CConstaterende datTytsjerksteradiel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Transitievisie warmte (warmtevisie).pdf

RAADSVERGADERING 2018 t/m 2024 18 februari 2021, gemeente TytsjerksteradielBij agendapunt: Duurzaamheidsagenda, transitievisie warmte, RKC-rapport: Raad weten met Energie (besluitvormend)31.237 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

3.1 Inzicht in de opgave De uitgangssituatie De gemeente Achtkarspelen telt 27.843 inwoners11 en bestrijkt een oppervlakte van 104 km2. Voor Tytsjerksteradiel ligt dit op 32.047 inwoners12 en 162 km2. Het zijn beide landelijke gemeenten, samengesteld uit een aantal kernen. De dorpskernen zijn het meest bebouwd, al is er geen sprake van dichte bebouwing. Langs verbindingswegen zien we zogenoemde lintbebouwing van veelal vrijstaande gebouwen. De gemeenten Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel liggen ten oosten van de Friese hoofdstad Leeuwarden in het gebied dat samen met twee andere gemeenten13 Noordoost-Fryslân vormt. In ANNO-verband14 wordt ook met deze gemeenten samengewerkt. Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel zijn gelegen in Nationaal Landschap De Noardlike Fryske Wâlden en in Nationaal Park De Alde Feanen. Unieke natuurgebieden met boomwallen, elzensingels en veel water. Binnen de gemeenten zijn in verhouding veel inwonersinitiatieven en lokale energiecoöperaties actief. Inwoners van Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel gaan dus graag zelf aan de slag met de energietransitie. Dit zijn nuttige inzichten bij het formuleren van een aanpak om inwoners te activeren en na te gaan welke gemeentelijke partners vaak als eerste in beeld komen bij een samenwerking.

Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel zijn in de warmtetransitie erg afhankelijk van de beslissingen die particuliere woningeigenaren maken. In beide gemeenten is het percentage aan particuliere woningeigenaren hoog. De figuur hieronder toont de verhoudingen in eigendom van de woningen in beide gemeenten.

Figuur 2 – Percentage woningen naar eigendom, per gemeente. Aantallen afkomstig uit Klimaatmonitor, bronjaar 2017.

11 Op 1 januari 2020, bron www.achtkarspelen. 12 Op 1 januari 2020, bron www.t-diel.nl. 13 Gemeente Noardeast Fryslân en Dantumadiel. 14

Samenwerking Agenda Netwerk Noordoost.

24 / 142

Net als in de rest van Nederland, zijn de meeste woningen in Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel nog aangesloten op het aardgas. De transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving speelt een belangrijke rol in de weg naar energieneutraliteit, de ambitie van beide gemeenten. Zoals in hoofdstuk 1 is aangegeven, verlopen transities meestal niet lineair. In de praktijk zal het tempo in de eerste jaren minder hoog zijn dan in de jaren die dichter bij 2040 en 2050 liggen. Het gemiddelde aantal geeft wel inzicht in de opgave waar we voor staan. Wat betreft het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving is het landelijk de verwachting dat het tempo wordt versneld en dat er toegewerkt wordt naar een tussendoel van 50.000 woningen per jaar vanaf 2021. Dit zal vervolgens groeien naar meer dan 200.000 per jaar in 203015. Onderstaande figuur geeft hier een indicatie van.

Figuur 3 – ‘Gasloos: Wie gaan er over en hoe krijgen we ze zo ver?’, C. Tigchelaar, ECN, 20-10-2017, ECN-L—17-035.

Voor beide gemeenten is een energiemix opgesteld (zie figuur 4 en 5). De energiemixen geven scenarioschetsen weer van de mogelijke energiemix voor een energieneutraal Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel. De energiemix biedt inzicht in de energiebehoefte in de nulsituatie (peiljaar 2016 16) en de verwachte energievraag voor de gemeente Achtkarspelen in uiterlijk 2050 en voor Tytsjerksteradiel in 2040. De energiemixen moeten gezien worden als 'praatplaten' en als een van de vele scenario’s voor de toekomstige energiemix. In de energiemix van Achtkarspelen is te zien dat het aardgas in de gebouwde omgeving momenteel voor meer dan een derde van het energiegebruik zorgt. Voor Tytsjerksteradiel ligt het aardgasverbruik in de gebouwde omgeving momenteel op ongeveer een kwart van het energiegebruik. Het is goed om te beseffen waar de besparingen uit de energiemixen over gaan. Het gaat over het eindverbruik. Dit is wat een verbruiker terugziet op zijn meter of ‘aan de pomp’. In de transportsector zijn er in het geval van waterstof grote inefficiënties die de besparing groter doen lijken dan dat die is (bij het tanken wordt relatief weinig energie afgenomen in de vorm van waterstof, maar de grote verliezen die zijn gemaakt bij het omzetten van elektriciteit in waterstof en bij het transporteren van elektriciteit, zitten hier niet in).

15

https://themasites.pbl.nl/balansvandeleefomgeving/wp-content/uploads/pbl-2018-balans-van-de-leefomgeving-2018-3160.pdf, pagina

213 en https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/aardgasvrije-wijken/bestaande-gebouwen-aardgasvrij-maken, datum raadpleging beide links 17 maart 2020. Van peiljaar 2016 was de data compleet op het moment van opstellen van de energiemix. Het ETM wordt bijgewerkt met de volledige data uit de Klimaatmonitor van Rijkswaterstaat. 16

2016, data afkomstig uit Klimaatmonitor van Rijkswaterstaat.

25 / 142

De grote besparingen op de eindvraag komen uit de sector wonen, de gebouwensector (winkels, kantoren en voorzieningen) en de transportsector. Als we inzoomen op huishoudens wordt 20% aan besparing gerealiseerd door betere isolatie en is een grote besparing afkomstig van de inzet van warmtepompen (veel efficiënter dan een gasketel), door de overstap naar elektrisch koken en gebruik van ledverlichting en door een geleidelijke overgang naar 25% efficiëntere apparaten. In alle sectoren moeten we besparen en verduurzamen om onze doelstelling te halen. Al deze besparingen zijn gebaseerd op verwachte trends en invloeden door beleidsingrijpen. Een pakket aan maatregelen is nodig om een energieneutrale toekomst mogelijk te maken.

Verdeling eindvraag sectoren Huishoudens

2016

2050

32%

18%

Gebouwen (nietwoningen) Transport

11%

9%

24%

16%

Industrie

30%

55%

Landbouw

2%

3%

Overig

0%

0%

Tabel 1 – Overzicht met besparingen op eindverbruik per sector.

26 / 142

Figuur 4 – Onderdeel 1) Energievraag eindgebruik, afkomstig uit de Energiemix Achtkarspelen, https://pro.energytransitionmodel.com/saved_scenarios/10002, opgesteld januari 2021.

Figuur 5 – Onderdeel 1) Energievraag eindgebruik, afkomstig uit de Energiemix Tytsjerksteradiel, https://pro.energytransitionmodel.com/saved_scenarios/10000, opgesteld januari 2021.

27 / 142

Energiegebruik in de woning Om inzicht te krijgen in het energieverbruik is het belangrijk om te weten waar energie naartoe gaat en hoe deze wordt ingezet. Energie wordt in de Nederlandse woning met name gebruikt voor verwarming (64%) en elektriciteit voor apparaten en verlichting (18%)17. Daarnaast is in veel gebouwen, zoals woningen, ook energie nodig voor warm tapwater en het koken. De Nederlandse overheid heeft gesteld dat er in 2050 geen aardgas meer wordt verbruikt door de gebouwde omgeving. Onderstaand schema verklaart waarom de Nederlandse overheid daarom zo inzet op de warmtetransitie: veruit het grootste deel van de gebruikte energie in een huishouden is voor verwarming. Die warmte wordt vooral opgewekt door de verbranding van aardgas. Een gemiddeld huishouden in een koopwoning in Tytsjerksteradiel verbruikt gemiddeld 1800 m 3 aardgas per jaar, in een huurwoning is dit iets meer dan 1300 m3 per jaar. In Achtkarspelen ligt het gemiddelde verbruik op bijna 1900 m3 aardgas per jaar18, voor een huurwoning ligt het gemiddelde gasverbruik iets boven de 1400 m3 per jaar. Het Nederlands gemiddelde ligt op 1270 m3 per jaar19. Gasverbruik verschilt per huishouden en is afhankelijk van het soort huis, het bouwjaar, de mate van isolatie en gedrag (het gebruik van verwarming en warm water).

