CConstaterende datTytsjerksteradiel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Transitievisie warmte (warmtevisie).pdf

RAADSVERGADERING 2018 t/m 2024 18 februari 2021, gemeente TytsjerksteradielBij agendapunt: Duurzaamheidsagenda, transitievisie warmte, RKC-rapport: Raad weten met Energie (besluitvormend)31.237 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

33 Groen omcirkeld.

Figuur 15 – Kaart met kansrijke buurten Buitenpost. WarmteTransitieAtlas. Over Morgen.

49 / 142

Surhuisterveen In het centrum van Surhuisterveen in de gemeente Achtkarspelen liggen kansen voor een kleinschalig collectief warmtenet. Het gaat dan om meerdere winkels, enkele bedrijven en woningen (~350 weq). Dit gebied is interessant, aangezien de warmte- (en koude)vraag voldoende dicht bij elkaar ligt om een businesscase voor een lokaal warmtenet financieel haalbaar te maken. Ook liggen de kosten voor een warmtenet lager dan voor de all-electric concepten. Warmteleidingen zijn kostbaar in aanleg en het water als energiedrager stroomt door zowel een aanvoer als een retourleiding. Bij lange leidingen zijn de aanlegkosten hoog. Deze moeten in warmteafzet 'terugverdiend' worden. Als er in een gebied niet voldoende warmtevraag is doordat bebouwing verder van elkaar af ligt, wordt een businesscase lastig haalbaar. Is er wel voldoende warmtevraag binnen een gebied waarmee de aanleg van de warmteleidingen kan worden gedekt, dan ontstaat er een warmtepotentie-eiland op de kaart in de WarmteTransitieAtlas. In Surhuisterveen ligt het enige warmtepotentie-eiland binnen de twee gemeenten. Recente ontwikkelingen in de buitenruimte en aan de ondergrondse infrastructuur maken echter dat we hier goed moeten kijken welke kansen er nog liggen, of op welke termijn die zich weer voordoen.

Ook moet bekeken worden, indien een lokaal warmtenet de voorkeursoplossing geniet, welke bron in de buurt de duurzame warmte kan leveren. Daarnaast is de keuze vrij aan inwoners van particuliere woningen en ondernemers in de buurt of zij willen aansluiten. Dit zal van invloed zijn op de haalbaarheid van een businesscase.

Figuur 16 – Kaart met kansrijke startgebied in Surhuisterveen. WarmteTransitieAtlas. Over Morgen.

50 / 142

Bedrijventerrein Sumar Verschillende bedrijven op het bedrijventerrein van Sumar zijn al bezig met de besparingsopgave en zich aan het oriënteren op duurzame elektriciteitsopwek (wind). Dat is zeer positief. Gebouwen op bedrijventerreinen verschillen van woningen in dat er naast een vraag voor verwarming, ook vaker een vraag naar koeling is. Ook moet rekening worden gehouden met het feit dat voor grote utiliteitsgebouwen andere tarieven voor gas en elektriciteit gelden dan voor woningen en kleine gebouwen. Binnen het bedrijventerrein van Sumar bevinden zich potentiële restwarmtebronnen en wordt draagvlak verwacht vanwege eerdere signalen over onderlinge uitwisseling van energie. De warmtevisie richt zich op het energiegebruik voor verwarming van de gebouwen. Op een bedrijventerrein kan daarnaast de koppeling gelegd worden met de verplichting om integraal te verduurzamen. Bedrijven hebben een energiebesparingsplicht en moeten hun processen verduurzamen. Kansen liggen daarom in eerste instantie in het creëren van bewustwording en het bieden van handelingsperspectieven als eerste stappen naar aardgasvrij. Kansen voor bedrijventerreinen beginnen bij dergelijke signalen en het inventariseren van de warmte- en koudevraag, het werkelijke aanbod van restwarmte als bron en de inzet ervan op het bedrijventerrein.

Daarmee wordt inzichtelijk of er uitwisseling van warmte en koude mogelijk is. De kansen beginnen bij het organiseren van een gezamenlijke insteek.

Figuur 17 – Kaart met kansrijke buurt bedrijventerrein Sumar. WarmteTransitieAtlas. Over Morgen.

Het opzetten van een werkgroep met bedrijven kan helpen om de verschillende initiatieven en stappen naar verduurzaming te bundelen. Op die manier kunnen de bedrijven gezamenlijk werken aan een aanpak om geleidelijk af te stappen van het aardgas.

De ambitie is om met deze gefaseerde aanpak te komen tot het volgende resultaat:

Gebieden / Strategie

Aanpak

Omvang

Tijdsvenster

Brede aanpak

Transitiegereed maken

1250 (5%)34

2020 - 2040

Individueel all-electric

350 woningen35

2021 - 2030

Collectieve warmtevoorziening

150 woningen36

2022 - 2030

280 woningen

2021 - 2030

BZK proeftuin (individueel all-electric) Klein collectief

700 woningen

2018 - 2028

290 woningen

2019 - 2030

Collectieve aanpak

400 weq’s

2021 - 2026

Achtkarspelen Recente buurten Buitenpost Surhuisterveen Harkema Tytsjerksteradiel Garyp Ryptsjerk Bedrijventerrein Sumar

Tabel 3 – Overzicht en aanpak horend bij de brede aanpak voor de gemeenten en de kansrijke dorpen, buurten en bedrijventerrein.

Het totaal komt in de geselecteerde startgebieden op ongeveer 1900 woningen. Samen met de brede aanpak komen de gemeenten op een totaal van ruim 3000 woningen. Daarmee zou in 2030 een percentage van 12% van de gebouwde omgeving aardgasvrij zijn gemaakt. Het is belangrijk om te benoemen dat ook nieuwbouw aardgasvrij wordt gerealiseerd en dat de warmtevisie in 2026 wordt geëvalueerd en mogelijk wordt bijgesteld. Voor de periode tot 2030 kunnen we voor Achtkarspelen uitgaan van een bandbreedte van 95-180 nieuwbouwwoningen en voor Tytsjerksteradiel van 125–155 nieuwbouwwoningen. Het merendeel hiervan zal aardgasvrij worden opgeleverd (uitgezonderd een aantal projecten dat voor juli 2018 is vergund).

34 1250 is de optelsom van 5% van de gemeente. 35 Dit betreft een deel van de woningen in de buurt. 36

Dit betreft een deel van de woningen in het dorp.

52 / 142

53 / 142

5. Hoe verder? Handreiking tot uitvoering In de vorige hoofdstukken is een beeld gegeven van de warmtetransitie in Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel en is uitgelegd hoe dit beeld tot stand is gekomen. In dit hoofdstuk gaan we verder in op de route richting uitvoering. Ook bespreken we de zaken waar we als gemeenten rekening mee moeten houden om de komende jaren samen met de betrokken stakeholders verder te kunnen werken aan de overstap naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. De warmtetransitie is een complex proces dat vraagt om een programmatische aanpak. Hiervoor willen we een uitvoeringsprogramma opzetten. We zetten in op een brede aanpak voor beide gemeenten en op locatiespecifieke startgebieden. Lessen voor een succesvolle programmatische aanpak -

Werk vanuit een aansprekende en gedeelde ambitie: dit geeft energie en daagt uit. Werk gebiedsgericht: de opgaven in en de kracht van het gebied staan centraal. Het proces van het opstellen van het programma is een vliegwiel voor duurzame samenwerking in de uitvoering. Structureer wat er al is en zet vanuit deze basis creativiteit in voor nieuwe kansen. Een programma is meer dan een verzameling projecten: het gaat om het bundelen van belangen, ambities, middelen, instrumenten en kennis vanuit een programmastrategie. Een centrale programmaorganisatie met doorzettingskracht is cruciaal om vanuit verbinding zichtbare resultaten te behalen. Maak het concreet en zichtbaar. Werk daadkrachtig aan goede voorbeeldprojecten en haal daar leerervaringen uit voor strategie en aanpakken.

Samenwerking De warmtetransitie is geen op zichzelf staande opgave. Het is belangrijk om ambities en plannen af te stemmen op de ambities en plannen voor andere thema’s. Het gaat dan om thema’s als de verbetering van de inrichting openbare ruimte, het verhogen van de leefbaarheid en het versterken van de sociale cohesie. Deze transitie vraagt ook om nieuwe vormen van samenwerking met gebouweigenaren, met inwoners en met het bedrijfsleven waarbij de noodzaak tot coördinatie wordt gezien. Tevens vraagt het mogelijk om veranderingen binnen de gemeentelijke organisatie.

