C. ETFAL motivering TAM-plan Urkerweg 62 mei 2026
Tekst van het document
Onder een gemengd gebied met wonen kan tenslotte ook worden verstaan: o lintbebouwing in het buitengebied met een menging van wonen met agrarische en andere bedrijvigheid; o woongebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen.’
4.8.2 Motivering Er wordt in het planvoornemen geen gevoelige functie of activiteit zoals wonen toegevoegd. Wel zijn er gevoelige functies rondom het plangebied waaraan getoetst moet worden. In de CROW-publicatie zijn ‘sportscholen en gymnastiekzalen opgenomen. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter tot gevoelige functies voor geluid, voor het aspect geur is dat 10 meter. De afstand van de geplande sporthal tot de dichtstbijzijnde gevoelige functie (wonen) bedraagt circa 32 meter. Hiermee wordt voor de sporthal voldaan aan de richtafstanden. Voor de OV-hub (busstation) bedraagt de richtafstand van het aspect geur 10 meter. Voor het aspect geluid bedraagt de richtafstand 100 meter, terwijl de afstand van de OV-hub tot de dichtstbijzijnde woning slechts 10 meter bedraagt. Hiertoe is extra onderzoek vereist.
5 december 2025 | TAM-omgevingsplan ‘h22a Urkerweg 62’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl
26
4.8.3 Conclusie Het aspect 'bedrijfsactiviteiten en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan, mits het aspect geluid vanuit de OV-hub tot de omliggende woningen zo onderbouwd kan worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.9 Geluid 4.9.1 Beoordelingskader Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Bkl. Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Bij nieuwe ontwikkelingen met geluidgevoelige gebouwen, gelegen binnen een geluidaandachtsgebied van deze bronnen, moet worden beoordeeld in hoeverre de geluidsbelasting van deze bronnen op de geluidgevoelige gebouwen het woon- en leefklimaat beïnvloed. 4.9.2 Motivering geluid door (spoor)wegen Er is wordt in het planvoornemen geen geluidgevoelig gebouw gerealiseerd, waardoor geluid vanuit de omliggende wegen geen obstakel is voor de beoogde ontwikkeling.
4.9.3 Motivering geluid door industrieterreinen Er is wordt in het planvoornemen geen geluidgevoelig gebouw gerealiseerd, waardoor geluid vanuit de omliggende bedrijfsactiviteiten geen obstakel is voor de beoogde ontwikkeling, zoals verwoord in paragraaf 4.8. 4.9.3 Motivering geluid door beoogde activiteiten Resultaten langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is als bijlage 2 opgenomen in deze motivering. In de tabel onder is het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau weergegeven per activiteit. Indien milieubelastende activiteiten functioneel met elkaar in verbinding staan zijn deze gezamenlijk meegenomen in de bepaling van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau per woning.
5 december 2025 | TAM-omgevingsplan ‘h22a Urkerweg 62’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl
27
Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bij de overige activiteit én cumulatief overschrijdt de standaardwaarde van 50, 45 en 40 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode uit het Bkl niet. Vanuit dit oogpunt is er voor deze activiteiten dus sprake van een aanvaardbaar geluidniveau. De ontwikkeling leidt tot een beperkte overschrijding van de standaardwaarde in de avondperiode (19.0023.00) bij twee woningen. Dit zijn Talud 28 en 33. Deze overschrijding wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door stemgeluid van spelende kinderen, maar resulteert niet in een onaanvaardbaar binnenniveau. Hiermee is er geen sprake van een overschrijding in de grenswaarden volgens het Bkl. Daarmee blijft het woon- en leefklimaat in de betrokken woningen in algemene zin geborgd. De gemeente heeft onderzocht of een bronmaatregel in de vorm van een geluidsscherm wenselijk is. Het scherm zou, om effect te hebben, 80 meter lang moeten zijn en een hoogte moeten hebben van meer dan 3 meter. Vanwege de impact die dit heeft op de inpassing van het park in het landschap en het open uitzicht van de woningen en vanaf het park, is dit niet wenselijk. Ook qua kosten en de geringe reductie die dit oplevert in het geluidsniveau, oordeelt de gemeente dat het plaatsen van een geluidsscherm niet doelmatig is. Bij een overschrijding van de standaardwaarde kan er worden afgeweken tot de grenswaarde.
Bij toetsing aan deze grenswaarden blijft het stemgeluid expliciet buiten beschouwing en worden de activiteiten van de pumptrack en sport- en speelplein niet meegenomen. Het geluid van activiteiten horende bij de gymzaal blijft dit geval over en voldoet ruimschoots. Het berekende binnenniveau ligt aanzienlijk onder de geldende normen voor de grenswaarde. Ook wanneer het stemgeluid wordt meegenomen in een beoordeling voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, blijft het binnenniveau laag en in lijn met de systematiek van de instructieregels van het Bkl. Daarnaast voldoen de maximale geluidniveaus en de geluidbelasting als gevolg van verkeer aan de relevante standaardwaarden. De gemeente oordeelt hiermee dat er sprake blijft van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Alle overige activiteiten en cumulatieve geluidbelasting blijven binnen de geldende standaardwaarden. Indirecte hinder Als gevolg van verkeerstaantrekkende werking, die de geplande ontwikkeling met zich meebrengt, bedraagt het geluidniveau ten hoogste 40, 36 en 32 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode op de maatgevende woning aan de Urkerweg 60. Maximaal geluidniveau Activiteiten Pumptrack, Speel- en sportplein, gymzaal 5 december 2025 | TAM-omgevingsplan ‘h22a Urkerweg 62’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl
28
Het maximaal geluidniveau als gevolg van dichtslaande deuren van personenauto’s die de gymzaal aandoen bedraagt 77 dB(A) in de dag- en avondperiode. Dit geluidniveau vindt plaats op een deel van de woningen aan de Constantijnstraat 24a t/m 28e. Gezien het feit dat er zich in de huidige situatie al een openbare parkeerplaats bevindt op deze locatie is dit type geluid al eerder aanvaardbaar geacht. Het maximaal geluidniveau van spelende kinderen ter hoogte van de pumptrack en het speel- en sportplein bedraagt ten hoogste 62 dB(A) in zowel de dag- en avondperiode. Waarmee wordt voldaan aan de geldende standaardwaarde zoals deze zijn vermeld in het Bkl. OV-hub Op de maatgevende woning aan de Pieter van Vollenhovenstraat 55 bedraagt het maximaal geluidniveau als gevolg van rijdende bussen 65 dB(A) in zowel de dag-, avond- en nachtperiode. Hiermee vindt er geen overschrijding plaats van de standaardwaarde voor het maximaal geluidniveau van transportmiddelen zoals deze zijn vastgelegd in het Bkl. Detailhandel/horeca Op de maatgevende woning aan de Pieter van Vollenhovenstraat 55 bedraagt het maximaal geluidniveau als gevolg van rijdende bussen 65 dB(A) in zowel de dag-, avond- en nachtperiode. Hiermee vindt er geen overschrijding plaats van de standaardwaarde voor het maximaal geluidniveau van transportmiddelen zoals deze zijn vastgelegd in het Bkl.