Het verbruik ligt in Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel dus wat hoger dan het landelijk gemiddelde, wat te verklaren is door de relatief grote huizen.

Het grootste deel van de woningvoorraad gebruikt nu voor de verwarming een cv-ketel.

De cv-ketel kan water tot ongeveer 90°C verwarmen. Dit verwarmde water stroomt vervolgens door de radiatoren en verwarmt de woning. Met deze hoge temperatuur kunnen ook slecht geïsoleerde huizen verwarmd worden. Ongeveer 80% van het aardgasverbruik in een woning wordt gebruikt voor het verwarmen van de woning.

Ongeveer 15% wordt gebruikt voor het verwarmen van water, met name om mee te douchen.

Voor koken wordt maar een heel klein deel van het aardgas gebruikt, minder dan 5%.

3.2 De transitie naar aardgasvrij Het aardgasvrij maken van gebouwen kan met verschillende technieken en met verschillende temperaturen. De ene techniek vraagt meer aanpassingen in de gebouwen in het dorp of de buurt dan de andere. We maken daarbij onderscheid in individuele warmteoplossingen en collectieve warmteoplossingen. Bij collectieve oplossingen is het een voorwaarde dat meer dan één woning, vaak meerdere gebouwen en soms een heel gebied, op een bepaalde technologie overstapt. Een (klein) warmtenet is zo’n collectieve oplossing. Dit kan gevoed worden door diverse warmtebronnen (zie ook figuur 7). 17 Energie in cijfers 2020, EBN, februari 2020. 18 https://klimaatmonitor.databank.nl/dashboard/dashboard/woningen/, 2018. 19

Energie in cijfers 2020, EBN, februari 2020.

28 / 142

Individuele oplossingen kunnen voor iedere woning apart worden toegepast. Voorbeelden van een individuele oplossing is elektrisch verwarmen door middel van een warmtepomp of infraroodpanelen in de woning. Hiervoor is het noodzakelijk dat de woning goed geïsoleerd is. De verschillende alternatieven voor aardgas verschillen in de temperatuur waarmee de woning verwarmd kan worden. De vuistregel hierbij is: hoe lager de temperatuur van de warmte waarmee een huis wordt verwarmd, hoe meer isolatie er nodig is. Ook andere maatregelen zoals lagetemperatuur-vloerverwarming kunnen noodzakelijk zijn. De route naar aardgasvrij wonen verloopt op hoofdlijnen via de volgende drie stappen: 1. De warmtevraag verminderen en de temperatuur verlagen. Om over te kunnen gaan op alternatieven voor aardgas met lagere temperaturen, is het aanbrengen van isolatie en het juiste verwarmingssysteem een randvoorwaarde. En: niet-gebruikte energie is de meest duurzame energie. Elke gebouweigenaar kan hier direct mee aan de slag, door bijvoorbeeld de eigen woning te isoleren. 2. Een geschikte infrastructuur kiezen. Er zijn verschillende energie-infrastructuren die in een buurt of dorp kunnen liggen om woningen en gebouwen te verwarmen. Denk aan een elektriciteitsnet, een (kleinschalig) warmtenet of een aardgasnet. De geschiktheid van deze infrastructuren is situatieafhankelijk. 3.

De overstap maken naar een duurzame energiebron. Bij de keuze voor een nieuwe energie-infrastructuur moeten er voldoende duurzame bronnen (warmte, wind, zon of hernieuwbaar gas) voorhanden zijn om de infrastructuur te voeden. Als deze aanwezig zijn, of als er zicht is op het op termijn kunnen inzetten van duurzame bronnen, kan sneller afgestapt worden van fossiele bronnen. Sommige bronnen kunnen tijdens de transitie worden ingezet (restwarmte, biomassa, aardgas). Isolatie is bij sommige duurzame bronnen van belang omdat deze minder hoge temperaturen geven (bijvoorbeeld aquathermie).

Isolatie als randvoorwaarde Een belangrijke eerste stap in de warmtetransitie is dus het verminderen van de warmtevraag. Om over te stappen op andere verwarmingssystemen en maximaal gebruik te kunnen maken van duurzame bronnen, is het nodig dat we onze woningen gereedmaken voor verwarmen met lagere temperaturen. Het isoleren van woningen heeft twee nuttige effecten. Ten eerste wordt de warmtevraag van de woning verminderd. Daarnaast kan de woning met een lagere temperatuur worden verwarmd, waardoor meer duurzame bronnen kunnen worden ingezet. Ook hebben goed geïsoleerde woningen een hoger niveau van comfort. Isolatie is daarom een zogenoemde ‘spijtvrije’ maatregel. Het type huis, het bouwjaar en het gedrag van inwoners hebben allemaal invloed op het warmteverbruik. Om inzicht te krijgen in de warmtevraag binnen Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel kijken we naar het kWh/m2. Kijkend naar wat we weten over de bestaande woningenvoorraad in Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel, kunnen we grofweg vier categorieën van isolatie onderscheiden:

Categorie 1 2 3 4

Niveau van isolatie 80 kWh/m2 of hoger 65-80 kWh/m2 50-65 kWh/m2 20-50 kWh/m2 onbekend

Aantal woningen Achtkarspelen 6700 1840 1200 1000 880

Aantal woningen Tytsjerksteradiel 8700 1780 1030 960 100020

Tabel 2 – Overzicht met categorieën van isolatie.

20 De woningaantallen zijn berekend door het Warmtetransitiemodel op basis van openbare data uit de Basisadministratie Adressen en

Woningen (BAG). De BAG van januari 2019 is gebruikt. Het isolatieniveau en de warmtevraag zijn berekend op basis van kleinverbruikersdata van de regionale netbeheerder. Gegevens uit januari 2019 zijn hiervoor gebruikt.

29 / 142

1 Veruit het grootste deel (61%) van de woningen in Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel heeft slechte of onvoldoende isolatie (80 kWh/m2 of hoger). De meeste woningen gebouwd vóór 1990 zitten op dit niveau. Er is een hoge temperatuur van circa 90°C nodig om deze woningen ook op de koudste dagen van het jaar comfortabel warm te stoken. 2 De tweede categorie betreft woningen met een minimumisolatieniveau (65-80 kWh/m2). Het grootste deel van de woningen gebouwd na 1990 voldoen aan dit niveau. Bij het minimumniveau kunnen woningen comfortabel verwarmd worden met een maximumtemperatuur van 70°C (middentemperatuur). Het kan wel voorkomen dat een aantal radiatoren vervangen moet worden voordat deze woningen daadwerkelijk met 70°C te verwarmen zijn. De woning is dus 70°C ready. 3 Recentere woningen hebben een basisisolatieniveau (50-65 kWh/m2). Bij een basisniveau kan de woning zowel comfortabel worden verwarmd met een maximumtemperatuur van 70°C als met 40°C (laagtemperatuur). Voor laagtemperatuur zullen wel alle radiatoren vervangen moeten worden. De woning is na vervanging van de radiatoren toekomstbestendig, omdat hij geschikt is voor meerdere alternatieve verwarmingstechnieken. De woning is dus transitiegereed.

4 Nieuwbouwwoningen en woningen die nog gebouwd gaan worden in de komende jaren hebben al een hoog isolatieniveau en zijn voorzien van een energiezuinig ventilatiesysteem (20-50 kWh/m2). Deze woningen zijn daarmee zeer geschikt om comfortabel te verwarmen met een maximumtemperatuur van 40°C. Bij aanpassing van de bestaande bouw tot dit niveau moeten vaak de radiatoren worden vervangen. Ook het dichten van kieren is van belang en er zal efficiënt moeten worden geventileerd. In bijlage C is meer informatie over de verschillende niveaus van isolatie te vinden.

