Verordening Sociaal Domein Urk 2024 (publicatie 2025)
Tekst van het document
Beleidsregels geven aan hoe de gemeente met een bepaalde bevoegdheid omgaat. Met besluit worden bepaalde regels van de verordening nader uitgewerkt. De mogelijkheid om uitvoeringsregels te maken wordt begrensd door de verschillende wetten. 12.3 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule) De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening als toepassing van die bepaling, volgens de gemeente, een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner. 12.4 Intrekken oude verordening De verordening Sociaal Domein Urk 2022 wordt ingetrokken op de datum dat deze verordening ingaat.
Verordening Sociaal Domein Urk
54
12.5 Overgangsrecht 1. Een maandelijkse voorziening of uitkering die op grond van een ingetrokken verordening wordt verstrekt, blijft ook na de ingangsdatum van deze verordening doorlopen. Deze voorziening of uitkering loopt door totdat de gemeente een nieuw besluit over die voorziening of uitkering heeft genomen. 2. Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór de ingangsdatum van deze verordening en waarover de gemeente pas later een besluit neemt, handelt de gemeente af volgens deze nieuwe verordening. Voor een aanvraag op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ die is ingediend vóór 1 januari 2024 geldt juist dat de gemeente deze afhandelt volgens de ingetrokken verordening. Maar als een besluit volgens deze nieuwe verordening gunstiger uitpakt voor de inwoner, past de gemeente deze verordening toe. 3. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening Sociaal Domein Urk 2022, past de gemeente die ingetrokken verordening toe. 12.6 Ingangsdatum en naam 1. Deze verordening wordt genoemd: Verordening Sociaal Domein Urk. 2. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024.
Verordening Sociaal Domein Urk
55
13. Begrippenlijst In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. Waarom deze begrippenlijst? • Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze verordening is. • Voor een aantal begrippen geldt dat ze in deze verordening een ruimere betekenis hebben dan in de genoemde wetten, omdat zoveel mogelijk is aangesloten bij het normale, dagelijkse taalgebruik. • Ook staan er voor de duidelijkheid ook enkele wettelijke begrippen in de lijst, die in deze verordening wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven. • Ten slotte worden in deze verordening ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten. Ook die zijn hier omschreven. 13.1 Algemeen De begrippen in dit onderdeel kunnen voor meerdere wetten gelden waar in deze verordening regels over zijn gesteld. • Andere voorziening: een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de ondersteuning die hij nodig heeft, anders dan hulp-op-maat. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar voorliggend zijn op hulp-op-maat.
Dat kan een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of collectieve voorziening. • Budgetplan: een plan met daarin de motivatie van de inwoner waarom een persoonsgebonden budget gewenst is. In dit plan maakt de inwoner inzichtelijk welke hulp deze wil inkopen voor het beschikbare budget, het bedrag dat per ondersteuner besteed gaat worden, welke resultaten de inwoner wil bereiken en hoe de hulp hieraan bijdraagt. • Beperking: de vermindering van mogelijkheden waardoor een belemmering ontstaat in het sociaal-maatschappelijke functioneren. • Besluit: een vastgestelde regeling waar, op grond van deze verordening, regels of bedragen zijn opgenomen. • Cliëntondersteuning: ondersteuning aan een inwoner door een onafhankelijk professional in de vorm van informatie, advies en algemene ondersteuning. De ondersteuning is gericht op het benutten van diensten die door de gemeente of andere organisaties worden geleverd op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (art. 1.1.1 van de Wmo). • Eigen kracht: Met deze term wordt verwezen naar het vermogen van inwoners om zelf en/of samen oplossingen te bedenken voor hun problemen en deze (deels) ook zelf en/of samen uit te voeren (eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen).