4.9.4 Conclusie De ontwikkeling leidt tot een beperkte overschrijding van de standaardwaarde in de avondperiode bij twee woningen. Dit, op het gebied van stemgeluid van spelende kinderen in de avonduren. Het resulteert echter niet in een onaanvaardbare binnenniveau. Daarmee blijft het woon- en leefklimaat in de betrokken woningen in algemene zin geborgd. Vanuit de argumentatie hierboven oordeelt de gemeente dat er sprake blijft van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Alle overige activiteiten en cumulatieve geluidbelasting blijven binnen de geldende standaardwaarden. Het aspect 'geluid' vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.
4.10 Luchtkwaliteit 4.10.1 Beoordelingskader Voor luchtkwaliteit gelden doelen en omgevingswaarden. De doelen voor luchtkwaliteit zijn vastgelegd in het Schone Lucht Akkoord, waarbij het Rijk, de provincies en een groot aantal gemeenten streven naar het permanent verbeteren van de luchtkwaliteit. De maatregelen uit het akkoord moeten leiden tot een gezondheidswinst van minimaal 50% in 2030 ten opzichte van 2016. Hierdoor leven mensen langer, gezonder en met meer kwaliteit van leven. Initiatieven moeten een positieve bijdrage leveren aan de maatregelen die hieruit voortvloeien. Naast het Schone Lucht Akkoord zijn in Afdeling 2.2. van het Bkl omgevingswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden, stikstofdioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon opgenomen. In Nederland worden over het algemeen alleen mogelijke overschrijdingen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5) verwacht. Als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide of fijnstof in de buitenlucht, dan moeten de omgevingswaarden uit afdeling 2.2. van het Bkl in acht worden genomen. Dit volgt uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. In 2024 worden door de EU nieuwe omgevingswaarden vastgesteld, deze waarden gaan vanaf 2030 gelden.
Hierbij worden de grenswaarden verder aangescherpt en komen er voor meerdere stoffen resultaatsverplichtingen. De luchtkwaliteit hoeft in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Er bestaat namelijk een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een
5 december 2025 | TAM-omgevingsplan ‘h22a Urkerweg 62’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl
29
aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden, bijvoorbeeld wanneer sprake is van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal). Een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien: • •
•
aannemelijk is gemaakt dat het project niet leidt tot het overschrijden van een grenswaarde of niet leidt tot een toename van reeds bestaande overschrijding van een grenswaarde; aannemelijk is gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van het project per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; of bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit, door een met het project samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (saldering); aannemelijk is gemaakt dat het plan NIBM bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen.
Gevoelige functies De belangrijkste bepalende factor voor de blootstelling aan luchtverontreiniging door druk verkeer is de afstand tussen bron en ontvanger. Voldoende afstand wordt het meest effectief bereikt door hiermee rekening te houden bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij “[…] in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid”. Gevoelige groepen worden extra beschermd tegen blootstelling aan luchtverontreiniging door geen nieuwe voorzieningen voor langdurig verblijf te realiseren dichtbij drukke wegen. 4.10.2 Motivering Volgens de Atlas voor de Leefomgeving (www.atlasleefomgeving.nl/check-je-plek) bedraagt in de bestaande situatie de concentratie fijnstof in de lucht 6 µg PM2,5/m³. Dit is hoger dan de advieswaarde (volgens de World Health Organization) van 5 µg PM2,5/m³. De concentratie stikstofdioxide in de lucht bedraagt 7 µg NO2/m³. Deze waarde ligt onder de advieswaarde van 10 µg NO2/m³ van de WHO. De realisatie van een sporthal en een OV-hub van de beoogde omvang is een dusdanig kleine ontwikkeling dat de luchtkwaliteit in de realisatiefase en de gebruiksfase NIBM zal verslechteren. Een nader onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. 4.10.3 Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.
4.11 Geur 4.11.1 Beoordelingskader Er zijn diverse sectoren waarbij geuremissie een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening houden met geur door activiteiten in de omgeving van geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: • •
bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven);
Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van
5 december 2025 | TAM-omgevingsplan ‘h22a Urkerweg 62’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl
30
geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan de locaties vast waar waarden voor geur gelden. Sommige activiteiten kennen afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. De gemeente Urk heeft een Beleidsregel voor de beoordeling van geurhinder. Hierin zijn gevoelige, minder gevoelige en niet-gevoelige bestemmingen toegewezen. 1.
2.
3.