Warmtevraag uitgedrukt in kilowattuur per vierkante meter woonoppervlak (kWh/m 2) Het kilowattuur (kWh) is een hoeveelheid energie. De meeste mensen associëren kWh met elektriciteit. Als je een lamp met een vermogen van 1 kW één uur laat werken, heeft die lamp 1 kWh stroom gebruikt. In Europa is de afspraak gemaakt om alle vormen van energie zoveel mogelijk uit te drukken in kWh. Zo kunnen verschillende soorten energie beter met elkaar worden vergeleken. Zo ook de warmtevraag. Door deze uit te drukken in kWh per vierkante meter woonoppervlak (kWh/m2) kan de warmtevraag van verschillende woningtypes en woninggroottes goed met elkaar worden vergeleken. Het maakt daarbij niet uit of er verwarmd wordt met gas, met een warmtenet of met een warmtepomp. De gemiddelde warmtevraag voor ruimteverwarming van een woning in Nederland is circa 80 kWh/m2. Bij niet-geïsoleerde woningen kan de gemiddelde warmtevraag oplopen tot boven de 130 kWh/m2. Bij zeer goed geïsoleerde nieuwbouw kan het gemiddelde naar onder de 30 kWh/m 2. Warm tapwater heeft een energievraag van tussen de 15 en 20 kWh/m2. Voor warm tapwater geldt dat voor het veilig kunnen gebruiken van warm tapwater er met de huidige stand van de techniek en regelgeving een temperatuur van minimaal 55°C bij het tappunt nodig is. Dit beperkt de kans op besmetting met de legionellabacterie.

Om deze temperatuur te kunnen garanderen, moet het opweksysteem in de praktijk een temperatuur van 60-70°C kunnen leveren. Als de aanvoertemperatuur onvoldoende hoog is, moet er dus een aanvullende voorziening (booster) komen.

30 / 142

Met name bij woningen die gebouwd zijn vóór 1990 is isolatie een essentiële stap om op termijn CO2neutraal te kunnen gaan verwarmen. Het verlagen van de warmtevraag en de verwarmingstemperatuur is noodzakelijk om, onafhankelijk van de toekomstige energie-infrastructuur in de buurt, de woning voor te bereiden op een aardgasvrije toekomst. Dit hoeft niet in één keer te gebeuren, maar kan ook via de fase 'transitiegereed' worden bereikt. Daarbij hoort ook de overstap naar elektrisch koken en moeten in sommige gevallen de bestaande radiatoren of de gehele bestaande verwarmingsinstallaties worden vervangen. Dat vraagt de nodige aanpassingen in de woning.

Figuur 6 – Overzicht warmtetransitie in een notendop. Parallelle stappen zijn ook mogelijk. Over Morgen.

Het is dus belangrijk dat elke huizenbezitter in Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel nu al start met het nemen van een aantal warmtebesparende maatregelen. Om te zorgen dat de kosten zo laag mogelijk blijven, helpt het om de momenten van onderhoud, verbouwing en verhuizing te benutten, de zogenoemde natuurlijke momenten. Alleen dan kunnen zoveel mogelijk woningen in de komende periode op het niveau komen dat ze efficiënt, comfortabel en duurzaam verwarmd kunnen worden. Deze opgave pakken we gefaseerd aan en kan alleen slagen onder de juiste condities.

Financiering De gemeenten Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel vinden het belangrijk dat iedereen mee kan doen met de transitie naar aardgasvrij. In het nationaal Klimaatakkoord is aangegeven dat de transitie zoveel mogelijk woonlastenneutraal moet zijn. Op dit moment hebben alle alternatieven voor de aardgasaansluiting echter nog een flinke onrendabele top (het deel van de investering dat niet kan worden terugverdiend met de inkomsten en besparingen van de investering). De warmtetransitie is een ingrijpend proces waarbij geïnvesteerd moet worden. De oplossingen om woningen aardgasvrij te maken zijn niet kosteloos. De overgang naar een warmtepomp of een aansluiting op een warmtenet kan qua kosten nog niet op tegen de prijs van het aardgas. Hoe die kosten verdeeld worden en hoe we ervoor zorgen dat de transitie naar aardgasvrij voor iedereen betaalbaar is, zijn vraagstukken die voor een groot deel op landelijk niveau moeten worden opgelost. Zo wordt verwacht dat opschaling, innovatie en een grotere mate van efficiëntie tot kostenreductie zullen leiden. Daarnaast onderzoekt de rijksoverheid hoe beprijzing ingezet kan worden door het aanpassen van de energiebelasting en hoe door aantrekkelijke financieringsvormen investeringen mogelijk gemaakt kunnen worden. Ook wordt gekeken hoe subsidie efficiënt kan worden gebruikt om een blijvende onrendabele top te dekken.

31 / 142

Investeringen De investeringen voor de warmtetransitie voor woningen bestaan uit de volgende drie onderdelen: > investeringen om een woning (transitie)gereed te maken21 > investeringen om de energie-infrastructuur aan te passen > investeringen voor de inpassing van nieuwe en duurzame bronnen De warmtevisie biedt kaders voor de transitie en in het volgende hoofdstuk gaan we in op welke warmte-infrastructuur in welke buurt of dorp het meest voor de hand ligt, op basis van de laagste maatschappelijke kosten. Daarmee kunnen we, net zoals in Garyp wordt gedaan, op kleine schaal starten en leren door als vervolg op deze warmtevisie voor elk van de kansrijke buurten de kosten en de onrendabele top in kaart te brengen.

Financieringsopties De kosten voor warmtetransitie zijn aanzienlijk en kunnen enorm verschillen van woning tot woning of van gebouw tot gebouw. Daarom is het belangrijk dat het Rijk een manier vindt om te komen tot een eerlijke verdeling van kosten tussen alle betrokken partijen en inwoners. Bovendien zijn nieuwe manieren van financiering nodig om ervoor te zorgen dat iedereen de stap naar een aardgasvrije woning of gebouw kan maken. Hierna gaan we in op financiële instrumenten die op dit moment beschikbaar zijn of worden verwacht op het gebied van financiering. Het gaat daarbij om subsidies, leningen en overige financiële instrumenten.

Subsidies

> BZK proeftuinen aardgasvrij: In 2018 is 120 miljoen euro verdeeld over 27 wijken. Garyp was in

>

>

>

>

die ronde een van de succesvolle aanvragen. Ook in volgende tranches kunnen nieuwe wijken en buurten worden aangedragen. De subsidie kan worden gebruikt om (deels) de onrendabele top in de wijk of buurt af te dekken en zo over te gaan op realisatie. Mogelijk wordt voor het einde van 2020 een derde tranche voorzien. SEEH: Subsidieregeling Energiebesparing Eigen Huis (SEEH) stimuleert woningeigenaren om energiebesparende maatregelen te treffen voor de woning. Tot 31 december 2020 kan tot € 10.000 subsidie aangevraagd worden bij het nemen van twee isolatiemaatregelen. Voert u zeer energiezuinige maatregelen uit, dan bedraagt de subsidie maximaal € 15.000. De SEEH kan ook interessant zijn voor VvE’s die tot 31 december 2022 subsidie willen aanvragen voor energiebesparende maatregelen of energieadvies en eventueel procesbegeleiding in combinatie met een Meerjarenonderhoudsplan. Subsidies van onder andere Provincie (zoals Fûns Skjinne Fryske Enerzjy en Iepen Mienskipsfûns) en het Rijk, maar ook Europese subsidies (zoals Leader), kunnen ondersteuning bieden in de vorm van procesgeld of subsidie voor aanleg van nieuwe infrastructuur. Voorbeeld van Europese ondersteuning is de ELENA-faciliteit. Ook op regionaal niveau worden kansen verkend en inschrijvingen gecoördineerd.

Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE): Particuliere huishoudens en zakelijke gebruikers (waaronder VvE's) die zelf duurzame energie willen opwekken, kunnen subsidie aanvragen voor zonneboilers en warmtepompen. De subsidie is afhankelijk van de gekozen maatregel.

Leningen > Het Nationaal Warmtefonds biedt energiebesparingsleningen tegen lage rente voor VvE’s en particuliere eigenaren. Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn) is fondsmanager van het NEF. > Sinds 3 februari 2020 kunnen huiseigenaren en VvE’s leningen van 20 jaar aangaan vanuit het Warmtefonds en maximaal € 65.000 lenen van de Nederlandse overheid om het huis duurzamer te maken22. Het kabinet stelt hiervoor tot 2030 jaarlijks 50 tot 80 miljoen euro beschikbaar. Het 21 Hieronder vallen ook de kosten voor het afsluiten of verwijderen van de aardgasaansluiting. 22

Vanaf 8 appartementen, https://www.energiebespaarlening.nl/.