5.1 Doel en aandachtsgebieden van het uitvoeringsprogramma Doel We willen stappen maken in de warmtetransitie. Samenwerken in de warmtetransitie betekent meer dan het naast elkaar uitvoeren van de projecten van de individuele stakeholders. Er liggen stevige uitdagingen op het gebied van samenwerking, strategie, communicatie, participatie en financiering. We stellen onszelf het volgende doel: In 2021 wordt door alle betrokken partners gewerkt aan een organisatiestructuur om invulling te geven aan de uitvoering van de warmtevisie en het traject dat daarna volgt.

Aandachtspunten Communicatie: De overgang naar een duurzame, aardgasvrije gemeente is ingrijpend en kunnen we niet alleen. Dit doen we samen met inwoners, collega’s en samenwerkingspartners. Ook al zijn er nog veel vragen en onzekerheden, we willen onze inwoners goed en tijdig informeren en betrekken bij zaken die we al wel weten. De uitgewerkte communicatieaanpak is opgenomen in de duurzaamheidsagenda.

54 / 142

Keuzevrijheid: De vrijwilligheid van inwoners van Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel om stappen te zetten richting een aardgasvrije woning is het leidende principe. Keuzevrijheid is belangrijk en kan een stimulans zijn voor innovatie. Het geeft individuen vrijheid. Tegelijkertijd zijn er ook inwoners die een collectief aanbod waarderen en op zoek zijn naar ontzorging in de warmtetransitie. Kosten: Veel inwoners gaven aan zich zorgen te maken over de kosten. In de uitgangspunten is genoemd dat betaalbaarheid essentieel is om de warmtetransitie in Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel te kunnen uitvoeren. We kijken daarom naar de oplossingen met de laagste maatschappelijke kosten. Het aanbod om over te stappen naar wonen zonder aardgas moet acceptabel zijn. Ook voor inwoners met een kleinere portemonnee. De gemeenten willen daarom duidelijkheid geven over de kosten en de financieringsmogelijkheden. Daarnaast biedt inzicht in terugverdientijden van bijvoorbeeld energiebesparende maatregelen als isolatie, vaak een ander perspectief. Op lange termijn kan een deel van de investeringen voor woningeigenaren bijvoorbeeld rendabel zijn, maar zijn maatregelen nu nog vaak duur in aanschaf en aanleg. Bovendien willen we dat de maandlasten voor inwoners betaalbaar blijven. We kunnen dit vraagstuk als gemeenten niet oplossen.

Een deel van de oplossingen, zoals nieuwe vormen van financiering en subsidies, zal op landelijk niveau moeten worden opgepakt. Maar ook als gemeenten kunnen we op zoek gaan naar nieuwe (financiële) arrangementen die de drempel verlagen om duurzame maatregelen te nemen of de overstap te maken naar aardgasvrij. Het is nuttig om samen met het Energieloket inzichtelijk te maken welke kosten en terugverdientijden bij welke maatregelen horen. In de brede aanpak voor beide gemeenten zullen financieringsmogelijkheden onderzocht worden en ontvangen inwoners en ondernemers informatie over de opties. Hierbij kan ook gedacht worden aan het aanbieden van voordelige leningen vanuit een gemeentelijk fonds of het aanbieden van innovatieve financieringsconstructies, zoals gebouwgebonden financiering (bij voorkeur in samenwerking met de provincie en het Rijk). Verder kan inzichtelijk worden gemaakt waar welke geldstromen beschikbaar zijn (Europa, Rijk, provincie, waterschap, investeerders en andere stakeholders) en hoe hiervoor een succesvolle aanvraag te doen. In de eerste buurten zullen dit soort opties nodig zijn om een interessant aanbod aan de inwoners te kunnen doen. Ten slotte willen we per gebiedsproject en in de uiteindelijke wijkuitvoeringsplannen verder onderzoek doen naar de kosten per woningtype en per stakeholder, om meer inzicht te krijgen in welke financiering waar nodig is.

Capaciteit: Om de transitie mogelijk te maken hebben we voldoende kennis en organisatiekracht nodig. Ook is er behoefte aan technisch personeel voor de uitvoering. Evaluatie: De warmtevisie wordt minimaal eens in de vijf jaar opnieuw bekeken. Zijn we nog op de juiste weg om de ambities waar te maken of moeten we naar boven of naar beneden bijstellen? Andere evaluatiemomenten zijn wanneer uitkomsten van de haalbaarheidsonderzoeken bekend zijn, er keuzes worden gemaakt in de rollen van de gemeenten en de andere stakeholders, er inzicht is in de stappen die nodig zijn om aan de slag te kunnen in de eerste dorpen of buurten en we weten wat de houding van de inwoners is. Daarnaast is terugkoppeling naar het Rijk essentieel om knelpunten te benoemen.

55 / 142

5.2 Uitvoeringsstrategie voor de brede aanpak en de startgebieden Programmatisch werken De gemeenten willen voor de uitvoering van de warmtetransitie een structurele programma-aanpak opzetten die wordt opgebouwd uit een aantal projecten. We gaan werken aan thema’s die gebieds- of projectoverstijgend zijn om iedereen die woont of werkt in Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel voor te bereiden op de warmtetransitie. Voor de startgebieden is een onderzoeksfase de eerste stap na het afronden van de warmtevisie. Hierin bepalen we of en hoe in een startbuurt of -dorp begonnen kan worden met een uitvoeringsplan. In het uitvoeringsplan wordt vervolgens opgenomen welke techniek we willen gaan inzetten om aardgasvrij te worden, hoe de financiering wordt vormgegeven, hoe we ons willen organiseren, hoe we inwoners willen ontzorgen en hoe we het proces van communicatie en participatie per buurt of dorp zullen inrichten. De relatie en samenhang tussen deze onderdelen is gevat in een voorstel voor een organisatiestructuur in figuur 18.

Figuur 18 – Overzicht organisatiestructuur mogelijke programmatische aanpak.

De gemeenten Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel zijn niet de enige uitvoerders van de projecten en zullen er soms zelfs alleen maar zijdelings bij worden betrokken. De organisatiestructuur zal daarom verder gevormd worden met de belangrijkste spelers die ook eigenaarschap hebben in de warmtetransitie - partners uit de projectgroep, inwoners en andere organisaties - om gezamenlijk de verdere koers te bepalen richting een aardgasvrij Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel.

56 / 142

Boven het programma kan vanuit de partners een 'bestuurlijk overleg warmtetransitie' worden samengesteld dat verantwoordelijk is voor de strategische vraagstukken, het inhoudelijk herijken van de warmtevisie en het borgen van de in de projecten opgedane kennis. In de voorgestelde projecten kan samen met partners worden gewerkt aan de stappen richting een uitvoeringsplan. We geven hieronder een beschrijving van de projectoverstijgende thema’s die de gemeenten moeten oppakken en de reeds voorgestelde projecten om de uitvoering mogelijk te maken. Naast een aanpak met projecten, omarmen we ook de initiatieven die vanuit inwoners en de lokale energiecoöperaties zelf komen. Als er kansrijke ideeën voor de dorpskernen worden aangedragen, denken de gemeenten en partners graag mee of en hoe dit gefaciliteerd kan worden.

5.2.1 Brede aanpak voor beide gemeenten De brede aanpak voor beide gemeenten richt zich op het transitiegereed maken van woningen en andere gebouwen en de versnelling naar all-electric van het vastgoed dat daar snel geschikt voor gemaakt kan worden. Het projectteam warmtetransitie is de plek waar beide projecten samenkomen. Ook stroomlijnt het team de communicatie, deelt de succesverhalen en faciliteert inwonersinitiatieven. Het projectteam wordt gevormd door vertegenwoordigers van de gemeenten en professionele stakeholders zoals de netbeheerders.