Gevoelige bestemmingen zijn gebieden waar grote aantallen mensen veelal langdurig verblijven. Hiertoe behoren woon- en leefgebieden, ziekenhuizen, verpleeghuizen, scholen, dagverblijven, winkelcentra, dag- en verblijfrecreatie (kampeerterreinen, volkstuinen met verblijfsaccommodatie, recreatiebungalows, drukbezochte recreatieobjecten) en kantoren gevestigd in algemene woon- en leefgebieden (niet op bedrijventerreinen). Daarbij geldt voor nieuwe gevoelige bestemmingen een strengere norm dan voor bestaande situaties. Minder gevoelige bestemmingen zijn: o a. agrarische bedrijfswoningen en op bedrijventerreinen gelegen (bedrijfs)woningen; o b. natuurterreinen, volkstuinen zonder verblijfsaccommodatie, sportterreinen, extensieve recreatieterreinen en vergelijkbare gebieden gekenmerkt door een lage bevolkingsdichtheid en de daar gevestigde bedrijfswoningen, en verspreid liggende (niet aaneengesloten) overige woningen; o c. bedrijven, kantoren, winkels op bedrijventerreinen tot en met categorie 3 als bedoeld in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering van 2009. Niet gevoelige bestemmingen zijn: o a. agrarisch buitengebied; o b. Bedrijven, kantoren en winkels op bedrijventerreinen waarop bedrijven van categorie 4 (als bedoeld in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering van 2009, bijgevoegd in Bijlage 1 bij deze beleidsregel) en hoger zijn toegestaan.
4.11.2 Motivering Het dichtstbijzijnde agrarische perceel ligt op 260 meter afstand van het plangebied. De dichtstbijzijnde veehouderij ligt op circa 1100 meter afstand aan de Urkerweg 54. Het noordelijk deel van het plangebied wordt ontwikkeld tot sportterrein en extensief recreatieterrein. Daarmee kan het gezien worden als ‘minder gevoelige bestemming’. De grote afstand tot bedrijven die mogelijk geurhinder veroorzaken zorgt ervoor dat dit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. 4.11.3 Conclusie Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.
4.12 Omgevingsveiligheid 4.12.1 Beoordelingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, risico’s door windturbines, het overstromingsrisico, wateroverlast en natuurbranden. Het risico wordt bepaald door de kans op een incident per jaar te vermenigvuldigen met het aantal slachtoffers dat kan vallen op een bepaalde locatie of in een gebied. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Naast deze risicobenadering is in de Omgevingswet een effectbenadering geïntroduceerd met het begrip ‘aandachtsgebieden’. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico voor (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties
5 december 2025 | TAM-omgevingsplan ‘h22a Urkerweg 62’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl
31
(art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Het plaatsgebonden risico wordt op basis van de vastgestelde afstanden vastgelegd in een contour. Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico (artikel 5.15 van het Bkl). Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk).
Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren (effectgebieden en geen risico-afstanden) zichtbaar op de kaart (Zie Atlas Leefomgeving op www.atlasleefomgeving.nl, Register externe veiligheid), zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. De gemeente mag een brand- of explosie –aandachtsgebied (of delen ervan) aanwijzen als voorschriftengebied waardoor er extra bouwkundige eisen gaan gelden voor nieuwe gebouwen. Kwetsbare functies Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico’s wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage VI). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen; de meeste basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen: • • •
Hoeveel personen zijn in dat gebouw of op die locatie gelijktijdig aanwezig? Wat is de aanwezigheidsduur van die personen? In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident.
Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren, aandachtsgebieden en het groepsrisico. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het toedelen van functies aan locaties. Daarnaast moet het bevoegd gezag motiveren (artikel 5.14 Bkl) waarom van een brand- en/of explosie-aandachtsgebied een voorschriftengebied wordt gemaakt als in dit gebied nieuwe (beperkt-) kwetsbare gebouwen mogelijk worden gemaakt. 4.12.2 Motivering Risicovolle objecten In de directe omgeving van het plangebied komen geen inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en/of buisleidingen voor. Kijkende naar risicokaart Nederland ligt het dichtstbijzijnde aandachtsgebied op ruim 1,1 km afstand van het plangebied. Overstromingsrisico Het plangebied ligt in een gebied met een kans 1 keer per 30 tot 300 jaar op overstroming vanuit zee, meer of rivier.
5 december 2025 | TAM-omgevingsplan ‘h22a Urkerweg 62’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl
32
Natuurbranden Het plangebied ligt niet in een risicogebied voor natuurbranden. 4.12.3 Conclusie Het aspect 'omgevingsveiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.
4.13 Ecologie 4.13.1 Beoordelingskader De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming geregeld. Flora- en fauna-activiteiten Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en faunaactiviteiten. De Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als volgt: ‘Activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: • •
Er soorten aanwezig zijn; Welke soorten dat zijn.
Gebiedsbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Ook worden de instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd in artikel 2.44 van de Omgevingswet. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. In Nederland voor ruim 160 gebieden. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden.
Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee.
5 december 2025 | TAM-omgevingsplan ‘h22a Urkerweg 62’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl
33
4.13.2 Motivering Met als doel de gevolgen van de beoogde activiteiten voor de in de omgeving aanwezige natuurwaarden te onderzoeken is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn als bijlage 3 opgenomen in deze ruimtelijke motivering. Gebiedsbescherming Natura 2000 Op het leefgebied van de doelsoorten van de Natura2000gebieden zijn door de geplande werkzaamheden geen effecten te verwachten. Daarmee is er geen effect op de doelsoorten van deze gebieden. Stikstof Of de beoogde activiteiten in de aanleg- en gebruiksfase gevolgen hebben voor de stikstofuitstoot en daarmee een indirect effect hebben op de kwaliteit van Natura2000 gebieden is onderzocht door middel van een AERIUS-berekening. In de toekomstige situatie komt het busstation in de plaats van 2 bushaltes. Er wordt geen toename in verkeersbewegingen verwacht omdat de verkeersbewegingen enkel op een andere locatie plaatsvinden. Om deze reden is er geen gebruiksfase opgesteld. De realisatiefase resulteert in een maximale toename van 0,00 mol N/ha/jaar (bijlage 10 & 11). Deze komt niet boven de dieselgrens zoals opgenomen in de bijlagen 10 en 11. Significant negatieve effecten op natura 2000gebieden zijn daarmee uitgesloten. Er zijn geen vervolgstappen nodig om significant negatieve effecten uit te sluiten.