• Fraude: het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, of het verzwijgen of niet (op tijd) verstrekken van gegevens. Het gaat om gegevens die nodig zijn om te bepalen of er recht op een uitkering of een voorziening is, en om de duur en hoogte van die uitkering of voorziening vast te stellen. Als gevolg hiervan wordt een uitkering of voorziening helemaal of gedeeltelijk ten onrechte verstrekt. • Gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Urk. • Gesprek: gesprek waarin de inwoner zijn hulpvraag, zijn persoonlijke situatie en het resultaat dat hij wil bereiken bespreekt. Verordening Sociaal Domein Urk
56
• Hulp-op-maat: een op de inwoner afgestemde voorziening. - Wmo: een maatwerkvoorziening. - PW, IOAW, IOAZ: een voorziening bij de arbeidsinschakeling (zie begripsbepaling hierna)of bijzondere bijstand. - WGS: op de inwoner afgestemde ondersteuning bij het aflossen van schulden. - JW: een voorziening die op een jeugdige of zijn ouders is afgestemd als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet. • Hulp of ondersteuning: ondersteuning bij de arbeidsinschakeling (zie begripsbepaling hierna) of inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo, jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, of schuldhulpverlening als bedoeld in artikel 1 van de Wgs. • Hulpvraag: de behoefte aan hulp of ondersteuning die de inwoner bij de melding of aanvraag heeft. • Inwoner: de persoon die in de basisregistratie personen (BRP) van de gemeente is ingeschreven. Als het gaat om ondersteuning op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ: is een inwoner degene die woonplaats heeft in de gemeente, volgens de regels van artikel 10, lid 1 en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Gaat het om de Jeugdwet? Dan is het woonplaatsbeginsel leidend. • Leverancier: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die namens de gemeente goederen of diensten levert tegen betaling.
• Mantelzorg: de ondersteuning voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep (art. 1.1.1 van de Wmo). • Medewerker: de persoon die namens het college van burgemeester en wethouders optreedt. • Onderzoeksverslag: het door de gemeente opgestelde schriftelijke verslag over de uitkomsten van het onderzoek na de melding of aanvraag om hulp. • Persoonlijk plan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt, waarin de knelpunten staan die de inwoner ervaart en de gewenste ondersteuning wordt geïnventariseerd. Gaat het om jeugdhulp, dan wordt hieronder verstaan: een familiegroepsplan. • Persoonlijke situatie: de omstandigheden, mogelijkheden en persoonskenmerken van de inwoner die van belang kunnen zijn bij de melding en aanvraag (behoefte aan hulp). Daaronder vallen ook de godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuiging. • PGB: persoonsgebonden budget, een geldbedrag waarmee de inwoner zelf de hulp of ondersteuning in kan kopen.
• Professionele organisatie: een organisatie, die is ingeschreven in het handelsregister conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007 en/of bij de Kamer van Koophandel (KvK) als zijnde jeugdhulpverlener of verlener van maatschappelijke ondersteuning en die voldoet aan de eisen voor wat betreft de vakbekwaamheid en beschikt over een Verklaring Omtrent het Gedrag. Specifiek voor jeugd geldt nog de SKJ of BIG-registratie en het werken volgens effectief bewezen interventies. De gemeente zoekt aansluiting bij het gecontracteerde aanbod; • Sociaal netwerk: huisgenoten of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt (inclusief mantelzorgers). • Voorliggende oplossing (Jeugdwet en Wmo): een oplossing die voorgaat op het verstrekken van hulp-op-maat gelet op de inhoud van de wetten en rechtspraak hierover. • Voorziening: ondersteuning in de vorm van een dienst, activiteit, product, of geldbedrag. • Vrij toegankelijke hulp of ondersteuning: ondersteuning die beschikbaar is zonder verwijzing van een huisarts, medisch specialist, jeugdarts of besluit van de gemeente.
Verordening Sociaal Domein Urk
57
• ZZP’er: een ondernemer die geen personeel in dienst heeft, is ingeschreven in het handelsregister conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007 en/of bij de KvK als zijnde jeugdhulpverlener of verlener van maatschappelijke ondersteuning en die voldoet aan de eisen voor wat betreft de vakbekwaamheid en beschikt over een Verklaring Omtrent het Gedrag. Specifiek voor jeugd geldt nog de SKJ of BIG-registratie en het werken volgens effectief bewezen interventies. De gemeente zoekt aansluiting bij het gecontracteerde aanbod. 13.2 Participatiewet, IOAW of IOAZ De begrippen in dit onderdeel zijn specifiek van toepassing op de PW, IOAW of IOAZ. • Arbeidsinschakeling: activiteiten van de inwoner of hulp van de gemeente bij het vinden van betaald werk. • Arbeidsverplichting: de verplichting om zelf werk te zoeken dan wel mee te werken aan de arbeidsinschakeling of het leveren van een tegenprestatie, als bedoeld in artikel 9 van de Participatiewet of artikel 37 van IOAW of IOAZ. • Bijstandsnorm: de maximale hoogte van de bijstandsuitkering bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet. De hoogte hangt af van de woon- en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner. • Bijstandsuitkering: de algemene bijstand voor levensonderhoud, bedoeld in artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet.
Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met bijstandsuitkering bedoeld: de algemene bijstand plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. • Doelgroep werk en participatie: personen zoals benoemd in de Participatiewet, IOAW of IOAZ. Zij kunnen de gemeente om hulp vragen bij het zoeken en behouden van betaald werk. • Financiële buffer: vermogen. Een goede financiële buffer is een vermogen op of boven de vermogensgrens bedoeld in artikel 34 lid 3 van de Participatiewet. • Grote afstand tot de arbeidsmarkt: personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt kunnen redelijkerwijs niet binnen 1 jaar werk vinden en behouden, • Inkomen: het inkomen, bedoeld in artikel 32 lid 1 van de Participatiewet. • Interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer. Zij doen dit omdat de werknemer anders niet zijn werkzaamheden kan uitvoeren. Daarbij is sprake van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek. Deze werkbegeleiding heeft de training ‘Harrie helpt’ gevolgd. • Jobcoaching: een jobcoach biedt hulp en ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking bij het vinden en behouden van werk. Ook bieden zij ondersteuning aan de werkgever.
• Korte afstand tot de arbeidsmarkt: personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt kunnen redelijkerwijs binnen 1 jaar werk vinden en behouden. • Kostendelersnorm: norm voor de hoogte van een uitkering volgens artikel 22a van de Participatiewet of artikel 5 van de IOAW of IOAZ. Naarmate meer mensen in een huis wonen, ontvangt iedere afzonderlijke uitkeringsgerechtigde een lagere uitkering omdat meer inwoners de kosten kunnen delen. • Levensonderhoud: de dagelijkse bestaanskosten, zoals kosten voor voeding, kleding, huur, energie, water en (zorg)verzekeringen. • Plan van aanpak: een document waarin de afspraken over arbeidsinschakeling tussen de inwoner en de gemeente worden vastgelegd. • Praktijkroute: het werkproces om werknemers op te nemen in het doelgroepenregister van het UWV. Met een inschrijving in het doelgroepenregister kan de gemeente een loonkostensubsidie verstrekken. Dit gebeurt door een onderzoek op de werkplek.
Verordening Sociaal Domein Urk
58
• Samenwonenden: een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet. • Uitkering: de bijstandsuitkering, de IOAW- of de IOAZ-uitkering. • Uitkeringsnorm: de voor de inwoner in zijn situatie maximale hoogte van een uitkering; dit is de bijstandsnorm uit de Participatiewet of de grondslag bedoeld in de IOAW of IOAZ. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met uitkeringsnorm bedoeld: de bijstandsnorm plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. • Vermogen: totaal aan bezit in geld en goederen; het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet. • Werkgever: een werkgever heeft een arbeidsovereenkomst met een werknemer. De werknemer werkt zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst. • Werknemer: een persoon die een arbeidsovereenkomst heeft met een werkgever of intentie heeft om deze aan te gaan. 13.3 Jeugdwet De begrippen in dit onderdeel zijn specifiek van toepassing voor de Jeugdwet. • BIG-register: het BIG-register komt voort uit de Wet BIG (Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg). • Boven-gebruikelijke hulp: hulp en zorg die onderdeel is van eigen kracht en omvangrijker en mogelijk intensiever is dan de gebruikelijke hulp.