Project transitiegereed De projectgroep transitiegereed, waarin de gemeenten en het gemeentelijk Energieloket een belangrijke rol zullen moeten spelen, zal een plan opstellen om energiebesparing te stimuleren, om isolatiemaatregelen te laten treffen en om in beeld te brengen welke acties ondernomen moeten worden om woningen voor te bereiden op een toekomst zonder aardgas. Het belang van isoleren geldt voor alle gebouwen in de gemeenten, maar in ieder geval voor alle gebouwen van voor 1990 (het overgrote deel van de woningen in Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel). Naast isolatie zijn ook ventilatie en de overstap naar elektrisch koken essentieel. Het Energieloket is al erg actief met het uitvoeren van quick scans, waarmee woningen worden geïnspecteerd en advies wordt uitgebracht over energiebesparende maatregelen passend bij de woning. Voor vervolgstappen richting uitvoering (bijvoorbeeld woningverbeterplannen) is meer technisch inhoudelijke kennis intern bij de gemeenten, dan wel extern, nodig. Het is een uitdaging om alle inwoners van de gemeenten naar het Energieloket te krijgen, dus zal het Energieloket naar de mensen toe moeten. Mogelijk kunnen de energiecoöperaties en inwonersinitiatieven daar een actieve rol in krijgen.

Het lopende project 'Geef gas met Energie' van het Energieloket, dat beide gemeenten bekostigen vanuit de toegekende RRE37-subsidie, draagt al financieel bij aan het treffen van energiebesparende maatregelen. Een verhuizing biedt een natuurlijk moment om de warmtetransitie een stap verder te brengen en maatregelen te nemen die helpen de woning voor te bereiden op aardgasvrij. De gedachte is samen te werken met makelaars om verkopende en aankopende inwoners binnen de gemeenten te informeren over de toekomstbestendigheid van de woning. Hierbij worden de mogelijke waardeverschillen in woningen in de transitie naar aardgasvrij belicht, maar ook de verschillen in hypotheekopties. Ook vervangingen creëren natuurlijke momenten, bijvoorbeeld wanneer de cv-ketel in de woning aan vervanging toe is. We kunnen hierbij kijken naar de bouwperioden van wijken, zodat we een inschatting kunnen maken wanneer we inwoners kunnen gaan voorbereiden. Uiteindelijk komt al het vastgoed in de gemeenten een keer aan de beurt. Alle woningen en gebouwen moeten worden voorbereid op de energietransitie, met name door te isoleren. Dat is een grote klus waarbij we eigenaren zo goed mogelijk willen ondersteunen.

37 Regeling Reductie Energiegebruik,

htps://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Tytsjerksteradiel/637446/CVDR637446_1.html.

57 / 142

Project versnelling all-electric individueel All-electric oplossingen kunnen met name interessant zijn voor vastgoed dat na 1990 is gebouwd en daarom al een hoge mate van isolatie heeft. We stellen voor dat een projectgroep zich gaat bezighouden met de vraag bij welke plekken of voor welke doelgroepen een all-electric aanpak het beste past. Daarbij is de verwachting dat er bij een individuele aanpak een grote rol voor communicatie weggelegd is. Ook kan deze projectgroep een plan opstellen voor de partijen die de all-electric aanpak kunnen vormgeven. Het ondersteunen en ontzorgen van inwoners is essentieel om de warmtetransitie te kunnen versnellen. Zelfs als maatregelen zichzelf op termijn terugverdienen en/of wanneer er gunstige financieringsvoorwaarden zijn, wil dat nog niet zeggen dat de woningeigenaar de stap gaat zetten. De woningeigenaar dient hierover onafhankelijk advies te krijgen en wil weten wat goede bouw- en installatiebedrijven zijn. Ook is het van belang dat hij zekerheid krijgt over de kwaliteit van de uitvoering. Door het aanbieden van complete all-electric pakketten, inclusief financieringsopties, kan aan deze behoefte worden voldaan.

5.2.2 Programma kansrijke dorpen of buurten De projectgroep die zich richt op de kansrijke startgebieden in Garyp, Harkema, Ryptsjerk, Buitenpost, Surhuisterveen en bedrijventerrein Sumar, kan dit in eerste instantie doen vanuit een overkoepelende projectgroep voor de startwijken of indien dit nodig blijkt, aparte projectgroepen inrichten. De projectgroep wordt gevormd met de professionele stakeholders die in de kansrijke startgebieden een verantwoordelijkheid hebben in de warmtetransitie. In de startgebieden gaan we in gesprek met inwoners en ondernemers in het gebied. We verkennen samen de verschillende warmteopties en doorlopen gezamenlijk het traject tot uiteindelijke realisatie. Bij het opstellen van de plannen sluiten we aan bij de omschrijving van de uitvoeringsplannen op buurtniveau in het nationale Klimaatakkoord. De plannen bevatten daarom in ieder geval:

> Een meer gedetailleerde planning van de overstap naar aardgasvrij.

> Een keuze van het voorkeursalternatief voor aardgas op basis van een haalbaarheidsstudie. > Een duidelijke rolverdeling van de partijen die samenwerken aan de buurtaanpak. > Een duidelijke afbakening van het gebied waar we aan de slag gaan. Hiervoor is het nodig dat we alle planningen in het gebied naast elkaar leggen en zoveel mogelijk slim samenwerken. Het gaat dan om planningen in de ondergrond (riolering, gas- en elektranetten, drinkwaterleidingen), in de openbare ruimte (herbestrating, groenbeheer) en aan de gebouwen (nieuwbouw, isolatiemaatregelen, afschrijving van cv-ketels, uitfasering koken op gas). De renovatieopgave van de woningcorporaties naar energielabel B in de kansrijke buurten en dorpen speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol in het bepalen van de afbakening van het gebied en een logische planning. > Een concreet aanbod voor inwoners en andere eigenaren voor het transitiegereed maken van woningen en het maken van de overstap naar het aardgasvrije voorkeursalternatief. Daarbij hoort ook een financieringsconstructie die het voor meer eigenaren mogelijk maakt om mee te doen. Ook moet duidelijk zijn welke eigenaren wanneer een keuze moeten maken en hoe we ze in dat proces informeren, ondersteunen en ontzorgen. > Een communicatie- en participatieplan voor de buurt, dat aansluit op bovenstaande punten.

Projectgroep Garyp Het lopende project in Garyp zet inmiddels al echte stappen om de eerste woningen af te sluiten van het aardgas en te voorzien van een alternatieve oplossing. De aanvragen van inwoners om de overstap naar een all-electric oplossing te maken, overtreffen de capaciteit van de uitvoerende partijen. Betrokkenheid en nauwe afstemming van alle partijen die in de uitvoering een verantwoordelijkheid hebben, is van belang om de ambitie om 80-90% van de woningen aardgasvrij te maken, te halen. De lessen die in Garyp worden geleerd, moeten gebruikt worden om de warmtetransitie in andere gebieden vlotter te laten verlopen en om inwoners van de gemeenten breder bekend te maken met de mogelijkheden die er zijn.

58 / 142

Projectgroep Harkema In Harkema is al een aantal jaren Enerzjy Kooperaasje De Harkema actief met de verduurzaming van woningen, door het opstellen van energieadviezen, woningverbeterplannen en de verkenning van de mogelijkheden van het zogeheten energiebespaarabonnement (een vorm van gebouwgebonden financiering). De Kooperaasje wil met de warmtetransitie de verduurzaming van woningen intensiveren.

Projectgroep Ryptsjerk De projectgroep Warmtenet Ryptsjerk is al bekend bij inwoners. De inwoners hebben met hulp van de Fryske Milieu Federatie bepaald van welke duurzame bronnen en initiatieven men in Ryptsjerk bij voorkeur gebruik wil maken. Dit is samengevat in het Mienskips Energie Plan voor Ryptsjerk. Daarnaast heeft een adviesbureau de verschillende alternatieven voor aardgas onderzocht. De gemeente Tytsjerksteradiel wordt vanuit de projectgroep op de hoogte gehouden van de plannen en zal waar mogelijk ondersteuning verlenen. Afhankelijk van de uitkomsten van het haalbaarheidsonderzoek zullen volgende stappen (kunnen) worden gezet.