Natuurnetwerk Nederland De werkzaamheden en ontwikkelingen hebben geen (direct of indirect) effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Dit onderdeel vraagt derhalve geen extra aandacht. Houtopstanden De houtopstanden liggen in de bebouwde kom zoals die vastgesteld is voor de houtopstanden. Daarmee dient de regelgeving van de gemeente Urk gevolgd te worden en zal de kap derhalve met de gemeente Urk besproken moeten worden. Soortenbescherming Uit het ecologisch onderzoek blijkt dat de ontwikkeling heeft effect op een aantal niet vrijgestelde beschermde soorten. Het betreft: • Huismus • Boerenzwaluw • Bunzing Uit nader onderzoek naar deze soorten is gebleken dat er nesten aanwezig zijn van de huismus en de boerenzwaluw in de te slopen gebouwen. Deze nesten zijn jaarrond beschermd. Als gevolg van de sloop van de gebouwen verdwijnen deze nestlocaties. Om die reden is voor het slopen van de aanwezige bebouwing een omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit noodzakelijk. Tijdens het nader onderzoek zijn geen kleine marterachtigen aangetroffen. Maar gezien de omgeving kan de aanwezigheid van de bunzing niet worden uitgesloten. Omdat de werkzaamheden om de voorgenomen ontwikkelingen te kunnen realiseren het leefgebied van de bunzing aantast is een omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit noodzakelijk.
Omgevingsvergunning flora en fauna activiteit Op 12 mei 2025 heeft de gemeente Urk voor hierboven beschreven beschermde diersoorten een omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit aangevraagd bij de provincie Flevoland. Op 7 juli 2025 heeft de provincie de noodzakelijke omgevingsvergunning verleend. De omgevingsvergunning is als bijlage 4 opgenomen in deze ruimtelijke motivering. Zorgplicht
5 december 2025 | TAM-omgevingsplan ‘h22a Urkerweg 62’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl
34
In artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), is de zorgplicht voor alle in het wild voorkomende planten en dieren vastgelegd. Lid 1 van het artikel luidt als volgt: 1.
“Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht: a. “alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.”
Deze zorgplicht wordt nader geconcretiseerd omdat initiatiefnemers op grond van lid 2 verplicht zijn zich ervan dienen te vergewissen dat op de locatie van de voorgenomen activiteit, geen in het wild levende dieren van beschermde soorten of hun belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats aanwezig zijn (BIJ12, 2024). 4.13.3 Conclusie Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.
4.14 Waterbelangen 4.14.1 Inleiding In deze paragraaf worden de waterbelangen van het project afgewogen. Hiertoe is een weging van het waterbelang uitgevoerd. 4.14.2 Digitaal wateradvies Het doel van de weging van het waterbelang is om in een vroeg stadium in overleg te treden met het waterschap over de voorgenomen ontwikkeling. Hiertoe is een digitaal wateradvies ingewilligd. Uit de eerste alinea van bijlage 5 (wateradvies) komt naar voren dat de normale procedure van toepassing is. Het volledige digitale advies is als bijlage 5 opgenomen in de ruimtelijke motivering. 4.14.3 Weging van het waterbelang Wet- en regelgeving en beleid De belangrijkste wet- en regelgeving en beleid op het gebied van water is hier opgenomen. Kader Richtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater.
Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw zijn twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • vasthouden, bergen en afvoeren;
5 december 2025 | TAM-omgevingsplan ‘h22a Urkerweg 62’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl
35
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren.
Omgevingswet Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de implementatie van de Omgevingswet verandert de wet- en regelgeving voor ruimtelijke projecten. De wet vervangt vele wetten en gaat uit van een integrale benadering van alle aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals ruimtelijke ordening, milieukwaliteit, natuur, bodem én water. Voor de Omgevingswet stellen provincies en gemeenten omgevingsvisies en omgevingsplannen op. Alle ambities en keuzes over het beheer, beschermen en benutten van de leefomgeving staan hierin. Belangrijk onderdeel van het ruimtelijk proces is de participatie van alle belanghebbenden. Omgevingsvisies en omgevingsplannen komen in de plaats van de bestaande structuurvisies en bestemmingsplannen. Uiterlijk in 2032 dienen alle bestaande plannen vervangen te zijn. Water is een essentieel onderdeel van onze leefomgeving. Belangrijke opgaven zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. De Omgevingswet beschrijft wat onder het beheer van een watersysteem valt.
Het beheer is gericht op: • het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met; • het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van die watersystemen en; • de vervulling van de aan die watersystemen toegekende maatschappelijke functies’. Het waterschap neemt regels over waterstaatswerken op in de waterschapsverordening. Hierin is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren, de zogenaamde waterstaatswerken, en staan regels over het beheer en onderhoud. Vanaf januari 2024 heeft deze de Keur en de Algemene regels bij de Keur vervangen. Waterwet De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’ centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De Waterwet is nagenoeg geheel opgegaan in de Omgevingswet. De bepalingen rondom het huidige deltaprogramma en de financiële bepalingen over de verontreinigingsheffing en de provinciale grondwaterheffing gaan later over naar de Omgevingswet. Programma’s Water en Ruimte In een programma leggen het Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten maatregelen vast om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te bereiken.