32 / 142

geld gaat naar een speciale rekening waar de aannemer geld uit mag putten. Wie door de huidige leennormen moeilijk of geen financiering kan krijgen, kan hier terecht. > Hypothecaire leningen: deze zijn rendabel vanaf € 15.000 vanwege de bijbehorende administratie- en advieskosten.

Overig > Collectieve inkoopacties zorgen voor lagere kosten per maatregel, zoals bij isolatie en zonnepanelen. In de gemeenten zijn talrijke inwonersinitiatieven en lokale energiecoöperaties, die zowel actief zijn op het vlak van het treffen van energiebesparende maatregelen als op het vlak van lokale duurzame opwek. > Via een Energy Service Company (ESCo), zoals onder andere Enerzjy Kooperaasje de Harkema organiseert, kan een energiebespaarcontract worden gesloten voor een looptijd van gemiddeld 15 jaar. Maandelijkse lasten blijven via de ESCo op hetzelfde niveau, maar de ESCo investeert in de energiebesparende maatregelen, waardoor op de achtergrond de energierekening lager wordt. Na 15 jaar vervalt het contract en is de woning een heel stuk verduurzaamd (bijvoorbeeld via zonnepanelen of andere maatregelen) en neemt de woningeigenaar de energierekening weer over. Deze hulpmiddelen zijn belangrijk, maar duidelijk wordt ook dat ze nog niet toereikend zijn om inwoners financieel volledig te ondersteunen in het aardgasvrij maken van de woning. Duurzame, toekomstbestendige en comfortabel verwarmde woningen worden steeds hoger gewaardeerd, dus er zijn naast besparing op de energierekening meer financiële voordelen aanwezig, zoals waardevermeerdering van het vastgoed. In de uitwerking per buurt of dorp wordt onderzocht hoe tot een aantrekkelijk aanbod te komen voor inwoners.

Toekomstbestendige infrastructuur Voor het verwarmen van de gebouwde omgeving zonder aardgas, onderscheiden we vier categorieën (ingedeeld op basis van type warmte-infrastructuur): > Gasnetten: via gasnetten kunnen hernieuwbare gassen zoals groen gas of waterstof worden getransporteerd. > Elektriciteitsnetten: hiermee kunnen woningen, vaak met behulp van een warmtepomp, elektrisch worden verwarmd. > Warmtenetten: zijn netwerken van warm water waarmee gebouwen worden verwarmd. Het water in het warmtenet wordt op centrale plekken verwarmd door duurzame bronnen en stroomt na afgifte van de warmte weer van het vastgoed terug naar de centrale. > Toekomstige oplossingen: innovaties op het gebied van warmtetechnieken kunnen op termijn zorgen voor nieuwe oplossingen. In bijlage A geven we een uitgebreide beschrijving van de verschillende aardgasvrije warmteopties. Bijna alle woningen in Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel zijn op dit moment nog aangesloten op het aardgasnet. Met het besluit om de gaswinning uit het Groningenveld af te bouwen en in 2022 geheel te beëindigen, zal het gebruik van aardgas in Nederland steeds verder verminderd worden. Op de plekken waar het bestaande aardgasnet vanwege ouderdom of type materiaal gedurende de komende jaren vervangen moet worden, wordt bij voorkeur niet opnieuw een gasnet voor een lange periode in de grond gelegd.

Er zal gekozen worden voor een alternatieve energie-infrastructuur. De keuzes voor de gemeenten Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel zijn gebaseerd op het WarmteTransitieModel (WTM)23 van Over Morgen, waarbij onderzocht is welk aardgasvrij systeem het beste past bij de kenmerken van het vastgoed in de dorpen en buurten van Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel. Het WTM is een ruimtelijk model dat gebaseerd is op een geografisch informatiesysteem (GIS) en geeft inzicht in een aardgasvrije omgeving. In bijlage B wordt de werking van het model nader uitgelegd.

23

Zie bijlage B voor meer toelichting op het model.

33 / 142

Welke energie-infrastructuur of warmteoplossing voor een buurt of dorp het meest geschikt is, is dus afhankelijk van de eigenschappen van het aanwezige vastgoed. Diverse factoren, zoals bouwjaar, gebouwtype, gebouwfunctie, bebouwingsdichtheid en schaal spelen een rol. Daarnaast is uiteraard de beschikbaarheid van bronnen van belang. Deze data-analyse hebben we besproken met de projectgroep en op basis van hun input aangescherpt en verfijnd. In de dorpen en buurten met de laagste maatschappelijke kosten voor een alternatief voor het aardgas, wordt een onderscheid gemaakt in twee hoofdrichtingen die uitkomst kunnen bieden: individuele all-electric oplossingen met een verzwaard elektriciteitsnet en (kleine) collectieve oplossingen met een warmtenet. Op plekken waar collectieve warmtenetten of all-electric oplossingen met de huidige stand der techniek te kostbaar blijken, zal het gasnet voorlopig echter blijven liggen. Dan gaat het met name om oude panden en gebouwen buiten de bebouwde kom. Ook op deze plekken blijft het van belang om in te zetten op een beperking van het gasverbruik.

Figuur 7 – Energie-infrastructuren met bronnen en benodigde systemen in de woning. De kolom rechts toont de bijbehorende temperaturen, die rechtstreeks gekoppeld zijn aan de isolatieopgave in de kolom links. Over Morgen.

34 / 142

Het elektriciteitsnet Liander is de netbeheerder voor elektriciteit in de gemeenten Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen. Stedin is de netbeheerder voor het aardgas in dit gebied. Bij de omschakeling naar aardgasvrije wijken gaat het niet alleen maar om het verwijderen van de gasaansluitingen en het distributienet. In bijna alle gevallen is ook verzwaring van het elektriciteitsnet nodig. Dit heeft met een aantal zaken te maken. Daarvoor is het goed om enig inzicht te hebben in het elektriciteitsnet. Het elektriciteitsnet bestaat uit meerdere zogeheten 'netvlakken'. Daaronder vallen hoogspanningsnetten van de landelijke netbeheerder TenneT, en tussenspannings-, middenspannings- en laagspanningsnetten van de regionale netbeheerders. Ook de grootschalige opwek van onder andere gas- en kolencentrales en windparken tot aan de levering bij de klanten aan de voordeur behoren hiertoe. Het plaatje hieronder geeft een beeld van hoe zo’n net eruitziet.

Het is van belang om te weten dat deze netten van oudsher zijn ingericht om elektriciteit centraal op te wekken en deze via de transportnetwerken van TenneT (de snelwegen van elektriciteit) uiteindelijk via de netwerken van de regionale netbeheerder (de provinciale en landelijke wegen van elektriciteit) te leveren aan de bedrijven en huishoudens. Sinds een aantal jaren is er een omslag gaande, waarbij bedrijven en particulieren het elektriciteitsnet gebruiken om terug te leveren. Omdat het net daar niet overal geschikt voor is, heeft Liander te maken met congestie en spanningsproblemen op het elektriciteitsnet. Dit zorgt in een groot aantal gebieden in Friesland voor transportschaarste, die bij klanten kan resulteren in een transportbeperking. Om die transportbeperkingen op te lossen, investeert Liander in netverzwaring en wordt geprobeerd hier met innovatieve oplossingen en aanpassing van wet- en regelgeving verandering in te brengen. Wanneer een wijk van het aardgas afgaat, zal de elektrificatie van die wijk toenemen. Er wordt op inductie gekookt en mogelijk worden de woningen met warmtepompen verwarmd. Daarnaast zal het elektrisch vervoer toenemen. Dit alles zorgt voor een toename in de vraag naar elektriciteit in deze wijken. Tevens is er een sterke groei in zonnepanelen op daken van woningen. Dit levert weer een sterke groei op in de teruglevering van elektriciteit.

Het probleem zit hem erin dat vraag en aanbod vrijwel nooit gelijktijdig zijn. Daarom moet Liander de elektriciteitsnetten ontwerpen op de pieken. Met name zonnepanelen geven de grootste pieken in het netwerk. Deze pieken in zowel levering als teruglevering zorgen niet alleen voor problemen in het laagspanningsnet. Ze kunnen ook problemen geven verderop in het middenspannings- en zelfs hoogspanningsnet, als op zonnige dagen heel veel elektriciteit afgevoerd moet worden die niet verbruikt wordt op dat moment. Als een bepaalde wijk van het aardgas afgaat, is het voor de netbeheerder cruciaal om te weten wanneer dat gebeurt en voor welke techniek er wordt gekozen voor de toekomstige verwarming. Omdat Liander net als elk ander technisch bedrijf moeite heeft om aan het schaarse technische personeel te komen, moet ver vooruit gepland kunnen worden. Hoe beter kan worden ingeschat wat er staat te gebeuren, hoe beter Liander kan inschatten wanneer de verzwaring van de laagspanningsnetten in de aardgasvrije wijken klaar moet zijn. Liander staat dan ook voor een duidelijke wijkaanpak, waarbij er een keuze wordt gemaakt voor een bepaalde warmtechniek en waar een heldere planning aan vasthangt.