Projectgroep recente buurten Buitenpost In hoofdstuk 4 is geconstateerd dat in de recentere buurten in het zuiden van Buitenpost tegen de laagste maatschappelijke kosten gestart kan worden met de warmtetransitie. Daarbij is onderzoek nodig naar de mate van isolatie van de woningen. Op dit moment hebben we nog geen inzicht in eventuele natuurlijke momenten, bijvoorbeeld onderhoud en of vervanging van de cv-ketel, waar we bij aan zouden kunnen sluiten. Daarbij zal in gesprekken met inwoners van de wijken duidelijk worden of zij van plan zijn om stappen te zetten richting aardgasvrij. Als er meerdere woningen in de buurt om dezelfde oplossing vragen, kunnen deze worden geclusterd of zelfs op buurtniveau worden aangepakt. Of er inderdaad een aanpak op buurtniveau is, of dat de brede aanpak op gemeenteniveau beter aansluit, is een keuze die in de vervolgstappen onderzocht moet worden.

Projectgroep Surhuisterveen In het centrum van Surhuisterveen ligt binnen de gemeenten Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel het enige warmte-potentie-eiland. Binnen dit gebied zou een kleinschalig collectief warmtenet de laagste maatschappelijke kosten met zich meebrengen. Tegelijkertijd hebben we geconstateerd dat de werkzaamheden in de openbare ruimte al zo ver gevorderd zijn, dat we vraagtekens plaatsen bij de haalbaarheid van een kleinschalig warmtenet omdat er op dit moment weinig koppelkansen worden gezien. Er zijn twee stappen die daarom eerst gezet moeten worden: een haalbaarheidsonderzoek naar de kansen voor collectieve warmte die zich op dit moment nog, of op termijn, voordoen, en een haalbaarheidsonderzoek naar een duurzame bron. Uit de haalbaarheidsstudies moet blijken of inzetten op de ontwikkeling van een warmtenet in het centrum van Surhuisterveen kansrijk is.

Projectgroep bedrijventerrein van Sumar Met de aanwezige bedrijven op het bedrijventerrein in Sumar willen we het gesprek aangaan. Met een werkgroep zullen vraag en aanbod van warmte en koude in het gebied worden onderzocht en of er mogelijkheden zijn voor hergebruik hiervan op het bedrijventerrein zelf of richting andere nabijgelegen gebouwen. De projectgroep kan inzetten op het creëren van bewustwording bij de aanwezige bedrijven en pilots vanuit de bedrijven helpen faciliteren.

5.3 Belangrijke stakeholders waar het uitvoeringsprogramma zich op richt De projectgroep communicatie richt zich op het opzetten van een campagne waarmee iedereen die binnen de gemeenten woont of werkt, wordt voorgelicht over de warmtetransitie. We zorgen voor eenduidige informatieverstrekking en stemmen goed af met het gemeentelijk Energieloket, energiecoöperaties en de dorpsbelangen. Daarbij worden onderwerpen belicht als koken op inductie, de verschillende alternatieven op warmtegebied en zal een duidelijke link worden gemaakt met de grootschalige opwek van duurzame elektriciteit vanuit de RES. Bovendien kunnen er meer redenen zijn waarom inwoners geïnteresseerd zijn om van het aardgas af te gaan. Door oog te hebben voor koppelkansen zorgen we als gemeenten dat daarbij wordt aangesloten.

59 / 142

Elke dorpskern is anders, met andere typen woningen en een diversiteit aan eigenaren. Dat vraagt om een gedifferentieerde strategie om dit voor iedereen aantrekkelijk te maken. Rekening houden met verschillende gebieden en doelgroepen is daarom belangrijk. Duurzaam gedrag is aanstekelijk38. Door te kiezen voor een doelgroepenbenadering van inwoners die zich met elkaar identificeren vanwege een overeenkomst (bijvoorbeeld omdat ze in vergelijkbaar vastgoed wonen), kan goed voorbeeld goed doen volgen. Zeker wanneer professionele en onafhankelijke experts dit kunnen begeleiden. De doelgroepenbenadering zet hierop in. Dit zou verder uitgebreid kunnen worden met een betrokkenheidsanalyse en worden toegespitst op verschillende doelgroepen binnen de gemeente. Dorpskernen: Hierbij gaat het om het bereiken van inwoners in dorpskernen. Veelal zullen de woningen uit dezelfde bouwperiode stammen, een kenmerkende bouwtypologie of vergelijkbaar energielabel hebben. Buitengebied: Bewoners in het buitengebied vormen ook een aparte doelgroep waar de gemeenten en de betrokken professionele partners op willen inzetten. Beide gemeenten worden gekenmerkt door een groot buitengebied en deze bebouwing vraagt een andere aanpak dan die voor de inwoners in de dorpskernen. Bedrijven: Met de selectie van het bedrijventerrein Sumar is uiteraard niet alle utiliteitsbouw binnen de gemeenten gedekt.

Ook ondernemers op andere locaties zijn geholpen met passende informatie. Maar omdat utiliteit andere aandachtspunten heeft dan woningbouw, zal een aparte benadering, met advies gericht op deze specifieke doelgroep, beter aanslaan. We zullen verder bouwen op de ervaring die is opgedaan met verschillende projecten gericht op het MKB, zoals 'Energie voor MKB' en 'Firtuele Sinnegreide'. In de startgebieden komt een specifieke focus op de betrokken inwoners en bedrijven. Ook worden professionele stakeholders betrokken vanwege haalbaarheidsonderzoeken en uitvoering. Hierbij gaat het om lokale installatiebedrijven, Liander als netbeheerder van het elektriciteitsnet en Stedin als beheerder van het aardgasnet, bouwbedrijven en collega’s binnen de gemeenten (onder andere ruimtelijke ordening en ondergrondse infra).

5.4 Tussentijdse resultaten Er zijn een aantal belangrijke onderdelen die de komende periode in de projectgroepen verder moeten worden uitgewerkt. Denk hierbij aan het formuleren van tussentijdse doelen en acties die nodig zijn om te kunnen starten met de brede aanpak voor beide gemeenten en gebiedsgericht in de eerste dorpen en buurten. Daarbij gaat het in hoofdlijnen om de volgende doelen: > We willen de informatievoorziening kort na vaststelling van de warmtevisie op orde hebben. Dan gaat het bijvoorbeeld om een overzicht van veelgestelde vragen met een duidelijke beantwoording daarvan en een communicatieve samenvatting van de warmtevisie die we kunnen gebruiken richting inwoners. > We hebben afgestemd met het gemeentelijk Energieloket om een campagne op te zetten die toewerkt naar het transitiegereed maken van woningen. Hierbij werken we verder op het project 'Geef gas met Energie'. De resultaten van de energiescans en andere algemene informatie over bepaalde typen woningen koppelen we met ervaringen voor andere inwoners. > We implementeren de warmtevisie in de Omgevingsvisie. > We hebben een voorstel om een financieringsconstructie in te richten voor inwoners met een kleine beurs. > We starten onderzoeken en haalbaarheidsstudies naar de alternatieven voor de eerste dorpen en buurten waar we willen starten. Daarbij nemen we koppelkansen zoveel mogelijk mee.

38

“Peer influence on household energy behaviours”, Kenneth Gillingham e.a., Nature Energy, 27 januari 2020.