Het onderwerp ‘ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot water’ is daarbij een belangrijk onderdeel. Centraal hierin staat het werken aan schoon, veilig en voldoende water, dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de natuur, de landbouw en de scheepvaart. Programma’s zijn, in tegenstelling tot omgevingsvisies, meer gericht op uitvoering op korte termijn. En waar in de omgevingsvisie vooral een integrale benadering van belang is, richten programma’s zich vaak op slechts één of een paar onderdelen van de fysieke leefomgeving. De vastgestelde maatregelen in programma’s zijn een uitwerking van het globale beleid dat in omgevingsvisies over water en ruimte is opgenomen. Er zijn een aantal verplichte programma’s waarin maatregelen over ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot water kunnen staan: • Nationaal waterprogramma (Rijk) – gericht op het beheer van rijkswateren • Regionaal waterprogramma (provincie) – gericht op regionale oppervlaktewaterlichamen, grondwaterlichamen en waterwinlocaties • Waterbeheerprogramma (waterschap) – gericht op de watersystemen in beheer bij het waterschap Watervisie en Waterbeheerprogramma Waterschap Zuiderzeeland
5 december 2025 | TAM-omgevingsplan ‘h22a Urkerweg 62’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl
36
De Watervisie verbindt waterthema’s en maatschappelijke opgaven. Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgen dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater. Uitwerking beleidsthema’s Waterveiligheid De locatie ligt niet buitendijks of in een beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema waterveiligheid van toepassing. De projectlocatie is gelegen binnen het bestaande stedelijke gebied van Urk ter plaatse van de Urkerweg 62. De noordzijde van de projectlocatie grenst aan de Polderwijk aan de Oostzijde aan de Oranjewijk. Zowel de Oranje- als de Polderwijk kennen een gescheiden rioolsysteem. Het waterpeil rondom de Polderwijk is “opgezet” en kent een streefpeil van 4.70- NAP.
Het hemelwater van de projectlocatie watert echter af op de rondom het perceel aanwezige watergangen. Zij maken deel uit van de zogenaamde Lage afdeling met het streefpeil van 5,70 – NAP. De Urkervaart en de oostelijk gelegen Oranjewijk maken tevens deel uit van deze Lage afdeling. Het maaiveld van aangrenzende woonwijken ligt gemiddeld ca. 0,70 m hoger dan de beoogde maaiveldhoogte van de projectlocatie. De gemiddelde grondwaterstand (4,90 – NAP) is relatief hoog t.o.v. het maaiveld de nieuwe ontwikkelingen op de projectlocatie.
Streefpeil (peilvak) projectlocatie
5 december 2025 | TAM-omgevingsplan ‘h22a Urkerweg 62’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl
37
Rioolsysteem projectlocatie De hoogte van het huidige maaiveld varieert van 4.10 – NAP bij het boerderijpand tot 4,50 - NAP van het noordelijke gelegen weiland. De bodem van de projectlocatie bestaat uit kleiig veen.
Voldoende water - wateroverlast Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat voldoet aan de normering voor wateroverlast. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. De situatie van het beheergebied begin 2013 is de nulsituatie. De compensatieplicht geldt voor de netto toename van het verhard oppervlak vanaf de nulsituatie. Genoemde beleidsregel wordt herzien met een verwachte vaststelling rond 2027. Daarbij wordt ook de bergingsnorm geactualiseerd in lijn met de meest recente KNMI-klimaatscenario’s en neerslagstatistieken. De bestaande bergingsnorm maakt dan plaats voor een methodiek in de vorm van een universele norm die toepasbaar is voor open water én alternatieve waterberging.
Voor een klimaatbestendige leefomgeving, nu en in de toekomst, is voldoende ruimte voor water cruciaal. In dit licht wordt initiatiefnemers nadrukkelijk geadviseerd uit te gaan van de toekomstige advies-bergingsnorm. Deze is gebaseerd op KNMIklimaatscenario’s van 2023 en bijbehorende neerslagstatistiek: 10,2 m³/100 m² toename verhard oppervlak. Streefbeeld Het maaiveld van aangrenzende woonwijken ligt gemiddeld ca. 0,70 m hoger dan de beoogde maaiveldhoogte van de projectlocatie. De gemiddelde grondwaterstand (4,90 – NAP) is relatief hoog t.o.v. het maaiveld de nieuwe ontwikkelingen op de projectlocatie. De toekomstige maaiveldhoogte van de locatie blijft lager liggen, ca, 0,60 m, dan het omringende maaiveld van de Polderwijk en de Oranjewijk in verband met zettingsgevoelige
5 december 2025 | TAM-omgevingsplan ‘h22a Urkerweg 62’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl
38
grondlagen. Het vloerpeil van de gymzaal is geprojecteerd op 3,75- NAP en sluit aan op de vloerpeilen van de Oranje- en Polderwijk. Om de grondwaterstand te reguleren wordt een aanvullend drainagesysteem gerealiseerd dat afwatert op het oppervlaktewater van de Lage afdeling. Compensatie toename verhard oppervlak Het hemelwater van de daken en de verhardingen wordt vertraagd afgevoerd naar de rondom liggende watergangen. Aan de westzijde van de nieuwe gymzaal wordt ook een wadi gerealiseerd. Het hemelwater van het dakoppervlak van de gymzaal stroomt daarop af. Deze wadi stort over op de in het midden van de projectlocatie gelegen watergang. Voor de OV-hub, PlaceX en pumptrackbaan wordt een IT-riool aangelegd waarmee het hemelwater ook lokaal wordt geborgen en geïnfiltreerd. De randen van de terreinverhardingen wateren vertraagd af op de naastgelegen groenstructuur en infiltreren in de bodem. De bestaande terreinverhardingen en daken hebben een oppervlakte van 3045 + 265 = 3.310 m2. Bij de herontwikkeling wordt uitgegaan van 510 m2 dakoppervlak, 7.065 m2 terreinverharding en 915 m2 van het bestaande parkeerterrein, samen 8.490 m2. Er is daarmee sprake van een totale toename van het verharde oppervlak van 8.490 – 3.310 m2 = 5.180 m2. Op basis van de huidige bergingsnorm moet 5,5% van 5.180 m2 = 285 m2 gecompenseerd worden.