• Eigen kracht: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet die gebaseerd is op de zorgplicht van ouders op grond van artikel 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek en zoals nader uitgewerkt in hoofdstuk 4 van deze verordening. • Gebruikelijke hulp: hulp en zorg die onderdeel is van eigen kracht en gaat over een beschermende woonomgeving, ouderlijk toezicht, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder normaal gesproken geeft aan een kind. Het is onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind volgens de richtlijn Gebruikelijke hulp (bijlage bij deze verordening). • Jeugdhulp: ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. • Jeugdbeschermingstafel (JBT): In een JBT wordt besproken of een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming noodzakelijk is. Dat gebeurt altijd samen met de ouder(s), betrokken professionals en de Raad voor de Kinderbescherming. Er is sprake van een ontwikkelingsbedreiging van het (ongeboren) kind nu of in de nabije toekomst, en/of er is sprake van zeer zorgelijke gezins- en/of omgevingsfactoren. Als vrijwillige hulp niet meer mogelijk of niet meer toereikend is dan kan in een JBT besloten worden tot een raadsonderzoek. In dat geval start de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek. • SKJ: het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).
Dit is het beroepsregister voor jeugdprofessionals. • Zorgplicht van ouders: het recht en de plicht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. In het Burgerlijk Wetboek staat dat daaronder in ieder geval wordt verstaan: a. de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind, alsmede b. het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid, c. de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen; d. het bieden van een beschermende woonomgeving. 13.4 Wet maatschappelijke ondersteuning De begrippen in dit onderdeel zijn specifiek van toepassing voor de Wmo.
Verordening Sociaal Domein Urk
59
• Eigen bijdrage: het maximale (geïndexeerde) bedrag als bedoeld in artikel 2.1.4a lid 4 van de Wmo (abonnementstarief) of het volgens de landelijke regels berekende bedrag ingeval van beschermd wonen en maatschappelijke opvang. • Gebruikelijke hulp: de hulp die in het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. • Huishoudelijke ondersteuning: geheel of gedeeltelijk ondersteunen of overnemen van noodzakelijke activiteiten in het huishouden (de woning) dan wel van de leefeenheid waartoe de inwoner behoort; • Normaal gebruik van de woning: het kunnen verrichten van de meest basale woonfuncties (eten, slapen, lichaamsreiniging, koken), het verrichten van belangrijke huishoudelijke werkzaamheden, horizontale en verticale verplaatsingen in en om de woning waaronder ook de toegang tot de woning. • Woning: woonruimte voor permanente bewoning bestemd en geschikt en waarbij geen wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte, was en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld. Hieronder begrepen een woonschip en een woonwagen mits bestemd én nog tenminste vijf jaar geschikt voor permanente bewoning. • Tegemoetkoming meerkosten: een tegemoetkoming op grond van artikel 2.1.7 Wmo.
Verordening Sociaal Domein Urk
60
14. Bijlage: Richtlijn gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp betreft verzorging, begeleiding en opvoeding van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind in relatie tot een kind met een behoefte aan jeugdhulp. Deze uitgangspunten zijn gebaseerd op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 en uitgewerkt in de CIZ indicatiewijzer versie 7.1. De gemeente neemt de leeftijd van het kind, de aard van de zorghandeling, de frequentie van de zorghandeling en de tijd die daarvoor nodig is als uitgangspunt. Bandbreedte gebruikelijke hulp Voor kinderen geldt dat er een bandbreedte is in het normale ontwikkelingsprofiel. Ook tussen kinderen van dezelfde leeftijd zonder behoefte aan jeugdhulp kan de omvang van de verzorging, begeleiding en opvoeding (per dag) verschillen. Het ene kind is nu eenmaal gemakkelijker of sneller zelfstandig dan het andere kind. Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook activiteiten omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Boven-gebruikelijke hulp Van boven-gebruikelijke hulp bij kinderen is pas sprake wanneer de omvang van de verzorging, begeleiding en opvoeding, waaronder toezicht meer is dan een gezond kind van dezelfde leeftijd gemiddeld nodig heeft. Dit kan betrekking hebben op chronische situaties. Kinderen van 0 tot 3 jaar • • • • •
hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig; ouderlijk toezicht is 24 uur per dag zeer nabij nodig; zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 3 tot 5 jaar
• • • • • • • • •
kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer); hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang; hebben hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen; hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding; zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Verordening Sociaal Domein Urk
61
Kinderen van 5 tot 12 jaar
• • • • • • • • •
hebben vanaf 5 jaar een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week; kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is); hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen; hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie; zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische, geestelijke en emotionele ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 12 tot 18 jaar
• • • • • • • • • •
hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden; kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden; kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen; hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig; hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding; hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen); hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Verordening Sociaal Domein Urk
62