat voor hulp-op-maat. ➢ De gemeente stemt de jeugdhulp af op de jeugdige en zorgt voor goede aansluiting met andere hulp. 4.1 Uitgangspunten 1. De gemeente zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk worden opgevangen en dat daar ook zo vroeg als nodig hulp voor wordt geboden. 2. De gemeente zet zich ervoor in dat ouders en/of jeugdige hulp-op-maat krijgen als dat nodig is. 3. De gemeente geeft niet altijd hulp-op-maat. De gemeente geeft geen hulp-op-maat, als: a. er een voorliggende voorziening is waar gebruik van gemaakt kan worden; b. de eigen kracht van ouders en jeugdigen volgens de gemeente toereikend is; c. de ouder(s) of jeugdige de hulp zelf al heeft gerealiseerd nadat hij zich bij de gemeente heeft gemeld voor hulp, maar voordat een besluit is genomen. Dit is anders als de gemeente daarvoor toestemming heeft gegeven; d. de gevraagde hulp volgens de gemeente niet noodzakelijk is. 4.2 Uitgangspunten bij het bieden hulp 1. Ouders of jeugdigen kunnen voor hulp-op-maat in het kader van de Jeugdwet in aanmerking komen als voldaan is aan de voorwaarden van in ieder geval 2.2.5 en van dit hoofdstuk. 2.

De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien, kunnen groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam kunnen zijn en maatschappelijk kunnen participeren van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders zelf. Het gaat om de eigen kracht. Zijn deze mogelijkheden ontoereikend? Dan kijkt de gemeente of er hulp nodig is, gelet op de hulpvraag, om de eigen kracht van ouders en jeugdigen te herstellen of te verbeteren.

Verordening Sociaal Domein Urk

23

3. Kan het gewenste resultaat niet zelf of met behulp van het sociaal netwerk bereikt worden? Dan wordt in eerste instantie gekeken of vrij toegankelijke hulp een oplossing kan bieden ingezet zoals in 4.3 wordt benoemd. Het gaat dan bijvoorbeeld om hulp via het Centrum voor jeugd en gezin (CJG), of door een welzijnsorganisatie. Kan het gewenste resultaat niet bereikt worden met deze vrij toegankelijke hulp? Dan kan hulp-op-maat worden ingezet zoals benoemd in 4.4. 4. Alle hulp is gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en hun sociaal netwerk. De gemeente kijkt daarom eerst of dat met opvoedondersteuning of hulp aan het gezin kan worden bereikt. De gemeente kan deze hulp combineren met hulp voor de jeugdige. 5. De gemeente betrekt de wensen van de jeugdige en zijn ouders bij de keuze welke jeugdhulp wordt ingezet. 6. Bij het bieden van hulp houden de gemeente en de jeugdhulpverlener rekening met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en de ouders. 7. Pleegouders kunnen voor hulp in eerste instantie bij de pleegzorgorganisatie terecht waar zij een contract mee hebben afgesloten. 8. De jeugdige en/of zijn ouder(s) melden zich binnen drie maanden na de besluitdatum bij een jeugdhulpaanbieder. 4.2a Afwegingsfactoren eigen kracht 1.

Bij de beoordeling van de eigen kracht maakt de gemeente gebruik van afwegingsfactoren. 2. Bij gebruikelijke hulp zijn dat: a. de opvoedkundige capaciteiten van ouders; b. de beschikbaarheid van ouders. De gemeente kan rekening houden met acute omstandigheden die zich kunnen voordoen. 3. Bij boven-gebruikelijke hulp zijn dat: a. de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige; b. de intensiteit en duur van de benodigde hulp voor de jeugdige; c. de mogelijkheden, draagkracht en de belastbaarheid van de ouders die te maken heeft met de zorgplicht. De gemeente verwacht van ouders dat zij hun (dagelijkse) leven zo inrichten om hun draagkracht en belastbaarheid zo groot mogelijk maken en houden; d. de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; e. het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen. 4. Bij vervoer van en naar de jeugdhulplocatie als dat medisch noodzakelijk is of de jeugdige (nog) niet zelfredzaam is, zijn dat: a. of de jeugdige in staat is om zelf te reizen; b. de aanwezigheid van een auto of de mogelijkheid voor gebruik van het openbaar vervoer; c. de afstand in verband met de tijd die nodig is voor het vervoer en de vraag of er een jeugdhulpvoorziening dichterbij is die ook geschikt is; d. het tijdstip waarop de ritten uitgevoerd moeten worden; e. het aantal dagen dat vervoer nodig is; f. draagkracht en draaglast in het gezin. 5.