60 / 142

In de onderstaande tabel staan de belangrijkste acties per aanpak, dorp, buurt of bedrijventerrein waar de betrokkenen na vaststelling van de warmtetransitie gezamenlijk mee aan de slag willen: Dorpen/buurten Brede aanpak gericht op transitiegereed & de versnelling naar aardgasvrij Stakeholders: particuliere woningeigenaren, woningcorporaties, energiecoöperaties

Voorgestelde acties > > > >

> > > >

> Garyp

> >

Proeftuin BZK Stakeholders: particuliere woningeigenaren, woningcorporaties, EKG

>

Ryptsjerk

>

Klein collectief warmtenet

>

Stakeholders: projectgroep Warmtenet, basisschool, dorpshuis, particuliere woningeigenaren

>

>

> >

Harkema Stakeholders: particuliere woningeigenaren, woningcorporaties, Enerzjy Kooperaasje De Harkema, Fryslân Duurzaam

> >

> > >

>

Projectteam warmtetransitie inrichten Communicatiestrategie en -plan opstellen dat bijdraagt aan de bewustwording Met projectteam komen tot een uitvoeringsplan voor het transitiegereed maken van het vastgoed Energieloket inzetten op isolatiecampagne, besparing en verduurzaming (borgen van samenhang in informatievoorziening) Faciliteren van lokale initiatieven en onderzoeken van mogelijke samenwerking tussen energiecoöperaties Delen van succesverhalen en goede voorbeelden van lokale ambassadeurs Doelgroepenbenadering Gefaseerde aanpak naar transitiegereed, aansluitend bij natuurlijke momenten (bijvoorbeeld verhuizing, verbouwing, ketelvervanging) Onderzoek doen naar potentie groen gas binnen de gemeenten Woningen geschikt maken voor all-electric Pilot met inwoners: zijn woningen geschikt voor lage temperatuur met bestaande systeem, temperatuur verlagen van cv-ketel De lessen uit Garyp toepassen bij aanpak in beide gemeenten Garyp als voorbeeld gebruiken voor andere initiatieven vanuit inwoners/buurten Selectie van een externe adviesorganisatie voor haalbaarheidsonderzoek Inzet van de resultaten uit het Mienskips Energie Plan Ryptsjerk (MEP) De onderzoeksvraag bijstellen om aan te sluiten bij het MEP en op basis van TCO-berekeningen eerst bepalen wat kansrijke energieoplossingen voor het hele dorp zijn Vaststellen of de gekozen kansrijke oplossing geschikt is voor een pilot bij

dorpshuis en school Onderzoek naar financiering en subsidiemogelijkheden voor grootschalige inzet duurzame bron voor Ryptsjerk Projectgroep Harkema inrichten Communicatieplan opstellen om inwoners te informeren over de stap naar een individuele all-electric oplossing. Bepalen van eventuele inzet Energieloket op de aanpak transitiegereed en communicatie Haalbaarheidsonderzoek uitvoeren voor gebouwgebonden financiering Verkenning naar bereidheid overstap Pilot met inwoners: zijn woningen geschikt voor lage temperatuur met het bestaande systeem, temperatuur verlagen van cv-ketel Woningen geschikt maken voor all-electric

61 / 142

> > > Buitenpost All-electric en individuele warmteoplossingen voor recente woningen

Stakeholders: particuliere woningeigenaren, woningcorporaties, Energiecoöperatie Buitenpost

> >

> >

> > > >

> Surhuisterveen Klein collectief warmtenet Stakeholders: particuliere woningeigenaren, ondernemers, woningcorporaties

> > > > >

> >

Bedrijventerrein Sumar Collectieve warmte Stakeholders: bedrijven

> > > > >

Kansen uitwerken voor particulieren met vergelijkbare woningen Makelaars erbij betrekken om aandacht te geven aan de waarde van toekomstbestendig vastgoed De lessen uit Harkema toepassen bij aanpak recente woningen in beide gemeenten Projectgroep Buitenpost inrichten Communicatieplan opstellen om inwoners te informeren over de stap naar een individuele all-electric oplossing. Bepalen van eventuele inzet Energieloket op de aanpak van transitiegereed & communicatie Verkenning naar bereidheid overstap Pilot met inwoners: zijn woningen geschikt voor lage temperatuur met het bestaande systeem, temperatuur verlagen van cv-ketel Woningen geschikt maken voor all-electric Kansen uitwerken voor particulieren met vergelijkbare woningen Makelaars erbij betrekken om aandacht te geven aan de waarde van toekomstbestendig vastgoed Haalbaarheidsonderzoek uitvoeren voor kansen voor eventuele kleine collectieve verwarmingssystemen met buurtwarmtepomp en lokale opslag De lessen uit Buitenpost toepassen bij de aanpak van recente woningen in beide gemeenten Projectgroep Surhuisterveen inrichten Communicatieplan opstellen om inwoners te informeren over het onderzoek naar haalbaarheid collectief Haalbaarheidsonderzoek uitvoeren, inventarisaren van warmtevraag en (beperkt) marktonderzoek In beeld brengen van aanwezige bedrijven, VvE’s, inwonerscollectieven en benodigde betrokkenen In gesprek gaan met

lokale stakeholders om aan te sluiten bij een eventueel lokaal net en bepalen van het commitment voor een collectief plan voor een lokaal warmtenet Een bronnenstrategie opstellen Koppelkansen onderzoeken voor collectieve aanpak (revitalisering, mobiliteit, groen, klimaatadaptatie, enzovoort) Projectgroep Sumar inrichten Communicatieplan opstellen om aanwezige partijen te informeren over de aanpak Inventarisatie van warmte- en koudevraag, aanbod en mogelijk hergebruik op het bedrijventerrein Onderzoek naar koudevraag van utiliteit en bedrijven voor mogelijkheden WKO-systemen Gezamenlijke kansen voor bedrijven uitwerken

Tabel 4 – Overzicht met acties bij de brede aanpak voor de gemeenten en de kansrijke dorpen, buurten en bedrijventerrein.

62 / 142

5.5 Benodigde capaciteit en middelen Zowel bij de gemeenten Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel als bij de betrokken stakeholders en uitvoerende partijen geldt de randvoorwaarde dat er voldoende capaciteit en middelen beschikbaar moeten komen om tempo te kunnen maken nadat de warmtevisie door de gemeenteraden is vastgesteld. Naast de aanvullende capaciteit die in het schema van figuur 19 is benoemd voor projectleiders en communicatie, is inzet vanuit verschillende gemeentelijke disciplines nodig. Eveneens zal betrokkenheid bij dit programma onderdeel moeten gaan worden van de reguliere werkzaamheden. Dit vraagt ook dat er mogelijk keuzes gemaakt moeten worden over de inzet van medewerkers afhankelijk van prioritering. In het landelijke Klimaatakkoord van juni 2019 is afgesproken dat het Rijk middelen ter beschikking stelt aan gemeenten. Beoogd wordt dat alle gemeenten hiermee een goede start kunnen maken met de uitvoering van het Klimaatakkoord. In dit kader zal voor verschillende zaken een uitkering vanuit het Rijk komen of al gekomen zijn. Inzet is om voor het programma warmtetransitie, zoals in dit hoofdstuk omschreven, in 2021 en 2022 gebruik te maken van de middelen die in de decembercirculaire 2019 vanuit het Rijk zijn toegekend ten behoeve van de warmtetransitie. Voor zowel Achtkarspelen als Tytsjerksteradiel gaat dit om een bedrag van € 212.098.

Dit bedrag is reeds uitgekeerd. De financiële mogelijkheden binnen dit programma voor de periode na 2022 zullen mede afhangen van eventuele toekomstige toekenningen vanuit het Rijk. De Rijksbijdrage is taakstellend. Tegelijkertijd wordt scherp in de gaten gehouden welke aanvullende financieringsmogelijkheden ten behoeve van de warmtetransitie zich voordoen en waar zo mogelijk aanspraak op gemaakt kan worden. Bijvoorbeeld financieringsmogelijkheden vanuit Europa, het Rijk, provincie, waterschap, investeerders en andere stakeholders, zowel op korte, middellange en lange termijn.

63 / 142

Doel: Uitvoering strategie aardgasvrij

Projectleider: 0,6 fte Communicatie: 0,2 fte Overige stakeholders: Energieloket, Woningcorporaties, Liander, Stedin

Projectleider per project: 0,3 fte Communicatie per project: 0,2 fte Overige stakeholders: Energieloket, Woningcorporaties, Wetterskip, Liander, Stedin, Energiecoöperaties

Figuur 19 – Overzicht mogelijke organisatiestructuur met inschatting capaciteitsbehoefte.

64 / 142

6. Tot slot Met de strategie en aanpak beschreven in deze warmtevisie geven de gemeenten Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel invulling aan de verplichtingen uit het Klimaatakkoord en de daaruit volgende stappen naar aardgasvrije en energieneutrale gemeenten. We gaan toewerken naar een toekomst waarin we voor onze verwarming, warm water en koken niet meer afhankelijk zijn van fossiele energie. Dit verbetert ons wooncomfort en draagt bij aan een verbetering van de luchtkwaliteit. We dragen hiermee bij aan de leefbaarheid van toekomstige generaties die ook graag in onze gemeenten willen wonen en werken. We beseffen dat er voor de warmtetransitie in de gemeenten Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel geen duidelijke antwoorden vooraf zijn. Huidige wetgeving, lastige businesscases en de beleving van onze inwoners maken het een complex en uitdagend geheel. Dit is echter het begin en vraagt iets wat lastig is: keuzes maken op basis van de kennis die we nu hebben. Maar de voorgestelde aanpak biedt ook ruimte om, als de situatie daar om vraagt, te kunnen bijsturen of de koers aan te passen. De komende jaren zal de warmtetransitie verder invulling krijgen door toenemende kennis en de ervaring die we opdoen op de plekken waar we gaan starten. Wat we leren zal bijdragen tot betere wetgeving, betere producten en nieuwe concepten.