35 / 142

Inzet op duurzame bronnen Bij iedere energie-infrastructuur (elektriciteitsnet, warmtenet en gasnet) hoort een andere energiedrager. Bij het gasnet is aardgas nu overwegend de energiedrager, bij het elektriciteitsnet is dat elektriciteit en bij het warmtenet is dat water. De energiedrager draagt als het ware de energie van de energiebron naar de eindgebruiker. Bij de verschillende energiedragers horen verschillende bronnen (zie ook figuur 7) en (on)mogelijkheden om energie op te slaan. Daarnaast is de bron, maar ook de bijbehorende energie-infrastructuur, afhankelijk van de schaalgrootte die kan worden gerealiseerd. Om volledig energieneutraal te worden, moeten we alle energie die we verbruiken ook uit duurzame bronnen opwekken. In RES-verband werken we hiernaartoe. We gaan kijken hoe we zon, wind en omgevingsenergie en op termijn ook innovatieve technieken met bijvoorbeeld waterstof, kunnen gebruiken om te komen tot een volledig duurzame energiemix. Op dit moment worden niet alle bronnen als even kansrijk aangemerkt voor een toepassing in de gebouwde omgeving op de korte termijn. Onderstaande figuur plaatst de verschillende alternatieven op een schaal van haalbaarheid.

Figuur 8 – Niet alle bronnen zijn voorlopig even marktrijp of een logische keus voor woningen. Afbeelding afkomstig uit rapport 'Warm aanbevolen', Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli), december 2018.

Voor de gemeenten Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel zullen met name duurzame elektriciteit, energie uit de bodem, hernieuwbaar gas en biomassa interessant zijn om te verkennen. In bijlage A geven we een uitgebreidere beschrijving van de verschillende bronnen. In deze bijlage worden allelectric, hernieuwbaar gas, warmtenetten, warmtebronnen (onder andere aquathermie, biomassa en geothermie) en toekomstige innovaties nader toegelicht.

Duurzame elektriciteit Ook elektriciteit wordt, ondanks alle vooruitgang, nog overwegend gemaakt van fossiele bronnen. Met de toename van elektrische verwarming van woningen, meer elektrisch vervoer en de elektrificatie van andere processen, moeten we ons ook voorbereiden op een flinke uitbreiding in de opwek van duurzame elektriciteit. Zeker voor de gemeenten Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel zal de all-electric oplossing naar verwachting een grote rol gaan spelen. De warmtevraag, en dus ook de elektriciteitsvraag voor verwarmen, kenmerkt zich door een grote piek in het zogenoemde stookseizoen. Daarbij is het relevant om te vermelden dat in het stookseizoen

36 / 142

windenergie beter geschikt is dan zonenergie om in de vraag van warmtepompen en andere allelectric oplossingen te voorzien, omdat het aanbod van windenergie in de wintermaanden vele malen hoger ligt. In de winter produceren zonnepanelen slechts 10% van wat ze in de zomer doen 24. Op dit moment is elektriciteit altijd beschikbaar. Kolen-, gas- en kerncentrales kunnen het hele jaar door leveren op basis van de vraag. In de toekomst zal het elektriciteitsaanbod veel minder constant zijn en deels ook seizoensafhankelijk door een groter aandeel van zon en wind. Het kunnen opslaan van energie wordt daarom steeds belangrijker. Daarnaast hebben verschillende warmteopties een verschillende impact op het elektriciteitsnet 25 en kan netverzwaring tempobepalend zijn in de transitie.

Hernieuwbaar gas Grofweg zijn er twee vormen van hernieuwbaar gas te onderscheiden: groen gas en groen waterstofgas. Groen gas is biogas dat is opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit. Groen waterstofgas wordt verkregen door water te splitsen met behulp van hernieuwbare elektriciteit. Fryslân is van alle regio’s van netbeheerder Liander in Nederland momenteel de regio waar het meeste groen gas wordt ingevoed in het gasnet. Over heel 2019 gaat het om ruim 12 miljoen m3 groen gas. Het aandeel groen gas kan daarmee momenteel circa 2,3% van de gebouwde omgeving van Fryslân voorzien van groen gas. Dit aandeel zal de komende tijd nog verder toenemen. Alliander verwacht dat het aandeel groen gas in de regio Fryslân zal groeien tot circa 12,5% in 203026. Friesland heeft de potentie om tussen de 83 en 191 miljoen m³ aan groen gas te leveren in 2030, afhankelijk van met name de financiële stimulering hiervan. Momenteel verbruikt de gebouwde omgeving in Fryslân ongeveer 400 miljoen m³ gas27. Aanvullend onderzoek naar de potentie voor groen gas in de gemeenten Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel zal meer duidelijkheid kunnen geven over wat er voor beide gemeenten ingezet zou kunnen worden. Vanuit energie-efficiëntie is het verstandiger om andere sectoren, zoals de industrie en de transportsector, voorrang te geven bij het gebruik van hernieuwbaar gas.

In deze sectoren zijn hoge temperaturen nodig en er zijn minder geschikte andere alternatieven voorhanden. Het is daarom voorlopig niet de verwachting dat waterstof voor 2030 een grote rol gaat spelen als energiedrager in de gebouwde omgeving, want daar bestaan al efficiëntere en bewezen technieken die werkelijk inzetbaar zijn om te verduurzamen. Hernieuwbaar gas moet alleen ingezet worden op de lastige plekken, zoals ze ook in de gemeenten Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel te vinden zijn vanwege de ligging of de historische staat van een pand. Dit dient bij iedere herijking van de warmtevisie weer opnieuw te worden bekeken. Innovaties en de warmtevisie Deze visie gaat uit van wat we op dit moment weten. Het idee is om de warmtevisie minimaal eens in de vijf jaar te herijken, want de techniek ontwikkelt zich razendsnel. Er zijn diverse veelbelovende innovaties die in de toekomst een belangrijke rol kunnen gaan spelen in de warmtetransitie. Te denken valt aan de hogetemperatuur-warmtepompen. Vanwege de hogere temperatuur is minder isolatie nodig om de woning comfortabel te verwarmen. Hierdoor kunnen ook lastig te isoleren woningen de overstap naar aardgasvrij maken. Daarnaast zien we ontwikkelingen waardoor naast buitenlucht en warmte uit de bodem, ook zonthermie als bron voor warmtepompen ingezet kan worden. Ook zien we nieuwe duurzame bronnen voor warmtenetten.

Thermische energie uit drinkwater en uit asfalt zijn hier voorbeelden van. En hoewel waterstof nu nog schaars is en van aardgas wordt gemaakt, zou deze energiedrager in de toekomst (naar verwachting pas na 2030) mogelijk inzetbaar kunnen zijn in monumentale panden of oudere panden zonder spouwmuur. De innovatie van opslagsystemen ligt ook in het verschiet, wat noodzakelijk is voor het opslaan van elektriciteit en warmte. Om te zorgen dat we in de huidige versie van de warmtevisie geen keuzes maken waar we later spijt van krijgen, maken we keuzes voor energie-infrastructuur in de gebouwde 24 Inbreng Liander 13 mei 2020. omgeving en niet voor specifieke systemen en bronnen. 25 Zie ook kader Liander op pagina 36.

26 https://2018.jaarverslag.alliander.com/actuele-prestaties/ontwikkelinenergietran/a2355_Ontwikkeling-groen-gas. 27

Inbreng Liander, 20 maart 2020.

37 / 142

Biomassa Biomassa levert op dit moment het grootste deel van de duurzame warmteproductie binnen de gemeenten Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel. Energie uit biomassa kan worden omgezet naar alle energiedragers en is dus zeer breed toepasbaar in alle sectoren, dus ook voor industrie en transport. Biomassa is echter schaars. Als warmtebron voor de gebouwde omgeving moeten we er daarom zeer zorgvuldig mee omgaan. Het verbranden van hout of houtpellets in woningen is echter niet efficiënt en moet daarom zoveel mogelijk voorkomen worden. Deze kleinere installaties veroorzaken een aanzienlijk hogere emissie van onder andere fijnstof dan grote installaties.