Deze compensatie wordt gerealiseerd door het wateroppervlak van de bestaande watergang met 260 m2 te verbreden. Tevens wordt een wadi wordt met een overstortconstructie aangebracht waarin ca. 45 m3 geborgen kan worden (equivalent 230 m2 wateroppervlak). In de projectlocatie wordt totaal 490 m2 wateroppervlak gecompenseerd. Als bijlage 7 in de ruimtelijke motivering is een tekening opgenomen die de aanpassingen aan de watergang inzichtelijk maakt. Bij de hantering van de bergingsnorm gaat het om het benodigde oppervlak open water op streefpeil. Oplossingen voor eventuele waterhuishoudkundige problemen worden bij voorkeur ter plaatse van de locatie gevonden. Als dit niet mogelijk is, wordt dichtbij de locatie compensatie gezocht. Dit moet binnen hetzelfde peilgebied zijn of eventueel benedenstrooms. De compensatie wordt vóór aanleg van de verharding gerealiseerd. De reeds aanwezige ruimte voor berging mag niet afnemen. Voldoende water – goed functionerend watersysteem Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste gronden oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Het waterschap wil een watersysteem met grote peilvakken.
Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. In nieuwe watersystemen wordt gestreefd naar watergangen met een minimum aantal duikers of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Het watersysteem wordt dusdanig ingericht dat het goed beheerbaar is. De watergangen binnen de projectlocatie maken momenteel geen deel uit van het stedelijke oppervlaktewatersysteem. Het betreft voormalige perceelsloten. Zij blijven in eigendom, beheer en onderhoud bij de gemeente Urk. Of de watergangen later al dan niet in beheer en onderhoud worden overgedragen op basis van de afspraken van maatwerkovereenkomst stedelijk water wordt later bezien. De projectlocatie en daarmee de verbreding is gevoelig voor opbarsten. Op basis van gegevens van te plaatsen peilbuizen en aansluitende hydraulische constructieve berekeningen wordt de dikte een zandpakket bepaald dat evenwicht biedt. In de noordelijke watergang wordt een dam met een duiker (diameter 400 mm) aangebracht. In de ten zuiden van de Polderwijk gelegen watergang (streefpeil 4.90 -) wordt de bestaande loopbrug vervangen door een nieuwe loop/fietsbrug conform de legger van het waterschap Zuiderzeeland.
Schoon water - hemelwater Conform de Omgevingswet is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen te brengen in oppervlaktewateren. In bestaande en nieuwe watersystemen wordt uitgegaan van het principe ‘schoon houden, scheiden, zuiveren’. Verontreinigingen van hemelwater worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Daarnaast geldt het principe ‘vasthouden, bergen en afvoeren’. Dit om afwenteling (wateroverlast) te voorkomen.
5 december 2025 | TAM-omgevingsplan ‘h22a Urkerweg 62’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl
39
Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat schoon en vervuild hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt verwerkt. Bij voorkeur door infiltratie in de bodem. Als infiltratie niet kan dan door lozing in oppervlaktewater, waarbij vervuild hemelwater vooraf gezuiverd wordt. Bij nieuwbouwgebieden is de aanleg van een gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. In bestaand gebied wordt ernaar gestreefd om schoon hemelwater af te koppelen van het rioolstelsel. Het ombouwen van bestaande gemengde stelsels naar gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Onder schoon hemelwater wordt het volgende verstaan. • Hemelwater van verhardingen met een verkeersintensiteit lager dan 1.000 voertuigen per etmaal; • Hemelwater vanaf parkeerplaatsen met minder dan 50 plaatsen; • Hemelwater van daken/bebouwing waarbij geen voor het watersysteem schadelijke uitloogbare stoffen zijn gebruikt; • Hemelwater van onverhard terrein; • Hemelwater van centrumgebieden (met uitzondering van marktterreinen). Als het afstromend hemelwater hier niet aan voldoet, dan geldt het volgende. Op grond van art. 2.12 van de Waterschapsverordening gelden emissiegrenswaarden voor afstromend hemelwater van parkeerterreinen met meer dan 50 parkeerplaatsen en van wegen met meer dan 1.000 vervoersbewegingen per etmaal.
Deze emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing als het hemelwater een bodempassage doorstroomt die voldoet aan de richtlijnen in de Kennisbank Stedelijk Waterbeheer van Stichting RIONED. Aan lozingen in oppervlaktewater als gevolg van uitlogende (bouw)materialen (bijvoorbeeld zinken of koperen daken) kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld. Aan de westzijde van de sporthal wordt een wadi gerealiseerd. Hier zal het dakoppervlak van de sporthal op afstromen. De wadi krijgt een overstort op de watergang die door het plangebied loopt. Voor de OV-hub, PlayceX en pumptrackbaan wordt een IT-riool aangelegd waarmee water lokaal wordt geborgen en geïnfiltreerd. Ook deze krijgt een overstort op de watergang die door het plangebied loopt. De watergangen van de projectlocatie staan in directe verbindingen met het de lage afdeling (peilvak Urkervaart 5,70 – NAP) maar maken geen deel uit van de KRW. Voor deze watergangen gelden de doelen niet KRW wateren die zijn vastgelegd in het GWRP 2022-2028. Schoon water - afvalwater Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan.