Daarbij zullen zich kansen voordoen voor lokale ondernemers, maar ook voor onze inwoners. En we zijn ons ervan bewust dat als we geen keuzes maken, fossiel de norm blijft. We steunen op de duurzame ambities die we vanuit alle energiecoöperaties die onze gemeenten rijk zijn horen en waar vele inwoners zich inmiddels al bij aansluiten. Goed voorbeeld doet goed volgen.

65 / 142

66 / 142

Bijlagen A: Warmteopties B: WarmteTransitieModel C: Warmtekaart en Kansenkaart D: Overzichtskaartjes warmteverbruik E: Analyse startgebieden F: Resultaten Informatieavond 12/11 G: Dorpsindeling I: Mienskipsenergieplan Ryptsjerk

67 / 142

Bijlage A Warmteopties

1.1. 1.2.

1. Energie-infrastructuren Er zijn vier verschillende energie-infrastructuren denkbaar om de gebouwde omgeving te kunnen verwarmen:

1. 2. 3. 4. 1.1

Gasnet All-electric Bronnet Warmtenet

Gasnet

In veel wijken zal het gasnet nog even blijven liggen. Het gasnet wordt door Stedin pas verwijderd op het moment dat het geen functie meer vervult. Indien gekozen wordt om het bestaande gasnet te laten liggen, is het van belang om duidelijkheid te geven aan vastgoedeigenaren hoelang dit nog het geval zal zijn. Zo krijgen eigenaren de tijd om de noodzakelijke maatregelen te nemen. Voorlopig bestaan er echter nog geen juridische instrumenten (buiten de regeling in de eenentwintigste tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet artikel 7ag, waarmee voor proeftuinwijken een einddatum ingesteld kan worden, of voor herstructureringswijken) die de netbeheerder kan dwingen om het aardgasnet uit een buurt of wijk te verwijderen. Een woningeigenaar met een bestaande aardgas aansluiting kan dus niet gedwongen worden van het aardgas af te gaan. Alleen voor nieuwbouwwoningen geldt sinds 1 juli 2018 een uitzondering. De verwachting is dat het ‘gasrecht’ in de toekomst zal worden vervangen door een ‘warmterecht’, maar zover is de besluitvorming in de Eerste en Tweede Kamer nog niet. Zolang het gasnet voorlopig nog beschikbaar is, kan er eventueel naast de individuele HR-ketel ook een hybride warmtepomp geplaatst worden in de woning om het gasgebruik te beperken. Voorwaarde is wel dat de woning het basisisolatieniveau bereikt heeft, zodat de warmtepomp optimaal kan functioneren.

1.2

All-electric

All-electric betekent dat er alleen een elektriciteitsnet naar de wijk toe komt. Woningen en gebouwen hebben een warmte-opwekinstallatie die alleen elektriciteit gebruikt. Omdat de warmte in de woning wordt opgewekt met bijvoorbeeld een warmtepomp of infrarood zal de vraag naar elektriciteit op koude dagen sterk toenemen in de wijk. De (over)capaciteit in het bestaande elektriciteitsnet is echter beperkt en deze is bijvoorbeeld ook nodig voor de realisatie van laadpalen voor elektrische mobiliteit. Het elektriciteitsnet zal dus verzwaard moeten worden, niet alleen op wijkniveau, maar ook op gemeentelijk, regionaal, nationaal en internationaal niveau. Vaak bestaan er echter beperkingen om het elektriciteitsnet te verzwaren. Rekening houdend met het feit dat we in de toekomst warmte kunnen gaan opslaan in woningen, is het ook sterk de vraag of het verstandig is om op korte termijn al hele wijken gelijktijdig elektrisch te gaan verwarmen. Netverzwaring op wijkniveau vergt hoge investeringen, die in de toekomst mogelijk niet nodig blijken. All-electric is daarom een alternatief dat zich meer leent om organisch te ontwikkelen verspreid over meerdere buurten en wijken in een gemeente.

Met name voor eengezinswoningen en gebouwen in buurten waar een collectieve warmteoplossing geen logische oplossing is en waarvan de woningen al goed geïsoleerd zijn, of bij kleinschalige nieuwbouwprojecten. Een tijdige afstemming met de netbeheerder is hierbij van belang om desinvesteringen en onnodige overlast te voorkomen. Uitgaande van de huidige stand van de techniek kan alleen met warmtepompen of infrarood verwarmd worden als de woningen minimaal tot het basisisolatieniveau zijn aangepast, waarbij de warmtevraag voor ruimteverwarming 65 kWh/m2 of lager is. Bij warmtepompen moeten dan vaak ook de radiatoren vervangen worden door laagtemperatuur radiatoren.

68 / 142

Er bestaan verschillende typen warmtepompen:

> lucht-water-warmtepompen gebruiken de buitenlucht als warmtebron

> water-water-warmtepompen gebruiken water (WKO of bodemlus) als warmtebron > een combinatie met zonthermie Voor het benutten van energie uit buitenlucht is een buitenunit nodig. Voor het benutten van warmte uit de bodem moet er een bodemlus geboord worden onder de woning of in de tuin. Grotere gebouwen kunnen ook gebruik maken van een eigen warmte- en koude opslaginstallatie (WKO) om gebruik te maken van bodemenergie als warmtebron. Voor het benutten van zonthermie moeten er thermische zonnepanelen geplaats worden op het dak van de woning. Naast de warmtepomp of de infraroodpanelen komt er een boilervat van minimaal 150 liter voor warm tapwater in de woning. Bij de keuze voor een all-electric systeem moet deze ruimte dus wel beschikbaar zijn. Bij infraroodpanelen en lucht-water-warmtepomp zal het elektriciteitsnet meer verzwaard moeten worden dan bij water-water-warmtepompen. Zonthermie als bron voor een warmtepomp Met de nieuwe generatie zonthermische panelen wordt er, óók als er geen zon is, warmte geproduceerd. Dit kan doordat het paneel behalve uit zon- en daglicht ook heel goed warmte kan winnen uit de buitenlucht. Hierdoor kan ook ‘s nachts en in de winter voldoende warmte geleverd worden aan een water-water-warmtepomp, zodat deze net zo efficiënt warmte kan produceren als een warmtepomp met een bodemlus.

Voordeel is dat deze oplossing veel eenvoudiger te installeren is dan het boren van een bodemlus. De zonthermische panelen kunnen gecombineerd worden met zonnepanelen voor het opwekken van elektriciteit. Individuele oplossingen Naast all-electric oplossingen, kan gekozen worden voor andere individuele oplossingen. Als er geen gasnet is en ook geen warmtenet in de wijk ligt, bestaat het risico dat huiseigenaren de keuze maken om houtachtige biomassa te gebruiken, bijvoorbeeld voor een pelletkachel. Deze oplossing moet echter niet gestimuleerd worden in verband met de risico’s op uitstoot van fijnstof en schaarste en de betaalbaarheid van houtpellets op de langere termijn. Efficiëntie van warmtepompen en infraroodpanelen Een warmtepomp gebruikt de temperatuur van de omgeving als bron. Dat zorgt ervoor dat er meer energie in de vorm van warmte wordt opgewekt dan dat er aan elektriciteit wordt gebruikt. Van 1 kWh elektriciteit kan een warmtepomp 3-6 kWh aan warmte produceren (COP van 3-6). Bij infraroodpanelen is de omzetting van elektriciteit naar warmte één staat tot één, veel minder efficiënt dus. Infraroodpanelen hebben wel het voordeel dat ze alleen aan hoeven te staan op het moment dat er een persoon aanwezig is in de ruimte (in tegenstelling tot andere technieken) waardoor ze in praktijk wel wat efficiënter zijn dan doet vermoeden.