De gemeente verwacht van ouders dat zij: a. zich in hoge mate inspannen om hulp van personen uit het sociaal netwerk te krijgen; b. zich inspannen om hulp van niet door de gemeente gecontracteerde organisaties of instellingen binnen de gemeente Urk te krijgen. De gemeente kan voorbeelden geven aan ouders; c. gebruik maken van aanspraken op grond van een aanvullende zorgverzekering, mits die is afgesloten.

Verordening Sociaal Domein Urk

24

6. De inhoud van dit artikel is ook van toepassing op ouders in de zin van de Jeugd. 4.3 Vrij toegankelijke jeugdhulp 1. De gemeente zorgt ervoor dat jeugdigen zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. De volgende vormen van hulp zijn vrij toegankelijk. De inwoner heeft hiervoor geen verwijzing en/of een besluit van de gemeente nodig. a. Jeugdgezondheidszorg 0 – 19 jaar. b. Informatie en advies over opvoeden en opgroeien. c. Lichte ondersteuning voor jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedvragen. d. Preventieve Jeugd GGZ. 4.4 Niet vrij toegankelijke jeugdhulp (hulp-op-maat) De volgende vormen van hulp zijn niet vrij toegankelijk (hulp-op-maat). De jeugdige heeft hiervoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig. a. Begeleiding individueel basis. b. Begeleiding individueel specialistisch. c. Begeleiding groep basis. d. Begeleiding groep specialistisch. e. Kortdurend verblijf. f. Behandeling (JGGZ). g. Klinische JGGZ. h. Jeugdhulp 24-uurs hulp (thuis op maat, gezinsgericht wonen en behandeld wonen). i. Crisishulp. j. Diagnostiek en behandeling Ernstige Dyslexie (ED) voor jeugdigen die basisonderwijs volgen. 4.5 Afstemming met andere vormen van hulp De gemeente zorgt ervoor dat de hulp wordt afgestemd op andere vormen van hulp die aan de jeugdige of zijn ouders wordt gegeven. Daarbij staat hun belang centraal.

Daarover maakt de gemeente afspraken met onder andere: • Partijen in het kader van gezondheidszorg. • Gecertificeerde instellingen. • Instellingen die voorschoolse voorzieningen aanbieden. • Samenwerkingsverbanden voor primair-, voortgezet- en speciaal onderwijs. • Centrum voor jeugd en gezin (CJG). • De afdelingen binnen de gemeente, waaronder Wmo en Participatiewet.

Verordening Sociaal Domein Urk

25

4.6 Overgang van 18- naar 18+ [Jeugdwet, Wmo]

1. Jeugdigen kunnen nog (verlenging van) hulp krijgen als ze 18 jaar worden tot maximaal de dag dat zij 23 jaar worden. 2. De gemeente draagt de jeugdhulpaanbieder op met de jeugdige een plan te maken op alle belangrijke leefgebieden. 3. In dit plan wordt aandacht gegeven aan de volgende onderwerpen: • Scholing, werk of participatie. • Wonen. • Inkomen. • Zorg en ondersteuning. • Vrije tijd. • Het netwerk van de jeugdige.

Verordening Sociaal Domein Urk

26

5. Wonen en meedoen in de samenleving [Wmo] Inwoners met een beperking en/of langdurige psychische problemen hebben soms hulp nodig om zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De gemeente heeft de taak om inwoners te helpen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor problemen bij het normale gebruik van hun woning, bij normale dagelijkse activiteiten, in de huishouding en zich te verplaatsen dichtbij huis. De gemeente moet ook maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk voor zichzelf kunnen zorgen (zelfredzaamheid). De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de te verwachten ontwikkelingen. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de hulp die de gemeente aan deze inwoners kan geven. Kernwaarden: ➢ Inwoners met een beperking moeten zo lang mogelijk kunnen wonen en leven in hun eigen omgeving. ➢ De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen. ➢ De inwoner is zelf verantwoordelijk. De gemeente helpt als dat nodig is. ➢ De eigen mogelijkheden en hulp van het sociaal netwerk van de inwoner gaan voor. ➢ De gemeente stemt de hulp af op de inwoner. ➢ De gemeente maakt de hulp makkelijk bereikbaar. ➢ Iedereen doet mee in de samenleving. 5.1 Uitgangspunten 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Urk&id=37aa3cd1-623e-46f8-a454-7e3ceac5d1a5