Verontreiniging van het oppervlaktewater door afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) wordt voorkomen. De volgende voorkeursvolgorde geldt in het omgaan met afvalwater: 1. Lozingen in oppervlaktewater voorkomen 2. Afvalwater vergaand hergebruiken 3. Aansluiten afvalwaterstroom op riolering 4. Afvoeren per as (transport) 5. Opslaan en gelijkmatig verspreiden over akkerland 6. Lokaal zuiveren (IBA) en lozen in oppervlaktewater Bij het afvoeren van afvalwater via openbare riolering naar een rioolwaterzuivering (AWZI) geldt dat de inrichting van de riolering in een plangebied wordt afgestemd op de infrastructuur van de gemeente en het waterschap. Aan lokaal zuiveren en lozen van huishoudelijk afvalwater worden minimale afstandscriteria tot
5 december 2025 | TAM-omgevingsplan ‘h22a Urkerweg 62’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl
40
de openbare riolering en emmissiegrenswaarden gesteld in de Waterschapsverordening. Hiervoor gelden strengere eisen bij lozing in oppervlaktewater met bijzondere bescherming op grond van de Omgevingswet, bijbehorende regelingen en de Waterschapsverordening. De gymzaal krijgt een vuilwateraansluiting vanaf het bestaande vuilwaterriool in de Constantijnstraat. De afvalwaterproductie van de huidige kinderboerderij wordt 2 m³/dag gesteld. Het gebouw van de boerderij blijft bestaan voor de OV en wordt minder intensief gebruikt. In de nieuwe situatie wordt uitgegaan van afvalwaterproductie 1,5 m³/dag. De afvalwaterproductie van de nieuw ter realiseren gymzaal bedraagt ca. 2 m3/dag. Er is sprake van een toename van de hoeveelheid afvalwater. De gymzaal wordt aangesloten op het bestaande vuilwaterriool in de Constantijnstraat van de Oranjewijk. Het pand van de huidige boerderij is aangesloten op het pompgemaaltje van het perceel van het naastgelegen buurthuis “de Rots”, Urkerweg 64. Ook de nieuwe ontwikkeling die hier in de toekomst gerealiseerd wordt, blijft daarop aangesloten. Er wordt een stijging van de vuilwaterproductie verwacht van 2 m3/dag ten opzichte van de bestaande situatie. Dit levert geen problemen voor de bestaande gemalen van de Polderwijk en de Oranjewijk.
Overzicht maatregelen en voorzieningen Om mogelijke negatieve effecten op de waterhuishouding te voorkomen, worden de volgende maatregelen getroffen: a) Hemelwaterafvoer: Het hemelwater van de daken en de verhardingen wordt vertraagd afgevoerd naar de rondom liggende watergangen. Aan de westzijde van de nieuwe gymzaal wordt ook een wadi gerealiseerd. Het hemelwater van het dakoppervlak van de gymzaal stroomt daarop af. Deze wadi stort over op de in het midden van de projectlocatie gelegen watergang. Voor de OV-hub, PlaceX en pumptrackbaan wordt een IT-riool aangelegd waarmee het hemelwater ook lokaal wordt geborgen en geïnfiltreerd. De randen van de terreinverhardingen wateren vertraagd af op de naastgelegen groenstructuur en infiltreren in de bodem. De toename van het verharde oppervlak wordt gecompenseerd door het wateroppervlak van de bestaande watergang te verbreden. b) Vuilwaterafvoer: De gymzaal wordt aangesloten op het bestaande vuilwaterriool in de Constantijnstraat van de Oranjewijk. Het pand van de huidige boerderij is aangesloten op het pompgemaaltje van het perceel van het naastgelegen buurthuis “de Rots”, Urkerweg 64. Ook de nieuwe ontwikkeling die hier in de toekomst gerealiseerd wordt, blijft daarop aangesloten. Er wordt een stijging van de vuilwaterproductie verwacht van 2 m3/dag ten opzichte van de bestaande situatie.
Dit levert geen problemen voor de bestaande gemalen van de Polderwijk en de Oranjewijk. c) Grondwater: De toekomstige maaiveldhoogte van de locatie blijft lager liggen dan het omringende maaiveld van de Polderwijk en de Oranjewijk . Om de grondwaterstand meer te reguleren wordt een aanvullend drainagesysteem gerealiseerd dat afwatert op het oppervlaktewater van de Lage afdeling. 4.14.3 Conclusie Met de voorgenomen ontwikkeling zijn geen waterbelangen in het geding. Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.
4.15 Duurzame fysieke leefomgeving 4.15.1 Beoordelingskader In artikel 1.3 van de Omgevingswet (zie paragraaf 1.2) zijn maatschappelijke doelen opgenomen met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en bescherming en verbetering van het leefmilieu. Uit deze maatschappelijke doelen komt naar voren dat de wet draait om het bereiken van een duurzame balans tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Het realiseren van een duurzame fysieke leefomgeving vormt de invulling van de maatschappelijke doelen.
5 december 2025 | TAM-omgevingsplan ‘h22a Urkerweg 62’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl
41
4.15.2 Motivering De gemeente wil een gedeelte van de bestemming ‘Maatschappelijk’ omzetten naar de bestemming ‘Verkeer’. Hiermee is beoogd het planologische regime in overeenstemming te brengen met toekomstige gebruik van het plangebied. Binnen het te behouden deel ‘Maatschappelijk’ is de initiatiefnemer voornemens een sporthal te bouwen. Tevens worden alle bouwwerken behalve het hoofdgebouw ten behoeve van de beoogde ontwikkeling gesloopt. Er vindt enige toename plaats van verharding, maar er worden ook meer bomen geplant, wat extra water vasthoudt, zorgt voor extra leefgebied voor diersoorten en het zorgt voor extra verkoeling. Uit de motivering van de verschillende omgevingsaspecten die van invloed zijn op een duurzame fysieke leefomgeving, denk aan bodem, ecologie en waterhuishouding, komt naar voren dat de voorgenomen activiteiten geen negatieve effecten hebben op de leefomgeving, maar ook niet leiden tot een duurzamere fysieke leefomgeving. 4.15.3 Conclusie Het aspect 'duurzaamheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.