Infraroodpanelen kunnen in de toekomst niet gecombineerd worden met een warmtebatterij in de woning, waardoor grootschalige toepassing lastig zal worden.

69 / 142

70 / 142

Nieuwe generatie warmtepompen Er komen steeds meer nieuwe generatie warmtepompen op de markt die een grotere temperatuursprong kunnen maken door gebruik te maken van andere koudemiddelen, zoals ammoniak (NH3) en CO2. De nieuwe generatie warmtepompen zijn ontwikkeld voor de industrie en worden daar al jaren toegepast. Het is dus al een bewezen techniek. Dit type warmtepompen is daarom uitermate geschikt voor het leveren van warmte aan een collectieve installatie in gebouwen of aan warmtenetten in wijken. Speciaal voor woningen is er nu ook een individuele lucht-water-warmtepomp op de markt met als koudemiddel CO2, die zonder problemen 70°C kan produceren. Voordeel is dat de bestaande radiatoren dan niet vervangen hoeven te worden. Nadeel is dat ze minder energie-efficiënt zijn. De verwachting is dat er ook water-water-warmtepompen voor woningen op de markt zullen komen met dezelfde eigenschappen. Om op grotere schaal individuele warmtepompen in wijken toe te passen is het van belang dat er technieken komen om warmte compact in de woning op de slaan. Dat vraagt de nodige innovatie en extra ruimte in de woning.

1.3

Bronnet

Een bronnet is een aanvulling op all-electric. Een bronnet transporteert laagwaardige warmte naar meerdere woningen en gebouwen als bron voor een warmtepomp in de woning of het gebouw. Ook bij deze infrastructuur moet de capaciteit van het elektriciteitsnet in de wijk dus worden verhoogd. Aangezien een warmtepomp ook op woning- of gebouwniveau in veel gevallen een efficiënte bron kan hebben, zal een bronnet voor woningen in de meeste gevallen geen logische optie zijn. In wijken waar in hoge dichtheid gebouwd is, kan er mogelijk beperkt ruimte zijn voor potentiele bronnen, waardoor een bronnet een oplossing kan bieden. Echter is in dat geval vaak een warmtenet een logischere keuze. De verwachting is daarom dat een bronnet met name ingezet zal gaan worden als bron voor warmtepompen, die warmte leveren aan een warmtenet in een wijk of op een bedrijventerrein.

1.4

Warmtenet

Een warmtenet is een infrastructuur van ondergrondse leidingen die warm water vervoert naar meerdere gebouwen tegelijkertijd. Er is dan sprake van een collectieve warmtevoorziening. Een warmtenet komt er niet zomaar, daar is een bepaalde schaal voor nodig. Zeker bij grote investeringen zoals een diepe geothermiebron moeten er voldoende woningen en andere gebouwen aansluiten om het warmtenet rendabel te maken. Aansluitingen op een warmtenet worden met name gerealiseerd op het moment dat woningen worden gebouwd. Er is nog weinig ervaring met het aansluiten van bestaande woningen. Voorafgaand aan de aanleg van de warmte-infrastructuur moet het daarom duidelijk zijn hoeveel en welke woningen en gebouwen willen aansluiten. Hoe meer woningen en gebouwen willen aansluiten, hoe beter de kosten gespreid kunnen worden. Het project wordt daardoor kansrijker en er kan een beter aanbod worden gedaan aan gebouweigenaren en bewoners. Lokale warmtebronnen zoals oppervlaktewater hebben over het algemeen minder schaalgrootte nodig, omdat de warmte van minder ver komt en deze bronnen ook op kleinere schaal warmte produceren. Bij het gebruik van deze lokale bronnen kunnen honderd tot tweehonderd deelnemende woningen al toereikend zijn. Bestaande warmtenetten in oudere wijken leveren een temperatuur van maximaal 90°C aan de woningen en gebouwen (hoogtemperatuur).

Woningen in recentere wijken zijn beter geïsoleerd en dan kan volstaan worden met een aanvoertemperatuur die lager ligt, circa 70°C (middentemperatuur). Bij nieuw te bouwen wijken kan worden overwogen om de aanvoertemperatuur verder te verlagen naar 40°C (laagtemperatuur). In deze woningen moet dan wel een aanvullende boostervoorziening geplaats worden voor warm tapwater. In de praktijk zien we dat daarom vaak ook bij nieuwbouwwoningen wordt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. Om in een bestaande wijk een warmtenet te realiseren is er voldoende schaalgrootte en dichtheid van gebouwen nodig. Hoe hoger de temperatuur, die met de beschikbare warmtebron kan worden geleverd, hoe eenvoudiger de schaalgrootte kan worden bereikt, omdat woningen sneller geschikt zijn

71 / 142

om aan te kunnen sluiten. Woningcorporaties kunnen vanwege geclusterd bezit en een bepaalde mate van schaal, helpen om de slaagkans van een warmtenet in een wijk te vergroten in vergelijking met wijken waar voornamelijk particuliere woningeigenaren wonen. Bij een warmtenet komt er per gebouw of cluster van eengezinswoningen of kleinere gebouwen een afleverstation. Hier kan de temperatuur worden geregeld. De temperatuur van het net kan dus lokaal worden verlaagd als een gebouw daarvoor geschikt is.

2. Energiebronnen in Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel Bij iedere energie-infrastructuur hoort een andere energiedrager. Dit is respectievelijk gas (gasnet), elektriciteit (E-net) en/of water (warmtenet). Bij de verschillende energiedragers horen verschillende bronnen en (on)mogelijkheden om energie, die nodig is voor het verwarmen van woningen en gebouwen, op te slaan. Daarnaast is de meest geschikte bron en bijhorende energie-infrastructuur ook sterk afhankelijk van de schaalgrootte, die kan worden gerealiseerd.

2.1

Afhankelijkheid fossiele bronnen

2.2

Alternatieve bronnen voor aardgas

Tijdens de energietransitie blijven we afhankelijk van fossiele bronnen. Een goed voorbeeld van deze afhankelijkheid is een woning die zonnepanelen heeft liggen op het dak. Het grootste deel van de energie die wordt opgewekt door de panelen kan niet gelijktijdig worden gebruikt in de woning en wordt dus teruggeleverd aan het elektriciteitsnet en elders gebruikt. Als het donker is of bewolkt en de panelen niet of nauwelijks elektriciteit produceren, wordt er elektriciteit uit het elektriciteitsnet gebruikt. Deze elektriciteit wordt centraal opgewekt met een mix van bronnen, nu nog circa 80% fossiel (aardgas en kolen). Dat neemt niet weg dat het goed is dat er zonnepanelen op daken worden geplaatst. Al het dakoppervlak in Nederland moet namelijk zoveel als mogelijk benut worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit. De alternatieve bronnen voor aardgas zijn beperkt, zeker voor de grote hoeveelheid aardgas, die nu in Nederland en de rest van de wereld gebruikt wordt. Naast biogas/groen gas wordt waterstof vaak genoemd als alternatief voor aardgas. In het Klimaatakkoord komt het woord maar liefst 180 keer voor. Waterstof is geen bron, maar een energiedrager. Vrijwel alle waterstof die nu in Nederland wordt geproduceerd, is grijs. Oftewel: gemaakt van aardgas, waardoor er CO2 vrijkomt. Groene waterstof bestaat ook.

Dit wordt gemaakt uit duurzame elektriciteit, maar is voorlopig schaars en daarom duur. Voor de periode na 2030 is de duurzaamheid van het gasnet naast groen gas afhankelijk van de komst van waterstof. Volgens het Klimaatakkoord is er in 2050 ruimschoots waterstof beschikbaar voor de gebouwde omgeving, maar die verwachting is echter erg onzeker. Voor de productie van groen waterstofgas zijn we sterk afhankelijk van technologische ontwikkelingen en grootschalige productie van hernieuwbare elektriciteit en groene waterstof in het buitenland, zoals Noord-Afrika en het Midden-Oosten. In deze landen kan zon- en windenergie op land veel efficiënter geproduceerd worden dan in Nederland, wat het verlies bij de productie van waterstof deels kan compenseren. Ook is er daar, in tegenstelling tot Nederland, voldoende ruimte. Omdat gas veel goedkoper is te transporteren dan elektriciteit, kan het ook over lange afstanden worden getransporteerd via pijpleidingen en met schepen. De productie van waterstof kan hierdoor mogelijk op de lange termijn in deze landen rendabel worden. Naar verwachting zal er pas na 2035 op grotere schaal waterstof geproduceerd gaan worden. Of deze productie van de grond komt en in hoeverre deze beschikbaar komt voor de gebouwde omgeving is onzeker.