Hoe zit het met koeling? Klimaatverandering betekent dat het ook in Nederland warmer wordt. Bovendien gaan we volop isoleren en is nieuwbouw al heel goed geïsoleerd. Warmte komt daardoor moeilijker het gebouw binnen, maar wordt ook langer vastgehouden, waardoor de vraag naar koeling zal gaan stijgen. Het helpt hierbij om gebruik te maken van zonwering en/of raamfolies om opwarming tegen te gaan. Er zijn diverse opties om te koelen. Een individuele warmtepomp biedt standaard de mogelijkheid om te koelen door koudere vloeistof door de leidingen te laten lopen (passief koelen) of warmte aan de woning te onttrekken (actief koelen). Dit komt uiteraard terug in de elektriciteitsvraag. Ook bij collectieve oplossingen met een lagere temperatuurbron, zoals oppervlaktewater, is het mogelijk om te koelen. Ten slotte kun je er uiteraard voor kiezen om een aparte airconditioning in de woning te installeren. Belangrijke kanttekening hierbij is dat daar extra elektriciteit voor nodig is die ook weer duurzaam opgewekt zal moeten worden.

Conclusie In de energietransitie zijn we in elk scenario en bij elke energie-infrastructuur voorlopig nog afhankelijk van fossiele bronnen. Het geleidelijk afstappen van aardgas kost tijd en daarom zullen we tijdelijk gebruik moeten blijven maken van fossiele bronnen. Gaandeweg zullen we eerst afscheid nemen van steenkolen en daarna ook van aardgas. Bij de meeste van die nieuwe technieken is de verwarmingstemperatuur gelijk of lager dan 70°C. Door er in Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel voor te zorgen dat een groot deel van de woningen en gebouwen een goede isolatie krijgt en daarmee geschikt wordt gemaakt voor het verwarmen op temperaturen van maximaal 70°C, zal er een ruimere keus zijn in aardgasvrije warmtetechnieken. Het aardgasvrij maken van Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel betekent dus dat we voor een enorme isolatieopgave staan. Dit is een grote klus waarvoor tijd en geld vrijgemaakt moet worden, maar die aan de andere kant ook werkgelegenheid en wooncomfort oplevert. Hoe lager de warmtevraag van woningen, hoe meer woningen verwarmd kunnen worden met dezelfde hoeveelheid duurzame warmte, duurzame elektriciteit of hernieuwbaar gas. Geen van die bronnen is ongelimiteerd beschikbaar in Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel. We zullen daarom een combinatie van opties nodig hebben.

Bovendien zorgt isoleren voor een lagere piekvraag, wat voordelig is in het ontwerp van de energie-infrastructuur en dus ook voor de betaalbaarheid op de langere termijn. De keuze voor energiebron, -drager en -infrastructuur is afhankelijk van de schaalgrootte van de energievraag vanuit het vastgoed, de aanwezigheid en nabijheid van een (duurzame) bron en de staat van de energie-infrastructuur. Om goed voorbereid te zijn op de warmtetransitie is het van belang om: > de warmtevraag en verwarmingstemperatuur in gebouwen te verlagen. Om over te kunnen gaan op alternatieven voor aardgas met lagere temperaturen zijn isolatie en het juiste

38 / 142

verwarmingssysteem een randvoorwaarde. Bovendien geldt: energie die niet verloren gaat, hoeft ook niet opgewekt te worden. > een geschikte energie-infrastructuur te hebben: meerdere netten naast elkaar maken de (maatschappelijke) kosten onnodig hoog. Om deze reden pleiten netbeheerders en de rijksoverheid voor een 'wijkgerichte aanpak', waarbij de gehele wijk gebruikmaakt van dezelfde energie-infrastructuur. > de overstap te maken naar duurzame energiebronnen: bij de keuze voor een nieuwe energieinfrastructuur is het van belang dat er voldoende en bewezen alternatieven aan duurzame bronnen beschikbaar zijn of komen, zodat we zo snel mogelijk kunnen afstappen van de fossiele bronnen.

39 / 142

4. Waar gaan we naartoe? Dit hoofdstuk geeft inzicht in de opgave waar Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel voor staan. Per buurt wordt aangegeven wat het aardgasvrije alternatief wordt voor verwarmen en koken met aardgas. Welke warmteoptie waar komt is bepaald op basis van selectiecriteria die door de projectgroep zijn afgesproken. Die criteria zijn: een betaalbaar alternatief, bewezen technieken, draagvlak, natuurlijke investeringsmomenten, uniformiteit, koppelkansen en de aanwezigheid van een duurzame bron. Het resultaat is een brede aanpak voor beide gemeenten en een kaart met een fasering voor specifieke dorpen en buurten. Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel kunnen niet in één keer aardgasvrij gemaakt worden. Om te starten met de warmtetransitie moeten keuzes gemaakt worden over waar en hoe te beginnen. De keuzes worden gebaseerd op data- en expertanalyses over de kansrijke warmteoplossing per gebied en op de selectiecriteria (zie hoofdstuk 4.2) die met de betrokken stakeholders in de projectgroep zijn geformuleerd. Deze zijn tijdens informatieavonden ook voorgelegd aan inwoners en ondernemers en aan vertegenwoordigers van de vele dorpsinitiatieven, dorpsbelangen en energiecoöperaties. Dit heeft ten eerste geleid tot een voorstel vanuit de projectgroep voor een aanpak waarbij beide gemeenten breed inzetten op het aanpakken van zaken die overal in de gemeenten spelen.

Daarnaast is door gebruik van de selectiecriteria (zie paragraaf 4.2) een aantal specifieke locaties binnen de gemeenten als kansrijk aangemerkt. Voor deze dorpen en buurten is een tijdspad ontstaan waarmee de gemeenten de komende jaren tot 2030 gefaseerd willen starten met (de voorbereiding op) de warmtetransitie. Hierbij gaat het dus om een verdere verkenning van de startgebieden, waarbij alle betrokkenen (inwoners, professionele partners en gemeenten) actief zullen worden betrokken.

4.1 Richting voor de gemeenten Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel Voor de gemeenten Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel zijn analyses uitgevoerd met het WarmteTransitieModel van Over Morgen. Met die analyses wordt onder andere inzichtelijk welke panden kansrijk zijn om te starten met individuele all-electric oplossingen of waar een collectief warmtenet een oplossing zou kunnen zijn. Panden 'lichten op' als kansrijk als de maatschappelijke kosten om het pand aardgasvrij te maken relatief laag zijn. Dit wordt beoordeeld op basis van vastgoed- en buurtkenmerken zoals type bebouwing, leeftijd en energiegebruik. Voor een collectieve oplossing geldt dat er voldoende afname van warmte moet zijn om de collectieve oplossing rendabel te krijgen. In dat geval ontstaat er een 'warmte-eiland'. In Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel blijkt alleen in Surhuisterveen een dusdanige clustering van warmtevraag en bebouwingsdichtheid te bestaan, dat hier het enige warmte-eiland te zien is28.

28 Het initiatief voor het warmtenet in Ryptsjerk is een andere locatie waar onderzoek wordt gedaan naar de haalbaarheid van een

kleinschalig warmtenet.

40 / 142

Figuur 9 – Kaart met het warmte-eiland in Surhuisterveen wordt weergegeven door de rood/oranje vlek. De bolletjes geven de kansrijke panden voor een warmtenet weer. WarmteTransitieAtlas. Over Morgen.