4.16 Gezonde leefomgeving 4.16.1 Beoordelingskader In artikel 1.3 van de Omgevingswet (zie paragraaf 1.2) zijn maatschappelijke doelen opgenomen met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en bescherming en verbetering van het leefmilieu. Uit deze maatschappelijke doelen komt naar voren dat de wet draait om het bereiken van een duurzame balans tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Het realiseren van een duurzame fysieke leefomgeving vormt de invulling van de maatschappelijke doelen. De gezondheid van de mens wordt bepaald door verschillende factoren, waaronder erfelijkheid, leefstijl, toegang tot de gezondheidszorg en de sociale en fysieke leefomgeving. Bij het bieden van bescherming gaat het om bescherming tegen invloeden vanuit het milieu, zoals geluid en luchtverontreiniging, maar ook tegen ziekteverwekkers uit de veeteelt, elektromagnetische straling en de gevolgen van klimaatverandering. Dit krijgt in het omgevingsplan onder meer vorm door te voorzien in een scheiding tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies (milieuzonering) en het stellen van regels voor activiteiten over aspecten als geur, geluid, luchtkwaliteit, trillingen, bodemkwaliteit en hittebestendigheid/verkoeling. Op (een aantal van) deze aspecten is ingegaan in de voorgaande paragrafen van deze motivering.
Bij het bevorderen van gezondheid en faciliteren van een gezondere leefstijl gaat het om een aantrekkelijke en veilige inrichting en om maatregelen die bijdragen aan een gezondere leefstijl. Het gaat dan om mogelijkheden tot bewegen, spelen, sporten en ontspanning en om de aanwezigheid van dagelijkse voorzieningen in de buurt. Maar ook om mogelijkheden van het maken van gezonde keuze als het gaat om voeding, ontmoeten, sociale veiligheid en verkeersveiligheid. Verder gaat het om gedragsbeïnvloedende maatregelen, zoals rookvrije openbare locaties. De fysieke omgeving kan op verschillende manieren positieve dan wel negatieve invloed hebben op de gezondheid van inwoners. Daarom wordt de invloed van het initiatief op gezondheid van gebruikers en de directe omgeving (naast de verschillende onderdelen) ook in totaliteit bekeken en afgewogen. Een negatief effect op gezondheid vanuit één aspect wordt niet automatisch gecompenseerd door een positief effect op een ander aspect. Dit hangt van de situatie en de betrokken aspecten af. 4.16.2 Motivering Uit de motivering van de omgevingsaspecten in de vorige paragraven blijkt dat er sprake is van een gezonde leefomgeving. Met de toename van sport- en recreatiemogelijkheden in het noordelijke deel van het plangebied zorgt voor positieve effecten ten aanzien van de gezonde leefomgeving.
4.16.3 Conclusie Het aspect 'gezondheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.
5 december 2025 | TAM-omgevingsplan ‘h22a Urkerweg 62’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl
42
4.17 Conclusie fysieke leefomgeving De milieu- en omgevingsaspecten van de fysieke leefomgeving vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.
5 december 2025 | TAM-omgevingsplan ‘h22a Urkerweg 62’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl
43
5. Toelichting op de regels 5.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande en toekomstige situatie, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten van de fysieke leefomgeving. Op basis van de informatie uit deze hoofdstukken wordt geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze informatie is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het TAM-omgevingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het TAM-omgevingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de functies aan locaties.
Met het TAM-omgevingsplan ‘h22a Urkerweg 62’ worden de huidige bestemmingen gewijzigd, zodat een gedeelte het vlak waar nu een kinderboerderij is gebruikt kan worden als busstation en in een gedeelte een sporthal gebouwd kan worden, met rondom nieuwe paden begroeiing en recreatievelden.
5.2 Opzet van de regels Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. In verband met de publicatievereisten van een TAM-omgevingsplan wordt er op de verbeelding nog gewerkt met ‘bestemmingen’ in plaats van ‘functies’. 5.2.1 Inleidende bepalingen Hoofdstuk 1 bevat de inleidende bepalingen, deze regels gelden voor het gehele plangebied en bestaan uit: •
• • • •
Artikel 1 Toepassingsbereik: dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan. Artikel 2 Toepassing begripsbepalingen: in dit artikel is opgenomen dat de begripsbepalingen uit de wet van toepassing zijn op dit omgevingsplan. Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen: in dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voorzover niet zijn vastgelegd in de wet en specifiek van toepassing zijn op dit omgevingsplan, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen: dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod: het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies.
5.2.2 Functieregels In hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan. In paragraaf 5.3 van de toelichting worden de verschillende bestemmingen nader toegelicht.
5 december 2025 | TAM-omgevingsplan ‘h22a Urkerweg 62’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl
44
5.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: • •
Artikel 10 Algemene bouwregels: in de algemene bouwregels zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van het voorzien in de noodzakelijke parkeerbehoefte en het laden en lossen. Daarbij wordt verwezen naar de gemeentelijke Parkeernormennota, die als bijlage bij de regels is opgenomen; Artikel 12 Algemene afwijkingsregels: op basis van de algemene afwijkingsregels kan in bepaalde gevallen, wanneer sprake is van kleine overschrijdingen van functie- en/of bouwvlakken of de beoordelingsregels voor het bouwen, worden afgeweken van de functieregels uit hoofdstuk 2 van de regels.
5.3 Nadere toelichting op de functies Het omgevingsplan voorziet voor de locatie in de functies ‘Gemend’, 'Groen', 'Maatschappelijk' en 'Verkeer'. Het voorzieningengebouw bij de OV-hub krijgt de functie ‘Gemengd’, zodat dit gebouw met meerdere gebruiksfuncties kan worden ingevuld. De groen- en speelvoorzieningen vallen binnen de functie ‘Groen’. De functie ‘Maatschappelijk’ is bedoeld voor de sporthal. De OV-hub krijgt de functie ‘Verkeer’. In regels zijn per functie beoordelingsregels opgenomen voor gebruiks- en bouwactiviteiten.