Vanuit energie-efficiëntie is het verstandiger om de industrie en de transportsector voorrang te geven voor gebruik van groen gas en groene waterstof vanwege de hogere temperaturen die in die sectoren nodig zijn. Waterstof wordt daarnaast ook gebruikt als grondstof voor bijvoorbeeld kunstmest en kan in de toekomst een veel bredere toepassing krijgen als duurzame grondstof voor bijvoorbeeld plastic. Voor de voorziening van de gasvraag in de gebouwde omgeving zal daarom voorlopig nog aardgas nodig zijn.

72 / 142

2.3

Alternatieve bronnen voor elektriciteit

Net als in alle sectoren, gaat ook voor het verwarmen van de gebouwde omgeving, elektriciteit een nog grotere rol spelen dan nu het geval is. Met name voor het opwekken van warmte met warmtepompen in woningen, gebouwen en wijken zal de vraag naar elektriciteit stijgen. Voor een volledig duurzame samenleving zal deze elektriciteit dan wel verduurzaamd moeten worden. In Nederland zijn zon en wind daarvoor de meest logische bronnen op dit moment. Verduurzaming is een hele grote opgave. De huidige elektriciteitsmix in Nederland bestaat namelijk nog voor circa 80% uit fossiele bronnen. Daarnaast zijn we gewend dat elektriciteit altijd beschikbaar is, omdat kolen- en gascentrales het gehele jaar door kunnen leveren op basis van de vraag. Maar in de toekomst zal het elektriciteitsaanbod veel minder constant en ook deels seizoen afhankelijk zijn door een groter aandeel van zonne-energie en windenergie in de energiemix. Het opslaan van energie (elektriciteit en warmte) is dus noodzakelijk. Bij de keuze voor de energie-infrastructuur is het daarom nodig om meer rekening te houden met de (on)mogelijkheid om energie op te slaan. Belangrijk daarbij is te vermelden dat voor het voeden van warmtepompen elektriciteit uit windenergie veel meer geschikt is dan zonne-energie, omdat in het stookseizoen het aanbod van wind vele malen hoger ligt.

2.4

Restwarmte

2.5

Biomassa

Restwarmte komt vrij bij een productieproces. Er zijn vele verschillende soorten van restwarmte met ook verschillende temperaturen. Voor bestaande warmtenetten is restwarmte de meest voorkomende bron. Een mogelijk nadeel van restwarmte is de beschikbaarheid. Er zijn maar een beperkt aantal locaties waar restwarmte benut kan worden voor het verwarmen van de gebouwde omgeving en het is in sommige gevallen onzeker hoe lang de warmte beschikbaar blijft. Omdat restwarmte een relatief goedkope bron is, moet het daar waar mogelijk worden benut voor de ontwikkeling van warmtenetten. Het is dan wel van belang dat er een alternatieve duurzame warmtebron op locatie beschikbaar is, zodat de leveringszekerheid van warmte kan worden gegarandeerd voor een zeer lange tijd. Van biomassa in de vorm van bijvoorbeeld hout, bermgras, mest, slib, zeewier en mogelijk ook algen kan energie geproduceerd worden. De energie kan geproduceerd worden voor alle energiedragers en dus in alle sectoren, dus ook voor industrie en transport, worden ingezet. Biomassa is echter schaars. Voor biomassa geldt nog meer dan voor restwarmte dat de beschikbaarheid op langere termijn onzeker is. Als warmtebron voor de gebouwde omgeving moet er daarom zeer zorgvuldig mee omgegaan worden. Bovendien is het de vraag of biomassa direct ingezet moet worden als energiebron.

Vaak zijn er andere routes waarin biomassa een hogere waarde heeft. Belangrijk is om de schaarse biomassa alleen in te zetten als transitiebron bij de ontwikkeling van nieuwe warmtenetten in de bestaande gebouwde omgeving eventueel in combinatie met nieuwbouw. En dan met name daar waar er geen alternatieve bron, zoals restwarmte beschikbaar is. Het is dan wel van belang dat er een alternatieve duurzame warmtebron op locatie beschikbaar is, zodat de leveringszekerheid van warmte gegarandeerd kan worden. De lokale warmtenetten op biomassa moeten daarom toewerken naar een aanvoertemperatuur van maximaal 70°C. Bij een hogere aanvoertemperatuur is het advies om goede afspraken te maken met de vastgoedeigenaren, zodat de temperatuur voor het einde van de exploitatieduur van de biomassawarmtecentrale verlaagd kan worden.

2.6

Energie uit de bodem en diepere aardlagen

Uit de bodem en uit diepere aardlagen kan warmte onttrokken worden. Een vuistregel; elke kilometer naar beneden, neemt de temperatuur met circa 30°C toe. Dus hoe dieper je boort, hoe hoger de temperatuur. Of je op een bepaalde diepte in Nederland deze warmte ook daadwerkelijk uit de aarde kan winnen, is sterk afhankelijk van de lokale eigenschappen van de aardlagen. In Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel lijkt geothermie voor collectieve oplossingen niet kansrijk.

73 / 142

Bron

Diepte

Temperatuur

Bodemlussen of WKO

Tot 250 meter

10 - 15 °C

Ondiepe geothermie

250-1000 meter

20 - 40 °C

Diepe geothermie

1-4 kilometer

40 - 100 °C

Ultradiepe geothermie

4-6 kilometer

100 - 180 °C

Tabel A1 – Bodemenergie en aardwarmte

Retournet diepe geothermie Uit een geothermieput van circa 2,5 kilometer diepte kunnen temperaturen van 70⁰C of hoger omhoog worden gepompt. Als hiermee bestaande woningen en gebouwen verwarmd worden, is de retourtemperatuur tussen de 40 en 50⁰C. Het zou zonde zijn om deze warmte onbenut weer terug te pompen in de injectieput, waar het afgekoelde water weer wordt teruggepompt naar 2,5 kilometer diepte. In combinatie met een warmtenet kunnen gebouwen direct worden verwarmd met deze restwarmte. Ook kan met een wijkwarmtepomp de temperatuur verhoogd worden naar 70⁰C, zodat het ook een oplossing is voor de bestaande woningbouw. Hierdoor wordt er meer warmte benut en wordt er maar 20-30⁰C teruggepompt in de injectieput.

2.7

Aquathermie

Met alle thermische energie uit water (aquathermie) kan in potentie een groot deel van de gebouwde omgeving worden voorzien. Dat kan de energie zijn uit oppervlakte-, afval- en drinkwater (TEO, TEA en TED). Om deze bronnen te kunnen benutten zullen er wel warmtenetten ontwikkeld moeten worden in wijken met een aanvoertemperatuur van maximaal 70°C. Voordeel is dat het op een kleinere schaal kan worden toegepast dan bij andere potentiële bronnen voor warmtenetten, zoals bij restwarmte en geothermie vaak het geval zal zijn. Door energie uit oppervlaktewater te onttrekken verbetert de waterkwaliteit en het verminderd ook hittestress. Voorbeelden van energie uit afvalwater zijn warmte uit het riool (riothermie) en uit het gezuiverde afvalwater (effluentwater) bij een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Bij laagwaardige warmtebronnen, zoals aquathermie is het van belang om te vermelden dat er elektrische warmtepompen nodig zijn om de warmte op het vereiste temperatuurniveau te krijgen voor het verwarmen van de woningen en deze te voorzien van warm tapwater. Er is bij de inzet van warmtepompen dus ook op termijn voldoende duurzame elektriciteit nodig. Verwarmen met oppervlaktewater Oppervlaktewater wordt in de zomer sterk opgewarmd. Deze warmte kan onttrokken worden en tijdelijk worden opgeslagen in WKO.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Tytsjerksteradiel&id=6583ba94-740a-471b-a882-72039b55ee9f