De Rijksoverheid vraagt echter niet om een oplossing per pand of gebied, maar om een fasering per wijk of buurt. Daarom is ook een analyse gedaan op buurtniveau29. De inkleuring van de dorpen en buurten geeft aan welke warmteoptie in welk dorp of in welke buurt de laagste maatschappelijke kosten heeft, op basis van de stand van de techniek van vandaag. Een belangrijke nuance is dat de inkleuring van een dorp of buurt nooit betekent dat het hele dorp of de hele buurt volledig op die warmteoptie overgaat. Gebouweigenaren hebben keuzevrijheid om te kiezen voor een warmteoplossing van hun eigen voorkeur. De kaart werkt op basis van waarschijnlijkheid. Voor de buurten die het meest duidelijk inkleuren kan met de grootste zekerheid de voorkeurs-warmteoptie worden vastgesteld. Het is uiteraard mogelijk dat op basis van nieuwe inzichten en innovaties, het eindresultaat van de warmtetransitie er uiteindelijk anders uit zal zien. De kaart geeft wel een duidelijke richting aan en laat zien waar de keuze voor een aardgasvrij alternatief het meest zeker is. Waar de warmtekaart blauwe dorpen en buurten laat zien, betekent dit dat de oplossing individueel all-electric op die plekken naar verwachting goedkoper zal zijn dan de keuze voor een collectief warmtenet. Iedere individuele gebouweigenaar kan op ieder moment de keuze maken om de gasketel te vervangen door bijvoorbeeld een warmtepomp.

Goede isolatie is dan een vereiste om de woningen geschikt te maken voor verwarming met lagere temperaturen. Dorpen en buurten waar all-electric oplossingen de laagste maatschappelijke kosten hebben, zijn de plekken met eengezinswoningen die gebouwd zijn na 1990. In dorpen en buurten met de oranje kleur lijkt het de verstandigste keuze om het aardgasnet voorlopig te laten liggen. Hier kan hernieuwbaar gas of innovatie op termijn een oplossing zijn. Monumentale en oude bebouwing maakt het kostbaar en technisch lastig inpasbaar om tegen acceptabele kosten over te stappen op een alternatief. Het is wel van belang ook hier in te zetten op het terugbrengen van het gasverbruik. En in buurten die roze kleuren moet op

29 De eindbeeldenkaart met de laagst maatschappelijke kosten, kan op dorp- (CBS) of meer gedetailleerd op postcode-5-niveau worden

weergegeven.

41 / 142

gedetailleerder niveau bekeken worden wat de beste oplossing is. Mogelijk bieden kleine collectieve warmteoplossingen voor een deel van het vastgoed op deze plekken een goed alternatief, voor andere panden zal een individuele all-electric oplossing mogelijk gunstiger zijn. De verschillen liggen hier dichter bij elkaar. Wat opvalt is dat er in beide gemeenten geen groene wijken op de kaart voorkomen. Er lijkt daarmee weinig perspectief te zijn voor collectieve warmteoplossingen. Een oorzaak hiervoor ligt in het ontbreken van voldoende massa om een rendabele collectieve warmteoplossing te kunnen realiseren.

Figuur 10 – Kaart met warmteopties op buurtniveau. WarmteTransitieAtlas. Over Morgen.

4.2 Selectiecriteria fasering Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel kunnen niet in één keer aardgasvrij gemaakt worden. Daarom is er samen met de betrokken stakeholders uit de projectgroep een aanpak geformuleerd. Met deze aanpak kan binnen de gemeenten breed gestart worden met het transitiegereed maken van het vastgoed, ongeacht de locatie van het vastgoed. Daarnaast zijn buurten of dorpen geselecteerd die kansrijk zijn om in de periode tot 2030 mee aan de slag te gaan. In welke buurten en dorpen gestart wordt met de warmtetransitie, is een samenspel van de warmtekaart uit figuur 10 en de ontwikkelingen die gaande zijn in de gemeenten en bij de betrokken stakeholders. Hierna wordt eerst ingegaan op de criteria die zijn vastgelegd met de stakeholders om te bepalen in welke buurten of dorpen gestart wordt. Vervolgens worden de resultaten van de warmtekaart en de keuze voor buurten en dorpen besproken aan de hand van de selectiecriteria. Samen met de betrokken stakeholders is gesteld dat een buurt of dorp kansrijk is om op korte termijn aardgasvrij te worden, wanneer er sprake is van tenminste een van de onderstaande criteria.

42 / 142

Betaalbaar alternatief We proberen te starten op de plekken waar de maatschappelijke kosten voor het overstappen naar een van de alternatieven voor aardgas, nu het laagst zijn. Op die manier houden we de warmtetransitie zo betaalbaar mogelijk voor iedereen. Bewezen technieken We kiezen voor technisch haalbare en betrouwbare warmteoplossingen. Draagvlak We gaan voor acceptatie en ambitie vanuit de samenleving, bij inwoners30 en ondernemers die gemotiveerd zijn om mee te doen. We willen aanwezige koplopers bij iedereen onder de aandacht brengen en gemotiveerde inwoners belonen door ruimte te geven aan initiatieven die bijdragen aan de ambitie van de gemeenten. Draagvlak onder inwoners ontstaat bijvoorbeeld omdat er een inwonersinitiatief actief is. Ambitie vanuit de samenleving zorgt voor een bredere acceptatie van de warmtetransitie en motiveert andere inwoners om ook mee te doen. We geven daarom prioriteit aan buurten of dorpen waar het draagvlak hoger is. Natuurlijke investeringsmomenten De transitie naar een aardgasvrij alternatief gaat zo veel mogelijk op basis van natuurlijke momenten. Bijvoorbeeld een verhuizing of verbouwing. Ook het vervangen van een verouderde cv-ketel of het plaatsen van een nieuwe keuken zijn voorbeelden van natuurlijke momenten.

Uniformiteit Daar waar het vastgoed in hoge mate uniform is (type vastgoed, bouwjaar, energielabel), kan een gelijktijdige en eenduidige oplossing worden toegepast. Ook wanneer er grotere vastgoedeigenaren zijn die stappen kunnen of willen zetten in de warmtetransitie, kan dit een impuls zijn. Koppelkansen We proberen werk met werk maken. We zijn bereid om planningen voor grootschalig onderhoud of leidingvervanging, verleggingskosten, maar ook andere opgaven als klimaatadaptatie, gebiedsvernieuwingsplanningen en werkzaamheden, op elkaar af te stemmen. Door het afstemmen van al deze planningen kunnen we, waar mogelijk, onnodige investeringen en overlast voor inwoners voorkomen en daarmee deels het tempo van de warmtetransitie bepalen. De aanwezigheid van een duurzame bron Indien er reeds een duurzame bron in de buurt aanwezig is, of op de korte termijn beschikbaar zal komen, biedt dit een extra reden om deze te benutten. Bij voorkeur is de bron duurzaam: hernieuwbaar en niet-fossiel.

4.3 Waarmee gaan we starten? Brede aanpak voor beide gemeenten Deze visie gaat uit van wat we op dit moment weten. Minder energiegebruik binnen de gemeenten is essentieel om de warmtetransitie een stap verder te brengen. Alle natuurlijke momenten van onderhoud, verbouwing en verhuizing moeten worden benut, zodat de kosten zo laag mogelijk blijven. Alleen dan zijn zoveel mogelijk woningen in 10 tot 20 jaar op het niveau dat ze efficiënt, comfortabel en duurzaam verwarmd kunnen worden. Hoe meer geïsoleerd moet worden voordat een aardgasvrije technologie kan worden toegepast, hoe langer het over het algemeen zal duren voordat de woning aardgasvrij kan zijn. Dit kan nog

30

Hier worden ook huurders bedoeld. Bij collectieve aansluiting van voorzieningen dient circa 70% van de huurders in te stemmen.

43 / 142

complexer worden als er in een buurt veel verschillende vastgoedeigenaren aanwezig zijn, die allemaal op een voor hen natuurlijk moment in hun woning willen investeren. Dit is ook voor Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel een specifiek aandachtspunt, omdat hier (verhoudingsgewijs met andere gemeenten) een groot aandeel particuliere woningeigenaren aanwezig is. In de delen van Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel die nog niet zijn benoemd als kansrijke dorpen of buurten waarvoor mogelijk een 'buurtaanpak' wordt opgesteld, hoeft dus niet stilgezeten te worden. Op veel plekken kunnen we ook buiten de start- of focusgebieden nu al gaan toewerken naar dit eindbeeld. We zetten in op een energiebesparing door isolatie van 10% in 2023 en 20% in 203031 (zie ook duurzaamheidsagenda). Kansrijke buurten en dorpen De gestelde criteria helpen om een focus aan te brengen naar buurten en dorpen. Daarbij ligt de focus op wat nu mogelijk is. Maatschappelijke kosten en baten spelen daarbij een grote rol, omdat we niet willen starten waar de warmtetransitie het meest kostbaar is of waar het nu nog de vraag is wat technisch haalbaar is. Het sluit aan bij de gevraagde aanpak vanuit het Rijk om in deze startgebieden met een gerichte dorps- of buurtaanpak aan de slag te gaan.

Netbeheerders Stedin en Liander geven daarnaast aan dat het wenselijk is om per buurt een duidelijke aanpak te kiezen met een helder tijdspad. Dit voorkomt dat er op verschillende momenten in de buurt werkzaamheden aan de energieinfrastructuur moeten worden uitgevoerd, wat kostenverhogend werkt en voor meer overlast bij omwonenden zorgt. Tegelijkertijd kunnen de gemeenten niets afdwingen op basis van de huidige wetgeving en willen de gemeenten de warmtetransitie ook vooral inzetten op basis van vrijwilligheid. Samen met de stakeholders in de projectgroep zijn op basis van de uitkomsten van het WarmteTransitieModel en de eerder benoemde selectiecriteria de meest kansrijke dorpen of buurten aangewezen om de komende periode mee aan de slag te gaan. De fasering en de bijbehorende warmteoplossingen die worden beschreven, geven een voorkeursrichting aan waar we ons gezamenlijk voor willen inzetten om zo de warmtetransitie zoveel mogelijk voor iedereen betaalbaar en uitvoerbaar te houden. Dit betekent dat we in deze geselecteerde startgebieden samen met de betrokken stakeholders in gesprek gaan met inwoners en ondernemers. Ook doen we onderzoek naar de mogelijkheden en haalbaarheid voordat we gaan uitzoeken of we wijkuitvoeringsplannen kunnen opstellen.

Wat betekent het wanneer een gebied kansrijk is? Wanneer een gebied als kansrijk is bestempeld, wil dat niet zeggen dat het gebied morgen aardgasvrij is. Integendeel: de warmtetransitie is een stapsgewijs proces en we willen geen overhaaste beslissingen nemen. In de gebieden die we noemen onder ‘Start planvorming’ gaan we de eerste stappen zetten om tot een plan voor het gebied te komen. Bijvoorbeeld een haalbaarheidsonderzoek naar een duurzame warmtebron. Of een verdieping op de verschillende planningen in het gebied en voor de gebouwen. Daarbij richten we ons op het betrekken en informeren van inwoners, bijvoorbeeld voor een besparingsaanpak en/of de mogelijkheden voor een warmtepomp. Ook nemen we de vrijwillige vervolgstappen door.

31

Ten opzichte van 2020.

44 / 142

Figuur 11 – Overzichtskaart met kansrijke startgebieden. WarmteTransitieAtlas. Over Morgen.

De buurten en dorpen uit bovenstaande faseringskaart sluiten aan bij de gestelde criteria uit hoofdstuk 4.2 en komen als kansrijk naar voren uit de uitgevoerde analyses. Hierna volgt per startgebied een korte beschrijving waarom deze aanpak, buurt of dorp als kansrijk naar voren komt. In bijlage E is in meer detail beschreven hoe de keuze voor de startgebieden tot stand is gekomen en hoe ze beoordeeld zijn op de gestelde selectiecriteria zoals omschreven in hoofdstuk 4.2.

Garyp Het dorp Garyp ligt in de gemeente Tytsjerksteradiel en geniet landelijke bekendheid op het gebied van ambitie en duurzaamheid. Na de succesvolle installatie van 27.000 zonnepanelen op de grofvuilstort, werken inwoners nu aan het aardgasvrij maken en is het doel gesteld om het eerste aardgasvrije dorp van Nederland te worden. Garyp telt zo’n 1900 inwoners en 70032 woningen. Het huidige initiatief in Garyp loopt sinds oktober 2018 en heeft een Proeftuinstatus van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties gekregen. Garyp hoort daarmee tot de eerste lichting van de proeftuinen, waarbij in 27 wijken door heel Nederland aan de slag wordt gegaan met het aardgasvrij maken en verduurzamen van de bestaande bouw. In Garyp is een groot zonneveld verschenen waarbij voor de woningen een all-electric aanpak is gekozen. Voor 2024 wil Garyp 80-90% van de woningen met all-electric alternatieven van het aardgas af krijgen. Zowel Enerzjy Koöperaasje Garyp (EKG), de gemeente Tytsjerksteradiel en enthousiaste inwoners zijn betrokken. De gemeente en woningcorporatie WoonFriesland zijn in overleg om te verkennen of het mogelijk is om subsidie in te zetten voor corporatiewoningen. Er worden in Garyp al daadwerkelijk stappen gezet. Zo heeft It Enerzjyhûs haar deuren geopend.

Hier krijgen belangstellenden informatie over de mogelijkheden om over te schakelen op duurzame energie, zijn modelwoningen gerealiseerd en is een aantal woningen reeds aardgasvrij gemaakt.

Figuur 12 – Kaart met kansrijk dorp Garyp. WarmteTransitieAtlas. Over Morgen.

32 Initieel omvatte het project 603 woningen. Op verzoek van particuliere woningeigenaren grenzend aan het initiële gebied is het project in 2019 uitgebreid tot 700 woningen.

46 / 142

Ryptsjerk In 2019 is de Europese LEADER-subsidie toegekend aan het project 'Warmtenet Ryptsjerk'. In dit project wordt toegewerkt naar een warmtekoppeling tussen een dorpshuis en een basisschool. Zij zullen gezamenlijk gebruikmaken van een duurzame bron. Ook wordt bekeken in hoeverre het kansrijk is om op termijn de omliggende bebouwing en zo mogelijk het hele dorp op de warmte-infrastructuur aan te sluiten. Ook wanneer blijkt dat alleen het dorpshuis, een grotere warmtevrager, gevoed zal worden door een duurzame bron, wordt gekeken naar de mogelijkheden die dit biedt om een start te maken met de verduurzaming van het dorp. Ryptsjerk heeft een grotere en een kleinere dorpskern die door lintbebouwing aan elkaar vastzitten. Het plan van Warmtenet Ryptsjerk betreft ruim 290 woningen, waarvan 233 in de grootste dorpskern. In Ryptsjerk hebben inwoners zich georganiseerd en zijn de plannen groot en concreet genoeg om stappen te zetten in de warmtetransitie. In bijlage J is meer informatie opgenomen over het MienskipsEnerzjyPlan voor Ryptsjerk. Dit laat zien hoe inwoners betrokken kunnen worden.

Figuur 13 – Kaart met kansrijk dorp Ryptsjerk. WarmteTransitieAtlas. Over Morgen.

47 / 142

Harkema Ook in Harkema zijn actieve inwoners aan de slag gegaan om bij mede-inwoners en gebouweigenaren draagvlak te creëren voor een alternatieve warmteoplossing. Als de overstap gebundeld plaats kan vinden, helpt dit om flinke stappen te zetten in de warmtetransitie van de gemeente Achtkarspelen. Het initiatief zet in op het zuidelijke deel van Harkema. Activiteiten worden verder uitgebouwd met betrokkenheid van de Enerzjy Kooperaasje.

Figuur 14 – Kaart met kansrijk dorp Harkema. WarmteTransitieAtlas. Over Morgen.

48 / 142

Buitenpost De zuidelijke buurten33 in Buitenpost zijn binnen de twee gemeenten aangemerkt als geschikte locaties om de warmtetransitie met de laagste kosten in te zetten. Het zijn interessante buurten voor individuele all-electric warmteoplossingen, omdat er veel nieuwere woningen staan. Woningen met een bouwjaar na 1990 hebben al een hoog isolatieniveau. Voor woningen met een bouwjaar na 2005 is extra isolatie in veel gevallen zelfs niet meer nodig. De nodige aanpassingen aan isolatie en warmte-afgiftesystemen (radiatoren) zijn daarmee beperkt. Als meerdere woningen in een gebied om dezelfde oplossing vragen, kan daarmee een buurtaanpak worden geformuleerd en ook worden gekeken naar kleine collectieve oplossingen als een buurtwarmtepomp. Buitenpost is een goede plek om te starten met een verkennende gebiedsgerichte aanpak gericht op een all-electric aanpak voor particuliere woningeigenaren, die vervolgens ook in andere dorpen met vergelijkbaar vastgoed kan worden toegepast (denk onder andere aan de noordelijke wijken van Burgum, de zuidelijke en westelijke wijken van Surhuisterveen en de noordoostelijke kant van Eastermar).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Tytsjerksteradiel&id=6583ba94-740a-471b-a882-72039b55ee9f